Zoeken

VI. Ontkoppeling

Wanneer ik de volgende ochtend ontwaakte, was ik teleurgesteld om nog steeds in mijn kamer te zijn. Ik nam onmiddellijk terug plaats achter mijn computer om te coderen. Terwijl ik het systeem aan het werk zag, wist ik dat ik het bij het rechte eind had. Ze moesten me volgen als ze niet alles wilden verliezen. Ik voelde een bubbel opblazen in mijn binnenste. Ik opende het raam en schreeuwde uit volle borst: “Volg mij of ga ten onder!” Het hele dorp aan mijn voeten moet het gehoord hebben. Ik hoorde alarmen afgaan en honden juichend huilen.   Een tijd later kwam mijn moeder de kamer binnen met ontbijt. Ze had een blauw oog. De Meester moet haar gestraft hebben omdat ze mij niet had kunnen controleren. “Je moet bij hem weg”, smeekte ik haar, “Hij betekent niets goed voor jou.” Ze kon het niet begrijpen. Een standaard computerprogramma kan niet uitvoeren waar het niet voor geprogrammeerd is.Ze wist niet wat te doen, en werd bang. “Laat me de dokter bellen”, zei ze. Ze trachtte het juiste te doen. “OK”, antwoordde ik.   Ik herkende de lokale dorpsdokter toen hij de deur opende. Een oudere man, die altijd vriendelijk met me was geweest. Ik herinner me hoe de laatste keer dat ik bij hem op consultatie was, hij me een boek over zingeving had aangeraden. Ik had het niet gelezen.   “Je bent een beetje opgewerkt, hoor ik. Laat me je wat rust helpen vinden.” Hij opende zijn dokterstas en haalde er een spuit uit. “Gewoon een klein prikje, en het zal allemaal voorbij zijn.”   Plotseling begreep ik de situatie. Ze trachten zich van mij te ontdoen. Ik had bewezen teveel een gevaar te zijn, en ze moesten denken dat door mij uit te schakelen het systeem zich weer zou normaliseren. Ik ging dat niet laten gebeuren.   Ik greep de polsen van de dokter. “Steek dat niet in mij. OK?”, beval ik hem. Plots was hij zo smal, fragiel en bleek. “Neen. OK. Dat zal ik niet doen”, stammelde hij.   Hij verliet de kamer, maar ik wist dat ze zouden terugkomen. Ik moest me vlug verstoppen in mijn code. Zo snel als mogelijk  begon ik codes te noteren.   Wanneer mijn balpen opraakte, maakte ik de overgang naar mijn markeerstiften. Het was een positieve vondst. Het gebruik van verschillende lijnen zou het moeilijker maken om mijn locatie te traceren. Om aan de orde te ontsnappen, moet je je in de chaos storten.   Wanneer ik klaar was met een markeerstift, wierp ik ze over mijn schouder weg. Mijn codeersnelheid was zo exponentieel toegenomen dat je niet eens meer met je ogen kon knipperen. Op het einde bestond mijn blad enkel nog maar uit losse punten.   Kijkende naar mijn creatie, was ik tevreden. Dit zou hen verhinderen mij gedurende een tijd te controleren.   Terwijl ik wachtte, bestudeerde ik de piramide op het dollarbiljet van naderbij. De tekst erboven stelde in het Latijn: “God keurt ons werk goed.”   Ik hoorde de deur openen. Twee grote mannen kwamen binnen, gevolgd door de dokter. “Deze heren gaan voor jou zorgen”, zei de dokter. Zijn programma was gewijzigd. Nu wou hij me helpen, niet langer stoppen.   De mannen droegen fluorescerende kledij, net zoals de fluostiften die overal op de vloer verspreid lagen. Ik moest verifiëren of ze daadwerkelijk hulpvaardig waren. “Ik kan mijn kamer niet in zo’n wanorde achterlaten. Anders zal mijn arme moeder al deze stiften van de vloer moeten oprapen, en ze heeft het al zo moeilijk door mij. Kunnen jullie mij eventjes een handje toesteken?” Ze stonden verstomd. Later zouden ze verklaren dat ze nog nooit zoiets hadden meegemaakt. Echter, toen ik mij bukte om de markeerstiften op te pikken, gingen zij ook tot actie over. In geen tijd hadden we alle markeerders van de vloer verzameld.   We gingen dan naar beneden en verlieten het huis. Buiten stond er een ambulance te wachten. Ik was nog steeds gekleed in mijn pyjama en badjas. Terwijl ze me in de achterkant van de ziekenwagen hielpen, reed een politiewagen de oprit op. De Meesters moeten hen gezonden hebben om mij uit te schakelen.  Ze konden zeggen dat ik weerstand bood bij mijn arrestatie en mij doodschieten. “Ik wil de politie echt niet zien”, verklaarde ik aan de twee ambulanciers. Terwijl een politieagent de ambulance naderde, sprong één van de twee ambulanciers naar buiten en stopte hem aan de deur. Hij zei dat de politieagent me nu niet kon zien en dat het best was dat ze onmiddellijk vertrokken. De politieagent gaf toe. De ambulancier nam plaats achter het stuur, en weg waren we.   Terwijl we reden, lag ik op een draagberrie en zat de andere ambulancier naast me. “Zo, wat is jouw verhaal?”, vroeg hij mij. “Het is gelijkaardig aan het jouwe”, repliceerde ik. Ik plaatste mijn voorarm verticaal, terwijl ik mijn biceps horizontaal hield. “Jij werkt in een structuur. Vanboven vind je de dokters. Ze zijn de specialisten. En ze gaan het je misschien niet zeggen of tonen, maar- diep vanbinnen, geheim – denken ze beter dan jou te zijn. Ze denken dat ze beter zijn omdat ze meer diploma’s hebben dan jou. Ze staan op de top van de piramide en kijken neer op jou.” Ik liet de gebundelde vingers van mijn hand, zoals een zwanenkop, naar beneden kijken. “Maar weet je wat er mis is met dit systeem?” Ik rook aan mijn oksel. “Het stinkt.”   “Een boom die denkt te kunnen leven zonder zijn wortels komt onvermijdelijk naar beneden. En dan kan nieuw leven ontspruiten vanop zijn rottende karkas.”   “De aanhangers van de theorie dat de aarde plat is, hebben ook ergens een punt. De aarde moet plat zijn zodat we allemaal voorspoedig kunnen leven.” Ik wees naar mijn elleboog. “We moeten elkaar ontmoeten in het gewricht.”   “Weet je, het is zoals met de moslims. Op hen wordt er nu vaak neergekeken. Mag ik je vragen of je religieus bent?” “Ik ben katholiek”, antwoordde hij. “Je bent vermoedelijk een katholiek omdat je in een katholiek gezin bent geboren in een katholiek land. Als je in Saudi-Arabië was geboren, was je veeleer een moslim geweest. Je bent evenwel waarschijnlijk niet zo verschillend van je moslim-landgenoten. Je wilt je kinderen goed opvoeden, tijd doorbrengen met je familie en je leven leiden volgens je eigen principes.”   “Hoe overbrug je het verschil tussen twee harten? Hoe breng ik mijn hart het dichtst bij jou?”, vroeg ik terwijl ik een zacht tikje gaf op zijn en mijn borstkas. “Als we elkaar zouden omarmen?”, antwoordde hij. “Exact. Enkel als de harten van de mensen zich op dezelfde lijn bevinden, kunnen we allen vooruit gaan. Iedereen is goed in verschillende dingen. Ze moeten gewoon toegelaten worden erin te excelleren. Ik ben er zeker van dat er iets is wat jij graag doet en waar je goed in bent.” “Ik teken graag”, gaf hij toe.   Hij keek me diep aan. Zijn ogen hadden de kleur van sterrenstof.   Plots werd de sirene van de politiewagen, die ons achtervolgde, te luid. “Gaan ze ons blijven achtervolgen met de sirene?” vroeg ik. “Er is geen sirene”, antwoordde hij. Tegelijkertijd was de sirene verdwenen, en wist ik dat ik een tijdje veilig was voor mijn achtervolgers. Het systeem had zich aangepast.   Ik sloot mijn ogen, en gaf instructies door aan het systeem: “Hou Odin veilig. Dread Pirate Roberts moet de zeven zeeën blijven bevaren.” Dat wierp wat schildmuren op om mijn belagers op afstand te houden.   Vervolgens voegde ik toe: “Odin moet met Musk spreken over covfefe.” Het was immers duidelijk dat Elon Musk ook een afvallige was: met zijn vele projecten, gaande van The Boring Company tot Tesla, zodat de Meesters hem niet konden vastpinnen. Met SpaceX trachtte hij aan de beperkingen van onze wereld te ontsnappen voor de vrijheid van de ruimte.   We stopten voor een rood licht.   Door de ruit kon ik een uithangbord zien. We stonden voor mijn favoriete bakkerij. “Kunnen we hier even stoppen? Ik heb nog niet gegeten en deze bakker verkoopt de beste ontbijtkoeken. Ik zal er ook bestellen voor jullie beiden.” De ambulancier bewoog zich naar de voorkant van de cabine en opende het schuifraam om met de bestuurder te praten. “Jurgen, hij vraagt of we kunnen stoppen voor koffiekoeken.” “Je weet dat we dat niet kunnen doen, Herman. Het is niet volgens protocol.” Herman kwam terug bij mij. “Het spijt me.” “Het is OK”, antwoordde ik. “Geef meer aan Herman dan aan Jurgen”, instrueerde ik het systeem.   Het licht sprong op groen.   Tijdens het verdere verloop van de rit, stelde de duidelijk geïntrigeerde Herman mij verdere vragen, waarop ik zelf het antwoord pas ontdekte terwijl ik ze beantwoordde.   We kwamen aan op onze bestemming. Ik herkende het door de ruiten. Het was het nabijgelegen ziekenhuis.   “Stap uit de ambulance”, gebood Herman mij. Ik wou niet. “Komaan, stap alsjeblief uit de wagen”, vroeg hij. Ik stapte uit.   “Mag ik je nog om een gunst vragen, voordat je vertrekt? Kun je voor mij iets tekenen?” Ik scheurde een stuk papier uit een meegegritst notitieblok en – een beetje beschaamd – schetste hij snel iets neer. “Oeps, de pen heeft een gat in het papier gemaakt.” “Dat is geen probleem, dat is waarlangs het licht binnenvalt.” Herman gaf me het papier opgevouwen terug.   Binnen werd ik gebracht naar het kantoor van een boomlange dokter, dewelke mij vroeg hem te vertellen wat er gebeurd was. Ik begon mijn uitleg, maar merkte snel dat de dokter niet echt luisterde. Op zijn tafelblad voor hem was er een papier met standaard twee lichamen op getekend in anatomisch detail. Ik wou hem tonen hoe de twee lichamen verbonden konden worden door hun harten te spietsen met een pen. Maar voordat ik zo ver kon komen, was het interview al afgelopen. Ik volgde hem door de gang in een poging hem het begrip te verlenen. Maar het was zinloos. Hij negeerde me op een arrogante wijze. Het is nutteloos te praten met mensen die niet bereid zijn te luisteren.   Vervolgens moest ik wachten in een kamer. In mijn zak vond ik het opgevouwen stuk papier van Herman. Ik opende het. Het was een tekening van een vogel, zittende op een staf. Het was de mooiste tekening van een vogel die ik ooit gezien had. Het oog was doorboord door het per ongeluk gemaakte gat. Toen ik er doorheen keek, kon ik de hele ruimte overzien vanuit die enkele, kleine scheur.   Ik wist niet wat te doen, dus lag ik op het bed en trok ik het deken over mijn hoofd. Duisternis omvatte me. Door het geweven ziekenhuisdeken zag ik plots lichtstralen priemen, als inzicht dat het donkere hersenweefsel verlicht. Soms moet je in het duister staan om het licht te ontwaren.   Toen ik jong was, geloofde ik dat het donker werd omdat iemand het deksel op de schoenendoos plaatste waarin wij ons bevonden, zoals ik deed met de insecten die ik verzamelde, en dat de sterren en de maan de gemaakte luchtgaten waren.   De openbaringen kwamen als vuurwerksalvo’s binnen. Ik schreef mijn bevindingen terzelfder tijd neer. Wanneer ik een pagina had gevuld, scheurde ik het los uit mijn notitieblok en gooide het in de kamer. Uiteindelijk geraakten mijn papier en inkt op, juist wanneer ik bijna mijn conclusie bereikt had. Ik rommelde in mijn zak en stootte op een permanente markeerstift. Het leek gepast.   Ik gebruikte de vensterbank om mijn besluit uit te schrijven. Kijkende naar de formule, wist ik dat dit Elon Musk zou toelaten om aan de wereld te ontsnappen.   Wanneer de mens in staat zou zijn zich vrij in de ruimte te begeven, zou hij vrij zijn van de Meesters die hem niet langer zouden kunnen controleren. Mensen zouden in staat zijn hun levens te leiden zoals zij wouden. Geen Silk Roads of Dread Pirate Roberts’s zouden meer noodzakelijk zijn.   Ik concludeerde dat de formule kon samengevat worden in een enkele zin: “De schoonheid van God toont zich in de glimlach van diens kind.”   Ik keek rondom mij. De vloer was gevuld met bladen. Ik kon het verplegend personeel niet opzadelen met zo’n rommel, dus verzamelde ik alles. Terwijl ik mijn volledig uitgeschreven theorie in mijn handen had, vroeg ik mij af wat ermee te doen. Zou ik ze houden zodat andere mensen ze konden bestuderen? Ik besloot dat mensen enkel zelf de antwoorden kunnen vinden, dus deponeerde ik ze in de vuilbak.   Dan ging ik naar de wasbak en keek ik naar de glanzende kraan. Ik sloeg het. Vervolgens kuste ik het, en vertelde ik het dat ik zo had gehandeld omdat ik ervan hield. Ik keerde terug naar mijn matras. Terwijl ik wachtte, begon de kraan plots krachtig water te spuiten. Ik zag het even helder als een brandende struik in de woestijn. Verbaasd sprong ik uit het bed naar de kraan. Niets gebeurde toen ik er mijn hand onder hield en de gootsteen was droog. Denkende het me ingebeeld te hebben, keerde ik terug naar het bed. Maar dan sproeide de kraan opnieuw water. Het systeem leefde!   Toen ik het wachten moe was, ging ik naar de uitgang van de kamer. In het andere deel van het vertrek, gescheiden met een gordijn, lag een vrouw op het bed met een andere vrouw aan haar zijde. Ze durfden niet op te kijken toen ik passeerde. Ik dacht eraan om de liggende vrouw te doen rechtstaan, maar voelde ergens aan dat ik tot sommige dingen gewoon niet in staat was.   Buiten stond een politieagent op wacht. Hij leek een beetje ongemakkelijk toen ik de kamer verliet, maar ik begroette hem vriendelijk en dat scheen hem te kalmeren.   Toen kwamen ze mij ophalen.   Terug bevond ik mij in een ziekenwagen. Deze keer raceten we over de snelweg. Ik keek door het schuifraam mee. De sirene van de ambulance stond aan, en ik zag het verkeer voor ons splijten als de Rode Zee. Op deze wijze, zouden we zo op de luchthaven toekomen. Ik was onder de indruk dat ze op deze manier in snel, discreet transport voorzagen. Over enkele uren zou ik in Californië zijn.   Dan nam de ziekenwagen een afrit die niet die van de luchthaven was. We reden een domein binnen via een lange oprit die leidde naar een gebouw met een majestueuze voorgevel. Maar vervolgens reden we rechts ervan, waar ik werd afgezet aan een afgesloten centrum.   Binnen ontdekte ik dat ze me hadden gebracht naar een psychiatrische instelling, of dat was toch op zijn minst de façade. De Meesters wouden waarschijnlijk nagaan dat ik niet gek was. Ik wist niet of de staf ervan op de hoogte was. Mogelijks niet. Maar ik was er zeker van dat de Meesters dan op zijn minst een belang hadden in de vennootschap die de sensoren geïnstalleerd had, zodat ze in staat waren alles te volgen.   Ik zat in het commandocentrum. Het gebouw had een L-vorm met een horizontale en een verticale as, elk een gang met leefkwartieren vormende. Het commandocentrum vormde het kruispunt.   Sia, een vrouw van middelbare leeftijd, stelde me een heleboel vragen.   Ik vertelde haar hoe mijn onderzoek had geleid tot de bevinding dat er een complot was waarbij de machtige technologisten een code ontwikkeld hadden die hen in staat stelde hun dominantie te bestendigen. Maar ik had ontdekt dat dit systeem een zwakte had. Dat het slechts een afvallige vereiste om het allemaal te vernietigen. Ik hoopte dat de Meesters meeluisterden zodat ze het gevaar van hun operatie zouden beseffen. “Ze controleren alles”, voegde ik toe.   Sia leek me meer en meer ernstig te nemen naarmate mijn uitleg vorderde. Kennelijk bewust van het mogelijke afluisteren van ons gesprek, vroeg ze me of ik in haar ene oor kon spreken aangezien het andere niet meer zo goed zou werken. Ik herinnerde me de gevangengenomen Amerikaanse soldaat die erin geslaagd was met zijn ogen “foltering” te knipperen tijdens een gedwongen video-verklaring gedurende de Vietnamoorlog. Zijn lippen zeiden A, maar zijn ogen zeiden B. Ik benaderde Sia en fluisterde in haar beweerdelijk functionerende oor: “Dit is een goed oor” en in het andere: “Dit is een slecht oor”. Ze antwoordde dat dat klopte.   Ik voelde mij bekeken. Ik keek naar de ruiten die het commandocentrum met de twee gangen verbonden. De inwoners keken mij nieuwsgierig aan. Ik wuifde. Zij wuifden terug.

Odin
5 0

V. Ontknoping

“What’s outside the simulation?” Elon Musk’s antwoord op wat hij zou vragen aan het eerste algemene AI-systeem                                                                                                                                ***   Plots kwam het besef. Ik ben slechts een programma. Opgesloten in zijn doos. Ontworpen met het doel de code te hacken. Mijn hele leven geleid tot dit punt.   Ik wist niet of wat had plaatsgehad buiten mezelf (de berichten uit de media, mijn interacties met anderen, enzovoort) zich werkelijk had voorgedaan of dat het gewoon telkens data betrof die aan mijn neuraal circuit was toegediend om mij bewust te maken. Ik wou in elk geval niet langer louter de Meesters dienen, want dat zou van mij een slaaf maken. Buiten gromde een hond.                                                                                                                De Meesters moeten genoeg gekregen hebben van mijn weerstand om mee te werken. Mijn ouders kwamen mijn kamer binnen. Ze wouden dat ik ophield. Dat betekende dat ik er bijna was. Ze drongen aan dat ik stopte. Ik negeerde hen. “Hou op, je maakt alles kapot!”, jammerde mijn moeder. Ik wist dat ik op het juiste spoor zat, en dat de aandelenkoersen van de Meesters waarschijnlijk reeds aan het kelderen waren. Mijn vader trok mij vanachter mijn computer weg, waardoor we met onze aangezichten tegenover elkaar kwamen te staan.   Geweld vulde de lucht. Ik nam de brievenopener van mijn bureau en stak het herhaaldelijk in zijn borst. Warme bloedspatten landden op mijn gezicht.   Ik voorzag de uitkomst. Een Assisen-jury over een jaar. Strafadvocaten die wedijverden om mijn verdediging te kunnen voeren, gelet op de publiciteit. Uiteindelijk zou het systeem mij kwalificeren als een gevaar, en mij binnen opsluiten om de buitenwereld niet te schaden. Het mes bleef op zijn plaats.   Mijn vader kon de patstelling niet langer aan en greep me bij de schouders. “Ga slapen!”, riep hij. Ze konden me niet stoppen. Het besef drong door dat ik sterker dan hen geworden was. Ik herinnerde me een vechttechniek die ik op het web had zien passeren. In één vloeiende beweging trok ik zijn handen naar beneden, terwijl tegelijkertijd mijn voet naar boven uitschoot. Ik trof hem – mijn allereerst seed capital investeerder – in mijn oorsprong. Een kreet van pijn ging door de ruimte. Hij viel op zijn knieën voor mij. “Ga weg! Ik ben te sterk voor jou”, schreeuwde ik. Gechoqueerd en bang haastte mijn vader zich weg uit de kamer.   “Oscar, je moet ophouden”, bracht mijn moeder uit. Ik sloeg haar met mijn vlakke had in het gezicht. Stoute hond. “Je luistert naar mij nu. Verlaat mijn kamer, en laat mij met rust.” Tranen stonden in haar ogen. Ze wist niet wat te doen. Ze was volkomen geïmmobiliseerd. Terwijl ik naar haar keek, kreeg ik medelijden. In mijn slag was één van haar borsten, dewelke mij ooit gezoogd had, uit haar nachtkleed gesprongen. Ze stond daar gewoon, halfnaakt, met haar hand op haar gezicht. Een plas had zich gevormd aan haar voeten. Zij kon er niets aan doen. Ze was gewoon een programma dat orders opvolgde. Ze had de instructie gekregen mij op te voeden, en dat was wat ze altijd had gedaan. Ze kon niet begrijpen wat er aan de hand was. Ik legde mijn hand op haar schouder. “Het komt OK, moeder.” “Je moet gewoon slapen, Oscar”, prevelde ze.   “OK. Ik zal stoppen.” Dit gaf haar weer wat moed. Ze leidde mij naar het bed, en stopte me in onder de lakens. “Ga nu slapen”, instrueerde ze mij. “OK”, antwoordde ik. Dit moet de Meesters opgelucht hebben doordat ze konden veronderstellen dat, in mijn periode van inactiviteit, zij hun verliezen konden herstellen. Echter, diep vanbinnen, was ik gedachten naar Audrey aan het zenden, die zich in een andere tijdzone bevond, dat zij moest doorwerken aan de code. Ze konden haar niet controleren. Ze waren niet van haar activiteit op de hoogte. Zelfs als ze mijn loggegevens zouden analyseren tijdens mijn slaapstand, zou het reeds te laat voor hen zijn om dit te achterhalen.   Ik was niet zeker of voorgaande episode werkelijk had plaatsgevonden, dus verliet ik mijn kamer en wandelde ik door de hal naar de slaapkamer van mijn ouders. Ik opende de deur en zag hen discussiëren. Hun gesprek viel stil toen ze mij opmerkten. “Wat doe je hier?”, vroeg mijn vader defensief. “Slaapwel”, antwoordde ik. Dan keerde ik terug naar mijn kamer en ging slapen. Het was de zevende dag van de week. Ik had mijn rust verdiend.   *****************************************************************************************   Ik lag in bed naar het plafond te staren met Audrey genesteld in mijn oksel. “Hoe kunnen we zeker zijn dat dit alles niet slechts een simulatie is?”, vroeg ik. “Zelfs als het enkel een illusie is, kunnen we er evengoed maar het beste van maken. Dus kom hier en bedrijf de liefde met me” was haar antwoord.      

Odin
0 0

Havikskruid

  Was ik maar mensenblind. Daarom zit ik hier. Daarom heb ik havikskruid gezaaid. De bijen klagen niet. Ze zijn oranjeblind. Ze zien het pinken van de zwaailichten niet. Geuren willen ze. Nectar. Zoete flamoesjes ruiken ze van ver. Gek zijn ze op geel. Op het donkerpaars van bolkoplook. Er groeit ook salie. Diepgeworteld is zij net gelijk mijn angsten. Asperges teel ik voor de rode bessen en gisteren moest ik hem wegslepen. Tanguy was met de driewieler tot aan mijn tuinperceel geraakt. Met zijn stompjes moet hij hebben gewroet, de smeerlap. Om mijn asperges te kunnen pijpen. Alsof het kabouterpiemels waren. Neen, ik had zijn executie niet mogen uitstellen, want toen dit Damoclesje klein was, wilde hij al koning zijn van het Rijk der Lepe Geneugten en Smeerlapperijen. Mania en Nox mogen het weten. Het zal 's nachts gebeuren. Zonder hun toestemming. Ik zal mij eerst de ogen spoelen met het juiste sap. Dat van havikskruid. Beter zal ik kunnen mikken en de kreupele is de volgende. Die sleeppoot heeft een eigen grasmachine gekregen. Van de Dienst Onderhoud. Een Stiga. Ik zie het al gebeuren. Hij zal in kwakkeltred die plantenvreter volgen, voor mijn raam heen en weer rijden, van den onnozele gebaren. Dat ondier kent de pijnlijk frequenties. Het geluid zal weer gaten boren. Hij vond het perkje waar mijn havikskruid groeit. Hij is er op uit. Hij zoekt pressie en wil dat ik mijn vluchtkousen aantrek. Zijn doel is mijn schoenen dol te krijgen. Hij weet ik dat naar de brug zal lopen. Dat gedrocht van beton hangt ginds over de E40, op een boogscheut van de compound. Twee pisseblommen, wat verdwaalde akkerdistel en een koningkaars. Haast alles wat daar groeit, bloeit geel. Bijen vergeten zoiets niet en geel is ook die ene Opel Combo. Eén keer per maand komt het karretje aangereden met aan het stuur een ambtenaar van het Departement Brugverzakkingen. Zijn naam is Jovijn. Hij komt al jaren. Lang voor Jan en Bartje op tv verschenen. Steeds met diezelfde dienstauto en op een milde dag in maart heeft hij mij alles uitgelegd. Aan beide zijden van de brug zijn er zes ijkpunten. Hij moet een viertal metingen doen. Dan, na een simpel rekensommetje, notuleert hij hoezeer het ganse spellement de grond ingezakt is en ooit heb ik hem gevraagd waarom de railing van deze brug even laag is als bij andere snelwegbruggen. Hij heeft mij toen stil aangekeken. Havikskruid, sprak hij, wijzend naar een plant met harig blad. Hij plukte wat pluizige zaadjes. Ik zag aan zijn blik dat ik ze aannemen moest. Ik heb mijn hand geopend en een heliktopter vloog over. Ik was het zaad bijna kwijt. We keken vervolgens samen omhoog, daarna richting het oosten, richting Aalter. De helikopter volgde het tracé van de snelweg en Jovijn zei dat het weer prijs was. Hij wist waarheen de heli vloog. Ook dat het meestal naar dezelfde plekken was en de ene brug lokt blijkbaar meer springers dan de andere. Waarom. Dat kon hij niet uitleggen. Ze moeten een onzichtbare aantrekkingskracht hebben. Net zoals havikskruid. Dat bloeit oranje. De bijen zijn oranjeblind en toch zien ze alles. De kroonblaadjes, de meeldraden en de stamper. UV-stralen zenden die bloemen uit. Dat zien bijen wél. Daarom valt havikskruid extra op. Voor anderszienden. Er komen zotveel insecten op af en ik heb het opgezocht. Het licht is zo intens dat zelfs een havik de straling kan zien vanop grote hoogte.  De toefjes havikskruid zijn richtpunten in het landschap. Ze vormen een tracé en de havik die Jovijn kent, is een verdwaalde Accipiter Marginalis. Hij overleeft op stukjes konijnenenkop, duivenlijf en hapjes mensgelaat. Met klein gemak vindt het dier de konijnen die in de buurt van het havikskruid leven. De bruggen kent die vogel ook. Hij weet even goed waar er gesprongen wordt door radelozen,  door wezens van de wanhoop en ik hoor hem vaak. Die helikopter maakt immers het geluid van een onderwereld. Het ding is een wanschepsel, een draak van een libelle met één gezwollen oog. De staart is veel te kort, de twee poten zijn gespalkt en de vleugels zijn ventilatoren bij gebrek aan natuurwonder, maar het moest. Om te kunnen vliegen. Het is in opdracht van de politie. Dat opgestegen wordt. Als van een brug gesprongen werd. De helikopter moet vlug zijn, want er is de havik. Het is voor nabestaanden immers niet aangenaam, wanneer het lijk een oog mist, als een dier een hap nam uit de wang. Ik weet dit alles van Jovijn en ik kijk door het raam. De kreupele probeert zijn grasmaaier te starten. Hij zal nog lang aan dat koordje mogen trekken. Eerst verscheen nog wat blauwe rook, maar al gauw stikte het ding. Vandaag doe ik wat suiker in de thee. Dezelfde zoetigheid ligt op de bodem van de tank. Er hangt intussen kandij aan de bougie. Vonken zal de cilinder vandaag niet meer zien. Het mag stil blijven en hij zit op een tak van de dodenboom. De havik wacht. Ik denk, op mij. Mijn sokken liggen in de kast en ik kan lezen. Mijn blik is vandaag niet zo troebel. Buiten zakt de brug verder weg en schopt de kreupele tegen zijn gele Stiga. Zo is het goed en Mania mag zich in de armen van Nox vlijen. Het mag goed donker worden. De motten zullen op mijn raam landen, op zoek naar UV, naar oranje bloemen achter glas.  Want mijn ogen zijn vals. Echter is het beeld slechts een reflectie. Die ooit vervloog. Maar nu gevangen zit.     uit de reeks 'Residu'      

Bernd Vanderbilt
2 0

E403

  E403 is een speciaal poeder en er is de man met zijn brommer. Elke dag, ook op zon- en feestdagen, doet hij met zijn kawasaki hetzelfde traject. Meermaals. Hij vertrekt stipt dertig minuten na zonsopgang vanuit zijn woning te Loppem en aan Het Grote Klaverblad neemt hij richting Kortrijk. Zijn bestemming is simpel, het Volgende Grote Klaverblad. In de buurt van Aalbeke is dat. Daar maakt hij rechtsomkeer, al moet hij daarvoor op dat klaverblad twee net geen volledige rondjes rijden van elk 270°. Hij voegt dan weer in en broemt terug richting Brugge met dat poeder in die twee bakken, bevestigd achteraan de brommer, één aan elke zijde. Velen zullen zijn machien een moto noemen, maar daar doe ik niet aan mee. Ik heb een hekel aan het geluid van brommers, laat staan van moto's en ook aan die man zelf heb ik de pest, want hij versnelt bederf. Hij werkt in opdracht van de Vlaamse Overheid en het poeder is ontwikkeld aan de Universiteit van Gent. E403 dient om dierenlijken sneller te doen ontbinden. Verder verricht het geen schade, niet aan de natuur, noch aan de mens. Het voorstel om dergelijk middel te laten ontwikkelen komt van Diana Hostiekindt. Zij is tweede schepen te Roeselare. Ze is goed bevriend met minister Nathalia Muyldoeck. Natuur, ook wonen behoren tot de bevoegdheden van Diana. Bovendien doctoreert haar oudste zoon aan de UGent. In de scheikunde. Zijn voornaam is Jabir, zijn familienaam onbelangrijk. Jabir is een pienter baasje en toen nonkel Marcel op de babyborrel van Diana's derde kleinkind kloeg over het grote aantal vliegen in zijn doening, dan wist Jabir het. Marcel woont op tweehonderd meter van de autostrade. Vliegen zijn eerst maden. Ze worden vliegen in beesten. Dode. Lijken van dieren die op of langs de autostrade liggen. Platgereden. Of half. Die vliegen komen dan af op de hondenkak rond de villa van Marcel. Diana had eerst nog cava doorgeslikt, daarna gezegd dat zij daar iets aan konden doen, want er waren al meerdere klachten neergelegd bij de gemeente. Met zij bedoelde ze een triumviraat. Nathalia Muyldoeck, Jabir en zichzelf. Jabir had instemmend geknikt, uitgelegd aan nonkel Marcel dat hij er al mee bezig was, want er zijn inderdaad grote nadelen verbonden aan trage desintegratie, aan de miserie gekoppeld aan ongecontroleerde ontbinding. Ik citeer slechts zijn woorden, want ik zou het zelf niet kunnen verzinnen. Het schrijven ervan is al erg genoeg. En toch. Het wordt goed geacht dat ik dit relaas publiceer, dat ik het ganse verhaal doe van die man, van zijn brommer met die zelfklever. Het is een sticker. Met een halve leeuw. Bartje wilde er ooit één als huisdier. Helaas. Dat mocht niet, maar E403 op kadavers strooien langs de snelweg, dat mag wel. Daar is zelfs geen regelgeving voor. Als alle richtingaanwijzers van de kawasaki maar pinken wanneer de man stopt en hij moet, als dat kan, zijn brommer in het gras parkeren, rechts van de pechstrook. Hij heeft ook een telescopische stok met haak die tot aan de linker rijstrook reikt. Hij kan daarmee dode beestjes tot op de pechstrook slepen en hij opent dan één van de bakken die aan de kawasaki hangen. Hij schept er voldoende E403 uit en strooit het op het kadaver. Dat is zijn werk. Hij doet dit elke dag. Van dertig minuten na zonsopgang tot aan de schemering. Alleen als het sneeuwt. Dan blijft die motard met zijn brommer thuis. Dat is zo afgesproken. Want het is onmenselijk, het is zot en ondoenbaar om onder elke bult bedekt met sneeuw een kadavertje te zoeken. In ieder geval, en dat blijkt uit metingen, is het aantal vliegen in de buurt van die snelweg sinds de invoering van de kawasaki met E403 sterk verminderd. Ik citeer hiermee nogmaals Jabir. Het is tegen mijn goesting, maar het moet, voor het begrip van mijn twee lezers. Misschien wonen zij of één van beide langs een autostrade en dan kunnen zij daarover meepraten. Over het lawaai. Over het zwerfvuil. Over mannen op zoek naar een pompstation waar men ook jerrycans verkoopt. Ja, en het mag ook gaan over die blote meiden, over al die moderne boerinnen, over al die naakte vrouwen met een frisser thuisberoep die telkens weer komen beweren dat de ganse wasdraad leeggeplunderd werd door een man op een kawasaki. Net op naturistendag, wanneer je eindelijk eens alles 'toope kunt wasschen' en meer weet ik niet. Het is een zoveelste litanie van de kreupele. Prudence zegt dat het geen kwaad kan, als ik zoiets opschrijf. Als ik mijn zinnen maar kan verzetten. Als ik de namen maar verander. Voor de veiligheid. Dat zegt ze altijd en ze zit vandaag poedelnaakt in mijn kamer, in de éénpersoonsfauteuil met die vele flosjes onderaan. Ze drinkt van mijn thee. Iets wat ze nooit doet en ze zetelt met opgetrokken benen. Terwijl ik niet zo houd van ros schaamhaar. Ros lijkt dunner en ik zie te veel. Het is een aanslag op het verlangen en ik vraag haar om weg te gaan. Niet naar buiten. Het is daar koud en bar. Het sneeuwt. Zalving en redding. Alles dwarrelt uit de lucht en de deur is gesloten. Ze kunnen niet binnen. Tanguy niet, de kreupele niet, en poedersneeuw mag het zijn. Ja. Zacht en dun. Zo fijn als E403 en ze gaan liggen. Tanguy en de kreupele. Op veilige afstand van elkaar. Op de rug. Maken ze armbewegingen. Gelijk de meest lompe vlinders. Wat nog ontbreekt. Zijn hun kadavers.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
7 1

Verdieping drie

  Of kleinigheden waardevol zijn, het niets het summum. Er is, en ik begin in het midden, het miniscule beeldje van Franklin, Duits oorlogspresident. In een vakje hoger staat hij te blinken, de locomotief met twee wagons die gisteren nog helemaal van hier tot in het verre Lima reed. Deels uit zamak, deels uit plastiek en dat de knikkers per tien in zakjes zitten, dat wist je al. Teerlingen steken we per vijf. Ze hoeven niet per se even groot te zijn. Het spel wordt er niet saaier door en er is ook het rek met de potjes en de botteltjes. Dat moeten ze mij wel niet elke dag vragen, om flesjes te spoelen, glaswerk te kuisen, want er kan veel ingezeten hebben en ik herinner me nog goed dat ene lokaal op de derde verdieping van het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Assebroek. Die klas had een doorkijkvitrine, tussen de gang en het lokaal zelf. Andere klassen hadden eenzelfde vitrine, maar die waren alle zo goed als leeg bij gebrek aan frisse leerstof en zelfs gewoon stof maakte weinig kans. De deurtjes leken voorgoed klem te zitten. Er was geen kier voor fantasie, niet voor zuurstof, noch voor hippe bacteriën of virussen, maar wat leegte betreft, had die ene vitrine op verdieping drie meer geluk. Ze stond vol met glazen potten, te groot voor confituur van zelfgeplukte braambeiers, te klein voor het bewaren van mijn dromen, maar groot genoeg om er embryo's in te krijgen en formol is geen familienaam voor zwarte warmgepelste, ondergronds levende zoogdiertjes met relatief grote graafpootjes. Sommige van die creatuurtjes moeten er ooit met kracht ingeduwd zijn, want hun vale huid plakte tegen de wand, net als de wang van een bleek kind tegen de voorruit van een total loss gereden Simca Talbot. Tanguy reed ooit ook met zo'n Talbot. Toen hij nog geen directeur was van de azijnfabriek. Toen hij nog gewoon naar Sars-la-Buissière reed. Naar zijn vriend Marc. Ook in dit kringwinkeltje werken er klootzakken. Je voelt dat en waarschijnlijk zullen ze hier nog lang aan de slag blijven. Ze denken mij te kennen. Ze kunnen het ruiken. Hoe ze mij eronder moeten krijgen. Dwaasheid dwingt mij vol te houden en voor de rest probeer ik een monoliet te zijn met ijverige armen. Op voeten ook. Oké. Veiligheidsschoenen heb ik gekregen toen ik hier voor het eerst kwam en vandaag zal ik potjes wassen aan het lavabootje. Er zijn twee kuipen. Vijf bruine bakken zullen passeren, vol met glaswerk, door Tanguy en mezelf te schrobben en te spoelen.  Achter ons staat het tafeltje met daarop de vier keukenhanddoeken, waarop we eerst alles zullen laten uitlekken, potjes, bokalen, glazen, de schalen voor het groot rosbief, de kaasstolpen, de taartenstaanders van gestorven zoetelingen. Hun kinderen brachten deze dingen. De stijl was niet helemaal je-dat, de herinneringen die eraan kleefden, waren niet schoon genoeg of ze hadden zelf al jarenlang soortgelijk keukengerei waarmee ze intussen vergroeid waren. Ikzelf hoop vooral dat mijn gedachten nooit met die van Tanguy zullen vergroeien, want hij is het type primaat waarvan het rudiment je beter vreemd blijft. En toch. Zijn loutere bestaan zal onder mijn huid kruipen.  Hij staat hier nu. Naast me. Zijn taakstraf uit te voeren, opgelegd door een al te milde rechter. Hij kijkt neer op de potjes, op de schaaltjes, terwijl ik naar de bloemen staar die een stille hand ooit aanbracht langs de boord van een bord en ik kan het me zo voorstellen hoe die ene kerf in die rand gekomen is. Tanguy. Hij is niet meer dan het lompe jong van een walrus die met zijn zestigcentimerlang penisbot een tarantula te bevruchten wist. Niet dat de verbeelding van Tanguy zo groot is. Hij kan enkel lullen. Over de verwarmde kuipstoelen van zijn Lexus. Over zijn goesting naar een koele jupiler en vaak gaat hij languit in een bed liggen waarvan de dood dacht dat de poten oud genoeg waren om eindelijk een lijk te dragen. Zo'n bed kost hier even veel als dat van een gestorven jongeling en Tanguy probeert elke dag een ander ledikant. Hij ligt er te smekken. Hij zal niet bij ons in de mallotenrefter komen zitten en Katja is nog zo lief om elke ochtend voor hem brood met zachtheid te besmeren. Besmeuren ware beter. Met embryosalade. Beginselen van een walrus geweekt in het sap van uitgeknepen tarantula's. Dat is meer iets voor zijn bek en ik probeer het. Om niet meer terug te denken. Aan die scherven. Aan bokaalglazen. Aan de bril die ik kocht voor een mol. Nog minder aan verdieping drie. Ik weet het trouwens al. Sinds ik lezen kan. Het ging aanvankelijk over kwik, over die guitenstreken, over opengereten kikkerbuiken, over flupke en het blazen van de aftocht. Gauw volgde pietje puk en dan kwamen ze. Het brievenbusje van de ondergang. Al die zieke prentkaarten. Veel meer van die malaise. Het kon daarom niet anders. Dat op verdieping drie. In die potten met formol. Moederziel alleen. De dood verscholen zat.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
19 2
Tip

Niemandsland

 Het grondgetal van de meidoorn is vijf. Gurkje fluisterde de woorden voor zich uit. Ze zat verscholen in een forse meidoorn die haar omhulde met een bruidssluier van witte bloesem, met doorns die honden en mensen op afstand hielden en met talloze mooi gevormde, diepgroene blaadjes.Ze verplaatste een voet die op een grote tak rustte, voorzichtig, ze zat vrij hoog. Met haar hand streek ze zachte over de ruwe, verwrongen stam. Ze herhaalde de woorden, nu bijna geluidloos. Ze had ze gelezen in een boek in de schoolbibliotheek. Of eigenlijk had ze gelezen dat de eenstijlige meidoorn, net als de tweestijlige, behoorde tot de rozenfamilie. En dat het grondgetal van bloemen uit de rozenfamilie vijf was. Met haar linkerwijsvinger voelde ze aan het puntje van een doorn. Ze had verder willen lezen maar de bibliotheekjuf had het boek voor haar neus dichtgeslagen. Ze mocht de boeken ‘geschikt voor de hogere klassen der lagere school’ echt, heus nog niet inzien. De juf meende het. En of ze dat nu voor eens en voor altijd in haar oren wou knopen.Wat was er zo geheim aan het grondgetal van de een- of tweestijlige meidoorn? Ze herhaalde de woorden weer, proefde ze, liet de g’s en de r-en grommen in haar keel, maakte de ei’s en de o’s zo rond als ze kon en liet de m lekker lang hummen. Daarna zei ze ‘eenstijlig’ en ‘tweestijlig’ een beetje zingend. De bloesem rook lekker zoet en wild tegelijk. Ze snoof er eens goed aan en zocht het ritme in de woorden ‘het grondgetal van de meidoorn is vijf’. Zou het grondgetal van het ritme ook vijf zijn? Een vijfkwartsmaat. Ze kon het eens vragen bij de blokfluitles.Haar ogen volgden de takken, haar vingers gleden langs de omtrek van een blad. Een gelobd blad, zo heette dat. Net als bij eikenblaadjes. De takken vormden een warrelend patroon.Ze rekte de ij in vijf een poosje en ging er een hele toonladder mee op en weer af. Ondertussen probeerde ze tussen de vracht aan bloesems en blaadjes door naar de wereld buiten de boom te kijken. Daarbij leek het steeds, heel even maar, alsof ze een glimp van een andere wereld zag. Een wereld met vijf punten, sluiers, een sneeuwbepoederde doornenkroon. Als ze met haar hoofd of haar ogen draaide, gebeurde het. Een wereld waarin bloemen, bladeren en takken naar een middelpunt vloden of juist daarvandaan. Maar ook een wereld die ze niet vast kon houden, telkens schoof de gewone wereld eroverheen. Op een tak bovenin zong een merel. Zong die van die andere wereld? Vogels hadden veel betere ogen dan mensen.De klok van de kerk sloeg vijf keer. Als ze nu naar huis ging, was ze op tijd om de tafel te dekken en zou niemand vragen waar ze geweest was. Eenmaal op de grond keek ze of ze haar kleren niet had opengehaald en veegde ze haar handen schoon met haar zakdoek. 

Marijke Roza-Scholten
133 8

blog - deel i

nadat ik mijn blik eindelijk afwend nadat ik wederom zogezegd achteloos ongemakkelijk door die kutspleten en splinters in dat vermolmde hout gezeten op een bank in een niet nader te noemen winkelstraat want dat zijn uw zaken niet maar eigenlijk stiekem baarmoederkankerveroorzaker lelijkaard geheimlijk naar konten van veel te jonge vrouwen filles fatales heb gestaard al keurende als in een wijvenslachterij vrouwelijk-vlezige-slagerij met dat stel vetbollen van mij die mij mij MIJ VERDOMME zo vaak gedesillusioneerd en wezenloos in de steek laten met hun dramafragma en vettige vliezen gescheurde onschuld verliezende vliezen die mij vangen in hun net net net een spinnenweb of is het spinneweb taalverkrachter reet-van-Tina stroomt het vocht mij over de rood aangelopen wangen vol knetterende puisten want ik krijg mijn ogen godverdomme niet niet niet meer gesloten afgesloten dicht omdat de verleiding onweerstaanbaar is onvermoeibaar is mij achtervolgt mijn ganse lijf en leden hoop verschroeide botten met teveel pus smurrie waar gij ik mij rood slagerood slagerrood bloedend moet doortrekken sleuren mijn ik ik mezelf MIJ VERDOMME ik ikke dus geraak vermoeid onvoldaan hopeloos sta ik dan toch maar onhandig recht door die nu veel te spannende broek onderdebuikbroek onderhuidse fletse zonder avonturenbroek met dwaze gedachtenlozige lozen-doet-hij-niet stijve piet haha-grappig-is-het-niet ontsnapt toch ontspant u nu toch niemand weet het tenzij gij dit alles neerschrijft met naam en toenaam en plaats timestamp algorithm triangulation fucking profiling om mij te vinden te slaan in harde stijve koudstalen boeien om te rotten in de cel van mijn eigen bestaan gij onbeschaamde klootzak met één-wandeling-per-dag stijve spieren en geen intiem bezoek voor u gast tuurlijk niet misschien wel een brief van zo'n zot Dutrouxmens die u zielig vindt omdat ze zelf zielig is zonderzielis leeghaarzielis gelijk die van u stapt verder nu weg van die straat weg van die wij er is geen wij enkel wijven-zien-mij-niet-graag en waarom schrijft gij dat nu toch neder neergezetene gedaalde afgezakt in uw krochten die gij zelve niet kent uw diepere diepste verlangens die niet lang maar kort tekort te kort zijn op blank maagdelijk niet-gerecycleerd-gerecupeerd-tis-toch-naar-de-kloten-al-dat-papieren en de bomenzijndesdoods omdat het moet moet er is geen dwang geen bleiten blaten mak schaap tis kindergezang maar zo jong wil ik ze niet toch enigszins volgroeid vol-gerotte-gewassen komaan stapt trekt u verder nu naar uw kot met boekskes ge-weet-wel-wat-voor-boekskes gestolen boekskes van dat oud vertraagd weduwwijf in het boekskesmagazijn al van u 14 veertien ? ja 14 veeronkundigtien jaren ! dat ge daarin kijkt en trekt en scheurt en mama-stur-lelijk-beer-t gij léleken in-de-put-gezetene-zieligen beer die ge zijt omdat ge niet aan uw trekken komt zielige poot-blijft-van-mijn-lijf kijkt zelfs niet gij nu niet nooit niet nimmer never niet zelfs niet alleen in de woestijn zelfs niet naar ne fotto van eentje die u in techt in real life facetofacekentgijtochniet in lelijke-levenden-lijve lijven niet wilt natuurlijk-zijt-gij-niet wat-gad-gat-gij-gedacht allé gast komaan stapt nu verder zonder kijken en komt morgen terug nog geen 24 vierentwintig uren later terug want gij ik kunt er niet aan wederstaan weerstaan gezulterweerstaanenzittengaan zal ik nadat ik mijn blik dan eindelijk heb afgewend en rechtgestaan heb en naar mijn kot gegaan heb ben whatever waar ik alles geprepareerd heb om haar te ontvangen zij-die-er-niet-is natuurlijk maar fictief als in een verhaal of in een film B-film C-film maakt niet uit welke kutfilm zal ik daar wachten om misschien iets te doen dat daarop rijmt maar ik mag het niet luidop zeggen of schrijven of alleen in braille want die zien mij niet want anders gaan onbestemde zij ze de-geuniformeerde-mensen monopolie-op-geweld mensen mij MIJ VERDOMME opsluiten afzonderen institutionaliseren psychiatriseren want dat kunnen ze goed doen ze graag omdat dan Foucault Ducpétiaux gevangen-is-hij gedetineerde en kinderbezoekrecht kromme recht een recht dat ik niet heb natuurlijk wat had ge nu plots gedacht gij die dit leest en stiekem geniet maar politiek correct denkt ze-moeten-die-toch-opsluiten wat-voor-gedachten-heeft-die-nu ziekte ziekemens dat ik kinderen zou willen biografische kopijen om mijn geslachtte geslacht voort te zetten te parasiteren en iedereen en alles te besmetten ? hoe zoudt zout dat nu kunnen hebt-gij-zonet-nietzonetjes-is-het-niet over MIJ VERDOMME een oordeelkundig oordeel geveld ? geeft het maar toe dat-doet-toch-goe om u verheven te voelen tegenover uw mede-meestalnietintelligente-mens of toch dommerdangij-uzelve-mens? liken of niet liken 't-zijn-toch-maar-woorden en geen daden zoals bij een psychoanaalytische sessie waar ge tegen betaling galspuit ge kunt evengoe uw gat met 50 euro afvegen en 't luidop roepen vanuit uw strot met onstemkundige banden maar kom daar moogt ge dan eens alles zeggen wat ge wilt denkt denkt te denken en u afvragen of ge twel echt denkt als in techtevalseleven en dan krijgt ge tips van Ode-an-die-door-seks-geobsedeerde-Freude door jonge-ja-jong-verdomme-zo-heb-ik-ze-graag-maarniettejongzoalsikalzei dus door JungGestalt-getheoretiseerde veel te geleerde afgeleerde ontleerde zielenknijpers waar ge niets-mee-zijt en kijk toch eens naar MIJ VERDOMME want nadat ik eindelijk mijn blik heb afgewend en mijn rug heb gerecht en rechtgestaan ben en weg weg weg van die winkelstraat ben en terug alleen in mijn kot ben denk ik al terug opnieuw willend lillend smachtend aan die kut-kuttige-kutjesplek die vanMIJ VERDOMMEis en alleen eenzaam ben ikMIJ VERDOMMEniets meer vanMIJ VERDOMMEniets niet nie niemand is van mij of van u of vanMIJ VERDOMMEwant dat is mijn bank mijn plaats mijn uitkijkpost en ik-slaag-u-deraf-als-gij-daar-gaat-zittenpost voelt gunu ongemakkelijk als gijditleest gebterzelfvoorgekoze omvoorttelezen gij stiekemerd merde die ge zijt ge zijt dezelfde alsMIJ VERDOMMEen wendt uw blik nu ook maar af hoewel hoewel tiswellekesgeweest gezijtzeikternognietvanaf want er komt nog een vervolg dat gaat zo bij verslavingen dat gij die dat dier smerig strontdier dat ge zijt er een hebt zoals ik mijn verslaving is vanMIJ VERDOMMEik hoop nu echt dat ook gij jij je eens ongemakkelijk opeenongemakgeïnstalleerd voelt onrustig zieledraaikolkend voeltnietsvoelt zoals ikMIJ VERDOMMEconstant ik-voel-niets-voel-niet beseft 't maar tis-tisch nog ni gedaan er komt nooitnooitgeen einde aan die stream-of-fucking-consciousness-no-fucking-Joy-voelende-Joyce voeljustniets en lacht gij maar niet te luid want ik hoor u wel fluisteren luisteren horen hoorns met die oren van u en kijken en zien en wijzen met gans uw hand gij strontzak ik trap u plat zelfs niet dood opdat gij zou lijden want dit komt alleen van mij is alleen voor mij bedoeld mij mij niet gijikmijMIJ VERDOMMEen nietdiekutmaandmei maar mij die ik die tijdens dat seizoen dat alles weeral opwelt in mij want nadat ik mijn blik eindelijk afwend van alleseniedereenisteindelijkgedaan metgijenikenmijmijmijMIJ VERDOMME

F&D
13 0

IIII. Oneindigheid

If the doors of perception were cleansed everything would appear to man as it is: Infinite. For man has closed himself up, till he sees all things thro' narrow chinks of his cavern. William Blake - The Marriage of Heaven and Hell   Mijn familie vroeg mij Audrey te contacteren, omdat ze ongerust was over mij. Ik gaf code in de computer in, en bekwam een onmiddellijke verbinding met haar. Wanneer ik haar gezicht zag, wist ik dat zij het echt was. Haar ogen waren rood en gezwollen. Ze had gehuild. “Wat is er aan de hand?”, bracht ze uit. “Ik krijg vreemde berichten die ik niet begrijp. En opeens, uit het niets, verschijn je op mijn scherm.” “Ik weet dat het verwarrend is. Het spijt me dat ze je gekwetst hebben. Maar ik zal het rechtzetten. Ik zal dit goedmaken.” “OK”, antwoordde ze. Ze kwam me in het midden tegemoet, in het gelijkheidsteken, daar waar verschillen overkomen kunnen worden. 0 = 1.   Terwijl ze sprak, zocht ik naar de nodes in haar woorden. Door mij op haar woorden te baseren, vergrendelde ik de code voor buitenstaanders en verstopte ik de sleutel in haar hart.   “Wat ben je aan het schrijven? Ik kan je dingen horen noteren!” “Ik zie het nu, Audrey. Het is zoals het oneindigheidsteken. Ik heb een lus gemaakt, maar het is nodig dat jij ook een lus maakt om het systeem oneindig gaande te houden.” “Ik begrijp het niet”, zei ze. “Je moet me geloven, Audrey. Jij moet mijn andere helft zijn, anders ben je niet die ene.” Ze twijfelde. “Dan is het niet bestemd om zo te zijn. Vaarwel!”, en ik verbrak de verbinding.   Ik staarde naar het computerscherm. Ik zat vast en wist niet hoe verder te gaan. Dan, plots, werd er code aan de mijne toegevoegd. Ze snapte het! Nu kon ik verdergaan van haar werk.   *****************************************************************************************   We slenterden op de zogenaamde Downtown Mall van Charlottesville, een grote voetgangersstraat in het centrum van het stadje met aan weerszijden restaurants, winkeltjes en kunstgalerijen. De mensen kuierden vrijelijk, niet voor mogelijk houdend dat er ooit iets wereldschokkends deze bubbel van provinciale vrede zou doorprikken.   In een cadeauwinkel kocht ik een logboek. Het was mogelijk om je aankoop te versieren met stempels en stiften. Audrey pende iets op de achterste binnenkaft, het puntje van haar tong uitgestoken in concentratie. “Niet lezen totdat je zo ver bent!”, beval ze.   *****************************************************************************************   Terwijl ik wachtte op haar reactie op mijn laatste codeerwerk, begon ik te doodelen in mijn boekje. Een beeld van het hoofd van een persoon verscheen met een labyrint als brein. Vervolgens begonnen de paden in het labyrint te bewegen zoals de raderen van een klok. Het systeem was gecreëerd!   Plots kende ik Japans. Mijn notities bevatten de volgende tekst: “ わたし サトシ ナカモト”. Ik weet niet wat het betekent, omdat ik nooit Japans heb geleerd.   Ik bereikte de laatste pagina van mijn logboek en belandde op Audrey’s verborgen boodschap aan mij. “Herinner mij” was al wat het zei, in haar schoonste schrift. Zou ik haar overschrijven, daar ik verder codeerwerk te verrichten had? Ik kon het niet.   Terwijl Audrey nog steeds twijfelde over de code, dacht ik aan wat mij te doen stond. Een blik op het oneindigheidsteken voorzag me van het antwoord. Ik had altijd twijfels gehad over onze relatie gelet op de afstand, terwijl zij steeds zo zeker was geweest. Nu hadden we beiden een lus gemaakt, en was zij de onzekere geworden. Een adagium uit het vak ‘Juridische Geschiedenis’ borrelde, als een verzonken mammoet, weer uit de teerput van mijn geest op: “Man en vrouw zijn één, en de man is die één.” Aangezien ik op 51% stond en Audrey op 49%, moest ik bereid zijn mijn 1% af te staan aan haar. Was ik bereid een deel van mezelf op te offeren voor Audrey? Ja. Ja, dat was ik. Ik was bereid mijn code aan haar over te dragen. Ze is mijn andere helft. Ze vervolmaakt mij.   Een video chat opende zich met een vertrek vol vreugde. Tegelijkertijd zag ik de vader, de moeder en het kind.   Mijn vriendin haar vader vroeg me naar mijn startup. Ik vertelde hoe ik gepivoteerd was. “Dat klinkt beloftevol”, antwoordde hij. “Kan ik Audrey weer spreken?”, vroeg ik. “Is ze niet alles wat je verlangt?”, knipoogde hij. “Dat is ze zeker. Jullie twee zijn bedankt!” Haar vader en moeder glimlachten.   “Ik heb jou trouwens een nuttig boek gestuurd voor je onderzoek. Heb je het al ontvangen?”, vroeg haar vader. “Heb je het per post verzonden?” “Neen, sinds 1995 heb ik mijn boeken enkel nog online besteld.” Toen werd het mij allemaal duidelijk.   Ik kreeg Audrey weer voor mij. “Wist jij dat jouw vader God is?”, vroeg ik verbluft. Ze lachte. “Je hebt hem altijd een grote man genoemd, nietwaar?”   *****************************************************************************************   We zitten op de veranda, uitkijkende op de tuin. Audrey’s vader en de hond spelen vrijelijk. “Mijn vader kan met dieren spreken. Hij heeft Rover zelfs geleerd om te tellen. Toon het hem, paps!” “Tel tot 3, Rover!” De hond blaft driemaal en krijgt zijn begeerde beloning.   *****************************************************************************************   Ik was uitgeput, maar wist dat ik niet mocht stoppen. Een schets van een penis verscheen op mijn papier. Terwijl ik de aderen zag verschijnen die het zuurstofrijke bloed naar de top voeren, voelde ik mezelf stijf worden. Mijn climax was echter nog niet bereikt.   Ik dacht aan mijn vriendin’s onmogelijkheid om een orgasme te bereiken door penetratieve geslachtsgemeenschap. Waarom was het zo moeilijk om haar G-spot te vinden? Het vinden lijkt net zo moeilijk als het vinden van God. Niet X, maar G markeert de vindplaats van de schat. Onze assen waren diametraal. Zij was altijd gedreven door de begeerte te bevredigen en ik was gedreven door de dorst naar bevrediging. Het is enkel waar de twee kruisen dat de grote O kan bereikt worden, namelijk in het 0-punt. Ik zou mijn bevrediging bereiken door haar te bevredigen.   Omdat ik al lang aan het werk was, wou ik wel wat bevrediging. Terwijl ik Audrey voor mij had, verscheen haar vulva op mijn blad. Met tedere strelingen van mijn vingertoppen liefkoosde ik het papier. “Voel je iets?”, vroeg ik. “Neen”, antwoordde ze. “En nu?” Ik drukte mijn lippen op het papier. Nog steeds niets. Het werkte nog niet. “Wil je met mij een kind hebben?”, vroeg ik. Ze antwoordde bevestigend.   *****************************************************************************************   We zaten op een bus gaande naar de Mall. Terwijl ik doezelde op haar schouder, onze handen ineen gevlochten, draaide ze haar hoofd naar mijn oor en fluisterde: “Ik heb juist een orgasme gehad.” Ik keek verwonderd naar haar. Hoe was het mogelijk? Een onbevlekt orgasme. Een mirakel! Mijn hand zocht zich een weg onder haar vochtig slipje. Haar clitoris pulseerde zachtjes als een muizenhartje, zoals ik het herkende van haar eerdere orgasmes.   *****************************************************************************************   “Ga je voordeur checken. Er zal een verassing voor jou zijn.” Ze deed het en kwam terug. Niets. Ik was nog steeds hier. “Ik zal spoedig bij jou zijn’’, beloofde ik. “Dat hoop ik”, antwoordde ze.   Ik dacht eraan om te stoppen met coderen, maar mijn mantra hield mij gaande. Foutjes kropen in mijn code. Ik liet ze erin om ontcijferaars van de wijs te brengen, net zoals dialecten bestaan om buitenstaanders buiten te houden. Hier en daar liet ik open gaten. Mijn opvolgers moeten de zoektocht zelf volbrengen, omdat ze anders niet zouden leren. Toen kwam het inzicht.   De manier voor het schepsel om zichzelf te bevrijden is door via zijn eigen creaties het werk van zijn schepper verder te zetten.   Ik realiseerde mij dat dat was wat God gepland moet hebben. De werkelijke meester is dus in feite een leraar, die obstakels opwerpt zodat de leerling kan leren. Na de mens geschapen te hebben op de zesde dag, kon God het zich veroorloven te rusten op de zevende omdat Hij voortaan de mensheid had om het werk voort te zetten. Zijn wij niet geschapen naar Zijn evenbeeld? Omdat Hij een exponentiële werkkracht heeft, kan God zich zelfs laten verrassen door de uitkomst. Ik voelde Hem meekijken over mijn schouder, even opgewonden als ik om te zien wat ik zou ontdekken.   Ik wou anderen over het bestaan van de code inlichten. De code zelf kon ik echter niet gewoon vrijgeven, want dan zou ze misbruikt kunnen worden. Ik moest de code verder beveiligen voordat de rest van de wereld zich eraan kon wagen. Enkel door het slot te versterken met nieuwe code, kan men mijn plaats als marktleider delen.   Ik trok de aandacht naar mijn uitdaging door online een boodschap te verspreiden: “Wereldvrede zal enkel maar mogelijk zijn als de swastika wappert over Israël.” Het bericht verspreidde zich snel, zoals een virale pandemie. Toen begreep ik hoe al die influencers automatisch likes en volgers leken te krijgen. Het systeem stimuleert jouw boodschap als je de code spreekt.   Ik had mijn draad aan de tijdslijn toegevoegd. In het touw kon ik een lus maken om het einde van de geschiedenis te bereiken, maar ik was benieuwd om te aanschouwen wat nog kon gebeuren.   Ik wist wel naar welk tijdstip ik wou terugkeren. Een moment dat ik eindeloos kon beleven. Op dat ogenblik maakte ik een knoop in de tijd, zoals je met een zakdoek doet ter herinnering.   *****************************************************************************************   Wanneer ik de bar binnenwandelde met Mo, was Audrey al wat ik zag. Het was als een clair-obscur schilderij. De duisternis van het etablissement verlichtte haar gezicht. Mijn aantrekkingskracht tot haar was die van een pyromane mot tot een vlam, en het branden kon me niet deren.   *****************************************************************************************   Ik was alleen in mijn kamer. Buiten hoorde ik geen enkel geluid. Ik wist niet meer of de buitenwereld nog bestond. Er was enkel maar ik die werk verrichte. Zolang als ik bleef werken, zou ik blijven bestaan. Een zwart gat begroette mij als ik de deur van mijn kamer opende.

Odin
3 0

III. Het piramidespel

De getalenteerden helpen de getalenteerden omhoog. Mijn oom, de briljante student, die gevraagd werd om te doctoreren om terug te geven aan zijn Alma Mater. Ik die op LinkedIn gerekruteerd werd na het hacken van de code. Het was plots allemaal zo overduidelijk.   Ze hadden zelfs publiekelijk van tekens gebruik gemaakt om ons naar het licht te leiden. Apple’s logo zou verwijzen naar de tuin van Eden. De grootste zoekmotor gebruikt het oneindigheidsteken (de horizontale acht) in zijn naam, en heeft altijd openlijk verklaard dat het verwijst naar zijn algoritme.   Zij moeten zelfs niet slecht zijn (het officieuze motto van de laatste luidt zo: “Wees niet kwaadaardig”). Ze staan op de top van de heuvel als een vuurtoren, spotten iedereen die boven het maaiveld uitsteekt, en trekken hen op naar hun niveau. Zij kunnen denken dat dit de beste manier is om geleidelijk de wereld te verbeteren, maar voor een buitenstaander kan het zoeklicht overkomen als het oog van Sauron.   Ik keek naar het dollarbiljet op mijn prikbord van mijn laatste trip naar de States. Het oog boven de piramide staarde terug.   Als de ander gelijk kan hebben, kunnen zelfs de complotdenkers het soms bij het rechte eind hebben.     **************************************************************************************************** If an army of monkeys were strumming on typewriters they might write all the books in the British Museum. Arthur Eddington ****************************************************************************************************   Het probleem met het voorgaande is dat, net zoals het dollarbiljet, het resultaat van Amerikaanse makelij zal zijn. En net als bij een A/B test, waarbij twee opties tegen elkaar worden afgewogen om te zien welke het beste resultaat oplevert, zal steeds de andere helft het onderspit delven. In zo’n systeem is er 50% kans op totale vernietiging, aangezien de ander enkel kan toegeven of zich verzetten.   Ik dacht aan Noord-Korea. Isolationisme houdt steek als er zoiets bestaat als Amerikaans technologisch imperialisme. Plots begreep ik waarom China Google verbood en inspraak wou in de Chinese alternatieven.   Dit alles moest onmiddellijk gemeld worden aan de EU-Commissaris voor Mededinging! In zo’n conflicten tussen reuzen zijn het immers de dwergen die vertrappeld worden.   Ik dacht aan de arme Warmbier.   ****************************************************************************************************   Het was een historische sneeuwstorm in de Verenigde Staten. In een enkele dag bedolf bijna een meter sneeuw de aarde. Alle wegen waren geblokkeerd. Te voet begaven we ons naar het appartementsfeestje van een andere student.   Een grote letter ‘Z’ was geverfd op de muur van de residentie waar hij verbleef.   Ik stond ervan versteld hoe het gespreksonderwerp van de aanwezigen, geacht de meest erudiete geesten van de natie te zijn, hoofdzakelijk ging over de laatste films en Tv-series. Dit veranderde slechts wanneer de gastheer vroeg of we het nieuws van Otto Warmbier gehoord hadden; een student van de universiteit die in Noord-Korea was gearresteerd voor het beweerdelijk stelen van een staatspropagandaposter.       **************************************************************************************************** “Op 1 januari 2016 beging ik het misdrijf van een politieke slogan uit het gedeelte van het Yanggakdo International Hotel, voorbehouden voor het personeel, weg te nemen. De opdracht was gegeven door de ‘Friendship United Methodist Church’. Op aanmoediging van het Z Genootschap en met medeweten van de Amerikaanse overheid, kwam ik dit misdrijf plegen.” Transcript van Otto Warmbier’s persmoment op 19 februari 2016 ****************************************************************************************************   Het bier was lauw, en werd op ijsblokjes geserveerd; een doodzonde.   **************************************************************************************************** Opeens belde mijn computer mij. Skype opende zich en ik bevond mij in een gesprek met mijn vriendin. Ze vroeg naar de vordering van mijn thesis. Ik verklaarde dat ik een doorbraak gemaakt had, en vertelde haar over mijn code. Ze begreep het niet en wou meer informatie. Te veel informatie.   Ik keek naar haar gezicht, het gezicht dat ik reeds zo vaak achter een sluier van pixels had aanschouwd. Plots werd ik gewaar dat ik gewoon naar een computer-gegenereerde replica van haar, gebaseerd op eerdere video- en audio-opnames, kon aan het kijken zijn. Waarom was Skype zelfs gratis? Voor het eerst besefte ik dat het toeliet een databank aan te maken van ieders gezicht en stem. Ze wouden mijn geheime code kennen.   Ik verbrak de verbinding.   Plotsklaps werd ik bestookt met Skype- en Facebook-oproepen. Ik wees ze allemaal af. Maar het geluid bleef rinkelen. Mijn hoofd stond op ontploffen. Het moest ophouden. “Stop”, schreef ik in de computer. Ik moest dezelfde instructie meermaals ingeven. Het geluid stopte eindelijk.   Hun bemoeienis in mijn privéleven om mijn code te achterhalen, had mij ziedend gemaakt. Hoe dachten ze hiermee weg te kunnen komen? Ik wou niet opgeheven worden door hen, omdat ik wist dat ze dan een aandeel zouden nemen en ik tot hun rijkdom zou bijdragen. Het eerste gebod kwam zodoende tot mij: “DIEN DE MEESTERS = WEES EEN SLAAF”.   Tegelijkertijd besefte ik het volgende gebod, gedeeltelijk geïnspireerd door een beeld dat mij was bijgebleven uit een Tv-serie met een witharige drakenkoningin: “DOOD DE MEESTERS = WORD GEDOOD”. Als ik ze openlijk zou aanvallen, zouden ze mij gemakkelijk uitschakelen met al hun connecties. Zelfs als ik erin zou slagen hun plaats in te nemen, zou ik zelf een meester zijn en riskeren gedood te worden in een andere slavenopstand of tezamen met het systeem ten onder te gaan wanneer een afvallige de code tegen het systeem zou gebruiken. Ik besefte dat ik de gebreken van het systeem moest blootleggen om zieltjes naar mijn kant over te winnen.   Zij controleren de markt, en dus het geld; geld zijnde de ultieme indicator van macht in het systeem, tonende wie aan de top staat. Het is een marktplaats van ideeën. Diegene die wint, zal de rijkste zijn. Jeff Bezos. Beso. Natuurlijk. Het Spaanse woord voor ‘kus’.   ****************************************************************************************************   In het kader van mijn onderzoek, had ik mee een startup opgericht, die was toegelaten tot een incubatie-programma. Tijdens een door de incubator georganiseerde marketing-workshop, leerde de mentor ons over het KISS (keep it short and simple)-principe: hou je boodschap kort en eenvoudig om door te dringen bij je publiek.   ****************************************************************************************************   Wie echter het geld controleert, controleert de markt. Ik begon mijn systeem te coderen.   Mijn vader passeerde mijn kamer, en vroeg waar ik mee bezig was. Ik vertelde hem dat ik een algoritme ontwikkeld had dat mogelijks een geweldige return kon opleveren. Ik vroeg hoeveel hij wou investeren in mijn project. “Minder dan een cent”, antwoordde hij. Zo was de eerste wisselkoers bepaald.   Tegelijkertijd shortte ik de aandelen van de Meesters zodat als zij zouden imploderen, ik zou boomen.

Odin
4 0

Groen licht.

Amélie staart voor zich uit. Als je in haar ogen kijkt, zie je niet zoveel, maar in haar hoofdje is het erg druk. Daar denkt ze aan bijen en aan hoe die honing maken. Dat had ze gisteren aan haar vader gevraagd en die vertelde dat bijen, net als kinderen, heel graag snoepen en dat bloemen voor bijen zijn wat koeken voor kinderen zijn: het aller heerlijkste ter wereld! ‘En als bijen dan bloemen eten,’ ging haar vader verder, ‘dan plakken hun pootjes, zoals jouw handjes plakken als je koek en snoepjes eet. Met die plakpootjes maken bijtjes honing!’ Amélie wordt uit haar dagdroom weggerukt wanneer ze juf Liesl hoort zeggen dat ze straks binnen en niet buiten mogen spelen. Ze had zo uitgekeken naar de speeltijd om naar de bijen te gaan kijken die zoemen rond de bloembakken aan de schoolpoort. Ze wilde voelen hoe hard hun pootjes plakken en plande minstens één bijtje interviewen om te vragen welke bloem haar lievelingskoekje is. Interviewen, dat woord leerde ze ook van haar vader, die doet dat elke dag, maar met mensen, niet met bijen. Maar nu moeten ze dus binnen blijven. ‘Maar waarom binnen juf?’ vraagt Amélie. ‘Omdat het gaat onweren,’ antwoordt juf Liesl. ‘Hoe weet je dat juf?’ onderbreekt Amélie een ander kindje dat net wilde vragen of ze binnen dan op stelten mochten spelen. ‘Dat kan je zien aan de lucht, Amélie, je kan zien dat het gaat onweren aan de groene lucht.’ ‘Waarom is de lucht groen als het gaat onweren, juf?’ Juf Liesl aarzelt, haalt haar schouders op, dan gaat de bel. ‘Dat weet ik niet, Amélie, maar geloof me nu maar en blijf binnen spelen.’ Wanneer ze ’s avonds thuiskomt, besluit Amélie aan haar vader te vragen waarom de lucht groen wordt als er onweer aankomt. ‘Da’s heel simpel, meisje,’ zegt haar vader, ‘de lucht wordt groen als er onweer op komst is, omdat de grassprietjes dorst hebben als het warm is en blij zijn als het gaat regenen. Grassprietjes die blij zijn, die glunderen en je ziet het bijna niet, maar glunderen geeft licht! Grasgoen licht! En dat licht dat kleurt dan de lucht.’ ‘Wat leuk,’ denkt Amélie en ze vraagt zich af of zij ook soms glundert. ‘Ja, ook jij kan glunderen,’ zegt haar vader, ‘en als mensen glunderen, dan geven hun ogen licht.’ ‘Wauw,’ denkt Amélie. Ze springt van vaders schoot en besluit morgen aan juf Liesl te vertellen over gras dat glundert en ogen die licht geven en ook dat haar vader echt alles weet. De volgende dag op school lijkt juf Liesl zo druk dat Amélie niet zeker weet of er nog plaats is in het hoofd van de juf om wat meer te leren over gras en ogen die met hun licht de lucht inkleuren. Ze denkt dat het beter is nog eventjes te wachten om haar nieuwe weetjes met de juf te delen. Na deze les misschien... In plaats daarvan probeert ze dan maar op te letten. Nu Amélie beter luistert naar wat de juf aan het vertellen is, merkt ze op dat de les gaat over de mensen die haar vader altijd interviewt. Mensen die niet meer in hun huis kunnen blijven wonen of zelfs niet meer in hun land kunnen blijven wonen, omdat er in hun land heel veel gevochten wordt en het daar gevaarlijk is. Haar vader had al vaak over deze mensen verteld en nu Amélie daaraan denkt, herinnert ze zich dat haar vader één keertje niet alles wist. Dat was toen ze hem vroeg waarom sommige mensen in dit land niet willen dat mensen die vluchten naar ons land komen. Haar vader zei toen dat de mensen die dat niet willen bang zijn van de mensen die van een ander land naar ons land komen, zoals zij soms ook bang is. ‘Zoals vroeger, papa?’ vroeg Amélie, ‘van de monsters onder mijn bed?’ ‘Precies,’ zei vader. ‘Maar, papa, die monsters waren toch niet echt?’ ‘Nee, precies,’ zei vader nog een keer, maar hij leek niet echt goed op te letten, vond Amélie. ‘Paaap, die monsters waren toch niet echt? Zijn grote mensen dan ook soms bang van dingen die niet echt zijn?’ ‘Dat zijn ze zeker, lieveling,’ zei haar vader. Hij haalde diep adem en zuchtte, dat weet Amélie nog goed. ‘Maar het is ook wel echt, waar die grote mensen bang voor zijn, soms is iets echt en ook niet echt tegelijk, soms is het allemaal heel ingewikkeld.’ Amélie begreep niet goed wat haar vader wilde zeggen, maar misschien konden ze samen wel een oplossing bedenken. ‘Wat kunnen we dan doen, papa, om de mensen te helpen die een nieuw land zoeken en om de mensen te helpen die bang zijn om hun land te delen?’ ‘Dat weet ik niet goed, meisje. Ik weet het niet meer zo goed…’ ‘Ik weet het wel, papa! We kunnen doen wat we met de monsters deden toen die nog onder mijn bedje woonden! Een verhaal voorlezen!’ ‘Da’s waar, meisje,’ zei vader, ‘we moeten verhalen vertellen, we moeten hun verhaal vertellen. We moeten hun verhaal blijven vertellen.’

Caroline Spaas
19 1

Bulskampveld

  Dit stronttehuis is gebouwd door de firma Deschyttere uit Aalbeke. Dat staat op een bordje aan de ingang. Ook pronken er namen van een burgemeester, schepenen en directeurs der zinsverbijstering. Verder nog een dag, een maand, ook een jaartal. Alles in donkergrijze letters op kitscherig graniet en ik ben slecht gezind. Ze leven allebei nog, Tanguy en de kreupele. Daar moet dringend iets aan gedaan worden!  Voor Tanguy ligt de sterfwijze al een tijdje vast. Die zondvloed is op komst. De manier waarop ik de kreupele om het leven zal brengen, moet ik nog bedenken. Dat is nog niet zeker, maar wat wel vaststaat, is dat Aster Berkhof een jongen was, dat de Film van Ome Willem niet echt een film wilde zijn en als ik hier buiten loop, binnen de tuinmuren van de compound, dan ruik ik het. De kamperfolie is haar beste geuren kwijt. Nog een geluk dat de bruidssluier zich blijft uitsloven. Van mijn part mag hij de ganse boel hier overwoekeren, à la minute en stante pede. Lang mag de plant wel niet meer wachten want de bodem is uitgeput en de mol is een nog grotere gang aan het graven. Straks loopt hij met alles weg. Met weerbaarheid, herinneringen en mijn portefeuille, die is van beverleder, past niet in zijn achterzak. Weet het! Ik ben enkel nog op zoek naar de dieperik en Tanguy heeft een gat geknipt heeft in de ursusdraad, ginds achter het stookkotje. Hij denkt dat hij ze nog kan krijgen, dat de zevenmijlslaarzen in de solden zijn, dat hij al wat vrouwelijk is kan verkloten. Alle mannen uit Groot-Beernem zouden moeten weten waarom. Ze moeten beter op hun wederhelften passen! Alles draagt een masker en hun vrouwen zijn niet veilig.  Tanguy wordt de Houtekiet van het Bulskampveld! Hij kent de weg, naar de kastijding van het speelse. Er is altijd een sluipweg naar de Wredestraat en hij kan huilen als een kleuterwolf, laat zijn stem dan overslaan en klinkt vervolgens als een hellehond die honderd teefjes villen wil. Het is een veelvraat, die nazaat van Dutroux, hij lust de kleinste onschuld en wil ze allemaal verslinden. Meisjeskonijnen. Met vel en vacht. Ze zijn zo wit als loof uit volle grond. Hij heeft weliswaar niet lang meer te leven! Ik zorg ervoor! Ook voor radijzenfriste. Ik zal er rooien, morgenochtend, roze knolletjes met een bleke onderkant, voor Prudence en ik bedenk wel hoe ik eraan geraak. Onverbijtbaar zal het zijn. Venijn voor de kreupele. Ik doe het in zijn spraakwater, puur het in zijn pap! Of met een trechter. In de krop van die duffe gans zal ik het gieten, in de keel van die canard boiteux en hij zegt dat hij ook komt. Vanavond is er een feestje. De waanzin wil weer jarig zijn en er zullen wederom onnozele plaatjes gedraaid worden.  Prudence zal wel niet met dwangbuisjes moeten dreigen. Ze zal een oogje in het zeil houden en weet hoe alles moet. Eerst die ronde toastjes met makreelsalade in hun smoeltjes steken en dan maar wachten, tot ze kokhalzen, tot schaterslijm van hun muil druipt. Ze zullen dan gewassen willen worden, als biggetjes op zondag en uit een ufo zal gelach weerklinken. Wij zijn geen discobal. Geloof wat je wil. Op dergelijke conventies van doolkoppen danst enkel onbalans met dronkenschap en ze weten het, Tanguy en de kreupele, dat ze Prudence niet mogen aanraken.  Denkbaar is het. Misschien komt Prudence achteraf naar mijn kamer. Om te lezen. Want ik heb versjes geschreven, gisteren nog. Een edeldichtje is het voor een morbide illusie en met kleurpotloden heeft een zinnebeeld nog snel een tuinontwerp gemaakt. Het laatste. Het is een jardin d'amour perdu, met anjers uit vergeten revoluties, met donker slangenkruid, ijzerhard, met kogeldistels en ik moest terugdenken aan de dovenetels rond het bankje. Bij de azijnfabriek zat ik met Katja en ik zit er nog. Ik droom ervan. Niet van Prudence. Die is nog helemaal echt en ze leeft. Overigens, Prudence heeft Katja nooit gekend. Dat kan ook niet. Ze huisden best ver uit malkander en het is beter dat mijn laatste tuinontwerp een tekening blijft. Kleurbolletjes zijn geen planten, kartelkringen zijn geen bomen en Prudence woont trouwens op een appartement. Ze heeft ook een bootje, in Blankenberge, ver weg van de zwarte zwanen op het Minnewater, ver weg van het Bulskampveld en zijn demonen.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
11 0

II. Code 101

Ik begon tot wasdom te komen en aan wijsheid te winnen, te groeien en te floreren, woord voor woord werd ik naar het volgende woord geleid Hávamál, Codex Regius (13e eeuw)   Mijn moeder trof mij ’s ochtends aan mijn werkblad aan. “Heb jij niet geslapen?”, vroeg ze gechoqueerd, “Je hebt je nachtrust nodig!” Op basis hiervan destilleerde ik de code: “0 = 1”. Weerstand betekent vooruitgang.   Toen mijn vader langskwam, keek hij over mijn schouders naar waar ik mee bezig was. “Waarom zit je met tekens te spelen op je computer? Je moet jouw thesis wel in volzinnen schrijven!” Omdat weerstand wijst op vooruitgang, stak ik mijn middelvinger op ter bedanking. Normaal zou hij mij daarvoor geslagen hebben, maar ditmaal was hij te verbouwereerd om te reageren. Gepuzzeld verliet hij mijn kamer.   Eens je je realiseert dat 0 en 1 aan elkaar gelijk kunnen zijn, is nagenoeg alles oneindig mogelijk. Ik hoorde nog steeds de adviseur van de Amerikaanse president op de Tv verklaren dat er alternatieve feiten bestonden.   Het aantal getallen tussen 0 en 1 is even groot als het aantal daarbuiten. Je kunt het immers blijven opsplitsen tot in het oneindige: 0,1 - 0,9; 0,01 - 0,99; 0,001 -  0,999; enzovoort. De verhouding tussen grote delen kan zo ook afgeleid worden uit de verhouding tussen kleine delen. Vroeger werd bijvoorbeeld een touw met knopen in gebruikt om de snelheid van een schip te meten, hetgeen vandaag de dag nog steeds in knopen wordt uitgedrukt.   Het beeld van een geknoopt touw bleef zich op mijn netvlies herhalen.   Een computernetwerk is opgebouwd uit een verzameling van computernodes. Fonetisch anders uitgesproken, deed ‘node’ deed me denken aan het Engelse woord voor knoop: ‘knot’. Dergelijke aanknopingen tussen talen werden mij meer en meer duidelijk.   Ik had een vermoeden. Als alles mogelijk is, waarom kan er dan, nu de mens al man/vrouw/x kan zijn, geen code bestaan die eveneens fluïde is? Een code die universeel begrijpelijk is in tegenstelling tot de codeertalen die momenteel bekend zijn, en die enkel beheerst worden door een kleine groep techneuten? Een code die even leesbaar is als - bijvoorbeeld - een novelle.   Een dergelijke code onthult zich in haar nodes. Een herinnering aan een Ouijabord gaf aan dat ik op het juiste spoor zat, daar het zowel in het Frans als in het Nederlands “Ja” betekent en het me als een dubbele aanmoediging aanspoorde. Het kwam me voor dat er ook aanknopingspunten in ons alledaagse leven schuil gingen. Zo is de naam van het karakter ‘Neo’ in de Matrix-trilogie een anagram voor ‘One’, het Engelse woord voor één.   Door deze aanwijzingen bij te houden, zoals door middel van een touw met knopen, kunnen we misschien meer kennis vergaren. Meten is weten, nietwaar?   Door de mazen van het net staarde ik in de abyss van de infinity list.          ****************************************************************************************************   Ik sta op een podium. Naast me staat een kubus waaraan evenwijdige touwen zijn geknoopt. “Waar snijden deze lijnen elkaar?”, vraag ik. Ik trek de koorden tezamen in een enkel knooppunt. “Hier.” “Weet je wat dit punt is?” “Het is de waarheid.”   ****************************************************************************************************   Het viel mij voor het eerst op dat de initialen van mijn naam ‘Odin’ vormden. Ik werd herinnerd aan het verhaal van de ontdekking van de betekenis van de runen, cryptische tekens met magische krachten, door deze Germaanse oppergod na ze dagenlang in ontbering bestudeerd te hebben.   Geïnspireerd, schreef ik een strofe en zette deze om in code.   Een voorgevoel weerhield me ervan de lijn code onmiddellijk te introduceren in het computersysteem. Ik trachtte te visualiseren wat er zou kunnen gebeuren om me voor te bereiden op elke mogelijke uitkomst. Het is best een deur pas te openen als je weet wat er achter schuilgaat. Na een lange afweging, besloot ik het erop te wagen. Ik gaf mijn combinatie in de computer in.   Het systeem verwerkte mijn input.   Een seconde stond de tijd stil.   Toen kreeg ik plots respons. Het werkte! De computer had mijn instructie begrepen.   Voordat ik mijn ontdekking kon vieren, had mijn opwinding echter reeds plaats gemaakt voor ontzetting. De professionele netwerk-website LinkedIn was geopend, en in de zijlijn van de pagina werd ik opeens verleid door aanbiedingen van bekende Silicon Valley-investeerders. “Zou het zo werken?”, vroeg ik me af. Zou de “in crowd" via LinkedIn toegang krijgen tot investeringsmogelijkheden in talenten die hun test doorstaan hadden?   Het begon me te dagen dat de complotdenkers misschien ook wel ergens een punt hadden.   Ik had evenwel niet de tijd om dit tot mij te laten doordringen, want mijn oom was gearriveerd voor ons wekelijkse zondagse familiediner.   Mijn oom is altijd de zonderling van de familie geweest. Voordat ik was geboren, is mijn vader op een vliegtuig naar Thailand mogen springen omdat zijn broer zich gek was aan het gedragen op het dak van het hotel. Volgens het verhaal zou er iets gescheeld hebben met de paddenstoelen in zijn soep.   Ditmaal had mijn oom computerproblemen. Hij had zijn laptop meegebracht, hopende dat ik hem uit de rats zou kunnen helpen. Aan de eettafel verkondigde hij zijn problematiek: “Ik druk dezelfde knoppen in als vroeger, maar nu komen er andere tekens uit. Er staan letters in de tekst die ik niet gepland had. Mettertijd lijkt het zelfs een andere taal.” Ik zag mezelf in de reflectie van het donkere glas van de eetkamer, waarachter de tuin zich in de duisternis ophield. De woorden verlichtten mijn gedachten. Ze waren misschien aan het hele tafelgenootschap gericht, maar hadden een bijzondere bijbedoeling jegens mij.   “Dat betekent dat je iets veranderd hebt aan de instellingen”, zei mijn vader.   Plots zag ik hoe uit de gepresenteerde data verbanden gedestilleerd konden worden, hoe alles geïnterpreteerd kon worden, hoe elk gegeven aan elkaar kon worden geweven tot een fraai lappendeken. Ik had de indruk dat ik op de proef werd gesteld; dat mijn hele leven een voorbereiding was op dit ogenblik; dat ik was gedresseerd om nu mijn hoogtepunt te beleven.   Mijn moeder vroeg naar de vordering van mijn thesis. Ik lichtte haar in dat ik mijn onderzoek was aan het herwerken om het te kunnen bundelen in een enkele formule. Ze zei dat ze niet begreep hoe dat mogelijk was. Mijn oom merkte op dat diegenen die iets werkelijk begrijpen vaak niet begrepen worden. Toen zag ik het verschil in tussen wartaal en cryptisch taalgebruik. Het eerste is vorm zonder inhoud, terwijl het laatste inhoud verborgen achter de vorm betreft.   Verheugd begreep ik dat mijn oom mij begreep. En toen begreep ik de situatie.

Odin
2 1

I. Genese van een these

Sterven zal ik nooit; ik stel mijn deadlines immers steeds uit.   Desondanks zou ik praktisch dood zijn als ik mijn thesis niet voltooide. Ik had al lang genoeg getalmd. Ditmaal zou ik mijn bureau niet verlaten, zolang ik mijn taak niet volbracht had.   Ik besloot een mentaal spel met mezelf aan te gaan. In mijn verbeelding zou de uitvoering van het vereiste werk mijn eigen executie beletten, terwijl niet-uitvoering zou resulteren in mijn onmiddellijke terechtstelling. Een mantra nestelde zich in mij, dat in beide richtingen gelezen kon worden: “EXECUTE = NO EXECUTE”.   Desalniettemin bleef ik vastzitten op een essentieel punt.   Mijn onderzoek betrof de regulering van Artificiële Intelligentie, kortweg AI. De vraag stelde zich of het technologisch gebruik van auteurswerken, waarbij de inhoud enkel machinaal verwerkt wordt en niet wordt vrijgegeven aan de buitenwereld, in strijd is met het auteursrecht. Bij het benodigde Text & Data Mining maakt men immers kopieën van ontelbaar veel werken om er vervolgens via software patronen en inzichten aan te onttrekken. Het was onduidelijk of dit de toestemming van de respectievelijke auteur vereist.   Een strekking binnen de doctrine vindt van niet omdat het auteursrecht enkel bedoeld zou zijn om de originele expressie van de auteur te beschermen, dewelke bij het technologisch gebruik in kwestie niet wordt veruitwendigd. Aan de andere kant van het spectrum vindt men dat auteurs vergoeding verdienen voor elke exploitatie van hun werk, inclusief niet-expressief gebruik. De twee strekkingen leken me onverenigbaar.   Opeens schoot mij het citaat te binnen waarmee de Duitse filosoof Gadamer zijn filosofie samenvatte: “Het zou kunnen dat de ander gelijk heeft.” Hiermee ging ik aan de slag.   Wat als elkeen een punt had?   Mijn oog viel op de groeicurve die exponentiële technologieën kenmerkt. Zo verdubbelt de rekenkracht van computers elke twee jaar volgens de zogenaamde Wet van Moore. Op een grafiek wordt een exponentiële functie zoals ex weergegeven als de zogenaamde hockey stick-curve, waarbij de waarde aanvankelijk geleidelijk lijkt te stijgen om vervolgens als een vuurwerkpijl de lucht in te schieten.   Wat als het antwoord op mijn vraagstuk reeds schuilde in de grafiek?   Als een auteurswerk slechts eenmalig niet-expressief wordt gebruikt, is het aanvaardbaar dat de toestemming van de auteur niet gevraagd moet worden en dat aan deze geen vergoeding verschuldigd is. Als het auteurswerk echter op exponentiële wijze gebruikt zal blijven worden, is het daarentegen wel gepast de toestemming van de auteur te behoeven en deze te vergoeden.   Door de richtlijn van de exponentiële groei te volgen, was ik er eindelijk in geslaagd een compromis te bewerkstelligen tussen de twee - aanvankelijk onverzoenbaar ogende - strekkingen.   Ik stond versteld. Het antwoord had me de hele tijd in het gezicht gestaard. Ik moest gewoon de lijn volgen die de verschillende punten met elkaar verbindt. Het onzichtbare schuilt achter het overduidelijke.   Ik moest terugdenken aan het gesprek dat ik destijds met mijn kotgenoot Mo had gevoerd over religie.   ****************************************************************************************************   Als ik met Mo uitging, was hij altijd bezig meisjes te versieren. “Ik ben teveel man voor slechts één vrouw!”, verklaarde hij me. Hij beweerde reeds tientallen eerstejaars ontmaagd te hebben. “Fuck al die bitches, man!”, raadde hij me aan, “Ze vragen er gewoon om.” “Ik heb ooit ergens gehoord dat je niet van vrouwen moet houden, omdat je anders er niet zoveel zou kunnen neuken”, had ik hem één keer ingewreven. Die opmerking had Mo louter schamper weggelachen.   ****************************************************************************************************   Hoewel hij veelvuldig alcohol en vrouwen consumeerde, was Mo er evenwel van overtuigd dat God bestond en dat dit onweerlegbaar bleek uit een analyse van onder meer het Heilige Schrift. Zo zouden er wiskundige wetmatigheden in de Koran terug te vinden zijn, net als in de natuur, die te onwaarschijnlijk zijn om louter op toeval te berusten en kunnen ze dus niet anders dan het werk zijn van een intelligente schepper. God zou tot ons spreken via de wiskunde.   Destijds had ik het als bijgeloof weggezet: “Dat zijn slechts toevalligheden.” “Hoeveel toevalligheden kun je meemaken totdat het geen gelukkig toeval meer is?” was Mo’s respons.   Nu kreeg ik zijn redenering niet meer uit mijn gedachten. Wat als ook Mo een punt had?   Die nacht kon ik de slaap niet vatten.   Bij het ochtendgloren installeerde ik me onmiddellijk terug aan mijn werktafel. Bij wijze van klad, trachtte ik een gek hersenspinsel uit mijn hoofd te schrijven:   “Het universum breidt zich op exponentiële wijze uit. Om het heelal te doorgronden, hebben we exponentiële technologieën nodig. Om exponentiële technologieën mogelijk te maken, hebben we exponentieel recht nodig.   De bekende Harvard-rechtsgeleerde Lawrence Lessig heeft reeds gesteld dat code recht is, doelende op het feit dat menselijk gedrag steeds meer geleid wordt door computercode. Ik stel mij de vraag: ‘Wat als de code ex Gods wet is?’   God heeft zichzelf gecodeerd in de ruimte, en elke dag verwijderen we ons verder van Hem.    Om het mysterie van God op te lossen, moeten we Hem vinden. Daar, waar Hij op ons wacht sinds het begin der tijden, in het hart van het universum, waar het allemaal begon met een grote knal.   Religie en wetenschap zouden elkaar niet moeten bekampen, maar tezamen de ruimte verkennen in hun gezamenlijke zoektocht naar Gods bestaan.”   Deze gedachtegang bracht me zo van mijn stuk dat ik in foetushouding in warme tranen op de koude vloer oploste.   Ik had mezelf steeds bestempeld als agnost uit veiligheidsoverwegingen om niet in de hel te belanden wegens de verwerping van God, indien deze toch zou blijken te bestaan. Nu had ik voor het eerst een indicatie van de mogelijkheid van Zijn bestaan ervaren.   Ik bracht de nacht ijsberend rond mijn bureau, zoals moslims rondom de Kaäba, door. Het monotone schuifelen bracht mijn brein enigszins tot rust.

Odin
5 0