Zoeken

Neem me mee

Neem me mee prijkte op de leren sofa – wij zouden zeggen zetel – waar ik door mijn badkamerraam op uitkeek. Twee weken al had niemand de moeite gedaan hem mee te nemen. In een regenachtige periode had dat voor problemen gezorgd, maar in deze hittegolf die maar niet wou eindigen leek niemand er aanstoot aan te nemen. Voorbijgangers vonden een rustpunt in het midden van mijn eindeloze straat. Op elk moment dat ik in de badkamer passeerde, viel mijn blik op iemand anders, zeker op die uren van de dag dat de schaduw juist stond. Een oude man met een stok, een moeder met hoofddoek, overvolle winkeltas en twee kinderen, een rugzaktoeriste met haar gezicht naar de zon.Ik sliep slechter naarmate de nachten heter werden. Zelfs naakt, zonder laken, als een zeester over de matras uitgespreid voelde ik me alsof ik uren in een tube lijm had liggen woelen. ’s Avonds kon ik de slaap niet vatten en zag ik elk uur op de wekker voorbijkomen, dus ging ik later slapen om toch maar moe genoeg te zijn, om twee uur, om drie uur, waardoor ik telkens rond het middaguur wakker werd, wanneer de zon al op mijn slaapkamerraam brandde. De rest van de dag bracht ik met een suf hoofd door in mijn aardedonkere huis. Het moet na drie uur ’s nachts geweest toen ik mijn tanden stond te poetsen in de badkamer en merkte dat iemand in de zetel me kon zien in al mijn naaktheid. Snel dook ik onder de vensterbank, maar meteen stond ik weer op. Er lag niemand in de zetel, de straat was volkomen stil. Zonder problemen kon ik hier staan, niks op mijn lichaam behalve de zweetdruppels die van me afliepen, het maanlicht op mijn naakte huid. Ik trok snel een T-shirt en een short aan en stak op blote voeten de straat over. Misschien was de zetel een valstrik, de mond van een monster dat opvrat wie erin lag. Toch liet ik me neerzakken op de bruinleren, schilferige lippen, mijn voeten op de armleuning, en staarde naar de sterrenhemel. Toen ik wakker werd, voelde de lucht heerlijk koel aan. De kapper had zijn rolluik nog niet opgetrokken. De ene buurvrouw stond stiekem haar auto te wassen, de andere liet een vrouw buiten met een snelle afscheidskus. Een zwaluw vloog voorbij. Er viel nog geen wagen te bekennen op straat.

Felix Sandon
5 1

Kwartier

Net toen ik op de bus wou stappen, drong tot me door dat ik mijn laptop vergeten was. Meteen liep ik terug naar huis. De lift was nog steeds kapot en het briefje dat het benodigde wisselstuk onderweg was uit Italië al vergeeld. Met twee treden tegelijk snelde ik de trap op. Haastig schuurde ik me langs de muur om mevrouw Maes te passeren, die haar negentigjarige echtgenoot stapje voor stapje naar beneden hielp.‘Ik kom vanavond wel helpen wanneer je terugkomt, nu ben ik gehaast,’ riep ik hen na.De paraplu lag al voor de deur van ons appartement. De grendels zaten er vast al op en sowieso zou ik het eerstvolgende kwartier niet mogen storen, langer zelfs als hij bijbetaalde om te douchen. Ik zou te laat komen voor de vergadering, mijn project niet kunnen voorstellen. Weken werk in de vuilnisbak.Ik legde mijn oor tegen de voordeur toen de buurvrouw kwam kijken.‘Heb jij Laura zien binnengaan?’ vroeg ik nog hijgend van mijn spurt. Door de deur hoorde ik niets.‘Ja, zij had zakdoeken mee. Hele stapel. Papieren zakdoeken.’‘Was ze alleen?’‘Nee, met man. Oude man.’Op dat moment hoorde ik de douche stromen.Ik waagde het erop en bonsde op de deur. ‘Laura!’ riep ik toen mijn geklop niet werd beantwoord. Grendels verschoven en door een kier zag ik Laura’s blauwe kijkers.‘Geef ’s snel mijn laptop,’ fluisterde ik voor ze kon protesteren. Ze verdween een seconde, probeerde de zwarte tas door de kier te stompen, maakte de grendel los toen dat niet lukte en gaf me dat waarvoor ik terug naar huis was gesneld. Meer dan een knikje kreeg ik niet voor de deur weer op slot ging.‘Ze kijkt nogal veel droevige films de laatste tijd,’ zei ik tegen de buurvrouw die me bleef aankijken vanuit haar deuropening terwijl ik de trap weer afdaalde. Ik haalde mijn schouders op. ‘Liefdesverdriet.’

Felix Sandon
5 0

Petrichor

“We zijn nu al drie seizoenen een koppel.”Ze zegt het zonder verpinken, strijkt een ontsnapte haarlok achter haar oor. Hij kijkt haar niet aan, weegt zijn antwoord in het trillende licht van de hete zomerzon. Het water van het kanaal klotst onophoudelijk tegen de romp van een aangemeerde boot, verdrinkt zijn woorden nog voor hij ze hardop zegt. Er is iets aan haar uitspraak wat hem treft. De bescheiden grootsheid van die mededeling. Het gemak waarmee ze hun relatie op gelijke hoogte stelt met de onvergankelijkheid van de seizoenen, ze keren altijd terug...“Weet je,” gaat ze verder, als hij blijft zwijgen, “ik blijf maar wachten op een groots gebaar. Iets vol overgave. Niet zo’n scène als in de films, bedoel ik. Meer zoiets als onweer na een hete dag. Het ene moment schijnt de zon nog ongenadig en gutst het zweet je uit de kleren en dan opeens, boem, die rommelende dreiging, de wind steekt op, de hemel splijt in vonken uiteen en je weet plots dat je enkel en alleen op dit ene moment hebt zitten wachten. De koele druppels op je hunkerende huid, de sissende geur van zwavel en het besef dat je hier altijd al hebt moeten zijn. Op deze plek, dit bevroren ogenblik.” Ze keert zich naar hem toe. Legt haar blik onbevreesd in de zijne.“Petrichor.” Vragend staart hij terug, één wenkbrauw opgetrokken en met zijn beetje schuine lachje, waarvan ze beweert dat net die onregelmatigheid hem onweerstaanbaar maakt.“Petrichor,” herhaalt ze dan. “De geur van regen op droge grond. Dat, mijn lief, is wat jij voor mij bent.” Haar blik dwaalt weg over het water. In profiel doet ze hem denken aan een Griekse godin wiens naam hem ontsnapt. Petrichor, herhaalt hij in stilte. Zelfs de klank van het woord smaakt zoet. Één tijdloos ogenblik lang herinnert hij zich alles wat hij nooit heeft geweten. Dan legt hij zijn armen stevig om haar heen, drukt zijn wang tegen haar zachte haren. “Ik wed dat je haar in de herfst de kleur heeft van gesponnen goud.” Zijn stem amper een fluistering, gedempt door hun aanraking en het gestage klotsen van het water. Zonder dat ze zich omdraait, ziet hij haar gezicht voor zich, de krulling van haar mondhoeken, de subtiele boog van haar lippen. Haar glimlach als regen op dorre grond.

Elfi Vandenabeele
56 3
Tip

Net geen 98

Jij bent 96, ik 9Jij ligt al meer dan een jaar in bedDe huid van jouw handen lijkt een doorzichtig vliesIk durf het amper aan te rakenBang dat het scheurt als vlindervleugelsJe vraagt hoe het was op schoolEn om koekjes uit de kast te halen als vieruurtjeIk weet dat er geen koekjes zijnZal ik eerst broeder jacob spelen vraag ik?Je zingt mee, je kaken roodWe stralen Jij bent 97, ik 10, mama 40Je ligt nog steeds in bedDe verpleegster houdt een telefoonscherm voor je gezichtJe ziet me niet goed zeg jeEn vraagt wanneer we komenHet mag niet marraine zeg ik nog eensWe zouden je kunnen besmetten met coronaEen beetje zoals tijdens de Spaanse griep Gelukkig kunnen we je wel bellenZal ik nog eens accordeon spelen?Frère Jacques zing je Maar we stralen niet Jij bent 97, ik nog steeds 10, mama intussen 41Ik mag niet naar jou komenMama na 3 maanden eindelijk welHet ging niet goed zei de verpleegsterJe at en dronk niet meerJe ogen gingen amper nog openBehalve voor mamaJij nam vroeger haar hand vastNu neemt zij die van jouZe voelen koel en zachtZe zegt dat het bijna je verjaardag isOf je dan een stuk taart wil?Ja en een glas wijn zeg jeMama lacht vanachter haar mondmasker Haar ogen worden vochtigGoed dat ze ons dat niet kunnen afnemen zegt ze Jij was 97, net geen 98De taart en de wijn kunnen we niet meer delenMama zit al dagen te lezen om te vergetenIk maak een eigen stukje muziekVoor marraine haar begrafenis zeg ikEn dan zijn ze daar haar tranenZe wil dat je haar hand vastneemtEn zegt dat alles goed komtZoals je altijd deedSpeel maar verder zegt zeVoor haar en voor mij  

Fien SB
174 1

Weerpraatje

Heet, heter, heetst. Neen, ik heb het niet over de dochters van Jan Leyers. We weten allebei dat de tweede stem van Soulsister niet drie, maar vier vrouwen wist te verwekken en dat de houdbaarheidsdatum van de dametjes vaak al overschreden is nog voor ze goed en wel op smaak zijn gekomen. Dat moment waarop de ruwe Leyerskenmerken zich zo beginnen te manifesteren op dat voordien zo koddige snoetje, dat je, mocht je met een van hen zonder kleren in een zweterige Tetriscombinatie beland zijn, niet anders kan dan op een bepaald moment beseffen dat je in principe gewoon Jan Leyers met een pruik ligt te heupbonken. En dan is 't meestal game over. Mij maakt zoiets echter geen flieter uit en ik geef de symbolische high five aan eenieder die een Leyersdochter op zijn curriculum vitae heeft staan of nog plant te zetten. Maar ik wou het over het weer hebben. Want op het moment dat je dit leest, zitten we pal in een hittegolf. Tenzij je dit enkele weken na publicatie leest, wat mij zeer onwaarschijnlijk lijkt, doch, we mogen niets uitsluiten. In dat geval hebben mijn gekwetste ego en jij dringend een hartig woordje te spreken. Zijn het de opdringerige Instagramposts? Dat licht dictatoriale stemmetje dat elke week opnieuw LINK IN BIO naar je krijst? En dan daaronder nog 37 hashtags in volzinnen, alsof iemand ooit zou zoeken op #waarvindjenogspaghettisauszondersuiker, #tekenaarsmeteenvastehandhebbenkleinepiemeltjes of #kijkmamaikhebdemuisvanmartinetanghegetekend. Goh, ik wist niet dat je er zo over dacht, lieve lezer. Nee nee, maak je geen zorgen. Eerlijke kritiek krijgen is mijn favoriet, mijn lens prikte gewoon even in m'n oog. Ja, m'n beide lenzen, ja. Mag het?! Waar waren we? Juist, het weer... Toch eerst nog vertellen dat een vriend van mij beweerde, lang voor we met de hele wereld de vleermuizenvalling kregen, dat hij in een Antwerps café een Leyersmeisje had ontmoet en er nadien z’n nieuwe Mercedes Vito mee had "ingereden". Haar naam had hij niet gevraagd, maar hij was ervan overtuigd dat het een Leyers was, zeker toen de jongedame blozend had toegegeven dat ze inderdaad bekend was van tv. En dus vertelde m’n kameraad maandenlang aan iedereen die het wou – en niet wou – horen dat hij het met een Leyerske had gedaan en dat die kinky bitch het uitsluitend in haar sterretje wou. Toen we een half jaar later met wat vrienden hetzelfde café binnenstrompelden om te schuilen voor een wolkbreuk, riep hij: 'Daar, daar! Mijn Leyerske!' Bleek dat zijn verovering allerminst een Soulsister was, maar een Antwerpse travestiet die zich Gigi Moustache laat noemen en ooit in twee afleveringen van Blokken had gezeten. Iets anders: moest je geïnteresseerd zijn in een tweedehands Vito, ik weet er eentje te koop staan met weinig kilometers en minimale gebruikssporen. Het weer dus... Hoewel ja, oud nieuws als je het toch pas een paar weken later gaat lezen. Zijn het misschien die gebrekkige tekeningen bij m'n posts die je zo tegen de borst stoten? Die vreselijke grijstinten die alle plezier uit je Instagramfeed zuigen? Ik deel te weinig foto's van m'n kinderen, ik weet het. En het is alweer veel te lang geleden dat ik nog eens aandacht zocht door m'n haar te kleuren en plaatjes te posten van bestemmingen waarvan elke staycationer op slag een jealousy boner kreeg. Dat waren nog eens tijden. Ik moest drie powerbanks meezeulen om jullie likes te kunnen blijven ontvangen. Amper iets van de omgeving gezien daar, maar dat maakte me niet uit, want geen enkel Noord-Amerikaans natuurpark kan op tegen het hartverwarmende gevoel dat jullie mij waarderen. Sorry, m'n lenzen weer. Maar laten we beginnen met de column, en die gaat vandaag over het weer: de druppels sissen in menig bilnaad. De kindertjes dragen de plakkerige restanten van te snel gesmolten raketten op hun armen en de Leyersdochters zweten zich een ongeluk uit hun tepelhoven (trekje van vaderskant). Een tsunami van zonnevuur overspoelt onze contreien en dat is uitstekend nieuws, want zoals de wetenschappers ons maanden geleden beloofden, is het coronavirus niet opgewassen tegen de warmte. Na deze week zijn we er dus allemaal eindelijk van af en kunnen we ons gelijk weer zorgeloos amuseren met de vrolijkere dingen des levens, zoals exotische reisfoto's op Instagram zwieren, Leyersmokkels in bed lokken en hansverhaegen.com refreshen tot er een nieuwe column online komt. Eind goed, al goed!

Hans Verhaegen
29 0

Gesjareld op de Parking

Dat van alle Belgische steden de meest fiere, fantastische en, naar wat sommigen beweren, zelfingenomenste als eerste voor de bijl ging, was ook voor mij een verrassing. Dat wij, de spreekwoordelijke parking, als verre provinciegenoten ook zouden worden meegesleurd in de natte droom van burgemeester De Wever met avondklokken en meer, was voor deze Heist-op-den-Berger een nog veel grotere verrassing. Tot zover onze provinciegrenzen overschrijdende samenhorigheid, lieve lezer. Tot zover die gevonden verbondenheid in ons gevecht tegen een gezamenlijke tegenstander, vele malen intenser dan wat een EK of Olympische Spelen ooit hadden kunnen teweegbrengen. Vanaf nu is het ieder voor zich. Moge de sterkste winnen. Of beter, moge de meest sociaal angstige, columns tikkende schrijvers, die zich al hun hele leven gepassioneerd hebben toegelegd op de buitenwereld buiten houden – en masturberen op Goedele Wachters, maar da's niet relevant hier – winnen. Helaas is de strijd al grotendeels gestreden, zelfs in voor wat moest doorgaan als één, aan hetzelfde zeel trekkende provincie. Ik lijst even op welke extra maatregelen volgens de media sinds deze week van kracht zijn in de provincie Antwerpen: 'U zult te allen tijde in de publieke ruimte een mondmasker dragen. U zult in uw woonst blijven tussen 23.30 uur en 6 uur tenzij u essentiële verplaatsingen moet doen, zoals naar het werk rijden of naar het ziekenhuis omdat u bv. uit een mengeling van verveling en frustratie beslist hebt om een nagel in de muur te kloppen met uw voorhoofd. Betreffende de arbeidsdaad bent u verplicht tot thuiswerk, dus als de politie u om 23.31 uur met uw voertuig een halt toeroept, kan het maar beter zijn omdat u op weg bent naar het hospitaal terwijl het bloed uit uw voorhoofd gutst.' Waarom ik deze jou ongetwijfeld reeds gekende regels herhaal, lieve welgeïnformeerde lezer? Omdat het verhaal van de media in de verste verte niet overeenkomt met hoe het er echt aan toegaat in onze provincie. Om te beginnen de mondmaskers. Wat je favoriete nieuwslezer – de mijne is Goedele Wachters – vergeet te vertellen, is dat iedereen die niet uit de stad Antwerpen zelf is, dat met een aanduiding op het mondmasker moet tonen. Ter verdediging: de op te naaien gele sterren met daarin het parking-icoontje zaten al heel snel in de brievenbus, alsof de stad hier al enkele jaren op voorbereid was. Verder mag intensieve sport zonder mondmasker, maar wat de rest van België niet weet is dat buiten 't Stad hardlopen verplicht vervangen werd door huppelen. Een rit op de koersfiets is enkel nog toegestaan wanneer er speelkaarten met wasknijpers aan je voorvork bevestigd zijn en je om de tien meter 'broem, broem' roept. Zwemmen mag, mits het huren van een Speedo en mondmasker in het zwembad. Ook daarbij een kleine voetnoot: omwille van waterbestendigheidsredenen krijg je geen echt mondmasker, maar een tweede zwembroek, die je over mond en neus dient te bevestigen. Nu weet ik niet of dit de vaste procedure is, maar mijn Speedo-mondmasker was nog nat, harig en rook naar iets tussen een te lang geopende pot augurken en een te kort gebakken cervela. Mijn Speedo-zwembroek was proper en droog. Al deze maatregelen in acht genomen, snap je dat vandaag iets als over het perron huppelen om je trein te halen er nog beschamender uitziet dan het al was toen je nog kon lopen. En probeer na je vaste zondagsrit maar eens met een uitgestreken gezicht een Duvel te bestellen als je twee minuten ervoor nog als iemand uit een Dieter Coppens-programma – eender welk – met ratelende wielen arriveerde. Maar laten we vooral de groep niet vergeten die werkelijk alle respect en geloofwaardigheid is kwijtgeraakt: de triatleten. Tot slot nog een paar andere voorbeelden van hoe de diamantstad de rest van de provincie bij de kroonjuwelen heeft: barbecueën buiten 'A' mag met 30 personen, maar uitsluitend met veganistische vleesvervangers (niemand barbecuet hier nog). Alcohol kopen na 22 uur mag, zolang het Radler, Strongbow en Wittekerke is (niemand drinkt hier nog). En seks buiten het huwelijk is nu écht niet meer toegestaan (niemand sekst hier nog). Masturberen op een op pauze gezet beeld van het journaal met Goedele Wachters kan gelukkig nog ongestraft plaatsvinden. Laat het duidelijk zijn: er is hier veel meer aan de gang dan wat het nieuws je vertelt. Daarom raad ik je ten zeerste aan om niet alles te geloven wat je leest of hoort. Blijf sceptisch, check je bronnen en laat je niet in de maling nemen. Maar vooral, hoed je voor de grote overname van 't Stad. In onze provincie is ze alvast ingezet. De rest mag dan wel parking zijn, maar zoals iedereen met zelfrespect, en dus een auto die geen Nissan Micra is, weet: van parking is er nooit genoeg.

Hans Verhaegen
6 0

Golf Twee

Lap zeg, waren we daar toch net iets te vroeg om de zorgverleners terug als stront te gaan behandelen, zeker? Het was maar een grapje, hoor. Maar het is officieel, COVID maakt een comeback en dat is een probleem. Vooral omdat ik eindelijk van die telkens terugkerende droom verlost was waarin ik met smaak een broodje vleermuis met Bicky-ajuin in m'n gezicht duw, waarna een Chinese versie van Maggie De Block verschijnt – en ik weet zeker dat ze Chinees is, niet doordat haar ogen spleetjes zijn, want tja... Maggie, maar omdat ze bladeren Chinese kool heeft als haar en er noedels uit haar oksels groeien. Oosterse Maggie vertelt me vervolgens met de nodige dramatiek dat er maar één manier is om de wereld te redden: asap alles wat los zit in m'n lichaam er asap uitpersen tot de bloedvaatjes in m'n ogen ervan springen. Aziatische Maggie is net als de gemiddelde marketing manager dol op het woordje asap. Ik volg haar wijze raad en elke keer, vlak nadat ik erin geslaagd ben de mensheid wat bonustijd op deze aardkloot te kopen, word ik wakker. Meestal van m'n wederhelft die kokhalzend de lakens van het bed aan het trekken is. Verder maak ik me niet teveel zorgen over die tweede golf. Oké ik doe dat wel, maar ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat het in situaties als deze altijd de idioten zijn die als eerste gaan. En aan idioten hebben we, in tegenstelling tot FFP3-mondmaskers, een eenduidig beleid en vrije Collect&Go-afhaalmomenten, gelukkig nog lang geen gebrek hier. Zo zijn er de idioten die na twee maand nog steeds niet hebben uitgevogeld waarom er pijlen op de voetpaden van onze winkelstraat plakken. Nochtans zou je denken dat die pijlen opvallen als je een winkel buiten wandelt en je hoofd buigt om je mondmasker op de grond te gooien, hetgeen ik de meesten van deze idioten zie doen, in de schaarse momenten dat ze geen sigaret aan het rollen zijn of een blik goedkope namaak-Red Bull opentrekken voor hun achtjarig zoontje met nekmat. Eén keer zag ik er eentje twijfelen en rechtsomkeer maken om verder in de juiste richting te wandelen. Wat later werd duidelijk dat ze haar baby's uit de auto was vergeten te halen. Meervoud, dat las je correct, lieve lezer. Na deze idioten, zijn het ongetwijfeld de letterlijk-nemers-wanneer-het-hen-uitkomt die het de komende maanden weer gezellig druk zullen maken op de COVID-afdeling. De knappe koppen die als de café's om middernacht de deuren dichtdoen voor weken, om 23.52 uur nog uit volle borst Atje voor de Sfeer staan mee te brullen, terwijl hun keelvocht tikkertje speelt met de ventilator aan het plafond. Het wordt pas gevaarlijk vanaf dat de regel ingaat, toch? In deze categorie vind je ook die ongelofelijke konthoofden – je hebt ze zeker al gezien – die enkel het woord 'mond' in mondkapje horen, daardoor vinden dat hun neus er niet bij in moet en er bijgevolg met hun masker op half zeven zo verwaaid bij lopen dat het lijkt alsof ze hun begeleider kwijt zijn. Laten we dus vooral voor mijn gerust gemoed en het jouwe even vergeten dat mijn theorie niet opgaat omdat al deze idioten niet alleen zichzelf, maar ook ons in gevaar brengen met hun acties. Want morgen vertrekken we met het vliegtuig op die hij-had-echt-geen-dag-later-moeten-komen vakantie naar warmere oorden en al dat stressen over idioten zou ons all-in verblijf alleen maar vergallen. We zullen zorgeloos praatjes maken met de andere Belgen aan het zwembad, schouder aan schouder verbroederen met de Nederlanders aan het buffet, en als we terug zijn organiseren we een barbecue voor de godganse familie om hen de foto's van kleine Olivia in de kinderdisco te tonen. En pas dan zullen we ons weer druk maken in die idioten die ervoor zorgen dat de coronacijfers nog altijd de verkeerde richting uitgaan, terwijl wij er verdomme alles voor hebben opgeofferd.

Hans Verhaegen
21 2

Reinhoudt

Ik ben hier al vaak geweest, en toch ziet de statige gevel er nog altijd donker en dreigend uit. De makelaar is al tien minuten te laat en mijn het zonlicht prikt fel in mijn ogen. Dat laatste wijntje gisteravond was duidelijk te veel. Hoe graag wil je het pand verkopen als je er zelfs niet in slaagt op tijd te komen? Ik laat mijn blik terug over de gevel gaan, het woord ‘monumentaal’ komt automatisch bij me op. De rozige glas-in-lood ruitjes zijn zo vuil dat je er bijna niet meer door kan kijken. Ik kan me nog levendig voorstellen hoe ik vroeger kerst vierde aan de andere kant van het raam. Grootmoeder toverde er elk jaar opnieuw in om een gigantische kerstkalkoen met truffelvulling op de tafel. Als kind keek ik met een mengeling van bewondering en afschuw toe terwijl ze tijdens het koken haar arm tot bijna aan de elleboog in het achterste van de vogel liet glijden om hem te vullen. Ik kreeg dat beeld maar niet uit mijn hoofd, ook niet wanneer ze het intussen krokant gebruinde gevogelte enkele uren later op de overdadig gevulde kerst tafel zette. Ik durf haar nog steeds niet te vertellen dat ik vegetariër ben geworden. ‘Excuseer voor de vertraging, ik vond nogal moeilijk parkeerplaats in deze buurt.’ Een man met warrig haar en een stoppelbaard steekt zijn hand naar me uit. ‘Ik ben Kevin, de makelaar. Heeft u het makkelijk gevonden?’  Terwijl ik zijn hand schud, valt mijn oog op de rouwranden aan zijn vingernagels. Er zit een vlek op de kraag van zijn iets te strakke hemd. Moest ik echt interesse hebben gehad in het huis, zou dit een afknapper van formaat geweest zijn. ‘Zullen we naar binnen gaan?’ vraagt hij vrolijk.  Ik knik zonder iets te zeggen en volg hem het portaal in. In de hal zie ik meteen de glooiende stenen trapleuning waarvan mijn broer en ik altijd naar beneden gleden. Een seconde lang denk ik aan het litteken op mijn knie dat ik overhield aan die ene keer dat mijn kousenbroek bleef haken.‘Zoals u kan zien mevrouw: een prachtige hal met alle authentieke elementen uit de jaren twintig. De trap is opgetrokken uit massieve kalksteen en de vloertegels zijn ook nog de oorspronkelijke. U voelt in de hal al meteen de klasse die het pand uitstraalt. Een zeer mooie burgerwoning.’ Ik kijk naar de charmante vloertegeltjes  die onder de bruine plekken zitten of gebarsten zijn. De stenen trap en de majestueuze luster aan het plafond vullen de ruimte. Maar de muren, ooit stijlvol wit, zijn in de loop der jaren lelijk vergeeld en staan vol zwarte strepen. De vergane glorie stemt me triest. Ik wil zo snel mogelijk naar de kamer zien waarvoor ik gekomen ben, zodat ik hier weg kan. De makelaar zwijgt even en lacht me hoopvol toe, maar ik weet niet wat te zeggen. Hij knikt en gebaart me hem te volgen naar de woonkamer. Die ziet er nog helemaal uit zoals ik me ze herinner. Ouderwets bloemetjesbehang, een fraaie visgraat parket en grootmoeders robuuste, lange buffetkast van kerselaar tegen de muur. Zou de afstandsbediening van de tv nog altijd in het bovenste schuifje liggen? De eiken planken kraken theatraal onder mijn voetstappen. Het ontroert me. In gedachten zie ik grootmoeder traag naar de eettafel lopen om de schaal violettes te nemen. Ze had er altijd wel eentje in haar mond, op eender welk moment van de dag. In het rusthuis krijgt ze er geen meer, de verpleging zegt dat ze aan haar suiker moet denken. Aan het raam staat nog steeds het ziekenhuisbed waarin ze de laatste jaren sliep. Het doet me denken aan een artikel dat ik onlangs las. Blijkbaar worden rolstoelen en ziekenhuisbedden vaak als verkooptruc gebruikt in de immosector. Maar ik heb dit huis nooit zonder het bed geweten. De ruimte is donker en muf, maar groter en plechtiger dan ik me herinner. Ik kijk naar de ornamenten aan de lambriseringen die het hoge plafond omranden. Het moet zeker twintig jaar geleden zijn dat ik hier nog ben geweest. ‘Dit is de ideale ruimte om mensen te ontvangen, vind u niet? Mooie houten vloeren, hoge plafonds, originele glas-in-lood ramen. U hoeft eigenlijk alleen te schilderen om de kamer een modernere toets te geven.’ Dan aarzelt hij even. ‘Zoals ik u aan de telefoon al zei is er ook nog een deel dat aan vernieuwing toe is. Dat laat ik u nu zien. Hier moeten nog wat kleine renovatiewerken uitgevoerd worden, maar dat heeft dan wel weer als voordeel dat u dat volledig naar uw eigen wensen kan doen.’  We komen aan in wat ooit grootmoeders imposante keuken was. Tot mijn ontsteltenis staat er alleen nog een oud, gietijzeren fornuis. De blauw betegelde vloer plakt. Uit het plafond komt een oude, gesmolten elektriciteitskabel. De muur eronder is zwartgeblakerd. Ik begrijp niet dat dit pand zo te koop wordt gesteld, van deze keuken neemt elke potentiële koper meteen de benen. Het is niet te geloven dat het huis tot voor kort nog bewoond werd. ‘De elektriciteit werd volledig afgekeurd, deze kabels dateren nog uit de jaren zeventig. Zoals u ziet is er eens een kortsluiting geweest. Wat er juist allemaal moet gebeuren, weet ik niet vanbuiten. Dat staat op het keuringsverslag. Misschien is het wel opgelost met wat kleine ingreepjes.’ zegt hij op nonchalante toon.  Ik laat mijn wijsvinger kraken en klem mijn kaken op elkaar. Het is wel duidelijk dat hier meer nodig is dan enkele kleine ingreepjes.  ‘En u kan zelf een keuken naar keuze laten installeren. Tegenwoordig kost dat niet zoveel geld meer.’  Ik draai mijn rug naar hem toe en kijk naar het plafond.  ‘Persoonlijk,’ gaat hij in een adem verder, ‘zou ik de muur tussen de keuken en de woonkamer eruit halen en een grote, moderne leefkeuken laten plaatsen. Zoals u ziet zijn de mogelijkheden eindeloos.’ Hij krabt in zijn warrige haren en zorgt daarmee voor een spoor van witte huidschilfers die op zijn schouders neer dwarrelen.  Ik kan me niet voorstellen dat mijn kokette grootmoeder, die op regelmatige tijdstippen drukte op het feit dat ze uit een familie van aristocraten afkomstig was, in deze omstandigheden heeft geleefd. Ik moet hier zo snel mogelijk terug buiten. Zo gauw ik oom Reinhoudt’s kamer heb gezien, ben ik hier weg. De makelaar moet mijn ontsteltenis hebben gezien, hij lacht zenuwachtig.  ‘Zoals u ziet was hier al enige tijd niemand meer geweest. De eigenares van het pand was niet goed te been en verbleef uitsluitend in de voorkamer.’  Arme grootmoeder. Waarom heb ik nooit iets gedaan? Ik probeer mijn neus zo onopvallend mogelijk dicht te knijpen kijk even kort rond om interesse te veinzen. Naarmate het einde van de rondleiding nadert, voel ik zenuwen opkomen. Ik kan niet verklaren waarom ik zo graag de kamer van mijn dode oom wil zien. Ik weet niet wat ik juist verwacht of wat ik hoop te vinden, maar het is mijn enige kans om uit te zoeken wat er allemaal gaande is in mijn familie. Ik wil weten wat voor man oom Reinhoudt was en waarom mijn moeder rode vlekken in haar nek krijgt wanneer zijn naam wordt genoemd. Want hoewel ik hem al twintig jaar niet meer gezien heb, krijg ik zijn beeld maar niet uit mijn hoofd. Die glanzende donkere ogen en de wilde baard. De donkere pijp in zijn rechtermondhoek, de bril met de vettige glazen die altijd een beetje scheef op zijn neus stond. Zijn luide ademhalen, zijn trillende handen en zijn verlegen glimlach. Het dunne lijntje speeksel op zijn kin als hij ons moeizaam dag zei. Als kind begreep ik niet waarom hij zo stotterde, ik heb lang gedacht dat hij het voor de grap deed. Van de hele familie had ik hem het allerliefst. De laatste keer dat ik hem zag, was net na mijn zesde verjaardag. Ik mocht mee naar zijn collectie miniatuurtreintjes op zolder komen kijken. Het was indrukwekkend. Met de grootste precisie had hij een landschap met treinsporen, een station, een slagboom en stopborden na gemaakt. Net echt. Hij had er speciaal stukjes mos voor uit Noorwegen laten komen, vertelde hij. Ik weet nog steeds niet wat er juist gebeurd is, maar op een bepaald moment bleef hij op zijn kamer zitten wanneer we op bezoek kwamen bij grootmoeder. Een geschil met mijn moeder, blijkbaar. Grootmoeder zei dat het wel zou overwaaien. Dat deed het niet. Dat jaar met kerst bracht zij een bord met eten naar zijn kamer. Ik weet nog goed hoe boos mama werd toen ik vroeg waarom hij niet meevierde. Dat ik een lastig kind was, had ze gezegd, en dat ik niet altijd overal mijn neus in moest steken. Papa zei dat hij een vreemde man was en dat we niet op hem moesten letten. Dat hij liever aan zijn miniatuurtreintjes werkte dan ons te zien. Sindsdien heb ik nooit meer een vraag over oom Reinhoudt durven stellen. ‘Er is nog een laatste kamer, maar die kan ik u helaas niet laten zien, mevrouw.’ zegt de makelaar zacht zacht. Hij lijkt onzeker. ‘Zoals ik u vertelde aan de telefoon woonde de volwassen zoon van de eigenares in deze kamer. Toen hij onlangs kwam te overlijden is zijn moeder meteen in een home geplaatst, waardoor er een aantal praktische zaken nog niet in orde zijn gebracht. De kamer is verzegeld door de politie, het onderzoek is nog maar een paar dagen geleden afgerond.’ Ik knik langzaam. De kamer van oom Reinhoudt. De reden waarom ik hier ben. ‘Ik begrijp dat het moeilijk ligt meneer, maar ik zou de kamer toch graag zien. Ik moet een inschatting kunnen maken van welke werken er nodig zijn, en hoeveel dat zal kosten.’Kevin de makelaar glimlacht, hij had deze vraag duidelijk verwacht. ‘Ik begrijp dat kandidaat-kopers alle ruimtes in dit pand willen gezien hebben, maar dat is in dit geval helaas niet mogelijk. De kamer is qua grootte en indeling zeer vergelijkbaar met degene die op het eerste verdiep. En ik kan u verzekeren dat de nodige werkzaamheden ook in lijn liggen met de rest van de woning.’ ‘Kunt u echt geen uitzondering maken? Ik kan best tegen een stootje. Bovendien had u me gewaarschuwd aan de telefoon. Die ruimte bepaalt immers hoeveel mijn potentiële bod op deze woning bedraagt. Ik ben erg geïnteresseerd.’ Bingo. Als hij het pand ooit echt verkocht krijgt, hoop ik dat hij zijn commissie aan een manicure en een kappersbeurt uitgeeft. Hij haalt diep adem en recht zijn rug.  ‘Misschien kunnen we al een tweede bezoek vastleggen, wanneer de kamer is schoongemaakt. Dan heeft u de tijd gehad om even na te denken.’ ‘Dat ligt moeilijk, meneer. Mijn huidige huurwoning is verkocht, ik word er weldra uitgezet. Ik heb dus geen tijd te verliezen, ik moet zo snel mogelijk een nieuwe woning vinden.’ ‘Goed dan. Normaal gezien organiseren we enkel bezoeken wanneer het pand schoon is gemaakt, maar in dit geval moest het snel gaan omwille de kosten van de home.’ Hij aarzelt even. ‘Ik moet u wel waarschuwen, mevrouw. Wat zich achter deze deur bevindt, is gerust schokkend te noemen. Ik reken op uw discretie, ik doorbreek hiermee mijn belofte aan de eigenares van de woning.’ Mijn hart maakt een sprongetje. Hij duwt de deur open en neemt een stap opzij, zodat ik binnen kan gaan.  Aan weerszijden van de muur hangen politielinten. De makelaar heeft niet gelogen, de kamer is effectief verzegeld. Een warme walm van vocht en onhoudbare stank slaat me in het gezicht. Het lijkt alsof ik elk moment op zijn ongekoelde lichaam kan stuiten. De soep van deze middag baant  zich langs mijn slokdarm terug een weg naar boven. Ik kan maar net op tijd slikken. Op de muren staan in verschillende kleuren onverstaanbare boodschappen en formules gekrabbeld. Overal staan bruine handafdrukken, ik kan niet uitmaken of het in bloed of in kak is. Ik krijg het plots ijskoud. De vlekkerige parket is omgeven van de omver gevallen stapels kranten. In een hoek van de kamer ligt een berg kleren, tot ongeveer een meter hoog. De waanzinnige stank nestelt zich in mijn neusgaten. Ik heb altijd een hekel gehad aan horrorfilms over huizen. Die typische films waarin een gezin een oud huis koopt en af te rekenen krijgt met de boze geest van de vorige bewoner die er zelfmoord pleegde en daarom niet naar het hiernamaals kan. Ik het gevoel dat ik middenin zo’n film zit. Ik hoopte op een aanwijzing, maar de aanblik van deze kamer schept alleen verwarring.  ‘U ziet het: ook hier is een grondige make-over nodig. Al ziet het er erger uit dan het is. Structureel gezien is deze kamer helemaal in orde, hoor. Alleen de muren en de vloer moeten stevig aangepakt worden.’ Ik knik en richt mijn blik naar het plafond, hopend op een rustpunt in deze allesovertreffende chaos. Maar ook dat staat vol bruine handafdrukken, geen idee hoe hij daar is geraakt.  ‘Oké.’ zeg ik aarzelend. ‘U had me gewaarschuwd.’ ‘Laat u niet ontmoedigen door deze kamer, mevrouw. Na wat klus- en schilderwerk zal het er hier weer prachtig uitzien. U moet eens kijken naar de lambrisering en naar die prachtige rozetten op het plafond. Die zijn allemaal perfect te redden.’ Ik probeer enkele boodschappen op de muur te lezen, maar het kronkelige handschrift is op enkele a’s na onleesbaar. Daarom wilde moeder dus niet dat ik naar het huis zou komen kijken. Die ‘slepende ziekte’ waaraan oom Reinhoudt zogezegd is gestorven, staat letterlijk over de muren uitgesmeerd. Daarom die  vreselijke en onpersoonlijke begrafenis.  ‘Wat is hier eigenlijk gebeurd?’ Ik werp een blik in de stoffige spiegel die op de grond staat. Knokig en bleek, kleine, afhangende borsten, grote oren. En een kille, eenzame blik. ‘De man die hier woonde leed aan een bijzondere vorm van schizofrenie. Daarom woonde hij bij zijn moeder, hij kon niet zelfstandig functioneren. Toen ze te oud werd om voor hem te blijven zorgen, is het fout gegaan.’  ‘Wat vreselijk.’ Ik mompel het eerder tegen mezelf dan tegen de makelaar. Een lullige opmerking, maar ik weet niet wat ik anders zou moeten zeggen. De makelaar vervolgt op vrolijke toon dat dit renovatieproject erg interessant is. Hij vertelt iets over zes procent BTW en over renovatiepremies, maar ik hoor amper wat hij zegt. Ik moet naar buiten.

Annelies Leysen
30 0

Dagdagelijks

Mijn dagelijkse wandeling was blijkbaar toch niet zo dagelijks als ik gehoopt had. Het was een wandeling bedoeld om een gewoonte te zijn. Maar toch. Het was niet meer dan een grauwe dinsdag ergens in februari. Ik stond die dag vol goede moed op – niet anders dan de andere driehonderdvierenzestig dagen in het jaar. Snel een kop zwarte koffie en een boterham met nog net niet vervallen salami. Nadat ik mijn bruine lederen schoenen aangetrokken had, moest ik haastig op zoek naar mijn sjaal. Waar lag hij toch? Het was nu niet dat ik al overal gezocht had, maar veel verder dan de kapstok kon hij toch niet liggen? Ik bukte om onder mijn leeszetel te kijken, maar ook daar lag hij niet. Bij het rechtkomen stootte ik mijn hoofd aan de kapstok. Onbewust spuwde ik een te hoge kreet uit. Het zou toch niet waar zijn. Was ik mijn goede oude sjaal dan echt ergens kwijtgespeeld? Ik keek de kapstok aan en pas op dat moment viel me op met hoeveel trots hij daar eigenlijk stond. Het was een donkere, eikenhouten kapstok waaraan er plaats was voor wel vijf jassen. Hoewel de statige kapstok ernaar verlangde om vier andere jassen te dragen, gebruikte ik de meeste tijd slechts een van zijn armen. De sjaal was nog steeds nergens te bespeuren en een keuze drong zich plotseling bij me op. Ga ik naar buiten zonder sjaal voor mijn ochtendwandeling of neem ik nog een kop van de heerlijk sterke koffie? Snel schoten alle voor- en nadelen door mijn hoofd. Niet veel later sloeg ik de deur achter me dicht en draaide ik het slot om. Ik stond in het trappenhuis en vroeg me heel even, hoogstens een seconde of twee, af of ik niets vergeten was. Het zij zo, dacht ik terwijl ik mijn voet zachtjes op de eerste trede richting het gelijkvloers zette. Terwijl ik steeds verder naar beneden ging, merkte ik niet op dat ik ook steeds trager ging. Getallen schoten door mijn hoofd. Drie verdiepingen tot ik weer beneden was. Dat waren dan zes trappen met elk dertien treden. Dat kwam dan neer op een totaal van achtenzeventig treden. Ik deed er net minder dan een seconde per trede over, wat maakte dat ik – met de draai tussen de trappen – iets meer dan anderhalve minuut nodig had om van de deur van mijn appartement de voordeur van het gebouw te bereiken. Midden op de eerste trap bleef ik staan, want ik hoorde onder mij een geluid. Het was het typische gepiep dat de opengaande deuren van dit perfect onderhouden gebouw maakten. Ik boog me voorzichtig over de trapleuning, hopend om een glimp op te vangen van mijn medebewoner. Ik stond net op het punt een trede lager te gaan om beter zicht te krijgen op de deur, wanneer hij met een luide klap dicht vloog. Mijn hoofd schoot angstig weg van de trapleuning. Ik voelde mijn hartslag toenemen, mijn adem versnelde. Het geluid van hakken weergalmde door het trappenhuis. Opnieuw bracht ik voorzichtig mijn hoofd naar de rand van de trap. Het getik van de hakken kwam steeds dichterbij tot het opeens overging in zacht geschuifel. Pas dan zag ik goed wie het was: Marleen van de tweede verdieping. In plaats van naar beneden te gaan, kwam ze naar boven. Wat moest ze daar in hemelsnaam? Normale mensen gingen naar beneden en buiten een wandeling maken, Marleen duidelijk niet. Ging ze misschien Karel op het appartement recht tegenover het mijne vragen om een bus melk?  Of kwam ze weer bij mij aankloppen omdat ze geen suiker meer had voor op haar rijstpap? (Dat kon dan mooi tegenvallen, aangezien ik niet thuis was). Wacht, ze zou me tegenkomen in het trappenhuis en me aanspreken. Opnieuw versnelde mijn hartslag. Ze kwam dichter en dichter. Ik bleef roerloos staan op de trede waarop ik ondertussen al enkele minuten stond. Het zou nu echt niet lang meer duren voor Marleen me zou opmerken. Gelijk kreeg ik, want voor ik het wist stond ze op de onderste trede van de trap. Ik ademde diep in en uit – ik hoopte dat ze mijn zachte zucht niet gehoord had. Ze bleef de trap beklimmen en net voor ze oogcontact met me maakte, hoestte ze even. Niet veel later stond ze bijna op dezelfde trede als ik en zei ze kort: ‘Goeiemorgen’. Ik voelde hoe een plotse opluchting zich meester van me maakte. Ik gaf haar haastig een kort knikje terug. Zonder er verder op te reageren liep ze door.  Toen ze (eindelijk) uit het zicht was verdwenen, keerde de rust langzaam terug binnenin mijn lichaam. Marleen, de dame van middelbare leeftijd met altijd wel een verhaal te vertellen, had niets gezegd. Ik vond het maar vreemd, maar net daarom werd de situatie er enkel maar beter van. Toch bleef ik nog een tijdje staan. Ik sloot mijn ogen en probeerde op mijn ademhaling te letten. Diep inademen, even vasthouden en dan zachtjes uitademen. Dat patroon herhaalde ik enkele keren tot ik merkte dat ik terug normaal kon functioneren. Langzaam zette ik mijn tocht door het trappenhuis verder. Ik was net de eerste trap af toen ik in de draai – het platte stuk dat kwam voor de volgende trap – bleef stilstaan bij het brandblusapparaat. De rode blusser hing ter hoogte van mijn middel en pas die dag viel het me echt op dat zo’n apparaat wel echt knap in elkaar zat. Ik kon zoveel vragen bedenken om aan de persoon die dit apparaat net op deze plaats had gehangen, te stellen. En dat allemaal terwijl ik niet eens wist wie dat gedaan had. Wie weet hoeveel van die brandblussers had die man – het kon evengoed een vrouw geweest zijn – al opgehangen. Ik kon er helemaal geen antwoord op geven. De kans was ook tamelijk groot dat die persoon het zelf niet eens wist; misschien hield hij het aantal blussers niet bij. Ik vroeg me plotseling af hoe ik zoiets zou aanpakken. Als ik zou weten dat ik de hele dag brandblussers zou moeten ophangen, zou ik dan een lijstje aanleggen om te tel bij te houden? Persoonlijk zou ik het leuker maken. Na elke tien opgehangen brandblusapparaten zou ik gewoonweg een pauze nemen. Dat was nog leuker, en bovendien nuttiger, dan eindeloze lijstjes aanleggen. Ik vond het fascinerend hoeveel vragen en ideeën er in me opkwamen bij het zien van zo’n simpel dagdagelijks voorwerp.  Ik was net de tweede verdieping voorbij toen ik besloot op mijn stappen terug te keren. Ik merkte voor de eerste keer sinds ik in het gebouw woonde op dat er vier deuren waren. Op de derde verdieping waar ik verbleef waren dat er maar drie. Ik realiseerde me dat ik niet eens wist hoeveel appartementen er in totaal in het gebouw waren. Ik zou zo dadelijk nog langs de eerste verdieping lopen, dus dat was snel te achterhalen. Maar over de vierde verdieping kon ik niets zinnigs zeggen. Daar was ik nog nooit geweest. Misschien was er maar één appartement, maar het konden er evengoed vijf zijn. Het was niet dat ik het per se wilde weten. Ik was gewoon nieuwsgierig en het was een leuk weetje geweest mocht ik het weten. Maar er actief naar op zoek gaan, neen, dat was ik niet van plan. Ach, ik maakte me waarschijnlijk zorgen om niets. Of er nu één, twee of zes deuren waren op welke verdieping dan ook, ik trok me er niets van aan. Terwijl ik aan de afdaling van de volgende trap begon, had ik niet door dat ik nog maar net over de helft was. Hoewel je af en toe een flits kon waarnemen, was het licht in die trappenhal zo goed als kapot. Het was zoals een hartspier. Het trok samen en liet weer los; het doofde uit en sprong weer aan.  Ik hoorde een deur dichtslaan. Opnieuw, dacht ik. Dit keer leek het geluid van verder onder me te komen. Het kon niet anders dan de voordeur van het gebouw zijn. Ik hoorde het geluid van voetstappen dichterbij komen, dit keer op een sneller tempo dan ik gewoon was. Het leek wel of iemand de trap aan het op lopen was. Het geluid kwam steeds dichterbij. Ik stak – zo nieuwsgierig als ik was – mijn hoofd over de trapleuning. Een verhelderende schok ging door mijn lichaam heen. Het was Peter, ik had het wel gedacht. Peter was veruit de sportiefste van het gebouw. Iedereen noemde hem de marathonman, want hij deed niets liever dan elke dag in het park zijn vaste traject lopen. Wat ik dan weer niet begreep, was het feit dat hij na zijn loopsessie nog eens doodleuk de trap op liep. Man, waar ben je toch mee bezig, dacht ik vaak. Na een traject van vijftien, misschien twintig kilometer nog eens lopen tot op de vierde verdieping. Hij moest wel gek zijn. Ik wist exact wat er stond te gebeuren. Zo dadelijk bij het kruisen zou hij geen woord tegen me zeggen. In plaats daarvan brabbelde hij onverstaanbare, onvolledige zinnen. Dat allemaal deed hij terwijl hij aan het hijgen was en op de koop toe zou zijn tong bijna op zijn tenen hangen. Ik was blij dat ik geen sportief type was. Op de eerste verdieping was het dan zover. Peter kruiste me al hijgend en liep steeds trager verder naar boven. Toen hij uit het zicht was, versnelde ik mijn pas. Er was niemand meer in het trappenhuis.  Iedereen die ik niet wilde tegenkomen, was ik tegengekomen. Wat een goed begin van de dag. Ik opende de voordeur en liep langs de brievenbussen het gebouw uit. Ik bleef even staan voor de gevel. Het was best al een oud gebouw. Dat zag je duidelijk aan de witte stenen die helemaal niet meer zo wit waren. Toch vond ik dat ik best mooi woonde. Ik verbleef op een mooie verdieping in een knus maar gezellig appartement. Er was niemand die zei wat ik moest doen, niemand waar ik ook maar een moment last van had. Aan de overkant van de straat was park. Ik zag de groene bomen en grasperkjes vanuit het raam van mijn appartement. Het regende niet, maar de grijze lucht vertelde me dat er tegen de avond wel wat druppels konden vallen. De baan die ik over moest was een best gevaarlijke weg. Gelukkig lag er een zebrapad vlakbij het gebouw. Ik wilde net mijn voet van de stoep op de baan zetten, toen ik op mijn horloge keek. Ik schrok. Er waren al ruim veertig minuten voorbij sinds ik ontbeten had. Dat was dan ook meteen het einde van de wandeling. Ik kon toch moeilijk elke dag in het park gaan wandelen. Het verplichte halfuur was verstreken en ik keerde terug naar de deur van het verouderde appartementsgebouw. Ach, morgen was er weer een nieuwe dag.

WoordenWeb
0 0