Zoeken

Tip

Evolutie en beschaving

Heel vaak had mevrouw Piovanelli, als ze na het eten nog wat met haar man zat te praten, de wens uitgesproken dat, indien een van hen beiden, wat god mocht verhoeden, voortijdig zou komen te overlijden – dat hij dat dan zou zijn. Maar die dag stelde ze vast dat haar geduld minder groot was dan gedacht.   Met de jaren was het haar beginnen dagen dat hij nooit de man zou worden die zij gedacht had te ontmoeten toen ze hem zevenendertig jaar, vier maanden en negentien dagen geleden had uitgekozen. Uiteraard had zij hem steeds in de waan gelaten dat hij het was geweest die haar had gekozen, zoals het zou gelopen zijn mocht hij een echte man zijn geweest. Heel vaak had zij zichzelf al verweten dat haar gretig verlangen naar een man aan haar zijde het toen had gewonnen van haar zelfbeheersing. Het besef dat zij gevallen was voor zijn knappe verschijning was een dame als haar onwaardig en kwelde haar nog meer dan al de onhebbelijke eigenschappen die ze sedertdien bij hem had ontdekt. Dat zij zichzelf in deze situatie had gebracht, was allicht de voornaamste reden geweest waarom zij jarenlang had gemeend dit lot te moeten dragen. Zij had gezworen nooit nog haar gevoelsleven te laten primeren op goed fatsoen, geduld en welgemanierdheid. Zij had geslikt en gezwegen en een uitzonderlijke keer had zij de ogen gesloten voor zijn ongemanierde gewoontes, maar nooit was zij tegen hem uitgevaren.   Zijn volkse aard was zwaar om dragen, maar toch was dat niet haar grootste beproeving gebleken. Het was de leegte in hem, waarvan er met de jaren alleen maar meer leek te zijn gekomen, naarmate zijn struise lijf nog verder was uitgezet. Haar vader zaliger had haar erop attent gemaakt die avond nadat ze hem trots aan haar ouders had voorgesteld. Nadat hij geduldig had geluisterd naar haar enthousiaste verhalen over hun eerste weken samen en haar had verzekerd dat hij niets liever wou dan haar gelukkig zien, had hij voorzichtig gepolst of die jongeman wel genoeg inhoud had. Ze had de vraag destijds niet eens gehoord, maar had ze zich achteraf wel pijnlijk vaak herinnerd. Schoorvoetend had zij moeten erkennen dat haar vaders bezorgdheid volkomen terecht was geweest. Meneer Piovanelli was zwaar van postuur maar licht van geest, dat was de verpletterende waarheid die zij intussen niet langer kon ontkennen.   Mevrouw Piovanelli had zich uitgeput in vergeefse pogingen om zijn interesse te wekken voor de literatuur, de beeldende kunsten of de wetenschappen. Ze had hem meegenomen naar de grote Europese steden en was hem voorgegaan naar gerenommeerde kunsthuizen en musea. Talrijke schouwburgen en galerijen hadden zij bezocht en na haar vaders dood had zij diens bibliotheek met veel zorg laten overbrengen naar hun eigen woning. Het liet hem allemaal koud.   Niets had doen vermoeden dat die dag anders zou verlopen dan alle andere. Zij was vroeg opgestaan en had naar vaste gewoonte de ontbijttafel klaar gezet. Hij was ongeschoren aan tafel verschenen, had zich haastig volgeschrokt zonder haar een woord te gunnen en verborg nu zijn rood gezwollen hoofd achter het lokale dagblad dat hij weldra met zich mee zou nemen als hij luidruchtig zijn gevoeg ging doen. “Ik heb dat boek eindelijk gevonden,” zei ze. Hij zweeg. “Je weet wel, dat boek van Vonnegut.” Hij zweeg. “Van Kurt Vonnegut, over evolutie en beschaving, het speelt zich af op de Galapagos eilanden.” Hij zweeg nog steeds. “Ga-lá-pa-gos.” Ze noemde de lettergrepen luid en traag en liet vervolgens een stilte die hem geen andere kans liet dan te reageren. “Galawat?” vroeg hij verveeld.   Zwijgend stond ze op en liep naar het aanrecht achter hem. Ze nam de grote vleesvork, draaide zich om en plofte die zonder aarzeling diep in zijn hals. Een harde knal weerklonk, gevolgd door een walgelijk geluid als van een lange luide buikwind. Meneer Piovanelli vloog door de kamer als een ballon die wild wordt voortgestuwd door de lucht die ontsnapt langs dat ene gaatje. Ze wachtte geduldig af tot hij, zoals zij had verwacht, helemaal was leeg gelopen en alleen nog zijn omhulsel achterbleef op de koude vloer. Voorzichtig pakte zij de lege zak op en plooide die telkens dubbel tot ook de laatste lucht eruit verdwenen was. Vervolgens ontvouwde ze haar echtgenoot opnieuw tot zijn volle lengte. Het dunne vel paste nu precies tussen de kaken van de oude perforator uit vaders bibliotheek. Zorgzaam en geduldig knipte zij haar man tot kleine rondjes en verzamelde die in een lege bloempot.    

Roel Nijleend
10 0

Afterparty

Na het afscheid ging hij alleen langs de trap naar beneden. Tot hij bijna beneden was, weerklonk enkel het dalende geluid van zijn voetstappen op de treden, telkens twintig, dan het hoekje om, en zo wel een keer of veertien. Met nog één verdieping te gaan, hoorde hij onder hem het blaffen van een hond. Daar zou hij langs moeten. Toen hij aan zijn laatste twintig treden begon, zag hij de hond. Het beest zat niet eens vast. Maar de hond blafte niet meer en liet hem passeren zonder meer. Zo eenvoudig kon het dus zijn, dacht hij opgelucht. Hij ging de voordeur door en stapte de duisternis in. Nu was het feest echt gedaan. Hij wandelde zonder haast naar de dichtstbijzijnde bushalte, waar toevallig of niet de bus al stond te wachten. Aan het stuur zat een jong meisje van jaar of twintig. Sharon, las hij op het naamkaartje op haar borst. Hij gaf Sharon een muntstuk, waarna ze de bus startte en wegreed. Ze vroeg niet waar hij moest uitstappen. Hij zette zich neer. Behalve hem was er niemand op de bus. Door de ruiten zag hij niks van de wereld buiten, enkel zijn eigen schimmige reflectie. Het zachte deinen van de bus wiegde hem half in slaap. Uiteindelijk, hij wist niet na hoeveel tijd, vertraagde de bus. Hij was aan het einde van zijn rit gekomen. Sharon opende deuren en hij stapte uit. Precies waar hij zijn moest, bedacht hij met bewondering terwijl hij keek naar de wegrijdende bus, op zoek naar een nieuwe passagier voor wie het feest afgelopen was. Tevreden stapte hij naar de voordeur van zijn eindbestemming, ging naar binnen en gaf zich helemaal over aan zijn langverlangde rust.

joris
3 0

Anna's rozen

"Weet je zeker dat het hier is?" "Nog een beetje verder, we zijn er bijna." Mijn dochter zucht theatraal. Even verwachtte ik dat ze zou protesteren, maar tot mijn opluchting gaat ze zwijgend verder. Met haar ene arm houdt ze mijn krukken vast, met haar andere ondersteunt ze mij. Ik bengel als een slappe lappenpop naast haar. Hoewel zij mijn uitgemergelde lichaam goed ondersteunt, doet elke beweging pijn. Onwillekeurig vraag ik me af wat het gemakkelijkste zou breken: een arm, een rib of een heup? Of misschien scheuren spieren gemakkelijker dan botten breken? De vraag verdwijnt al snel naar mijn achterhoofd, wanneer ik de oude eik herken. "Hier linksaf," geef ik aan. "Hoe kan dat nu? Mam, daar is helemaal geen pad! Nee, we gaan onmiddellijk terug. Dit is gekkenwerk! Ik kan niet geloven dat je me hiertoe hebt aangezet! Waar zijn we in godsnaam beland!" Ze snuift luid door haar neusgaten. Ik ken mijn dochter goed genoeg om haar monoloog niet te onderbreken en haar te laten uitrazen. "Kom, kom, lieverd. We zijn er bijna. Hier linksaf." Ik spreek rustig en zelfzeker. Mijn dochter kijkt me onthutst aan, maar komt wel weer in beweging. Met mijn krukken duwt ze takken van een heldergroene struik aan de kant. Samen staren we de dichte begroeiing in. Na nog een laatste klaaglijke zucht, stapt ze zijwaarts het struikgewas in, mij naast haar meeslepend. We bewegen ons traag door de groene wildernis. Ik ben zo in gedachten verzonken, dat ik enkele keren bijna struikel over wortels van de bomen die her en der staan. Gelukkig houdt mijn dochter me stevig vast. Met een abrupte beweging die mijn lichaam doet schokken, komen we tot stilstand wanneer we eindelijk de houten constructie van de hut zien. Mijn ogen vullen zich met tranen bij de aanblik van het gammele hutje. Ik word overspoeld met herinneringen. Mijn hart gaat sneller slaan. Het lijkt alsof elke hartslag zijn naam schreeuwt. Leon, Leon, Leon. Ik heb er nooit over getwijfeld dat de hut er nog zou zijn, maar al snel besef ik dat de belangrijkste plaats uit mijn leven, de tand des tijds maar net overleefd heeft. Nu ik ons stulpje van dichtbij bekijk, verwondert het me een beetje dat het nog steeds overeind staat. Het oogt alsof het zou kunnen bezwijken onder de kleinste windvlaag. Maar hetzelfde zou van mij gezegd kunnen worden, en ik ben er ook nog. "Laat me nu maar even los," gebied ik mijn dochter. Ze laat mijn broze lichaam voorzichtig los en ondersteunt me tot ze zeker weet dat ik stevig op mijn benen sta, waarna ze me de krukken overhandigt. Onhandig maar vastberaden beweeg ik me naar de deur. Met een kruk duw ik ertegen, waarna deze al piepend opengaat. Samen met mijn hartslag versnelt mijn ademhaling. Even vraag ik me af of mijn lichaam het dan eindelijk zou begeven, hier aan de deurpost van onze hut. Zo dichtbij, maar net niet. Het zou me niet verwonderen, besef ik. Hier terugkeren na al die jaren, had altijd iets onrealistisch geweest. Een onmogelijke droom, waaruit ik elk  moment zou kunnen ontwaken. Ik  wacht geduldig tot mijn ademhaling tot rust gekomen is en stap dan binnen. Als aan de grond genageld sta ik in het hutje. Ik sluit mijn ogen en snuif. Alles hier ademt zijn geur uit. Mijn adem stokt en mijn ogen openen zich wanneer mijn dochter achter mij mijn heiligdom betreedt. Ze stapt achteloos ons stulpje binnen:  haar voetstappen maken te veel lawaai, ze schraapt nerveus haar keel en neemt alles nieuwsgierig in haar op, alsof dit niet het grootste geheim is dat ik heb.  Een geheim dat ik al die jaren gekoesterd heb, maar haar ook toebehoort, besef ik. "Lieverd, geef me mijn tasje eens aan?" Zonder tegenpruttelen laat ze mijn tasje van haar rug glijden en overhandigt het me. Wanneer ik stabiel genoeg sta, geef ik haar de krukken in ruil. Ik open het tasje en haal de kaars en de aansteker tevoorschijn. Ik voel de nieuwsgierige blik van mijn dochter op mijn huid branden.  Hoewel het niet donker is in de hut, ontsteek ik de kaars en plaats hem in de kandelaar op het tafeltje dat voor me staat. "Dit was ons plekje. Ons geheim." Ik fluister de woorden voor mij uit, meer voor mezelf dan voor mijn dochter, hoewel ik me er bewust van ben dat zij elk woord nauwlettend opneemt. "Dit is het dorp waarin ik mijn jeugd heb doorgebracht. Hier heb ik de liefde van mijn leven ontmoet.", vertrouw ik haar toe. "Ja, in het witte kerkje waar we daarnet langsreden, trouwde je met vader. Dat weet ik toch? Je vertelde me dat verhaal al honderd keer en..." Haar ogen ontmoeten de mijne. Iets in mijn blik brengt haar tot zwijgen en doet haar naar adem snakken. "O." Mijn dochters lippen hebben dezelfde vorm als het geluid dat ze produceren. Ze heeft het eindelijk begrepen, besef ik. "Nee, lieverd. Dit verhaal heb ik je nog niet verteld." Ik heb het nooit iemand verteld, voeg ik er in gedachten aan toe. Ik werp haar een knipoog toe en voel hoe mijn wangen kleuren. Ik neem plaats op één van de oude stoeltjes aan het tafeltje. Het harde met de hand vervaardigde meubelstuk voelt vertrouwd aan. Mijn dochter neemt plaats op de andere stoel. "Zijn naam was Leon. Leon Biest. Ik was zestien toen ik hem ontmoette, hij was een jaar of twee ouder dan ik. We waren dolverliefd. Mijn liefde voor hem was zoals ademhalen: heel natuurlijk, en bovendien levensnoodzakelijk. We waren zo gelukkig, zo jong, zo wild. Maar natuurlijk keurden mijn ouders het niet goed. Vader was razend. Moeder wilde het er niet eens over hebben. Een Biest, daar wilde ze écht niets mee te maken hebben. Ah, ik begrijp het wel, hij was ook zo'n boef." Ik grinnik. Mijn dochter kijkt me verbijsterd aan, alsof ze niet kan geloven dat haar timide moeder een grinnik kan produceren. "Een boef?""Geen echte crimineel natuurlijk, hoogstens wat kattenkwaad. Hij had toen zo'n jobje als boodschappenjongen, waarbij hij met de fiets urenlang van her naar der moest om bestellingen op te nemen of materialen te leveren. Toen hij op zijn eerste werkdag platte band had en een fiets had gestolen om zijn route verder te zeggen, had hij natuurlijk meteen naam gemaakt. De hele dag door het dorp fietsen op een gestolen fiets, dat ging niet onopgemerkt voorbij! Dat het de fiets was van de priester, was natuurlijk brute pech. En al die keren dat we aangesproken werden door mensen die we niet eens kenden! We konden nergens ongestoord samen heen! Hij had de onhebbelijke gewoonte om tuinen te betreden en kledij van wasdraden te stelen. Die droeg hij dan ongegeneerd in het openbaar! Ik kan je wel vertellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Ik zat er steeds weer mee verveeld dat we werden aangesproken omdat hij de een of de andere mans broek of jasje droeg, maar hij niet. Voor hem was alles een soort grap. Hij was volkomen zorgeloos." De herinneringen aan zijn kwajongensstreken en zijn roekeloosheid, brengen vreugde in mijn hart. Het is lang geleden dat ik me zo licht en vrolijk gevoel had. Het voelt weer net als toen, zelfs na al die jaren. "En daarom bouwden jullie dit hutje? Omdat jullie niet meer in het openbaar konden samenkomen?" "Nee, 'tuurlijk niet. Dat was pas toen ik je vader huwde." "Wist vader...?" "Nee, hij heeft het nooit geweten. Bernard was zo'n lieve, oprechte man. Het was niet eens bij hem opgekomen dat ik niet zo was. Ik voelde zoveel genegenheid voor hem, dat het voor hem ook niet moeilijk was om te geloven dat ik hem liefhad. En natuurlijk was dat ook zo: ik hield van Bernard. Zelfs nu hij al bijna elf jaar dood is, hou ik nog steeds van hem. Maar niet zoals ik van Leon hield. Niet zoals ik nog steeds van Leon houd." Ik kijk naar mijn enige dochter, mijn oudste kind. Ik heb haar gedragen, gebaard en haar leven lang gekoesterd. Ik heb altijd meer van haar gehouden dan van de jongens, al mag een moeder zulke dingen eigenlijk niet denken. Haar hele leven heb ik haar dichtbij me gehouden. Als kind was dat gemakkelijk, maar ook toen zij Tobias huwde en zelf kinderen kreeg, bleef ik erg bij haar leven betrokken. Ik denk soms dat ik haar beter ken dan zij zichzelf kent. Hoewel we als dag en nacht van elkaar verschillen, voel ik een sterke verbondenheid. Haar driftbuien, het onblusbare vuur dat in haar huist, haar hart dat op het puntje van haar tong ligt, haar impulsiviteit. Eigenschappen die ik zelf niet heb, maar door en door bij haar ken en koester. Maar op geen enkel moment had ik dit meegemaakt: ze staarde me aan, sprakeloos. Totaal verbijsterd. Mijn mondige meisje. "Toen mijn ouders me dwongen om me te verloven met Bernard, beloofde Leon me dat hij een hut in het bos zou bouwen om samen heen te vluchten. Een toevluchtsoord waar we nooit ontdekt konden worden. Natuurlijk wist ik ook wel dat we niet de rest van ons leven onontdekt in een hutje konden wonen, maar ik was jong en ongelooflijk verliefd op hem. Ik zou hem overal heen gevolgd hebben. Ik zou de verloving afgeblazen hebben of niet opgedaagd zijn op mijn eigen huwelijk. Alles zou ik gedaan hebben, om samen met hem te zijn." "Maar waarom ben je dan met vader getrouwd? Wat gebeurde er?" Ze zit op het randje van haar stoel. Haar ogen, wijd opengesperd uit nieuwsgierigheid, kijken me doordringend aan. "Mijn moeder werd ziek. Dat veranderde alles. Hoewel ze niet had ingestemd met mijn relatie met Leon, was zij me zeer dierbaar. Ik hield zo van haar. Toen ze me op haar sterfbed vroeg om Bernard te huwen, kon ik niet weigeren. Dus huwde ik Bernard. En dat was dat. Dat dacht ik toen toch." Ik adem enkele keren diep in en uit, maar wanneer ik zie dat mijn dochter me brandend van ongeduld aanstaart, ga ik snel verder. "Leon bouwde de hut die hij me beloofd had. En weet je, mij lieve dochter, ik ben altijd heel gelovig geweest, net als mijn ouders. Ook als kind hield ik me trouw aan de Christelijke waarden. Ik leefde volgens mijn geloof. Tot ik iets ontdekte dat krachtiger was. Mijn liefde voor Leon was zo onloochenbaar, dat ze mijn Christelijke waarden oversteeg. Het hutje was exact één dag voor mijn huwelijk klaar. En het was hier dat ik mijn echte huwelijksnacht doorbracht, waarna ik in de vroege ochtend het ouderlijke huis binnensloop om als een brave verloofde op mijn toekomstige echtgenoot te wachten. Bernard pikte me op, we trouwden in het witte kerkje dat ik je daarnet aangewezen had en daar zou het bij blijven. Dat had ik mezelf voorgehouden, in overeenstemming met de belofte die ik mijn moeder had gemaakt. Maar natuurlijk bleef het daar niet bij. Ik merkte al snel dat ik zonder mijn grote liefde maar een half leven leidde. En er kwamen meer momenten in de hut. Ik keerde terug, hij keerde terug. We zagen elkaar hier, kusten elkaar, hadden elkaar lief. Of we misten elkaar. Wanneer één van ons hier was zonder de ander, ontstaken we een kaars. Als je dan bij binnenkomst in de hut de brandende kaars aantrof, wist je dat de ander hier niet lang geleden geweest was. Dat hij voor jou gekomen was en je gemist had. Dat hij aan jou gedacht had. En dan werd je helemaal warm vanbinnen. Leon liet naast de kaarsen ook steeds rozen voor me achter. Hoewel ik toen niet om bloemen gaf, net omdat ze zo snel verwelkten, deed het me veel plezier dat hij die dingen speciaal voor me uit anderen hun tuin plukte. Dat hij die risico's voor mij nam, voelde heel bijzonder." Ik kijk mijn dochter trots, maar ook wat beschaamd om mijn ontrouw aan. Ik weet dat ze ondanks haar impulsieve karakter, haar man nooit zou bedriegen. Dat ik, de rustige, timide vrouw, dat toentertijd herhaaldelijk heb gedaan en dat openlijk toegeef, lijkt haar niet van haar stuk te brengen. Haar levendige ogen kijken me nieuwsgierig aan. Ik zie hoe ze zich probeert voor te stellen hoe het toen was. De passie, de liefde die sterker was dan alle waarden waar ik waarlijk in geloofde, het avontuur. Ze is altijd heel pienter geweest, ook als kind al. Ik vraag me af wat er achter haar schijnbaar rustige gezicht schuilgaat. Hoeveel heeft zij begrepen uit mijn verhaal? Mijn oogappel, die ik altijd gekoesterd en aanbeden heb. Mijn Rose, die altijd wat vuriger geweest is dan haar broertjes. Wanneer haar ogen, die dezelfde tint groen zijn als die van Leon, me aanstaren, vraag ik me af of ik wil dat ze het weet. "En toen?" "Na mijn huwelijk werd ik heel snel zwanger. Zodra mijn zwangerschap zichtbaar was, kwamen er steeds minder kaarsen en rozen. Hij hield nog steeds van mij, dat zag ik in zijn ogen, maar mij zwanger zien, te wéten dat ik Bernards kind droeg, was voor hem te pijnlijk. Hij kon het niet aanzien. Mijn zwangerschap maakte het zichtbaar dat ik niet de zijne was." "Je herinnert het je niet, maar je bent hier eerder geweest." De bekentenis die ik haar maak, verrast me. "Toen ik net van jou bevallen was, nam ik je mee hierheen. Ik weet niet wat ik van plan was. Wat ik zou zeggen. Welke beslissingen ik zou nemen. Het was een impuls." "En wat gebeurde er?" Rose kijkt me bedachtzaam aan. "Niets. Er gebeurde niet. Hij was er niet. Na jouw geboorte, kwamen er geen kaarsen meer. Geen rozen. Geen Leon. Ik keerde terug, zo vaak ik kon verbergen, jarenlang. Tot Jamie geboren werd. Na de geboorte van je broer, heb ik me gesteld in mijn huwelijk. Ik heb er toen op aangedrongen om te verhuizen naar de andere kant van het land. Het deed je vader verdriet om onze geboortestreek te verlaten, maar hij weigerde niet. En zo verhuisden wij zonder duidelijke reden, met onze twee jonge kinderen. Henry werd pas anderhalf jaar later geboren." Roses vragende blik kruist de mijne. Ik lees zoveel twijfels in haar ogen. Zoveel onbeantwoorde vragen, zekerheden die plots wegvallen. Het doet me pijn om haar zo te doen wankelen, maar anderzijds  is het een opluchting dat ze eindelijk de waarheid kent. Het is een verademing dat ze mijn diepste geheim kent. Eindelijk kent ze mij, zoals ik echt ben. Het zal tijd vergen, dat weet ik, maar ik ben er gerust in dat deze nieuwe informatie haar zal helpen ook zichzelf beter te leren kennen en te aanvaarden. "Mam, ik denk dat het tijd is om te gaan, het wordt al bijna donker en we hebben nog een lange autorit voor de boeg." Ik knik. Ik buig voorover en doe iets wat ik nooit eerder gedaan heb: ik blaas de kaars uit. Ik weet dat Leon niet terug zal keren en ook ik zal dat niet doen. Ik neem mijn dochters hand vast en neem de laatste roos die hij me schonk voorgoed mee uit ons toevluchtsoord.

Fuaran
0 0

Onderweg naar morgen

                                  Onderweg naar morgen   Ik keek er reikhalzend naar uit! Vol ongeduld en verlangen. Als ik nog een klein meisje was geweest had ik hoogstwaarschijnlijk rondgehuppeld en gezongen. Toen hield ik het slechts bij het laatste. Luidkeels zong ik liefdeschansons die dropen van passie en mijn omgeving in vervoering brachten; naar ik hoopte. Wanneer  ik terugdenk aan die periode, voor en na mijn PLAN, zo prentte het zich in mijn hoofd, kwam ik nog maar eens tot het besef dat ik een jaartje ouder werd, moest leren sterven, zoals het gezegde vereiste, maar bovenal ; dat was nu mijn leven. Hoe vaak heb ik erom geroepen, hoe dikwijls getreurd om mijn gebrek eraan. Het leven met hoofdletter L! Wat hield dat nu precies n voor mij. Wel, ten eerste kennis opdoen, werken, studeren. En de enige manier om daarin te slagen was om te ontsnappen uit dit achterlijk boerengat. In tegenstelling tot wat de religie hen voorschreef, waar dat land zogenaamd in geloofde, gold ginder opgedwongen achtergesteldheid gekruid met hypocriete moraal en gereserveerd met bijgeloof. Vooruitziendheid werd afgestraft, als er tenminste al iemand op zijn achterhoofd is gevallen om het na te streven. Het was verstikkend; iedere avond ondervond ik het aan den lijve. Ik voelde me als een sardine die opeengepakt lag te spartelen in een plasje water dat met de seconde verdampte in de zinderende hitte. Maar als er iets is dat ik met de jaren wel heb geleerd is het wel geduld opbrengen. Het is een schone deugd, zo wordt vaak beweerd en ik beaam het. Het huwelijk hier, in dit pittoresk dorpje, dat een paradox vormt op haar bewoners, is toepasselijk op een groot deel van de wereld. Het draait zuiver om de machtsstrijd, de touwtjes stevig in handen krijgen en houden, met als ultieme middel; seks en kinderen., Wanneer één van de partners  in kwestie enige beweging waarneemt in de voorheen vaste grond onder zijn voeten pleegt hij een coup, in menselijke taal; scheiding, dat op de meest beestachtige, menselijke vorm wordt uitgevoerd, tot de laatste kruimel, niets ontziend. Dat het leven te kort is en daarom alleen al je het dient te koesteren en vast te houden, daar hebben deze bollebozen geen kaas van gegeten. Maar ja, op je verstand zitten doet blijkbaar geen pijn! Grappig eigenlijk, als je weet hoe deze sneeuwbal aan het rollen is gegaan. Je ziet ze totaal niet komen, de momenten waarop alles verandert. Maar zelfs al kon je dat wel, het doet er niet toe, je kunt er toch niets aan veranderen. Het was dondermiddag, dat herinner ik me als de dag van gisteren. De lente was nog niet zolang het land ingetreden, en kleurde het landschap in nostalgische tinten. De zon scheen heel de dag door maar verkeerde in intieme relatie met een frisse bries. Waar je ook keek, alles deed je geloven dat het leven zo erg nog niet was. Mijn vader was op een van zijn eindeloze tochten als taxichauffeur om zijn klanten op tijd en stond naar de geëiste plek te loodsen doorheen de glooiende kaneelrode rotsheuvels. Ik stond met mijn stiefmoeder en –zusje Meryam in de keuken. Zij bereidde het avondmaal, Meryam modderde wat aan en ik veegde zo goed en zo kwaad als maar mogelijk de keukenvloer schoon met mijn veertienjarige handen en gebogen rug. We hadden het over een vrouw in het dorp. Ze was met man en kroost vertrokken naar Europa. Het land van melk en honing. Europa werd als land beschouwd ongeacht wat de atlassen beweerden.                   De uitgeweken vrouw was het gespreksonderwerp in elk huis, bij iedere bijeenkomst, lang nadat ze er aankwam, gesetteld en de draad van haar leven weer had opgenomen. Wat ging ze daar uitvoeren?! Europa is toch niets voor haar, smoesden de vrouwen bij het meer, de officiële wasplaats. Is het niet goed genoeg in ons land misschien; we zijn gezegend met vruchten, groenten, en allerlei soorten vlees… ? Een hele dag zon, en God boven ons allen. Wie zal haar  leiding geven in een goddeloos land? Ze schrobden, en schrobden met rode wangen en bezwete ruggen terwijl ze zich hardop afvroegen of ze misschien buitenshuis ging werken of studeren, ha!! Ze staakten de was en lachten uitzinnig over deze onbestaanbare ideologie. Hun ideeën zijn vastgeroest en willen niet mee met de tijd en rede. Ik had tot mijn tevredenheid de vloer schoongeveegd en borg de bezem op. Ik verrichtte mijn werk niet naar behoren, althans volgens de vrouw die zo barmhartig genoeg was om me een dak boven het hoofd te bieden. Onze relatie verliep nogal stroef, voor zolang ik me kan herinneren. Een stiefmoeder is iemand die alleen het slechte in een mens ziet. In alle mensen zonder uitzondering maar vooral een kind dat niet van haar is. Ik was veertien, had niets gezien van de wereld buiten de lap grond van mijn vader.. En luidop dacht ik aan wat ik zou doen als ik later, goh, wat leek dat nog ver, groot werd. Ik zou studeren en nadien gaan werken, als God het wil. Je kon er vergif op innemen dat Hij dat zeer zeker wil! Waarop mijn stiefmoeder laconiek repliceerde dat ik niet zo hoog van de toren moest blazen, ik was tenslotte maar een vrouw! En handig plaatste ze het deksel op de pruttelende kookpot waar een appetijtelijke geur uit opsteeg. Daarmee was de kous af! Toch vreemd en treurig, in zekere zin hoe een viertal woorden je hele toekomstbeeld aan diggelen kunnen slaan. Het was alsof iemand me een keiharde stomp in mijn maag had gegeven waar mijn hart van omkeerde. Ik werd er letterlijk ziek van. De gedachte alleen dat ik het leven zou leiden dat vele generaties voor me leden, zonder enige kans op verandering, zonder enige kans op inspraak mijnentwege, een donker hol zonder licht aan het einde van de uitgang. Je zou voor minder uit dit leven stappen. Ik kotste mijn darmen uit die verdorie niet meewilden. Ik stortte me op het schapen hoedden en keek er naar uit om hele dagen buiten te zijn in de snikhete, zonovergoten vlakte, met niemand om me heen, slechts af en toe het gemekker. De dag dat bij een meisje de eerste bloeding zich openbaarde, sloot ze zich aan bij de ellenlange rij huwbare vrouwen. En op dat gebied kwam mijn uithuwelijking met snelle schreden dichterbij. Ik verkeerde in het lichaam van een jonge vrouw. Mijn borsten leken wel overrijpe tomaten, ongeduldig wachtend op de eerste ‘plukking’. Menig mannelijk dorpsgenoot verlustigde er zich aan, ongeacht de leeftijd. Wat seksualiteit aangaat, beschikten de mannen over hersenen in het geslacht en niet zoals beweerd wordt in de bovenkamer. Ze dachten en deden met hun penis. En dat bestuurde de wereld… Stilaan rijpte zich een plan in mijn achterhoofd dat zichtbare vormen aannam. De dag dat ik vertrok had het al bijna vier jaar de kans gehad om te rijpen. Iedere avond als mijn vader zijn lichaam ontkleedde en onder de dekens nestelde met zijn brede vrouw links naast hem, sloop ik letterlijk als een dief in de nacht, naar de kamer ernaast. Daar werd sinds ik me kan herinneren voorraden opgeslagen en oude spullen opgeborgen die we niet nodig hadden maar moeilijk afstand van konden nemen. Aan de muur, tegenover de deur hing een oude kapstok en sinds jaar en dag hing mijn vader zijn kleren eraan op voor ie zijn geest en lichaam te ruste legde.  ’s Ochtends vroeg, bij het eerste hanengekraai, als  de donkere hemel slechts met lichtschakeringen sluimerde, trok hij ze weer aan na een uitvoerige wassing. Op de derde dag propte ie ze tot een bundeltje en mikte ze in de hoek van het vertrek tot iemand, meestal een van mijn stiefzussen,  ze bij de rest van het vuile wasgoed deponeerde, en hulde zich in kraakverse kledij. Hij was een propere man, mijn vader. De wereld sliep of bevredigde elkaar, als het hen zo uitkwam, terwijl ik geruisloos zijn zakken leegde en een biljet of twee achterover drukte, naargelang het bedrag ik er aantrof. Ik keek wel uit dat het niet opviel. Na bijna 4 lange jaren had ik de hand kunnen leggen op een aardige som. Ik nam waar ik recht op had. Ik nam wat me toekwam. Terwille van al die jaren van vrijheid en leven waarvan ze me hadden beroofd. Hoewel ik het hen nooit heb verweten. Ze dachten juist te handelen en wat gebeurt uit edele bedoelingen geschiedt steeds voorbij het goede, volgens een wijze, oude man. De wereld is nu eenmaal verdeeld in 2 kampen. Zij die onderdrukken en de onderdrukten. En jammer genoeg zijn de laatstgenoemde in de meerderheid; De onderdrukkers geilen op hun krankzinnigheid en wij onderwerpen ons eraan door gebrek aan beter weten. Fatsoen en Logica zijn hand in hand op een maanloze nacht weggelopen, anders hadden ze de weg wel teruggevonden. Ik ben God dankbaar dat hij me geen moeder heeft geschonken. Stel je voor! En moeder maakt je ei zacht en de kans is groot dat je het niet redt in deze staalharde wereld. Neen, dank je vriendelijk! Mijn moeder, Moge God genadig zijn, over haar ziel, stierf in het kraambed. Een moeder overleeft nooit zij die ze niet aankunnen, zegt het gezegde. Zoals het een man beaamt, was zijn eerste vrouw nog niet helemaal koud of vader hertrouwde een maagd van het dorp. Zij was rijk, ja zeker! Ze kreeg in korte tijd een man, flink wat jaren ouder maar ervaring en levenswijsheid is belangrijk, een prachtig huis, enorm in formaat, extravagant in stijl. De baby die er noodgedwongen bijkwam, was amper het vermelden waard. En zo ver haar rijkdom reikte, even ver strekte zich zijn zegening want negen maanden later kon hij zich de apetrotse vader van een dochter noemen. En nog één en nog één en nog één. En als afsluiter een zoon. De zegen was inderdaad zo onmetelijk als het zeeoppervlak, hij had een erfgenaam. Op zijn sterfbed kon hij alvast op innerlijke rust rekenen. Adam werd hij gedoopt en ik hield van dat ukkie als was het mijn eigen kind. Een parelmoervlinder. Lavandelbloesem. En ik had tal van koosnamen waar die vandaan kwamen. En vanaf de dag zijn aanvang nam tot ie over ging in de late middag liep ik vergezeld van Adam rond op het platteland. Stenen en distels ontwijkend, mijn huid bronzend en verwarmend door de hete zon. Wat hou ik van die heerlijke vuurbal! Zoals die in Turkije schijnt, schijnt ie nergens; zwoel, sensueel, genadeloos! Zevenendertig schapen had ik onder mijn hoede en ik voerde het werk met grote bevrediging uit. Er is niets dat meer voldoening schenkt, dan een grote portie verantwoordelijkheid. Haalde hun tere pootjes uit vastgehaaktte takken, loodsten hen naar vruchtbare groene vlaktes, bracht het verloren gelopen lammetje terug bij haar familie, zorgde voor voldoende water. ’s Middags onderbrak ik het werk om iets te nuttigen met de rest van het gezin. Daarop werd er een korte siësta ingelast. Het werd dan muisstil in het dorp, alsof  geen enkele ziel nog in leven was. Zelfs de dieren namen deel aan het ritueel. Ik herinner me de voorlaatste dag van mijn vertrek. Voor de laatste maal printte ik het landschap in mijn geheugen. Ik zou het missen, dat kon ik niet ontkennen. Het is zoals een ettergezwel; het klopt en jeukt en de opluchting is groot als het eindelijk geneest. Desalniettemin miste je de nare momenten. Ze werden een deel van je bestaan. Adam rende rond als een kip zonder kop; al maande ik hem aan rustig te doen. Na verloop van tijd plofte hij neer op de grond alsof het niets was. Het kaneelbruin zand stoof op. Ik had mijn ogen gesloten, nam alle geluiden in me op. In de verte mekkerde een geit, gevolgd door een schelle vrouwenstem die iets onverstaanbaars riep. De olijf- en vijgenbomen ritselden heen en weer met hun diepgroene bladeren. Vlakbij krijste cicaden monotoon. Adam lag tegen me aangeleund, zijn voorhoofd gefronst en gevraagd: “Waarom heb ik vroeger niet bestaan? “ Het was een intelligent jochie, maar soms dreef hij me tot wanhoop met zijn vragen waar geen eind aan leek te komen. “Je hebt altijd al bestaan, lieve schat.” “Wij allemaal, bij God in de hemel.” Ik wees naar boven hoewel ik er niet zo zeker van was dat het walhalla zich op die plek bevond.” Ieder individu dat ooit op aarde is geweest of ooit zal komen verblijft er even.” “En hoe bent ik dan hier gekomen?“  “Kijk”, ik dacht lang na. Hoe kon ik dit het beste uitleggen, zonder een zware berisping van mijn stiefmoeder  alsof ik net een moord had begaan, of nog erger, de waarheid vertelt en me de gebruikelijke negering aanbood die meestal weken duurde, als hij trots en in alle onschuld zijn kennis uit de doeken deed? Het werd aanbevolen in deze cultuur om brood te geven, geen rede, te leven als een zwijn; wroetend, zuiver noch van geest noch lichaam. Ongeacht de tegenstelling die de imam predikte op iedere vrijdag in de dorpsmoskee. Ik herinner me dat mijn nicht aan de vooravond van haar huwelijk nog geloofde dat een vrouw zwanger kon worden doordat “een bepaald soort vocht dat ter hoogte van de vagina lag opgeslagen en bij de minst verkeerde beweging, zoals bijvoorbeeld een tragische val, het vocht zich dan naar de baarmoeder verspreidde. Zoals een meisje uit het dorp recentelijk overkwam. Tja, en als je dan nog niet getrouwd was… “Kijk”, zei ik nogmaals en nam een dunne lange tak ter hand en tekende allerlei onherkenbare figuurtjes in het rode zand. Een huis neemt zijn aanvang met de fundamenten. “In de buik van iedere vrouw zijn er vanaf de geboorte hele kleine eitjes aanwezig en bij de mannen zijn het zaadcellen die…”. Adam raakte verwonderd zijn buik aan. “Zoals de zaadcellen die mama in  de grond gooit?!” Ik schoot in de lach. “Neen, lieverd, dat zijn zaden die uitgroeien tot voedsel, maar deze zijn een SOORT zaden die in ons lichaam zitten. En als je volgroeit tot man en besluit te trouwen, dan slaap je met je vrouw en daarbij komen het eitje en zaadje samen en dit wordt dan de baby. Het is zeer opmerkelijk en sprookjesachtig als je erbij stilstaat. Maar zo begint het leven van iedere mens, ongeacht kleur of geloof of woonplaats”. Adam was zichtbaar onder de indruk. Ik ging verder:” Dan zijn deze voor veertig dagen nog maar een klein zaadje, na nog eens veertig dagen vormen ze een klonter en dan pas een klompje vlees. Dan stuurt God een engel en blaast de geest erin. Dat is de de tijd dat de mama voelt dat het baby’tje in haar beweegt en dan leeft het ook daadwerkelijk. Want ervoor was het maar een stuk vlees. Nu had het een ziel. En vijf maanden later is dat zaadcel en eitje een volledige baby geworden en komt het uit de buik van de moeder.”  Ik zag aan zijn gezicht hoe het verhaal op hem inwerkte. Na een tijdje zei hij:” En als je geen kind wil slaapt je alleen. Maar als het koud is en je kant niet op de grond slapen?” “ Je moet toch niet op de grond slapen, engel!”, kreette ik verontwaardigt. “ Je blijft toch gewoon in bed.” Het was zijn beurt om geërgerd te roepen. “Maar als je samen slaapt krijg je een kind! “ Ik had meewarrig het hoofd geschud. Ik had het niet goed uitgelegd; in de komende ogenblikken zou hij het woord “slapen” in een totaal andere dimensie zien. Maar, hield ik mezelf voor, men is nooit te jong om te weten. Ik had het tekenen opgegeven maar toen trok ik bedenkelijk enkele strepen in het zand. De zon brandde genadeloos maar de hitte werd gecompenseerd door een matige bries die ons verkoeling bood onder de schaduwrijke vijgenboom. Dra zou de micro kraken ten teken dat de muezzin ze aanstak om op te roepen tot het middaggebed. Ik besloot voort te maken. “God heeft de man en de vrouw anders geschapen, dat weet je toch?” “ Vrouwen hebben bors gekregen om de baby melk te geven want hij kan nog geen brood eten en hebt nog geen tanden”, deed hij trots zijn kennis uit de doeken. “ Helemaal juist! Je bent een slimme jongen, weet je dat? “ Hij glunderde. “Het is trouwens ‘borsten’, de nadruk leggend op de laatste lettergreep”. “ Bors-ten”,prentte hij in zijn geheugen. “Maar dat is niet het enige verschil.  Het geslacht van een man ken je, hé. Maar een vrouw heeft op die plaats een klein gaatje”. Adam luisterde geboeid. Met schuin hoofd hoorde hij het wonder des Heer aan en plots doemde er een lichtje op;: “zoals de paarden!” Adam was schrander inderdaad. “Herinner je je nog toen de bruine merrie haar veulen kreeg…”? “Dan is haar gaatje floeps opengegaan en is het babypaard eruit gekomen. Ze heeft daar elastiek”? Ik grimaste. Hoe simplistisch is het kinderbrein.” Het is gewoon heel rekbaar. Je begrijpt nu dat zowel de mensen en dieren het zelfde geslacht hebben. Nu, als een man van zijn vrouw houdt dan wil hij vaak  heel dicht bij haar zijn, toch?”  Hij knikte overtuigd. “Zoals mijn sikje.” “ Hmmmm, …een beetje”. Sikje was zijn lievelingsdier. Ondanks het feit dat het beest mank liep van ouderdom had hij haar Sikje gedoopt en hield koppig vast aan die naam. Van zodra hij ontwaakte zocht hij  haar op. Grootmoedig deelde hij zelfs zijn koeken en karnemelk met haar maar van het laatste moest ze niets weten. “En”,  ging ik verder, “zodat de mensenniet uitsterven, had God een plan bedacht; de man doet zijn staartje in het gaatje van de vrouw en zo gebeurt het contact van het ei en zaadcellen die uiteindelijk een kind vormen en via datzelfde gaatje komen ze weer naar buiten. “Het werd een tijdje stil. Eigenlijk is het een goed plan, hé?” “ Ja,inderdaad; het is briljant!” ‘s Anderdaags, zou ik me niet op die plek bevinden, daar waar ik was opgegroeid, alles vertrouwd was en wist hoe alles in elkaar stak. Waar ik heb gehuild, plezier heb beleefd met mijn schapen en onnoemlijk eenzaam ben geweest. Het was een sprong in het diepe. Maar bewandel de wereld had Mohamed gezegd en open je hart en ogen. Ik weigerde te sterven alvorens ik mijn vleugels had uitgespreid. Het was tegen de leer van God, tegen de vrije wil, tegen iedere vorm van logisch redenering. Die avond aten we samen. Het gezin Aslan en ik, de getolereerde. Ik hield van hen, zelfs van mijn stiefmoeder. Per slot van rekening had zij mij gekneed tot wie ik ben geworden en kon ik met gemak overleven. De muezzin riep de dorpsgenoten op tot het gebed. Naarmate de avond naderde nam ieder het er goed van en sleurde stoelen en tapijtjes en keuvelde verder op het dak. Kleine petroleumlampen deden dienst als verlichting. Alsook de talrijke sterren waarmee de hemel bezaaid was. Het duurde niet lang of ik excuseerde me. Ik was moe en ging onder zeil. Speels trok ik Adam naar me toe en plantte een pakkerd op zijn wang. Van de anderen afscheid nemen was niet doenbaar. Ik wenste hen een goede nachtrust en liep op mijn dooie gemak naar mijn kamer. De microfoon kraakte en droeg vervolgens het gezang van de muezzin rond in de ruime, vrije ruimte. Ik had de hele nacht gewoeld. Ik stond op en maakte me geruisloos klaar, sloot de deur achter me en ging op pad. Mijn familie, sluimerden op dat moment ongebonden tussen droomland en realiteit. Over een uur zou mijn vader ontwaken met zijn vrouw in zijn kielzog en weer ten strijde trekken. Het leven. Het is niet gemakkelijk. Het houdt ons in de ban en we brengen onze dagen door met zaken die er niet toe doen. Verklaar je wereldlijk gewin en steek, bij voorkeur, zoveel mogelijk omstanders de ogen uit de kop. Onze maatschappij dringt ons een zelfverzonnen beeld op, een waanbeeld, gebouwd op losse schroeven, waarin we ons geloof in stellen. Vragen stellen is twijfelen. Twijfelen is niet geloven in jezelf. Maar ik zette door en relativeer. Vandaag zouden er weeral duizenden kinderen door honger omkomen. Armoe heerste in ons land samen met zijn broertje Onderdrukking. De groene rugzak begon door te wegen. Ik had enkele levensmiddelen gesmokkeld, wat ondergoed en een paar lichte kledingstukken. Voor het vertrek had ik me verkleed in en blauwe spijkerbroek en wit t-shirt. Mijn haren in een start samen gebonden en een pet opgezet. Ik kon aannemelijk voor een toeriste doorgaan, die de laatste tijd het land en in het bijzonder de dorpjes overspoelde. Niemand lette op me. De zon scheen aangenaam warm volop op mijn gezicht. Het landschap begon aan een langzaam proces van haar schoonheid tentoon te spreidden. Koranrecitaties en opzwepende muziek klonken uit voorbijrijdende wagens. Taxi’s, bromfietsers, hier en daar mensen druk in de weer op het land. Ik draaide me om en aanschouwde voor de laatste maal mijn moederdorp. Ik keek naar de diepgewortelde oppervlakkigheid dat als een deken over het binnenland heen lag gespreid. Ik zette mijn zonnebril op, gooide de ketenen van mijn enkels en verwelkomde het nieuwe

elmo
0 0

kasper

Kasper was   een uur en zeventien minuten geleden   wakker geworden in een omgeving die hij helemaal niet herkende.  Hij had ook geen enkel idee hoe hij hier verzeild was geraakt.  Zodra hij de ogen had geopend viel het hem op dat hij volledig naakt was en dat zelfs zijn supernauwkeurige horloge verdwenen was.  Hij bespeurde geen enkel geluid, behalve het monotone gezoem van een airconditioning tegen dicht tegen het plafond hing in deze vrijwel exact vierkante ruimte.    De thermostaat stond op vierentwintig graden.    Kasper was er echter vrij zeker van dat de nauwkeurigheid van het apparaat beperkt was en dat het in realiteit een graad of twee warmer was.  Hij had tijdens de afgelopen zevenentwintig jaar van zijn leven voldoende studies uitgevoerd met echte en gevoelstemperaturen om in te schatten hoe warm of koud het was in een ruimte.  Door het feit dat deze kamer ook nog eens afgesloten was en volkomen tochtvrij, kon hij met zekerheid zeggen dat het zesentwintig graden warm was.  Gezien zijn naakte toestand vond hij het voor één keer niet zo heel erg dat de temperatuur zo hoog was gezet.  Bovendien was er helemaal niets in de kamer te bespeuren waarmee hij zijn magere lijf kon bedekken.  Niet alleen waren zijn kleren verdwenen, hij was ook wakker geworden op een – weliswaar splinternieuwe – matras zonder lakens of dekens.  Zodra hij zijn ogen opende, bekeek hij zichzelf in een spiegelplafond.    Hij had zichzelf nooit graag bekeken, hij walgde van naaktheid,   maar nu hij daar zo lag in zijn blootje kon hij er moeilijk aan weerstaan.  Hij tuurde afwisselend met opengesperde blauwe kijkers en met een halfgesloten-wazige-wimperblik naar zichzelf.  Zijn belangrijkste vaststelling was dat zijn linker dikke teen krommer was dan de rechter.     De deur die een weg kon bieden naar de vrijheid was afgesloten. Het feit dat er een kijkgaatje in zat dat van buiten naar binnen gebruikt kon worden, maar niet andersom, verontruste hem enigszins.  Het sterkte zijn overtuiging dat hij gevangen zat.  De personen die hem vasthielden kenden hem bijzonder goed.  De matras was van perfekte kwaliteit en hij had bij het wakker worden met enige voldoening gevoeld hoe het materiaal de vormen van zijn lichaam had gevolgd en een kuil had gemaakt waar zijn heup en zijn schouder bijna naadloos in waren weggezakt.   Links van het bed zag Kasper door een openstaande deur dat hij een kleine badkamer ter beschikking had. In een blinkend metalen rek naast de wastafel - met koud en warm water – lagen een ganse doos tandenborstels met meerdere tubes tandpasta, negen washandjes en elf handdoeken, twee voetdoeken.    Kasper waste zich twee maal per dag erg grondig, van boven met één en van onder met een ander washandje. Het negende washandje was reserve.    Twee dagen.   Hetzelfde gold voor de handdoeken.   Hij gebruikte er twee per wasbeurt en eentje bood de nodige reserve. De twee overige waren om overdag de handen aan af te drogen.   Twee dagen.   Het was één keer gebeurd dat hij een washandje in een ogenblik van verstrooidheid op de grond had laten vallen, waardoor het onbruikbaar werd.  Sindsdien had hij de nodige extra’s voorzien tijdens een wasbeurt.  Hij weigerde immers van de voetdoek – zoals hij dat in gedachten humoristisch wist te beschrijven – af te stappen tot hij helemaal proper en droog was.   Kasper besloot dat het tijd was voor een klein opmeetproject, gezien zijn toenemende gevoelens van angst.    Hij werd claustrofobisch in kleine ruimtes indien hij niet exact wist hoe groot ze waren.   Hij doorzocht grondig zijn kleine wereld.   Een rolmeter was niet beschikbaar maar door een A4-blok papier te gebruiken dat hij in een open rek tegen de muur vond, had hij vrij accuraat bepaald hoe groot de kamer was.  Het had hem slechts elf minuten van zijn tijd gekost om de afmetingen te schatten door middel van het aantal keer 210 en 297 millimeter dat hij nodig had om van muur tot muur te geraken.  De laatste stukjes vroegen om enige nauwkeurigheid bij het plooien en scheuren van een blad tot het paste tussen de plint en de laatste volledige pagina.  Door telkens het blad te halveren kon hij exact bepalen hoe breed het stuk papier was.  Zijn conclusie was nu duidelijk.   Hij bevond zich in een afgesloten vrijwel vierkante ruimte van vier meter vierennegentig bij vier meter vijfenvijftig.    Vermoedelijk had het oorspronkelijk vijf meter bij vier meter zestig moeten worden maar nauwkeurigheid was zelden de sterkste kant van bouwvakkers. Hij was er vijfennegentig procent zeker van dat de afmetingen klopten.    Kasper sprak: “Het Clericale Celibaat kan leiden tot lijden indien zelfkastijding niet voldoende blijkt om...”    Kasper onderbrak de zin die hij luidruchtig in de richting van de deur stuurde.  Hij was ervan overtuigd dat hij aan de andere kant van zijn gebarricadeerde vrijheid een geluid hoorde.  Het ritme van kordate voetstappen die naderbij kwamen leek gestoord  te worden door een gedempt gesprek.  Het versneld verwijderen van bonkende voetstappen overtuigde hem ervan dat een vrij zware persoon op dunne zolen wegrende op een stenen vloer.  Hij wachte enkele minuten tot hij er zeker van was dat de personen aan de andere kant niet terugkeerden.   “Het CleriCALE CeliBAAT kan LEIden tot LIJden...”    Zijn gehoor was extreem accuraat zodat hij aan de andere zijde van een deur – zo lang ze van hout was – kon inschatten waar zich muren en gangen bevonden.   Aan de andere zijde van deze deur bevond zich enkel een gang van naar schatting acht meter diep.  Op het einde van die gang was er op zijn minst één afslag naar links of naar rechts.    Hij herhaalde zijn zin en tijdens het spreken – dat af en toe op schreeuwen leek – draaide hij zijn hoofd in alle richtingen en hoeken om de kenmerken van de ruimte achter de deur vast te stellen.   “...indien zelf-             KAS...TIJding... ZELF... ZELF... ZELF ...kastijding niet vol    DOEN    de... VOL... DOEN DE  ...   BLIJ...kt...”      De kans was klein dat er zich aan het einde van de gang een deur bevond.     Kasper voelde zich een stuk beter nu hij wist hoe groot zijn kamer was en hoe het er aan de kant van de vrijheid uitzag.    Op een meter van het voeteinde van zijn bed stond een tafeltje met twee stoelen.  Een nog   gesloten fles   bronwater en enkele glazen,   verpakt in plastiek   één liter, wachtten geduldig op zijn dorst.    “POLI -ethy LEEN -terefta            LAAT.  Te                    LAAT.” De gang moest een afslag naar links hebben, zoveel was nu duidelijk.   Een brood van vierhonderd gram – volkoren en vers – lag   ongesneden   onder een doorzichtige stolp.  Jonge kaas – eveneens vers en nog   luchtdicht verpakt   lag naast een plastic bord.    Het plastic bord stond hem niet aan.  Hij hield van proper en koud porselein.  Hij brak een stuk van het brood en snoof diep de verse geur op tot zijn longen verzadigd waren.  De kaas was verpakt zoals hij het graag had.  Een kleine insnijding in een hoek van de verpakking liet toe dat het pakje kon geopend worden zonder mes.  Hij scheurde het open en snoof met voldoening aan de perfekte jeugd van dit gele genot.  Vijftig procent vet had deze kaas.  Hij vulde zijn mond met kleine stukjes brood en jonge kaas en kauwde.  En kauwde.  En kauwde.    Veertien maal per hap moest hij kauwen vooraleer het eten mocht afgeslikt worden.    Dit zorgde ingeval van volkoren brood voor een perfekte verteerbaarheid.    Meergranenbrood moest elf maal gekauwd worden.    Gewoon grijs brood acht maal.    Wit brood helemaal niet.  Wit brood at Kasper niet.  Wit brood was ongezond.   Het bronwater was heerlijk.  Hij genoot met volle teugen en wist dat hij zich voorlopig geen zorgen moest maken over zijn dorst.  In het rek dat ook zijn papieren meettoestel had bevat, bevonden zich achttien flessen water van een liter.  Na het eten waste Kasper zich grondig.  Hij vond de moed om zichzelf in de spiegel te bekijken en merkte op dat hij zijn hoofd binnen enkele dagen zou moeten scheren.  Zijn oksel- en schaamharen had hij nog maar pas verwijderd en wat betreft de rest van zijn lichaam was hij gelukkig dat hij vrijwel geen enkel haartje kon bespeuren.    Het fenomeen borsthaar kende hij niet.  Hij wist dat mannen vaak halve apen waren onder hun kleren.  Hij niet.  Hij had babyhuid. Het stoorde hem dat hij geen scheermes had gevonden.  Hij vroeg zich af hoe hij dit probleem moest oplossen.   Hij had slechts een dag of twee tijd hiervoor.   * * *     Op het nachtkastje naast zijn bed lag een werkje van Immanuel Kant – Fundering voor de metafysica van de zeden.  Het was nog verpakt waardoor hij wist dat het nog door niemand gelezen was.  Hij hield van Kant.  Kant was een beetje misantroop, zoals hij dat ook was.   Hij las nog een uur en twintig minuten – traag en analytisch – en legde het boek dan terug op de plastic verpakking.  Het stoorde hem dat hij onbedekt moest gaan slapen.    Onzedig.    Onverantwoord.    Onaangenaam.    Onnatuurlijk.    Ongemakkelijk.     Heel erg ON...     * * *       Toen hij wakker werd was hij een ogenblik lang niet helemaal overtuigd dat hij ook echt wakker was.  Hij wist niet of hij in paniek moest slaan.    Hij wist het niet.    Het was voor het eerst in acht jaar dat hij iets niet wist met absolute zekerheid.  Hij was wakker geworden op zijn rechterzij in zijn geliefde foetushouding, beide handen onder het hoofd.  Hij voelde echter een nabijheid in zijn rug en vermits hij niet over dekens beschikte wist hij in eerste instantie niet wat er aan de hand was.  Hij opende voorzichtig de ogen en draaide het hoofd naar links, zodat hij zichzelf in de spiegel tegen het plafond kon bekijken. Het kostte hem welgeteld drie sekonden om uit het bed te springen en zich in volle paniek naar een hoek van de kamer te reppen.     “Ook een goeiemorgen.”   ***   Zij was al even naakt als hijzelf.  Goudbruine haren vielen warrig tot over de schouders.  Voor het overige leek ook zij volledig kaalgeschoren.  Ze rekte zich schaamteloos en kreunend uit en legde dan ontspannen de armen achter het hoofd.   “Hoe is het mogelijk dat u hier lijfelijk aanwezig bent?  Bent u tevens gevangen gezet in deze vrijwel vierkante ruimte?”   “Dat zal dan wel.  Enig idee hoe laat het is?”   “Er is een geringe kier in de blindering van dat raam aan de zuidoostelijke kant.  Ik heb gisteren de zon gevolgd en vermits het juli is moet het nu zo ongeveer kwart na acht in de ochtend zijn.”   “Een uur of acht was ook al goed geweest.  Hebben we een toilet?  Ik moet pissen.”  Kasper was een beetje geschokt door het perverse taalgebruik maar wees vervolgens toch met gestrekte arm en wijsvinger naar de kleine badkamer.  Het licht brandde.  Hij had het licht niet aangedaan.  Er lagen extra handdoeken, washandjes en...   “vrouwelijke dingen.  Die lagen hier gisteren nog niet.  Ze zijn voor u.  Ze hebben voor mij geen functie.  Welk is uw officiële naam?”   “Els.” “Els Wat?” “Geen Wat, alleen maar Els.” “Waarom?” “Ik heb geen achternaam meer.  Ik heb...hem niet meer.” “Waarom?” “Moei d’er u er niet me.” “Waarom?” “Hou op!  Kleuter!”  Ze verdween in de badkamer en liet Kasper verwonderd achter.  Hij wou gewoon haar naam weten.    Mensen zijn complex.  Vrouwen zijn complexer.     * * *     “Het moet vrij zeldzaam zijn dat iemand meerdere geboortevlekken dicht bij elkaar heeft, en dat die niet verdwenen zijn in de kindertijd.”  Els greep haar rechterarm beet met haar linkerhand om de plekken te bedekken, maar haar linkerhand vertoonde er nog meer.   “Ik wil het er niet over hebben.  Ik heb geen geboortevlekken.  Mijn huid is perfekt.”   “Roken is ongezond.  Leeft uw geboortevader nog?  Heeft het roken hem longkanker bezorgd?  Is hij dood?  Was u blij of extatisch toen hij stierf? Heeft u op zijn graf gedanst?  Of zelfs geürineerd? Werd hij palliatief behandeld?  Of...”   “Hoe komt ge erbij dat...”   “Oom Jan zit nu in Mexico.”   “Wat zit ge nu ineens te memmen over Nonkel Jan?  Hoe...”   “Hij is de broer van mijn moeder.  Hij is pastoor.  Hij kwam vaak op bezoek toen ik klein was.”   “Zat gij daarom zo te brullen...”   “U was aan de andere kant?  U bent geen gevangene?  Werkt U met de anderen samen?”        * * *       “90-66-95”.   “Wat?”   “Zijn dat uw maten?”   “Hoe..., ja, ongeveer, hoe...” “Ik ben goed met cijfers.  U heeft de ideale maten.” “Niet bepaald.  Ik heb een vette reet. Een hangkont.” “Zesenzestig en vijfennegentig hebben de perfekte ratio van ongeveer zeventig procent voor de man met een sterke nood aan voortplanting.  Niet voor mij.  Ik heb geen plan om mij voort te planten.  Mijn genen zijn verontreinigd.  Ik heb...”     * * *       Ze aten met smaak een boterham met kaas.  Geen van beiden leek er moeite mee te hebben naakt te zijn.  Els krabte regelmatig zonder enige schroom waar ze jeuk had.   “Deze kaas heeft een vetgehalte van rond de vijftig procent.  Gouda.  Wielvormig.  Tot vijftien kilo per wiel.”   “Zijt ge ongelukkig?”   “Waarom?  Neen, waarom zou ik ongelukkig zijn.  Deze cel is tijdelijk.  Denk ik.  Nadien is alles weer normaal.  Ik zou wel graag naar huis gaan.”   “Waar is thuis?”   “De Noordpool denk ik.  Dat zou mijn thuis kunnen zijn.  Proper.  Koel.  Geen buren.”   “Waarom denken de anderen dat ge ongelukkig zijt?”   “Bent u ongelukkig?”    Els had haar benen opgetrokken en haar voeten rustten op de kunststof zit van haar stoel.  Ze legde haar armen omheen haar benen en begroef haar hoofd tussen haar knieën.  Kort daarna hief ze haar hoofd op en keek hem aan.    “Vandaag niet.”     * * *       “Uw welgevormde melkklieren brengen waarschijnlijk menig kleuter het hoofd op hol.”  Zijn staalblauwe ogen verpinkten niet.  Hij leek bloedserieus.   “Is dat humor?”   “Ja...   Neen...   Misschien.”   “Wat is het nu?  Niet zeker?”               Hij was niet zeker.   “Neen.”   “Neen, wat?”   “Het was geen humor.”   * * *   Ze zaten nu al vijf dagen opgesloten in de vrijwel vierkante gevangenis.  Geen van beiden had sindsdien de nood gehad nog een kwaad woord tot de ander te richten.  Er leek een perfekte harmonie te bestaan tussen deze twee vreemde wezens. ’s Ochtends werden ze uitgerust wakker en stelden ze met enige voldoening vast dat het toiletgerief en het eten op een correcte manier werd aangevuld:   met aandacht voor een perfekte properheid.   Toen Kasper de badkamer betrad zag hij hoe Els zichzelf stond te bekijken in de spiegel.   “In het midden van de spiegel bevindt zich een kleine verkleuring.  Het moet een goedkope spiegel geweest zijn.  Het is geen verkleuring van uw huid.  Uw huid is...glanzend.”  Els keek een ogenblik bedenkelijk naar het spiegelbeeld van Kasper.   “Ik erger me aan mijn tetten.  Ik word een dagje ouder.  Nog even en ik zit met een gruwelijke Afrikaanse hangcultuur die ik voortdurend moet steunen met strakke BH’s.”   “Ik walg niet van u.”   “Wat?”   “Ik walg niet van u.”   “Amai mersi.”   “U begrijpt het niet.”   “Wat...”   “Ik walg niet van u.  Ik walg van iedereen.  Ik walg van mezelf.  Maar ik walg niet van u.”   “O.”   * * *   “Geïnteresseerd in kant?  Je bent toch geen flikker hoop ik.”   “Flikker?   Flikker. De. Mannelijk. Homoseksueel. Iemand op zijn flikker geven.  Een pak slag geven.  Een hevige berisping bezorgen.  Snars. Hij snapt er geen flikker van.   Ik snap er geen flikker van.”  Kasper begreep nog steeds niet wat ze bedoelde en keek haar vragend aan.   “Dat boek.  Over kant.”   “Kant.  Met een hoofdletter.  Filosofie.  Meneer Kant.  Immanuel Kant.  Hij heeft bepaald wat ethiek is.  Hij was op zoek naar het begrip goede wil, plicht, de autonomie van de wil.”   “Amai dat is zo een boek waarmee je een scheve tafel rechthoudt.”   “Ik begrijp u niet.”   “Dat soort boeken interesseert me geen zak.”   “Wat denkt u over goede wil?”   “Daar denk ik niet over na.  Er is voornamelijk slechte wil.  Goed bestaat vrijwel niet.  En zeker geen goede venten...”   “Misschien...” “Misschien ben jij een uitzondering.  Menig andere vent had al lang geprobeerd mij plat te neuken.  En gij...”  Ze bekeek zichzelf en zuchtte.  Ze ging op één van de stoelen zitten en begroef haar gezicht in haar handen.     * * *     Het was de zesde ochtend.  Het was waarschijnlijk een prachtige ochtend, maar de ruimte waarin ze zich bevonden was half verduisterd en onveranderd op zesentwintig graden gehouden.    Els werd wakker met haar hand op de buik van Kasper.  Hij lag ontspannen op zijn rug en zijn hoofd rustte op haar schouders.   Kasper opende de ogen en stelde vast hoe hij tegen haar aan lag.  Hij liet zijn hoofd onbeweeglijk liggen tegen haar lichaam en deed zijn ogen opnieuw dicht.  Het versterkte de ervaring die hij opdeed.  Er was geen angst.  Niet meer.  Niet bij haar.   “Mag ik u op bijzonder onbetamelijke manier aanraken op plaatsen die u misschien...”   “Doe wat je niet laten kunt.  Ze ging languit op haar rug liggen, haar knieën eerst nog kuis tegen elkaar, vervolgens...”   Kasper legde drie vingertoppen van zijn rechterhand in de ronde holtes op haar arm, holtes met een diameter exact even groot als een sigaret.  Els begon te huilen en begroef haar gezicht in zijn nek...   * * *       “Wat zit je te staren, gore smeerlap!  Geef me mijn kleren!  Nu!  En geef  me dan die van hem!  Nu!  Godverdomme!  Ik doe hier niet meer aan mee!”   “Els, je...Maar...”   “Hou er mee op!  Ik weet wat ik beloofd had.  Ik weet nog heel goed waartoe ik hem moest overhalen.  Het gaat niet meer.  Het moet ophouden.   Het is niet goed.  Voor hem.  Het is niet goed voor hem.  Ik vertrek!  En hij gaat mee!  Dit experiment is afgelopen!  Er is niks mis met hem.  Hij is...hij is perfekt.”   “Dit kan niet, zijn ouders...En jij Els, je staat bij ons onder...”   “Waag het niet ons tegen te houden.  Ik maak dit wereldkundig in iedere krant!  Hij gaat met me mee, hoor je me?”     * * *         Ze lagen op een vers gewassen en door de wind gedroogd laken in hun aan alle kanten afgeschermde tuin.    De zon brandde op hun huid.   Ze waren naakt en geen van beiden had er problemen mee.   “Mag ik u op bijzonder onbetamelijke manier aanraken op plaatsen die u misschien...”     Els begon keihard te schateren.  

huro
2 0

Drakensnoepjes

Hij draaide zich nog één keer om, voelde de deken tegen zijn wang. Eerst afwisselend een oog open en dicht, dan alle twee. Hij speelde dat spelletje iedere morgen, zodat hij net iets langer kon blijven liggen. De sterren aan de onderkant van het bureau glommen. Zelfs op zondag moest er gewerkt worden. "Drakenvelletjes wachten niet met groeien, Alexander!" zei vader altijd. "Ze moeten op het juiste moment geoogst worden, dan krijg je de beste snoepjes!" Alexander haatte ze. Hij snapte nog altijd niet wat er zo lekker aan was: ze waren groen en veel te hard. Hij moest altijd walgen, kreeg ze gewoon niet door zijn keel. Hij hoorde de kettingen waarmee de draken in bedwang werden gehouden. De dieren begonnen al onrustig te worden. Ze wisten precies wanneer het knippen begon. Alexander kreeg nu al kippenvel als hij dacht aan hun klagende kreten als hij straks met de elektrische schaar in de weer zou zijn. Hij stapte behoedzaam door de lange gang en zag de draken in hun hok zitten. Veel ruimte om te bewegen hadden ze niet. Dat was ook niet nodig volgens vader. "Jongen toch, die draken zijn maar dieren, waarom zouden zij in een kasteel moeten wonen?" Hij gleed met zijn vingers langs de tralies terwijl hij doorstapte naar het eind van de gang. Daar zat sinds gisteren één draak afgezonderd. De bolle buik was het signaal dat er weer een kleintje zou bijkomen. Als Alexander heel goed keek, zag hij het draakje zelfs bewegen! Hij verlangde al om het kleine beest in zijn armen te houden. Tegelijk wenste hij dat het nooit geboren zou worden. Want dan zou het dier nooit veel meer zien dan het hok hier in de fabriek. Geen plaats om zijn vleugels uit te slaan. Geen plaats om zelfs maar enkele stappen te zetten. Alleen het geluid van ratelende kettingen en zoemende scharen. Alexander speurde de fabriek rond maar vader was nergens te bekennen. In het bureau had Alexander hem ook al niet gezien, de bruine leunstoel was verlaten. Vreemd, want sinds de dood van moeder was hij de fabriek bijna niet uit geweest. In het begin kwamen de vrienden van vader nog regelmatig langs. Ze dronken dan samen koffie en hadden het overal over, behalve over het ongeval. Niemand durfde er over te beginnen, en vader al helemaal niet. Toen zijn vrienden wegbleven, vond vader het ook niet meer nodig naar huis te gaan. Zijn leven was nu hier, bij zijn werk. Plots weerklonk een schreeuw. De moederdraak was gaan liggen. Het zou nu niet lang meer duren vooraleer het jong geboren werd. Alexander glipte de kooi binnen en kalmeerde de draak met een stuk chocolade. Dat had hij altijd op zak en intussen wisten de dieren wel hoe lekker dit was. Het stro ritselde onder het lijf van de draak en af en toe stootte ze een kreun uit. Toen de kleine draak uiteindelijk geboren werd, merkte Alexander al vlug dat er iets niet klopte met de moeder. Er bleef maar bloed uit haar lijf stromen. Een bevalling was sowieso een bloederige zaak, maar normaalgezien hield dit vanzelf op. Het jong nestelde zich op het lijf van zijn mama. Zij reageerde nauwelijks en ademde steeds langzamer. Het draakje werd onrustig. Ook Alexander begon te panikeren. Wat kon hij doen? Waar was vader? Wat als de draak stierf? Hij rende de gang terug af met de kleine draak in zijn armen geklemd. Alexander zou het gehuil van het jong nooit vergeten. Toen de drakenmoeder niet meer ademde, had het beest zich naar hem omgedraaid. Zijn blik was zo doordringend dat Alexander er tranen van in zijn ogen kreeg. Hij herkende het gevoel, was er zelf getuige van geweest hoe moeder stierf. Hij moest er nu gewoon voor zorgen dat dit drakenjong beschermd zou worden, dat hij niet elke dag de marteling van het scheren zou moeten doorstaan. En dat het kleine dier toch nog een beetje liefde zou krijgen. Alexander trok de ijzeren deur vlug in het slot en wikkelde de draak in een paar vodden. Nu de fabriek gebruik maakte van elektrische scharen, was dit kolenhok niet langer in gebruik. Het was een ideale verstopplaats. Alexander kwam vaak naar dit hok als hij zich eenzaam voelde. Hij had er enkele spullen verborgen die hij van vader niet meer mocht hebben: het haarlint dat moeder altijd droeg, een kleine voorraad chocoladerepen, de gezinsfoto die vader na het ongeval in de vuilnisbak gegooid had. Hij keek naar de wikkels rond de chocolade en wist meteen hoe hij zijn draak zou noemen. Hij moest er voor zorgen dat Jaques zich hier thuis zou voelen. Alexander wreef het beest over zijn snuit en zag dat die daar erg van genoot. Hij bleef tussen de twee kraaloogjes wrijven tot Jaques in slaap viel. "Alexander!" De stem van vader galmde door de fabriek. Alexander schrok maar de draak bleef rustig liggen. Hij legde Jaques voorzichtig neer, sloot de deur met een zachte klik en rende naar vader. Hij slaagde er nog net in om een paar doeken mee te grissen. "Alexander, wat is er hier gebeurd?" Vader was woedend, zijn gezicht was rood aangelopen en hij zwaaide met zijn armen. "Papa, ik heb je overal gezocht!" stamelde Alexander. "Ik ben wakker geworden van een schreeuw en toen ik bij het hok kwam, zag ik alleen maar bloed. Ik heb deze doeken gehaald om het bloed te stelpen. Is ze... dood?" Vader draaide zich om. Hij had blijkbaar de tijd nog niet genomen om te kijken of de draak nog leefde. Hij legde zijn hand op het drakenlijf. "Waar was je, papa?" Vader antwoordde niet, zuchtte alleen maar diep. "Alexander, jij ruimt die troep op. Zorg ervoor dat Paul morgen enkel nog het dier moet wegbrengen." Vader stapte het hok uit en liet Alexander achter bij het dode dier. Hij keek niet meer achterom. Alexander voelde zijn tranen opkomen en probeerde ze weg te slikken. Hij wilde niet wenen, niet nu hij Jaques had kunnen redden. Hij moest blij zijn, maar diep vanbinnen sneed de zwijgende blik van vader door zijn hart. Iedere keer als vader naar hem keek, zag Alexander de pijn in zijn ogen. Alexander wist dat hij heel erg op moeder geleek: dezelfde bruine ogen, hetzelfde sluike haar en dezelfde bleke huid. Sinds het ongeval had vader niet een keer naar hem gelachen. ... Het was de laatste reep chocolade. De voorbije weken had hij iedere dag een stuk gegeven aan Jaques. De draak groeide goed. Alexander had het beest zonder problemen in zijn hok verborgen kunnen houden. De twee voelden elkaar feilloos aan. Eén beweging, één blik was genoeg voor de draak om te weten dat hij stil moest zijn. Alexander vond het verschrikkelijk dat Jaques toch in een hok opgesloten moest blijven. Toch was hij ook opgelucht dat het dier de dagelijkse scheerbeurten voorlopig niet moest ondergaan. Zijn schubben waren al lang en hadden een prachtige dieprode kleur gekregen. Alexander had nog nooit zo'n mooie kleur gezien bij een draak. Jaques lag diep te slapen. Alexander moest zo meteen weer aan het werk maar wou zijn vriend toch nog dat laatste stuk chocolade zelf geven. Hij blies voorzichtig tussen de ogen van het beest. Jaques opende eerst het ene oog, daarna het andere. Hij snuffelde aan Alexanders hand en likte meteen het stuk chocolade op. "Gulzigaard", fluisterde Alexander. Hij grinnikte maar stopte meteen toen hij zag dat er schubben op de grond gevallen waren. Hoe kwamen die daar? Alexander aaide Jaques over zijn kop en streelde over zijn buik maar zag nergens kale plekken. De draak zuchtte verzaligd tijdens het strelen en likte intussen de schubben op. Alexander kon zijn ogen niet geloven. At het beest nu zijn eigen schubben op? Jaques smakte. Op zijn blauwe tong zaten enkele rode strepen. Nu wist Alexander helemaal niet meer waar hij het had. Wat had dit allemaal te betekenen? Had Jaques geen pijn nu de schubben losgekomen waren? Zou zijn vriend ziek zijn? Hij zou toch niet doodgaan? Toen Alexander naar het bureau van vader liep, botste hij tegen Paul op. Die werkte al sinds jaar en dag in de fabriek van vader, had zelfs nog geholpen met Alexanders grootvader. "Wie zit er achter jou aan?" Alexander moest even op adem komen, durfde Paul niet meteen aan te kijken. Paul kende niet alleen veel van draken, hij slaagde er meestal ook meteen in iemand te doorgronden. "Ik, euh...", aarzelde Alexander. "Is er iets? Je ziet zo bleek als het achterste van een draak!" lachte Paul maar aan de kleine rimpeltjes rond zijn ogen zag Alexander dat Paul zich echt wel zorgen maakte. Alexander kon zich niet meer beheersen en tranen biggelden over zijn wangen. "Heeft het iets te maken met die kleine draak van je?" Alexander was verbijsterd. Dus Paul wist er van? "Jongen toch, zoiets kan je echt niet verborgen houden hoor - zeker niet voor iemand die hier al zo lang werkt." Paul keek hem aan. "Wees gerust, ik zou het je vader nooit vertellen." "Paul, je moet meekomen. Er lagen daarjuist schubben van Jaques op de grond en hij likte ze op en..." Alexander wilde er niet langer over praten en trok Paul gewoon mee naar het kolenhok. "Weet je hoe de schubben losgekomen zijn?" Paul keek het hok rond. Alexander zag hoe hij eventjes staarde naar de familiefoto en zich toen omdraaide naar Jaques. Die was intussen niet meer wantrouwig tegenover de man die samen met Alexander het hok was binnengekomen.  "Ik weet het echt niet, Paul." Alexander was radeloos. "Jaques was aan het slapen en ik wou hem mijn laatste stuk chocolade geven en toen..." Plots herinnerde hij zich hoe hij Jaques wakker gemaakt had. Alexander blies opnieuw tussen de ogen van de draak. Kleine schubben dwarrelden naar beneden. Ook Paul blies naar Jaques en het beest kirde zacht. Meer schubben vielen op de grond. Jaques snoepte ze een voor een op. Alexander pakte een schub en stopte het in zijn mond. Het velletje bruiste op zijn tong. De zoete smaak was overweldigend. "Dit is fantastisch!" schreeuwde Paul. Alexander zag dat de oude man ook geproefd had van de velletjes. Zijn ogen glinsterden veelbetekenend. "Alexander jongen, ik denk dat jij net een geweldige ontdekking hebt gedaan..." ... Een lichte zoemtoon maakte Alexander wakker. Hij draaide zich nog één keer om, voelde de deken tegen zijn wang. Eerst afwisselend een oog open en dicht, dan alle twee. De sterren boven hem lachten hem toe. Zelfs op zondag moest er gewerkt worden. Maar hij deed het met plezier. Hij hoorde de kettingen waarmee de grote blazers vast hingen. Paul was vast al bezig om alles in gereedheid te brengen voor de eerste grote oogst. Alexander kwam van onder het bureau vandaan en liep naar de leunstoel. Hij kroop bij vader op schoot en kneep zijn neus dicht. Het gesnurk hield op en toen schoot vader wakker. "Deugniet!" Vader schudde de slaap uit zijn hoofd en gaf Alexander een knuffel. "Goeiemorgen, jongen. Goed geslapen?" Alexander knikte en sprong terug op de grond. Hij liep naar de mand bij de deur. "Jaques, opstaan!" De draak was al net zo'n slaapkop als vader. Het beest geeuwde en snuffelde aan de broekzak van Alexander naar chocolade. "Nu nog niet, vriend, er moet eerst gewerkt worden!" Met een grote bezem leidde Alexander de draken naar binnen. De dieren moesten van de weides naast de fabriek naar de grote hal gebracht worden, zodat Alexander samen met vader en Paul de lekkere drakenvelletjes kon oogsten. De draken waren nog een beetje onrustig. "Ssst, geen paniek", riep Alexander. Een voor een gingen ze in hun hok staan. Ze waren het niet meer gewoon om opgesloten te zijn en bleven nerveus. Maar toen Alexander ze een voor een een grote reep chocolade gaf, werden ze vanzelf heel rustig. Vader zette de blazers aan. De schubben dwarrelden als sneeuwvlokken naar beneden, waar Alexander en Paul ze in grote zakken opveegden. De draken genoten zichtbaar van deze nieuwe manier van oogsten en algauw stapelden de zakken zich op. "Dit wordt een goeie eerste oogst", zei vader en hij keek Alexander recht in de ogen. Voor het eerst zag Alexander vader opnieuw echt lachen. De sterretjes in zijn ogen glommen nog meer dan die onder het bureau. Ze straalden tot diep in zijn hart.

Dianora
0 0

Verwondering

Het lijkt alsof in het huis van oude mensen de tijd blijft stilstaan, zorgvuldig bewaard in weckpotten met rubberen elastiek. ‘Die moeten er ook uit.’ De weckpotten wordt dan bedoeld, uit het huizeke van Oma. Sinds mensen frigo’s hebben staan zulke dingen stof te vergaren.                                        Stof dat onder mijn en m’n vaders schoenen vastklemde, om zich nadien kamikazegewijs af te werpen beneden in de hal. ‘Godverdomme’ riep José, mijn oma. ‘Oei, ik mag eigenlijk niet vloeken, maar dat flapt er tegenwoordig vaker uit’.   Ik durfde te wedden dat ze geloofde, dat in de keuken het beeldeke aant kruis net iets schever keek. Doch, we konden dit niet controleren. Bovendien stond zijn kop sowieso een pittig bitteke scheef… in zwierige contraposthouding van je: ‘Whippie, ik hang vastgenageld!’ .   Dus, de weckpotten. Ik stond er nog steeds mee in m’n pollen. Soms verlies ik mijn concentratie, en vind die dan verdeeld terug in de verste hoeken des kamers. Paar minuten later zat de koffer van de auto goed vol, met nog andere stofvergaarders uit de zolder.   Het werd tijd om de hond eens buiten te laten, mijn uitrdukking voor naar ’t wc. Of was het de uitdrukking van mijn kameraad David? Hij zal het zowiezo ook wel van iemand gejapt hebben, dus is het van iedereen. Ik vond het gewoon een tè geniale uitdrukking om in dit verhaal links te laten liggen. Je hebt op deze manier immers niets te verduidelijken over het tijdsbestek van je toiletbezoek. Een stijlvollere gelijkenis bestaat niet, of moet nog uitgevonden worden… met veel denkwerk.   Nu zult ge dit misschien onnodig en vulgair vinden en protesteren: ‘zoiets zeg je toch niet in een tekst? Nog nooit voorgekomen, de idioten van dada erbuiten gelaten. En dan prik jij hèt taboe, hèt maagdevlies van de serieuze literatuur nodeloos lek? Barbaar!’   Ik zal dan zenuwachtig met schuifelend rode kaken van repliek dienen: ‘Wel ja, maar niet nodeloos…’   Toen de hond terug binnen was, en ik in de spiegel keek tijdens het handenwassen, merkte ik iets eigenaardig op. ‘Waar blijft die snor?’ Het is zo lang geleden dat ik hem had gezien, als een broer die lang op reis was. 2,5 week. Een tijd terug groeide m’n halfslachtige gezichtsbeharing nog als kool.   Misschien kwam het door het huis, omwille van de reden die ik in het begin van het verhaal vermeldde. Mogelijks kroop een walm mijn neus in- nog steeds hetzelfde merk zeep-… van pannekoeken eten op de keuketafel, bedekt met een kleed van alle ridderorden in Malta. Daardoor staakten de poriën hun werk in m’n verjongde huid. Of komt het door de winter, en groeit haar gelijk jaarringen in nen boom? Jep, we hebben em, natuurlijk is het gene vette… kijk wat een schijtweer in België. Dan liever naar Malta, of ergens anders waar het warm is.   Wanneer is een verhaal klaar? Moeilijk te zeggen… sommige schrijvers laten hun vrouw dan ‘enz. enz.’ op hun laatste blad kliederen. Schuilt ergens nog wel een waarheid achter: Het leven kronkelt zich verder. Schrijvers kappen het verhaal af op het moment dat het oninteressant wordt. Maar dat ga ik dus allemaal niet doen. Ik presenteer u het met de lach van een trots babysmoeleke. Strik er rond en c’est ca.

Smaed
5 0