Zoeken

Mij rest slechts de stilte

Ben jij wel eens bang van de stilte? Nee, niet de schokkende stilte waarvan je ’s nachts soms wakker wordt en nee, ook niet de stilte die ontstaat tussen het moment dat je een punt zet achter je laatste zin en je het mes op je aders plaatst. Nee. Ik heb het over een stilte die zo drukkend is, dat het lijkt alsof Gods hand zelf je weer de aarde in probeert te duwen. Die stilte. Herken je dat?   Ik weet niet hoe het begon of waar. Alleen het wanneer, daar kan ik naar raden. Ergens tussen zeven uur ’s morgens en vijf uur ’s avonds. Ik herinner me nog hoe ik na mijn nachtdienst als in een droom naar huis reed. Een ziekenwagen scheurde door de ochtend en ik herinner me ook nog het huilende kind net voor ik de deur van mijn appartement achter me dichtsloeg. Daarna niets meer.   Zoals altijd ontwaakte ik net voor mijn wekker afliep. Terwijl ik mijn bewustzijn bij elkaar veegde, staarde ik naar het plafond en wachtte op de nieuwsreporter die me zou herinneren aan de trieste dagelijkse gang van zaken. De stem kwam niet. Er was alleen maar ruis. Op dat moment maakte ik me daar nog geen zorgen over. Die waren voor later. Ik ging er toen gewoon vanuit dat het oude ding het eindelijk had opgegeven. Ik klom uit bed, slofte naar de tv en drukte op de aanknop. Niets. Ook daar enkel ruis. Goed, dat was de eerste keer die ochtend dat ik mijn wenkbrauwen optrok, maar met nog vier nachtdiensten voor de boeg en vier achter de rug, kon ik mezelf er niet toe brengen om ongerust te worden. Er zou wel een uitleg voor zijn. Iets stompzinnigs. Iets. Eerst eten.   Ik ben niet iemand die netjes éénmaal per week winkelt en op voorhand menuutjes opstelt. Bij mij is het meer een last-minute beslissing. Die avond, of morgen zo je wilt, had ik zin in pannenkoeken. Er waren echter geen eieren meer en dus besloot ik om snel even langs de kruidenier te gaan om dan ook meteen een diepvriesmaaltijd te halen voor die nacht. Ik trok een oude trui en een versleten jeans aan en wandelde op mijn basketslofjes de buitenlucht in. Stilte.   Dat was de eerste keer dat het me vol in het gezicht raakte.   Ik woon aan één van de drukste straten in de stad, maar er was geen levende ziel te bekennen. Auto’s stonden netjes langs de kant van de weg geparkeerd, er reden geen trams, geen bussen en de voetpaden waren leeg. Alle winkels waren gesloten en hoewel het al begon te schemeren, was er in geen enkel huis licht te zien. De stilte drong door tot in mijn poriën en ik werd overweldigd door de vreemde, maar dringende behoefte om mijn eigen stem te horen.   “Hallo?!” riep ik.   In een film zie je op zo’n momenten wel eens een krant voorbij het scherm waaien, om toch maar de desolaatheid van het gebeuren te benadrukken. Of een stel duiven die plots opvliegen. Duiven. Een rilling liep over mijn rug toen ik besefte dat er ook geen vogels meer te zien waren. De straten waren compleet levenloos.   Ik kon de stilte niet langer verdragen en rende mijn appartement weer in. Met een zucht van opluchting liet ik de deur in het slot vallen. Even later schalde Rammstein door mijn stereo. Op andere dagen kalmeert hun muziek me. Dan lijkt het lawaai de stress uit mijn hoofd te wissen. Nu hielp het niet. Ik werd ongerust. Met trillende vingers toetste ik het telefoonnummer van mijn moeder in.   “Hallo, met mij,” klonk het, “ik ben er even niet, maar spreek na de biep gerust een berichtje in!”   Nee! Niet zij ook! Ik moest het zien. Met mijn eigen ogen. In een lade zocht ik naar de reservesleutels van haar huis, greep mijn autosleutels en liep opnieuw richting voordeur. Klaar om de stilte te trotseren.   Het vergde het uiterste van mezelf. De ring rond de stad was totaal verlaten. Ik reed volledig in mijn eentje over één van de drukste wegen van het land! Ik kon het niet geloven en gebruikte uit gewoonte het meest rechtse rijvak. Tegen dertig kilometer per uur ging ik vooruit. Ik was compleet van slag. Ergens onderweg bekroop me het besef dat de stilte niet alleen de stad, maar ook de randgemeenten had ingepalmd. Ik dacht aan het geruis op mijn tv en wilde er liever nog niet aan denken dat het misschien iets wereldwijd was. Stel je voor, ik alléén op de wereld.   Moeders huis was leeg. De hond van de buren was weg en de parkieten van de andere buurman eveneens. Wanhopig belde ik aan bij ieder huis in de straat. Nergens werd opengedaan. Nergens was antwoord. Alleen de stilte bleef nagalmen.   Ik keerde terug naar mijn appartementje. Gaan werken was zinloos. Eén telefoontje vertelde me dat daar evenmin nog iemand rondliep. Ik trok een blik soep open, at het op en kroop mijn bed weer in.   De dag erop beroofde ik voor het eerst in mijn leven een winkel. Met een losliggende kassei gooide ik de ruit van een supermarkt in. Minutenlang bleef ik naar het geloei van de alarmsirenes luisteren voor ik mezelf ertoe kon brengen om naar binnen te klimmen en mijn boodschappen in een kar te laden. Ik sloeg vlees en groenten in, veel sterke drank en alles wat ik lekker vond. Die avond genoot ik van een eersteklas maaltijd en werd stomdronken van de champagne. Ik besloot dat ik daarmee de tijd wel kon doden.   Het feestje duurde acht dagen. Toen viel het licht uit.   Eerst was ik nog zo naïef om te denken dat de lamp gewoon gesprongen was. Dat idee werd radicaal weggevaagd toen ik de andere lichtknoppen in huis ging uitproberen. Licht, elektriciteit, alles was weg. Toen wist ik het zeker. Dit is het einde. Ik ben immers een kind van de moderne tijd. Zonder microgolfoven ga ik dood. En de toestand verergerde nog. Het duurde niet lang meer of er kwam alleen nog maar een soort bruin papje uit de kraan en toen helemaal niets meer. Daar zat ik dan. Geen elektriciteit en geen water. Ik durfde het gasfornuis van de buurvrouw niet uit te proberen. Stel dat het ding ontplofte...   Ik had op dat moment gewoon de moed kunnen opgeven, maar ik ontdekte een harde kern in mij die zich hardnekkig vastbeet in het leven. Ik begon plannen te maken.   Het eerste wat ik deed was met mijn winkelkarretje weer naar de supermarkt rijden en het daar volladen. Deze keer liet ik de luxeproducten achterwege en concentreerde ik me volledig op conserven. Stel dat ik nog vijftig jaar zou leven... Dan moest ik mezelf bevoorraden met een kleine twintigduizend blikjes voedsel en evenzoveel flessen water. Op z’n minst. Ik besloot iedere dag langs te komen en al het niet bederfbare eten mee te nemen. Het idee dat blikvoedsel evenmin het eeuwige leven heeft, besloot ik bewust te negeren. Ik had al problemen genoeg.   Na een week begon een ander zaakje naar de top van mijn prioriteitenlijstje te klimmen. Ik stonk. Het dagelijkse kattenwasje volstond niet langer. Even overwoog ik om mijn verzamelde hoeveelheid mineraalwater eraan te laten geloven en een serieus bad te nemen, maar toen ik op het punt stond de eerste fles leeg te gieten, zag ik ervan af. Het was verspilling. Wie kon het uiteindelijk iets schelen dat ik stonk? Niemand dus.   Toch besefte ik dat ik ooit een bad zou moeten nemen en opnieuw ging ik over tot inbraak. Ik schafte me een voorhamer aan bij een doe-het-zelfver en ging met geweld de voordeuren van de andere appartementen in het gebouw te lijf. Ik verzamelde alle emmers die ik kon vinden en stalde ze uit op het dakterras. Vroeg of laat zou het toch gaan regenen en dan had ik mijn bad.   In één van die appartementen stuitte ik op een kampeervuurtje en het bijhorende gasflesje. Ondanks mijn diepgewortelde afschuw van alles wat met tenten en openbare toiletten te maken heeft, besefte ik maar al te goed dat dit goud waard was. Eindelijk weer warm eten! Ik besloot op zoek te gaan naar een kampeerwinkel en me daar van meer gasflessen te voorzien. Het lijstje inbraken werd langer.   Er ging een week voorbij, maar regenen deed het niet. De geurhinder nam steeds grotere proporties aan en ik begon me serieus ongemakkelijk te voelen. Tijdens één van mijn tochtjes naar de supermarkt probeerde ik te bedenken wat ik aan het probleem kon doen, zonder mijn drinkwater te moeten verspillen. Zou ik idyllisch gaan baden in de vijver van het park? Of misschien kon ik binnen geraken in een openbaar zwembad?   Een beweging trok mijn aandacht en ik keek op. Ik was ondertussen al zo gewoon om alleen te zijn, dat ik perplex stil bleef staan. Aan de overkant van de straat, stond een man. Hij droeg een donkergrijs kostuum en stond rustig notities te maken. De man keek op, knikte vriendelijk, draaide zich om en liep een zijstraat in. Weg.   Het duurde even voor ik genoeg bij zinnen was om het winkelkarretje los te laten en de straat over te rennen. Achter de man aan.   “Hey!” gilde ik hees.   Hij keek niet op of om en liep rustig verder. Pas op het einde van de straat haalde ik hem in.   “Wacht even! Wat doet u hier? Waar komt u vandaan?” De man fronste lichtjes zijn wenkbrauwen. Niet verrast, maar eerder verveeld, alsof hij dringender zaken aan z’n hoofd had dan een naar oud zweet ruikende jongedame die hem buiten adem aan z’n mouw kwam trekken. “Excuseer? Wat bedoelt u?” “Je bent de eerste levende ziel die ik in weken zie! Wat is er gebeurd? Waar is iedereen?” Hij keek me bevreemd aan. “Gaat u nu beweren dat u niet op de hoogte bent?” “Op de hoogte? Van wat?” Geërgerd greep de man in zijn binnenzak, haalde er een zakcomputertje uit en begon druk te typen. “U hebt niets te klagen,” zei de man na een tijdje, “we zijn zevenendertig keer bij u langs geweest en hebben negen briefjes in uw bus achtergelaten. U zou volledig geïnformeerd moeten zijn.” “Geïnformeerd?” Mijn stem steeg in crescendo. “Over WAT?” Hij kuchte gegeneerd. “Over het einde natuurlijk. Het einde van de wereld.” Ik staarde hem een tel aan. “Wat?” “De bestaande wereld wordt ontmanteld.” “Ontmanteld?” “Heb je ooit het verhaal van de schepping gelezen? Jeweetwel, in den beginne was er niets, en toen zij er licht en God zag dat het goed was?” “Ja.” “Wel, wij doen dus net het tegenovergestelde. Over twee maanden is het gedaan.”   Nog twee maanden. Dat was een hele dobber om te verwerken. Over twee maanden was mijn hele wereld naar de vaantjes. Maar, wacht eens even…   “En ik dan? Wat doe ik hier dan nog?” De man klapte zijn zakcomputer dicht en grijnsde. “We dachten dat het wel leuk zou zijn om deze keer wat publiek in de buurt te hebben. Bij de schepping indertijd was het zo’n dooie boel.” “Publiek?” schreeuwde ik ontzet uit. “Moet ik hier staan applaudisseren omdat jullie de wereld aan het afbreken zijn?” “Oh, nee, dat is nu ook weer niet nodig. We doen gewoon ons werk, maar ik moet zeggen dat het idee van een applaus me wel aantrekt. Per slot van rekening doe je zoiets niet elk millennium.”   Er brak iets in mij. Het was gewoon teveel. “En nu? Wat moet ik nu?” “Niets. Gewoon genieten van het vuurwerk.” “Vuurwerk?” “Ja, dat komt altijd op het laatste. Daarna gaat het licht uit.”   De man groette me vriendelijk gedag en liep de straat uit. Ik staarde hem verbouwereerd na. De stilte daalde weer verstikkend om me heen. Nog twee maanden… Ach, dan kon een bad in drinkwater er wel af.     De kamer baadde in een zachtgeel licht. In een hoekje liet een monitor regelmatig met een piepje weten dat het nog steeds alles registreerde. Het was stil in de kamer. Op het bed lag een vrouw weggezonken in helwit beddengoed. Ze bewoog niet en leek nauwelijks adem te halen. Dat was al een tijdje zo.   De moeder van de vrouw zat naast het bed. Ze hield de hand van haar dochter vast en kneep er af en toe in. “Alles komt goed, meisje,” fluisterde ze dan. Op de gang klonken er bekende voetstappen. “En dokter, nog nieuws?” “Nee, mevrouw, de resultaten zijn nog steeds dezelfde.” “Hoe heeft het toch zo ver kunnen komen?” De man haalde zijn schouders op. “Vermoeidheid, stress… Wie zal het zeggen?” “Zal ze ooit nog wakker worden, dokter?” “Uw dochter leeft in haar eigen wereldje. We kunnen alleen maar afwachten.” “Is er dan niets waarmee ik haar kan helpen?” “Nee, mevrouw. Voorlopig heeft ze alleen maar rust nodig. En stilte. Heel veel stilte.”

Fiona
0 0

Ochtend in de stad

Ik kijk uit het raam van mijn appartement. Het is zondagmorgen. De ouderwetse klok die boven de keukendeur hangt wijst VII uur aan. Ondanks mijn gewoonte om in het weekend lang uit te slapen, ben ik al uren wakker. Ik weet niet waarom. Ik kijk naar de rozerode dageraad en zie hoe ze de stad langzaam wakker schudt. De lampen boven de autostrade in de verte doven. Een ambulance verbreekt met gierende sirenes voor even de afwachtende stilte. Het raam staat op een kier en er waait een fris briesje de kleine zitkamer in. Ik geniet ervan. De kou deert me niet.   Op het pleintje beneden mij heeft iemand brood gestrooid. Meeuwen vliegen in grote cirkels uitdagend rond en jagen met hun gekrijs de vroege vogels weg. Ik observeer het een tijdje. Leegheid. Het ontbreken van geluid achter me doet me omdraaien. Hij zit daar aan mijn tafel. Hij zat daar al een tijdje. Hij kijkt naar me op precies dezelfde manier als ik net naar de meeuwen had gekeken. Hij observeerde me. Het deed me niets. “Wat ga je doen vandaag?” vraagt hij me. Ik haal mijn schouders op. Ik had geen plannen. Ik had nooit plannen. “Het wordt een mooie dag.” merkt hij nog op. Ik draai me weer om naar het raam en de vergelende ochtend. “Waarom ga je niet naar buiten?” gaat hij meedogenloos verder. “Bel je vriend en trek de stad in.” Leegheid doortrokken met een vaag gevoel van spijt. “Ik heb geen vriend. Ik heb nooit een echte vriend gehad.” antwoord ik hem. En dat was waar. Lucas was één nacht gebleven. Marc belde na drie weken niet meer terug en Sander... Sander was door de politie mijn huis uitgezet. Mijn bovenbuurman had ze gebeld. Nachtlawaai had hij gemeld. Maar, hij wist van Sander. Iederéén wist van Sander en zijn losse handjes. Hij was niet meer teruggekomen. Spijt. Ik mis hem. Ik mis zelfs de pijn die hij me bezorgde. Door de pijn wist ik dat ik leefde. “Ga dan naar iemand anders.” dringt hij aan. “Vrienden, familie,...”   Een zwarte kat loopt achteloos over een tuinmuur en springt een aanpalend dak op. Even staat hij stil. Zijn oren gespitst. Dan verslapt zijn aandacht en begint hij zich vol overgave schoon te likken. Spijt vermengd met verdriet. Ik had Soesje enkele weken geleden naar de dierenarts gebracht. Kanker was het verdict geweest. Ze was in mijn armen zachtjes ingeslapen. Ik miste haar klaaglijke gemiauw om eten. Haar gesnor als ze naast me sliep in de zetel. “Ik héb niemand anders.” zeg ik op harde toon. De weinige mensen die ik door de jaren heen had leren kennen en die ik mogelijk mijn vrienden kon noemen, hadden het al maanden geleden opgegeven om me te bellen, me uit te nodigen. Ik beantwoordde hun telefoontjes toch niet en ik ging niet in op hun invitaties die teveel roken naar opgedrongen sociale verplichtingen. “Er moet toch iemand zijn?” vraagt hij verwonderd. “Je moeder bijvoorbeeld. Waarom ga je haar niet een bosje bloemen brengen?”   In al die jaren was moeder de enige geweest die écht van me gehouden had. Ik herinner me nog hoe ze ’s nachts naar me kwam kijken als ik sliep. Het gepiep van de scharnieren als ze de slaapkamerdeur opende, maakte me altijd wakker. Maar, dat vond ik niet erg. Ik deed alsof ik sliep en voelde me geborgen door haar aanwezigheid. Het duurde nooit lang voor ik weer indommelde, maar ik wist dat moeder soms uren naar me keek. Verdreven uit haar bed door een jarenlange aanslepende slapeloosheid. God, wat had ik van haar gehouden. Ik had gehuild bij haar graf tot ik geen tranen meer over had. Ik had gehuild tot mijn hart het leek te begeven. Het was een stom ongeluk geweest, hadden ze me verteld. Geslipt, overkop gegaan en tegen een boom geknald. Ze was op slag dood. “Ik heb geen moeder meer.” fluister ik terwijl ik me weer naar hem toe draai. Hij was rechtgestaan en ijsbeerde door de kamer. Krampachtig probeerde ik me te herinneren waarom hij hier was. Waar kende ik hem van? Waar haalde hij het lef vandaan me al die vragen te stellen? Verdriet maakt plaats voor woede. Plots staat hij stil en kijkt me aan. Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin en er ligt een vragende blik in zijn ogen. “En je vader? Waarom neem je geen contact met hém op?”   Ik zwijg en probeer een plausibel klinkend antwoord te bedenken. Op het dressoir staat een zwart-wit foto van hem. De enige foto die mijn moeder van hem had bewaard toen hij er vandoor ging. Ik was toen twaalf geweest. Hij had iedere kerst een kaartje gestuurd met zijn adres en zijn telefoonnummer erop. Niet voor mijn moeder. Voor mij. En elk jaar opnieuw verscheurde ik het kaartje tot het op veelkleurige confetti leek. Hij had ons in de steek gelaten. Hij had mij in de steek gelaten! Woede. “Mijn vader is voor mij even dood als mijn moeder!” schreeuw ik hem toe. Ongelovig kijkt hij me aan. Hij heeft gelijk besef ik. Het is niet waar. Ergens diep in mij verlang ik naar mijn vader. Verlang ik naar een leven waarin wij elkaar kennen zoals andere vaders en dochters elkaar kennen. Maar, daarvoor was het te laat. Rond kerstmis bleef de brievenbus de laatste jaren leeg. Met een plotselinge steek besef ik hoe eenzaam ik ben geworden. Hoe ik mijn eigen eenzame opsluiting gecreëerd heb. Woede verandert in angst. Ik wilde niet alleen zijn. Er moest toch iemand zijn die ik kon bellen? Iemand van mijn werk desnoods! Eén voor één liep ik in gedachten de collega’s na die ik enigszins kende. Dat waren er drie. Suzanne, die ’s morgens de koffie rondbracht en steeds een glimlach paraat had. Maar zij had een drukke tweeling en een lieve man, dus ze zou wel andere dingen aan haar hoofd hebben op een zondag. Nee, haar kon ik niet bellen. Dan was er nog Diana. Zij hield zich bezig met de financiële kant van onze dienst en waande zich daarom koningin. Ze had een hekel aan me en voerde een actief negerend beleid tegenover mij. Haar denegrerende woorden kon ik best missen nu. Angst. Alleen mijn baas bleef nog over en hij speelde op zondag golf. Hoe kon ik hem lastigvallen met mijn nietige problemen terwijl hij waarschijnlijk zijn krant zat te lezen op de club? Ik bijt op mijn knokkels. Angstgolven gieren door me heen. Ik voel me misselijk.   “Jij! Jij bent hier voor mij!” roep ik uit. Ik doe een stap naar voor. Mijn vinger in een eisend gebaar opgeheven. “Waarom?” Hij glimlacht en blijft rustig naar me kijken. “Je wil leven.” antwoordt hij kalm. Geschokt kijk ik hem aan. De knoop in mijn maag lost op. De angst vervaagt. Begrip daagt op. “Wat heb ik gedaan?” mompel ik. “Wat heb ik gedaan?” Hij komt naar me toe en tilt met een vinger mijn kin omhoog zodat ik gedwongen ben om hem in de ogen te kijken. Er ligt een oneindig meededogen in zijn blik. “Je hebt een keuze gemaakt.” zegt hij beslist. “Ik kom je halen.” Ik protesteer niet. Dat heeft geen zin meer besef ik nu. Ik laat me door hem meeleiden naar de voordeur van mijn appartement. Nog een laatste keer kijk ik om. Daar, op de bruinlederen zetel rust mijn dode lichaam. In mijn hand hou ik een halfvolle fles wodka vast. Op de vloer ligt een leeg potje Valium en enkele overgebleven pillen. Het warme licht van de ochtendzon speelt over de plankenvloer. Ik glimlach en draai me naar hem om. “Laten we gaan.”

Fiona
4 0

Ogen van Rook

Hij zat op een kruk aan de hoek van de bar en verdiepte zich in de zielenroerselen van een glas whisky. Af en toe draaide hij zijn glas in kleine rondjes, alsof de wervelstroom van drank nieuw licht kon werpen op zijn gedachten. Zijn haar was borstelig zwart en zijn jas een soort grauw bruin. Niets aan de man liet vermoeden welk effect hij op me zou hebben. Hij was eerder iemand om nonchalant over het hoofd te zien. Ik zette me neer aan de bar, ver van de man vandaan, en bestelde een cocktail van het huis. Na een lange slopende dag had ik behoefte aan wat losbandigheid. Een jolig drankje met een parapluutje was daar mijn definitie van. In afwachting van het kleine pleziertje keek ik rond in de bar. Er hingen vergeelde foto’s van overleden zangers aan de muur en in de hoek stond een oude, defecte jukebox. De bruine, gebutste tafels en stoelen waren slordig op de vloer neergezet en uit een oude radio kwam de krakende stem van Tom Waits. Alles wasemde een sfeer uit van desolaatheid. Ik voelde me wat ongemakkelijk. Dit was niet echt een plek waar ik me op mijn plaats voelde. Ik keek het berichtje op mijn gsm voor alle zekerheid nog eens na, maar dit was echt waar ik met mijn beste vriendin had afgesproken. Ik betaalde mijn drankje, roerde er gedachteloos in met het parapluutje en beet tenslotte de gekonfijte kers van het stokje.   Op dat moment voelde ik de blik op me rusten. Ik draaide me om. Beet de kers doormidden en likte het zoete vocht van mijn lippen. Hij keek naar me. Meteen was ik getroffen door zijn blik. Een rokerige blik. Alsof hij me bekeek vanuit een andere wereld. Een andere dimensie misschien. Ik glimlachte naar hem. Probeerde niet te laten opvallen dat er zich warme gloed verspreidde doorheen mijn lichaam. Ik wendde me van hem af en nipte van mijn drankje.   Niet veel later zat hij naast me. Onder zijn grauwe jas, was hij beter gekleed dan ik gedacht had. Hij droeg een stijlvol Armani kostuum en er hing een luchtje om hem heen dat ik vaag herkende. Het prikkelde mijn neusgaten, maar niet op een onaangename manier. We keuvelden wat en raakten algauw in een boeiende discussie gewikkeld. Af en toe verdacht ik hem ervan dat hij mijn gedachten las. Het was alsof hij wist wat ik ging zeggen en dan pikte hij daarop in. Ik dolf tenslotte lachend het onderspit. Hij betaalde me nog een drankje en noemde me een leuke meid. Op dat moment besloot ik dat een avondje vriendinnen onder elkaar ook wel op een andere dag kon en liet dat via een kort berichtje aan de wereld weten. Géén probleem was het antwoord.   We verhuisden van de bar naar een wat intiemer tafeltje en hij imponeerde me met zijn kennis van de wereld. Hij was blijkbaar overal geweest. Rome, Jeruzalem, New York,... Meestal voor zijn werk, vaak ook voor zijn plezier. Wat hij echter precies deed wilde hij me niet vertellen. Daar zat ik niet echt mee. Ik hield wel van mysterieuze mannen. Ik trok mijn jasje uit. De drank en de stijgende temperatuur in de bar dwongen me daartoe. Hij daarentegen leek zich prima te voelen in zijn grauwe omhulsel en beweerde dat hij het graag warm had.   Hij liet zijn blik over mijn decolleté gaan en voor de eerste keer die avond lachte hij zijn tanden bloot. Een vaag gevoel van onrust overspoelde me, maar ik dronk het weg met een nieuw drankje, een ander parapluutje. Hij streelde mijn hand en wond me volledig om zijn vingers. Als een blok viel ik voor hem en ik begreep niet hoe dat kon. Hij was niet bepaald mijn type, maar zijn ogen... zijn rokerige ogen...   We praatten, lachten en dronken en de nacht versmolt in een verhitte roes van drank en kermende bluesmuziek. Waarover we het hadden ontging me volledig, maar dat maakte mij of hem niets uit. We hadden elkaar gevonden.   Vroeg in de morgen zette de barman ons uiteindelijk buiten. Het druilerige weer ontnuchterde me voor een groot stuk en toen mijn nieuwe vriend me uitnodigde om bij hem thuis de roes uit te slapen, had ik genoeg verstand bij elkaar geschraapt om over zijn voorstel na te denken. Ik bedankte beleefd. De volgende keer misschien. Hij liet niet af en wees naar de grijze sportwagen aan de overkant van de straat. Of hij me thuis kon brengen. Opnieuw wees ik zijn aanbod af. Ik had er altijd al een hekel aan gehad om als een kind naar huis gebracht te worden en mijn eigen kleine vierwieler stond net achter de hoek. Hij haalde zijn schouders op en haalde uit zijn binnenzak twee visitekaartjes en een pen. Het ene gaf hij aan mij en op het andere krabbelde hij mijn telefoonnummer.   Naar mijn naam vroeg hij niet. Evenmin kende ik de zijne. Om één of andere reden leek die anonimiteit ons wel te schikken. We namen afscheid met een kus en ik keek hem na toen hij naar zijn auto wandelde. Het viel me op dat hij lichtjes trok met zijn linkervoet. Ik stak mijn hand op als laatste groet en ging op zoek naar mijn eigen wagentje.   Nog voor ik de volgende dag een beetje bijgekomen was, ging de deurbel al en even later walste mijn beste vriendin de keukenvloer op. Ze was lichtjes op haar tenen getrapt omdat ik haar had laten zitten. “Meid, als je geen zin hebt om te feesten, dan kan je me dat best wat vroeger laten weten. Ik voelde me rot zo alleen in dat café.” Verward keek ik haar aan. Zij had zitten wachten? Hoezo? Ik had toch... “En waar heb je dat luchtje vandaan dat om je heen hangt? Het lijkt wel zwavel! Heb je een probleem met de afvoer of zo?” Ergens in mijn achterhoofd begonnen er allerlei ongelovige alarmbelletjes te luiden. Wat was er in godsnaam gebeurd? In godsnaam... Ha! Dat was een goeie.   Ik werkte haar zo snel mogelijk de deur uit, friste me op en reed met mijn karretje naar de bar waar ik de avond tevoren had gezeten. Het café bestond wel degelijk, maar het glas in de deur en de ruiten waren allemaal afgeplakt en deels volgespoten met graffiti. Boven de bar hing een kapotte neonreclame. “Jack’s bar” stond er. Ik herinnerde me het visitekaartje en viste het op uit mijn handtas. Het vernoemde dezelfde illustere naam als de bar en vermelde eveneens een telefoonnummer. Heel gewoon.   Ik slikte en trok mijn jas wat dichter om me heen. Kippenvel trok in vlagen over mijn huid terwijl ik weer naar huis reed. Onderweg gleed mijn blik telkens naar het kaartje dat op de zetel naast me lag, samen met mijn gsm. Ergens binnen in mij kon ik de gedachte aan die rokerige ogen niet van me afzetten en stilletjes vroeg ik het me af... Zou hij mij bellen of... zou ik hém bellen?

Fiona
2 0

Rozen in Rouw

Karen sloot haar ogen en genoot van het briesje dat haar grijze haren deed opwaaien. Dit was haar moment. De ochtendspits was in volle gang. Het irriterende gezoem van de elektrisch aangedreven wagens op straat bereikte zijn hoogtepunt. Rond haar stroomden gehaaste mensen voorbij op het voetpad, maar zij bleef staan. Ze was het oog van de storm. Niet gehaast hoeven te zijn was een van de weinige voorrechten die haar waren geschonken. Nergens dringend moeten zijn, niet moeten rennen... Iemand stootte haar per ongeluk aan, waardoor de rode armband rond haar pols verschoof. Het moment was gebroken. Geïrriteerd keek Karen de rustverstoorder na die in de massa verdween, waarna ze een zure blik wierp op de armband. Dat ding waarvan ze ooit gedacht had dat het een zegen was, begon haar iedere dag meer te ergeren. Het was haar band met het verleden had men haar uitgelegd, maar voor Karen leek het of ze een Davidsster droeg. Ze haatte het ding. Ze haatte vooral dat niemand begreep waarom ze de rode armband haatte. Hoe dikwijls had ze inmiddels niet gehoord hoe gelukkig zij wel was uitverkoren te zijn.   Ze draaide zich om naar het monsterlijke gebouw achter haar. Het Wetenschappelijk Instituut voor Virale Gentechnologie was een architecturaal gedrocht dat haar wekelijks opwachtte, geheel bestaande uit marmer, bladgoud en giftig op haar neerkijkende gargouilles. Met neerhangende schouders liep ze langzaam de trappen op naar het voorportaal dat werd gedomineerd door een opgeblonken draaideur die tergend langzaam de bezoekers naar binnen loodste. Ze voelde hoe de ogen van de portier op haar bleven rusten. Hij wist wie ze was. Zijn jaloerse blik priemde haast door haar jas heen. Nee, hij zou geen uitverkorene worden. Niemand zou dat meer trouwens, nu ze de gevolgen en de effecten van Antaron kenden. Aan de balie toonde ze haar rode armband en ze mocht meteen door de detector heen die haar scande op wapens en drugs. Een bewaker vroeg haar vriendelijk om haar oormobieltje uit te schakelen en scande vervolgens voor alle zekerheid haar polsimplantaat nog eens. Iedere week hetzelfde. Ze moesten ondertussen toch wel weten wie ze was? Karen stapte de lift in en drukte op de knop van de derde verdieping. Onwillig keek ze naar zichzelf in de spiegel die tegen de achterwand van de lift bevestigd was. Ze haatte het tegenwoordig om naar zichzelf te kijken. Haar donkere ogen, die teveel gezien hadden om bij het jonge gelaat te passen, staarden bitter terug. Karen streek een grijze lok achter haar oren en beet op haar lip. Hoelang was het geleden dat ze zich had aangeboden als proefpersoon? Wanneer had men haar die eerste pillen gegeven? Een aids-remmer hadden ze achteraf gezegd. Antaron werd uiteindelijk geschrapt van de lijst. Het had niet de beoogde effecten getoond.   Tien jaar later werd haar de rode armband omgedaan. Niemand kon verklaren waarom er honderd jonge mensen waren die in al die tijd geen spatje veranderd waren. Honderd mensen die nooit meer ziek werden. Ze herinnerde zich dat ze eens een been had gebroken tijdens een skivakantie. Nog voor men de repatriëring voor haar kon regelen, stond ze weer op de latten. En er waren tal van zulke voorvalletjes geweest. Een snee in een vinger waar na een uur niets meer van te zien was, een pink die ze verloor en die een jaar later weer volledig was teruggegroeid. De wetenschap stond voor een raadsel. Het recept van het oorspronkelijke medicijn werd uit de archieven opgevist en er werden hoge subsidies geschonken voor verdere onderzoekingen. Nee, het kon nog niet in roulatie worden gebracht. De neveneffecten waren jammer genoeg nog niet onder controle. De neveneffecten... Haar grijze haar was er daar een van. Het middel leek er geen vat op te krijgen. Over twintig jaar zou ze kaal zijn, had men haar verteld, al kon niemand dat met wetenschappelijke zekerheid bevestigen. De liftdeuren openden zich en ze stapte de gang in. Mannen en vrouwen in witte jassen wandelden druk discussiërend voorbij. Een enkeling keek haar nieuwsgierig aan. Ze onderging het lijdzaam. Voor deze mensen was ze niet meer dan een studieobject, een interessant geval. Stug liep ze naar het laboratorium wat verderop in de gang en zette zich er neer op een draaistoeltje naast een lange witte tafel. Er lag een document met haar naam erop en ernaast een injectienaald. Door een luidspreker klonk de stem van een nieuwslezer. Steeds hetzelfde. De Spot-pandemie in China was nog altijd niet onder controle. Iedere dag stierven er daar honderden mensen. Op zeven maanden tijd was het dodental inmiddels opgelopen tot bijna vierentachtigduizend. Ook elders in de wereld waren er al tienduizenden bezweken aan de ziekte. Er was nog geen vaccin gevonden dat de gruwelijke plaag, die vaag leek op het oude Ebola-virus, onder controle kon houden. De restauratie van de piramides van Gizeh, die door bombardementen tijdens de Olieoorlogen ernstig schade hadden geleden, was weer stilgelegd vanwege gebrek aan financiële middelen. De Europese regering weigerde meer geld te verstrekken, maar stond wel open voor het sturen van meer gespecialiseerde werkkrachten. Karen schudde zachtjes haar hoofd. Die politieke spelletjes waren in vijftig jaar evenmin veranderd. Een jonge laborant was bij haar komen zitten en ze stak gewillig haar arm uit. Hij bond haar arm af en prikte bloed. Zeven buisjes deze keer. “Hoe voel je je vandaag?” vroeg hij vriendelijk. “Goed,” zei ze kortaf. Dat was net het probleem. Het ging altijd goed met haar.   Of ze nog nieuwe bevindingen hadden gedaan? Nee, dat hadden ze niet. Zodra men komaf maakte met de negatieve bijwerkingen van Antaron, leken ook de positieve effecten van het middel te verdwijnen. Men had nog geen oplossing gevonden. Maar ze moest zich geen zorgen maken, vroeg of laat... Karen had plotseling zin om de jongeman een dreun op zijn neus te geven. Vroeg of laat? Ze was zesenzeventig en op straat dacht men dat haar broer haar grootvader was als hij naast haar liep! Maar, ze hield zich in. Ze had tijd. Dat was haar enige voordeel. Ze had tijd. Op een dag zou men een medicijn vinden dat ervoor zou zorgen dat ze haar leven kon doorleven. Men schatte dat het misschien nog twintig jaar zou duren. Maar dat hadden ze twintig jaar geleden ook al gezegd. Voor ze vertrok stelde ze de vraag. Steeds dezelfde vraag. “Hoeveel?” Het antwoord stemde haar altijd droef. “Twee.” Wéér twee rode armbanden minder. Mensen die het niet meer konden verdragen en zelf een einde maakten aan hun leven. Nog vijfenzestig van de honderd leefden er nu nog. Hun aantal slonk iedere week. Zouden ze de komende twintig jaren overleven? Zou zij het overleven? Hoe lang zou het duren voor ze zichzelf door het hoofd schoot of zich onder een magnetobus wierp omdat ze de eeuwige jeugd niet meer kon dragen? Plots had ze er genoeg van. Ze negeerde de protesten van de laborant, stond op en verliet de kamer. Ze moesten hun testen deze keer maar vergeten. Wat kon het haar schelen.   Toen ze weer buiten stond haalde ze diep adem. Als vanzelf ging haar hand naar haar oor om het mobieltje terug aan te zetten en ze luisterde of er nog boodschappen waren. Dat was niet het geval. Een blik op haar polscomputer vertelde dat er ook geen nieuwe mailtjes waren binnengekomen. Ze schakelde de radio aan, zocht en vond een klassieke zender en slenterde de straat uit. Iedere week hetzelfde. Bij een kraampje kocht ze een bos witte rozen en op de tonen van Mozarts windserenade wandelde ze het kerkhof op. Ze drukte de bloemen wat dichter tegen zich aan. Nog steeds verkrampte haar hart als ze de stenen grafzerken zag en de trieste beelden die her en der ter versiering waren neergezet. Vele graven zagen er verwaarloosd uit en slechts hier en daar had iemand bloemen neergelegd. Blindelings liep ze naar een graf dat verscholen lag in een hoek van het kerkhof. De vergulde letters op de zerk glommen in het vroege middaglicht. Ze knielde, legde de witte rozen neer en liet haar hand rusten op de donkere steen. “Hoe moet ik nu verder, David?” fluisterde ze. Haar tranen vormden een plasje naast de rozen. De laatste drie maanden had ze hem iedere week dezelfde vraag gesteld. Hoe moest ze verder zonder hem? Hij had haar gesteund, getroost en liefgehad. Hij had haar moed ingesproken als ze niet meer verder kon. Hij was haar vriend geweest, haar minnaar en haar echtgenoot. Nu was er slechts dit koele graf, de witte rozen en de beklemmende stilte als ze wederom haar vraag stelde.   Antaron had Karen de eeuwige jeugd geschonken en haar tegelijkertijd het leven ontnomen. Het had haar onvruchtbaar gemaakt en bevreemd van alle vrienden die ze had. Ze had lijdzaam toegekeken hoe haar echtgenoot verouderde, aftakelde en stierf en wanneer ze haar broer zag, dan sidderde ze van angst. Op een dag zou ze ook hem verliezen. Op een dag zou ze eenzaam achter blijven. Daar wogen alle voorrechten die de regering haar gaf niet tegenop. Het luxehuis waar ze gratis in mocht wonen, het pensioen waar ze nooit voor gewerkt had en al de kleine dingetjes die ze dankzij de eersterangs-programmatie van haar implantaat gemakkelijker en sneller kon krijgen dan andere mensen. Maar wat had ze eraan nu er niemand meer was om er samen van te genieten?   “Laat hem los,” zei een stem. “Laat ons los.” Karen draaide zich om naar haar broer Mark. Zijn haar was net zo grijs en dun als het hare, maar hij liep kromgebogen en hield zich staande met behulp van een stok. Zijn donkere ogen, die diep in zijn gerimpelde gezicht lagen, keken haar bezorgd aan. “Wat bedoel je daarmee?” “Je hebt je veertig jaar lang onderworpen aan de wetten en de regeltjes van het WIVG. Het wordt tijd dat je je lostrekt van het instituut en verdergaat. Je hebt de tijd en het geld om van het leven te genieten. Doe dat dan ook.” “Ik kan het niet.” “Jawel, dat kun je wel. Sarah, Thomas, de kleinkinderen en ik zien je doodgraag, maar we vinden het verschrikkelijk om toe te moeten kijken hoe je iedere dag vecht tegen de eenzaamheid en het verdriet in je hoofd. Er is meer in het leven dan het WIVG en rozen neerleggen op dit graf. Je moet verder gaan en David loslaten. Vergeet ons, vergeet het instituut en trek de wereld in. Je wilde altijd al reizen, waarom doe je dat dan niet?” Het klonk zo eenvoudig en aanlokkelijk zoals hij het zei. Gewoon alles achterlaten, vertrekken, en niet meer omkijken. “Onmogelijk, Mark. Ik mag het land niet uit. Dat is de regel.” Het was een uitvlucht zoals ze er zovele kon bedenken, maar Mark kende haar beter dan wie ook. “Een vriend van mij zou je kunnen helpen. Hij kan de nodige aanpassingen doen aan je implantaat en Thomas kan dat rottige ding rond je pols wel wegsnijden met het materiaal dat hij in zijn atelier heeft staan.” “Ik weet het niet,” zei Karen, maar in haar hart voelde ze voor het eerst in maanden een sprankje hoop. Misschien... misschien had Mark gelijk. Misschien werd het tijd om te stoppen met dit leven en opnieuw te beginnen. Weg van de rode armbanden en het WIVG. Ze kon haar haar verven en niemand zou haar herkennen als een uitverkorene. Ze kon de wereld intrekken of zelfs een shuttle nemen naar de Maan. Die had ze altijd eens van dichtbij willen zien. Ze glimlachte en dacht aan het laatste nieuwe ruimtevaartproject dat de regering was opgestart. Misschien zou ze op een dag wel deel uit kunnen maken van de Mars-kolonie! Waarom niet? Zij kon wachten. “Ik zou je nu naar hem toe kunnen brengen. Vanavond kan je vrij zijn.” Ze wierp een laatste blik op de rozen en knikte. Ze voelde haar wangen warm worden, vlinders fladderden in haar buik en het zweet stond in haar handen. Voor haar geen einde op de rails, geen loze bloedvlekken op de muur. Ze zou eindelijk haar leven in eigen handen nemen.   Arm in arm met haar broer verliet Karen opgewekt het kerkhof. Ze keek niet meer om. Ze zou Davids liefde verder in haar hart meedragen, maar hier zou ze nooit meer weerkeren. Mark stapte monter naast haar mee. Hij was blij dat hij zijn zus weer zag lachen. Dat was lang geleden geweest.   Toen Mark en Karen voorbij het bloemenstalletje wandelden hoorden ze plots rumoer achter zich. Auto’s toeterden en iemand gilde iets onverstaanbaars. Broer en zus bleven verbaasd staan kijken toen een verwilderde man tussen het gevaarlijk razende verkeer de straat over stak. Er lag een dolle blik in zijn ogen toen hij het ouderwetse pistool uit zijn zak haalde en “Dood aan Rood!” schreeuwde. Een wagen deed een wanhopige poging de man te vermijden. Piepende remmen snerpten. Er klonk een schot en de wildeman smakte als een hoopje vodden neer op het asfalt.   Karen keek naar het bloed op haar handen. Ze hoorde haar broer iets roepen, maar ze slaagde er niet in te reageren. Haar benen begaven het en doorheen het mistige waas dat voor haar ogen hing, zag ze hoe witte rozenblaadjes naast haar op de grond neerdwarrelden. Ze kleurden langzaam rood. Een briesje beroerde haar grijze haren en Karen sloot haar ogen. Dit was haar moment.

Fiona
5 0

Sprookje

Er was eens een elfje dat altijd vrolijk en zorgeloos rondfladderde in het bos. Ze fladderde van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat door de seizoenen heen. Ze vloog tussen de bloesems, de bloeiende rozen en hopte van berkenzwam naar dennenappel. Ze speelde tikkertje met de vlinders en als ze moe was, dan rustte ze tussen de beschermende vleugels van Moeder Gans.   Op een mooie herfstdag dartelde het elfje mee in een bladerdans, toen een schittering haar aandacht trok. Ze vloog nieuwsgierig dichterbij. Het leek wel alsof iemand duizend regenbogen verstopt had in een struik. Zoiets moois had ze nog nooit gezien! Het elfje keek schichtig om zich heen. Had er iemand anders de schat opgemerkt? Waren er hebberige eksters in de buurt? Zat er ergens op een boomtak een kabouter naar haar te gluren? Maar nee, er was niemand anders die de glinsteringen had opgemerkt. De schat was helemaal voor haar alleen! Dus vloog ze snel verder, hebberig grijpend naar de wonderlijke regenbogen. Het elfje strekte haar handje uit en greep tot haar verrassing in iets heel vies en plakkerigs. De mooie glinsteringen bleken niets anders te zijn dan dauwdruppels die in een spinnenweb hingen. Met een kreet van afschuw wilde ze omkeren, maar dat kon niet meer. Ze plakte vast en hoe harder ze rukte en trok, hoe meer ze verstrikt raakte in het draderige plakgoedje. Het elfje worstelde tot ze geen kant meer uitkon. Hulpeloos hing ze in het web.   “Help!” riep ze, maar er was niemand in de buurt die haar iele stemmetje kon horen.   De enige die wat gemerkt had, was de eigenaresse van het web en die kwam langzaam tastend naderbij. Het elfje had nog nooit zo’n grote, harige spin gezien. Groen gif lekte van haar kaken die hongerig open en dicht klapten.   “Help!” gilde het elfje nogmaals, maar er was nog steeds niemand die haar kon horen. Geen eksters. Geen kabouters. Ze was helemaal alleen.   En dus vrat de spin het elfje op met huid en haar. Het was de beste maaltijd die ze in maanden gegeten had en nadat ze wat bekomen was van de copieuze lekkernij, toog ze meteen aan het werk om haar web groter te maken dan ooit tevoren. Je wist maar nooit of er nog van die heerlijke elfjes in bleven plakken!   Moraal van dit verhaal?   Wie wordt verleid door mooie dingen, blijft helaas niet erg lang zingen. Liever arm en fladderend vrij, dan een spinnenlekkernij!

Fiona
0 0

Tempus Fugit

2004   Christines hart kromp ineen bij het zien van haar dochtertje. Het kleine meisje leek wel in het grote ziekenhuisbed te verdwijnen. Ze leek wel te verdrinken in een zee van kraakwitte lakens en kussens. Ze was als het ware gevangen in een web van buisjes en slangetjes. Kleine Sara was mager, uitgeteerd en doodziek, maar toch lachte ze bij het zien van haar mama. Een geluid dat klonk als vrolijke kerstbelletjes. Het verdrong het enerverende gebliep van de monitoren eventjes naar de achtergrond. “Hoe voel je je, lieverd?” Voorzichtig zette Christine zich op de rand van het bed. Ze streek een lok vlasblond haar uit Sara’s witte gezichtje. De grote blauwe ogen van het meisje schitterden. “Er waren clowns vandaag, mama! En ik heb een ballon gekregen! Kijk!” Een knaloranje ballon plakte tegen het plafond. Sara trok aan het lange rode lint dat binnen handbereik boven het bed hing en liet de ballon over het plafond dansen. Ze vond het prachtig. Vanonder het dekbed haalde ze giechelend de rode neus die ze eveneens van de cliniclowns gekregen had. Ze zette hem op en stak haar tong uit naar haar mama. “Als ik groot ben word ik ook een clown!” Christine glimlachte en kuste haar dochter. Vanbinnen huilde ze. Haar Sara, haar kleine meisje... God, maar voor hoe lang nog?   1378   Voor zover Béathe het zich kon herinneren, was dit de guurste winter die ze ooit had meegemaakt. Buiten hoopte de sneeuw zich metershoog op en binnen hoorde ze de wind loeien in de schoorsteen. Voorzichtig nam ze de theepot van de haak in de haard en schonk zichzelf nog een kopje in. Knus nestelde ze zich in de enige zetel die ze nog rijk was. Ze roerde haar thee om en dacht even aan de spullen die ze allemaal had moeten verkopen. Het geld was nodig geweest voor de begrafenis. Het kleine beetje dat ze over had zou maar net genoeg zijn om de winter door te komen. Het zou niet lang meer duren of de rest van haar huisraad zou eveneens verkocht moeten worden. En dan? Moest ze gaan bedelen in de stad? Zich terugtrekken in het klooster? Ze nam een zuinige slok en wierp een blik op de rieten mand die op de tafel stond. Onaangeraakt. Hij was gevuld met brandewijn, appels, brood en honing en iemand had liefdevol een takje hulst aan het handvat gehangen. De glimmende rode bessen van het takje maakten Béathe rusteloos. Ze wist maar al te goed wie haar die mand gestuurd had en waarom, maar of ze op zijn aanbod wilde ingaan? Kon ze zichzelf zover krijgen dat erop in ging? Opnieuw trouwen? Ze stond op en liep schoorvoetend naar de mand toe. Diederik was geen slechte partij, hield ze zichzelf voor. Hij was de enige molenaar in de omtrek en was getroffen door dezelfde smart als zij. Hij had vorige winter zijn vrouw verloren, zij haar man. Voorzichtig draaide ze de stenen kruik die zachtjes klotste en las met moeite het etiket. Ze was er trots op dat ze de woorden kon lezen. Ze kende niet veel vrouwen die haar dat nadeden! Het was goeie brandewijn bedacht ze. Zondagse. Ze nam nog een slok van haar thee en boog zich voorover om de rest van de mand van naderbij te bekijken. Een luidruchtig gerammel en gebons op haar voordeur deed haar verschrikt opkijken. Te laat greep ze naar het kopje dat uit balans raakte en in scherven op de grond uiteenspatte. Ze vloekte en beende naar de voordeur. Diegene die dit op zijn geweten had kon maar beter een goeie reden hebben!   2004   “Dokter Willems?” Christine klopte zachtjes op de openstaande deur van het kantoor. De arts die ze aanriep zat in gedachten verzonken te staren naar zijn computerscherm. Haar stem deed hem opschrikken. “Mevrouw Vandamme! Kom binnen. Ik ben blij dat u er nog bent. We moeten praten. Ik heb de laatste testresultaten binnen van Sara.” Aarzelend betrad Christine het kantoor. Ze kwam hier niet graag. De schelle lichten, de opgestapelde dossiers en de röntgenfoto’s die tegen de lichtbak hingen gaven haar altijd een ongemakkelijk gevoel. Ze zette zich in een van de stoelen en verwachtte het ergste. “Mevrouw, ik ga er geen doekjes om winden. U kent de situatie van Sara. U wist dat de nieuwe behandeling een gok was.” Christine knikte. Dat wist ze maar al te goed, maar er was geen andere keuze geweest. “Wel, ik heb slecht nieuws. Sara reageert niet goed op de medicijnen. Het is volgens mij beter om de behandeling te stoppen en het haar zo comfortabel mogelijk te maken in de tijd die haar nog rest.” Christine onderdrukte een snik. Ze wist dat dit kon gebeuren. Ze had het iedere dag verwacht, maar toch sloeg dit nieuws voor haar in als de bliksem. “Is er dan niks méér dat jullie kunnen doen?” wist ze uit te brengen. “Het spijt me. Het enige dat Sara nog kan helpen is een transplantatie. Ze staat bovenaan op de wachtlijst en we doen alles om haar meer tijd te geven, maar ik vrees dat een donor voor haar te laat zal komen.”   1378   Béathe staarde naar de man die zich ontdeed van zijn met sneeuw bedekte mantel. Ze had nog nooit iemand gezien die zo lang en zo mager was. Ze nam de jas aan en hing hem over een stoel die bij de haard stond. Zo kon de jas drogen. Ze fronste haar wenkbrauwen terwijl ze de theepot terug boven het vuur hing. Wat bezielde haar om een vreemdeling zomaar binnen te laten? Ze draaide zich om en bekeek de man langdurig. Hij droeg degelijke, warme kleren en de buidel aan zijn riem leek goed gevuld te zijn. Geen armoedzaaier dus. Maar wat deed een gegoede man in dit weer aan haar voordeur? Haar blik gleed naar zijn gezicht. De man glimlachte breed. Als rijpe appels in de zomer, flitste er door Béathe heen. “Mijn naam is Hugo.” stelde hij zich voor en hij boog voor haar. “Ik ben een klokkenmaker en onderweg naar Lyon. Men heeft mijn hulp daar nodig bij de bouw van de Kathedraal van Saint Jean. Althans... bij het maken van de klokken.” Béathe sperde haar ogen open. Deze man was te voet onderweg naar Lyon? Wanneer dacht hij daar aan te komen? Hugo lachte en Béathe besefte dat ze haar laatste vraag hardop had uitgesproken. “Ik had een paard, maar dat ben ik kwijtgespeeld in de storm.” verklaarde hij. Béathe knikte. Dat was voorlopig voldoende voor haar. Ze schonk hem een kop thee in en hield zich vervolgens bezig met het opruimen van de scherven van het gebroken kopje. Ze voelde zich verward. Er was iets in zijn glimlach en in zijn donkere ogen dat haar weke knieën gaf.   2004   Christine woelde in haar slaap. Dromen belaagden haar als stoffige sluiers uit het verleden.   ...“Nee!” Koortsig kraste de oude vrouw. Ze wankelde naar haar bed en wuifde het meisje dat in de deuropening stond weg. “De pest heeft me in z’n macht. Ik zou alleen maar meer mensen besmetten. Neem het mee en geef het door. Vlucht en leef!”...   ...“Hier, bewaar jij hem. Als ze hier binnenvallen...” verontrust keek de vrouw naar de deur. “Ze mogen het niet vinden. Ik zal misschien branden, maar jij bent nog maar een kind. Ze zullen je sparen. Denk aan mij, dochter. Ik ben géén heks!”...   ...“Hij zal komen. Dat weet ik zeker. Ik heb de tijd! Ik zal wachten tot zijn schip hier terug aanmeert. Ik hou van hem!”...   ...“Je zal niet sterven! Ik zweer bij God dat je niet zal sterven!” de vrouw trok het verband wat strakker aan. “Je ging die Fransozen een lesje leren... Bekijk jezelf nu eens! Hier. Hou vast en laat niet los!”...   ...“Moeder!”...   Christine schrok wakker. De kreet uit haar dromen leek nog na te galmen in de kamer. Plots wist ze wat ze moest doen. Ze gleed vanonder de dekens vandaan en plaatste haar blote voeten op de koude vloer. Rillend sloeg ze haar kamerjas om en liep naar het zilveren kistje dat op de schoorsteenmantel stond. Ze opende het en nam er een halskettinkje uit met daaraan een kleine glimmende hanger. Nog slechts één zandkorrel was er over...   1379   Hugo bleef die nacht slapen. En de volgende nacht. En de daaropvolgende... Hij bleef tot de lente aanbrak en zelfs toen aarzelde hij nog om te vertrekken. Hij hield van Béathe. Een vreemd gevoel dat hij niet hoorde te kennen, maar toch was het daar. Liefde. Als een knoop in zijn hart. Zijn taak echter liet niet op zich wachten. Hij hoorde verder te gaan. Tijd hoorde verder te lopen. “Ik kom terug.” beloofde hij Béathe. “Wanneer?” vroeg ze. Hij aarzelde met zijn antwoord. Hoe kon hij haar zeggen wanneer? Maanden en jaren waren voor hem vervlochten tot een onherkenbaar geheel. Wat was voor hem een decennium? Wat was voor hem een eeuw? Als het zand hem in zijn greep had, vervloog de tijd. “Hier.” zei hij en gaf haar een gouden zandlopertje. Béathe bekeek het dingetje dat amper groter was dan het bovenste kootje van haar pink. Het was gevuld met het fijnste witte zand. Het glinsterde. Op de onderkant was met minieme letters een inscriptie gegraveerd. Tempus fugit. De tijd vliegt. “Het zand stroomt niet.” merkte ze op. “Jawel. Het stroomt alleen heel traag. Zo traag dat de eerste korrel pas zal vallen bij de eerstvolgende lente. En voor de laatste valt zal ik komen.” Béathe huilde.   2005   “Mama, gaan we straks een ijsje halen?” Christine lachte klaterend. De laatste sneeuw was nog maar amper geweken en de bleke zonnestralen slaagden er nog net niet in om de lucht te verwarmen. “Straks. Eerst spelen. Kijk! Volgens mij is de schommel vrij.” Met dansende huppelpasjes rende Sara de speeltuin in. Niet veel later probeerde ze al schommelend met haar voeten de ijsblauwe lucht aan te raken. Christine zette zich neer op een bankje en keek naar haar kleine, vrolijke meisje. Een ogenblik later kwam er een man naast haar zitten. Ondanks zijn dikke winterjas viel het Christine op dat hij erg mager was. “Uw dochter is een heel levendig meisje, mevrouw.” “Ja. Ze is een schat.” beaamde Christine. “Ik ben blij dat ze mijn tijd zo goed kon gebruiken.” Geschrokken draaide Christine zich om naar de man. “Wat?” “Ik kom mijn zandloper halen. De tijd die ik ooit wegschonk, is op.” Met een langzaam gebaar haalde Christine de zandloper uit de zak van haar jas. Nog diezelfde ochtend had ze het kleinood losgehaakt van de hals van haar dochter. Sara had het nu niet meer nodig. Christine hield het juweel op tegen het zonlicht. Het was leeg. Op een glinsterend korreltje zand na dat plots door het trechtertje gleed en toen in het niets verdween. “Het is weg!” “Aan alles komt een einde.” zei Hugo. “Soms veel sneller dan je denkt. Tijd is kostbaar, dus geniet van wat je hebt.” Hij nam de zandloper en liet hem blikkeren in het licht. “Tempus fugit.” fluisterde hij in zichzelf. Christine keek hem na terwijl hij met lange passen het park uitwandelde. Had ze de man zien huilen? Plots trok er iemand aan haar mouw en haar gedachten over Hugo moesten plaats ruimen voor dringender zaken. “Mama? Wil je me komen duwen?”

Fiona
5 0

Vervlogen zomerzon

De zonsondergang gloeit na in de eindeloze zeespiegel. Het is een romantische plaatje, een droom waar elke toerist naar snakt, maar Nico merkt de natuurvoorstelling niet op. Hij heeft enkel oog voor zijn kampvuurtje. De vlammen hebben een hypnotische werking op hem. Ze brengen zijn hart, dat enkele uren geleden nog leek te barsten, tot rust. De muziek helpt ook. Zijn vingers vinden als vanzelf de juiste gitaarakkoorden. Ze doen pijn die vingers. Hij heeft al te lang gespeeld.   “Leg die kutgitaar eens voor een keertje weg. We zitten hier al een week en je hebt dat stomme ding al meer aangeraakt dan mij. Ik dacht dat we op vakantie waren!”   Els had een hekel aan zijn gitaar gehad. Els begreep hem niet. Els was niet aardig geweest.   “Nee! Als jij die gitaar de tent binnenbrengt, dan ga ik buiten slapen! Wat?! Hoezo dat kan je niets schelen? Wat denk jij eigenlijk wel?”   Het was aan het regenen geweest. Hij kon zijn gitaar toch niet buiten laten liggen? Zijn gitaar. Zijn lieveling. Hij had hem in een ver verleden gekregen van zijn ouders voor Sinterklaas. Meer dan een maand had hij gezeurd. Tientallen brieven had hij geschreven en overal had hij notaatjes laten slingeren. “Sinterklaas, mag ik alsjeblieeeeeeeeeft een gitaar? Alsjeblieft?” Ze was te duur geweest, maar uiteindelijk had hij ze toch gekregen. Zijn moeder was zo vertederd door die hele toestand met de briefjes. Na het verkeersongeluk, waarin zijn beide ouders omkwamen, had hij alle brieven die hij toen gestuurd had, teruggevonden in een oude schoendoos onder moeders bed. Hij had gehuild.   “Ben je nu helemaal getikt? Het lijkt wel alsof we met z’n drieën op vakantie zijn! Het is toch belachelijk, Nico. Zie die gitaar nu liggen op zijn handdoek. Bruiner zal hij niet worden hoor.”   Nico speelt verder. Een briesje neemt hem in een omhelzing en omspoelt hem met de zilte geur van de zee. Het zand kriebelt onder hem, maar hij beweegt geen centimeter. Ingespannen kijkt hij naar de vlammen, terwijl zijn gevoelloze vingers telkens opnieuw van akkoord wisselen.   “Godverdomme, Nico. Dit is de laatste keer dat ik ooit met jou op vakantie geweest ben. Als jij meent dat gitaarspelen en kampvuurtjes aanleggen ook mijn idee is van lekker weg zijn, wel, dan zitten we op een héél andere golflengte.”   Els was een goeie vriendin. Hij hield van haar. Ze was een vrolijke meid met het hart op de tong. Ze wist altijd wel ergens een positieve wending te geven aan de tegenslagen die hun leven leken te beheersen. Ze rook ook zo lekker. Alsof je pure zomerzon inademde. En nu was ze weg.   “Geef hier dat ding! Geef hier! Ik breek het in stukken! Ik zweer het je!”   Steeds opnieuw slaat Nico de bebloede snaar aan. Hij likt de zoute tranen van zijn lippen. Zijn bloemenlief. Hij had van haar gehouden. Nico laat de muziek de nacht inspelen. Het avondrood verdwijnt en zijn hart klopt weer rustig. De vlammen knetteren en vullen de zomerlucht met de geur van brandend hout en geroosterd vlees.

Fiona
2 0

Kinderspel

KinderspelHet spel was simpel, iedereen kon het spelen. Je had geen bijzondere vaardigheden of kennis nodig om mee te doen, hoewel het hielp als je iets of wat kon mikken. Er waren verschillende groottes en kleuren, die een rol speelden in de waarde van de exemplaren. Laagst in rang waren de "schieters", hoogst in rang de "boelen". Daartussen bovenden zich allerlei soorten en variaties, waar ik de meeste namen van vergeten ben, al kende ik ze toen heel goed.Ik was zes en met lege handen begonnen. Dit was op zich niet zo uitzonderlijk en al zeker niet problematisch. Alles was georganiseerd als een meritocratie: wat je had, werd bepaald door je prestaties. Opstarten was niet zo heel moeilijk, de meesten waren wel bereid om enkele "schieters" af te staan aan een beginner, en als je hier niet om durfde vragen, kon je altijd de speelplaats afschuimen in de hoop een verloren knikker te vinden.Wanneer je er enkele in je bezit had, was het niet moeilijk je collectie uit te bouwen. Op de speelplaats zaten vele kinderen met de benen gespreid. Tussen hun benen lagen dan enkele knikkers, dit waren de gewaardeerde exemplaren. Als je interesse had in iemands tentoongestelde knikkers, nam je plaats aan de startlijn en rolde je je eigen knikkers naar je doel. Raakte je een knikker, dan kreeg je hem, maar elke knikker die zijn doel niet raakte, was je kwijt. Het was een kwestie van inschatten en overwegen. De afstand tussen doel en startlijn, varieerde. De keuze hoeveel schieters je "wegschoot", lag bij jou. De keuze lag bij jou. Er waren risico's en mogelijkheden. Twijfel en hoop.Als zesjarige die niemand uit de hogere jaren kende, kwam ik in dit spel terecht. Dit eerste was ook geen vereiste, je hoefde namelijk helemaal niemand te kennen om mee te kunnen spelen. Het was een zeer uitdagend spel, elke situatie was anders en naast de hoeveel knikkers die je verwierf, kon je ook proberen gewaardeerde exemplaren in je bezit te krijgen. Langzaam bouw je op, tot je een collectie knikkers hebt, die je overal met je meesleurt. Eerst in je broekzak, dan in een klein tasje, maar op een gegeven moment heb je echt wel dat extra rugzakje nodig om dagelijks mee naar school te sleuren. Boordevol knikkers, één na één raak geschoten.Het is op zo'n moment dat het leven fijn en zorgeloos is. Niets verhindert je om ten volle van het spel te genieten. Tot iets daar verandering in brengt. In mijn geval was dit een ongeluk. De rugzak waar mijn dierbare knikkers in zaten, viel. Pardoes op de grond. Een groot deel van mijn verzameling rolde over de speelplaats. De knikkers waren niet te stoppen, ze gingen alle kanten uit. De tranen sprongen me in de ogen bij deze verschrikkelijke gebeurtenis. Vele guitige kinderhandjes grepen naar mijn dierbare schatten en ik deed hetzelfde. En hoewel de meeste knikkers eerlijk werden terugbezorgd, werden er ook een aantal onherroepelijk van me ontvreemd. Een patrouillerende leerkracht probeerde nog orde op zaken te stellen, maar gedane zaken maakten geen keer. Wat verloren was, bleef verloren.Het ergste is dat je het wéét. Je weet wat je kwijt bent en erger nog: je wordt je bewust van het feit dat je wéér en méér kunt verliezen. Het zorgeloze verdwijnt voorgoed. Het plezier van het spel gaat verloren. Alles is plots een oorlog waarin je enkel kunt verliezen. Een oorlog waaraan je niet eens aan hoeft deel te nemen. En zo borg ik voorgoed mijn resterende knikkers op in een kast op mijn slaapkamer en speelde nooit meer.Het daaropvolgende jaar draaide alles om die fantastische wezentjes die je in het wild kon vangen en voor je laten vechten. Je borg ze op in een rond balletje en trainde ze. Gelukkig waren zij niet echt en hoefde je geen ronde balletjes, maar kaartjes waarop zij afgebeeld stonden bij te houden. Die kaarten pasten heel gemakkelijk in een kinderhand en rolden gelukkig niet alle kanten uit wanneer je stapel uit je handen glipte. En zo kreeg ik op een dag enkele kaarten cadeau en trad ik in kinderlijke onschuld toe tot de wondere wereld der pokémontrainers/-verzamelaars, niet beseffend hoe onethisch het hele pokémongebeuren was. Stiekem lette ik toch wel erg goed op mijn steeds verder groeiende stapel kaarten, met de verloren gegane knikkers in het achterhoofd.Net zoals de andere leerlingen, ging ik helemaal op in de hype. We kenden alle namen en ruilden er lustig op los. We wisten hoe we "vervalsingen" moesten herkennen en legden met trots onze collecties aan elkaar voor. De blinkende en de kaarten met een hoog HP pronken bovenaan, daar waren we trots op, maar iedereen stak ook die nutteloze energykaarten in zijn stapel, zodat deze nóg groter leek. En hoeveel en welke kaarten je bezat maakte natuurlijk geen verschil in de binnen de klasmuren, maar op de speelplaats telde het écht wel. Voor ons was het geen spel, het was wie wij waren en hoe wij leefden. Dit was géén kinderspel, dit was menens! 

Fuaran
5 0

De Panda's

Wij waren altijd drie handen op één buik geweest. Mabel, Noa en ik. Wij hadden altijd samen gehoord, al vanaf het moment dat wij elkaar ontmoetten. Misschien zelfs al vóór dat moment, het zou me niet verwonderd hebben als onze vriendschap voorbestemd was. Ondanks onze verschillen, waren wij altijd een onscheidbare eenheid geweest. Mabel: lief, rustig en eerlijk. Noa: extravert en grappig, altijd haantje de voorste en energiek. En ik, eerder verlegen. Drie totaal verschillende meisjes, allen die eerste schooldag opgedaagd in dezelfde trui met daarop een panda afgebeeld. Die dag werden wij het pandatrio, de pandameiden, of simpelweg "de panda's". En dat waren we altijd gebleven. Als mensen echt bij elkaar horen, is er niets dat hen kan scheiden. Dat hebben wij altijd geweten. Ik herinnerde me nog hoe juf Annabel ons na Mabels ongeluk even apart riep. "Ik vind het zo erg. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn.", had ze ons al snikkend toegesproken. Ze had ons één voor één aangekeken met een gezicht waarop het medelijden te lezen stond, alvorens ze met haar handen voor haar gezicht het klaslokaal was uitgevlucht. We hadden er nadien hartelijk om gelachen, want voor ons was er niets veranderd. Ongeluk of niet. Alles was gewoon bij het oude gebleven. Het kon Mabel niet schelen en ons al zeker niet. De eerste maanden wilde iedereen er steeds met ons over spreken, tot vervelens toe. De eerste dagen, weken zelfs, stonden we dan met z'n drietjes wat verlegen te knikken, ons gewicht van het ene been naar het andere verschuivend uit ongemak of zenuwachtig met onze vingers wriemelend. Na een maand vonden we het wel welletjes. Het was Mabel die met het idee kwam om een spectaculaire niesaanval te faken toen Stefaans moeder voor de zoveelste keer op rij ons kwam vervelen met een gesprek over "het fameuze ongeluk". Mevrouw Edith, Stefaans moeder, negeerde de niesaanval, alsof het er niet vingerdik bovenop lag dat Mabel niet écht niesde. Noa en ik daarentegen, konden ons helemaal niet serieus houden. We moesten zo hard lachen dat onze buiken pijn deden en Stafaans moeder stampvoetend van woede wegstormde. Daarna wisselden we elkaar af: telkens wanneer iemand zich geroepen voelde om met ons te praten over Mabels ongeluk, bedacht één van ons iets om de anderen aan het lachen te brengen. Het werd ons niet in dank afgenomen, maar uiteindelijk kregen we wel wat we wilden: iedereen liet ons met rust. Mabels ongeluk was doorheen de jaren steeds meer naar de achtergrond verdwenen, zodat het leek alsof het nooit gebeurd was. Na verloop van tijd voelde niemand nog de aandrang om er met ons over te spreken. We zwegen en vergaten. Misschien wel omdat we de hele tijd plezier maakten. Er was altijd wel iets om te doen. Boomhutten bouwen, zwemmen, door de velden rennen, op avontuur trekken, samen winkelen of naar de cinema gaan... we verveelden ons nooit. En alles deden we met ons drieën. Niets haalde ons uit elkaar. Niet Mabels ongeluk of Noa's openbeenbreuk, waarna ze wekenlang in een rolstoel moest doorbrengen. Of de zomervakantie die ik bij mijn tante in Oostenrijk door moest brengen. Tot Bastiaan op het toneel verscheen. Hij was het soort jongen dat niet onopgemerkt voorbij gaat. Hij was knap, sportief, twee jaar ouder én verliefd op Noa. Natuurlijk begreep ik ook toen al dat een jongen als hij zich niet zomaar laat afwijzen, maar ik had niet verwacht dat hij zo belangrijk zou worden in Noa's leven. Mabel, Noa en ik waren de eerste dag in de middelbare school samen in een hoekje op de speelplaats gaan zitten onder een reusachtige wilg. Ik had me voorgesteld dat het altijd zo zou zijn. Wij, de Panda's, samen vanuit de schaduw glurend naar de andere tieners die luid door elkaar liepen of balsporten speelden. Maar zo geschiedde het niet, alvast niet als het van Bastiaan afhing. En zo gebeurde het dat Mabel en ik daar steeds vaker met z'n tweetjes zaten, kijkend naar de rest van de speelplaats, en vooral naar Noa en Bastiaan, die zich als een onscheidbare eenheid over de speelplaats bewogen. Natuurlijk zaten we wel samen in de klas. Daar kon Bastiaan gelukkig niet tussenkomen. Maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. De Panda's, zoals ze eens geweest waren, waren geen vaste waarde meer. Het was op een vrijdag tijdens de namiddagspeeltijd dat Noa eindelijk nog eens naar ons toekwam. Zonder Bastiaan, wat me verwonderde. Het was al lente, maar nog steeds heel koud. Mabel en ik hadden dikke jassen aan en zaten tegen elkaar, zodat onze armen elkaar raakten, om zo warm mogelijk te blijven. Noa droeg enkel een hippe sweater en bleef voor ons staan, ze leek niet de neiging te voelen om naast ons te komen zitten, zoals we als kind altijd gedaan hadden. Toen hadden we er soms zelfs om geruzied wie in het midden mocht zitten en zo het warmst kon blijven. Het ging als een steek door mijn hart dat zij bleef staan. Noa, die met haar hippe sweater uit een tv-commercial ontsnapt leek te zijn, terwijl wij er uitzagen als eskimo's in onze ruime, vormloze jassen. "Hoi", begroette ze ons, alsof het een doodnormale zaak was dat zij ons kwam opzoeken tijdens de speeltijd. Mabel en ik wisselden een veelzeggende blik. "Zaterdagavond gaan we met wat vrienden naar De Paparazzi, dat is dat nieuwe café op de markt. Elena, Jeroen, Michiel, Thomas, Saskia, Bastiaan en ik. Als je zin hebt mag je ook komen..." "Mabel mag van haar moeder niet naar cafés, dat weet je best." Ik moest niet overleggen met Mabel om te antwoorden. Haar moeder had er een hekel aan dat haar kleding naar sigarettenrook stonk. Ze had haar altijd verboden om op café te gaan, dus hadden Noa en ik dat ook nooit gedaan. Toen we nog de drie Panda's waren dan toch, Bastiaan en zijn vrienden gingen regelmatig op café, ook net na school. En waar Bastiaan was, was Noa. "Mabel...?" Ik dacht eerst dat Noa de vraag nu rechtstreeks aan Mabel stelde, maar toen haar blik onbegrijpelijk op mij bleef rusten, kreeg ik een argwanend gevoel in mijn borst. Alsof iets niet klopte, al kon ik er de vinger niet meteen op leggen wat het was. "Mabel is dood, al vijf jaar, dat weet je, Lotte." Noa's grote, groene ogen lieten me niet los. Ze leken me zoveel te willen vertellen, maar ik luisterde niet naar hun onuitgesproken woorden. Het enige wat ik kon was naar Mabel kijken. Mijn mooie, lieve Mabel, die op haar vaste plekje onder de wilg naar de grond zat te staren met ogen gevuld met tranen. "Zeg dat niet, zeg dat niet!", schreeuw ik Noa toe, boos om het verdriet dat ze Mabel deed. Noa keek me nog enkele seconden betekenisvol aan, knikte toen berustend en liep zonder nog een woord te zeggen van ons weg. Troostend sloeg ik mijn armen om Mabel heen.    *** Het voelde onnatuurlijk om alleen door de gangen van de school te lopen. Ik miste Mabel aan mijn zijde, maar zij had me ook verzekerd dat dit de enige oplossing was. We hadden er een hele week samen over gebrainstormd. Er waren geen andere mogelijkheden. Ik moest dit doen en ik moest het alleen doen, daar was Mabel het mee eens. Het kostte me geen moeite om Noa te vinden. Zij was waar ze altijd was, bij de populaire groep. Ze leunde nonchalant tegen een locker en lachte om een grap die één van de anderen gemaakt moest hebben. Terwijl ze lachte, gooide ze haar haren wild in haar nek, waardoor ze net een filmster leek. Gehypnotiseerd door deze vertoning vergat ik bijna waarop ik hierheen was gekomen. Bijna. "Noa?", zei ik luid terwijl ik naar de groep toeliep, hun gesprek onderbrekend. Vele ogen keken me verbijsterd aan, maar voor mij bestond enkel Noa, die me met licht geopende mond verbaasd aanstaarde. "Hoi," antwoordde ze me. Haar stem klonk verveeld, maar haar ogen keken me nieuwsgierig aan. "Gaan jullie ook deze week weer naar dat café? De Papa-dinges?" "De Paparazzi," verbeterde ze me. "Ja, dat." "Uhm....ja," zei ze ongemakkelijk. "Goed, dan ga ik deze week met jullie mee. Heb je zin om die dag na school nog even iets bij me te eten?" Mijn vraag leek haar wat van haar stuk te brengen. Ze knipperde nerveus met haar ogen en er ontstond een kleine frons tussen haar wenkbrauwen. Miss populair viel even van haar troon door de verwijzing naar een vroegere traditie. Als kind aten we elke zaterdagavond bij mij thuis. Eerst koekjes die mijn moeder bakte, maar nadien bereidde ik zelf kleine maaltijden voor hen. Eieren, pannenkoeken, cakes, maar nadien ook hele maaltijden. "Oké," zei ze. Eén kort woord, waarin zoveel emoties doorklonken. Nostalgie, verdriet, maar ook opluchting, vond ik. Zonder verdere afspraken te maken, draaide ik me om en ging terug naar waar ik hoorde: bij Mabel onder de wilg. "Zie je nu wel, het lukt vast," Noa ze. "We kunnen vriendinnen blijven én met nieuwe mensen omgaan. Je vindt mijn vrienden vast leuk." Ik kauwde zwijgzaam op een stukje wortel. Terwijl ze wat eten bijnam, liet ik mijn blik even richting Mabel glijden. Die had het gehele etentje nog geen woord gezegd en keek me afwachtend aan. "Ik ga even het dessert halen," zei ik, terwijl ik in de keuken verdween. "Hmmmmmm! Chocomouse, mijn favoriet! Dat je dat onthouden hebt!" Noa's ogen keken me groot en vol verwachting aan. "Ja, hoe kon ik dat vergeten. Ik wilde iets speciaals voor je maken, vandaag is tenslotte een bijzondere dag." "Absoluut," bevestigde ze, met haar mond vol dessert. "Je vindt hen vast leuk, dat moet haast wel! Je hoeft helemaal niet meer op je eentje onder die stomme wilg te zitten, Lotte. Nooit meer! En dan is er nog iets, één van de jongens toonde een bijzondere interesse in je, hij is best schattig, ik stel je straks aan hem voor..." Maar wie die schattige jongen die mij leuk vond was, kwam ik nooit te weten, want Noa greep naar haar borst. Haar gezicht vertrok van pijn. Geschrokken keek ik naar Mabel. "Het duurt vast niet lang," stelde ze me gerust. En ze kreeg gelijk. Het duurde amper vijf minuten voor Noa's lichaam levenloos op de grond lag. Op haar lippen prijkte nog wat van het fatale goedje waar ze zo dol op was. Een speciaal gerecht voor een bijzondere gelegenheid, bedacht ik me. Mabel en ik wisselden geen woorden uit. Het was de enige oplossing, daar waren we het over eens geweest. En eigenlijk heb ik het altijd geweten, dat niets ooit tussen ons zou kunnen komen. Wij waren de Panda's, beste vrienden vanaf onze allereerste ontmoeting, en zo zal het altijd zijn. Al snel zag Noa in dat Bastiaan helemaal niet zoveel van haar hield als ze gedacht had, na de chocomouseavond negeerde hij haar volkomen. Het was alsof ze voor hem helemaal niet meer bestond. Hij kwam ook niet veel meer naar school na die avond, hij was vast van school veranderd of verhuisd. Het deed me plezier dat na haar relatie met Bastiaan alles weer was zoals vanouds, het was alsof hij nooit tussen ons gekomen was. Noa wisselde zelfs haar trendy kleding voor de gemakkelijke varianten die ze vroeger droeg. En daar zaten we dan weer met z'n drieën onder onze wilg, aan de rand van de speelplaats, in onze vormloze jassen. Noa, Mabel en ik. Drie vriendinnen voor altijd. Ik warmpjes in het midden.   

Fuaran
0 0

Een Mislukte Astronaut

Al wrijvend in mijn ogen en met een welgemeende geeuw, groette ik de zon die ons met een fijne, warme straal welkom heette. Na anderhalf uur meerijden in een krakkemikkige wagen die elk moment riep om een pauze, stonk naar de verbrande diesel, maar toch de eindbestemming moest halen, kwam ik wakker op de plaats waar m'n leven voorgoed zou veranderen, althans mijn visie op het leven. Ik opende de passagiersdeur en snoof meteen de frisse, zuivere zeelucht door mijn neus. Mijn vriend staarde me aan, nam me in zijn armen en fluisterde zacht en glimlachend in mijn oor: “Goeie morgen schat, goed geslapen?” Meer dan een slaperige en verwarde ochtendblik kon ik hem op dat moment niet bieden, maar ik sloeg mijn armen om zijn nek. “Vandaag zal het gebeuren”, zei hij. “Briefing!”, riep de verantwoordelijke van die dag. Alsof mijn wekker met een plof op mijn hoofd viel, was ik meteen klaarwakker. We snelden ons naar de desbetreffende plaats en sloten ons aan bij een groep van acht. Allemaal oude rotten in het vak. De een al wat beter dan de ander, de een al wat frisser dan de ander. De verantwoordelijke gaf een uitzonderlijke preek over veiligheid, regels, buddy's, vriendschap, natuur, maar mijn gedachten konden zich niet geheel richten op zijn uitgesproken woorden. Zijn slotzin kwam echter wel goed aan: “Binnen een tiental minuten wil ik iedereen aan de waterkant zien, want binnen een uurtje wordt relatief sterke stroming verwacht.” “Ook dat nog”, mompelde ik tussen mijn tanden. Alsof ik nog niet genoeg zenuwen had. Er kwam precies toch meer bij kijken dan ik aanvankelijk in mijn ideale droomwereld had kunnen voorstellen. Rustig nam ik mijn pak uit een zorgvuldig uitkozen, kwaliteitsvolle doos, want ik wilde al mijn materiaal van meet af aan goed verzorgen. De frisse zeelucht veranderde al snel naar een geur van opgewarmd rubber. Ik monteerde mijn fles nauwkeurig en volledig volgens de regels van het boekje, want je wilt toch net niet dat daar iets fout mee loopt. Mijn kleren hingen al aan een zelf ontworpen kapstok, gemonteerd aan de openstaande autokoffer. Ik duwde met volle perskracht mijn benen door het nogal spannende zeven millimeter dikke duikpak, gevolgd door mijn armen en nek. Daarboven kwam nogmaals een zeven millimeter dik pak, duikschoenen, handschoenen, een kap, een lamp, en uiteraard niet te vergeten, een loodgordel van om en bij tien kilogram. Als een mislukte astronaut probeerde ik alsnog mijn duikfles op mijn rug te krijgen. Ik stak al waggelend de straat over waarna ik de priemende blik van de vijfentwintig trappen voelde steken in mijn buik. Daar, daar moest ik over en dan was ik bij de zee. Met zo'n dertig kilo extra aan mijn lijf begon ik de klimtocht te trotseren. Hijgend en zwetend kwam ik aan bij het water. Ik keek voorzichtig rond me en zag al snel dat ik niet als enige wat vreemd en ongemakkelijk de waterkant bereikte. Enkele passen verder voelde ik een hand op mijn schouder. De andere hand trachtte mijn duikfles te ondersteunen waardoor het een pak lichter aanvoelde. Ik stapte het water voorzichtig in en tot mijn grote verbazing voelde dat zelfs niet koud aan, integendeel, het was een gevoel dat alle verwachtingen van de betekenis van het woord 'vrijheid' kon overtreffen. De man, die zo vriendelijk was om mij in het water te helpen en mijn volle gewicht te ondersteunen met zijn brede armen, keek me voorzichtig aan en stelde mij helemaal op mijn gemak. Ook mijn vriend zou me niet in de steek laten, hij stond vier meter verder ook wat te waggelen en ongemakkelijk te wezen, maar zijn ogen weken niet weg. “Ben je er klaar voor?”, vroeg de man. Ik knikte. We zakten stilaan weg in het water, hard bijtend op het mondstuk, met hersenen die volledig weigerden om ook maar één hap lucht te nemen, vechtend tegen mijn reflexen tot ik het niet meer hield. In één ruk nam ik, net zoals een pasgeboren baby, zo'n grote hap lucht dat ik er duizelig van werd. En herboren voelde ik mij helemaal. Stil, heel erg stil, geen vervelende vragen, geen nieuwe verbale info, geen telefoons die zo snel als mogelijk beantwoord dienden te worden. Zelfs mijn eigen stem verdween helemaal. De luchtbellen zochten stilaan een weg naar boven en streelden mijn wangen bij het vaarwel zeggen. Een vis kwam parmantig voor mij uit zwemmen. Haar blik vertelde meer dan duizend woorden of tekens. Het leek alsof ze me kwam vragen wat mijn bedoelingen waren. Een dier, dat ik anders koop op de vismarkt, zomaar in de oven stop en met volle smaak mijn maag in pomp om daarna languit en helemaal verzadigd en voldaan de zetel in te ploffen, vond het nodig om nu mijn richting uit te komen en mij er op te wijzen dat ik in haar habitat vertoefde, dat ik het met geen vinger mocht aanraken. En toch, toch tolereerde dat beestje mij. Het kwam in haar geheel niet mijn richting uitzwemmen met de intentie om mij op te eten of mij in een oven te stoppen. Het had er nochtans alle recht toe, want... wat deed ik daar ook al weer? Een kreeft zag hoe ik met mijn golvende bewegingen het ritme van de zee kwam verstoren en hoe mijn lamp in alle richtingen bleef schijnen, zoekend naar leven, zoekend naar een ongekende wereld waar wij van profiteren, een wereld waarin wij niet thuishoren. Hij viel me niet aan, maar kroop bang weg, zo snel als hij kon, angstig en onzeker door de nabijheid van een mens... Een mens dat in zijn ogen beschouwd wordt als een gevaarlijk beest. Een kleine krab had echter wel door hoe zwak wij zijn indien wij buiten onze eigen habitat treden en schrikt er, geheel terecht, niet voor terug om zijn scharen los te laten op een van onze tien vingers. Meerdere malen kreeg ik een waarschuwende blik mijn richting uitgespuwd die ik zomaar, alsof ik was een klein, verzwakt wezen, respecteerde. De manometer vertelde mij na geruime tijd dat mijn lucht uitgeput raakte. Volledig vertrouwend op technologie liet ik mezelf en mijn leven wederom aan wal leiden. Na het horen van de behaalde diepte, kreeg ik prompt geen adem meer. Nochtans hield ik mijn hoofd boven water en was mijn leven niet meer afhankelijk van een rubberen mondstuk. Op twintig meter diepte kreeg ik de eer om kennis te maken met ongekende en ongeziene fauna en flora, die stilaan aan het verdwijnen is als gevolg van ons leven boven het wateroppervlak. Ik, als fervent prater, want als ik in de buurt ben dan hoor je mij altijd, was ineens stil geworden. Ik leerde iets nieuws kennen. Iets dat nochtans al veel langer bestaat dan wijzelf. Alle moeite om in het water te geraken, het dragen van extra kilo's, het sleuren van de duikfles, had allemaal geen belang meer. Elke bestaande moeilijkheid werd nihil, stress en nervositeit leken sinds die dag zo onbenullig als de Mont-Blanc groot lijkt. Zolang de bewoners van het schijnbaar oneindige deel van de wereld, dat overigens door de mensheid niet gezien of benoemd wordt als werelddeel, mij er alsnog toelaten, blijft het water mijn nieuwe thuis, zonder huurgeld, maar wel met het bieden van eerbied en respect.

J. Depoorter
7 1

de roze schoentjes

In de folder had ik ze al zien staan, de roze schoentjes voor 4,99 euro. Eigenlijk was ik die reclame al vergeten maar toen ik de vrouw en haar drie zeurende meisjes zag staan wist ik het weer. De roze schoentjes met glitters, de droom van elk meisje jonger dan zes. Ze zeurden, dat kon je aan de reactie van de moeder zien. Zeuren is zeuren zelfs in een taal die ik niet  thuis kon brengen. De moeder nam een paar maar zette ze steeds terug. De twijfel tussen de schoentjes of het brood. Het oudste meisje liep op plastic slippers, te koud voor februari, maar ze had geleerd flink te zijn. Ik knikte naar de mevrouw maar ze keek weg. " Wegens een vakbondsactie zal morgen de winkel uitzonderlijk gesloten zijn!"  klonk het uit de intercom. " ’t es wreed" hoorde ik iemand zeggen " wa da die politiekers nu allemaal mee ons van plan zijn." " where you from?" vroeg ik aan de roze schoentjes-mevrouw. Ze zweeg, deed net of ze me niet gehoord had. " Allepo, Syria" flapte het jongste meisje eruit. Ze kreeg een duw. De moeder stapte kortdaat naar de kassa   Ik legde schoentjes van elke roze-maat  in mijn karretje en een brood en melk en zeep en waarom ook niet een groot stuk chocolade. Ik rekende af en stak alles in de grote draagtas " da’s wel 15 cent extra madam!" Ze liep op het parkeerterrein, de kinderen stil naast haar. Ik gaf haar de tas en voor zij iets kon zeggen draaide ik me om en stapte weg. De bloesems in Aleppo wachten al te lang op de lente. (c) anne cockaerts

anne cockaerts
4 0

Een minuut stilte voor zij die zoekend sterven

Hij krijgt geen kieuwen, zal allerlei bewegingen maken die hem dieper naar dat eindeloze gat trekken tot de pracht van een straaltje zon door het wateroppervlak meer heeft van een slepende terminale ziekte. Hij zou tinnitus verkiezen boven de rust en stilte die hem overgiet hij zou zijn longen willen volzuigen, eventueel met teer. Een keer goed inademen, zijn jawoord geven aan zuurstof. Een doosje “Echte zeelucht’ zou hij koesteren zoals dat hoort (in een glazen buffetkast). Hij zou willen branden in de zon en de vuurrode brandvlekken er graag bijnemen. Maar de oppervlakte en de gezegende die hem geduwd heeft lijken verder weg dan ooit wanneer hij beseft dat nadenken over wat hij wilt het zinken niet stopt. Hij is geen held en wil er geen zijn. Hij voelde zich veilig op de saaie vaste grond en weet dat ‘ergens willen komen’ de vervelendste, slopende wil is die er bestaat. Hij is een antiheld die in zijn droog vuistje lacht wanneer hij mensen ziet zoeken naar iets en wanneer ze het gevonden hebben op zoek gaan naar iets nieuws tot ze zoekend sterven. Zo heeft hij beslist dat hij al ergens is. “Anders kom je nergens” weergalmde vanaf het droge zuurstof-bevattende oppervlak waar de duwer stond. Wat was die bodem lelijk. Terwijl hij voelt hoe onbevredigend het is om je longen dorstig met water op te blazen kerft hij met zijn plots-heel-erg-oude rimpelige vingers het zand vol met waarheid voor alle leeghoofdige drenkelingen die ook geloofden dat je geboorte er nog niet voor zorgt dat je ergens bent." De enige manier om te leren zwemmen is in het water springen "… maar niet iedereen wil ook een vis zijn. 

Lot
0 0

Beet

De vrouw naast me op het terras draagt een mooie, felblauwe blouse. Het is de eerste dag van de lente, en meer nog dan andere jaren lijkt het de eerste dag van een nieuw leven. Ik wandelde net van Westkapelle naar Domburg. Zes kilometer zon, strand en een frisse wind rond het hoofd. De buitenbocht van Westkapelle naar Domburg is nog bezaaid met golfbrekers, uitkijkposten, en veel asfalt. Een Nissan Note staat er op de rand van de zee geparkeerd. De oude man aan het stuur heeft zijn raampje naar beneden gedraaid en geniet verbeten van de zon. Naast hem, in de schaduw en de kou, zit een oude vrouw stuurs voor zich uit te kijken. Doet ze het portier open, dan valt ze in het water. Ze houdt zich krampachtig vast aan de handtas op haar schoot. De krant die ik deze morgen nog las wist haarfijn uit te leggen waarom de belofte van die eerste lentedag ons zo dierbaar is, en verzekert me dat het weer overgaat. Straks, wanneer het echt warm wordt, zullen we verlangen naar de schaduwen binnenshuis, en de koelte van onze lakens. Het is lastig om zoveel goed geformuleerde domheid te verdragen. Het blauw van de lucht is zacht, lijkt helemaal niet op het harde, diepe blauw van de blouse. De zon speelt met de kleur, en wanneer de vrouw vergenoegd haar rug tegen de leuning schurkt, zie ik het. Net boven haar linkerborst heeft iemand een afdruk van zijn tanden achtergelaten. Er staat een kinderwagen naast haar, en telkens de baby beweegt in zijn slaap, duwt ze even met haar knie. Ze houdt haar ogen dicht, en terwijl ook ik wegdoezel vraag ik me af of ze daarmee haar ogen wil beschermen, of dat ze net haar oogleden, die delicate en verder compleet verwaarloosde stukjes huid, het plezier van de zon gunt. Dat de krant daar niks over schrijft. Wanneer de dienster de dagvis op de tafel zet, schrik ik wakker. Ik schenk mijn glas witte wijn bij uit het karafje, en terwijl ik eet, kijk ik naar de niet aflatende stroom auto's, moto's en voetgangers. De opgewonden kinderstemmen, het geraas van motorrijders die met hun gashandel spelen, de gesprekken op het terras, ik duw ze allemaal samen tot een compacte, betekenisloze geluidsbrij. Dat is nodig om me op de vis te concentreren. Excuseer. Ze moet het herhalen, voor het tot me doordringt. Excuseer. Stoort het u als ik hem borstvoeding geef? Nog ver weg in mijn gepeins kijk ik haar vol onbegrip aan. Sommigen vinden dat niet prettig. Nee, natuurlijk niet, zeg ik. Waarom zou dat me storen? Ze gebruikt gelukkig de linkerborst, met het jongetje als buffer tussen ons in. Terwijl die eet, trappelt hij een beetje met zijn voetjes. Af en toe raakt hij mijn arm, en dan schudt ze de jongen weer op zijn plek, en glimlacht verontschuldigend naar mij. Hoe heet hij, vraag ik wanneer ze klaar zijn. Olivier, zegt ze, en ze spreekt het op zijn Nederlands uit, met een harde vier op het eind. Voldaan, en veilig op haar schoot, begint hij rond te kijken. Ik trek zijn aandacht, en hij speelt even met mijn hand. Het is een boefje, zegt ze, en even later het wordt een hele kerel. Ze lijkt uit te kijken naar de uitdaging om hem op het rechte pad te houden. De beet op de blouse speelt door mijn hoofd. Deze twee, moeder en zoon, zijn zo compleet samen dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat er nog een andere is, een volwassen man, die haar plaagt en uitdaagt, zijn lippen en tong laat spelen in haar mond, afdaalt naar haar borst, liefkozend door de blouse heen in de gezwollen tepel bijt, en dan een druppeltje melk weg likt. De afstand tussen waar zij is en een Nissan Note aan de rand van de zee is onoverbrugbaar. Ik schud de kwestie van me af. Het is de eerste dag van de lente, die ene dag dat verleden en toekomst niet hoeven te bestaan. Ze legt Olivier terug in zijn wieg, en rekent af. Mij schenkt ze een stralende glimlach. Het wordt al een beetje fris, en ik moet nog terug naar Westkapelle. Ik stap flink door over het duinpad. Het is nu vloed. De wijn eist zijn tol, en ik dwaal even af naar het verlaten strand. Ik laat mijn blaas leeglopen in de zee, en zet het daarna op een zacht, bijna verontschuldigend lopen. De zon staat al laag. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

STOCKHOLM

Stockholm. De lucht als glanzend grijs plastic, met sneeuw die niet wil vallen en een meeuw die eindeloos dezelfde cirkels trekt. Aan de overkant van de straat staan bomen, de takken geven traag mee, schrapen in slow motion iets uit de wind. Af en toe sluit ik mijn ogen en stel ik me de naderende voetstappen voor, de klik van de klink, de vreemde opluchting dat het eindelijk allemaal voorbij is. Een week in deze kamer. Koud en stil. Iedere dag is gelijk aan de vorige. Ik ben een geest op een donkere planeet zonder naam. Dat denk ik. Ik zeg het luidop. In de schaduw van alles wat er gebeurd is, voel ik nu wat er altijd geweest is. Een dreiging. Een kwaad. Het heeft Kambar vermoord. Het zal ook mij vermoorden. Ik zie Kambar heen en weer lopen in mijn keuken. Zijn geloof in de goede afloop gaf hem een schijn van onkwetsbaarheid. Hij sprak snel, schudde zijn hoofd als ik iets wou zeggen, veegde mijn argumenten van tafel voor ik ze kon uitspreken. De aard der dingen, zei hij, Rerum Natura, fucking Lucretius of hoe heette die dichter. Na al die jaren sprak hij zoals een Amerikaan, was zijn accent nog nauwelijks hoorbaar. Hij had aan algoritmen gewerkt op Wall Street. Hij was er om de tijd te herprogrammeren, zoals hij dat noemde. Algo Trading, High-Frequency Trading, steeds grotere volumes van transacties in steeds kleinere tijdseenheden, fracties van tijd die het menselijk begrip te boven gaan. Hij was een überprofiel; briljant, radicaal, potentieel gevaarlijk. Het was geen verrassing dat EPX Chemical hem benaderde. Je hebt de diepere aard van iets ontdekt, zei hij. Hij wou me tot actie dwingen door trots bij me op te wekken, door me eraan te herinneren waarom ik een biochemicus was. De aard der dingen. De rampzalige en onvoorziene diepere aard van iets. EPX Chemical. Het overtuigde me dat ik een wereldveranderende doorbraak kon realiseren. En er was het geld. Ik ging mee in Kambars plan. Misschien omdat ik dacht dat ik zo kon terugkeren naar mijn idealen, misschien omdat ik genoot van het vooruitzicht een soort held te zijn. En nu zit ik in een kamer in een voorstad van Stockholm. Een matras op de grond. Een stoel en een tafel. Geen water. Geen elektriciteit. In dit deel van Stockholm staan alleen appartementsgebouwen, sommige zijn wit en lichtblauw, andere wit en rood. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Als ik tussen de blokken wandel en aan Kambar denk, zie ik zijn gezicht, donker en zonder rimpels. Hij kijkt me verontschuldigend aan met zijn grote zwarte ogen. Alsof het alleen zijn schuld is dat ik in in deze verlopen wijk van Stockholm loop. Wat konden we anders doen? Daar denk ik vaak aan. Het houdt me ’s nachts wakker. We konden er niet mee naar de media gaan. EPX Chemical is meedogenloos, zei Kambar. We hadden het eerder gezien. Een moraliteitsonderzoek met leugens en halve waarheden in elk nieuwsbericht op de tv en op de voorpagina van elke krant, onze verdoemde koppen op het scherm van elke smartphone en elke computer en EPX Chemicals verdraaide versie van de werkelijkheid opgedrongen aan een onwetend en naïef publiek. Door naar de media te gaan gaven we EPX Chemical de kennis die het nodig had om zich van zijn schuld te zuiveren als de catastrofe zich begon te voltrekken. De regulerende organen van de overheid? De raad van bestuur van EPX Chemical? Vertakkingen. Onduidelijke structuren. Carrières als zigzag tracés. Consultants en executives verdwenen en doken onmiddellijk bij de andere kant weer op. Functies werden van het ene op het andere moment doorgestreept en vervangen. Een goocheltruc met deuren en mensen. Een voortdurende dans van manipulatie, geleid door EPX Chemical. De vijand, zei Kambar plots. Hij was bloedserieus. We kenden mensen bij de vijand. Bij zijn regulerende instanties. AES-256, zei Kambar. Verschillende lagen van encryptie met statistisch onafhankelijke sleutels voor elke laag. Een sterk cryptosysteem is een van weinige dingen die je niet met brute kracht kan vernietigen, zei hij. Anonimiteit. Een nieuwe identiteit misschien. Achteraf gezien was het gestoord. Het begint te schemeren. Het licht van een lantaarnpaal op de straat stroomt door het venster naar binnen. Een nieuwe koude nacht in Stockholm en ik vraag me af, wat zit nog hoger op de ladder? Wat controleert het organisme dat hele economieën in zijn macht heeft, dat als een parasiet zijn gastheer zombificeert? De obsessie om de aard der dingen ter vernieuwen en markten te herscheppen, alles met een genadeloze efficiëntie. Een kluwen van motieven, bedrijfseconomische, wetenschappelijke, geostrategische. De afwezigheid van een bredere context, een helder perspectief. Ik zit gevangen in alle dingen die komen bovendrijven en in herinneringen waarvan de betekenis is uitgewist. Ik zoek antwoorden waar ze niet meer zijn, misschien wel nooit geweest zijn. Gefragmenteerde beelden, echo’s van gesprekken vullen mijn hoofd. Losse einden. Alles is verdwenen of ergens in verstrikt geraakt, verborgen in een kapot neuraal netwerk. Kambars contactpersoon hapte toe. We brachten de informatie beetje bij beetje. We gaven een puzzle met ontbrekende submiscroscopische stukken. De vijand had honger naar meer. We maakten afspraken over wat er met de informatie moest gebeuren. Cruciale details. We kregen wat we vroegen. Nu. Hier in deze kamer. Ik hoor een geluid. Het klinkt als een tl-buis. Het is niet de lantaarnpaal op de straat. Ik speur met mijn oor tegen de muur. Ik hoor een auto en een vrachtwagen in de straat. Ik hoor de gesmolten sneeuw opspatten. De vrachtwagen maakt een dieper geluid dan de auto. Wat wil ik nog? Afleiding misschien. Een manier om de tijd te doden. Ik ga met mijn vingers over een barst in het pleisterwerk op de muren. Ik begin dingen te zien in de barst, voortekenen; een dalende koers in een grafiek, de bliksem op een waarschuwingsbord voor hoogspanning. We ontmoetten Kambars contactpersoon in een restaurant in Praag. Ik weet nu zeker dat we er niet alleen waren, dat we afgeluisterd werden. Mensen van EPX Chemical? Van zijn concurrenten? Agenten van de overheid? Dubbelagenten van de vijand? Doet het er toe aan welke kant ze stonden? De man die op een kruk een krant las, de ober die ons bediende, nog een paar anderen misschien, geen goeden en geen slechten, geen patriotten en ook geen verraders, maar geesten van een nieuwe dageraad, van een onzichtbare hegemonie. Alles was rond. Klaar. Het was overweldigend. Twee dagen later zouden we naar de hoofstad van de vijand vliegen, van de aardbol verdwijnen. Op de terugweg naar het hotel haalde ik geld uit de muur. Te veel geld. Het leek een vergissing toen. We moesten dit doen, zei Kambar in mijn hotelkamer. Dat zei hij een paar keer. Zijn grote zwarte ogen hadden de overtuigingskracht van een explosie. We moesten dit doen. Ik was stil. Mijn hersenen waren dof door de spanning, vermoeidheid, angst. Ik stond zwijgend voor de balkondeuren en keek naar een eindeloze schuimige wolk die, als een laag gegolfd polystyreen, geruisloos boven Praag hing. Dat ogenblik in die hotelkamer is dichterbij dan ik nu denk. De tijd is vertraagd. Een dag glijdt voorbij als een stroperige substantie die alles absorbeert en mij met deze kamer versmelt; er is alleen nog het aftellen. Denken is moeilijk. Het geluid dat als een tl-buis klinkt, gaat niet weg. Het grijpt me bij de keel. Luider nu. Het komt uit de muren. Er is hier iets is in deze kamer. Iets wat me besluipt. De lucht is vervuld van een gif. Wat voor gif? Ik zit op mijn knieën. Ik moet kotsen. Ik kokhals. Er komt niets uit uit mijn keel. De laatste keer dat ik Kambar heb gezien, was bij het ontbijt de volgende dag. We dronken koffie. Ik wou alleen zijn. Ik zette me recht. Ik ben om 12 uur terug, zei ik. Kambar at een croissant, dronk van zijn koffie, knikte. Twee uur later zouden ze hem op het bed van zijn hotelkamer vinden, met overgesneden polsen. Ik wandelde langs de Moldau. Mijn aandacht voor het verkeer en de mensen was mechanisch. Ik dacht aan slangen. Die kruipen uit hun oude huid en laten die achter, in één stuk. Wat er in Praag van mij achterbleef was versplinterd, kon niet teruggevonden worden. Ik nam een taxi naar het hotel. Ze hadden me op de een of andere manier gemist. Hadden ze mijn telefoon getraceerd? Die lag nog op het bed in mijn kamer. Zodra ik de ambulance en politiewagen zag, zei ik de taxichauffeur dat ik me vergist had, dat dit niet het hotel was waar ik verbleef. Hij zette me af bij ander een hotel. Ik wist wat er gebeurd was. Ik zocht een bevestiging. Die vond ik in een internetcafé: Four Seasons, Sebevražedný. Ik vroeg iemand wat het betekende. Ik nam de eerste bus. Ik wist niet waarheen. In Pilsen gaf ik 500 euro aan een Roemeense trucker. Stockholm. Het is te laat. Ik weet zeker dat het te laat is. Ik zit bijna door mijn geld. Ik probeer niet meer weg te kruipen uit deze kamer. Ik ben te moe om te gaan lopen. Waarheen zou ik gaan? Ik wacht. Wanneer ze me vinden, zal ik alleen maar opluchting voelen. Daarna, misschien de volgende dag al, zullen de Zweden me op een brancard uit deze kamer dragen.

JAN DE JONGHE
3 0

De Wachtkamer

Een kleine ruimte. Acht stoelen. Twee maal vier naast elkaar. Tussen de twee rijen in een tafel met tijdschriften die hun houdbaarheidsdatum al lang overschreden zijn. Ik op één van die stoelen. Naast mij een man die dwangmatig aan zijn neus wrijft waarna hij telkens de plooien van zijn broek glad strijkt. Tegenover mij een vrouw die alle kanten opkijkt behalve de mijne. Haar been trilt. Twee medisch secretaressen, in een bokaal, hermetisch van de wachtzaal afgesloten alsof onze lucht besmettelijk is. Ik hoor mezelf denken, hier hoor ik niet thuis. 63 jaar oud. Getrouwd. Sinds de kinderen het huis uit zijn niet gelukkig. Om half tien heb ik een afspraak met dokter Jansens. De beste uit de stad volgens mijn vrouw. 60 jaar oud. Het is door haar dat ik hier zit. Ik moet mijn problemen aanpakken. Zo kan het niet meer verder voor haar. De man die naast mij zit wordt naar binnen geroepen door de dokter. Haast onmerkbaar knikt hij naar mij. Partners in crime. Uitgescheten door de maatschappij. Het is twintig na negen. Binnen tien minuten is het mijn beurt, maar binnen tien minuten zal ik niet binnenstappen. Zo gaat het altijd. De uitstappen naar Bredene konden niet meer, nu twee jaar geleden. Niet dat Nadine haar schaamt voor haar hangborsten. Een naaktstrand is tenslotte een plaats waar je uitsluitend gepensioneerden ziet zonnen. De jeugd is er te preuts voor geworden. Twee jaar geleden gingen we voor het laatst. Uit het niets verhardde mijn penis. De maat was vol. De naaktstranden die we vroeger frequent opzochten, werden verboden terrein. In de jaren zestig kon ze er zelf van genieten. We waren jong, onbevangen en vooral vrijgevochten. Op de tonen van Joe Cocker rookten we joints. We vreeën in de duinen. Hadden lak aan alle maatschappelijke regels, tot Nona geboren werd. De handboeien van eerder spanden opnieuw strak om onze polsen. Toen de kinderen het huis uit waren, gingen we opnieuw naar naakstranden. Nadine stond er niet meteen voor te springen, maar ze had ook ooit de vrijheid gevoeld. Ze begreep me. Nu ben ik de gek die geil wordt van naakt rond te lopen. Het is pervers. Een parafilie. Nadine heeft het allemaal op het internet gelezen. De officiële term: exhibitionisme. Die eer deel ik met pedofielen, fetisjisten, masochisten en sadisten. Dat ik het ontken is logisch. In een eerste fase ontkent iedereen dat hij psychisch ziek is. De fases ken ik reeds allemaal uit mijn hoofd. De printer kan de aanvoer van informatie niet meer aan. Het ding is amper een jaar oud en mag al bijna op pensioen gaan voor bewezen diensten. Iedere avond doorploegt ze het internet op zoek naar behandelingen. We moeten ons huwelijk redden, maar wat valt er eigenlijk te redden? De neuswrijver komt naar buiten. De vrouw wordt naar binnen geroepen via de intercom. Hierna is het mijn beurt. 10u30. Het nut van een afspraak maken is al lang voorbijgestreefd. De seconden tikken trager dan wenselijk is voorbij. De secretaressen kijken niet om naar mij. De wachtkamer lijkt wel het zwarte gat van de maatschappij. De uitverstotenen die iedereen het liefst negeert. Straks moet ik de psychiater te woord staan. Ik heb me voorgenomen eerlijk te zijn. Dat dit een verplicht nummertje is om van het gezaag van mijn vrouw vanaf te zijn. Meer heb ik hem niet te vertellen. Dat ik graag puur rondloop is geen staatsgeheim. Er is ook niets mis mee. Het is toch niet mijn schuld dat mensen op straat schrikken als ik naakt door het raam sta te turen. We zijn toch allen uit dezelfde materie vervaardigd? Waarom moeten we alles zo nodig verbergen? Kleren zijn niet meer dan een masker voor ons werkelijke zelf. Ik heb op zijn minst de moed om mezelf zelf te tonen ontdaan van alle ballast. De vrouw komt na een kwartier buiten. Een routineuze afspraak om haar voorschriften op te halen? Mijn voornaam, geen achternaam, wordt geroepen. Ik sta op. Leg het uit elkaar vallende magazine, dat doelloos op mijn knieën lag, terug op tafel. Ik schud zijn hand. Nu weet ik het zeker. Ik ga hem niets zeggen. Enkel vragen stellen. Hoe moet ik in godsnaam omgaan met mijn vrouw? Met haar imaginaire problemen. Zij is ziek. Niet ik. Niet ik.

Thomas Jacques
5 0

De zin van waanzin

Als ik niet op exact het juiste moment gekeken had, zou ik niet eens geweten hebben dat hij er nog was. Daar stonden we dan, ik ademloos kijkend naar hem, terwijl hij me zelfzeker doch betrapt aanstaart. Slechts één ogenblik duurde onze ontmoeting. Daarna was het moment alweer voorbij. Verbijsterd staar ik naar het raam, in wiens weerspiegeling zijn aanwezigheid even geleden nog onthuld werd.Ik draai me om, razendsnel, maar zie enkel wat ik verwachtte te zien: ik ben alleen. En zo gaat het elke keer. Eén kort moment van onthulling, waarna ik soms maandenlang geen teken van hem zie. Soms denk ik dat hij voorgoed weg is, dat hij eindelijk rust gevonden heeft. Tot hij me weer het tegendeel bewijst, natuurlijk. Want rust vindt hij niet.In mijn borstkas gaat mijn hart als een razende tekeer. Ik leg mijn hand erop, om het te sussen. Sssssssst..sssssst....sssssst. Mijn ritmisch sussen stemt mij rustig, maar mijn hart laat zich niet voor de gek houden. Of beter nog: zijn hart laat zich niet voor de gek houden. Het is vreemd hoe het hart dat al meer dan een jaar in mijn borstkas huist, nog steeds vreemd aanvoelt. Alsof mijn mankerende hart, wiens slagen van bij mijn geboorte geteld waren, beter bij mij hoorde dan deze perfect functionerende vervanger.Ik denk wel eens dat ik dit nieuwe hart tekort doe. Dat het te fel voor me is, te levenslustig. Ik ben niet avontuurlijk genoeg, te braaf misschien. Ik zou kunnen zeggen dat dat zo is omdat ik mijn hele leven geleefd heb als een kasplantje, bang dat de kleinste opwinding het einde van mijn fragiele hart betekenen zou, maar dat zou een leugen zijn. De waarheid is: ik had me al neergelegd bij mijn noodlot. Ik had mijn einde reeds aanvaard. De kans dat er een functionerend hart voor mij zou zijn, een hart dat door mijn lichaam geaccepteerd zou worden... daar had ik nooit op gerekend. Ik had er niet eens van durven dromen. Mijn hoop op een lang leven had ik al begraven.Wanneer ik een hand voel op mijn schouder, weet ik dat hij voor mij is gekomen. Deze keer draai ik me niet om. Ik weet dat daar niets dan leegte op mij wacht."Ik ben in de kamer hiernaast, kom maar wanneer je er klaar voor bent." Hij fluistert de woorden in mijn oor. Daarna voel ik hoe de hand van mijn schouder verdwijnt. "Neem je tijd," voegt hij geruststellend toe, maar die heb ik niet nodig, ik heb al zoveel meer tijd gehad dan verwacht. Tijd om na te denken. Ik ben er klaar voor.Vastbesloten ga ik naar de slaapkamer. In een oogopslag neem ik de ruimte in me op. Op de grond ligt een eenvoudige matras zonder bedframe. De muren zijn kaal en leeg. In een hoek staat een aantal onuitgepakte kartonnen dozen. In tegenstelling tot mijn nieuwe hart, past deze kamer uitstekend bij mij. Ze sluit aan bij de manier waarop ik in het leven sta. Ik ben slechts een voorbijganger, niet in staat me te vestigen, ik blijf hier niet.In het midden van de kamer ligt hij. Hij is mooi op een onopvallende manier, realiseer ik me. Het soort mooi dat je niet in tijdschriften of in films ziet. Zijn bleke gezicht heeft iets vriendelijks, een ondefinieerbare trek waardoor je hem wel sympathiek moet vinden. Zelfs nu zijn lichaam volledig ontspannen neerligt, verhult zijn kleding de vorm van zijn spieren niet. Aangedaan door het serene beeld van de onbeweeglijke jongeman, kniel ik naast hem neer. Zelfzeker plaats ik mijn in elkaar geslagen handen op zijn borstbeen. Met korte stoten pomp ik het bloed door zijn lichaam. Dertig keer op rij. Ik voel geen angst om mijn lichaam te overbelasten, want het is zijn gezonde hart dat in mij huist. Ik maak zijn luchtweg vrij door zijn hoofd te liften, knijp zijn neus dicht en plaats mijn lippen op de zijne. Zijn lippen voelen koud en slap aan. Bijna verwijder ik mijn mond van de zijne, maar dan herneem ik me. Twee keer laat ik verse lucht in zijn longen stromen. Daarna verlaten mijn lippen de zijne. Wanneer ik mijn handen weer op zijn borstbeen plaats om de hartmassage te hervatten, proest hij het uit. Zijn heldergroene ogen openen zich en staren me verbijsterd aan. Onder de palm van mijn hand pompt nu zijn herleefde hart weer bloed door zijn lichaam. Mijn ademhaling stokt. Mijn eigen zwakke hart protesteert hevig tegen de net uitgevoerde inspanning. Het duizelt me. Ik heb een jaar de tijd gehad om na te denken, spreek ik mezelf moed in. Ik ben er klaar voor.Met mijn laatste kracht verplaats ik mijn handen van zijn borst naar zijn keel. Zijn ogen sperren zich wagenwijd open wanneer ik mijn volledige gewicht gebruik om zijn luchtweg toe te knijpen. Zijn armen grijpen wanhopig om zich heen, maar slagen er niet in mijn handen van zijn keel te verwijderen. Net zoals bij de hartmassage tel ik tot dertig. Opnieuw en opnieuw, tot zijn lichaam al lang geen verzet meer biedt. Zijn ogen staren me angstig aan, maar zijn hart bonkt energiek en levenslustig in mijn borstkas. Ik sta op en adem drie keer diep in en uit. Mijn lichaam giert nog na door de adrenaline van de inspanning. Mijn hart gaat als een razende tekeer en ik volg het. Voor het eerst zijn wij werkelijk één. Ik stap naar de stapel kartonnen dozen en haal het eerste voorwerp eruit. Zonder veel aandacht te besteden aan de afbeelding op het doek, hang ik het schilderij aan de muur. Ik neem een aantal stappen achteruit om het te bestuderen. Wanneer ik weer naar de kartonnen dozen toeloop om het volgende voorwerp uit te pakken, zie ik dat het lichaam van de jongeman verdwenen is. Ik weet dat hij niet terug zal keren. Ik voel het aan het krachtige hart dat in mijn borstkas slaat. Het hart dat nu eindelijk echt van mij is. Ik ben er klaar voor. Ik leef. 

Fuaran
0 0