Zoeken

Henry In Al Zijn Glorie

Marie keek vol spanning naar het monolieten uitgangsblok van station Brussel-Centraal, ze hield een koffiekan stevig geklemd tot haar knokkels wit zagen. Om een houvast te hebben. De nervositeit nam elke dag overhands toe. Ze keek snel op de klok aan de muur, zeven uur achtendertig. Rond dit tijdstip kwam hij altijd naar buiten. Zijn haviksneus als eerste. Als een miereneter, die zijn terrein met zijn veilig instrument eerst besnuffelt. Zien of de kust veilig was. Soms miste ze hem. Door een klant. Door An. Door een vrachtwagen. Door een knippering van de ogen. Haar dag voelde dan niet hetzelfde. Ze keek snel opnieuw naar het monolieten blok en dan opnieuw naar de klok en dan opnieuw naar het blok en dan…   Dan was hij daar. De aktetas stevig in zijn geaderde rechterhand geklemd. Zoals iedere keer statig en met rechte rug kwam hij naar buiten. De zwarte ogen priemden. Hij draaide zich edel naar de trappen van de Kunstberg op, negeerde de arme drommel die met haar kind op de arm bedelde. En hem meelijwekkend aankeek. Ze was ongetwijfeld te min voor hem. Hij vatte de dagdagelijkse beklimming met zoveel grandeur en majestueusiteit aan. Alles en iedereen overheersend. Trede per trede dwong hij de berg onder zijn glimmende schoenen. Zijn hoofd recht en zijn blik ongetwijfeld op oneindig. Een arendsblik. Dat moest wel, dacht Marie. De lange zwarte jas wapperde achter hem aan. Zijn overwoekerende zilveren haren op zijn hoofd golfden langzaam mee in de wind. Marie keek vol ontzag hoe die man zich voortbewoog. De man straalde zoveel vertrouwen uit. Hij nam elke trede precies en perfect. De harmonie van zijn lichaam met de grijze uitgesleten stenen trappen vormden een harmonische wals als de schone met het beest. Het greep haar naar de keel. De overige pendelaars die uit het monolieten blok kwamen leken wel een losgeslagen kolonie ratten in vergelijking met hem. Krioelend zonder houvast.   “Marie, vergeet je de klanten niet of ga je de hele dag naar buiten staren?” “Neen An. Maar…” “Och, vergeet die man toch gewoon, waarom ben je zo geobsedeerd door hem?” Hij is gewoon één van die honderdduizenden pendelaars. Een luchtige nozem die hier zijn geld komt verdienen. Net zoals elke godverdomde mens hier. Punt.” “Waarom staat hij nét daar elke dag?” “Breek je kop er niet over, kind. Denk je dat er enkel in Brussel van die rare snuiters zijn? Dat alle pendelaars buiten Brussel compleet normale individuen zijn. Vergeet het gewoon, met het aantal verloren vijzen van al die pendelaars kan je een tweede Atomium zetten. Tel maar.”   An had gelijk, dacht Marie. Niet over het Atomium, ze dacht er niet aan om te beginnen tellen, maar over de rare snuiters in Brussel. In het gehucht Wulmersum waar ze vandaan kwam waren er ook veel vreemde specimen. In haar ogen dan. Volgens haar ouders waren het allemaal hardwerkende boeren en goeie rechtschapen partijen. Marie sloeg op een blauwe maandag op de vlucht. Waarom vragen veel mensen niet begrijpend. De verstikking in een open landschap is iets wat ze niet uitgelegd krijgt aan de stadsmensen. Ze vluchtte naar Brussel enkel met haar rugzakje met daarin wat toiletspulletjes en een hoopje kleren. Nauwelijks van de trein af liep ze letterlijk An tegen het lijf met haar exotische Macchiato in de hand. Haar enige jurk, haar lievelingsjurk met groene en roze bollen, zat onder het bruine kleverige goedje. Voor ze het zelf goed en wel besefte stond ze diezelfde koffie uit te schenken in de kleine koffiebar van An aan het Albertinaplein. Ze kreeg de job net zoals de koffie zomaar in de schoot geworpen. Volgens An omdat Marie dezelfde sproeten heeft op dezelfde plaats als haar en dat de jurk van toen ze negentien was me als gegoten zat. Marie was haar persoonlijke reïncarnatie. En dat ik met zoveel naïviteit in mij geheid in de Aarsschotstraat beland zou zijn voor ik 1-2-3 kon zeggen. An is opgegroeid in Brussel. De spruit van een typische ket. De uitlaatgassen zijn haar ochtendnevel. Ze ratelt en vloekt. Is op elke plek aanwezig en kent bizar genoeg de voornaam van elke klant die minsten drie keer in haar koffiebar is geweest. Ze staat erop. Dat dagelijkse klanten haar ijver negeren en haar eigen naam niet kennen laat ze koud. Het is haar onvoorwaardelijke liefde, de koffiebar en de honderden klanten. Eén man in haar leven zou teveel zijn. Ze heeft steevast wel een aanmerking. Als Marie vragen stelt worden die genadeloos en met takt afgewimpeld. De in begin ijdele hoop dat Marie snel een prins man zou ontmoeten in de Brusselse smeltkroes heeft ze al lang laten varen. De meeste mannen in de koffiebar zijn pendelaars die ’s avonds terugkeren naar hun gezinnetje of snel een rendez-vous hotelletje willen huren met jou om dan daarna toch terug te keren naar hun gezinnetje. De types op straat die oneerbiedig fluiten probeert ze te negeren. Maar die ene man, die ene man met zoveel gratie, intrigeerde haar al van de eerste dag dat ze hem zag. De eerste keer dat hij halt hield. Het was de eerste keer dat ze koffie morste.   Steeds als hij bovenaan de trappen aankwam stopte hij. Keert zich een 180 graden om en richt zich naar het centrum van Brussel. Hij lijkt wel te focussen op de spitse toren van het stadhuis. Zijn blik op oneindig. Voor een vijftal minuten. Altijd. Het maakte niet uit welk weer het is, regen, sneeuw, zon, vriestemperaturen, rukwinden,… Telkens staat hij daar met zijn blik op oneindig. Statig. De aktetas stevig omklemd, rechte rug, hoofd onbeweeglijk. En de zachte deining van zijn grijze haren als het kabelende water bij een idyllisch meer.   Marie had zich al nachten wakker gepiekerd wat er in hemelsnaam door die man heenging. Had hij een trauma te verwerken? Was de Kunstberg een plek van berouw. Een dagelijkse herinnering aan een verloren liefde. De plek waar hij met haar hand in hand op een bankje zat. Stilletjes naast elkaar. De handen losjes in elkaar. Zoals echte liefde zich uit. Geen woorden die moeten verspild worden. Het zijn van elkaar en met elkaar. De volkomenheid van het aanwezig zijn. Het daar zijn. Een simpele aanraking. Haar pink die de palm van zijn hand streelt. Een klein symbool met grote daadkracht. Dan passeert een vrouw die een koets voortduwt. Zij die zachtjes in zijn hand knijpt. Een wens die zachtjes wordt uitgedrukt. De toekomst ontvouwt zich. Het meesterlijke plan van geliefden op aarde. Ze legt haar hoofd op zijn schouder, sluit de ogen. Droomt. Hij kijkt naar de hemel, ziet dat er geen grens is. De blauwe gloed strekt zich tot het oneindige. Sluit de ogen. Droomt. Vervolgens staan ze geruisloos op. Nog steeds hand in hand, de schouders strelen elkaar. Zachtjes zoals hun liefde. Niet hard maar zoals ze één zijn. Volmaakt. Ze wandelen naar de Coudenberg. Hij stopt en zegt achteloos dat zijn veter los is. Ze stopt met stappen, staat op straat, en kijkt om. Een zwarte taxi zorgt voor een zwarte dag. Voor eeuwig en altijd. Of de dagelijkse pijn van een zoontje die groeide als kool en die hij verloor aan een falend hartje. Zijn minuut van stilte aan zijn broeders die hij niet van de dood kon redden in Afghanistan. Een moment van goddelijke zelfreflectie. Ontelbare scenario’s speelden door haar hoofd. Ze vroeg An er over uit. Ze wuifde het weg als een warme bries. Bleef bij hoog en laag beweren dat elke mens wel rare kantjes heeft, de ene al iets opzichtiger dan de andere. En dat het ook gevaarlijk is om op vreemde snuiters in te gaan. Ze richtte haar vinger waarschuwend naar haar als ze dat zei. Vermanend siste ze dan: “Vreemd gedrag kan snijden als een scheermes.” Marie droomde van hem, de hartjes die ze in het koffieschuim tekende waren voor hem. Op de avonden dat ze de slaap niet kon vatten legde ze een hand tussen haar dijen. Daar waar het warm werd als ze aan hem dacht. Ze zocht een plan dat haar hand zijn hand kon zijn.   Henry snelde door de hal van het Brussel-Centraal. Zo snel hij kon. Vermeed vakkundig de friemelde mensenmassa die elk hun eigen weg volgde als blinde mollen in een vierkanten doos. Het was urgenter dan anders. Snel lopen kon hij niet. Snelwandelen wel. Het half uur op de trein was een nog grotere hel dan normaal. Gelukkig was het moment van de verlossing bijna daar. Toen hij de roltrap naar de uitgang nam, nam hij meteen de frisse buitengeur waar. Hij snakte. Hij hunkerde. Hij smachtte. Zoals elke werkdag stapte hij met dichtgeknepen billen de roltrap op. Voorzichtig. Beheerst. Volledige controle. Stapte buiten en draaide naar de trappen toe. Dit was het makkelijkste stuk van de ochtend, want hij zag een twintigtal trappen hoger de verlossing. Dan kon hij alles loslaten. Niemand die aanstoot aan hem nam. Het was zijn publiek geheim in Brussel. Niemand stopte daar. Iedereen snelde hem haastig voorbij. Niemand lette op hem. Iedereen was passant. De anonimiteit van een grootstad in al zijn glorie. Henry in al zijn glorie.   Zijn darmen brulden van genot toen hij alles los liet. Een monsterlijke scheet die minutenlang duurde. Een misthoorn die het waken van de dag aankondigt. Een geurcompositie die snel werd meegenomen door de windstromen op de Kunstberg. Hij legde zijn hoofd in zijn nek en genoot. Met een getekend gezicht van de spanning staarde hij in de ijle ruimte tussen de toren van het stadhuis en de Magdalenakapel. Jaren geleden hadden ze IBS of beter verstaanbaar het prikkelbare darmsyndroom vastgesteld, wat er op neer kwam dat zijn darmen chronisch ontstoken waren. Tot daar het goede nieuws wist Henry nu, hij had meer dan ander patiënten enorme last van flatulentie. Het begon al na het ontwaken, ontbijt of geen ontbijt, de darmen borrelden op de cadans van enkele wildgeslagen Afrikanen met tamtams. Wilde gassen stapelden zich op in zijn darmen en drumden om verlossing. Maar hij hield de billen stijf op elkaar. Want geen mens die graag zwavel ruikt. Dat zag hij aan de mensen. De origami die ze deden met hun gezicht als Henry iets loste. Op een fatale ochtend toen hij een halve wagon onvrijwillig vergaste. Toen hij knakte na een slapeloze nacht tobbend over de papieren veldoorlog die hij voerde met zijn nu ex-vrouw en enkele advocaten. Zij haatte zwavel. Die ochtend zeeg hij moedeloos en verloren neer op een bankje. Hier op, wat nu zijn berg is. Hij loste toen een restje. Trok zijn neus op en rook niets. Loste nog een restje. En rook nog steeds niets. Terwijl zijn haren van voor naar achter en van links naar rechts danste in de wind. Henry glimlachte voor het eerst sinds lang.   Toen hij zich net wilde omdraaien na zijn dagelijks intiem hoorspel zag hij een jong meisje met een koffie uniform en een stapeltje folders in haar hand geklemd haastig de trappen opsnellen. Overduidelijk zijn richting uit.

Tim Berghman
60 0

Zoon en vader

’Vrouwentongen.’ ’Sorry?’ ’Vrouwentongen.’ Hij knikte naar een koperen pot op de vensterbank waarin opeengepakte groengele bladeren gespannen naar het systeemplafond wezen. ’Sanseveria’s worden ook wel vrouwentongen genoemd.’ Hij drukte zijn vinger even in de droge aarde en verschoof de pot een beetje naar rechts. Waarom kon hij nou niet één keer zijn mond houden? En waarom kon hij niet gewoon met z’n tengels overal van afblijven? ’Ah, lekker,’ zei hij en pakte het kopje aan van de serveerster. Natuurlijk ging het mis en klotste de koffie over de rand. ’Mijn fout,’ zei hij. Natuurlijk was het zijn fout. Ik liet het meisje zelf mijn espresso neerzetten. We keken elkaar begripvol aan. ’Wat een klein kopje,’ zei hij. ’Is dat expres-zo?’ Hij grijnsde en nam slurpend een slok. Was hij altijd zo geweest? vroeg ik me af. Of was het erger geworden, als oorhaar dat pas op latere leeftijd begint te woekeren. En daarna dacht ik: word ik later ook zo? Of is het misschien al begonnen? Ik keek naar zijn handen, breed en behaard. Heel anders dan mijn smalle kantoorklerk-handen. Maar zijn smalle gezicht met de dunne lippen, de diepliggende ogen, de spitse neus, daarin lag een niet te ontkennen replicatie. Vader en zoon, dat had ook de serveerster gedacht. Ach, wat leuk, die man is met zijn oude vader op pad. ’Nemen we er iets bij?’ stelde hij voor. ’Ik trakteer.’ Ik wist dat hij geen geld bij zich had en straks zou hij zijn aanbod weer vergeten zijn. Blijkbaar hoorde het zo. Hij had twintig jaar voor mij gezorgd, daarna waren we dertig jaar financieel onafhankelijk van elkaar geweest en nu was ik aan de beurt om voor hem te zorgen. Ik vroeg me af wie het van mij over zou nemen als we quitte zouden staan. Waarschijnlijk was ik gedoemd om langer voor hem te zorgen dan hij voor mij. De tol van de medische vooruitgang. Hij liet zijn stoelpoten luidruchtig over de plavuizen raspen en sjokte naar de vitrine met de gebakjes. Op zijn gemak bekeek hij de uitgestalde zoetigheden. ’Wat is dat, die gele?’ vroeg hij. ’Pudding-kruimelvlaai,’ zei de serveerster. ’En die?’ ’Die rode is kersen.’ ’En die oranje?’ ’Abrikozen.’ ’Doe voor mij maar appel. Met slagroom, heb je dat?’ ’Ja hoor. En uw zoon?’ Zonder zijn blik van de vitrine af te wenden zei hij: ’Wat wil jij, Johan?’ ’Niks.’ ’Hij wil niks. Ongezellig, hè? Hij neemt nooit iets bij de koffie. Nou, ik wel hoor. Ik ben een echte levensgenieter.’ ’U heeft groot gelijk.’ Het meisje glimlachte plichtsgetrouw en schepte een appelpunt op een bordje. Met een spuitbus spoot ze er een forse toef slagroom op. ’Ik kom het zo wel brengen,’ zei ze. ’Gaat u alvast maar zitten.’ Ze was eerder bij ons tafeltje dan hij. ’U nog een espresso, misschien?’ ’Graag.’ ’Ik ben niet meer zo snel,’ zei hij. Hij legde zijn handen op de schouders van de serveerster en manoeuvreerde zich achter haar langs naar zijn plek bij het raam. Ze leek het niet erg te vinden dat hij haar aanraakte. Op een bepaalde leeftijd kwam je daarmee weg. ’Lekker, dank je wel, lieve schat,’ zei hij en begon vergenoegd van de appeltaart te smullen. Ondanks mijn ergernis voelde ik het water in mijn mond lopen. Waarom was ik zo koppig, zo kinderachtig? Als ik hier alleen was geweest, of met iemand anders, had ik beslist zo’n appelpunt genomen. Hij had het gebak in een mum van tijd naar binnen gewerkt. Met zijn eetlust was niets mis. Hij leek ook dikker geworden, iets voller in zijn gezicht. Hij liet het vorkje op het bordje vallen en keek triomfantelijk om zich heen. Op zijn kin zat een kloddertje slagroom. Ik zei er niets van. ’Je weet niet wat je mist,’ zei hij. ’Zelden zulke lekkere appeltaart gegeten.’ ’We zullen zo maar weer eens gaan,’ zei ik. Heel even keek hij teleurgesteld, maar na een blik op zijn horloge klaarde zijn gezicht weer op. ’Ja, dan ben ik mooi op tijd voor de lunch terug.’

Grand Foulard
20 0

Het leven van wat je een mens zou kunnen noemen

    I. ‘Baar mij een zoon en hij zal heersen over de zeven zeeën!’. Spettertjes spuug landen op mijn moeders gezicht. Vader schokt nog een paar keer heen en weer voor het rood aangelopen lijf ineenzakt. Zijn laatste gespoten zaad trekt een sprintje naar de felbegeerde en met hoop doordrongen eicel. Ondertussen wordt het alarmnummer gedraaid. Maanden later ben ik daar. Een postume uitgave. Een dochter.   II. Niek, Jef, Maurice, Robbert en Dennis, de jongens van groep 7. Ze staan in een groepje te giechelen, terwijl hun Umbro shirts beginnen te stinken en de gel in de haren langzaam begint te smelten onder de zon. Ik vraag waarom ze lachen. Domme vraag. Altijd zwijgen en juist nu mijn bek niet kunnen houden. ‘Nou?’ ‘Wil je het echt weten?’ NEE! ‘Ja’ ‘Als je een pik in jou steekt, komt ie er aan de andere kant weer uit.’   III. Een pen, een komkommer, een neef, een kaars, een Barbie, een kipcorn uit de vriezer. Probeer te ontspannen. Lukt dit niet? Wacht niet langer dan een week om naar de huisarts te gaan.   IV. ‘Hij vindt je aardig, ja hè Rakker, dat vindt je hè. Net als het baasje.’ Rakker, wat een aanstellerige kutnaam, zeker voor een hond. Zo heten Golden Retrievers die samen met een kat en een paard in het tropisch regenwoud terecht komen en dan een beetje een panda gaan lopen redden. Walgelijk. Deze rakker is tenminste geen kindervriend. De Engelse buldog blijft vooral kwijlend op de bank liggen. Ik mag hem wel. De plots infantiel geworden man daarentegen. Sta niet zo in je handen klappend op en neer te springen. ‘Moet je naar de wc?’ ‘Hè wat? Wat zeg je?’ ‘Of je naar de wc moet?’ ‘Hehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehe. Nee hoor. Wil je een glaasje rosé?’ ‘Ik wil naar huis.’     V. Ik wou dat ik een junk was. Een echte. In een junk huis vol met junk vrienden, een huis gevuld met de geur van uitwerpselen, zweet en schraal bier. Hier ruikt het alleen naar urine. Niet eens van mijn vrienden, zo zou ik ze niet durven noemen. Nog drie kwartier, dan komt de zuster met een batterij aan pillen. En nog voor de deur achter haar puttige kont dichtvalt, zet ik als dessert zelf de spuit nog eens in mijn arm. Ik hoef toch niet meer mooi te zijn.

Lynn Elshof
0 0

Ergens halverwege hemel en aarde

Maurice ging het restaurant binnen met een bos lichtroze pioenrozen, blij dat hij iets bij zich had om de blikken af te leiden van zijn slechte been. Met het boeket voor zijn borst baande hij zich een eigen weg door de verstilde, felverlichte ruimte. Een zestiger met leesbril loerde even boven de rand van zijn krant en twee geföhnde vrouwen lieten hun spie slagroombiscuit fluisterend links liggen, maar Maurice gebaarde van krommenaas en hield zijn blik strak gericht op het uitgebreide buffet, helemaal aan de andere kant van de zaal. Niet dat hij honger had, want hij had die middag zelfgedraaide gehaktballen in madeirasaus gegeten en dan laat hij zich altijd net iets te veel gaan. Maar hij was hier nu, en hij wilde vooral niet aanzien worden voor een vent die zijn tijd aan een lege tafel kwam uitzitten, dus hij nam een dienblad, veegde het achtergebleven afwaswater weg met de mouw van zijn anorak en zette zichzelf een koffie met melk en een stuk broodpudding met rozijnen voor. ‘Vier en een halve euro durven ze daar tegenwoordig voor vragen’, dacht Maurice, een beetje verbolgen, en hij pikte nog snel een zakje suiker mee, hoewel hij walgde van zoete bakjes troost.   Vanop zijn stoel aan het venster op de vijfde verdieping keek Maurice toe hoe mensen als mieren kwamen en gingen. Hij kon niet uitmaken wie ziek was en wie gezond, zoals dat ook op de begane grond niet zomaar van iemands gezicht af te lezen is. Hij zette zijn tanden in de zompige homp broodpudding en vroeg zich af of hij het vandaag zou durven. De pioenrozen had hij al, hij moest alleen nog zijn moed en het wisselgeld op zijn dienblad bijeenrapen, naar een willekeurige kamer stappen en met de bloemen in huis vallen.   Hij nam een zuinige slok van zijn koffie en zag het helemaal voor zich. Hij zou ‘GOENDAG’ lachen, zoals hij altijd deed bij om het even welke ontmoeting, en hij zou proberen expliqueren dat hij Maurice heette – Maurice zoals Maeterlinck, niet zoals de man achter Lucky Luke. Zijn slechte oren zouden hem wellicht weer parten spelen maar hij zou zijn best doen om niet te hard te roepen, kwestie van patiënt noch personeel levensbedreigende stuipen op het lijf te jagen. Daarna zou hij het boeket op bed leggen, iets articuleren in de trant van ‘want je bent het waard’ en vertrekken met het gevoel zijn tijd en teveel aan genegenheid goed te hebben besteed.   Buiten begon het te schemeren. Vanop zijn stoel op het vijfde, ergens halverwege hemel en aarde, zag Maurice meer en meer auto’s aan-, af- en achteruitrijden op de parking. Wilde hij werk maken van zijn wilde plannen, dan moest hij nu iets ondernemen. Straks waren de bezoekuren voorbij en had hij nog maar eens een dag verspild in dit klinische zelfbedieningsoord.   Voor de vorm nam hij nog een laatste slok koffie. Koud. Een beetje zoals het gezicht van de vrouw tegenover hem, die niet anders dan geconstipeerd kon zijn. Hij legde zijn handpalmen plat op het tafelblad en duwde zichzelf overeind. Zijn knoken knikten, de broodpudding borrelde luid in zijn onderbuik en in zijn hart schreeuwden teveel en tekort tegen elkaar op.  

a little bit of soap
2 0

Verliefd op Suzanne

  November 1959.   Zaterdagmiddag. Over twee maandjes zal ik acht worden.   Twee grote pannen staan midden op de keukentafel. We zitten met zijn achten te smikkelen van het spek, dat zo-even nog aan het pruttelen was op de Leuvense stoof. Zoals altijd is deze lekkernij vergezeld van verse appelmoes die, nog nadampend, uitgeschept wordt uit een kasserole waarin de stoofappels, pas gekocht op de wekelijkse markt, bereid zijn. We leggen de dikke sneden roggebrood van onze favoriete bakker in het vet en de smurrie druppelt op de toile cirée tussen pan en bord. Wat is ons moeder toch een keukenprinses!   Paul Anka, een jonge Canadese zanger, heeft zopas zijn zoveelste hit te pakken en zijn ‘Put your head on my shoulder’ klinkt op de radio. Tussen twee happen door zing ik mee:“Leg je hoofd op mijn schouder …”“Wat is dat?” zegt Albert, de oudste van mijn aanwezige broers, “sinds wanneer verstaat gij Engels?”Hij weet blijkbaar niet dat ook de Vlaamse Brusselaar Ray Franky de Nederlandstalige versie op vynil heeft opgenomen. Ik hou me voor onnozel - daar heb ik geen moeite mee - en doe alsof ik de Angelsaksische taal al machtig ben.   Na dit koninklijke eten ga ik als naar gewoonte spelen bij mijn vriendjes, de twee gebroers Onraedt. Zij wonen met hun ouders, twee broers en twee zussen twee huizen verderop. Met Hubert en Marcel speel ik het meest. Ik doe dat minder met het buurjongetje aan de andere kant. Die kan bijwijlen zo onuitstaanbaar zijn dat ik hem, zoals afgelopen zomer gebeurd is, in het hospitaal zou willen slaan. Niet dat ik toen in ons speelbos zo hard toesloeg, maar hij viel wat ongelukkig in een kapotte fles met opstaande vlijmscherpe rand en moest bloedend als een rund afgevoerd worden. Het rund. Pech voor hem. Het was zeker een straf van bovenaf voor zijn voortdurende ambetantigheid. Maar ik moest de kerk in het midden houden met Robert, want zijn ouders hadden een televisietoestel en bij ons thuis hadden we dat nog niet en ik ging toch graag op woensdagnamiddag bij hen naar Nonkel Bob kijken. Dus dat in het ziekenhuis kloppen, daar moest ik in het vervolg toch mee oppassen.   Maar ik ga dus spelen bij Hubert en Marcel. De een is net iets ouder, de ander net iets jonger dan ik. Hun jongste zus Christiane is even oud als ik. Soms speel ik doktertje met haar. Af en toe ook met Wies, het andere buurmeisje, dat tussen ons twee in woont. Ze hebben altijd veel last van appendicitis. Zeggen ze. Of soms van pijn aan de binnenzijde van hun dijen. Hun lies bedoelen ze, maar dat woord kenden ze toen nog niet.  Zoals je ziet, altijd last met de vrouwen, zelfs al zijn ze slechts zeven, acht jaar.   Ik ga langs de achterdeur de keuken van huize Onraedt binnen. Niemand te zien. Dus klop ik op de volgende deur en doe deze open. Ik zeg goeiedag tegen alle aanwezigen en baan mij een weg door het rookgordijn tot aan tafel waar Hubert en Marcel aan het kaarten zijn. Pa en ma Onraedt zitten ieder in hun oude clubzetels bij de kachel en ze zijn elk aan hun tweede pakje Groene Michel zonder filter van die dag begonnen. Maar wie maakt daar een punt van in 1959? Koolputter Onraedt zou ziek worden moest hij gezonde lucht inademen.   Op de radio wordt, zoals elke zaterdag tussen halftwee en twee, de top-10 uitgezonden. Nummer 3 is aan de beurt: Fabian zingt ‘Tiger’. “Allez Marc, zing eens mee” vraagt Suzanne, de oudste van de zussen. Aan haar kan ik niets weigeren.Een jaar eerder heb ik mijn familie al versteld zien staan door mijn interpretatie van ‘Buena sera signorina’ na het eetfestijn ter ere van mijn eerste communiefeest. Suzanne had ervan gehoord en daarom vraagt ze mij deze keer voor een privé-optreden. Ik neem mijn zangerspose aan en doe mee:“Like a tiger, ooh, ooh, ooh, like a tigerOoh, ooh, ooh, just to see you smile nearly drives me wildI wanna growl wow”.Ik zing als een rockzanger en brul als een tijger. Het lijkt wel echt zoals ik optreed tussen de tabaksdampen.Ze krijgt er zelfs twee bisnummers bij want de daarop volgende liedjes, plaatsen twee en één op de hitparade, kan ik ook meezingen: ‘Personality’ van Lloyd Price en ‘Marina’ van Rocco Granata moeten er ook aan geloven.Suzanne vindt het fantastisch en mijn speelkameraadjes kijken mij verwonderd aan. Ik begrijp ongeveer wat ik zing en mijn namaak-Engels en Italiaans kunnen er ook mee door. Maar deze gave is niet weggelegd voor Suzanne’s broertjes. Op sommige gebieden, met de nadruk op sommige, ben ik een haantje-de-voorste, en zeker als het muziek betreft en het imiteren van zangers of zangeressen. Ik heb, omwille van mijn sopranostemmetje, voor komende maand zelfs de Mariarol toebedeeld gekregen in het kerstspel op school. Was ik al eerder verliefd op Suzanne of was het sinds die dag, dat ze zoveel belangstelling voor mij toonde? Ik weet het niet zeker. Maar kon dat wel, verliefd zijn? Suzanne was tien jaar ouder dan ik. Een liefde die niet kon zijn. Zeker niet toen haar latere echtgenoot op de proppen kwam. Van toen af aan moest ik mijn liefdespijlen op een ander meisje richten.

Marc M. Aerts
5 0

Geheugenverlies - Een verhaal in vijfhonderd woorden.

Ik kom bij bewustzijn in de badkamer liggend in de douche. Opstaan lukt me niet, de stroom van water die naar beneden giet houdt mijn lichaam aan de grond genageld. Moeizaam breng ik een arm naar de doucheknop, vouw mijn hand eromheen en draai de kraan dicht. Ik glij uit over kotsresten terwijl ik probeer de douche uit te kruipen. Ik werk mezelf een weg uit het braaksel omhoog naar de wastafel. Ik spoel mijn gezicht met koud water en veeg de condens van de spiegel. Ik heb bloeddoorlopen ogen en ben lijkbleek. Om me heen liggen mijn met kots doordrenkte kleren. Er flitsen nachtmerrieachtige beelden door mijn hoofd. In mijn poging mezelf te kalmeren gooi ik nog wat water in mijn gezicht. De beelden wisselen elkaar in hoog tempo af. Alsof ik getuige ben van een leven dat geen chronologische volgorde kent. Is het mijn leven? Mijn hoofd duizelt, ik weet mijn eigen naam niet eens! Is dit überhaupt wel mijn huis? Het zweet breekt me uit. Strompelend loop ik de badkamer uit naar beneden. Elke krakende tree echoot door mijn hoofd. Beneden tref ik een woonkamer in complete chaos aan. De vloer is bedolven onder lege bierblikjes en etensresten. Op de salontafel in het midden van de kamer liggen de gebroken resten van enkele flessen sterke drank en een verfrommeld pakje sigaretten. Ik haal een sigaret uit het pakje op tafel en zak neer op de zwarte lederen bank. Terwijl ik het kalmerende effect van de sigaret op me in laat werken zie ik op de salontafel iets opmerkelijks liggen. Tussen de scherven liggen tientallen fel gekleurde zegeltjes met printjes erop. Lang hoef ik niet na te denken, ik heb lsd gebruikt. Geen wonder dat ik me nu zo naargeestig voel, maar ik voel tenminste nog iets. Aanwijzingen heb ik nodig, dingen die me iets kunnen vertellen over wie ik ben, over wat er gebeurd is. Bovendien moet ik schone kleren hebben. Ik struin het hele huis af, maar ik vind niets. Geen administratieve papieren, geen mobiele telefoon, geen identiteitsbewijs, geen bankpas of kleren. Alles lijkt met voorbedachte raden te zijn verwijderd. Mijn verschrikkelijke honger brengt me naar de keuken, waar ik een briefje op de koelkast zie hangen. ‘Mits het ons is gelukt ben je het overgrote deel van je geheugen kwijt. Ik spreek van ons, want ik hoop dat jij opnieuw kunt beginnen, jij draagt mijn verleden niet met je mee. Dat maakt jou fundamenteel anders dan ik, jij bent opnieuw geboren. Kijk achter de losse steen in de muur van de tuin.’ In de tuin tref ik een grote hoop as aan. Het moet geregend hebben, want een deel is niet goed verbrand. Achter de losse steen ligt een kistje met een klein vermogen erin. De erfenis van een verleden dat ik wilde kwijtraken. Ook zit er nog een briefje bij. 'Nieuwe kleren in de kelder.’ Voordat ik de kleren pak, maak ik met wasbenzine af wat de regen getracht heeft te stoppen.

Atlas
6 0

donderdagavond ben ik je man !

Langzaam kwam Hans uit zijn gehurkte positie rechtop. Zijn knietjes en zijn zwarte schoenen kraakten daarbij om ter luidst en dat was naast zijn onrustige zware ademhaling het enige geluid in de lege kamer. Op de grond voor hem lagen de briefjes waarmee hij een tijdje zoet was geweest. Als puzzelstukjes had hij die papiertjes in de juiste volgorde gelegd, op elk van die briefjes stond een woord. Nu Hans rechtop stond waren zijn bolle wangen rood als een gezonde radijs en zweetdruppeltjes parelden op zijn slapen. als het kan en het ok is voor jou ben ik elke donderdagavond je man Hij las de zin steeds opnieuw in de stille hoop er nog iets anders van te kunnen maken en tijdens dat lezen kneep hij zijn varkensoogjes tot kleine spleetjes en trok daarbij enkele rimpels in zijn grote voorhoofd. als het kan en het ok is voor jou ben ik elke donderdagavond je man Hij had verdomme liever een middeltje gevonden om uit deze kamer te ontsnappen ! Een sleutel.. een hint.. iets ! En hij had verdomme ferm honger en dorst en was de situatie waarin hij was terecht gekomen klote beu ! als het kan en het ok is voor jou… Een vermoeide, dikke volwassen man in een lege kamer. Geen in-of uitgang. Niet 1 deur of luikje of venster die hij wel met veel plezier had willen stuk stampen ! Verdomme ! Enkel grauwe muren en een gladde zwarte vloer rondom hem. Hij stond middenin een kale doos met boven hem een peertje dat reeds lange tijd treiterig een zacht roze licht op hem wierp. als het kan en het ok is.. Wat had hij daar nu aan ? Hans was stijlvol zwart gekleed maar na de avonturen die hij het voorbije etmaal mocht doorstaan waren zijn kleren reeds ferm gehavend. Het zachte licht weerkaatste in de zweetdruppeltjes die langzaam over zijn wangen naar zijn kin gleden. Hij sloot zijn ogen.  Rustig worden, kerel, zo ga je geen oplossingen vinden, dit heeft geen zin.. Diepe zucht. Het spookte in zijn kop. Hoe was hij nu weer in deze situatie terecht gekomen ? Juist ja, het begon uren geleden toen hij het leslokaal verliet en naar huis ging rijden..

Nanek
1 0

Bloedmoeder

Mijn naam is één en vele. Ik ben de eerste angstschreeuw. Ik ben de laatste kreet om hulp. Ik ben een vrouw.   Verborgen in de diepste krochten van de aarde, baad ik me in de vlammen van mijn heer. Ik koester zijn vurige tongen die mijn naakte huid strelen. De hitte schroeit de donshaartjes van mijn armen. Ik geniet intens. Hij is mijn heer. Ik ben zijn dame. Wij zijn één en ondeelbaar. Er is slechts één verschil. Ik ben. Hij is.   “Ik wil een kind van je,” fluistert hij. Een vlam glijdt tussen mijn borsten, cirkelt rond mijn hals en kust dan teder mijn lippen. Sidderend van genot sluit ik mijn ogen. “Mijn lichaam mag dan lijken op dat van een aardse vrouw, mijn heer, maar kinderen baren kan het niet.” “Nee,” zucht hij, “ dat zou ik ook niet willen. Het is te mooi om bezoedeld te worden.” Hij kronkelt zich om me heen en prikkelt me op ongekende plaatsen, wat me zacht doet kreunen. “Wij zullen vannacht een kind scheppen en morgenochtend, mijn schat, moet je me verlaten en ernaar op zoek gaan. Het zal gebaard worden door een aardse vrouw wanneer de volle maan in het Huis van de Wachter staat. “Hoe zal ik het herkennen, mijn heer?” “Het zal van ons bloed zijn, schone dame.” “Ik zal een lange tijd wegblijven.” “Ah, maar de nacht is nog jong...”   Ik loop over de naad van de wereld. Een ruwe en ongetemde wereld. De nachthemel wordt gekleurd door rode en oranje schichten. De bergen vlammen purper op als de aarde zich kermend omdraait. De tijd heeft zichzelf nog maar net ontdekt.   Een frisse wind waait door mijn witte haar dat losjes samengebonden is in een lange vlecht. Onverstoorbaar loop ik verder, mijn blik van geronnen bloed vastgeklonken aan de horizon. Ik wijk geen enkele stap van mijn doel. Afwijken betekent sterven. Op dat punt is mijn heer genadeloos. Daarom houd ik ook van hem.   De bloedkoralen slang die om mijn pols gewikkeld zit, wordt wakker en slingert zich over de kille huid van mijn arm en tussen mijn donkergrijze kleding naar boven. Hij legt zich rond mijn hals als een exotisch sierraad en richt zijn kop op tot onder mijn linkeroor.   “Hoe ver nog?” “Tot de dageraad.” “Arandar is een grote stad.” “Ik zal het vinden.” “Het is slechts een kind.” “We delen hetzelfde bloed.” “De tijd haalt ons in.”   Dat wist ik. Het stond in gloeiende letters op het firmament geschreven. Nog even en dan zou de volle maan in het Zevende Huis van de Wachter staan. Het was nog slechts een kwestie van uren.   “Wat als hij niet in Arandar is? Wat als...” “Er is geen andere weg, Niminir. Als ik hem hier niet vind, dan betekent dat het einde.”   Nachtblauw verminkt zichzelf tot een bleek waas van karmozijnrood en turkoois, om dan in het absolute te worden weggedrongen door een achteloos verfrissende gouden zonsopgang. In het dal aan mijn voeten vlamt Arandar verblindend op in het eerste ochtendlicht. Ik adem oppervlakkig, om te vermijden dat mijn gevoelige neus bedwelmd wordt door de stank van duizenden op elkaar geprakte mensen en dieren, en volg het karrenspoor met zekere tred.   De man die de poort bewaakt wordt asgrauw als hij me opmerkt. Het doet me niets. Ik negeer de blik van diepgewortelde angst in zijn ogen en loop door. Hij houdt me niet tegen. Niemand had dat ooit aangedurfd. Niemand zou dat ooit doen.   Ik zoek me een weg tussen de witgekalkte huizen en laat mijn geest onderdompelen in het rumoer van de stad. Een storm van gedachten en emoties glijdt door me heen. Ik gebruik mezelf als filter om er die ene wezenlijke kern uit te halen waarnaar ik op zoek ben. Onzichtbaar voor het menselijk oog, verlaat de volle maan het zevende Huis. Niminir sist. Hij weet het. Het puntje van zijn staart trilt lichtjes en blijft dan rusten in de buurt van de kloppende ader in mijn hals. Zijn onrust haalt me uit mijn concentratie.   “Wat is er?” “Voel je iets?” “Nee en ja. Er is teveel. Arandar is te groot.” “Het kind moet ondertussen geboren zijn.” “Ja.” “Zijn moeder is bang.” “Ze is zijn moeder niet.” “Ik weet het. Het spijt me. Wat doen we nu?” “Niets.” “Niets?” “De stad wordt zich bewust van mijn aanwezigheid. We zullen wachten tot iemand zich realiseert waarom ik hier ben en dan zal het kind snel genoeg aan mij worden overhandigd.”   Ik steek het marktplein over. Mensen staren me na, springen voor me uit de weg of krimpen ineen als ik hen voorbij ga. De lucht gonst van murmelende gesprekken en aan elk van mijn voetstappen kleeft een nieuwe angst, een nieuwe nachtmerrie.   ‘...ongeluk over ons allen...’ ‘...moeder waart rond...’ ‘...de vloek van de Oudste...’ ‘...die ogen... net als die van het kind...’   Ik verstijf en draai me langzaam om. Mijn geest verstrengelt zich onwrikbaar met de opgevangen fluistering. Als een pijl volg ik de draad. De menigte mensen op het plein wijkt uiteen. Voor mij staat een man. Ik sla mijn ogen naar hem op. Hij wankelt lijkbleek achteruit.   “Waar is het kind?”   Zijn angst versteent hem, maar hij hoeft het antwoord niet meer hardop te geven. Ik pik het moeiteloos op uit de bovenlaag van zijn gedachten en draai mijn hoofd lichtjes naar links. Daar, verscholen in de massa, staat een vrouw. In haar armen houdt ze beschermend een bundeltje vast dat ze sussend heen en weer wiegt. Het duurt slechts een enkele seconde voor de vrouw beseft dat ieders ogen op haar gericht zijn. Ze kijkt op. Begrip flitst over haar gelaat, meteen gevolgd door afgrijzen en een golf van paniek. Ze krijst als men haar het kind uit de armen rukt. Met haar nagels trekt ze bloedige voren in de huid van haar gelaat.   “Niminir.”   Een enkel woord. Ongezien glipt de slang weg. Het gillen stopt abrupt. Ik haat schreeuwende mensen. Het doet pijn aan mijn oren. Het kind in mijn armen is opmerkelijk stil. Ik sla het dekentje open en bestudeer de jongen langdurig. Zijn witte huid steekt schril af tegen zijn donkere haren. Voor het eerst twijfel ik. Geen witte haren. Zwarte. Plots beweegt het kind. Het geeuwt en opent zijn ogen.   Spiegels van geronnen bloed.   Hij lacht kirrend en ik lach ook. Alles is goed. Ik til de jongen op en laat hem naar de mensen op het plein kijken. Zijn bloedrode ogen nemen het beeld geïnteresseerd in zich op. Ik weet dat hij het zal onthouden en op een dag zal hij terugkeren om te nemen wat hem rechtmatig toekomt. Bloed en leven.   “Heil, Heer van de Dood.”   De menigte beweegt in een enkele golf. Knielend in het stof herhaalt het volk van Arandar mijn woorden. Ze zijn gebonden. Elke man en vrouw in deze stad is vanaf nu niets anders dan een levend offer aan een bloedeisende god. Ze weten het. Ik proef hun angst, hun wanhoop en ik geniet.   Temidden van de biddende massa, ligt de vrouw die het kind gedragen heeft verstijfd op de grond. Haar geest gilt in blinde paniek. Niminir sist voldaan. Hij heeft zich in het kuiltje van haar hals genesteld en kijkt verwachtingsvol in mijn richting. Ik baan me voorzichtig een weg tussen de mensen door, hurk neer bij de vrouw en strek mijn hand naar de slang uit.   “Je hebt het goed gedaan, Niminir. Kom maar weer bij me.”   Mijn bloedkoralen vriend glijdt meteen naar me toe en wikkelt zich rond mijn pols. Hij spint als een jong katje. Vanuit mijn ooghoeken zie ik hoe een rilling door het verkrampte lichaam van de vrouw gaat. Ik streel teder haar haren en buig me over haar heen. Ze rilt opnieuw.   “Je hoeft niet bang te zijn, liefje. Ik heb je nog nodig. Wie kan deze boreling anders voeden dan zijn bloedeigen moeder?”   Met mijn nagel kerf ik het symbool van angst diep in haar linkerwang. Een snik ontsnapt aan de lippen van de vrouw, maar met een tik maan ik haar tot stilte. Ze zwijgt abrupt. Haar kaaklijn verstrakt en ik begrijp dat ze uit alle macht op haar tanden bijt. Dat verbaast me enigszins. Ik ben zo gewoon dat ze beginnen gillen. Mensen zijn soms onbegrijpelijk. Ik bijt in mijn linkerwijsvinger tot het bloed opwelt uit de gescheurde huid en zegen het merkteken met mijn lichaamsvocht. Nu is ze van mij. Ik glimlach haar vriendelijk toe en geef haar een klopje op de schouder.   “Sta op.”   De vrouw knippert met haar ogen en staart me aan. Ik sta recht, steek mijn hand naar haar uit en herhaal mijn bevel. Zonder glimlach deze keer. Ik hou niet van herhalen.   Zo verkrampt van angst is de vrouw, dat ze zelfs niet gemerkt heeft dat de verlamming haar lichaam ondertussen verliet. Haastig krabbelt ze overeind. Ik knik goedkeurend en overhandig haar het kind.   “Je draagt hem en voedt hem. Dat is je taak. Heb je dat begrepen?”   Opnieuw knikt de vrouw. Even vraag ik me af of ze wel spreken kán, maar ik sta er niet lang bij stil. Ze is niet belangrijk.   Het gemurmel van de mensenmassa rondom ons heeft een zangerige ondertoon gekregen. Ik neem enkele seconden de tijd om te luisteren naar hun smekende litanie. Honderden stemmen vermenigvuldigen zich in mijn hoofd tot een golvende canon van angst, berusting en wanhoop. Het laat een zoetige smaak na in mijn mond, als jong, onschuldig bloed. Ik krijg er honger van en dat verwondert me, want ik dacht dat ik die lichamelijke behoefte al lang achter me had gelaten.   Aan mijn voeten zit een jong meisje met blonde krullen en hemelsblauwe ogen. Ze heeft kuiltjes in haar wangen als ze lacht. Nu lacht ze niet. Ik ken de kleur van haar ogen, omdat ze me een snelle, nieuwsgierige blik heeft toegeworpen. Haar spichtige lichaam vertelt me dat ze haar eerste maandbloed nog niet heeft gehad. Op die leeftijd zijn ze nog heel onwetend. Onbezoedeld. Ik lik mijn lippen. Met een schop trek ik haar aandacht.   “Hoe heet je?” Ze slikt en fluistert hees. “Savannah.” “Kom overeind en geef me je hand.”   Mijn bevel wordt traag opgevolgd. Het meisje kijkt smekend naar haar ouders, maar die houden hun blikken op de grond gericht en herhalen toonloos hun gebed. Onwillig biedt het meisje me haar hand aan. Haar onderlip trilt.   “Zeg me na,” beveel ik haar. “Bloed voor de Moeder. Eer aan Arandar.”   Ze geeft een gilletje als ik mijn tanden in het zachte vlees van haar handpalm zet, maar wringt de woorden toch nog uit haar keel. Ze is dapper, dit meisje. Kansloos en onbeduidend, maar wel dapper. In een opwelling besluit ik om haar te laten leven. Mijn blik kruist de hare. Ik weet wat ze denkt en besef dan dat het geen zin heeft om haar hoop te geven. Er is voor deze mensen geen hoop meer.   Ik kijk Savannah aan terwijl ik met iedere hartenklop voel hoe het leven wegsijpelt uit het kleine lichaam. Als haar levensbloed tenslotte verstild en haar laatste gedachte in een geluidloze schreeuw vervaagt, laat ik het tengere lichaam vallen. Het is niets meer dan een bleek omhulsel waaruit de laatste warmte al verdwijnt. Morgen is het een voedingsbodem voor de maden. Vaarwel, Savannah.   Samen met de vrouw en het kind verlaat ik Arandar in het spoor van de dood. Ik markeer de weg met bloed, opdat het roestbruine pad als een rode loper zal klaarliggen voor mijn toekomstige jonge heer. Met ieder slachtoffer klinken de gezangen in de stad feller en wanhopiger. Ze hongeren naar bloed, deze offers. Ze zouden zichzelf de keel oversnijden als ik het hun vroeg. Misschien, op een dag. Vandaag neem ik ze liever zelf. Mijn honger leidt me.   Honger vormt de leidraad op de weg naar mijn heer. De eerste keer dat het kind schreeuwt om voedsel, trekt er een rilling door mijn ruggengraat. De ijselijke kreet dringt als een ijspriem tot diep in mijn geest en doet er een onverwacht verlangen ontwaken om de pasgeborene te voeden. Voor het eerst dringt het tot me door. Dit is mijn kind. Mijn!   Met een jaloerse blik kijk ik toe hoe de vrouw stilhoudt langs de kant van de weg. Teder haalt ze haar borst tevoorschijn om deze aan de hongerige mond van het kleine ding aan te bieden. Het steekt. Mijn!   “Nee.”   Het woord ontglipt me. De vrouw kijkt me vol onbegrip aan.   “Hij heeft melk nodig, geëerde,” zegt ze eerbiedig.   Ze spreekt dus inderdaad. Ik registreer dat feit in een miniem deel van mijn hersenen, maar sla er verder geen acht op. In twee stappen ben ik bij de vrouw en kniel bij haar neer, zodat ik haar recht in de ogen kan kijken. Daar was geen angst meer in te lezen. Slechts ergernis en een stil, maar koppig verzet. Kijk, kijk, kijk... Toonloos leg ik het haar uit. Ik wend mijn blik geen seconde van haar af. Ik wil dat ze het begrijpt. Niet alleen in gedachten, maar ook in hart en ziel.   “Melk alleen voldoet niet. Hij moet gevoed worden met levenskracht.”   Ik neem haar tepel tussen mijn duim en middenvinger, en pers mijn nagels diep in het tere vlees. Ze jankt. Hijgt. Gilt. Glimlachend lik ik het bloed van mijn vingers.   “Zo. Nu mag hij drinken.”   Hoewel ik het ritueel dagelijks verschillende keren herhaal, breekt het koppige verzet van de vrouw pas na enkele weken. Huilend van de pijn geeft ze zich tenslotte over aan mijn wil en ik voel hoe haar gebarsten geest zich wikkelt in een deken van zelfmedelijden en wanhoop. Het is een reactie uit zelfbehoud. Het ergert me. Haar primitieve schild zorgt ervoor dat al mijn pogingen om tot haar door te dringen mislukken. Hoe ik ook pook en peuter in haar emotionele barrière, ze houdt vol en volgt apathisch mijn voetsporen.   Ik ben geduldig. Dat zit in mijn aard. Tijd gaat voorbij. Het heeft geen vat op mij, maar ik zie hoe het grip gekregen heeft op mijn zoon. Hij is nu zes maanden oud. Het lichaam van de vrouw die hem baarde, herinnert me aan dat van de dode Savannah. Leeg. Ik weet echter dat onder die dikke lagen van gelatenheid nog ergens een harde kern verscholen zit. Ik besluit dat het tijd wordt om die aan de oppervlakte te brengen.   Die avond zoeken we een kleine grot op. Ik beveel de vrouw te gaan zitten en vertel haar koud hoe de zaken ervoor staan.   “Het wordt tijd dat hij vast voedsel krijgt.”   Er komt niet onmiddellijk een reactie. Mijn opmerking sijpelt slechts langzaam tot haar door. Ik wacht rustig af en merk plots op dat ze het kind beschermend wat dichter tegen zich aan klemt. Haar lege blik verdwijnt en ze kijkt schichtig rond terwijl haar lippen vragend mijn woorden herhalen.   “Vast voedsel?”   Ik zwijg en kijk haar lang aan. Dan lijkt ze het plots te beseffen. In een flits zie ik hoe de onrust in haar gelaat verandert in pure paniek. Ze schudt heftig het hoofd.   “Nee, alstublieft! Nee!” “Hij heeft honger.” “Niet ik! Niet zo!”   Ik grijp haar kin tussen twee vingers en kijk haar onderzoekend aan. Ze trilt over haar hele lichaam. Haar angst zorgt voor vlinders in mijn buik. Een verlangen naar bloed en dood dringt zich aan me op. Ik onderdruk het. Ze is niet voor mij. Traag laat ik mijn tong over mijn lippen glijden.   “Hij heeft nog maar weinig vlees nodig. Ik geef je de keuze. Wat geef je op?” “Nee, alstublieft, niet... Ik wil niet...” “Kies.” “Ik... Nee... Alstublieft...” “KIES!”   Ik win altijd. Er is niets zo mooi als een kleine baby die op de vingers van zijn moeder sabbelt. Ik hou van mijn zoon.   Stukje bij beetje verliezen we de vrouw onderweg. Ze vecht elke keer. Ik geniet er telkens opnieuw van. Ik laat haar pas sterven wanneer de laatste dag van onze reis is aangebroken. Op de drempel van het huis van mijn heer, eten mijn zoon en ik haar hart op. Hij kirt. Er zit een rode veeg op zijn neus. Ik veeg het bloed weg en lik het van mijn vingers. Dan til ik mijn zoon op en loop ons huis in. Het wordt tijd om hem aan zijn vader voor te stellen.   Zijn vuur sluimert blauw en wikkelt zich slaperig om mijn enkels. Ik kniel in hem neer en plaats het kind op mijn schoot.   “Mijn heer, ik ben teruggekomen.” “Liefste?” “Ja.” “Ik heb je gemist.” “Ik u ook.” “Het kind?” “Uw kind. Ons kind.”   Een vlam strengelt zich verkennend om mijn lichaam en reikt tastend naar de baby. Mijn zoon volgt het bewegende licht gefascineerd en strekt zijn handje ernaar uit. Een gil splijt de serene stilte in het huis. Geschrokken sta ik recht en hou het kind tegen me aan.   “Wat doet u?” “Niets.” “Hij heeft zich gebrand!” “Ja, want dit is niet mijn kind.” “Wat?” “Mijn kind zou zich niet aan me branden.” “Het is mijn zoon! Hij heeft mijn ogen!” “Nee. Je hebt je vergist.” “Ik geloof u niet.” “Ik lieg niet.” “Hij bezit ons bloed!” “Jouw bloed, niet het mijne.” “Onmogelijk.” “Het is zo.” “Wat nu?” “Offer het.” “Nee.” “Offer het!”   Zijn stem galmt door de ruimte. Als vanzelf ga ik door de knieën. Mijn hele wezen siddert. Ik wil niets liever dan die stem gehoorzamen. Ik hou van hem. Zo is het altijd geweest. Zo zou het voor altijd kunnen zijn.   Het kind in mijn armen beweegt rusteloos. Ik kijk de jongen aan. Hij kijkt terug. Hoe kan ik hem offeren? Hij heeft dezelfde ogen als ik. Rood als het bloed dat we samen delen. Dit is mijn kind.   “Mijn heer, ik hou van u,” fluister ik.   Dan sta ik vastberaden op, draai me om en ren het huis uit.   “NEE!”   Achter mij verzwelgen zijn vlammen ons huis. De hitte blakert de aarde onder mijn voeten. De hemel kleurt donkerpaars.   “Kom terug!”   Roept Hij. Gilt Hij. Smeekt Hij. Dreigt Hij.   Ik vlucht.   Rots verkruimelt onder mijn voeten. Water verdampt wanneer ik rivieren kruis. Gras verkoolt waar ik voorbij ren. Nergens ben ik veilig. Nergens. Zijn vlammen achtervolgen me. Bliksemschichten doorklieven de hemel en schroeien mijn pad. Hij is bereid om de hele wereld te verteren, alleen maar om mij te straffen. Ik hou van hem.   Zijn razernij duurt weken. Ik ren voort. Zonder slaap, zonder eten. Ik heb het niet nodig. Iedere prooi die Niminir voor me vangt, geef ik aan de kleine jongen in mijn armen. Mijn zoon geeft geen kik, maar neemt gulzig aan wat ik hem schenk. Mijn liefde voor hem groeit iedere dag.   Een heldere hemel bij een gouden dageraad brengt eindelijk rust. Het lijkt alsof de woede van mijn heer eindelijk bedaard is. Ik weet echter dat hij mij niet zal vergeten. Hij vergeet niets en zal uiteindelijk zijn wraak wel krijgen. Ik kan alleen hopen dat ik de tijd krijg om te genieten van het leven waar ik voor gekozen heb.   Ik reis weer naar Arandar en vestig me in een grot op de heuvel buiten de stad. Zo heb ik alles binnen handbereik, zonder dat ik erdoor wordt lastig gevallen. Er breekt een rode bladzijde aan in de geschiedenis van de stad.   De opvoeding van mijn zoon vergt vele mensenlevens. Ik lach bij de eerste stapjes die hij zet. Rode voetjes die gedrukt staan in het zand. Ik gloei van trots als hij mijn naam in bloed op de wand van de rots schrijft. En vol ongeduld wacht ik tot hij thuiskomt met zijn eerste eigen prooi. Het is een meisje. Met wit haar.   Mijn hart slaat een slag over.   “Waar heb je haar vandaan?”   Zijn blik zegt voldoende. Uit Arandar. Waar anders? Ik dwing haar mij aan te kijken en haar donkere ogen nemen me zonder angst op. Geschokt laat ik haar los, maar haar blik dwaalt niet af.   “Wie ben je? Hoe heet je?” “Ik heb nooit een naam gekregen. De mensen zijn bang van me.” “Bang? Waarom?” “Mijn huid kan niet branden.”   Ik hou mijn adem in.   “Mag ik haar nu doden, moeder?”   Ik staar mijn zoon in afgrijzen aan. Ziet hij het dan niet?   “Nee,” zeg ik scherp, “ze is je zuster.”   Ze nemen elkaar onderzoekend op. Zo, naast elkaar, zie ik hen als één. Twee helften van een appel. Twee complementaire deeltjes. Mijn kinderen. Zijn kinderen.   “Mijn vader vertelde me hoe hij en moeder onderweg waren naar de Magor voor onze naamgeving, toen de Bloedmoeder kwam en je meenam. Hij beschermde me en verdween in de menigte voor we konden opgemerkt worden.” “Hij was je vader niet. De man verdient te sterven. Jij had hier moeten zijn. Aan mijn zijde. Jij hoort bij ons.” “Dat weet ik. Ik verspilde zijn bloed vele jaren geleden al om die reden.”   Mijn hart zwelt van vreugde. Niminir worstelt zich omhoog naar zijn plaats om mijn hals. Zijn huid is geschilferd en heeft de kleur van oud bloed gekregen.   “Je taak is volbracht.” “Ja, Niminir.” “Het is tijd voor de hereniging.” “Daar heb ik bloed voor nodig.” “Het zou mij een eer zijn, Bloedmoeder.”   Het doet me verdriet, maar ik neem zijn offer aan. Mijn vriend. Met mijn nagels rijt ik zijn levende huid open en druppel zijn bloed en mijn tranen in een cirkel op de grond, terwijl ik de geheime namen van mijn heer fluister. Bij de laatste druppel kleurt de aarde zwart en withete vlammen laaien op. Ik werp mezelf in het stof en mijn kinderen volgen mijn voorbeeld.   “Mijn heer.” “Je waagt het om mij te roepen?” “Ik heb een geschenk voor u.” “Mijn offer?” “Ja.”   Ik wenk mijn weergevonden dochter en beveel haar de cirkel te betreden. Zonder een spoortje angst loopt ze het vuur in. Mijn heer kronkelt om haar heen en ze hapt naar adem.   “Vader,” kreunt ze. “Mijn dochter...”   Ik glimlach voldaan. Dit is zoals het zijn moest.   “Ik hoop dat u tevreden bent, mijn heer?” “Je hebt ons kind eindelijk gevonden.” “Nee, niet ons kind. Uw kind. Zij deelt mijn bloed niet.”   Het vuur bevriest.   “Hoe is dit mogelijk?” “In de geest zijn wij steeds één en ondeelbaar geweest, mijn Heer, maar hoe kan een menselijk lichaam zoveel liefde bevatten? Er werden twee kinderen geboren. Samen zijn zij één.”   Een vlam wiegt zacht mediterend heen en weer.   “Ja,” zegt hij, “ik zie het nu. Er was geen andere mogelijkheid. Ze horen samen.” “En samen zullen ze de wereld regeren,” vul ik hem aan. “Tot de wereld ouder is en gevuld met mensen. Dan zullen zij een kind scheppen en dat kind zal geboren worden uit een onschuldige vrouw en hij zal al onze liefde in zich dragen. Hij zal de verkondiger zijn van een nieuwe tijd en hij zal de wereld regeren.”   Even deel ik zijn toekomstbeeld en iedere vezel in mijn lichaam beeft bij het aanschouwen ervan. Wij hadden het zaad geplant voor een grootse toekomst.   “Mijn kinderen, ik zend jullie de wereld in. Toon de mensen de juiste weg. De weg van het Bloed.”   Ik kijk toe ze samen de grot verlaten. Hand in hand. Zwarte en witte haren in elkaar verstrengeld. Mijn taak is volbracht.   “Mijn heer?” “Schone dame?” “Ik verlang naar je.” “Kom dan bij me.”   Zijn hitte schroeit mijn huid en ik laat me erin verdrinken. Zijn vuur vult mijn hele wezen en ik wens dat hij me verteert, dat hij me tot as herleidt en me weer opbouwt. Ik hou van hem.   “Mijn lief, ben je bang?” “Nooit, mijn heer.” “Goed, want ik heb nog een appeltje met je te schillen...”

Fiona
9 0

Camera Obscura

Het was de laatste dag van het begin van de rest van mijn leven. Ik ontwaakte met het eentonige lawaai van de wekkerradio. Een vermoeid gebaar bracht het onding tot zwijgen. Naast me draaide Eva zich in haar slaap mompelend naar me toe. Ik legde mijn hand op haar zwangere buik en fluisterde liefkozend in haar oor. “Tot straks.” Ze opende haar mooie, grote ogen. Plotseling wakker. “Blijf nog even,” smeekte ze me. Ik schudde mijn hoofd. Niet nu. Niet vandaag. We kusten elkaar en haar ogen volgden me terwijl ik me overeind hees, mijn pantoffels aantrok en naar de badkamer slofte. Het was een grauwe dag. Alsof de zon niet besluiten kon wat ze precies van plan was. Net als mijn baard. Die twijfelde ook nog steeds tussen de stadia ‘sexy’ en ‘ruig’. Het resultaat was eerder vuil. Grauw. Het peertje boven de wasbak flikkerde. Ik hield mijn adem in. Dit was niet het moment om zonder licht te vallen. Geen licht betekende géén scheerbeurt en dat zou vast niet zo’n bijzonder goede indruk maken op m’n eerste werkdag. Van zodra ik aan werken dacht trok ik een vies gezicht naar mezelf. Ik kon honderdduizend andere dingen verzinnen om mijn dag mee te vullen, maar ik had geen keuze. Met tegenzin schoor ik gisteren weg. En eergisteren. En de dag daarvoor. Ik weigerde om mijn nieuwe ik te bekijken en ging meteen over naar de volgende fase in het toekomstige ochtendritueel. Ik glipte in mijn kleren, het kostuum, de nieuwe schoenen, de das. Het voelde onwennig aan. “Je ziet er goed uit,” merkte Eva op vanuit de deuropening. Althans in mijn verbeelding had ik dat graag gewild. De werkelijkheid was anders. De echte Eva sliep. “Ik ga niet,” mompelde ik stuurs. “Ik wil niet.” Eva-in-gedachte fronste de wenkbrauwen. “We hebben dit besproken, Thomas. Jij ging stoppen met je foto’s en fulltime werken. Ik zou thuisblijven en voor ons kindje zorgen. Dat hebben we afgesproken. Je was ermee akkoord!” Ik concentreerde me op mijn schoenveters. Eva vervaagde en met haar verdween een stukje van mezelf. Ze had gelijk. Ze had altijd gelijk. God, wat was een baby duur.   Terwijl ik naar beneden liep, kwam ik voorbij de donkere kamer die spoedig zou verbouwd worden tot kinderkamer. Ik kon het niet laten om er nog even naar binnen te gaan. Tegen de muur naast de deur stonden mijn laatste creaties. Netjes ingelijst en klaar om op te hangen, als Eva besloot waar ze ze wilde hebben. Ik liet er mijn vingers overheen dwalen. Nam afscheid. Op de tafel naast de bus ontwikkelingsvloeistof lag een digitale camera. Een handig ding dat ik voor Eva gekocht had. Soms gebruikte ik het als ik op zoek ging naar nieuwe beelden. Het was snel, goedkoop en goed genoeg voor foto’s tussendoor. Als vanzelf liet ik het in mijn zak glijden. Ik sloot er mijn hand omheen terwijl ik het licht uitknipte en de deur achter me sloot. Het verhinderde dat mijn hart brak.   Ik wierp een blik op mijn horloge en vloekte. Tijdens mijn spurtje naar de voordeur wist ik nog net mijn aktetas en regenjas te grijpen voor ik me de ochtendspits in wierp.   Ik kwam te laat. Met een verdoofde blik zag ik de pendeltrein naar Brussel van 08.02u voor m’n neus wegrijden. Ik liet me moedeloos op een bankje zakken. De volgende trein kwam pas over achttien minuten en dat betekende dat ik mijn aansluiting hopeloos zou missen. Ach, wat zou het. Die verzekeringsdossiers gingen vast niet lopen.   Een snelle beweging trok mijn aandacht. In de menigte liep een meisje. Ze had iets. Een uitstraling. Als een mespuntje zomerzon temidden van kale takken en verlepte bladeren. Voor mijn geestesoog leek ze zowaar te dansen over de kille tegels van het perron. De stationsmuziek was haar symfonie. De eentonige stem, die een vertraging meldde op spoor drie, was haar dirigent. Ze was een vlinder. Mijn hand haalde het fototoestel boven en in enkele klikken legde ik het moment vast.   Toen ik opkeek was ze weg. Nee! Daar ging ze! Nog net zag ik een glimp van haar verdwijnen op de roltrap. Mijn hart stond stil in afgrijzen. Dit kon niet. Ik moest haar weerzien! In een vlaag van verstandsverbijstering holde ik haar achterna. Op de roltrap worstelde ik me verexcuserend naar beneden. Mijn nimf zweefde verder en ik volgde haar, de stationshal door, naar buiten en in de richting van de tramhalte. Daar wachtten we en we stapten samen op. Terwijl de deuren achter me sloten, besefte ik dat mijn aktetas nog steeds bij het bankje op het perron stond. Verdorie. Dat was ik kwijt. Tenzij... Ik kon nog afstappen. Waar was ik immers mee bezig? Waar was mijn zin voor verantwoordelijkheid? Dit hoorde toch niet! Ik moest onderweg zijn naar Brussel om daar achter een bureau te gaan zitten en geld te verdienen voor mijn gezin. Dat was het plan. Het hoorde zo. Stomme idioot. Wat bezielde je toch?   Ik bewoog me in de richting van de deur toen ze zich plots omdraaide. Onze blikken kruisten elkaar. Ze glimlachte. Opnieuw stond mijn hart stil. Weg waren mijn zorgen. Ze smolten in het licht van haar ogen. Ik glimlachte onwennig terug. Ze had bloemen bij zich, merkte ik op. Chrysanten. Ze keerde zich weer om en liep naar een vrijgekomen plaats. In één tel besloot ik dat ik niet zou afstappen. Dit intrigeerde me. Zij intrigeerde me.   Ze verliet de tram aan de halte van het kerkhof. Ik ging er daar eveneens uit. Ze leek niet te merken dat ik achter haar aan kwam. We liepen het kerkhof op. Ze volgde de paden zonder te aarzelen tot bij een eenvoudige steen. Mijn vlinder knielde neer en legde de bloemen bij de spiegelende letters. Heel even verduisterde de zomerzon. Mijn hand sloot zich om de camera. Ik trok foto’s. Wilde haar niet kwijt. Wilde dit moment vangen. Een kille wind woei tussen de grafstenen en trok aan mijn lange jas. Ik rilde. Plots voelde ik me een indringer. Ik week achteruit. Haastig liep ik naar de uitgang. Ik wilde weg. Dit was een vergissing. Ik zou de tram nemen en ergens een kop koffie gaan drinken. Even tot rust komen en wie weet zelfs nog een poging ondernemen om mijn eerste werkdag te beginnen.   De tram kwam. Ik stapte op, maar net toen de chauffeur wilde vertrekken verscheen zij ook. Dit was geen toeval meer. Het trof me als de bliksem. Dit was ons lot. Ik was géén indringer. Zij en ik. Vandaag hoorden we samen. Gebiologeerd legde ik haar vast op de microchip.   De rit voerde me naar het centrum van de stad. Daar stapten we uit. Op een afstand van enkele meters liep ze voor me. Ik kon haar parfum bijna ruiken. Ze ging een café in en zette zich neer aan het raam. Ik nam een barkruk in en bestelde koffie. Zelfs hier konden mijn vingers het niet laten om op de knop van de digitale camera te drukken. Ze was zo mooi in dit vale licht.   De dag vergleed in verwondering. Elke stap die zij deed was er één die ik ook zette. Ze voerde me naar plaatsen die ik allang vergeten was. Liet me herinneringen herontdekken. We aten samen ijs, luisterden naar de beiaard en kochten een sjaal. Ik besefte weer waarom ik naar deze stad verhuisd was. Waarom ik zo graag in het oude stadscentrum vertoefde. En bovenal waarom ik er nog niet aan toe was mijn passie los te laten.   De avond viel en ik begeleidde haar naar het station. Ze liep de trappen op en wandelde naar het perron. De trein stond reeds te wachten. Voor het instappen keerde ze zich naar me toe en wuifde. Verrast wuifde ik terug. De trein vertrok. Ik bleef leeg, maar gelukkig achter.   Thuis was Eva minder aangenaam gezelschap. Ze stond me boos op te wachten. “Je baas heeft gebeld,” zei ze bijtend. “Je was er niet.” “Het spijt me,” probeerde ik haar te sussen. “Ik was er nog niet klaar voor.” “Niet klaar voor? Niet klaar voor?!” schreeuwde ze. “Wat ga je dan zeggen als de baby er is? Dat je er niet klaar voor bent?” “Nee, nee, natuurlijk niet,” zei ik lamlendig. Mijn euforie verdween bij ieder woord dat Eva naar me toe slingerde. Ze had gelijk. Ze had altijd gelijk. “Ach, Thomas,” zuchtte ze. “Wat moet ik toch met je beginnen? Waar heb je trouwens de hele dag gezeten?” “Foto’s getrokken.” Eva wierp haar handen in de lucht. “Foto’s getrokken! Natuurlijk! Ik had het kunnen denken!” “Er was een meisje...” begon ik, maar besefte meteen dat dat fout was. Eva keek me scherp aan. Haar stem won een toonhoogte. “Een meisje?” “Het was niet zozeer het meisje. Het was wat ze deed.” Opnieuw fout. Zo fout. “Wat ze dééd?!” Als ze nog hoger ging, dan zouden haar stembanden breken. Daar was ik vast van overtuigd. “Laat me die foto’s zien,” eiste Eva. Ik gaf haar het digitale toestel. Haar vingers gleden over de toetsen. Er viel een stilte, slechts onderbroken door het gebliep van de camera die foto na foto mijn gestolen momenten onthulde.   Eva keek op. Haar blik was er één van onbegrip. “Dit zijn prachtige foto’s, Thomas. Je zou ze echt aan Jacob van de galerij moeten tonen. Zulke dingen vraagt hij al zolang van je. Dit krijgt hij verkocht. Maar, over welk meisje had je het eigenlijk? Ze staat niet op de foto’s.” Ongelovig staarde ik haar aan. Ik greep de camera en liet mijn foto’s in ijltempo voorbijflitsen op het kleine scherm. Koortsachtig zocht ik naar het meisje. Ze was er niet. Nergens. “Jij gek,” glimlachte Eva. “Wat gaat er toch allemaal in dat hoofd van je om. Ach, misschien moeten we Brussel toch maar vergeten. Verzekeringen zijn niets voor een warhoofd als jij. Bovendien zie ik je liever mét stoppels op je kin.” Eva kuste me en toen wist ik het. Mijn vlinder. Mijn zomerzon. Die was altijd al bij me geweest.

Fiona
0 0
Tip

Champagne voor het einde

De gele deuren klapten open en spuugden een brancard uit die in volle vaart de spoed op reed. Het slachtoffer was een oude vrouw die eerder op de avond door haar man levenloos op de grond gevonden was. Een verpleegkundige was haar koortsachtig aan het balloneren, terwijl de arts schrijlings over haar heen zat en reanimeerde. “Ik dacht dat je gezegd had dat ze stabiel was!” riep de cardioloog, een verwilderde jongeman met zwart haar. Hij droeg een kraaknette, stijfgestreken witte jas en zijn stethoscoop hing nog glimmend van de nieuwigheid om zijn nek. “Ja, vijf minuten geleden nog wel,” antwoordde de anesthesiste giftig, terwijl ze onafgebroken doorging met de ritmische bewegingen die haar patiënt in leven hielden. Er begonnen zich zweetplekken te vormen in haar groene uniform. “Was je van plan daar te blijven staan of ga je me nog een handje helpen?” Nog voor de cardioloog kon antwoorden, kwam een spoedverpleegkundige aangesneld die vakkundig de zaak overnam. “Traumakamer één is vrij,” wees hij. Waarop iedereen verdween achter nog een stel klapdeuren en er slechts een oud, verschrompeld mannetje achterbleef dat met zijn hoed in de handen wezenloos stond rond te draaien. “Bent u familie, meneer?” wenkte de secretaresse achter de ontvangstbalie hem vriendelijk. “’t Is mijn vrouw,” knikte het mannetje aangedaan. “Al vijfenzestig jaar en ik hou nog altijd zielsveel van haar! Ze wou zo graag nog een glas champagne voor dit eindejaar, maar toen ik terugkwam van de nachtwinkel bij ons op de hoek vond ik haar op de grond. Ik heb direct gebeld, maar ’t komt precies niet meer goed.” Hij zuchtte diep en keek verdrietig naar de deuren waarachter zijn vrouw verdwenen was. Daar had men ondertussen de LUCAS opgestart, een machine die de hartmassage overnam en daarbij een luguber geluid produceerde dat nog het meest leek op een combinatie van een stempelkussen en een wc-ontstopper. “Ze doen wat ze kunnen, meneer, daar ben ik zeker van. Hebt u mevrouw haar identiteitsbewijs bij u?” “Ik haar handtas in de gauwte nog meegenomen, maar ik weet niet waar ze dat steekt hoor.” “Laat me eens kijken...”   De vreemdeling stond tegen de muur van de wachtzaal, onzichtbaar voor iedereen in een vlek schaduw, en bekeek het tafereel vanop een afstandje. Zijn contouren waren nogal onduidelijk onder de lange, zwarte mantel die hij droeg, maar hij leek toch wel heel, heel erg mager te zijn. Misschien was ‘knokig’ wel het juiste woord. Hij speelde met een zandloper. Een eenvoudig stukje vakwerk van grenenhout dat ongeveer twintig centimeter hoog was en waarvan het fijne zand vrijwel volledig was leeggelopen in het onderste glas. De digitale klok tegenover hem kroop naar middernacht. Zijn vingers tikten op het glas in het ritme van het hartmassagetoestel en hij floot zachtjes iets dat klonk als ‘Auld Long Syne’.   Er kwamen nog meer dokters aangesneld. Een arts van intensieve zorgen nam het roer over en dook de traumakamer in met een andere anesthesist en twee stagiairs in het kielzog. Een koppel verpleegkundigen kwam aangereden met het mobiele röntgenapparaat. “Marianneke,” vroeg de oudste van de twee, “heb jij een nummertje voor ons? Anders kunnen wij geen foto’s maken hoor.” De secretaresse legde de laatste hand aan het dossier en plofte het op de balie. “Hier staat alles op wat je nodig hebt, Lieve, en kan je het ineens meenemen?” “Tuurlijk, schatje.” Het gevaarte reed de artsen achterna, waarna een plotse leegloop van de kamer volgde. De dokters stonden met elkaar de situatie te overleggen, terwijl de verpleegkundigen van het moment gebruik maakten om bloednames op te sturen naar het labo en medicatie bij te halen. “Wat gebeurt er?” vroeg het mannetje. “Ze maken röntgenfoto’s, meneer, vandaar dat iedereen eventjes hier staat. De straling, begrijpt u?” Hij knikte en Marianne wenkte een stagiair die even niets om handen leek te hebben. “Kan jij meneer eventjes naar de wachtzaal brengen?” “Natuurlijk,” antwoordde het meisje en ze leidde het oude mannetje weg van de balie. De secretaresse haalde diep adem. Nog eventjes en het nieuwe jaar begon, maar het zag er niet naar uit dat er veel te vieren ging zijn.   De man telde de laatste zandkorrels af. “Tien, negen, acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee, één,...”   In de traumakamer zweeg de LUCAS. “Bon,” besloot de arts van intensieve zorgen, “tijdstip van overlijden: één minuut voor twaalf.” Een schim van de oude dame maakte zich los van haar lichaam, bekeek zichzelf eventjes verbaasd en liep toen door de muur naar de donkere gestalte bij de wachtzaal. “Ben ik dood?” vroeg ze. Ze was al net zo verschrompeld als haar echtgenoot, maar heel wat kwieker nu ze alle fysieke belemmeringen achter zich had gelaten. “Daar lijkt het wel op.” Ze wierp een blik op de klok en tuitte haar lippen. “Was ik de laatste dit jaar?” “Was u liever de eerste geweest?” “Had dat wat uitgemaakt?” “Nee, in het geheel niet. De wereld draait gewoon door. Nieuwjaar of niet.” “Het is wel jammer. Ik had nog graag met mijn lieve, oude mannetje samen naar het vuurwerk gekeken. Hij was speciaal een fles champagne voor ons gaan halen.” De benige gestalte diepte een tweede zandloper op uit de duistere oorden van zijn mantel en knikte. “Als we even wachten, dan kan dat nog.”   Marianne wierp een terloopse blik op de wachtzaal en werd lijkbleek. Ze zag het mannetje ineen krimpen van de pijn, naar zijn hart grijpen en op de grond in elkaar zakken. “Verpleging!” gilde ze uit alle macht, maar ergens wist ze dat alle hulp te laat zou komen.

Fiona
17 0

De hand van Sachmet

Irit wachtte op de ochtend. Zodra Amons bark verscheen zou zij zich ritueel wassen in het heilige meer. Vandaag misschien de laatste keer. Zorgvuldig ontdeed ze zich van haar linnen kleed en legde het naast de treden van het bassin. Zodra ze de eerste stralen van de god zag, zei ze getrouw haar ochtendgebed. Ze sloot haar ogen. Moge Ma’at mij genadig zijn. Na vandaag is er geen weg terug. Ze liet niets van haar gedachten blijken. Stond dit zichzelf niet toe. Zwakheid is dodelijk, was haar leermeesters stelregel geweest. Irit had die woorden altijd in haar hart gedragen. Het waren ook haar laatste woorden geweest voor ze de oude priester doodde. Zijn lichaam lag nu ergens in de eeuwigheid van de woestijn.   Onverstoord liep ze het groene water van het meer in. Het waterpeil stond bijna op z’n hoogst in deze derde maand van Achet, het overstromingsseizoen. Het koele water zou haar gedachten zuiveren, zodat ze met een rein hart aan een nieuwe dag kon beginnen. Althans, dat was wat de jonge priesteressen werd aangeleerd. Hoe vaak Irit echter dit bad ook nam, ze voelde zich nooit volledig gezuiverd. Er is teveel gebeurd. Teveel doden. Langzaam klom ze terug op de oever. De zon droogde haar naakte huid al nog voor ze het zuiveringsgebed volledig had uitgesproken. Satwosret, die vandaag de hogepriesteres bediende, kwam naderbij en hielp Irit een nieuw gewaad en sandalen aan te trekken. Zwijgend liepen ze samen terug naar de tempel. In haar kamer liet Irit de rest van het ochtendritueel gedachteloos over zich heen gaan. Haar armen en schouders wreef Satwosret in met geurige oliën en haar ogen werden opgemaakt met zwarte kohl. De jonge priesteres hing vervolgens een brede gouden halskraag om Irits schouders, schoof een met lapis lazuli ingelegde armband om de pols van de hogepriesteres en bedekte het kale hoofd van de oude vrouw met een zware pruik. Irit nam haar zilveren spiegel en bekeek zichzelf aandachtig. De laatste keer. Tientallen vlechtjes, versierd met gouden kralen, omkransten haar doorgroefde gelaat. “Ik laat je mijn schoonheid bewonderen, in een gewaad van het fijnste koninklijke linnen, geparfumeerd met balsem, doordrenkt met welriekende olie,” declameerde Satwosret zachtjes. Irit glimlachte. “Ik vrees, Satwosret, dat bewondering het laatste is wat ik nog kan verwachten in de blik van een man.” Het meisje maakte een protesterend geluidje en kromp in elkaar toen Irit met een klap de spiegel neerlegde. “Ga kijken waar Meres blijft. Bij Isis, hoeveel tijd heeft dat mens nodig om haar ochtendrituelen te voltrekken?” “Vrouwe...?” piepte Satwosret. Dat “mens” waar Irit zo neerbuigend over sprak was de op één na hoogste in rang binnen de tempel. Zij had de taak om elke morgen in het Heilige der Heilige de godin opnieuw te wassen, te kleden en van offergaven te voorzien. De jonge priesteres wilde er nog niet aan denken om Meres te moeten storen!                                                                       “Laat maar. Dien het ontbijt op in de Vijgentuin. Ik ga zelf wel kijken.” De Hogepriesteres stak de zuilenhal door. Deze keer keek ze niet naar de hiërogliefen en de veelkleurige afbeeldingen die in de schaduwen langzaam zichtbaar werden door het ochtendgloren. Op de drempel naar de tweede zaal stopte ze. Waarom was ze zo kwaad? Hoe kon ze zich zo laten gaan? Irit ademde enkele malen diep in en uit en had net besloten om toch maar rustig in de Vijgentuin op Meres te gaan wachten, toen ze de priesteres plots zag staan. Ze stond aandachtig een inscriptie te bekijken en leek alles om zich heen vergeten te zijn. “Meres, er zijn tijden van studie en tijden van gebed en op dit uur is het tijd voor ontbijt! Wat doe je toch?” Kalm draaide de priesteres zich om. “Ik kom,” antwoordde ze, “het is alleen...” aarzelend keerde ze zich terug naar de tekens op de zuil. Met haar wijsvinger liep ze de contouren na van een oog. Irit was dichterbij gekomen en herkende de tekst. Dan zal een koning komen uit het Zuiden, Ameni, de rechtvaardige, is zijn naam, Zoon van een vrouw van Ta-Seti, kind van Opper-Egypte, Hij zal de witte kroon nemen, Hij zal de Twee Machten verenigen De rest stond op de achterkant van de zuil. Een voorspelling neergeschreven om de oppermacht van farao Amenemhet te rechtvaardigen. De woorden stonden er al bijna twintig jaar. “Waarom heb je me niet verteld dat hij je verwacht vandaag?” zei Meres plots. “Omdat de farao me vroeg het te verzwijgen. Hoe wist je het?” “Kleine dingetjes. De nieuwe armband om je pols, de kyphi die ik voor je moest halen en Satwosret die gisteren je pruik klaarmaakte. Bovendien draag je een tuniek van koningslinnen. Al die kostbaarheden kunnen maar voor één man zijn.” “En waarschijnlijk weet je ook wat ik voor hem moet doen?” vroeg Irit knarsetandend. Plotseling wist ze weer waarom deze vrouw haar zo ergerde. “Natuurlijk. De kyphi wijst erop dat hij je gevraagd heeft zijn dromen uit te leggen. Maar maak je geen zorgen. Ik kan mijn mond houden.” Irit kon Meres wel wurgen. Dat betweterige in haar! Die onschuldige grote ogen! Ze haatte het. Ze haatte haar! De hogepriesteres gromde bijna toen ze zich abrupt omdraaide en met lange passen naar de Vijgentuin liep. De ochtend vergleed in de eentonigheid van gebed en de ellenlange papyri die gelezen en getekend dienden te worden. Pas tegen noen kwam de koninklijke draagkoets, net op het moment dat die niet meer verwacht werd. Alleen de farao kon twaalf man op het heetste moment van de dag naar haar tempel in de woestijn sturen. Isis zij dank is deze koets overdekt, bedacht Irit terwijl ze op haar plaats onder de linnen luifel ging zitten. Op haar schoot zette ze een klein ebbenhouten kistje en zachtjes streelde ze het gouden inlegwerk, de zonneschijf en de uraeus-slang. Geen Isis meer, vanaf nu beheerst Sachmet mijn gedachten. Ze glimlachte en leunde achterover. De zes Nubische slaven tilden de koets op en wiegden haar in de richting van de hoofdstad. Na een uurtje hield de stoet halt. Eén van de twee hoogwaardigheidsbekleders haastte zich om Irit een verfrissing aan te bieden en zij nam dat dankbaar aan. Ze liet het lauwe water in haar keel glijden en bijna verlangde ze weer naar de koele muren van de Isis-tempel. Met een blik op het kistje bande ze die gedachte echter weer uit. Haar taak was duidelijk en de twee mannen die de uitvoering ervan konden belemmeren waren het land uit. Prins Sesostris joeg de Nubiërs na en Sinuhe, Vriend en Intendant van de Koning... De goden mochten weten welke schimmen Sinuhe najoeg. Ze wist dat ze slechts een klein radertje was in het geheel, maar ze wist eveneens dat ze een onmisbaar stuk was. Niet de kling, wel het heft. Pas laat in de namiddag kwamen ze uiteindelijk aan in Itj-Tawy, Zij die de Twee Landen vastgrijpt. Een toepasselijke naam voor de nieuwe hoofdstad die symbool stond voor de hereniging van Opper-en Neder-Egypte. Irit vroeg zich af hoe lang de stad nog zou blijven bestaan. De Amon-priesters van Thebe waren verbolgen over het idee van de farao om de hoofdstad naar deze kant van de Nijl te brengen. De Nijl... Ze kon de geur van het heilige water bijna proeven. Zo anders dan haar oase... De stad was zoals iedere andere stad. Groot, lawaaierig en vuil. Ze trok haar neus op en spoorde haar gevolg aan om zich te haasten. Pas toen ze de poorten van het paleis door was, voelde ze zich weer enigszins op haar gemak. De hoge muren van het gebouw gaven haar de beschutting die ze kende en sterkten haar in haar opdracht. Op de binnenhof werd Irit ontvangen door de Hofmeester, die haar meteen naar een kamer begeleidde waar ze zich kon opfrissen. De koning zou haar laten halen, verzekerde de man haar en liet Irit vervolgens alleen. Afwezig at ze wat van het koude vlees dat op de lage tafel in de kamer stond. Het ebbenhouten kistje stond naast de schotel. Het embleem van Sachmet leek haar toe te roepen en Irit herinnerde zich... ... hoe ze druipend van het water voor de hogepriester stond. Ze had de weg heen en terug afgelegd en de kelk van Sachmet meegenomen als bewijs daarvan. De priester keek koud naar het meisje. “Welk offer bied je de godin?” siste hij. Verward keek Irit de man aan. Was de kelk niet voldoende? “De godin eist een offer. Welk offer breng je haar?” herhaalde de priester. Er waren geruchten geweest onder de leerlingen, maar dat de godin dit écht zou eisen... Aarzelend reikte ze naar het mes op het altaar van Sachmet. Even keek ze naar de hogepriester, maar hij zou haar niet helpen. Dit was iets dat ze zelf moest doen. Ze liep naar het ondergrondse meer, knielde erin neer en legde haar hand plat op de roodgevlekte steen die haar al eerder was opgevallen. Het leek alsof ze nu pas wist wat moest doen. De hand van Sachmet leidde haar. Het mes hing een tel besluiteloos in de lucht. Toen viel het blad en vers bloed bevlekte de steen. Irit stak haar hand in het water en beet op haar onderlip. Tienduizend naalden gloeiden door haar heen. Vastberaden wist ze zichzelf zover te krijgen op te staan en het afgesneden kootje van haar pink op het altaar te leggen. “Welkom, dochter,” sprak de hogepriester, “onder welke naam treed je toe tot de godin?” “Iren-it-neter,” antwoordde ze en hoewel de oude man bedenkelijk fronste, sprak hij toch de welkomstwoorden uit. De priester was haar eerste dode geweest. Het pad van Sachmet had haar door heel Egypte geleidt. Soms moordend in het voordeel van de farao, soms in zijn nadeel. Maar de godin was haar altijd gunstig gezind geweest. Op haar oude dag was ze toegetreden tot de Isis-tempel en had daar genoten van de tijdelijke vrijheid binnen de tempelmuren, wachtend op de roep van Sachmet. Irit waste haar polsen en depte voorzichtig haar gelaat. Met een vinger streek ze nog eens over het kistje. Ze was klaar. De deur ging open en een oudere, doch stevig gespierde man kwam schielijk naar binnen. Ze had hem slechts eenmaal eerder gezien en toen in vol ornaat, maar zijn gezicht stond net zo stevig in haar geheugen gegrift als haar eigen naam. Irit knielde op de tegels en drukte haar voorhoofd tegen de vloer. “Sta op!” zei Amenemhet bars. “Doe wat je moet doen en doe het vlug.” Kalm stond Irit recht en opende het ebbenhouten kistje. Ze negeerde het zakje kyphi en nam het ivoren doosje dat ernaast lag. Ze zette het op de tafel en deed een stap achteruit. Niemand waagde het de farao aan te raken en zij zeker niet. Niet nu. Haar hand trilde als die van een oude vrouw. Hij kwam dichterbij en ze drukte haar rug tegen de muur. Het hoofd gebogen. Ze hoorde hem het kistje openen. Het was gevuld met geelachtige bolletjes. Het had Irit veel tijd gekost om de kleur goed te krijgen. “Hoeveel en wanneer?” vroeg hij kortaf. “Neem er twee, majesteit, en wacht tot Amon op zijn reis naar het Westen vertrokken is.” Zou hij de trilling in haar stem aan haar ouderdom toeschrijven? Blijf kalm. Als hij nu iets vermoedt... Achteloos schonk de farao zich een beker water in en slikte de pillen door. Vervolgens keek hij Irit aan. “Je gezicht komt me bekend voor,” zei hij. Inwendig kromp de priesteres ineen. “Ik heb uwe majesteit een keer gezien op... een feest.” “Stuur haar weg! Stuur haar desnoods de woestijn in, maar doodt hem!” had hij bevolen en ze hadden haar vastgegrepen en de zaal uitgesleurd. Ze had gegild en de naam van haar broer uitgeschreeuwd. Ze had alle vervloekingen die ze kende naar het hoofd van de farao gegooid en gevochten als een leeuwin. Maar niets kon Amenemhet ervan weerhouden om de vloer in de troonzaal rood te kleuren met het bloed van haar broer. Ze had gehuild tot ze geen tranen meer over had en gezworen dat de farao hiervoor op een dag zou boeten. “Ik ben je dankbaar Irit. De tempel zal hiervoor een ruime offergave ontvangen.” Hij glimlachte bitter. “Zolang de Sterke Stier zijn zaad kan planten, zal het land van Kemi vruchtbaar zijn.” Ze boog voor hem terwijl hij de kamer uitliep. Net voor hij de deur opende draaide hij zich weer naar haar toe. “Misschien dat ik je straks laat roepen. Dan kun je alsnog de kyphi voor me branden. Geniet ondertussen van de tuinen.” Zodra hij weg was zakte ze op de grond. Haar hart vocht in haar borstkas als een gevangen gazelle. Haar taak was volbracht. Ze moest nu vertrekken. Langzaam stond ze op en liep de kamer uit. Het kistje, de kyphi en het ivoren doosje liet ze achter. Wat er nu ook gebeurde, het was te laat. Niemand hield haar tegen toen ze het paleis verliet. Toen de avond viel klopte ze aan bij een tempel net buiten de stad. Boven de deur hing de zonneschijf en de uraeus-slang. Een kaalgeschoren priester opende de deur. Hij droeg slechts een lendendoek en stonk naar goedkoop bier. Irit zei er niets van. Ze had deze plek te hard nodig. Ze toonde de man het handsymbool en zonder verdere vragen liet hij haar binnen en ging haar voor naar een kleine kamer. Daar, in het midden van het door olielampen verlichte vertrek zat een oude vrouw geknield op een kussen. Ze hield haar ogen gesloten en bewoog zich niet toen Irit zich voor haar neerzette in dezelfde houding. Minuten zonder beweging of geluid gingen voorbij. Tenslotte opende de oude priesteres haar ogen. “Welke dochter komt er tot de godin?” “Mijn naam is Iren-it-neter. Mijn opdracht is volbracht.” De vrouw knikte en herhaalde zachtjes Irits geheime naam. “Iren-it-neter, Verwekt door de Godsvader. Het laatste levende goddelijke bloed in het land van Kemi. Het is passend dat juist jij deze opdracht kreeg.” “Mijn broer is gewroken. Zijn ziel kent nu rust. Ik wens het pad van de godin te verlaten.” Het gelaat van de oude vrouw verstrakte. “Het pad van Sachmet eindigt slechts in de dood, dochter. Dat weet je!’ “Dan heb ik een verzoek...” Irit luisterde naar het gehuil van de klaagvrouwen dat wegkwijnde in de verte. Toen was het stil. Ze schoof de kist opzij en klopte haar lichtblauwe rouwgewaad af. Ze had het laten plooien volgens de laatste mode en ook haar pruik was met de grootste precisie gemaakt. De tempel van Sachmet had op geen goudstuk gekeken om aan haar verzoek te voldoen. Haar borstsieraad, haar armbanden, zelfs haar sandalen waren van puur goud. Passend. Een priester had in het zijvertrek een brandende olielamp achtergelaten. Hij had waarschijnlijk zelfs niet geweten waarom. Eerbied aan Sachmet en haar geheimen! Irit nam de lamp en liep door de graftombe. Een blik op de sluitsteen bevestigde wat ze had gehoord. De eeuwigheid had haar ingesloten. Haar hart klopte in een rustig tempo. Ze had zeventig dagen de tijd gehad om zich voor te bereiden. Het was alsof de vrede van Ma’at haar nu al beroerde. Ze glimlachte en liet haar hand lichtjes rusten op de vergulde houten sarcofaag die in het midden van de kamer stond. Alles was precies gegaan zoals gepland. De farao had zijn harem bezocht en zich daar een uur lang vermaakt. Na de maaltijd was hij naar zijn kamer gegaan. Haar kruiden hadden hem schijnbaar slaperig gemaakt, maar ongemerkt verlamden ze hem beetje bij beetje. Hij had het kunnen overleven. Zelfs op zijn leeftijd was hij nog een sterke man. Niet de kling, slechts het heft. Zijn eigen lijfwacht was de koninklijke slaapkamer binnengevallen en had een einde gemaakt aan het leven van farao Amenemhet. De schuld werd gelegd bij een aantal vrouwen uit de harem en enkele hovelingen. Ze werden onthoofd en in de woestijn begraven. “Jij ouwe dwaas,” zei Irit. Haar stem klonk hard in de eenzaamheid van de tombe. “Je eigen zoon heeft je verraden, wist je dat? Het was zijn opdracht. Prins Sesostris was het moe om mede-regent te zijn. Hij wou méér. Zijn enige probleem was mensen te vinden die een farao wilden doden. En het grappige is dat niemand dat in feite gedaan heeft. De wonden die je werden toegebracht waren geen van allen dodelijk en mijn gif was dat ook niet. De combinatie echter gaf...zekerheid.” Ze zweeg. Waarom stond ze hier tegen hem te praten? Hij was dood. Ze liet haar ogen door de kamer dwalen. Al zijn grafgiften waren ook de hare. Het bed met de leeuwenkoppen, het senet-spel... Ergens lagen er hier zelfs ushabti die speciaal voor haar gemaakt waren. Als haar hart niet te zwaar woog, dan zou ze genoeg bedienden hebben in haar nieuwe leven. Ze opende een onopvallende kist en haalde er haar dodenboek uit, de papyrusrol die haar zou begeleiden naar het rijk van Osiris. Moge Anubis mij horen. Het is tijd. Ze schoof de kist opzij, waardoor een houten plug zichtbaar werd die uit de muur stak. De groeven rond de plug waren verzegeld, maar de wand voelde toch vochtig aan. Irit nam de hamer die in de kist zat en gaf de plug een stevig tik. Het kostte haar nog enkele hamerslagen voor het water zijn weg door de muur hervond. Er was paniek geweest toen de arbeiders het gat geslagen hadden, maar de bouwmeester had ervoor gezorgd dat de werken konden doorgaan. De hand van Sachmet beroert alles. Iren-it-neter knielde in het stijgende water en sloot haar ogen. In haar armen omklemde ze de papyrusrol. Broeder, ik kom.

Fiona
6 0

De Prins en de Rimpel

Heel lang geleden was er eens in een koninkrijk hier ver vandaan, een ontzettend knappe prins. Overal waar hij ging lieten jonge vrouwen zuchtend hun werk liggen en keken hem vol verlangen na, want hoewel de mooiste vrouwen van het land niets liever wilden dan met het trouwens, was de prins nog steeds alleen. Liever bracht hij dagelijks uren door voor de spiegel, terwijl hij zichzelf bewonderde. Hij droeg steeds de duurste kleren, gebruikte de zeldzaamste oliën in zijn bad en verdroeg alleen de kostbaarste pommade in zijn haar. Op een dag merkte hij echter iets vreemds op. Zat daar werkelijk een fijn lijntje naast zijn welgevormde oog? Hij leunde wat dichter naar de spiegel, kneep één oog dicht en haalde er tenslotte een vergrootglas bij. Vol afschuw deinsde hij weg van zijn spiegelbeeld, maar het onding bleef waar het zat. Woedend trok de prins zijn goudgelakte schoen uit en smeet hem naar de spiegel. “Ik wil je nooit meer zien!” schreeuwde hij. Met grote stappen verliet hij zijn kamers en liep recht naar de troonzaal waar zijn vader op dat moment audiëntie hield. “Eruit!” riep hij tegen de edellieden die schichtig voor hem bogen terwijl hij voorbij stampte. “Ik hoop voor jou,” sprak de koning ijzig kalm, “dat dit belangrijk is.” “Van staatsbelang,” verzekerde de prins en hij wees hem op het miezerige kreukeltje in zijn gelaat. “Kijk.” De koning kuchte ongemakkelijk, kwam van zijn troon af en boog zich dichter naar zijn zoon toe. “Wat moet ik zien, jongen?” “Een rimpel, vader! Ik heb een rimpel!” “Oh, is dat alles,” verzuchtte de koning en hij rolde met zijn ogen. “Zoon, ik sta vol met rimpels! Beschouw het als een schilderij van levenservaring. Ik ben blij dat je eindelijk rimpels krijgt, want dat betekent dat je misschien weldra mijn taak zal kunnen overnemen.” De prins gooide machteloos zijn armen in de lucht. “Vader, je begrijpt er geen snars van,” zei hij en verliet de troonzaal op zoek naar iemand anders die hem wél begrijpen. Zo belandde hij uiteindelijk in de kamers van zijn moeder. De koningin zat aan haar boudoir waar haar gezicht door de hofdames van een dun laagje wit poeder werd voorzien. “Moeder,” snikte de prins, “het is verschrikkelijk! Ik word oud. Vanmorgen heb ik een rimpel ontdekt in de spiegel!” “Maar lieve jongen toch,” sprak de koningin vol medelijden. Ze wenkte haar zoon dichterbij te komen, zodat ze een blik kon werpen op de gruwelijke verminking die hem getroffen had. Gehoorzaam boog de prins voor zijn moeder. Ze streek over zijn wang en fronste toen haar wenkbrauwen. Snel als een slang verdwenen haar fijne vingers in zijn wuivende haardos en plukte daar een enkele haar uit. “En je wordt nog grijs ook,” merkte ze verbaasd op. De prins was als de bliksem getroffen. Ongelovig staarde hij naar de haar die voor zijn neus bengelde. “Moeder, u moet me helpen!” smeekte hij. De koningin schudde triest het hoofd. “Ik heb al honderden zalfjes, oliesels en kruiden gebruikt, maar uiteindelijk haalt ouderdom ons allemaal in. Als het je beter doet voelen, dan mag je van mij wat wit poeder lenen om je rimpel te verbergen.”   Diep ongelukkig verliet de prins het kasteel. Hij leunde over de reling van de brug en zijn bittere tranen vielen neer in de slotgracht. “Er is geen hoop meer voor mij,” huilde hij. “Ik zal oud en lelijk worden. Ach en wee, is er dan niemand die mij kan helpen?” “Ik ken wel een remedie,” sprak een oud besje dat langs de kant zat te bedelen. “Je hebt een slok nodig uit de Fontein der Jeugd.” De prins keek bedenkelijk naar het vrouwtje. Ze had meer rimpels en grijs haar dan hij ooit bij iemand gezien had. “Ik heb niet gezegd dat het makkelijk is,” verdedigde ze zich, “als het dat wél was, dan zou iedereen jong en mooi zijn!” Ja, dat begreep de prins wel. “En waar vind ik die fontein?” “Dat is het lastige stukje.” “Alsjeblieft, ik heb er alles voor over!” “Alles?” “Alles.” “Je vindt de Fontein der Jeugd in de Eeuwige Tuinen, aan gene zijde.” De prins slikte. Dat was wel even lastiger dan hij gedacht had! “Je bedoelt... dat ik... eerst moet sterven?” Het oude besje knikte. Dat was precies wat ze bedoelde. “Maar, wat heb ik daaraan?” “Ah,” sprak het vrouwtje en ze stak een knokige vinger in de richting van de prins, “maar je hoeft niet dood te blijven. De Bewaarster van de Tuinen heeft een zwak voor mooie prinsen. Jij kan er vast in slagen om haar te overreden je terug naar het leven te sturen.” De prins knikte. Hij was wel héél knap natuurlijk en vrouwen deden werkelijk alles voor hem. De bedelaarster had vast gelijk. Hij was veel te mooi om echt dood te gaan. “En wat zit er voor jou in?” De bedelaarster greep in haar mouw en haalde er een flesje uit zo groot als haar geelgerande duimnagel. Er zat een groenige vloeistof in die zwart kleurde in het zonlicht. “Dit is vergif. Het zijn slechts enkele druppels, maar dat is ruim voldoende om jouw naar de Andere Wereld te helpen. Als je het daar weer vult met het water van de fontein en aan mij terug bezorgt, dan is dat je betaling voor mijn diensten.” De prins bedankte de vrouw en stak het flesje snel weg. Hoewel zijn hart nog vervuld was van twijfel, bleven de woorden van de bedelaarster aan hem knagen.   Die avond zat hij opnieuw voor de spiegel. De rimpel was er nog steeds, als een groots litteken ontsierde het zijn knappe gelaat. Wat als hij morgen een tweede rimpel ontdekte? En daarna een derde, waarna er ook nog eens meer grijze haren zouden verschijnen? De prins kon niet langer naar zichzelf kijken. De gedachte dat hij ouder werd, was voor hem ondraaglijk. Hij ging op het bed liggen, nam het flesje van het oude vrouwtje en dronk het leeg. Na enkele tellen hield zijn hart op met kloppen en ging zijn ziel over naar gene zijde.   De zon scheen, vogeltjes floten hun hoogste lied, bijen zoemden vrolijk van bloem naar bloem en in de verte klonk het ruisen van een lieflijk riviertje. De prins opende zijn ogen en merkte dat hij in het gras lag van de mooiste tuin die hij ooit in zijn leven gezien had. Niet ver van hem vandaan stond een vrouw in een tuinbroek met een grote, gebloemde strooien hoed al fluitend de heg bij te knippen. Zodra ze merkte dat hij wakker was, liet ze haar werk voor wat het was en kwam naar hem toe. Onder haar hoed zaten grijze krullen en haar lach werd gesierd door appelwangen en blauwe, twinkelende pretogen. “Goeiemorgen!” riep ze opgewekt. “Welkom in de Eeuwige Tuinen. Ik ben de Bewaarster. Je zal het hier vast naar je zin hebben.” De prins stond op en stofte zijn broek af. “Ook een goeiemorgen voor u,” sprak hij, “dit is werkelijk een prachtige plek, maar ik ben hier niet zomaar. Ik hoop dat u mij kan helpen in mijn speurtocht.” “Natuurlijk!” riep de vrouw enthousiast en de heggenschaar hipte vervaarlijk de lucht in. “Jij bent die prins die hier komen zoeken naar zijn grote liefde! Ach, dat is toch zo romantisch en ik weet precies waar je haar kan vinden. Ze is waarlijk de mooiste prinses die ooit onder de hemel gewoond heeft en momenteel is ze haar bad aan het nemen in de Zingende Rivier, daar even verderop. Wat mij betreft mag ze met je mee en dan hoop ik werkelijk dat jullie nog lang en gelukkig zullen leven.” “Eh, bedankt,” aarzelde de prins, “maar dat is niet echt waar ik voor kwam.” “Oh,” even klonk de Bewaarster teleurgesteld, maar toen schoot haar iets te binnen, “maar dan ben jij vast die prins die hierheen komt in de hoop het Ongeslagen Zwaard en het Ongebroken Schild te mogen dragen, zodat zijn land eindelijk verlost zal worden van de strijd die er al eeuwenlang woedt. Wel, je hebt mijn zegen. Daar, in het midden van het Woedende Woud, zal je het vinden en ik hoop dat je eindelijk weer vrede zal brengen in je land.” “Nee.” De prins schudde heftig het hoofd. Oorlog voeren was een vreselijke aangelegenheid. Daar begon hij écht niet aan. “Ik ben hier om een heel andere reden! Ik wil een slok uit de Fontein der Jeugd!” De Bewaarster keek even verbaasd, maar toen verscheen er een zachte uitdrukking op haar gelaat. “Wat ben jij een fantastische zoon,” zuchtte ze, “om helemaal hierheen te komen, zodat je oude moeder en vader een tweede jeugd kunnen beleven.” “Helemaal niet!” riep de prins verongelijkt. “Het is voor mijzelf!” Het werd even helemaal stil in de Eeuwige Tuinen. De vriendelijke vrouw met de roze appelwangen sloeg haar armen over elkaar, waardoor de heggenschaar vervaarlijk in de richting van de prins wees. “Voor jezelf?” vroeg ze op gevaarlijk kalm. “Ja! Kijk maar! Ik krijg een rimpel.” De Bewaarster kneep haar ogen tot spleetjes en tuitte haar lippen. “Je bent naar de Eeuwige Tuinen gekomen aan gene zijde, om een slok te drinken uit de Fontein der Jeugd, vanwege één enkele rimpel?” “Ja? Zie je hem niet? Het is verschrikkelijk! Ik word helemaal oud en lelijk!” “Luister,” sprak de vrouw en ze zag er helemaal niet meer zo lieflijk en vrolijk uit, alsof er een schaduw over haar heen lag die haar een scherp kantje gaf. “je bent nog jong en onbezonnen. Waarschijnlijk heeft iemand je deze domheid ingefluisterd en heb je gehandeld zonder nadenken. Ik zal barmhartig zijn. Zie je die stenen boog daar bij de oude eik?” De prins knikte. “Dat is de weg naar het leven. Loop erdoorheen en het zal lijken alsof je hier nooit geweest bent. De poort blijft nog precies tien tellen open. En daar,” ze wees naar een gouden fontein die half verscholen lag tussen bosjes rode rozen, “is de Fontein der Jeugd. Ik ga nu verder de haag knippen. De keuze is verder aan jou.” De Bewaarster draaide zich om en de prins aarzelde geen moment. Als een hazenwind ging hij ervandoor, recht naar de plaats die de vrouw aangewezen had en dompelde zijn gezicht onder in het water van de Eeuwige Jeugd. Hij dronk en keek vervolgens verrukt naar zijn spiegelbeeld in het glanzende goud dat de Fontein der Jeugd sierde. Zo mooi was hij werkelijk nog nooit geweest en hij zou voor altijd zo blijven! Te laat dacht hij aan de poort. Toen hij opkeek begon ze al te sluiten en hij begreep dat het niet meer zou halen. “U moet me helpen!” schreeuwde de prins naar de Bewaarster. Die haalde echter haar schouders op en knipte verder.   De volgende ochtend vonden de koning en koningin hun zoon dood in zijn bed. Ze waren verschrikkelijk bedroefd en begrepen niet hoe het zover had kunnen komen. Het hele land rouwde mee om het heengaan van de prins. Er werden liederen, gedichten en verhalen over hem geschreven en hoewel iedereen het doodjammer vond dat hij was heengegaan, was iedereen het wel over één ding eens: hij was de knapste prins geweest in de hele geschiedenis van het koninkrijk, op die ene rimpel na dan...

Fiona
0 0

De ziel van Verloren Adem

Ergens in een uithoek van het land, verdrongen tussen beschermde bossen en uitgemolken weilanden, ligt een petieterig dorpje dat Verloren Adem heet. Je zal het niet in een atlas vinden. Het staat niet meer op de kaart. Zo klein is het. Het gehucht telt net geen honderd inwoners en er is slechts één straat. Oorspronkelijk heette het gewoon Adem, maar sinds het als dorp officieel geschrapt werd, noemen de inwoners hun dorp spottend Verloren Adem.   Het is een grijs dorp. Alles is er grijs en doods. De sfeer, de mensen die er wonen, de gesprekken die men voert, de fontein die al jaren geen water meer spuit... Zelfs uit de zomergroene bomen, die her en der de Hoofdstraat sieren, lijkt elke kleur weggetrokken. De zon is hier maar een vaalgele schaduw van zichzelf en bij de kruidenier klinkt elke dag dezelfde klaagzang. Het weer is niet meer wat het vroeger was. Er gebeurt nooit wat in het dorp. Altijd diezelfde sleur en niemand die er wat aan doet.   In Verloren Adem had de vergrijzing jaren geleden al ingezet. De jonge mensen trokken naar de stad en kwamen niet meer terug. Wat overbleef waren ouden van dagen en bijna-gepensioneerden die bleven steken in het verleden. Het dorp werd een levende herinnering. Met de kinderen was ook de ziel van Verloren Adem verdwenen.   Op één van die grijze ochtenden deed het geraas van een enorme verhuiswagen het dorp schudden op zijn grondvesten. Hier en daar bewogen er gordijnen en verschenen er nieuwsgierige gezichten achter de vensters. Alleen de kruidenier had die ochtend de moed om het gebeuren in ogenschouw te nemen.   Vijf verhuizers waren er nodig om de inhoud van de vrachtwagen naar het oude postkantoor te brengen. Dat gebouw stond al jaren leeg en hoewel er al maanden een bordje “VERKOCHT” op hing, verwachtte geen enkele dorpsbewoner dat er ook effectief iemand zou gaan wonen. Dat was dus wél het geval. Het verhuizen nam de hele voormiddag in beslag. Buurman Jos deed een nonchalante poging om één van de werkmannen uit te horen, maar dat liep op niets uit. De verhuizers hadden wel andere dingen te doen, dan luisteren naar een grijzende tuinier met een passie voor tomaten.   Tegen de middag arriveerden de nieuwe bewoners. Een wit busje kwam het dorp ingereden. Met veel lawaai stapte het gezin Vandooren hun nieuwe leven in. Vader Dirk liet een zucht van opluchting horen en strekte zijn schouders na de lange rit. Hij sloeg geen acht op zijn jengelende zoon van drie die moe was en alweer zijn teddybeer op de grond had laten vallen. Moeder Sarah haalde opgelucht adem toen ze het huis zag. Het was beter dan ze gedacht had. Op de foto’s van het immobiliënkantoor had het oude postkantoor echt vervallen geleken. De baby in haar armen huilde en met zachte geluidjes probeerde ze hem te sussen. Op de achterbank van het busje vocht de tweeling een gewelddadige strijd uit om de enige gameboy die het gezin rijk was. Alleen Désirée was stil. Met een verwachtingsvolle blik nam het zevenjarige meisje het dorp in zich op. Zonder acht te slaan op haar broers of haar ouders verliet ze de auto en dwaalde meteen af naar de dode fontein die het kleine dorpsplein sierde. Verwonderd bleef ze staan kijken naar het beeld van de meermin. Het leek haar zo triest toe, zo zonder water. Ze keek naar haar hand waarin ze nog steeds het flesje water vasthield dat ze van mama gekregen had. Er zat niet veel meer in, slechts enkele slokken. Zonder aarzelen schroefde ze het flesje open en goot het kleine beetje vocht uit in de stenen fonteinkuip. Ze lachte, het klonk als zilveren belletjes, en huppelde even later terug naar de auto. Vrolijk zwaaide ze naar de kruidenier die haar doen en laten verbaasd gevolgd had. Houterig glimlachend zwaaide hij naar haar terug tot hij besefte waar hij mee bezig was en gegeneerd zijn hand liet zakken. Hij zag hoe ouders en kinderen in het huis verdwenen. De rust daalde weer neer over Verloren Adem.   Het was vreemd om weer kinderstemmen te horen in het dorp. Er werd weer gevoetbald in de straat en bij de bakker werd er druk geklaagd over het lawaai en de stress dat al dat klein grut gaf. De sfeer in het dorp werd er niet echt beter op. De kruidenier zag zich gedwongen om zijn assortiment uit te breiden met luiers en babyvoeding, maar hij deed dat met plezier. Telkens als Sarah langskwam, nam ze Désirée met zich mee. Het kind gaf de kruidenier een warm gevoel. Telkens als ze naar hem keek met die grote helderblauwe kinderogen en hem ongedwongen een vrolijke glimlach schonk, voelde hij opnieuw dat hij leefde.   Op een vroege ochtend werd de kruidenier wakker door een snikkende gehuil dat van buiten kwam. Hij stond op en schoof het gordijn weg voor het raam om te kijken wat er aan de hand was. Tegen de rand van de fontein zag hij Désirée zitten. Ze huilde erbarmelijk en er was niemand op straat die zich om haar kon bekommeren. Vlug sloeg hij zijn kamerjas om zich heen en ging naar buiten, naar haar toe. Toen hij zich over haar heen boog, zag hij dat haar knie bloedde. Haar betraande gezichtje keek triestig naar hem op. “Je bloedt.” merkte hij op. “Ben je gevallen?” Hij deed zijn best om vriendelijk te klinken. Ze knikte en wees op de kleine plastic fles die naast haar lag. Gedeukt, kapot en leeg. “Het is weg. Allemaal weg.” snikte ze. De kruidenier fronste zijn wenkbrauwen. “Wat is er weg?” “Het water!” Toen zag de kruidenier de natte plek op de grond. “Waar was je mee bezig, Désirée?” Verdrietig keek ze achterom naar de meermin die versteend naar de opkomende zon keek. “Ik wilde de zeemeermin water geven, zodat ze terug kan zwemmen.” Haar kinderlijke antwoord verraste de kruidenier. “Doe je dit elke dag, Désirée? De zeemeermin water geven?” “Ja, maar nu kan het niet meer.” Ze barstte opnieuw in snikken uit. Onhandig probeerde de oude man het kleine meisje te troosten. Zonder veel succes. Tot hij zich iets herinnerde. “Weet je wat, Désirée? Ik denk dat ik weet hoe we je zeemeermin terug water kunnen geven.” Meteen hield het kleine meisje op met wenen. Verwachtingsvol keek ze naar hem op. “Hoe dan?” “Wacht hier even.” zei hij en haastig liep hij terug naar zijn huis. Even later stommelde hij rond in zijn winkel, verwoed zoekend naar die verloren herinnering. Uiteindelijk vond hij het kleinood in een vergeten lade onder de kassa. Via de rinkelende winkeldeur ging hij weer de straat op. Désirée rende naar hem toe zodra ze hem zag. Hij sloeg geen acht op haar vragende blikken, maar leidde haar mee naar de overkant van de straat, waar naast een lantaarnpaal een ijzeren bak stond. Op het eerste gezicht leek het een elektriciteitskast, maar de kruidenier wist wel beter. Met de sleutel in zijn hand opende hij de kast. Hij zag koperen leidingen, een rood wiel en een bordje met instructies. Even aarzelde hij, maar doen draaide hij resoluut aan het wiel dat slechts langzaam knarsend aan zijn krachten toegaf. Er gebeurde niks. Beteuterd keek hij naar het binnenwerk van de kast. Er was niks anders om aan te draaien of te prutsen. Hij had exact gedaan wat het bordje zei. “Luister!” riep Désirée plots. En dat deed hij. De kruidenier spitste zijn oude oren en hoorde toen een diep gerommel vanuit de aarde omhoog komen. Even hoestte de meermin nog een bruin vocht op, maar even later werd ze omringd door hoge, klaterende waterstralen. Désirée’s oogjes schitterden en ze klapte opgewonden in haar handjes. De kruidenier lachte hardop. Het was lang geleden dat hij zich nog zo gelukkig had gevoeld.   Algauw lokte het geluid van het spetterende water het dorp de straat op. Mensen lachten en wezen naar het kleine meisje en de oude kruidenier die elkaar met het water bespatten. Plots leek het alsof de zon weer feller scheen. Het gouden zonlicht weerkaatste fel in de flikkerende druppels en het dorp leek overspoeld te worden met een veelheid aan kleuren. De bomen werden groener, de mensen opgewekter. De fontein leefde weer. De Ziel van Verloren Adem leefde weer.   Ergens in een uithoek van het land, verdrongen tussen beschermde bossen en uitgemolken weilanden, ligt een petieterig dorpje dat Verloren Adem heet. Je zal het niet in een atlas vinden. Het staat niet meer op de kaart. Zo klein is het. Het gehucht telt net geen honderd inwoners en er is slechts één straat. Oorspronkelijk heette het gewoon Adem, maar sinds het als dorp officieel geschrapt werd, noemen de inwoners hun dorp vrolijk Verloren Adem.   Het is een kleurig dorp. Alles is mooi groen of goudgeel. De sfeer zit goed, de mensen die er wonen voelen zich gelukkig, de gesprekken die men voert zijn licht, de fontein spuit elke dag hoge, schitterende waterstralen de lucht in... Zelfs de zomergroene bomen, die her en der de Hoofdstraat sieren, lijken meer kleur te hebben dan elders. De zon is hier helder en warm, en bij de kruidenier klinkt elke dag een ander lied. De tomaten van Jos zijn nog nooit zo groot geweest. Wie gaat er straks mee voetballen? Heeft er iemand zin in een ijsje?

Fiona
3 0

Fluistering van staal

De deur van de winkel ging soepel open. De slecht verlichte ruimte rook vaag naar houtskool en leer, en op de vloer lag een dikke laag stro ter bescherming van het hout. Madame de Bellicort liet haar blik bewonderend langs de muren glijden. De meesterstukjes van de smid hingen er open en bloot te kijk voor de geïnteresseerde kopers. Rijkbewerkte tweehanders, met ciseleerwerk versierde bijlen, elegant afgewerkte dolken, dodelijke morgensterren... Het neusje van de zalm.   Het geluid van de blokken die ze onder haar schoenen gebonden had, tegen de modder die duimendik in de straten lag, lokte de smidsvrouwe al snel naar de winkel. Ze herkende Madame de Bellicort onmiddellijk. “Madame, u komt de bestelling ophalen?” De adellijke dame knikte kort en de vrouw verdween opnieuw naar de achterkamer. Even later verscheen ze met een lang voorwerp in haar armen dat in oliedoek gewikkeld was. Ze vouwde het pakket open op de toonbank en onthulde zo de dodelijke schoonheid van een lang, smal zwaard. Het was een licht wapen met weinig versieringen, maar haarscherp en gemaakt van het beste staal. Bijna liefkozend nam Madame de Bellicort het voorwerp op om het van nabij te bekijken. “Mijn man is er erg tevreden over.” zei de vrouw van de smid trots. “Ja, dat kan ik geloven. Het is werkelijk...”   De deur van de winkel werd opengegooid en een forse kerel, gehuld in een ruige bontmantel struinde naar binnen. Verstoord draaide Madame de Bellicort zich om en herkende haar vijand en heer van de stad, Comte de Bichard. Ze wierp hem een giftige blik toe en hij liet het niet na om met een ironisch glimlachje voor haar een buiging te maken. “Madame, wat een genoegen u hier te zien. Wat drijft u naar de stad vandaag? Is het uw koude bed misschien?” Zijn lach bulderde door de kleine ruimte. Madame de Bellicort antwoordde koel: “Nee, monsieur, ik kwam slechts een cadeau ophalen.” “Een mooi stukje staal,” gaf de man toe, “maar wat wil u ermee doen? Boven uw haard hangen? Of er uw vele aanbidders mee wegjagen?” Opnieuw schalde de lach van de Comte door de winkel, maar de dame gaf geen krimp. Ze liet een vinger langzaam langs het zwaard glijden en zei toen met een klein glimlachje: “Het was een geschenk van mijn man, monsieur. Ik dacht er even over het te gebruiken om uw hoofd ermee af te slaan, maar ik vrees dat dat de schoonheid van het wapen zal bezoedelen.”   De Comte grijnsde. Madame de Bellicort mocht hem dan wel haten, omdat hij haar man gedood had in een duel. Hijzelf mocht de dame wel. Ze had pit. “Madame, uw woorden zijn als dolken in mijn ziel. U zou uw tere, reine handen toch niet onteren met mijn bloed? Ik weet zeker dat u er diep in uw hart anders over denkt.” Madame de Bellicort negeerde zijn bloemrijke woorden en plofte een leren buidel op de toonbank. De smidsvrouw griste het weg en deed de moeite niet om het na te tellen. Ze wilde deze klanten liefst zo snel mogelijk buiten hebben.   Met het zwaard in haar linkerarm gelegd, liep Madame de Bellicort in de richting van de deur. Daarbij passeerde ze rakelings de Comte. “Denkt nooit te min over een gekrenkte vrouw, monsieur le Comte.” fluisterde ze in zijn oor. De man hijgde geschrokken en staarde naar de kleine dolk die nu uit zijn buik stak. Een kleine rode vlek verscheen in de stof van zijn hemd. “Doe geen moeite om een chirurgijn te zoeken,” sprak de vrouw nog, “het lemmet is vergiftigd.” Ze glimlachte kort. “Doe mijn man de groeten van me.”

Fiona
2 0

Koning IJzewijs en de Palmbomenprinses

Ver, ver in het noorden, nog voorbij het huis van de Kerstman, helemaal op het uiterste, noordelijke puntje van de wereld, daar staat het paleis van Koning IJzewijs. Hij is een knappe kerel met ijsblauwe ogen en witte, piekerige haren, maar bovenal is hij een goedlachse en wijze koning. Vanuit zijn paleis van kristal regeert hij over ijsberen, Eskimo’s, sneeuwheksen en sneeuwmannen, maar dat doet hij natuurlijk niet alleen. In en rond het paleis wonen de IJzige IJvertjes, blauwe kobolden met lange puntoren en donzige, grijze wenkbrauwen die van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bezig zijn met het maken van de winter. De mannetjes hakken met hun priegelige vingertjes nieuwe sneeuwvlokken uit en de vrouwtjes weven op hun getouwen van eenhoornhaar dikke wolkendekens en af en toe ook het prachtige noorderlicht dat Koning IJzewijs gebruikt om de koude hemel van zijn rijk mee te versieren.   En als het noorderlicht de kristallen koepels en muren van zijn paleis oplicht, de sneeuwheksen met hun gezangen de eeuwige dag beëindigen en de ijsberen zich te slapen leggen, dan rust Koning IJzewijs uit aan de rand van zijn betoverde, glazen meer in de grote Zaal der Verwondering. Vaak krijgt hij gezelschap van zijn IJzige IJvertjes die graag met hem meekijken in het meer naar wat er zoal gebeurd beneden de koudegrens. Hij gunt hen dan een blik in de huiskamers van de mensen, neemt hen mee op een tochtje door een bos of stadspark en laat hen kennis maken met dieren die in het verre noorden nog nooit gezien zijn.   Op één van zulke avonden was Koning IJzewijs bijzonder goed gezind. Zijn IJvertjes hadden prachtig werk geleverd en hij wilde hen belonen door ze zelf te laten kiezen wat het glazen meer hen moest tonen. “Een zandkasteel!” riep een blauw kereltje dat van enthousiasme amper op zijn kussen kon blijven zitten. “Nee, een roos!” smeekte een teer vrouwtje met bleekroze wangetjes. “Of de schubben van een gouden draak,” droomde het IJvertje dat naast de koning zat hardop. IJzewijs lachte vrolijk en weefde met zijn handen boven het spiegelende oppervlak een web van toverij waarmee hij het glazen meer beval om al het gevraagde te laten zien.   Maar, er verscheen geen roos, geen gouden draak, geen kabbelend zeewater aan de voet van een kinderlijk zandkasteel, nee... Voor de ogen van Koning IJzewijs en zijn IJzige IJvertjes ontrolde zich een nooit gezien panorama van eindeloze zandgolven, duinen hoog als bergen en een brandende zon die onbarmhartig elk ontluikend sprietje groen weer in de bloedhete grond hamerde. Te midden van de trillende hitte stond een goudgeel paleis van zand met torens die opvlamden als vuur, omgeven door wuivende palmbomen die schaduw verleenden aan salamanders met ogen als juwelen en een schubbige huid die schitterde in duizend kleuren. Plots openden de zware deuren van het paleis zich en er verscheen een jonge vrouw met een zongebronsde huid, die de warmte leek in te ademen. Ze was gehuld in ragfijne zijde, haar polsen en hals bekleed met vloeibaar goud en haar zonblonde haren hingen als een mantel om haar heen. Koning IJzewijs werd op slag verliefd. “Haar wil ik trouwen,” zei hij vurig en zijn IJzige IJvertjes konden daar alleen maar mee instemmen, want nooit eerder hadden zij een mooiere vrouw gezien in het glazen meer.   Nog diezelfde avond riep Koning IJzewijs enkele sneeuwheksen naar het paleis en hij beval hen uit te zoeken wie de vrouw was die hij gezien had. De heksen pendelden boven het meer met kristallen van het zuiverste blauwe ijs, ze dobbelden met zeldzame sneeuwvlokken en zochten naar aanwijzingen in de muil van een grauwende gletsjer. “Ze is een prinses,” besloot de eerste heks. “Ze is de zuster van Koningin Zomer,” voegde de tweede eraan toe. “Haar hittegolven zijn vernietigend,” waarschuwde de derde. “U kan niet met haar huwen.” Daar schrok Koning IJzewijs wel van. Hij kende Koningin Zomer erg goed en wist dat ze een zuster had, maar hij had geen van beiden ooit ontmoet. Hij wist maar al te goed hoe gevaarlijk dat voor hem en de hele wereld kon zijn. Toch liet het beeld van de gouden prinses die tussen de palmbomen wandelde hem niet los. “Er moet een manier zijn,” mompelde hij vastbesloten.   Weken gingen voorbij. Koning IJzewijs was er niet bij met zijn gedachten en dat werd alras duidelijk. De winter heerste maar matig in de wereld. Er viel nauwelijks sneeuw en de vorst verhardde de grond slechts weinig, waardoor bloemen en planten veel te vroeg begonnen te ontluiken. Het werd zelfs zo erg, dat prinses Ogentel hem met een luchtnimf een boodschap stuurde met de vraag waarom ze nu reeds gewekt was en of ze al met de lenteschoonmaak diende te beginnen? “Hoe laat is het dan?” vroeg Koning IJzewijs verbaasd. “Het is eind december, edele vorst, de Kerstman is net weergekeerd naar zijn woonst,” antwoordde het luchtwezen eerbiedig. Dat opende de ogen van de Koning en hij begreep dat het zo niet langer verder kon. Hij had nog nooit zijn taken verwaarloosd! “Ik heb twee boodschappen voor je,” zei IJzewijs aan de nimf. “Ten eerste breng je mijn verontschuldigingen over aan prinses Ogentel en wens je haar nog een fijne nachtrust toe in mijn naam. En ten tweede wil ik dat je haar vraagt waar de zuster van Koningin Zomer verblijft.”   De nimf vertrok. Er ging een winterstorm voorbij en de wereld werd bedekt onder een dikke laag sneeuw, eer de luchtnimf eindelijk weerkeerde naar het paleis van de vorst. “Ze woont in het verre, verre zuiden, diep in de woestijn, waar ze zich omringt met dadelpalmen en veelkleurige salamanders. Ze komt slechts zelden buiten haar domein en zelfs dan alleen nog maar als haar zuster, Koningin Zomer, over de wereld regeert.” “Ken je haar naam?” vroeg IJzewijs ademloos, maar de nimf schudde het hoofd. “Ze wordt de Palmbomenprinses genoemd. Dat is alles wat ik weet.” “Wil je haar een boodschap van me brengen?” De luchtnimf boog diep. “Het zou me een eer zijn, edele vorst.”   Daarop zocht Koning IJzewijs in zijn sneeuwtuin persoonlijk de mooiste ijsrozen uit en bond ze samen met een blauwe strik van geweven noorderlicht. Vervolgens schreef hij enkele verliefde woorden op een mooi stuk helder ijs en gaf alles aan de nimf. “Ik vlieg met de noordenwind en kom zo snel mogelijk terug met haar antwoord,” zei de nimf vastberaden.   Een nieuwe winterstorm trok over de wereld. Het hagelde, ijzelde en vroor dat het kraakte. De IJzige IJvertjes werkten hele eindeloze dagen door om genoeg sneeuwvlokken te maken. Ze werkten zo hard dat zelfs het weven van noorderlicht vergeten werd.   Maar de nimf keerde niet weer.   Teneinde raad zocht Koning IJzewijs in het glazen meer naar antwoorden, maar hij vond niets en dus riep hij de sneeuwheksen weer bij zich. De wijze vrouwen begrepen meteen wat er gebeurd was. “De ijsrozen smolten,” verzuchtte de eerste. “Net zoals de brief,” voegde de tweede eraan toe. “En de hitte verdampte de nimf,” sprak de derde tenslotte. “Laat dit een wijze les voor u zijn, mijn vorst. U kan nimmer met de Palmbomenprinses huwen.” “Nimmer?” vroeg IJzewijs diep teleurgesteld. “Nimmer,” antwoordden de heksen in koor.   Koning IJzewijs gaf het echter nog niet op. Hij stuurde drie van zijn sterkste en slimste IJzige IJvertjes, gezeten op de snelste ijsberen, naar de enige man die hem nog raad kon geven. Het duurde niet lang of ze keerden weer naar het ijspaleis met een opgerolde brief die versierd werd met rode en groene linten.   Hoogstedele Koning IJzewijs,   Uw liefde voor de Palmbomenprinses heeft me diep ontroerd, maar hulp kan ik u niet bieden. Het lijkt mij dat u haar slechts ten huwelijk kan vragen op de dag dat het sneeuwt in de woestijn en er zonnebloemen bloeien met Kerst.   Met spijt, de Kerstman   Ver, ver in het noorden, nog voorbij het huis van de Kerstman, helemaal op het uiterste noordelijk puntje van de wereld, daar zit Koning IJzewijs op zijn troon in de Zaal der Verwondering. Zijn IJzige IJvertjes zitten om hem heen, terwijl het noorderlicht haar kleurige licht laat dwalen over de muren van het paleis en de sneeuwheksen met hun gezangen de eindeloze dag beëindigen. In het glazen meer danst de Palmbomenprinses in de schaduw van haar bomen en salamanders, onwetend van zijn liefde, alleen in de gloeiende zon. Er lopen ijzige tranen over de wangen van de koning, want hij weet dat zij onbereikbaar is voor hem. Maar hij is een geduldig man en dus wacht hij nog steeds op die ene bijzondere dag.

Fiona
12 0