Zoeken

Mijn Verhaal

Hallo, jongen. Lang geleden... Je komt niet meer op bezoek, jongen, ik denk dat het wel al vier maanden geleden is... Dat be­grijp ik wel, hoor – al mis ik je natuurlijk wel. Je hebt het natuurlijk druk met vrienden en school en zo op jouw leeftijd. En je oma zegt dat je steeds meer nadenkt en vragen stelt. Dat je haar uitleg steeds minder gelooft – ik hoop dat je het haar niet kwalijk neemt, jongen. Oma heeft de waarheid soms wat verdraaid, wat ver­bloemd, maar dat was enkel om jou zo lang mogelijk zorgeloos te laten op­groeien en genieten van je jeugd. Dat vond ze belangrijk, en ik ook. Het is niet haar schuld. Maar ik begrijp wel dat je niet meer wil langskomen, ik begrijp dat wel. Dat je niet meer weet wat je van me moet denken. Dat je misschien wel erg kwaad op me bent. Maar – nu je steeds meer de volledige waarheid zult ach­ter­halen, vind ik het belangrijk om het je te kunnen uitleggen – of toch te proberen. Niet om het goed te praten of – om mezelf vrij te pleiten of zo. Het valt niet goed te praten, het is zoals het is. Maar omdat – omdat ik ergens toch hoop dat je het dan misschien beter zult kunnen begrijpen. Daarom maak ik deze opname – ik hoop dat je toch deze ene keer nog naar me zult willen luisteren. Je moet weten, jongen, dat niets van wat er gebeurd is, met jou te maken heeft. Het schijnt dat kinderen zichzelf vaak de schuld geven, dat heb ik tenminste gehoord – dat mag je echt niet doen. Je moet weten dat we allebei altijd zielsveel van je gehouden hebben. Wat er gebeurd is komt niet door jou jongen, maar door ons. Of door mij in ieder geval – het is niet mijn bedoeling om je vader zwart te maken. Dat zou niet eerlijk zijn, hij kan zich niet meer verdedigen. Je moet begrijpen – later als je zelf een vriendin hebt, ik bedoel, als je gaat samenwonen en samen een leven uitbouwen en zo – dan zal je het misschien een beetje begrijpen – dat het niet altijd zo gemakkelijk is om samen te leven. Ik – misschien mag ik je dit niet vertellen, ik wil je niet bang maken – ik hoop dat ik je niet bang maak zodat je zelf geen vriendin meer zal willen... Dat is niet de bedoeling. Kijk maar naar tante Christine en nonkel Jef, of naar oma en opa – het kan allemaal heel mooi zijn, daar moet je in blijven geloven, maar— En in het begin was dat ook zo natuurlijk, ook bij ons. Toen ik je vader leerde kennen was het allemaal prachtig. Dat waren nog eens tijden, jongen. Ik was twintig, hij zes­en­twin­tig, hij was echt zo’n knappe, nette man met mooi gekamd pikzwart haar en een verfijnd gezicht – je lijkt op hem, weet je dat? Hij kon zo prachtig lachen, en hij was een echte gen­tle­man. Ik was direct smoor­ver­liefd. Je vader was een denker – een filosoof. Hij wist over alles iets en had over alles een mening. Overal waar we kwamen wist hij iets interessants te vertellen, en altijd met evenveel enthousiasme – ook als hij zijn me­ning verkondigde, altijd met vurig enthousiasme, alsof de wereld zou ver­gaan als hij je niet kon overtuigen. Prachtig vond ik dat. Ik hield van hem. Echt wel. En hij van mij. Hij zou niet meer zonder mij kunnen, zei hij. Het was zo’n charmeur – hij zei dat hij nog nooit iemand had gezien die zo’n mooi blond haar had als ik, van die dingen zei hij altijd. Weet je dat nog, jongen, hoe mijn haar er vroeger uitzag? Kijk hoe het er nu bijligt, ik zou er eens iets aan moeten doen... En hij had een Mercedes met een open dak, zo’n chic zwart model van wel vijf, zes meter lang— Sommige mensen zeggen dat ik met hem getrouwd ben omwille van zijn geld – dat mag je nooit geloven, jongen, nooit. Dat is helemaal niet waar. Ik hield van hem omdat hij knap en charmant en grappig en sterk was, en toegegeven, die Mercedes vond ik ook wel leuk – maar niet voor zijn geld. Nu is het jouw geld, jongen, later, als je achttien wordt, dan wordt het allemaal jouw geld. Dat heb je dan toch. Nu is het niemands geld, ik mag er niets mee doen, al zou ik er enkel dingen voor jou mee willen kopen. Mijn geld is het in elk geval niet, en daar was het me ook nooit om te doen. Geloof je dat, jongen? Probeer me alsjeblief te geloven – waarom zou ik liegen, er is toch allemaal niets meer aan te doen... En met die Mercedes kwam hij dan aangereden, stopte hij voor het huisje van oma en opa om me te komen ophalen – het huis waar jij nu woont, jon­gen. Ik heb gehoord dat je de kamer van tante Christine hebt, die is na­tuur­lijk veel groter dan de mijne. Ik hoop dat je het een leuke kamer vindt. Maar later— Hij was – weet je, hij was het soort man dat alles voor je doet, zorgt dat alles in orde komt, dat je je nergens zorgen over hoeft te maken. In het begin vond ik dat geweldig – als ik met hem afsprak moest ik me nergens iets van aantrekken, gewoon alles over me heen laten komen, gewoon genieten – in het begin was het heerlijk. En dan nam hij me mee, gezellig een eindje rijden met die cabrio van hem. Nergens naartoe, gewoon rijden. En dan stopten we soms op een ro­man­tische plek met gras en bloemen en bomen om te pick­nic­ken – stie­kem denk ik dat hij die plekken op voorhand uitzocht en er bewust naartoe reed, maar dat wou hij nooit toegeven. Maar later – ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen, ik wil nog steeds geen kwaad spreken over hem, maar— Later bleek dat ik niets mocht regelen, dat ik me nergens zorgen over mocht maken. Hij had een goedbetaalde job, en als ik geld nodig had dan was er geld. Maar ik wist niet wat hij precies deed – hij was advocaat, maar waar hij precies mee bezig was, dat wist ik niet. Ik wist niet hoeveel geld we hadden en waar­in hij het allemaal investeerde. Hij vond dat ik niet hoefde te werken om­dat we geld ge­noeg hadden – maar ik wilde werken. Daar had hij geen oren naar. Ik moest maar thuis blijven, eten maken, het huis op orde houden – dat zei hij niet hoor, maar daar kwam het wel op neer. We had­den een prachtig huis, dat wel. Dat had hij gevonden, natuurlijk, in z’n eentje, maar ik hield wel van dat huis. Het was groot en wit en licht en het had een enorme tuin – weet je dat nog, jongen, ons huis van vroeger? In de Oranjebloesemlaan? Maar hij luisterde niet naar mij, jongen, nooit. Als ik iets anders wilde doen dan hij, dan was hij teleurgesteld, beledigd. Soms zei hij dat ik maar beter een andere man kon zoeken als ik vond dat hij niet goed voor me zorgde. Soms dacht ik dat ik dat inderdaad maar moest doen, dat ik hem beter kon verlaten, maar dat deed ik niet. Ik wou het jou niet aan­doen jongen, dat klinkt nu misschien nogal ironisch, maar het is de waar­heid. Ik wou niet dat jij zou moeten opgroeien met gescheiden ouders. Dat zou ik egoïstisch vinden van mezelf. Ik zou het wel vol­hou­den, zo slecht was het toch niet – aan elk huwelijk schort wel iets. Uit­ein­de­lijk werd er goed voor ons ge­zorgd, jij kwam niets te kort. Zonder hem zou ik je dat allemaal niet kunnen bieden. En ik had schrik, jongen, schrik dat hij jou zou afpakken. Zijn broer was ook advocaat, al zijn vrienden waren advocaten. Als hij een rechtszaak aanspande zou ik het nooit van hem kunnen halen. Ik durfde niet bij hem weggaan, jongen, ik hoop dat je dat kunt begrijpen. Ik zou mijn lot wel ondergaan zodat jij gelukkig kon zijn. En zodat ik bij jou kon blijven. Maar toen hij naar Californië wou verhuizen – weet je dat nog jongen, toen hij zei dat we naar Amerika gingen? – toen heb ik gezegd dat ik niet mee wilde. Er was niets meer aan te doen, zei hij – hij had al een koper voor het huis, en het contract voor zijn nieuwe job was al getekend. Maar ik moest me geen zorgen maken, zei hij, hij zou meer verdienen en het zou altijd mooi weer zijn. Hij had zelfs al een school gevonden voor jou. Maar ik wilde niet. Ik wilde het huis niet kwijt, ik wilde niet weggaan van mijn familie – jouw familie. Ik ga niet mee, zei ik. Weer die teleurgestelde blik. Maar toen zag hij dat ik het meende. Dan moest ik maar blijven, zei hij plots. Hij zou het huis dan maar niet verkopen, maar híj zou wel verhuizen, en jij moest wel naar die chique Ame­ri­kaan­se school. Hij meende het, jongen, hij zou je meenemen dui­zen­den ki­lo­me­ters bij me vandaan. Ik zou je amper nog zien – nog min­der dan nu waar­schijnlijk. Toen sloegen de stoppen door, jongen. Het was verkeerd en het spijt me verschrikkelijk, maar ik kon niet anders— Op dat moment voelde het alsof het echt niet anders kon. Ik hoop dat je dat ooit kunt be­grij­pen, jongen.  

Jan August
0 0

Lena

Het snerpende geluid van de wekker begon geleidelijk tot hem door te dringen. Godverdomme, nu al. Het leek alsof hij nog maar net gaan slapen was. Een bonzende pijn in zijn voorhoofd. Hij kroop verder weg onder zijn deken. Maar het hield niet op. Zijn keel was droog, zijn oren suisden. Zijn maag zat in de knoop. Waar was hij allemaal geweest gisteren? Hoe was hij thuisgeraakt? Hij herinnerde zich vaagweg een donkere bar. Gepraat. Bier, wodka, wat nog allemaal. Hij moest pissen. Kotsen ook misschien. Maar hij wilde nog niet uit de warme cocon van de deken komen. De wekker bleef maar lawaai maken, het gepiep ging door merg en been. Woedend mepte hij overal op zijn nachtkastje, tot het stil werd. Rust. Waarom moest hij opstaan? Moest hij ergens zijn vandaag? Hij opende zijn ogen. Het was donker in de kamer, maar door de spleetjes in de rolluiken priemden straaltjes daglicht naar binnen. Hij rolde zich op zijn andere zij. De kamer bleef nog even nadraaien. Zijn maag keerde zich om. Naast hem lag Lena. Met haar rug naar hem toe, en het deken zo hoog opgetrokken dat enkel haar lange bruine haren er nog bovenuit kwamen. Aah, Lena. Toch iets goeds deze morgen. Hij kroop dicht tegen haar aan, tot hij haar warme lichaam kon voelen en haar haren kon ruiken. Ze roken vreemd, anders dan anders. “Liefje, ben je wakker?” Hij klonk hees. “Mmmm.” Hij glimlachte. Haar stem klonk een beetje raar. Waarschijnlijk ook te veel ge­dron­ken, te hard ge­schreeuwd in bars en cafés. Hij streelde haar rug. Haar rug was bloot. En warm. Lena droeg altijd een oud t-shirt in bed, anders kreeg ze het koud, zei ze. “Lena?” “Goeiemorgen, lieverd...” Hij trok zijn arm terug, ging abrupt rechtop zitten – té abrupt. Hij voelde hoe zijn maaginhoud brandend zijn slokdarm inliep en weer zakte. De hele kamer draaide in verwarrende cirkels om hem heen. Lieverd? Lena haatte dat woord. Hij deed zijn nachtlampje aan. Ze draaide zich om en keek hem aan. Het was een mooi meisje, ongeveer zo oud als Lena. Ze had ook lang bruin haar, maar niet hetzelfde bruin, zag hij nu. En verder leek ze absoluut niet op Lena. What the hell... Zijn hersens werkten op volle toeren, voor zover ze dat konden – de kamer bleef maar draaien. Wie was ze? Hoe kwam ze hier? Had hij haar meegebracht? Had hij met haar— Was hij echt zó dronken geweest? Nee. Dat kon niet. Dat mocht niet. Zoiets zou hij nooit doen. Lena zou het hem nooit vergeven. “Kerel, je kijkt alsof ik een zombie ben... Je moet jezelf anders eens bekijken...” Het meisje lag hem glimlachend aan te kijken, met de deken nog steeds tot aan haar kin. “Ik... Euh... Wie ben jij?” “Oh Steven,” zei ze wanhopig. “Herinner je je echt niet wie ik ben?” Hij schudde verward zijn hoofd – zijn hersens klotsten heen en weer in zijn schedel. Ze zuchtte. “Ik ben Karen...” “Karen...” Hij kende geen Karen. Dat dacht hij toch. Denken, Ste­ven, denken! Ze schudde haar hoofd. “Ik hou dit niet meer vol, Steven... Ik hou van je, maar dit... Dit kan ik niet meer aan...” Ik hou van je? “Wat? Wie... Wie ben jij? Waar is Lena?” “Lena is dood, Steven.” Dood? Lena? Hij hoorde zichzelf bazelen, schreeuwen, maar wist niet wat hij zei. Hij vloog op haar af, greep haar vast, rolde samen met haar de grond op – hij hoorde haar gillen, hoorde zichzelf roepen. “Wat heb je met haar gedaan? Wat heb je met haar gedaan?” Eindelijk besefte hij weer wat hij aan het zeggen was. En toen be­sef­te hij dat hij bovenop haar zat, dat hij zijn handen om haar nek gekneld had. Ze keek hem verschrikt aan. Hij liet haar los, deinsde hijgend achteruit. Duizelig staarde hij haar aan, kon zijn blik maar niet gefocust krijgen. Ze lag op de grond op haar rug, naakt op een roze slip na. Lena had net zo’n slip. Ze was bijna even mooi als Lena. Maar hij wilde niet naar haar kijken, hij wilde haar blote lichaam niet zien, hij wilde het niet in zijn kamer! Wat zou Lena zeggen... “Steven!” riep ze hijgend. “Ik heb niets gedaan, Steven. Ze heeft een ongeval gehad – jullie hebben een ongeval gehad, je zat naast haar. Ze moet even de controle zijn kwijtgeraakt, of – ze weten het eigenlijk niet goed. Ze was op slag dood, Steven. En jij—” Ze zweeg even. “Ik kan het niet meer aan, Steven, het duurt nu al maanden...” Een traan liep over haar wang. “Ik weet dat je van me houdt, dat zeg je elke avond, en elke avond hoop ik dat je me ‘s morgens nog zult herkennen, maar—” Hij schudde zijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Hij wilde iets zeggen, hij wilde duizend en één dingen zeggen maar kreeg niets over zijn lippen. Hij had geen idee wat hij de avond ervoor gedaan had, hoe hij aan deze kater kwam – was het wel een kater? Hij stond op en zwalpte naar de badkamer. Hij moest pissen. En nadenken. Hij ging zitten op de toiletpot, bang dat hij anders zou omvallen. Dit kon gewoon niet waar zijn. Hij was gisteren gaan werken, zoals altijd, en ‘s avonds zou hij naar een feestje gaan. Was het toen gebeurd – was dat toch niet gisteren geweest? Hij zette de radio aan, het kleine blauwe radiootje dat Lena absoluut in zijn badkamer had willen zetten – ‘een streepje muziek onder de douche,’ zoals ze dat zo mooi zei. Hij draaide verwoed aan de knop tot hij een nieuwszender vond. Twaalf januari zeiden ze dat het was. Maanden? Hij herinnerde zich Nieuwjaar nog, toen was hij met Lena bij vrienden gaan eten, ze hadden het zaligste feestmaal allertijden klaar­ge­maakt. Het klopte niet, natuurlijk klopte het niet. Het nieuws begon, het ging over terrorisme in Parijs. Daar ging het gisteren ook over. Er zat geen maandenlang hiaat in zijn geheugen, enkel die ene avond. Te veel gedronken, veel te veel, dat was alles. Maar wie lag er dan in godsnaam halfnaakt in zijn slaapkamer? Hij stond op, stak zijn handen onder de kraan en kletste flink wat koud water in zijn gezicht. Wat had ze in godsnaam met Lena gedaan? Hij gooide de deur open en stormde de slaapkamer in. “Je liegt!” schreeuwde hij. “Je liegt! Wie ben je en wat heb je met Lena gedaan!” Ze lag languit op het bed met één been gestrekt en het andere opgetrokken en keek hem aan met een wulpse blik. Haar rechterarm lag uitgestrekt op het bed, haar hand op zijn kussen. “Kom hier, lieverd, ik hou van je.” Het klonk gebiedend, zelf­ver­ze­kerd. Niet zoals daarnet. Hij zocht zijn gsm. Hij moest Lena bellen, haar stem horen. “Vind je mijn haar niet mooi zo misschien?” vroeg ze teleurgesteld. “Is het niet de juiste kleur?” Waar had hij zijn gsm gelaten? Niet op zijn nachtkastje. Hij zocht in de zakken van zijn jas, zijn broek die over een stoel hing. Daar was hij. “Lena’s huid is bruiner, niet? Is het dat? Daar kan ik wel aan werken als je wil hoor...” Hij ging niet aan, de batterij was leeg. Hij vloekte. Hij moest Lena bellen. En de politie – plots besefte hij dat hij de politie moest bellen. Bij de buren dan maar. Hij stormde naar de voordeur. Op slot. Er zat geen sleutel op. Hij haalde nooit de sleutel van de deur als hij thuis was. Hij begon als een waanzinnige aan de deur te rammelen – tevergeefs. “Ik denk dat je best even rustig aan doet,” zei het meisje kalm. Hij keek naar haar. Ze lag nog steeds op het bed, in exact dezelfde pose. “Het was ge­mak­ke­lij­ker geweest als je me geloofd had, maar goed...” Ze draaide zich op haar zij en keek hem aan. “Luister, lieverd, ik ben helemaal van jou en ik doe alles wat je wilt in dit bed, oké? Ik beloof je dat ik stukken beter ben dan die Lena van je.” Terug die zelf­ver­ze­kerde, ietwat hautaine toon. “Maar als je zo bezorgd bent over haar, kan je best even doen wat ik zeg: er wordt niet ge­schreeuwd, er wordt niemand ge­beld, en we gaan ner­gens naartoe. En geen woord meer over haar.”  

Jan August
3 0

De geur

Hij duwt mijn achterhoofd tegen de kapstok, een plank met dubbele haken op kleuterhoogte. Door de hitte walmt de pislucht, diep doorgedrongen in het cement van de tegels in de wc, door de deuren de hal in. Ik roep dat hij moet ophouden. Het is mijn eerste schooldag en vechten moet ik nog leren. Hij is al vijf en zijn haren zijn te kort om aan te trekken. Huilen dan maar. Heel hard huilen. Ik kijk opzij. De juf zit achter haar tafel in het lokaal. Ik huil stevig door. Zij kijkt niet op van haar boek als zij met een armzwaai en gebalde vuist gebaart dat ik erop moet slaan. Mijn jurk plakt tegen mijn rug. Mijn staartjes wiebelen bij elke beweging. Buiten gillen klasgenoten van plezier. Op het bouwrijpe terrein worden verhitte koppies geblust. De noodlokalen in de nieuwbouwijk hebben nog geen schoolborden, maar wel een brandslang. Marko duwt harder en grijnst. De metalen haken drukken in mijn hoofdhuid. Ik schreeuw en worstel me los. Eindelijk kijkt de juf naar ons. Ze staat op en pakt in het loopje een appel uit haar tas. Haar rok blijft haken aan de punt van haar bureau. Ze zucht, neemt een hap en loopt door. Marko sluit zich op in de wc.   Ik snik. Ze hurkt en pakt mijn handen vast, de appel tussen haar tanden. Ze draait me om en strijkt wat haren opzij. Ze draait me terug en knikt. Haar ogen staan zacht. Het sap van haar appel loopt langs haar kin. Ze pakt een kruk en trekt me op schoot. In haar linkerhand haar appel, haar rechterhand aait mijn hoofd. ‘Geen bloed’, fluistert ze. Met de palm van haar hand veegt ze het sap van haar kin. Ze ruikt naar bloemen en fruit. Naar crème, zeep en parfum tegelijk. De geur van juf. Mijn neus begraaf ik in haar blouse. Ik stop met huilen en haal diep adem. Mijn leven op school is begonnen. Ik krijg een kus en glijd van haar schoot. Buiten gooi ik mijn jurk op de stapel met kleren bij de deur. In mijn onderbroek huppel ik naar de groep. Halverwege raakt een koele straal mijn brandende achterhoofd. Ik gooi mijn armen in de lucht en gil.

Iris van der Putten
18 0
Tip

MH17

Het is haar geur die hij vergeten is. De herinnering waar hij het meest naar verlangt, is gewist. In de nacht zijn het de details die hem uit zijn slaap houden. Overdag sukkelt hij op de bank in slaap met haar vingers, die spelen met zijn krullen. Haar koortslip in de winter. Haar niet uit te roeien gewoonte een mes af te likken. Haar geklaag over te kleine schoenen, die zij toch zelf heeft gekocht. Haar bevestigende gehum aan de telefoon met haar moeder en haar gescheld na het gesprek. Haar blik tijdens de woordeloze seks vroeg in de ochtend. Hij droomt over een toevallige ontmoeting en hoe hij weer als een blok voor haar zou vallen. Hij heeft nachtmerries over haar vrije val.   Hij loopt naar het raam en ziet de vuilniswagen vertrekken zonder zijn vuilniszakken. Nu zij er geen ruzie meer over kunnen maken, vergeet hij ze bijna elke week. Hij was boos als zij kleding voor hem kocht. Hij was geen jongen en zij niet zijn moeder. Nu loopt hij al weken in een broek met een scheur in zijn kruis. Geen nacht sliep hij zonder haar, zijn neus in haar haren begraven, zijn wijsvinger tussen het elastiek van haar slip. Haar glimlach in de ochtend als hij knorrig om een vijfde keer snoozen vroeg en zij hem zachtjes duwtjes gaf. Ze hadden veel gemeen en verschilden genoeg om van elkaar te houden. Zij was de denker, hij was de kijker. Hij had werk, zij had plannen. Ze hoorden bij elkaar vanaf die eerste ontmoeting in Kuala Lumpur vijf jaar geleden.   Al zijn herinneringen wil hij inruilen voor een vleug van haar geur. Dan kan hij door met zijn leven, dat nu vastgedraaid lijkt. Dagen beginnen en eindigen met haar en hij schrijft zonder scrupules verzonnen reportages tussendoor. Haar notitieboekjes liggen open op zijn bureau. Haar regelmatige handschrift nodigt uit iets te doen met de inhoud. Hij gebruikt haar aantekeningen van reizen, die hij zelf nooit maakte. Zijn boodschappen worden bezorgd en de redactie en zijn vrienden denken dat hij op Cuba zit. Schrijnend hoe verdriet en leugens samen gaan. Hij draait zijn hoofd af van zijn weerspiegeling in het raam. Van de man waar zij verliefd op was, is niets over. Vliegtuigen trekken strepen in de lucht.   Hij sluit de gordijnen en gaat op de bank liggen.

Iris van der Putten
32 2

Reünie

      Alsof deze met de strafste contactlijm was ingesmeerd, zó roerloos plakte Bertrand aan zijn zetel. De man had schrik, dat als hij ook maar een ietsepietsie bewoog, hij uit een droom zou ontwaken. Door zijn opspelende maag moest hij uiteindelijk toch opstaan. De wc vulde zich meteen met een penetrante zure stank. Nochtans had Bertrand niets slecht gegeten, neen, stress was de boosdoener. De zenuwen waren door zijn keel beginnen gieren op het moment dat de vierde bal viel en deze net als de vorige drie een correct cijfer toonde. Daarna viel bal vijf... en zes... Bertrand was dan, met een van verbazing opengevallen mond, naar het scherm blijven staren. Terwijl snel wisselende euforie en ongeloof zijn gedachten beheersten, las hij steeds weer die ene regel op de teletekstpagina. Eén winnaar met 6 juiste nummers, meer dan 1.000.000 €, en dat was hij! Sinds zijn vrijlating, nu vijf jaar geleden, had Bertrand met moeite de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Dat was dus verleden tijd. Meer dan 40.000.000 oude Belgische franken! Dat klonk nog beter, vond Bertrand. Hij zou een wereldreis maken, zijn ouders, die hij toch veel leed had gedaan, mochten delen in de winst, en een nieuw huis en gloednieuwe wagen stonden ook op zijn verlanglijst. Bertrand nam plaats aan het tafeltje in de kitchenette van zijn studio. In zijn fantasie zat hij echter al aan een eikenhouten meubelstuk in een riante woonkamer, mét een mooi vrouwtje. Voortaan hoefde hij ook nooit meer acht uur per dag af te wassen. Plots werd Bertrand kwaad. Die klootzak van een baas verdiende allang een pak rammel. Neen, niet goed. Eén klap dan, pijnlijk maar zonder schade? Ja, dat kon. Bertrand was trots op zijn zelfbeheersing. Uit pure blijdschap veerde hij op en sprong als een speelse jonge hond in zijn zetel, die daardoor met een knal tegen de muur schoof. Dan zette Bertrand zijn stereo aan. Uit de boxen schalde meteen: 'Hat ik maar iemant om fain te houwe... twei zachte armen oim me hein...' Stop! Bertrand keilde de schijf door het openstaande raam en nam een cd met carnavalshits. Toeters, trompetten en zingende feestneuzen klonken, terwijl Bertrand breed lachend een polonaise solo in zette. De hele nacht verstoorde hij zo de rust van de omwonenden in het flatgebouw. 's Ochtends haastte hij zich naar de dichtstbijzijnde krantenwinkel, maar de machinerie van de nationale loterij werkte blijkbaar niet op zondag. 'Geen probleem, morgen ben ik ook nog miljonair', riep Bertrand en wandelde naar de stationsbuurt, waar de cafés met de laagste prijzen waren. Bij het binnenkomen fluisterde Bertrand de waard iets in de oren. Deze trachtte schertsend wat los te peuteren maar kreeg verder geen uitleg. Flup luidde dan maar de bel: 'Tournée Generale!' En hij moest dat niet één keer doen, maar verscheidene, zo om het half uur. Iedereen werd gek. De meesten hadden geen cent te makken, dus was gratis bier een godsgeschenk. Bertrand, die nog nooit zoveel vrienden had gehad, werd luid toegejuicht en kreeg enkele smakkerds. Er werd zelfs voor hem gezongen, zij het in een vage toonaard. Na een tijd vond hij het welletjes. Hij betaalde, zei dag tegen die die nog recht stonden en gaf een bonk van een kerel, die hij goed begreep want ook hij had gezeten, een stevige handdruk. Die kerel vroeg wat hij van plan was, het leek wel of hij afscheid nam. Niettegenstaande zijn stilzwijgen, werd Bertrand geluk toegewenst. Dan trok hij de deur achter zich dicht. Het enige dat Bertrand die dag verder deed was dromen. Maandagochtend was hij voor dag en dauw op en nam een taxi, rechtstreeks naar de hoofdstad. Net voor Bertrand het gebouw van de nationale loterij wou ingaan, viel er vlakbij een jongetje op de grond. Het bleef voor dood liggen. Meteen snelde Bertrand te hulp. Wanneer hij over het kleine lichaam boog, werd hij verrast door een waterstraal in het gezicht en vliegensvlug ging het lachende jongetje ervandoor. Bertrand kon dat kattenkwaad wel hebben. Zogenaamd verontwaardigd foeterde hij en zwaaide met zijn vuist. Het kind, nog steeds schaterend van de pret, verstopte zich verderop achter de rug van een man. Die laatste, blijkbaar de vader, glimlachte verontschuldigend en gaf zijn zoontje een tik op het achterhoofd. Bertrand gebaarde dat het niet erg was. Toen hij weer naar de hoofdingang van de nationale loterij stapte, hield Bertrand opeens halt. Een kind dat 'doodvalt', het gezicht van die man, hij herkende alles. Hij draaide zich om, maar de man en het jongetje waren intussen verdwenen. Bertrand begon te lopen en sloeg op goed geluk de hoek van de eerste straat rechts om. Daar zag hij het tweetal. Bernard haalde ze in en vroeg meteen: 'Peter? Peter Vertongen?' 'Present', zei de man terwijl hij achterom keek. 'O, bent u het. Nogmaals mijn excuses voor dat grapje. Maar, hoe kent u mijn naam?' 'Vertongen, ben je blind geworden? Ik ben het, Bertrand. Plak op mijn hoofd een snor, lang haar en denk die bril weg.' 'Wat zeg je me nou? Inderdaad, Bertrand!' In het begin van zijn criminele loopbaan, lang geleden, waren Peter en hij onafscheidelijk geweest. Peter was echter snel tegen de lamp gelopen, waarna hij het milieu vaarwel had gezegd. Bertrand had hem toen voor verrader uitgescholden. Later begreep hij dat hij jaloers was geweest op zijn vriend, om zijn moed de juiste manier van leven te kiezen. Nu de eerste verbazing van hun onverwachte ontmoeting wat was verdwenen, zei Peter: 'Je kan me blind noemen, Bertrand, maar je bent echt veranderd.' 'Jij anders niet. Plots herinnerde ik me alles, dat spelletje, jouw glimlach en natuurlijk die rosse lokken. Hoe dikwijls hebben wij die truc vroeger niet gebruikt? Dat ik er nota bene in trap!' 'Tja...' 'Onder ons gezegd en gezwegen, je bent dat jongetje toch niet aan het trainen? Ik dacht dat jij allang een schoon leven leidde.' 'Nog altijd. Het gebeurt gewoon soms dat je dat tijdens het spelen gebruikt en dan doet zo' n jochie dat na. Hij zal niet dezelfde fouten begaan als zijn vader.' 'Een echte crimineel ben jij nooit geweest.' 'Jij daarentegen, de verhalen die ik in de jaren heb gehoord.' 'Zeker de helft onwaar.' 'Dan nog.' 'Peter, wat gebeurd is, is gebeurd en geloof het of niet, ik ben al vijf jaar clean én uit de bak.' 'Wat doe je nu dan voor de kost? Jij werkt toch niet bij de nationale loterij? Ik dacht dat je er zonet naar binnen wou gaan.' 'Wel ja...' 'Bertrand, het is hoogst onwaarschijnlijk dat ze daar iemand met uw verleden zouden aannemen. Maar wacht eens, jij hebt gewonnen, niet?' 'Neen, neen, ik moet inlichtingen hebben.' 'Ach zo. Nou ja, het zijn mijn zaken niet. Zeg, zin om iets te gaan drinken? Dan kunnen we verder bijpraten.' 'Waarom niet. Ik trakteer', zei Bertrand fier. 'Ik zie jullie straks in dat café daar.' Peter zei daarop tegen zijn zoontje: 'Jonas, laat nog eens zien aan mijn goede vriend Bertrand hoe jij mensen kan foppen.' De jongen liet zich vallen en Bertrand deed voor de gein opnieuw mee. Na de obligate waterstraal vertrok Bertrand opgewekt. Aan de ingang van de nationale loterij bleef hij nog één keer staan. Hier begon zijn nieuw leven. Voor de zekerheid tastte hij in zijn binnenzak. Verbijsterd voelde Bertrand zijn vingers door een snee in zijn jas gaan. Hij kreeg een waas voor de ogen.    

johan saenen
0 0

Femke

      Wat een brave, goede meid was Femke toch. Haar papa was met de noorderzon vertrokken, had mama voorgoed verlaten, en om die te sparen kloeg Femke nooit. Mama ging gebukt onder zorgen. Uiteraard omtrent papa, maar ook om het geld dat met hem was verdwenen. Net als mama werd Femke dagelijks heen en weer geslingerd tussen verdriet en woede. Het ene moment miste ze papa ontzettend, het andere moment wenste ze hem uit de grond van haar hart dood. Desondanks scheen het kind uiterlijk kalm.   Tenzij je Femke 's nachts zou observeren. Dan lag ze te piekeren en te woelen. Het stressverschijnsel was telkens krampen in de buik. Diep in haar darmen gistte en borrelde het dat het een aard had. Regelmatig was het zo erg dat Femke uit haar onvaste slaap schoot. Dan was het zaak snel de wc te bereiken, maar toch ging het traag want zelfs in deze uiterst vervelende omstandigheden dacht Femke aan het welzijn van haar moeder. Daarom ging ze heel voorzichtig, voetje voor voetje de trap af. Beneden opende ze zacht de deur en liep vervolgens op haar tenen door de eetkamer naar de badkamer. Als de deur van die laatste op slot was gedaan, wierp Femke zich op het toilet. Eindelijk was ze bevrijd van het krampachtig ophouden. De ellende was echter niet voorbij. Gelijk de waterige drek eruit spoot, ging Femkes bloeddruk met een sprong naar beneden. Dan trok ze wit weg en begon te zweten als een rund. Ze ging meestal net niet van haar stokje. Uiteindelijk hing Femke slap als een vaatdoek een tijd met het hoofd tegen de dichtbij staande muur. Verward en doodmoe staarde het kind dan naar de gespikkelde vloertegels, waarbij het motief begon rond te draaien, telkens het monster met de vlijmscherpe tanden in haar buik nog eens flink door beet.   Femke slaagde er dus iedere keer in amper lawaai te maken. Toch vermoedde mama iets. De penetrante stank 's morgens in de badkamer en de wallen onder de ogen van haar dochter waren haar niet ontgaan. De laatste twee weken waren bijzonder problematisch geweest. Elke ochtend had mama een sterk bevuild onderbroekje gevonden, goed weggestopt tussen het andere wasgoed. Dit kon zo niet blijven duren. Ze moest actie ondernemen. Femke was echter te koppig om, zelfs bij een nachtelijke confrontatie, toe te geven dat haar iets scheelde. Het was dan ook geen verrassing dat haar oogappel stommetje speelde toen mama voorzichtig informeerde. Toch zag het kind blijkbaar de ernst van de toestand in, want tot mama' s verwondering was ze wel bereid om naar de dokter te gaan. Tijdens dat bezoek bekeek de man eerst langdurig Femkes medische fiche. Vervolgens voerde hij een reeks nutteloze onderzoeken uit en stelde met ernstige blik de diagnose. Femke luisterde aandachtig naar de man met de grappige snor, maar verstond zijn lange, met Latijnse termen doorspekte uitleg nauwelijks. Wat trots wist ze 'weke darmen' en 'een tekort aan darmflora' te onthouden, woorden die de dokter had benadrukt. Femke was opgelucht dat de ziekte was benoemd, zonder dat ze over haar innerlijke beslommeringen had hoeven te praten. De dokter had dat goed aangepakt. Bij het vertrek stopte hij mama het telefoonnummer van een bevriend kinderpsycholoog toe. Ja, het meisje was te streng voor zichzelf en sloot zich meer dan normaal af. Ze behoorde ook plezier te maken. Wat haatte mama haar man nu nog meer. De ochtend erop zou ze direct de medicatie halen. Mama vergewiste zich er die avond van dat Femke in dromenland was. Daarna sliep ze zelf, voor de eerste keer sinds lang, meteen in.   Midden in de nacht stond Femke in de tuin. Ze was met dikke kettingen vastgebonden aan een grote ijzeren paal. Een vreemde gedaante, gekleed in lompen en een versleten hoed, zweefde af en aan en rond haar. In het felle, zilveren licht van de maan, die dichterbij de aarde stond dan normaal, zag Femke dat de gedaante geen gezicht had. De engerd sleepte twee lange koperen kabels aan en knoopte die rond Femkes grote tenen. Daarop zweefde hij naar een gigantische hendel. Tergend traag reikte hij ernaar, terwijl elektrische vonken begonnen over te springen naar zijn vingers. Femke stond doodsangsten uit. Ze probeerde zich tevergeefs los te wroeten en toen ze het wou uitschreeuwen, bleek ze stom. Met een knal werd de hendel overgehaald. Heftige pijnscheuten liepen door Femkes lichaam. Meteen daarna sloeg de bliksem verscheidene keren in op de paal, met nog meer felle steken tot gevolg. Net op het moment dat ze bezweek, schoot Femke wakker. Ze was doorweekt van het zweet. Spasmen teisterden haar binnenkant. Plots werd ze een warme, natte plek gewaar. Femke tastte onder de lakens en rook aan haar vingers. Ze had in bed gepoept! Tijd om zich al te zeer te schamen kreeg het kind echter niet. De ene na de andere golf van onmenselijke pijn volgde. Femke raakte versuft. Niets was nog duidelijk. Beleefde ze alleen maar een nare droom of lag ze werkelijk op sterven?   Terwijl donkerbruin vocht langs haar melkwitte benen sijpelde, ging Femke moeizaam naar beneden. Ze dacht er absoluut niet meer aan zo min mogelijk lawaai te maken. In de eetkamer zakte ze in elkaar. Kronkelend over de vloer van de pijn schreeuwde ze het uit, maar mama sliep als een roos. Femke was nu ver heen. In haar weinige gedachten overheerste dat ene woord. De dokter had het uitgesproken en mama had het voorgelezen in de winkel: flora, flora... Als een kerkklok zo indringend, bomde het woord in haar hoofd: flora, flora... Met een allerlaatste inspanning sleepte Femke zich naar de keuken, opende de kast onder de gootsteen, grabbelde naar de flessen en vond die dikke groene waarop dat ene woord gedrukt stond. Daarop wrong het kind de dop los en dronk gulzig van de vloeibare meststof voor planten, heilig overtuigd dat het goed was voor haar 'flora'.  

johan saenen
0 0

het uur van de kikker

Ik heb al verschillende stenen verlegd in verschillende rivieren op aarde, maar geen enkele stroom ging een andere weg op. Tenzij natuurlijk die ene keer toen ik een betonblok loste in een derderangsbeekje in Erembodegem. Mijn vrachtwagen was te zwaar geladen, zei de rijkswacht. Het was lossen of een nachtje brommen. Bij de eerstvolgende verkiezingen werd de burgemeester zonder pardon weggestemd. Vele jaren later zag ik hem bieten planten in het park. De jaren negentig vlogen voorbij als een zwerm honingbijen boven een bloemenweide: tergend traag. In 1992 gebeurde er niet veel in mijn dorp. Ik was tien en droomde van 1993. Ik vond dat een mooi getal. Mijn lievelingsgetal was echter nul. Dat rijmde op Hull. Elk jaar ging ik met mijn ouders en zussen naar Schotland. We namen dan de ferry van Zeebrugge naar Hull. Ik hield van Hull. Het rijmde op lul. In 1996 was het eindelijk zover: mijn teddybeer stierf. Ik begroef hem tussen de brandnetels links van de mesthoop. Rechts van de mesthoop lag mijn waterpistool, zes voet onder de grond. Het was in 1994 ter ziele gegaan. Mijn grootmoeder huilde met me mee toen ze de ajuinen sneed. Ik keek haar aan en hoopte dat het snel 1995 zou worden. En inderdaad, enkele maanden later begon er een nieuw jaar. Zo ging dat in die tijd. Nu zit ik hier te mijmeren over een godvergeten decennium. Ik kan evengoed wortels schrapen. Ik doe dat graag. Naast revoluties ontketenen, gevestigde orden omverwerpen en bootvluchtelingen redden, is wortels schrapen mijn grootste hobby. U ziet het, ik heb geen kiezels in rivieren nodig om bewijs van mijn bestaan te leveren. Ik schraap wortels dus ik ben. Ik schraap ze tot het bloed uit mijn vingers gutst. Ik hou van bloed. Het rijmt op bolhoed.

Maarten Verhelst
2 0

Auto-fictie.

Haar toon was niet langer vriendelijk maar venijnig. Bijtend zelfs. “NEE! … NEE! KLOOTZAK! Je hoeft me nu niet te meer bellen! Het is te laat! Ik ben onderweg naar Gent! NEE! Mijn hoofd zit al vol genoeg!” Nou nou, wat was hier aan de hand? Onze grappige dialoog van een vijftal minuten eerder, leek nooit te hebben plaatsgevonden. De auto werd gevuld met een heftig negatieve vibe, die in combinatie met de drukkende hitte moeilijk te verdragen viel. Ik opende een raampje en zette de radio luider maar het mocht niet baten. Een paar kilometer eerder, toen ik haar oppikte, was alles nog oké. We brachten we elkaar aan het lachen met allerlei gruwelijke geruchten: urban legends over verdwenen lifters en sadistische chauffeurs die, als ze geen lifters verkrachten, ze dan op zijn minst doorverkopen aan één of andere obscure satanische sekte. En zij, ze vond het allemaal best. Lang krullend ros haar, een neuspiercing, een hoofd vol dromen en strakke dijen. Hooguit een jaar of twintig. Ja, ze had iets … of alleszins toch genoeg om deze grijze dag enigszins op te fleuren. Maar dat was voor dat telefoontje. We passeerden een stuk van de steenweg waar er werken waren en al het verkeer over één rijvak moest. Ik hield mijn ogen op de baan maar vanuit mijn ooghoek zag ik dat ze hoe langer hoe zenuwachtiger werd. Terwijl we stopten aan het kruispunt en The Supremes met Love Child hun ding deden, hoorde ik in mijn hoofd de nieuwslezer al bezig: “… het zeventienjarige meisje is ongeveer 1m70 groot, heeft ros krullend haar en een neuspiercing. Ze is het laatst gezien toen ze na een ruzie met haar ouders stond te liften aan de Gentsesteenweg ter hoogte van Wetteren.” Het zou wel eens kunnen. Het zou wel eens … Want waarom ligt anders die haastig gepakte rugzak op mijn achterbank? Op weg naar haar kot in Gent … Neen toch niet, liefste roodhaar! Mij niet gelaten waar ze heenging maar ik wist vanaf de eerste seconde dat haar uitleg gelogen was. Bloedmooie meisjes liften zelden alleen. En ze moest daar weg. Dat was te merken aan het feit hoe ze naar mijn wagen spurtte, hoe ze direct een gesprek begon, zelfs zonder de obligatie dankjewel. Allemaal harde tekens dat ze datgene waarvan ze wegliep, zo snel mogelijk wou vergeten. “ … getuigen beweren dat het meisje omstreeks 14 uur is meegenomen door een verdachte man met baard en zonnebril.” Godverdomme … Nu werd het link! Ik kende dat meisje grofweg een halfuur en shit, ik wist haar naam zelfs niet maar wat ik wél wist, was dat ons samenzijn op die delicate grens was aanbeland tussen het consolideren van winst en het vermijden van verlies. Wat nu? Binnen twintig minuten moest ik ergens zijn om iets te doen waarmee niemand zaken had. En zeker geen razende tienermeisjes. Net dan voelde ik de GSM in mijn binnenzak trillen. Was hij er al? Kwam hij later? Was de prijs verhoogd? Was hij opgepakt? Teveel vragen in mijn hoofd en één iemand teveel in deze auto. Of anders gesteld: iets teveel, een fraai maar daarom niet minder overkokend stoofpotje van oestrogeen, adolescente vervreemding en passieve agressie. Ik voelde me zoals iemand die zijn huisdier achterlaat in een bos alvorens op vakantie te vertrekken. Maar het moest gebeuren. We waren ondertussen vlakbij het Zuid. Tijd om af te ronden. Ik deed het op een nonchalante manier. Op vijftig meter van de Capitole zwenkte ik naar rechts en parkeerde de auto. Ze keek me vragend aan maar ik was haar voor: “Kijk, ik kan je niet verder meenemen tot aan Dampoort. Ik zei dat het geen probleem was toen ik je oppikte maar dat is het wel. Omwille van redenen die ik hier niet kan vertellen. Maar kijk, daar is een tramhalte. Binnen een kwartier zijn we allebei waar we moeten zijn.” Mijn combinatie van afwijzen en tegelijk een alternatief voorzien, werkte. Misschien maakte ik haar zelfs een beetje bang. Hoe dan ook, ze knikte beteuterd en verliet de auto. Ik staarde haar bezwerend na. Het enige nieuwsitem waarmee mijn verbeelding zich even later mee bezig hield, ging over een man die ter hoogte van Melle door de wegpolitie werd tegengehouden met een kwart kilo cannabis in zijn koffer. Maar de ervaring leert dat een mens niet alles moet geloven wat het nieuws vertelt, zeker niet als het verzonnen is …

Jan Van Olmen
16 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen Deel IV: Oekraïense skins op de Meir, de democratie wederom verkracht, breaking news: de hel bestaat!

Ik keek verbaasd toen ik op het schermpje zag dat een treinticket naar Antwerpen en terug slechts 11,50 EURO kostte. “Weekendtarief hé!”, zei de loketbediende lachend. Hij leek op de onvermijdelijke zatte nonkel die elke familie wel kent. “Zo kan je meer geld uitgeven als je daar bent, haha!” Anyway, hij had toch nog de fut om mijn gelaatsuitdrukking te lezen. “Shit kerel, je moest eens weten waar ik naartoe ging”, mummelde ik in mezelf. Ik kocht in de broodjeszaak vlakbij een broodje met kaas, een eitje, geraspte worteltjes en mayonaise plus een appel, een halve liter sinaasappelsap en een grote koffie met melk. Stevige ondernemingen vragen om een stevige maaltijd. Daarbij, het getuigt van een totale minachting voor Het Risico en de Vijand om uitgebreid en met een sereen gemoed te eten alvorens men ten strijde trekt. Daarna kroop ik de trein op richting Antwerpen. Terwijl door mijn koptelefoon de waanzinnig dramatische gitaarsolo van ‘Time has come today’ klonk. Kijk, vergeef me nu even deze bombastische opzet maar je moet 1 ding weten over mij, beste lezer: Als veteraan van de andersglobaliseringsbeweging in begin van de jaren 2000 was deze situatie intens. Was dit het begin van een reportage? Of was dit karma dat me een tweede kans toewierp om de fouten en de beginnerspech uit het verleden af te lossen? D14! Gent! 2001. Spijbelen om naar betogingen te gaan. Met een zwarte vlag in de hand naar school fietsen, voelen hoe de ochtendwind brutaal je gezicht streelt en je weet dat je geschiedenis schrijft! Om de zoveel jaren laat het Lot namelijk toe dat een generatie de kans krijgt om iets groots te doen, namelijk de wereld veranderen. Niet afbreken, niet opbouwen maar veranderen, iets wat een zeer symbiotisch proces is. Maar ergens op weg naar de Totale Verlossing en de Perfecte Rechtvaardigheid raakten velen onder ons de weg kwijt. Na het geloof in God begon ook het geloof in de revolutie te wankelen. Het wankelde als de regels uit het gedicht van Elschot. Waarom niet? De torens lagen al plat. Gezien op TV zoals in een videogame. Dus waarom niet? Alles wankelt … en de trein vertraagt. De conducteur knipt mijn ticket en ik hoor in mijn koptelefoon het diepe, manische gelach van de zangers. Gent, overstappen. Nog 30 minuten te gaan. Met berusting omkaderde beelden van vechtpartijen, waterkanonnen en het snijdende besef dat jij de strijd verliest en de maatschappij nog altijd klote is. Zoals je niet anders kan dan van vuur zeggen dat het warm is. Een ondraaglijk helder besef. Als ik nu in op deze trein zit en binnenin kijk naar de zonsondergang van mijn twintiger jaren en het begin van dat nieuwe millennium, alsook naar de Facebookstatus van al die oude bekenden, dan zie ik het breekpunt waar de golf van Sturm-und-Drang brak en terugsloeg. Iets na 3 uur kwam ik aan te Antwerpen. Van kleinsaf heb ik Antwerpen altijd al geassocieerd met de dierentuin en in mindere mate, Suske en Wiske. Dit bezoek zou anders zijn, zoveel stond vast. Ja, ik ging beestjes kijken. Maar deze keer zouden ze gewoonweg loslopen in het stadscentrum. En deze keer hoopte ik zonder schaamte dat ze wel met uitsterven bedreigd zouden zijn. Terwijl ik richting Groenplaats stapte, viel me een groepje van 3 skinheads op. Ze stapten in dezelfde richting als ik. Ik hield een zekere afstand maar voelde me betrapt toen één van hen me zag. Op de zijkant van zijn vestje stond een embleem met de Oekraïense vlag en of andere naam in Cyrillische letters. Behoorde hij tot dezelfde heerschaar die maanden voordien tijdens de betoging van 16 november 2014 mee auto’s in brand had gestoken? De kans was klein, maar niet onbestaande. Dit soort beroepsbetogers, of ze nu van linkse of rechtse signatuur zijn, deed me denken aan de landsknechten uit ver vervolgen tijden: rondzwervende huurlingen, bereid om de boel kort en klein te slaan zodoende er achteraf maar genoeg te verdienen en te zuipen valt. Hij draaide zich bekeek me een tweede keer toen ik op ongeveer 20 meter achter hen bleef stappen. Zou het aan mijn baard liggen? Het was tijd voor een uitwijkmanoeuvre. Ik zocht naar een winkel om ze kwijt te spelen. Hünkermoller of H&M? Wat zou Jef Geeraerts doen in een situatie als deze? Hünkermoller dus! Daar zouden ze het nooit wagen me te grazen te nemen! Na even een collectie robijnrode lingerie met bijhorende jarretels gekeurd te hebben, vervolgde ik mijn tocht naar de Groenplaats. De skins waren uit het zicht verdwenen. Ik passeerde een gigantisch spandoek van de NVA en hoorde ineens het luiden van klokken. Deze twee zaken gaven mijn aankomst op de Groenplaats een soort van filmische drive. Ik zag de pauselijke vlag, verschillende Belgische vlaggen (wat me ergens verbaasde), en een paar Vlaamse Leeuwen. Omgeven door een hoop politie. De stillen droegen allemaal een windjack in dezelfde kleur en stijl. Sinds wanneer wordt de gerechtelijke gesponsord door pakweg American Outfitters? Ik stond enkele meters achter de laatste rijen militanten. Om te acclimatiseren en niet teveel op te vallen. Casual, quasi onverschillig. Gewoon een toevallige voorbijganger die wil uitvinden waar heel de heisa om draait. “Die kerel is top voor een vrijgezellenavond!”, grapte één van de stillen naast mij tegen zijn collega. Ik moest er ongegeneerd mee lachen. Het was tot nu toe de eerste keer dat een agent in burger me aan het lachen bracht. Dat deed me trouwens ineens beseffen hoe waanzinnig, zelfs surrealistisch heel deze situatie was. Een honderdtal mensen omgeven door tientallen agenten te fiets en in burger stonden ademloos en met een kinderachtige zelfdiscipline te luisteren naar Dhr. Goethals. Ik had tot voordien nog nooit van zo dichtbij een extreemrechtse rally meegemaakt maar elk vooroordeel werd bevestigd. Filip de Winter die monkelend de spreker toehoort. Check. Een NSV-student, voorzien van die prachtig foute grijze pet (genre Duits leger 1914): Check! Stroblonde kleuters die met Vlaamse vlagjes in de hand tussen de volwassen door rondjes rennen: Check! De totale mobilisatie, vrouw en kind mee naar het front, voor Outer en Heerd! Check! Check! Check! Er waren in totaal zes toespraken waarvan verschillende in het Pools. De Polen waren een aparte delegatie, en dat lag niet enkel aan hun taaltje maar vooral aan het feit dat onder hen een handvol priesters in soutane aanwezig waren. Godverdomme, alsof ik was teruggereisd naar de jaren vijftig. Heel de ervaring begon een soort van iconisch statement te krijgen. Wie zou ik nog zien? Darth Vader? SS-troepen? Orks? Tegen het galmend luiden van de klokken klonk de stem van Goethals. “God zijn wetten zullen heersen! “ Gevolgd door plechtstatig applaus. Eerlijk gezegd begon ik bevende knieën te krijgen … Wat een ironie als je weet dat hetzelfde publiek moord en brand zou schreeuwen indien diezelfde uitspraak in het Arabisch zou worden gezegd, door een man met baard en tulband. Het is droevig dat ik me thans de vrije meningsuiting voorstel als een haveloze, verkrachte vrouw. Ineengedoken in een hoekje. Wanhopig proberend haar kwetsbare naaktheid te bedekken met een laatste flard oprechtheid. Tevergeefs … Waarom was er geen tegenbetoging georganiseerd? Die terechte vraag was echter een kort leven beschoren want de toespraken gingen verder. Hatelijke, achterlijke flarden propaganda. Geserveerd op een bedje van klokgelui en ingehouden woede. Alles wat ze vertelden had ik ooit al wel ergens gelezen of gehoord. Tegennatuurlijk, onkuisheid, de dictatuur van de zogenaamde democratie. Inhoudelijk gezien was heel dit schouwspel immoreel, laat daarover geen twijfel bestaan. Maar de manier waarop het doorging, gaf het iets onwezenlijks, ja zelfs bijna komisch. Het was tegennatuurlijk om onder het quasi verveelde oog van de lokale politie te roepen en tieren dat men leeft in een dictatuur, dat het recht op vrije meningsuiting met de voeten wordt getreden. Het was onkuis om toevallig passerende holebi’s met aandrang te vragen niet hand in hand te lopen of te kussen op dit bewuste plein in kwestie. De dictatuur van de democratie. Vreemd toch en ook mooi hoe ik ineens dacht aan een iconische poster uit de Spaanse Burgeroorlog getiteld ‘Los Nacionales” terwijl de priesters het Weesgegroet begonnen declameren. 2 grote spandoeken met daarop afgedreven foetussen die in beslag worden genomen toen de militanten ze ondanks een eerder verbod, toch wilden meedragen in hun mars. Geroep, geduw, getrek. 1 man wordt afgevoerd. Dan gaat de voorstelling verder. Een vrouw stopt me een krantje toe. “De hel bestaat!”, luidt de kop op de voorpagina. Tuurlijk, waarom niet? Geen betere regisseur dan het toeval. Dit was de prelude van het vijfde rijk. Dit zou iedereen elke week en overal doen als de nazi’s de oorlog hadden gewonnen. En in heel deze smartelijke vertoning van politiek opportunisme, haat en bekrompenheid werd ik nog het meest geraakt door de wezenlijke heiligschennis van heel de situatie: De mensen op het podium kregen meer aandacht dat het Mariabeeld dat achter de troep toehoorders en manifestanten verloren voor zich uit stond te staren. Symbolischer kon het niet. De massa die zich afkeert en met hun rug naar de Moedergodin een huichelaar toejuicht. Ik stapte naar het Mariabeeld en keerde de huichelaars de rug toe. Terwijl ik een kruisteken sloeg en luidop nadacht: “Vergeef ze moeder, ook weten ze wél wat ze doen.” Ik had genoeg gehoord om er het mijne van te schrijven. Het enige wat ik me op dat moment afvroeg, was hoe deze etterboel daadwerkelijk op papier te krijgen. In Brussel begon de grote Pride- afterparty , in Antwerpen hadden de kwezels hun H. Mis besloten met de Vlaamse Leeuw. Ik zat buiten aan het kampvuur van een lokale Scoutsfuif. De perfecte locatie om een dagje Safari in Fout Vlaanderen af te sluiten. I remember lighting fires; I remember sitting by 'em; I remember seeing faces, hearing voices, through the smoke; I remember they were fancy -- for I threw a stone to try 'em. "Something lost behind the Ranges" was the only word they spoke.[1]   [1] Kipling, The explorer

Jan Van Olmen
9 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen deel II: Wegrestaurant

Intermezzo bij het najagen van de Amerikaanse droom in fermetteformaat. “Het leven staat nooit stil!” “Verwen de mama’s!” “Profiteer nu!” And last but not least: “… onder de schelpen schuilt een smakelijk en rijkelijk vlees! “ Ik leg het reclamefoldertje neer, neem een slok van mijn bier en vraag me af wie dit soort clichématige onzin het leven schenkt. Waarschijnlijk één of andere gefrustreerde twintiger, nog geen half jaar afgestudeerd en dus veel te bescheten om eervol af te zien en verder te duiken naar een job met inhoud. Blijven hangen dus, in middelmatigheid en de pil vergulden met kleffe zekerheden. Het stuk over de schelpen smaakt trouwens niet overtuigend. Want de auteur van deze flard persuasief proza heeft waarschijnlijk nog maar weinig schelpjes geopend. Bestaat zijn notie van smakelijk en rijkelijk vlees enkel uit barbecue à volonté en schaamteloze porno?! Vreemde hersenkronkels tijdens een saaie vooravond hier in het wegrestaurant. De steenweg vlakbij kabbelt loom verder, als een soort van betonnen rivier. Het anker uitgeworpen en aangelegd aan deze oever. Met een scala aan reclameborden in plaats van palmbomen. Gehaaste vrouwen in trainingsbroeken in plaats van bevallige deernen met strooien rokjes. En ondergetekende in plaats van een gestaalde conquistador. Sweet banality … will you ever cease to amaze me? Het begon allemaal een paar uur voordien, met de regionale VDAB-jobbeurs. Als werkzoekende was ik slechts per mail verzocht ernaar toe te gaan maar als experimenteel journalist had ik de professionele plicht dit non-event creatief te coveren. De wijze waarop liet ik wijd open voor interpretatie want zoals steeds had ik het vage plan mijn gevoel te volgen en niet in de val van de objectieve verslaggeving te trappen. De gedachten vastleggen, dat is de inhoud. Het onderwerp is alleen vorm. Objectiviteit is een mythe. Het kostte me drie kwartier langer dan verwacht om ter plaatse te geraken en de grijze, van onweersbuien zwangere lucht maakte de sfeer er niet gezelliger op. Bumper tegen bumper. Hier en daar opgestoken middenvingers en venijnig claxonneren. De stadsring leek op een laatste ontsnappingsroute, weg van een fataal en evenzeer magisch moment waarop heel het bestaan zou veranderen in een schilderij van Jeroen Bosch. Op momenten als deze associeer ik het begrip “auto” meer met een doodskist dan met vrijheid. Nadat ik eindelijk parking had gevonden, bleek het hele ding een Fata Morgana, het is te zeggen: het gebouw was er, het adres klopte maar alle deuren waren potdicht. Geen jobbeurs, maar wel iets dat leek op een verhaal.[1] Mijn zin voor analyse begon het terug over te nemen van de fantasie. Dat was duidelijk te merken aan het feit dat ik om uitleg vroeg aan een vriendelijke huisvrouw van pakweg 60 jaar in plaats van aan een ei met vleugeltjes. Maar Mariette of Lizette of whatever wist het ook niet. En de deuren bleven dicht. Ik was in een stad waar ik niets anders kon vinden dan dezelfde goede en slechte dingen die er in mijn thuisstad onder de stenen lagen, dus het nut en de zin om er langer te blijven verdwenen geruisloos. Fuck it, de baan op en onderweg eten zoeken. Rest and regroup. Bijtanken, de zinloosheid van heel deze onderneming vergeten. Rustig in een hoekje wegkruipen met de krant, een slaatje en een bord friet. Veel gezinnen hier. Volle tafels, rijkelijk gevulde borden, het gesnater van tienermeisjes en het monotoon hoesten van dames op leeftijd. Ik bekijk een tweetal jongens die opgewonden voorbijlopen, met een frisco in hun handen en denk terug aan mijn eigen kinderjaren. Toen een wegrestaurant gewoon een wegrestaurant was een geen onophoudelijke stortvloed van ideeën, opinies en mise-en-scène. Iets dichterbij snauwt een vader met propvolle mond zijn kleuterzoon toe: Zit en zwijg! Vroeger leerden we onze kinderen hoe ze met pijl en boog een mammoet dienden om te leggen, nu zijn de levensnoodzakelijke vaardigheden blijkbaar gedownsized tot zitten en zwijgen. Had Jean-Jacques Rousseau dan toch gelijk?[2] Het kind kan dan voor mijn part binnen 20 jaar ook debiele reclameslogans schrijven. Ik probeer de krantenkoppen te lezen maar een gedachte snauwt mijn concentratie toe: Wat is, naast de noodzaak aan redelijk geprijsd voedsel, een bindmiddel voor deze quasi Breugheliaanse massa? Het idee dat iedereen die werkt het kan maken, geloof ik dan. Dat iedereen, met of zonder frisco, de hoofdprijs kan winnen. Als je maar een lotje koopt. Dat dikwijls betaald wordt met ons dierbaarste kapitaal: onschuld. De Amerikaanse droom, indertijd meegereisd via kauwgum en nylonkousen is in zijn land van herkomst misschien op sterven na dood maar hier, in dit compromis van een land, bloeit hij open als nooit tevoren. Critici van de Amerikaanse droom, stellen dat er een keerzijde is aan dit ideaal. Deze keerzijde is dat iemand die niet succesvol is, of arm, geacht wordt dit aan zichzelf te wijten te hebben. Deze critici zijn ‘Slechte Vlamingen’. Want … stilstaan is achteruitgaan en herinner de reclameslogan: “Het leven staat nooit stil!” Behalve hier dan, in het wegrestaurant, waar de erzatsvrijheid genaamd ‘weekend’ haar vleugels uitspreidt. Althans voor de rasechten. Want een werkzoekende, die heeft geen weekend. De jacht naar werk gaat verder…. Alsook de journalist zijn jacht naar het kille, bonkende hart van de Amerikaanse droom in fermetteformaat: de Vlaamse droom. De maatschappelijke idealisering van het platteland na de Tweede Wereldoorlog, overgoten met nostalgie, rijstpap, vinkenzetting en eindeloze bouwgronden. Zodanig gul overgoten zelfs dat je soms nog moeilijk het leven proeft … Bij wijze van dessert koffie halen en een praatje slaan met de nieuwe kassière. ‘Vind je de chocomousse hier zelf lekker?’ ‘Goh, vandaag niet. Hij is nogal euh … plat.’ Haar prachtig gemanicuurde nagels glijden delicaat over het touch screen van de kassa. ‘Je studeert nog zeker?’ Ze glimlacht en knikt. ‘Journalistiek, ik werk hier in’t weekend. Hmm, jij weet trouwens wat lekker is!’ Ze lonkt even naar mijn alternatief voor de platte chocomousse: een massief stuk chocolade taart. ‘Tuurlijk weet ik dat.’ Ik knipoog. Zij bloost. ‘Kijk meisje, blijf even eerlijk over wat je schrijft als over die chocomousse, OK?’ ‘Zekers! Het beste nog! ‘ Ze gedraagt zichzelf quasi authentiek maar in haar ogen kan ik lezen dat ze niet begrijpt waarover dit gesprek gaat. Of juist wel maar dan op een bevooroordeelde manier… Onze golflengtes liggen mijlenver uit elkaar. Maar what the hell, Ik heb chocoladetaart en het vooruitzicht op een kalme, deugddoende avond onder vrienden. In het schemerduister opnieuw de baan op, in het gezelschap van een besef: Ook zonder VDAB, droom of werk … ik blijf sterk.   [1] Toen nauwelijks, maar nu hoe langer hoe meer ! [2] La nature a fait l'homme heureux et bon, mais la société le déprave et le rend misérable.

Jan Van Olmen
6 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen- deel I Werkloos en schrijver

Een ontmaskering van de charmante leugen.[1] Dinsdagnamiddag, exact 15.56 nu. Weldra zal de grote exodus beginnen. Duizenden pendelaars die bevangen door koortsige haast ’s morgens en atavistische berusting later op de dag heen en weer suizen tussen thuis, werk en vice versa. Tussen bureaus (of iets meer trendy gezegd: werkeilanden) en schoolpoorten, keukens, brievenbussen en tv’s. Met af en toe het occasionele kleine drama en genietbaar toeval als toetje. Zoals een dodelijk ongeval op de ring of een afscheidsdrink van een collega die uitloopt in een hedonistisch drankfestijn in één van de vele stationsbuurten die dit land rijk is. Ikzelf zit momenteel thuis. Werkzoekend of werkloos. U kan zelf kiezen welk etiket u me opplakt. De afgelopen maanden ben ik namelijk reeds zodanig veel geïnterviewd, getest en (af)gekeurd dat een (voor)oordeel meer of minder er gerust bij kan. Want geef toe, er wordt heden ten dage een zekere flexibiliteit verwacht… Ambitie, creativiteit, gedrevenheid, flair, uitstraling, …. Patserige woorden geflankeerd door grote foto’s van lachende mensen. Teneinde hetze te vermijden staan er ook foto’s van Afrikaanse en Aziatische medemensen in het rijtje. Want interim-bureaus discrimineren niet …. Die gedachte alleen al is krankzinnig meneer! Yeah right …. You’re going to make it after all!                                                                                                  Met dit soort kitscherig vermomde propaganda wordt de sollicitant geconfronteerd als hij voor de zoveelste maal rijksregisternummer en geboortedatum meedeelt. Als hij tot in den treure toe en met de glimlach op het gelaat opdreunt interesse te tonen in een job die eruit bestaat dozen te vullen en dicht te plakken. Liegen is een vitaal onderdeel van elk sollicitatiegesprek. Ik weet het, dit is een uitspraak die choqueert[2]. Afhankelijk van de persoon die aan de andere kant van de tafel zit, gaat het hem om kleine of grote leugens. Maar laat ons eerlijk zijn: niemand, maar dan ook niemand zal volledig de waarheid spreken als er geld mee gemoeid is. Kwestie van mensenkennis en berekend risico. Maar … opgelet! Men moet altijd de zin voor verhouding blijven bewaren, ook als men liegt. Eigenlijk, vooral als men liegt … Deze tekst is al zeven alinea’s lang, so let’s quit the crap: zoeken naar werk in Vlaanderen anno 2015 is een vies, frustrerend en absurd gegeven. Vele mensen, waarvan velen met een hoger IQ en een economischer kijk op de zaken dan ik hebben hierover reeds geschreven en gesproken. Maar dan nog, alle analyses en gevoelsuitstortingen ten spijt ontbreekt er iets. Waar is de passie, het vlijmscherp proza, de (zelf)spot? Werkloos én schrijver …. Dus hey, hier gaan we dan. Zoekend naar werk kan er misschien ook nog iets achterblijven op papier dat de moeite waard is om gelezen te worden. In een land waar de staatssecretaris voor Asiel en Migratie oproept om de boten te doen zinken voordat ze de Europese kust bereiken, is enige vindingrijkheid aangewezen! Deze morgen waren we opnieuw de baan op. Naar Leuven deze keer. Na een hectische avond tijdens dewelke ik met koude vastberadenheid alles voorbereidde wat er voor te bereiden viel: motivaties, informatie over het bedrijf in kwestie en waarom de job als onthaalmedewerker mijn roeping in dit leven en alle volgende mag, kan en moet zijn! Zal het zo zijn? Adrenaline en hoop. Een concreet plan smeden, de meest formele outfit uit je kleerkast halen, vloeken omdat je lievelingshemd ineens twee maten te klein is.[3] Tenslotte de kledij klaar hangen zoals een ridder zijn harnas aan de vooravond van een alles beslissende veldslag. Dan slapen (of iets dat erop lijkt.) Wakker worden om vijf uur dertig dankzij andermans’ ochtendseks en in de badkamer de strijd aangaan met een gigantische, voorhistorisch uitziende spin die manisch rondjes crost in de wastafel. In Brussel-Zuid tot de vaststelling komen dat de geplande trein richting Leuven is afgeschaft. Zin krijgen om luidop te vloeken en dan reeds na drie seconden beseffen dat zoiets lachwekkend en nutteloos is. Tot het inzicht komen dat je dik twintig minuten later zal zijn. Een inzicht dat even ongewenst is als het onwettige kind van een getrouwde vrouw. Willen bellen naar het bedrijf in kwestie maar dan opnieuw tegenslag. De GSM heeft de geest gegeven … O God waarom? Ik had die spinnenkop nochtans gevangen in een glas en netjes aan de voordeur buitengelaten! Oké dan, je beweert communicatief te zijn meneer. Bewijs het en schep hierover op als je wederom je arbeidskrachten de hemel inprijst. Neem de zaken in handen. Doe iets. Creëer! De eerste man die ik aanspreek is een stationsbeambte die me futloos informeert over een wederom ge-wel-dig feit in ons op winst en nut gebaseerd terrarium van een maatschappij. Want er bestaan geen openbare telefoons meer. Komaan, wat voor een naïef muurbloempje ben ik wel te denken dat er communicatiemogelijkheden voorhanden zijn in een internationaal station? Wat ga je hierna uitkramen, dat je enkels seks wilt hebben met iemand die je heel graag ziet?! Get real you pussy! Het grote uurrooster in de inkomhal zit op mij te loeren zoals een gier naar een stervende. Ik kan het bijna horen: een leep, brommend gelach. Een GSM, een GSM, mijn koninkrijk voor een GSM! De tweede man die ik aanspreek, kijkt me aan alsof ik een met pestbuilen overwoekerde bedelaar ben. Vreemd, hij draagt nochtans een kostuumvest en een hemd. En hij is ook blank. En een man! Van je soortgenoten moet je het hebben! Zou het dan toch kunnen? Bestaat de arrogante, blanke man echt? Hemeltjelief! Ik weet verdomme goed genoeg dat blank, man en goed gekleed in negentig procent van de gevallen positief nieuws betekent voor de eigenaar van de persoonskenmerken in kwestie. Ah, de vele momenten op luchthavens dat ze me gewoon lieten doorlopen, zelfs al was ik één keer zo zat als een Zwitser en een andere keer compleet opgefokt door een mix van cocabladeren en een obscure ‘energiethee’ die ik enkele uren voordien in het centrum van Lima had gekocht. Of die keer in Tel-Aviv toen ik ’s avonds overal kon rondlopen zonder verkracht te worden en …           Omdat ik het juiste kleurtje heb. Anders, dan hadden ze tijdens bovenstaande voorvallen mijn zwarte kont bont en blauw gemept en me met professionele brutaliteit in de boeien geslagen. Enfin, het punt is dat mensen die aan de top van de voedselpiramide staan een beetje meer grootmoedigheid mogen tonen! Zelfs al draag ik ‘maar’ een hemdje en vestje uit de H&M! Of misschien geven mijn baardje, quasi kale kop en minzame glimlach de indruk dat ik lid ben van één of andere sekte. “Namaste. Hebt u het geluk al gevonden meneer?” Neen, Let’s face it. Voor dat rolletje zijn mijn schoenen te chique. In totaal nog een tiental mensen vragen om te mogen bellen en steeds opnieuw genegeerd en afgewezen worden. Meer woorden maak ik daaraan niet meer vuil. Op de trein dan maar … met een jongen. Een mooi exemplaar, strak in het pak én Engelstalig. De GSM in kwestie is even modern en hoogontwikkeld als zijn eigenaar. Maar ik heb eindelijk het bedrijf aan de lijn en verwittig hen van mijn vertraging. De jongen in kwestie wordt uitvoerig bedankt en ik kom te weten dat hij Spaans en stagiair is bij één of andere Europese instelling. Zonder te willen vervallen in het grote, linkse “arm Vlaanderen”- cliché maak ik toch even de bedenking dat dit land qua sociale samenhang op zijn laatste benen hinkt. Zelfs niet alle helfies ter wereld kunnen dit bedekken: het eigen volk is afstandelijk. Omdat het bang is? Omdat het moe is? Omdat het dom is? Het gegeven dat ik geen antwoord kan bieden op voorgaande vragen , deprimeert me even zeer als de lijzige regendruppels. Als doorzichtige miniatuurkometen glijden ze langs het raam van de wagon. Even vergankelijkheid als de belofte aan zekerheid binnen een systeem waar de weinigen veel hebben en de velen weinig.[4] Welke mens zou in deze situatie, op zo een moment regendruppels vergelijken met doorzichtige miniatuurkometen?[5] Wat zit ik hier eigenlijk te doen? Onbewust alles in me opnemen om het later tot literatuur te transformeren? Of wacht ik gewoon tot de trein in Leuven stopt? You tell me. Wie zijn al die mensen, die als reptielen in de ochtendzon, roerloos voor zich uit zitten te staren? De meerderheid gebogen over hun I-Pad of Smartphone. Stuk voor stuk gefascineerd door alweer een charmante leugen: wie braaf is krijgt lekkers, wie stout is de roe. Ik zou graag één van hen zijn. In een zwakker moment dan. Want de kern van al het drama in ons leven is dat we om overgave smeken als het slecht gaat maar diezelfde overgave weigeren als het goed gaat. Aan de andere kant: elke queeste naar een inkomen, elke sprong naar een kans, doet mijn hart overstromen van levenslust. Van een primitieve maar zalige drang tot zijn en doen![6] Enkel wie Het Gevaar kent, kan leven zoals het hoort: met overgave! Met een beetje geluk kan je Het Gevaar in de ogen kijken en het navertellen. Met nog één schepje geluk meer kan je de kleur van zijn ogen onthouden. Ofwel zijn mijn schepjes geluk op, ofwel moet ik ze nog krijgen want ondanks mijn Calvarietocht naar Leuven kreeg ik later op de dag te horen dat het bedrijf had gekozen voor een interne kandidaat die ze de dag voordien hadden gesproken. Uiteraard, de dag voordien. Toen ik op een terras in het centrum van Turnhout zat, aan het bekomen van de bad trip die elk bezoek aan mijn zwaar dementerende grootmoeder eigenlijk is. Hoogtepunt van dat bezoek was een bijna vechtpartij tussen ons moemoe en een andere bewoonster met als inzet een doos pralines gevolgd door een hysterische woedeaanval van een oudere man in een rolstoel die zich als een soort van kreupele Don Quichote begon te moeien met de wanhopige interventie van een eenzame verpleegster Lang leve de besparingen in de zorgsector! Ja, de waanzin is overal, jong of oud werkloos of gepensioneerd: het leven is een strijd! Toen dus, toen belden ze mij met het quasi bevel naar Leuven te komen. Want ze waren dringend op zoek naar een invulling voor de vacature van onthaalmedewerker. Wel, er is één ding waar ik niet meer dringend naar op zoek ben en dat is een antwoord op de vraag of het absurdisme in dit land een kunststroming is of een levensstijl … Nu is het naar de avond toe en ik speel met het idee een geheel van essays en columns over werk zoeken en (over)leven in het Vlaanderen van de Nieuwe Vlaamse Ambetanterikken ‘Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen” te noemen. Vreemde verhalen want … waarschijnlijk ben ik een zeldzame kruising tussen een mens en een engel: teveel mens om zonder menselijkheid te kunnen en teveel engel om die menselijkheid consequent te verdragen. Ja, dat is wel een prachtige verklaring voor al de tegenstellingen en kronkels in mijn ziel. Zodanig prachtig zelfs dat het eigenlijk geen verklaring meer is, maar wie geeft daar nu een kloot om? Ik alvast niet enneuh … … iedereen geboren in de jaren ‘80: maak je geen zorgen over de toekomst want in wezen hebben we er geen: het schip zinkt en het laatste lied wordt gespeeld, de laatste glazen worden geschonken. En tussendoor krijst de echo van oorlog en crisis als een vondeling op de stoep van “onze” maatschappij. Spijtig dat we geen grote verhalen meer hebben om het krijsen te stillen. Kom vrienden: reikt elkaar de hand, de lippen en het lijf. Laat ons dansen. Ja, laat ons dansen en schransen en gek doen voordat ze kloppen aan onze deur. Vreselijk Vlaanderen want … ik word kotsmisselijk van een andere incarnatie van ‘de charmante leugen’: namelijk dat de eindverantwoordelijkheid voor het vinden van een job stelselmatig bij de werkzoekende zelf ligt, terwijl er een structureel tekort is aan arbeidsplaatsen. Uit een Belgisch rapport uit 2012 blijkt dat er de laatste jaren vier keer meer werklozen zijn dan beschikbare arbeidsplaatsen. Als je mensen verplicht tot het vinden van werk en hen daarop beoordeelt, dan lijkt het mij logisch dat er voldoende arbeidsplaatsen voorhanden zijn. Anders houd je een groep mensen verantwoordelijk voor iets waar een groot deel niet in kan slagen. Dat is niets meer en niets minder dan een hoop dampende bullshit. Goed voor de moestuin maar verder compleet nutteloos. Dit discours past in de tijdsgeest waarin hardnekkige maatschappelijke problemen worden verengd tot persoonlijke problemen van onwillige luilakken of misfits[7] die hoognodig door scholing[8] moeten worden bijgeschaafd. Mensen zonder ambitie die de hardwerkende Vlaming ook nog handen vol geld kosten. Mensen zoals ik en duizenden anderen die test na test en gesprek na gesprek doen voor de meest idiote en onzekere jobs. Mensen zoals ik en duizenden anderen die in hun studententijd op theoretisch vlak doorhadden hoe de vork aan de steel zat en het nu op praktisch en persoonlijk gebied ondervinden. Namelijk dat de slogan: “Ik hou ze arm, hou jij ze dom!” nog altijd klinkt als een klok. Alleen is ‘meneer pastoor’ vervangen door ‘de media’ en draagt ‘meneer de eigenaar’ een blits polshorloge en een hipsterbril in plaats van een monocle en een hoge hoed. Mensen zoals ik en (hopelijk!) duizenden anderen die niet langer de wortel voor hun neus achterna lopen en tussen de lijntjes van het sociaal contract beginnen lezen. Waar zal dit eindigen? In mijn even dystopische als filmische fantasie eindigt het in een door smog verstikte, overbevolkte miljoenenstad waar in de arena sollicitanten het opnemen tegen levende, genetisch gemanipuleerde reuzengroenten. De winnaar krijgt een tijdelijke job bij de lokale fastfoodgigant. Gevechten op leven en dood! Bloed! Tomatensap! Spektakel! De tweede plotlijn maakt dan dat ik een geheime relatie begin met de dochter van de stadhouder en alzo eindig als leider van de Grote Werklozenrebellie. Op een tamme komkommer rijden we tenslotte de zonsondergang tegemoet terwijl de eindgeneriek in beeld verschijnt … Maar terug even serieus nu! Het zogenaamde ‘activeringsbeleid’ en de ‘interim industrie’ zijn namelijk niets meer dan excuses om te camoufleren dat de staat (of wat er nog van overblijft), compleet machteloos is om arbeidsplaatsen te creëren in een neoliberale samenleving. De geest van Thatcher en Reagan is alive and kicking. Make no mistake about it! Ik vraag me nog altijd af waarom politici blijven beweren dat ze werk gaan creëren, de werkloosheid gaan wegdrijven maar zich vervolgens niet uitspreken tegen het neoliberalisme … Maar goed beste lezers, als ik meer nieuws heb en u een antwoord kan geven bel ik u zeker terug! J   [1] ‘Wie wil werken, vindt werk! Echt wel, we bellen u zeker terug! [2] Omdat het waar is schatjes!                                                                                                                                                      [3] … of ik twee kilo verdikt ben MAAR WE MOETEN POSITIEF BLIJVEN VERDOMME! [4] Buiten zorgen, huishuur die betaald wordt met spaargeld en af en toe een neiging tot vage, socialistische clichés. [5] Iemand die talent heeft? Vraag het anders aan het grote boze uurroosterJ. (Als je durft!) [6] En avontuur! In Technicolor ®! [7] Ik ben dan bijvoorbeeld een misfit, get the picture? [8] Zoals een cursus ‘Hoe maak ik een CV?” voor mensen met een hoger diploma die heelder dagen niets anders doen dan CV ‘s opmaken.

Jan Van Olmen
6 0

Een deuvels kerstverhaal

 Het was K-I-avond, nou dan wist je het wel. Dan gierden bij ons kinderen de zenuwen door het lijf. We zaten aan het K-I-diner. Vader, moeder, de vriendin van vader en de vriendin van moeder. Vader met drie vriendinnen. Hij glom tegen beter weten in. Even waren we allemaal samen. Het gebeurde te weinig, maar daarom was het ook bijzonder. Mijn vader had echt zijn best gedaan. Hij had een groot deel van de dag in onze nieuwe keuken doorgebracht. Maar wij kinderen kregen geen hap door onze keel. We konden niet wachten op het vertrek naar K-IEA, het heiligdom waar we jaarlijks op 21 december K-I vierden. Het feest van De Nieuwe Zending. Vader stelde plechtig vast dat de tijd gekomen was om op weg te gaan. Het was altijd dringen om een goed plekje te veroveren.   De massa schuifelde naar binnen. Bij de ingang van bloK-I kreeg iedereen een fraai boekwerk in zijn handen gedrukt. ‘De Catalochismus,’ fluisterde vader. In de grote hal was het een drukte van belang. Middenin de enorme ruimte stond een imposante boom: De Den van de Nieuwe Zending, ook wel de ZenDen genoemd. Wij maakten een eerbiedige hoofdknik toen we de bosreus passeerden en namen plaats op een van de duizenden driezitters. Wij met vader op een gele. De drie vriendinnen op een blauwe. We zaten in het Karlstad-segment. Dat zat goed en was toch betaalbaar.   Precies om middernacht werden alle lichten gedoofd en werd het Rocke-Billy-lied ingezet. Zoals ieder jaar was ook nu weer iedereen na het meerstemmige slotakkoord diep ontroerd. Jongelingen met zilverglanzende vleugelmoeren op hun rug verspreidden met gouden spuitbussen de adembenemende geur van vers gezaagd spaanplaat. Terwijl we onze longen volzogen met de etherische damp van middelen waarvan vader zei dat ze vetvlekken oplosten, zeg maar alle zonden van ons wegnamen, klonk het schrikwekkende maar ook langverwachte geluid van een inslaande bliksem. De ZenDen werd tot vlak boven de vloer gespleten. Beide helften van de machtige stam weken uiteen.   Er ging een siddering door de massa. Want daar was Billy. De nieuwe Billy. Opnieuw had het arme Smăland, die verre plek in Zweden, een van zijn beste zonen bereid gevonden om ons een jaar lang in en uit te richten. Halleheia, klonk het. En nog eens, en nog eens. Er kwam geen eind aan. Halleheia, halleheia, halleheia, Frees the Board. Wij stonden op, en al halleheia-swingend liepen wij eerbiedig naar de gespleten ZenDen waar wij door Billy de Heialige Imbussleutel kregen uitgereikt. De meeste gelovigen strekten eerbiedig hun geopende hand, een enkele oudere kreeg het waardevolle kleinood op de uitgestoken tong. Een grappig gezicht. Volgens vader een restgebruik uit heidense tijden.   Terwijl wij zo onze verbondenheid vierden, zong het Imbusielenkoor het getoonzette epos van Billy en de Deuvel. Het verhaal was ons bekend maar het bleef mooi. Billy die op het eind moet toegeven dat het zonder de Deuvel nooit wat kan worden En zoals ieder jaar eindigde de plechtigheid met het uit het hoofd leren van het boek dat we bij de ingang hadden ontvangen: de Heialige Catalochismus.   Toen het moment van de Heenzending was gekomen, nodigde Billy ons uit om de Zevende Hemel van de Nieuwe Zending te betreden. “Let vooral op het nieuwe laminaat van klikspaan,” gaf Hij ons als goede raad nog mee. Twee dagen liepen we met onze bijbel en ons Blijde-Boodschapkarretje door de Zevende Hemel en kwamen toen weer samen rond de Den van de Nieuwe Zending. Dat wil zeggen, in plaats van de Den stond er nu een fraaie boekenkast. Wij beseften dat de transsubstantiatie had plaatsgevonden. Billy was getransformeerd. Hij had een nieuwe vorm aangenomen. Hij was in de kast gekomen. Wij voelden dankbaarheid en beloofden eeuwige trouw. Ja K-I was het mooiste feest. K-II was natuurlijk ook leuk. Op de zondag na de eerste volle maan in de lente. Dan stonden de keukens centraal. En K-III? Dat vierden ze volgens vader alleen nog in België. Hij wilde niet zeggen waarom. 'Ik heb aan mijn eigen K3 mijn handen vol,' placht hij te zeggen. Helemaal begrijpen deden wij het niet.

Gerard van de Schootbrugge
2 0
Tip

#1

Soms lijkt het stil op het slagveld. Na uren van gekletter en gejammer smelt het lawaai van het gevecht tot één witte ruis alsof de waas van vermoeidheid die om hem heen hangt de geluiden tegenhoudt. Dan hoort Nikephoros enkel het gebonk van zijn eigen bloed in zijn oren, hoe hij hijgend adem naar binnen zuigt, en af en toe, op dagen zoals deze, hoort hij het schreeuwen van zijn naam als een echo in zijn gedachten.  De mannen om hem heen kan hij amper zien. Het zware metaal van zijn helm sluit hen van hem af, maar hij weet dat ze er zijn. Hun aanwezigheid hoort ook bij de ruis, de mengelmoes van bloed en geschreeuw en het versplinteren van schilden. Nikephoros voelt dat zij er zijn en zij voelen dat hij er is. Zijn speech is hij al vergeten, de woorden achtergelaten in het kamp, vertrappeld door de vele voeten die schuifelend hun tent verlieten. Alleen de reactie blijft hangen. Ze kleeft aan zijn lijf. Het gejuich is onder zijn helm gekropen en het enthousiaste gestamp zit verstopt onder zijn borstplaat. Nikephoros. Zegebrenger. Hoewel zijn harnas zwaar weegt op zijn schouders, beweegt hij met een zekere gratie die anderen missen. Naast hem valt iemand neer. Een bijl komt zijn kant uit. Hij duikt neer, zwaard stevig in zijn hand. Het voelt niet meer als doden. Het voelt louter als een zegeviering. De volgende komt zijn kant opgerend, gewapend met een drietand. Nikephoros doorboort zijn borstplaat nog voor de jongen zijn wapen kan heffen. En dan, temidden van de strijd, hoort hij het. Natuurlijk hoort hij het. Het hele punt van de witte ruis is de filter. De blonde lokken zag hij altijd, een baken in de wirwar van geweld. Ze waren oh zo zeldzaam, louter voor hem bestemd. Nu zag hij ze niet. Hij draaide zijn hoofd om, wanhopig zoekend naar zijn geliefde. De kreet klonk zo vreemd tussen al die wreedheid. Zijn zwaard glipte van tussen zijn handen wanneer Nikephoros naar hem toe rende. Hij spotte Agapétos een paar meter verder, verder dan hij had móéten zijn. Zijn blonde haren waren slechts luttele seconden van de bebloede grond verwijderd. “Agepétos. Agepétos.” Of hij de woorden gezegd heeft, weet Nikephoros niet. Misschien fluisterde hij ze, misschien waren ze slechts een echo in zijn gedachten. Het moest zo snel gebeurd zijn, tussen de ene dood en de andere door. Tussen een bijl en een drietand. Een pijl, sneller dan Apollo. Zelf Nikephoros had er niet aan kunnen ontsnappen. Hij zakte neer op zijn knieën, ogen wijd open en mond hetzelfde. Zijn vingers wurmden zich langs de contouren van de borstplaat, voorbij de hardheid en de strijd, tot ze eindelijk zijn huid voelden. Nikephoros gaf niets om de oorlog. Hij gaf alleen om hoe zacht zijn geliefde is, zijn kloppend hart en de glans in zijn helblauwe ogen. Agepétos’ huid leek wel marmer naast de zijne. Zijn lippen, die uren geleden nog de lijnen van zijn lichaam zochten, openden zich moeizaam, op zoek naar een laatste ademhaling. “Agepétos.” Agepétos wilde hem niet aankijken. Hij trok aan Nikephoros’ arm met ogen die getekend waren door paniek, en Nikephoros, de zegebrenger, smolt als was zijn handen. “Blijf,” prevelde hij. Zijn stem klonk zacht en zilver en gouden boven de witte ruis van de wreedheid. Hij fluisterde het zachtjes tegen Nikephoros’ nek, brandde de letters in zijn gebruinde huid. “Alstublieft.” En dus stopte Nikephoros het gevecht, liet zowel zijn zwaard als de belofte van een zegeviering in de steek. Hij lag naast Agepétos, terwijl die uiteenviel op de ergste wijze mogelijk. Zijn handen knoopten zich in zijn haar, vingers gevangen tussen metaal en huid en zijn lippen verbonden met die van zijn geliefde. Agepétos’ hoofd legde hij in zijn nek, zijn steeds kouder wordende neus tegen zijn sleutelbeen aangedrukt. Zo sliepen ze meestal, wanneer ze alleen waren in hun tent. “Agepétos. Agepétos.” Geliefde. Geliefde. “Agepétos.” Tot de witte ruis ook zijn ogen sloot.

Astrid
0 2

Après Milou - Juli 2013 - Reisverhaal, Rouwverwerking, Dierenliefde

    Après MilouJuli 2013 – Frankrijk  Tintin & Milou, de laatste reis. 7 juli “Alleen als je je verzettegen wat er gebeurt,ben je overgeleverdaan wat er gebeurt.Dan bepaalt de wereldje geluk en ongeluk.”Eckhart Tolle Het afscheid met mijn maatje nadert. Ik heb altijd gevraagd aan Milou om het me duidelijk te maken als het haar tijd is en dat doet ze nu, ze bekijkt me met diepwarme bruine ogen en spreekt tot m’n hart: “ Het is tijd om los te laten vrouwke, deze laatste reis moet ik alleen maken”En wat een fantastische reis zal het zijn, ze heeft het zo verdiend.Milou was vanaf de eerste dag een verrijking in mijn leven, niet één wezen heeft me zo geraakt en gemaakt zoals zij dat deed. Ze bracht het beste in me naar boven, en maakte me steeds weer aan het lachen, zelfs in mijn donkerste dagen. Leven in een ‘menselijke wereld’ heeft me wantrouwig gemaakt. Ik kan niet zeggen dat ik géén liefde heb gekend, maar ik kan wel zeggen dat er nooit standvastigheid zat in mijn menselijke relaties. Zulke gedragspatronen beginnen al vroeg, tekenen je vroeg, en een diagnose zoals MS, met al het inconsequente dat zulke conditie met zich meebrengt, helpt niet echt.Mensen houden vaak van me, adoreren me haast, als ik gevend kan zijn. In momenten zoals deze voel ik steeds weer dat ik me niet altijd omring met personen die me ook onvoorwaardelijk steunen, en ik weet het… het is zo cliché en al zo vaak verwoord, maar de liefde van een hondje is zo verdomd onvoorwaardelijk.Niet dat Milou ooit slaafs was. Met haar sterke persoonlijkheid kon ze me perfect duidelijk maken als ik over de schreef ging in m’n bazigheid, net zoals ik haar kon begrenzen als ze het te bont maakte in haar hondengedrag. Kortom, onze relatie was er een van evenwicht, van balans, van perfecte harmonie en communicatie.Ze gelooft in me, en doet dat nog steeds, zelfs bij deze allerlaatste deksels moeilijke beslissing. Milou maakte ook dat ik me de luxe kon permitteren me min of meer te isoleren met haar hier in het bos. Ze vulde mijn wereld met haar liefde en samen met haar had ik geen behoefte aan een overloop van contacten.Mijn reizen met haar waren zàlig. Kuifje en Bobby op avontuur. Tintin & Milou.In 2007 naar Kreta met de auto en de boot. In 2010 onze doorreis door la douce France naar Spanje. Mensen verklaarden me gek want de kans op een opstoot was steeds reëel aanwezig, maar dat was me een (honden)worst: ik had mijn Milouke bij me die telkens vanop haar achterbank met me meekeek naar de betoverende landschappen om ons heen.De tussenstops plande ik zorgvuldig zodat het nooit té vermoeiend werd en Milou keurend de hotelkamer kon afsnuffelen die ik voor haar en mezelf had gereserveerd. Als ze met een zuchtende grom neerzeeg in haar mandje en begon te sabbelen aan haar kluif wist ik dat het goed was. Hoe ik ga omgaan met die leegte straks weet ik nog niet.Mijn sociaal vangnet is zéér klein en hopelijk sterk genoeg om mijn zwaargewicht verdriet op te vangen.Het zal wennen zijn, want ditmaal ga ik de wereld nodig hebben…Mijn bos zal me omarmen maar is ook totaal verweven met mijn leven met Milou, en ik weet niet of ik dat ga aankunnen. Toch niet meteen, ik heb vluchtwegen nodig. Op dit moment geven mijn virtuele contacten me enorm veel troost. Ik weet dat netwerken zoals Facebook vaak totaal verkeerd gebruikt worden maar geloof me, soms spelen ze toch wel een troostende rol.Zeker nu. Fysiek menselijk contact zou me in deze fase van afscheid nemen, op mijn zenuwen werken. Ik ben totaal gefocust op de eenheid tussen Milou en mezelf, en heb wel behoefte aan warmte, maar niet aan aanwezigheid. Maar straks ga ik meer dan dat nodig hebben.Straks gaat de eenzaamheid en de leegte me dreigend proberen te verzwelgen, en dan heb ik de draagkracht nodig van échte mensen, geen lettertjes op een virtueel scherm. En dan zal ik moeten vertrouwen op mezelf, en op mijn kwaliteit als overlever.Dan zal ik terug naar buiten moeten stappen, om aan te kloppen aan gastvrije deuren terwijl ik hoop dat er ook aan mijn deur wordt geklopt.En zo… gaan we allebei op reis, Milou en ik, met flarden van onze liefde voor mekaar in onze zielen, als een haast onzichtbare nevel bij zonsopgang, subtiel maar steeds aanwezig. Essen, 11 juli 2013Helemaal gepakt en klaar om morgen te vertrekken.Het voelt goed aan.Daarstraks mijn huisje gepoetst en de afwas van enkele dagen weggewerkt want ik ben amper thuis geweest na maandag. Ik ontvluchtte het huis en het bos, zo verweven met Milou. Haar achterlaten in het crematorium van Roosendaal was het hardste dat ik ooit had moeten doen, het verscheurde me en ik reed verblind van tranen naar huis terug, gelukkig geleid door Lucy (de GPS) want anders was ik waarschijnlijk blijven rondjes rijden. De pijn de eerste dagen was golvend en ondragelijk scherp. Als ik in gezelschap was dan ging het wel, het medeleven van mijn omgeving was een echte zalf op de wonde. Maar alleen kwam de eenzaamheid en het gemis steeds weer terug als een mokerslag en huilde ik tot ik geen tranen meer had.Soms zat ik in haar hondenhok op mijn knieën te snikken en s ’avonds maakte ik als een idioot mijn rondje in het bos, net zoals ik altijd al gedaan had met Milou.Ik stelde me dan voor dat ik haar vanuit het donker zou zien aansloffen, maar de duisternis bleef akelig onbewogen. Ik was alleen. Pas toen ik haar woensdag terug ging halen en ik haar urne hier op de kast zette kwam er een kentering in mijn verdriet: ze was terug thuis. Nu kon ik afsluiten en rouwen.En dat rouwen werd me gemakkelijk gemaakt door alle open deuren van warmte en hulpvaardigheid die ik overvloedig tegenkwam. Ik besef nu dat ik me al een hele tijd had afgesloten voor de wereld en was verbaasd dat diezelfde wereld me omhelsde in zijn warmte.Wat ik in elke dagen meemaakte, de hulp die ik kreeg en de troost die me werd aangeboden was zo overvloedig dat het me deed duizelen. Maar ik nam het dankbaar aan en besefte dat dit het geschenk was van Milou aan mij: fysiek was ik haar verloren en ik miste haar, haar ziel gaf ik de vrijheid maar haar zachtheid heeft ze me geschonken en draag ik verder in mijn hart mee. De gedachte aan haar doet me glimlachen, en overal kom ik haar tegen in huis…. Haartjes van Milou, spullen van Milou, foto’s van Milou, haar schilderijtje… In mijn auto ligt de plaid met haar beeltenis in verwerkt zodat het net is of ze straks met me meereist en over de auto waakt. Het voelt allemaal zo natuurlijk aan, we hebben het goed gedaan, zij en ik. We hebben een mooi leven beleefd. Ze bracht het beste in me naar boven en die sporen zijn nu méér voelbaar dan ooit. Ik ben altijd heel bang geweest voor dit moment maar nu begrijp ik dat afscheid nemen even tastbaar is als het leven zelf . We waren er klaar voor, en we gaan nu verder. Het gemis zal blijven, want het doet pijn dat Milou er ‘nooit meer zal zijn’ zoals de kleine Simon het zo prachtig verwoordde. Maar wat Milou heeft gegeven dragen we mee, niet alleen ikzelf, maar al diegene die zij met haar puurheid heeft beroerd. Morgen vertrek ik, om straks terug thuis te komen, en dat is goed.Slaapwel.In Lux bij Voske en Brego In feite is mijn vlucht geen vlucht, eerder een bedevaart. Een omzwerving die ik maak om alles een plaats te geven en Milou is in gedachten steeds bij mij. De rit naar Luxemburg hadden we altijd samen gemaakt, en het voelt een beetje onwennig aan dat ik haar bij mijn plas-stop niet maar kan uitlaten en me zo maar ergens kan parkeren, zonder te moeten uitkijken naar een veilige, schaduwrijk, groen plas-plaatsje voor haar.Als ik terug wandel zie ik een oudere heer met een haast nog oudere hond een wandeling maken. Ik glimlach als ik de grijze snoet aanschouw en denk: “Geniet!”. Het lopen gaat een beetje moeizaam, de MS-beesten zijn wakker en rukken op, klaar om gewelddadig te profiteren van mijn verzwakt immuunsysteem. Mijn linkse zijde voelt erg sponzig aan en onder mijn voet is een plek die totaal gevoelloos is, net of er een prop wat onder de bal van mijn voet is geplaatst, heel gek. Het zijn gevaarlijke tijden voor een opstoot maar ik negeer de symptomen en ga stug door. De MS heeft me nog nooit geketend. Mijn hondje liep tot de laatste dagen met stramme pootjes haar wandelingske uit en het vrouwke zal daarin niet minder doen. Rond een uur of drie draai ik dan de laatste bocht om en zie ik de vertrouwde figuur van Voske staan, die haar Tayberry-struiken aan het leiden is in de voortuin. Haar totale concentratie maakt plaats voor een warme welkom blik als ze me herkent en haar stevige knuffel voelt aan als een lading warme energie die door me stroomt, het is goed dat ik hier ben. Zo warm, zo welkom, zo helend.Brego, de Engelse Pointer en dikke vriend van Milou, staat te trappelen en te janken, hij snapt het niet dat Milou er niet bij is en begrijpt niet dat ze niet fluks uit de auto springt. Hij kijkt me een beetje verwijtend aan en blijft ook de volgende dag nog verwachtingsvol naar mijn groen karretje kijken, net of het één of ander toverdoos is waar Milou in zit opgesloten.‘Neen, lieve Brego, Milou is er niet meer, Milou is er nooit meer, maar haar gedachte is hier bij ons, en haar guitige ogen kijken me aan vanop haar plaid in de auto ‘. Ik voel me meer en meer ontspannen.Voske en ik drinken een koel sapje in haar tuin en praten bij… het is weer al veel te lang geleden, de tijd gaat zo snel. Ook bij haar besef ik hoe ik me de laatste maanden totaal heb afgesloten van de wereld, helemaal gefocust op mijn laatste dagen samen met Milou.S ‘avonds gaan we uit en eten en voor het eerst geniet ik terug van een heus lekkere maaltijd, het hele bord (vis met saffraan) glijdt naar binnen en met een gevulde buik begin ik schaamteloos te gapen. Moe, zo moe, zo veilig en omhelsd.Ik duik het bedje in van ‘mijn’ logeerkamer en met een laatste blik op het plekje waar Milou der mandje bij vroegere logeerpartijen stond slaap ik vast en diep tot de ochtend. Nabij Dijon – 15 juli – Vive la France ?“Uw kamer bevindt zich op de tweede verdieping, nummer 8, de sleutel zit op de deur”, zei de man zuur terwijl hij op het papiertje keek dat op het rolluik van de gesloten receptie hing. Ik had het natuurlijk geweten dat het restaurant van deze Logis gesloten was op maandag maar blijkbaar was er dan ook in het hotel geen service aanwezig en dat kwam op zijn minst kil over.Ik keek naar de steile houten trap en voelde mijn been al mopperen. “Is er een lift om met de bagage naar boven te gaan?” , vroeg ik voorzichtig.“Geen lift, enkel trappen” antwoordde de bleke ‘patron’ terwijl hij zijn wenkbrauw even misprijzend optrok. Het was heus dapper van me om toch nog verder te gaan: “Nog een laatste vraag, ik zie geen parking en sta hier een eindje vandaan met de auto op het kerkplein”.“Goede keuze”, antwoordde hij kort terwijl hij gehaast op zijn klok keek , “ dan staat u voor niemand in de weg”.Niet van plan me te laten intimideren waagde ik hem nog te vragen of ik ergens in het dorp nog een kleinigheidje kon eten.“Non, alleen in de stad, in Dijon” Mijn beurt om afkeurend m’n wenkbrauw op te trekken, want ik boekte geen hotel een eindje buiten de stad om daarna terug nààr de stad te moeten rijden. Het onthaal was erg mager, terwijl de rekening morgenvroeg vast wel ‘Bourgondisch’ zou zijn. Wat later sleurde ik mijn frigobox en wat toiletgerief de trappen op naar de tweede verdieping. Gelukkig was Milou hier niet bij, bedacht ik, ze zou niet eens naar boven kunnen. Met een zucht installeerde ik me in de muffe kamer en wierp de ramen open. Het uitzicht was fenomenaal, dat moet gezegd worden. Het hotel bevond zich op een heuvel boven de stad en buiten het prachtige vergezicht keek je ook nog uit op het terras beneden dat grensde aan een knus aangelegde tuin. Op andere dagen (buiten deze sluitingsdag) zou dit plekje waarschijnlijk een stuk meer gezelligheid uitstralen. Ach, ik moest niet zeuren, morgen was ik al bij Jill en haar gezin, het alleen –zijn duurde maar heel even en niet op restaurant gaan scheelde me weer wat in mijn portemonnee. Daarstraks had ik het ook eenvoudig gehouden, ik was het gewend om niet in één of ander wegrestaurant gaan eten, maar met een baguette, kaas en wat fruit, gezeten op de bumper van mijn kofferbak, naar de gele korenvelden te kijken langsheen de pittoreske route nationale. Ik betrapte me erop dat ik vele gewoontes van vroeger gewoon aanhield, omdat ze me vertrouwd waren of omdat ze me het gevoel gaven dat Milou dan nog een beetje bij me was? Ik sneed met mijn opinel-mes een stuk kaas af, nam een stoel en zette me in het raamkozijn van mijn hotelkamer.Milou was heel de rit in m’n gedachten geweest. Nu ik opnieuw alleen was en de gezellige afleiding van Voske en Brego moest missen, kwam de eenzaamheid terug als een mokerslag binnen. Mijn ratio vertelde me dat het goed was zo, dat we een mooi leven hadden gehad samen met veel liefde en ongelooflijk veel avontuur, en dat ik de juiste keuze had gemaakt door haar te laten inslapen.Mijn hart keek altijd in mijn achteruitkijkspiegel naar haar afbeelding op de plaid. In mijn geest zat ze dan terug naar buiten te kijken, haar neus tegen het kantelraampje om de lekkere luchtjes buiten op te snuiven. Wat reisde ze toch graag met me mee…Tranen bingelden alweer over mijn wangen terwijl ik tegelijk ook genoot van de duikvluchten van enkele speelse boerenzwaluwen die me in de gaten hadden.De laatste dagen voelde ik me 100% leven, en wist ik het weer helemaal : je wordt als vrije mens geboren, en je leven heeft pas zin als je die vrijheid ook bewaart in je hart. Mijn samenzijn met Milou had me daarin niet verzwakt, integendeel.Ik had er alle vertrouwen in… dit was goed, deze reis zou bepalend zijn voor mijn verdere leven. Het was een kruispunt, een leerschool in loslaten zodat ik terug thuis kon komen, zonder gevangene te zijn van m’n eigen verdriet. Gorges du Tarn – 17 juli 2013 Gisteren aangekomen in de camping bij Jill, Donald en Simon.Jill en de kleine Simon stonden aan de ingang en gaven me zo’n hartelijke welkomknuffel dat ik het natuurlijk weer niet droog hield. De tissues lagen trouwens al langer naast me, want haast om het kwartier was er wel één of ander mooi liedje dat m’n tranenvloed triggerde. Het was de eerste keer dat ik met deze auto een langere reis maakte en één van de vele luxe-gadgets er aan was een Cd-speler met niet-speciaal-gekozen, maar toch pakkende muziek.Mijn tranen waren uiting van een rustig verdriet, want in de muziek ondervond ik ook dat het afscheid met Milou een héél natuurlijk afscheid was, eentje dat je alleen maar verrijkt achterlaat zodat je gesterkt verder kan. Het deed pijn, maar was niet te vergelijken met het gevoel van achtergelaten en gedumpt te worden door een verkeerde partnerkeuze. Ik was gewoon érg dankbaar dat ik Milou gevonden had, al die jaren geleden in het asiel van Schoten en fier dat ik haar gekozen had en voor een zeldzame keer mijn intuïtief aanvoelen had laten primeren boven mijn ratio. Zou ik meer moeten doen… Gorges du Tarn – 21 juli 2013Het daadwerkelijk schrijven is enkele dagen in het vergeethoekje geraakt, opgeslorpt door de warme omhelzing van Jill en haar gezin die me adopteren alsof ik gewoon deel van hun mooie geheel ben. Heerlijk.Het campingleven bevalt me gek genoeg enorm goed en dat had ik absoluut niet verwacht.In het bos leef ik een beetje als een kluizenaar en mijd ik sociale contacten en ik moet eerlijk zeggen dat ik de vele ‘menselijke geluiden’ daar als storend ervaar. Hier op de camping, gelegen aan de prachtige Tarn met zicht op de Gorges, zitten er heel wat meer mensen op mekaar gepakt als in mijn woonbos, maar is de rust wonderlijk steeds aanwezig. Er heerst enorm veel respect voor mekaar en ondanks de verschillende taal-en cultuurverschillen worden onuitgesproken regels feilloos opgevolgd. Ik slaap in een piepklein trekkerstentje -geleend van m’n dierenartse- vlak naast de groter gezinstent van Jill en Donald en de kleine Simon. In en uit de tent kruipen was heus een ‘ongemakkelijke bedoening’ met mijn slechter links pootje en mijn gezegende leeftijd. Tot ik ontdekte dat mijn trouwe wandelstok Felix hier weer eens een onfeilbaar hulpmiddel in kon zijn. Oefening baart kunst en na enkele dagen strompel ik toch ietwat eleganter uit mijn knusse Zen-holletje. De organisatie van heel dat camping-beleven is blijkbaar zoiets als fietsen: je geraakt even de pedalen kwijt maar je bent héél snel in het oude ritme terug, zelfs al is het een kwart eeuw geleden. Kamperen is trouwens een stuk comfortabeler geworden dan vroeger, en ik voel in m’n botten dat deze herhaling een begin is van ‘nog’. Dicht bij de natuur leven is toch wel echt mijn ding.Ook mijn kluizenaars gevoel raak ik hier helemaal kwijt. Het samenleven met dit jonge gezin bevalt me prima, en de kleine Simon laat in zijn ontspannen puurheid -nog niet omgevormd tot de soms hypocriete gedragscode van ons volwassenen- spontaan merken dat ik er ook echt wel bij hoor. Ik vind het heerlijk om niet eens mijn best te moeten doen, maar gewoon aanvaard te worden in mijn pure zelf-zijn. Dit smaakt naar meer.Morgen scheiden onze wegen zich weer. Donald, Jill en Simon vertrekken naar huis terwijl ik mijn terugtocht nog even uitstel met een kleine omweg naar de streek waar ik ooit mijn hart aan verloor: de Provence.In Arles heb ik een hotel geboekt waar ik ooit al eens verbleef met mijn moeder. Het ligt pal in het centrum en laat me dus toe om een paar plekjes te gaan bezoeken die ik toch wel even terug wil opsnuiven nu ik zo dicht in de buurt ben.Wordt vervolgd…. Arles, in het hart van de Provence 22 juli Vanmorgen afscheid genomen van Jill, Donald en Simon. Het samen opruimen van ons tentenkamp was een mooie afsluiter van een harmonieuze week en toen ik Simon in z’n autostoeltje nog eens een dikke pakkerd gaf fluisterde ik hem toe dat ik het héél leuk had gevonden. “Ik ook”, glunderde hij, en meer moet dat niet zijn. We reden samen de heling op naar de uitgang van de camping en toen scheidden onze wegen zich: zij reden noordwaarts naar huis en ik dook nog een beetje meer naar het zuiden, naar het hart van la douce Provence vlakbij de Camargue … Arles.Ik had daar pal in het centrum een hotel geboekt waar ik twintig jaar geleden ook was geweest met Mama, en het was in feite nog moeilijker geworden om m’n weg te vinden doorheen die wirwar van kleine straatjes in het prachtige oude stadcentrum. Dit keer had ik wel een hotelkamer geboekt mét parking, maar ik moest eerst wel arriveren natuurlijk. Na wat sukkelen, héél traag rijden en charmante hulp van de lokale bevolking kwam ik toch op m’n bestemming waar ik weer werd verwelkomd door een norse hotelmanager (zijn er nog andere?). Mijn gereserveerde parking was pas later vrij, dus ik moest me maar even dubbel parkeren, zodat het millimeterwerk was om langs mijn auto te passeren, iets wat in la France gewoon wordt aanvaard. De chauffeurs reden feilloos doorheen het nauwe gangetje tussen mijn auto en de bepleisterde straatmuren, maar écht gerust was ik er niet in.Mijn gepruttel werd gesnoerd met een strenge blik van de hotelmanager en ik volgde als een gedwee schaap naar de single kamer die een stuk minder mooi was dan de kamer die ik al die jaren geleden betrokken had met mijn moeder. Niks authentieke oude muren zoals op de website, maar een gewoon piepklein, maar wel kraaknette en gezellig kamertje met een mini-badkamer met douche. Voorzichtig maakte ik hem opmerkzaam dat ik eigenlijk een kamer met bad had gereserveerd ( heerlijk na zo’ n week op de camping) en dat ik jaren geleden een mooiere, stijlvollere kamer had gekregen.“ Mais madame, vous avez réserver une chambre single “ riep hij met gespreide handen uit, zijn ogen ten hemel gericht. Ik vroeg me af wat dàt er mee te maken had.Hij legde uit dat hun hotel als één van de weinige een single kamer verhuurde aan een (iets) lagere prijs, en dat ik dan ook niet mocht verwachten dat je dan ook nog een luxe uitvoering krijgt. Mijn stamelend protest smoorde hij in de kiem door terug naar zijn veilige balie te vluchten terwijl hij hoofdschuddend mompelde dat ik me maar snel een partner moest zoeken. Franse oplossing? Waarschijnlijk.Een beetje later ging ik voor de twintigste keer de sleutel van m’n auto (nog steeds dubbel geparkeerd en wachtend tot de patron de tijd/plaats had om hem in hun garage te zetten) vragen om mijn laptop uit de auto te halen. Met lichtelijk beschaamde kaken vroeg ik hem hulp om uit het ingewikkeld Wi-Fi-kluwen te geraken en pas toen hij de foto van Milou op m’n scherm zag verschijnen klaarde zijn gezicht helemaal op.“C’est votre chien? “ vroeg hij me helemaal vertederd.Woeps, daar was die brok in m’n keel weer… en joep de tranen stegen wederom.Ik speelde het toch klaar en vertelde hem dat ik Milou vandaag net twee weken geleden verloren had. “Ik heb mijn koffer gepakt en ben vertrokken, en voilà, hier ben ik nu. “Weg was de norse hotelhouder, zijn gelaat was nu één en al medeleven: “Je sais, je sais, c’est dur “. Dadelijk een hapje eten en dan een ontmoeting met een oude Franse copain die ik al 25 jaar ken en weeral 6 jaar niet gezien heb. Hij vertelde me net aan de telefoon dat hij enorm verouderd en verdikt is, met witblonde haren, vol tatoeages staat en heden opteert voor een Gottick-look.Hopelijk is hij (zoals altijd) weer grapjes aan het maken.Wordt zeker vervolgd! Weerzien in Les-Saintes-Maries-de-la-Mer op 23 juli Vandaag heel de dag genoten op het strand van Les Saintes in het gezelschap van mijn oude ‘copain’ Christian. We leerden mekaar 25 jaar geleden kennen in dit zigeunerstadje en alhoewel onze verliefdheid toen héél passioneel was, hadden we toch nooit kunnen denken dat we mekaar als krasse vijftigers nog steeds zouden opzoeken.Het is gek, sommige mensen ontmoet je na één keer nooit meer maar op één of andere manier schijnen onze paden zich steeds weer te kruisen zodat we nu al een kwart eeuw aan geschiedenis kunnen verhalen. Bizar!De vertrouwdheid is steeds gebleven, hoewel er steeds wat jaartjes tussen elke ontmoeting liggen en we dus telkens heel nieuwsgierig zijn of de andere al dan niet meer of minder is aangetast door de tand des tijd. De verliefdheid van toen heeft plaats gemaakt voor een vreemde soort van vriendschap die niet echt intiem maar zeker wel honderd procent gemeend is.Ik beschouw deze vriend als m’n vlinder-man, ‘mon homme papillon’. Hij fladdert rond in mijn leven en strijkt soms even neer , maar nooit lang. Vroeger bracht me dat dikwijls van mijn stuk maar met de leeftijd komt er ook een zekere rust . We genieten nu gewoon van het samenzijn en weten heel goed dat een langdurige vriendschap meer waard is dan kortstondig haantjesgedrag. Christian respecteert de grenzen die ik stel en geniet gewoon van mijn aanwezigheid. Op één of andere manier lijken we zelfs een beetje op mekaar en herken ik zijn drang naar vrijheid maar al te goed zodat ik enkel glimlach als hij zich in de late namiddag opeens herinnert dat hij een afspraak heeft gemaakt met zijn garagist rond zeven uur .Ik waardeer het enorm dat hij het toch heeft klaargespeeld om op vrij korte termijn een vrije dag te bekomen en voel ook wel aan dat de dag op het strand en de waterval van verhalen en anekdotes echt wel vermoeiend was. Ook ik zal blij zijn dat ik straks even terug op adem kan komen en wat van de stilte en mijn laatste avond in Arles kan genieten.En zo gebeurt het dat we in de vroege avond reeds terugkeren, met roodverbrande snoeten en een vernieuwd gevoel van verbondenheid.Nog helemaal rozig (lees knalrood van véél te veel zon, zee, strand) kom ik terug in het hotel aan waar ik bijzonder onvriendelijk wordt onthaald door een receptioniste die de hotelhouders vervangt. Ik krijg hier stilaan genoeg van…Pas na een ellenlange identificatie wordt ik met ijskoude ogen verder geholpen. Bah.Reizen via gereserveerde hotels lijkt me meer en meer een foute formule. Eens in het bezit van je creditcard nummer -die je dient te geven bij je internet-reservatie- is het niet meer nodig van veel service te geven, de betaling is dan in principe al verzekerd en je aanwezigheid is niet eens meer strikt noodzakelijk, en dat voel je ! Mijn auto parkeren in de dure privé-parking van 10 euro/dag is echt een noodzaak in het overvolle oude stadsgedeelte, maar het zorgt steeds voor problemen en vergt heel wat geduld. Dit keer is de normale parking blijkbaar volzet en de vrouw met het afgeleefde muizengezicht beveelt me haar te volgen naar een alternatieve parking.Deze bevindt zich in een ondergrondse garage waar ik me helemaal klem rij in een bocht die ik van te voren niet genoeg had kunnen inschatten aangezien dat Mevrouw Muis me met een wapperend handje signaleert dat ik moet opschieten. Ik raak er niet meer uit en zit op nog geen centimeter van de muur met mijn autosnuit terwijl ik de handrem moet aantrekken omdat de helling enorm steil is.Mijn linkerbeen voelt al dàgen sponzig aan dus het is heus geen koud kunstje om het ballet met de benen en de handrem goed te coördineren en terug achteruit te rijden zonder brokken te maken.Ondertussen blijft de vrouw maar zeuren dat het normaal nooit een probleem is (en het dus aan mijn rijkunsten ligt), tot ik haar razend toeroep dat een Peugeot Partner géén kleine auto is en ik niet geopteerd heb voor een autorijles toen ik de dure parking reserveerde.Enfin, ik geraak uit mijn penibele situatie maar sta nadien nog te trillen op mijn benen. Ik ben heus en heus woedend.De vrouw tracht me nog wat onzeker te maken maar wordt de mond gesnoerd door mijn snedig antwoord en vlijmscherpe blik.De zachte Carine is heel even totaal verdwenen en ik verlang hevig terug naar huis.Het is tijd om terug te keren….   Fools give you reasons, wise men never try – Luxemburg 25 juliIk zit hier te tokkelen op mijn laptop vanuit het vertrouwde bedje in het knusse Vossenhol van mijn vriendin Hilda.Gisteren vrij impulsief gekozen om de rit Arles-Luxemburg in één ruk te uit te rijden en 800 kilometer afgelegd over de péage,. Een pittige rit is als je solo-chauffeur bent op de drukke weg. Het was net of er iemand peper op mijn poep had gestrooid: ik moest weg en zo snel mogelijk richting thuis. Ik verlangde naar veiligheid en het huis van Hilda in Lux is ondertussen mijn tweede thuis geworden, een heerlijke haven. Ik had echt genoeg van héél het hotelgebeuren en verkoos de lange rit boven nog eens zo’n avontuur zoals in het hotel van Arles.Gisterenmorgen, bij het uitchecken in het hotel, had ik gezien dat mijn auto toch beschadigd was aan de bumper en de diepe krassen in mijn trouw groen karretje, samen met héél het theater van de hoteleigenaar die natuurlijk alle verantwoordelijkheid van zich afschoof: “Mais c’est comme même pas grave, et c’est vous qui avez conduit !” deden mijn woede over zoveel onrechtvaardigheid verstommen. En als ik stil word ben ik pas écht kwaad.Enfin, ik zal ze het nog flink lastig maken, de brief naar Logis France is reeds geschreven en wacht enkel op een verbetering van mijn slimme vossen-vriendin. We zullen onze tanden er eens in zetten. Soms ben ik het echt wel zat van altijd flink te moeten zijn, sterk te moeten wezen, maar… kan ik anders? Onderweg zag ik dat ook mijn achterruit-wisser gestolen was en begon ik pas te beseffen dat reizen ook heus wel vele gevaren in zich houdt, en ik in feite ook dankbaar mag zijn dat ik er met wat schrammen aan de bumper en een kort staartje op mijn achteruit vanaf kom, ik heb andere drama’s gezien onderweg….Het blijft echt wel een reis vol risico’s met uiteindelijk toch duur materiaal in je handen (om van je eigen welzijn nog te zwijgen!). Mijn auto had het prachtig gedaan. Het is een echte kampeerwagen met alle comfort en snufjes die je nodig hebt. In feite is een Peugeot Partner Tepée heus een mini versie van een camperke, je hebt alle ruimte om je perfect te organiseren. Het was de eerste keer dat ik met deze tweejarige –in mijn ogen gloednieuwe auto- een lange reis maakte en ik voelde dat ik m’n wagen nu pas echt door en door kende. Blijkbaar is het nodig om zulke avonturen mee te maken om helemaal vertrouwd te worden met alle snufjes en afmetingen van je voertuig. De korte ritjes in Essen in die twee jaar hadden me lang niet zo veel bijgebracht als deze tocht. Tijdens de rit was het alsof Milou me terug riep naar ons bos : “Kom naar huis vrouwke, het is goed geweest, Guust de kraai, de familie eekhoorns en de jonge belhamel-merels verwachten je. Het bos verwacht je en zal je omhelzen met zijn goudgroene gloed…”Ik besef nu ook dat mijn dromen van verre reizen nog wat in de kast moeten blijven staan, ik ben er nog niet klaar voor. De drang om weg te vluchten heeft plaats gemaakt voor een hevig verlangen naar huis.Want zoals het klokje thuis tikt , tikt het nergens. Home sweet home – 26 juli 2013Het thuiskomen gisteren was minder akelig dan ik verwacht had. De zon liet haar laatste stralen schijnen en toverde weer die gouden gloed in het bos waar ik zo van hou. Het was natuurlijk wel akelig binnen te komen en de lege plek te zien waar haar hondenmand normaal staat, maar tegelijk voelde ik ook dat het verwerkingsproces niet plaatsgebonden is. Milou zit in mijn hart, en dat heeft niets met een locatie te makenHet bos stond kurkdroog, blijkbaar had het in La Douce France meer geregend dan hier, want alles hing slap en dor en de bladeren van mijn Krentenboompje hadden zelfs al hun herfstkleur! Gelukkig dat de (goede) buurman mijn plantenbakken goed had verzorgd want anders had daar niet al te veel van overgebleven. Ik liep mijn rondje in het bos, genietend van alle vertrouwde plekjes en keek nieuwsgierig in mijn kingsize brievenbus. Daar zat niet al te veel post in, maar één brief deed mijn hart toch even stilstaan: ‘ République Française’ stond er in de bovenhoek en ik wist meteen wat dat betekende : een verkeersboete. Ik had het nog gedacht toen ik op de heenweg voor de Route Nationale koos… de snelheden wisselden zich af van 130 over 110 naar 90 en 50km/h dus je moest echt wel geconcentreerd rijden. Ik vroeg me af of mijn krenterigheid (door niet voor de tolwegen de kiezen) me veel zou kosten en opende gespannen de brief terwijl ik naar mijn leesbril zocht. Blijkbaar had ik 58km/h gereden in de bebouwde kom, dus 8km/h over de limiet en was het een ‘Exces de vitesse inferieur’ met een minimale minnelijke schiking. Misschien viel het nog wel mee.Ik las ongeduldig verder en kwam aan het prijskaartje : 90 EURO !“Liberté-égalité-fraternité?” mompelde ik binnensmonds (ik praat blijkbaar heus veel tegen mezelf en nu Milou niet meer meeluistert voel ik me echt wel een halve gare..) “Pure geldklopperij ja! Lekker hoor al die domme toeristen beboeten.”Jill en Donald hadden zo hun best gedaan om mijn impulsieve vakantie low budget te houden maar deze laatste dagen hadden me heus wel veel geld gekost, potvolkoffie-nog-aan-toe. Ach, zo snel mogelijk betalen en dan gewoon vergeten. En een volgende keer gewoon kiezen voor de péage, daar moet je niet zo constant op je kilometerteller kijken en kan je gewoon je cruise-control gebruiken zonder veel na te denken. Weer een lesje bijgeleerd. En zo kom ik aan het einde van dit reisverhaal.Een reis die me ontzettend veel geleerd heeft, en me –naar mijn gevoel- een andere kijk heeft bezorgd op mijn leven en wat ik daar van verwacht. Vooral de steun van mijn zelf gekozen vrienden (jullie dus…) heeft me doen beseffen dat ik veel minder kluizenaar ben dan ik dacht.De sociale contacten, het medeleven, de warmte en de aandacht die ik de laatste weken gekregen heb deden ongelooflijk veel deugd en dat zal ik nooit vergeten.Het bos blijft mijn haven, maar ik voel aan dat ik meer naar buiten zal treden, en me meer ga engageren in de menselijke contacten die ik toch een hele tijd heb verwaarloosd. Milou is in feite constant bij me, net of ze een deeltje van ‘wie-zij-was’ heeft achterlaten bij mij, een soort van versmelting. Enfin, ik wil hierin niet te ver gaan, maar ik voel het wel zo aan en het maakt de leegte dragelijker. Ze gaf een stukje van haar zachtheid als laatste geschenk en toont me de weg terug naar de menselijke warmte waar ik nu zo’n behoefte aan heb. Ik red het wel.Hou je mailbox/brievenbus of telefoon maar in de gaten, je hoort nog van me.Héél erg bedankt voor het lezen, jullie reisden allemaal met me mee. Warme knuffel,Carine van Milou                 .  

Bosfee
21 1

Dat stomme verlangen!

In de zomervakantie kon ik niet meer om het gezeur heen. Ze hadden gelijk ook. Er moest een einde aan komen. Dus beloofde ik mijn oudste na de vakantie te stoppen. Tegen het einde van de vakantie hoorde ik mijn oudste vragen: “Papa, wanneer stopt mama dan precies? Als we terug komen uit Frankrijk, of als mama weer moet werken, of als ik weer naar school moet”. Deze vraag bleef onbeantwoord.   Mijn stille voornemen om te stoppen als we terug kwamen uit Frankrijk verliep, net als het moment dat ik weer moest werken. Dus op 1 september moest ik er aan geloven. Geen moment van de dag dat ik er niet aan dacht. Dat viel even vies tegen! Maar ik had het beloofd, dus ik moest wel doorzetten. Op de eerste werkdag na het stoppen in de pauze vraagt een collega: “ga je mee naar buiten?”. Dat was mijn zwakste moment. “Nou ‘éigenlijk’ ben ik gestopt…” Toen had ik bijna mijn belofte verbroken. Dag in dag uit dat stomme verlangen. Verlangen naar een gewoonte, waar je van gaat stinken. Een verlangen dat zorgt voor ademnood en tegenwoordig veel commentaar uit je omgeving. Verlangen naar iets waar je ziek van kan worden, dood aan kan gaan. Wat zit een mens toch raar in elkaar.   Langzaam aan wordt het steeds gemakkelijker de verleiding te weerstaan. Begin ik de voordelen te zien en miniscuul te merken. Het scheelt in ieder geval in mijn portemonnee!   Maar zo trots als ik toch wel op mezelf ben: mijn oudste heeft er tot op heden nog niets van gemerkt dat ik gestopt ben!

Liselotte Schippers
2 0

Brief aan God

  God,   Lange tijd heb ik je niet gesproken, dus werd het tijd om een brief te schrijven. Vergeef me mijn tutoyeren, maar dat gaat voor mij als vanzelf als ik het over zulke persoonlijke dingen heb. Er is zoveel wat ik niet begrijp. Lange tijd heb ik geprobeerd het naast me neer te leggen en gedaan alsof het me niets kon schelen, maar regelmatig spelen steeds dezelfde vragen weer op. Misschien kun je me er bij helpen om antwoorden te vinden op deze vragen. De hele wereld worstelt zo met van alles en nog wat, dat wat verheldering wel fijn zou zijn. Uiteraard vraag ik dit uit naam van mijn persoon. Voor de rest van de wereld kan ik niet spreken. Bijvoorbeeld de verschillende goden en godsdiensten zijn me wel erg verwarrend. Het is daarmee een beetje onduidelijk geworden hoe we de boel hier op aarde nu moeten regelen. De gevolgen hiervan zijn groot. Het maakt me niet uit hoe ik je moeten noemen, Kees of Karel vind ik ook goed, maar wat is nu precies de bedoeling. Hoe moet ik leven als ik het goed wil doen en wat vertel ik anderen? Een andere moeilijkheid hier beneden (als je tenminste boven bent) is het verdriet, de ellende en pijn. Oorlogen, ruzies en natuurrampen. Het is zoveel. Zo overweldigend veel dat het niet te bevatten is. Maar ik vermoed dat dat verder welbekend is en ik hier niet over hoef uit te wijden. Maar het waarom is me zo onduidelijk. Je zou toch denken dat dat anders moet kunnen. Het is niet zo dat ik je daarvan de schuld geef, maar ik voel me zo niet geholpen. Mensen doen het elkaar aan, maar ik mis de leider. Alleen geloven dat er een leider is, lijkt niet genoeg, want ondertussen wordt het zo’n zooitje. Heeft het dan nog wel zin om contact te houden? En als ik nu dood ga wat dan, houdt het dan op? Of wordt het dan pas echt interessant. Nu lijkt me het doodgaan toch niet het meest plezierige wat mij en hen die mij liefhebben kan overkomen. Waarom mag ik dat dan nu nog niet weten? Het zou het zoveel makkelijker maken. Zou je me alsjeblieft terug willen schrijven om me even met dit alles op weg te helpen?

Liselotte Schippers
45 0

Brief aan Koning Willem Alexander

Geachte Majesteit Koning Willem-Alexander, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,   Als burger zou ik graag willen begrijpen hoe het is om een functie zoals de uwe te bekleden. Hoe het is om z’n enorm lange aanhef te hebben. Natuurlijk is er zoveel geschreven, met foto’s vastgelegd en op televisie te zien. Alleen kruipt het niet persoonlijk in de huid van een koning. U bent geboren als prins, zonder dat u hier voor gekozen hebt. Het eten met een gouden paplepel lijkt me niet eenvoudig. Het is geen sprookje, tenminste niet in mijn ogen. Uw leven ligt op straat. U wordt bekritiseerd en er wordt voor u gedacht door de gehele bevolking en ook ver over deze grenzen. Daarmee bent u bijna gelijk gesteld met elke beroemdheid. Maar er zullen er maar weinig zijn die u ook écht kennen. Waar wordt u werkelijk warm van, waarin zit uw verdriet. Had u koning willen zijn als u de keus had gehad? Had u dezelfde keus gemaakt als u een andere referentiekader had gehad? Is het uberhaupt mogelijk om vanuit dit kader werkelijk te kunnen begrijpen hoe het zou zijn om geen koning te zijn. Gewoon Marco of Jeroen Smit te heten of zo en zaterdag naar de voetbal gaan en daarna dronken worden aan de bar. Of zaterdag met de kinderen naar de kinderboerderij, zonder achtervolgd te worden. Uw positie is te gebruiken om grootse dingen te bereiken. Goed te doen en daadwerkeijk dingen te veranderen die er toe doen. Maar is het ooit genoeg? Of als het niet lukt? Misschien is het wel een loodzware last die op u rust die u liever aan een ander zou overdragen. Bij mij thuis valt het helemaal niet op in de wereld als ik eens een keer nee zeg aan de deur tegen een collectant. Uiteraard zijn dit vragen die niet te beantwoorden zijn. En het beantwoorden van deze vragen zou in strijd zijn met mijn wens voor u voor het hebben van uw eigen leven, met eigen keuzes. Maar graag zou ik met u aan de keukentafel met een kopje thee een boom opzetten over mijn leven en over uw leven. Gewoon om de persoon die ‘onze’ koning is, écht te leren kennen. Bij deze bent u uitgenodigd.

Liselotte Schippers
0 0

Brief aan Anne Frank

Beste Anne,   Wat moet ik vaak aan je denken. Als kind al hield het me bezig. Waarom jij? Totale willekeur is het enige antwoord wat ik hierop kan vinden. Denkend aan alles wat je hebt meegemaakt en wat een horror dat voor je geweest moet zijn. Je was niet eens een bijzonder meisje. Niet beroemd, berucht of opvallend. Niet speciaal mooi. Maar een meisje net als ik vroeger was. Jij hield ook van schrijven, net als ik. Met een eenvoudige oprechtheid zoals past bij een tiener. Je woonde in Amsterdam. Ging naar school en had vriendinnen. Je had dromen en passies. Volgens mij zal niemand ooit goed kunnen begrijpen waar mensen zoveel haat vandaan kunnen halen om zo’n onschuldige meid zoals jij en met jou vele onschuldige anderen, zoiets aan te kunnen doen. Jij verdiende een normaal leven met je eigen schone pijnen ervan: het hebben van een gebroken hart, verdriet en ander verlies wat er bij hoort. Jij verdiende opgroeien en volwassen worden. Genieten en feesten, de liefde ervaren en misschien een gezin stichten. Waardevol leven. Niemand zal ooit kunnen begrijpen, kunnen voelen hoe het voor je was toen jouw leven verscheurd werd. Mijn God wat moet er door je heen gegaan zijn op al die verschrikkelijke momenten. De vreselijke angst, de eenzaamheid, de ellende, de vernedering. Alleen er aan denken doet me al ellendig voelen. Je waande je lange tijd veilig in het Achterhuis, maar na de hel van het kamp, moest het bruut eindigen in een vernietigingskamp. Een soort plaatsvervangende schaamte, namens de latere generaties, bekruipt me over het feit dat de geschiedenis zich soms toch lijkt te herhalen. Net op een andere manier, op kleine of grote schaal, in een andere landen, maar toch hetzelfde. Kan er zo weinig aan doen. Mijn woorden hebben niet genoeg kracht. Het lijkt er zo vaak op dat de mens niet leerbaar is. Maar toch blijf ik hopen. Lieve Anne, ik wil je zo graag laten weten wat jij met je schrijven toch nog hebt kunnen betekenen voor de wereld. Hoe ironisch dat je dat niet hebt mee mogen maken. Maar jouw stem is wereldwijd te horen en ik hoop dat het voor altijd na blijft galmen.

Liselotte Schippers
456 0

Liever simpel

Discriminatie heb ik nooit iets van begrepen. Dat zeg ik met gezonde zelfbeoordeling en daarmee wetende dat ik niet tot de domste der aarde behoor. Mocht ik de nuttige ingewikkeldheid van het discrimineren niet snappen, dan blijf ik liever simpel.   De meest schokkende ontdekking die ik op jongere leeftijd deed, is geweest toen ik er achter kwam dat niet alleen domme mensen discrimineren. Hoogopgeleide mensen, professoren met een aantoonbaar hoog IQ. Mensen met een ‘belangrijke’ functie in de maatschappij, die er willens en wetens voor kiezen om te discrimineren. Zichzelf beter te vinden dan anderen. Anderen afwijzen of zelfs veroordelen omdat ze anders zijn.   Ik vraag me af hoe vaak deze mensen er bij stil staan dat er oorlogen zijn begonnen door de loop van de geschiedenis heen tot vandaag aan toe, op grond van deze afwijzing en veroordeling. Je zou toch zeggen dat wij mensen leren van onze geschiedenis en niet dommer zijn dan de spreekwoordelijke ezel. In plaats daarvan blijven wij ons maar steeds weer stoten aan dezelfde steen. Wat een leed, voor niets. Niet alleen in oorlogen, maar ook dichter bij huis. Op school of op het werk. In kerken en gemeenten. Op grote en kleinere schaal.   Of het nu gaat over ras, huidskleur, geslacht, geloof of seksuele voorkeur. Of welke vorm van discriminatie die je maar kunt bedenken. Het zijn er veel te veel om op te noemen. Als simpel mens denk ik misschien te eenvoudig als ik vind dat iedereen gelijk is. Dat we allemaal een velletje over de neus hebben en onze poep even vies is.   Soms zou ik willen dat iedereen zo simpel dacht. Al maak ik zelf hier in onwetendheid vast ook mijn fouten in.   Op de lagere school zat bij ons een meisje in de klas met prachtig rood krullend haar. Misschien was ze iets ouder en daarom ook wat verder in de hormonale ontwikkeling. Een meid om jaloers op te zijn, zeg maar. Ze werd gepest. Omdat ze anders was? Toch ging ik op aandringen van mijn moeder met haar spelen. Dit gaf me een blik in haar leven. Een niet zo prettig leven op dat moment. Wat bofte ik met mijn warme nestje.   Ik denk dat ik van huis heb meegekregen niet te discrimineren op basis van het anders zijn. Bedankt daarvoor paps en mams!   Bedankt dat ik mag denken dat iedereen vieze poep heeft!

Liselotte Schippers
2 0