Zoeken

Mevr. Gerrits

Hier staan we dan: jouw leerlingen, netjes op een alfabetische rij. Allemaal in hetzelfde uniform: witte T-shirt, zwarte broek en het haar stevig samengebonden. Je hebt de dingen graag op orde, dat is duidelijk. Binnen de muren van de sportzaal heerst discipline en dat wil je meteen vanaf de eerste les duidelijk maken.  Tijdens het voorlezen van de aanwezigheidslijst worden de voornamen, ooit met veel zorg door onze ouders uitgekozen, aan de kant geschoven. In deze zaal waar prestatie en inzet belangrijk zijn, is er geen plaats voor sentimenteel gedoe.  Na de A's, de B's en de C's is de beurt aan mij. "Dhondt?" "Ja." antwoord ik voorzichtig maar toch met enige trots. Ik heb mijn familienaam altijd al mooi gevonden. Kort, krachtig en alle letters stevig aan elkaar. Geen tussenkomst van opdringerige leestekens. Tekens die er oorspronkelijk wel waren maar door een familieruzie en een rebellerende grootvader werden geschrapt als vorm van protest.  Ondertussen ben je al aan de "H" begonnen. Ik heb dus nog wel even tijd voor de les echt begint. Vanuit mijn rechterooghoek heb ik zicht op de rest van de klas. Meteen valt het me op hoe gelijk ze er allemaal uitzien. Niet omdat ze hetzelfde uniform dragen maar omdat ze allemaal schrik hebben van wat ons te wachten staat.  Op de eerste schooldag hoorden we al de verhalen over jou en je verschrikkelijke lessen L.O. Langzaam nestelden deze geruchten zich in ons hoofd waar ze nu al vier dagen rusteloos rondzweven. Alleen nog maar meer aangedikt door onze eigen verbeelding.  Maar in tegenstelling tot mijn klasgenoten heb ik geen schrik. Ik voel me een gladiator, net voor die de arena binnenstapt. Wat er ook op mij afkomt, ik ben er klaar voor. Zonder enige angst want daar heb ik het inmiddels wel mee gehad.  Eerst was er de angst om de lagere school voorgoed achter mij te laten. Dan was er de angst odmat mijn vrienden naar een andere school gingen en ik het nu alleen moet zien te redden. Angst ook omdat alles op deze school zoveel groter lijkt en ik geen idee heb of ik me hier ooit thuis zal voelen. En nu zou er dus angst voor jou moeten zijn.  Zoals je daar staat: de grijze haren strak naar achter, klembord en stylo stevig vastgeklemd, een lijf van 1m80. 51 jaar maar nog steeds strak en getraind tot op het bot. Geen enkele vorm van vriendelijkheid of medeleven te bespeuren. Behalve dan in die helderblauwe ogen van je. In tegenstelling tot de rest van je lichaam zijn ze zacht en lief. Ik kan me maar moeilijk voorstellen dat iemand met zulke ogen zo verschrikkelijk kan zijn.  Tegen de tijd dat ook de "W" en de "Z" zijn afgehandeld, heb ik na grondige observatie beslist om je sympathiek te vinden. Ik heb immers geleerd om niet veel waarde te hechten aan roddels en geruchten. Vaak zijn deze verhalen al zo veel verteld dat de waarheid inmiddels plaats heeft moeten maken voor de fantasie van de verteller.  Plots kijk je op vanachter je klembord. Jouw ogen kruisen de mijne en alsof je zonet mijn gedachten hebt gelezen geef je me een knipoog. Ik zou, tot mijn eigen verrassing wel eens gelijk kunnen hebben!

Clarisse
0 0

Op het verkeerde spoor

18 november 2013, Weer even helemaal van slag... 20 september 2012, mijn leerlingen zijn naar huis en ik ben nog bezig met het opruimen van de klas. Mijn telefoon heb ik net weer aangezet. Niet dat ik vaak rond deze tijd gebeld word, iedereen weet dat ik nog op school ben. Daarom vind ik het ook verwonderlijk dat de telefoon gaat. De politie, met de vraag waar ik ben, ze staan voor mijn deur. Ik vertel ze dat ik op mijn werk ben en vertel ze desgevraagd waar dat is. Ik vraag waar het over gaat, maar de enige mededeling die de brave man doet, is dat hij naar me toe komt. Nog net voordat hij de verbinding verbreekt, vraag ik hem of het over mijn oudste zoon gaat, ik heb een vervelend voorgevoel. Weer is de mededeling: ik kom naar u toe. Ik loop naar mijn collega en vertel dat de politie onderweg is naar school om mij te spreken. Natuurlijk vraagt zij wat ze komen doen. Zonder erover na te denken vertel ik haar dat hij komt vertellen dat Nick er niet meer is.... Ik schrik er zelf van, maar ben meteen overtuigd van de waarheid van deze woorden. Doe niet zo gek, zegt mijn collega.... 20 minuten later loop ik samen met de agent naar mijn lokaal, hij vertelt me niks, maar laat het aan mij over de woorden uit te spreken. "U dacht dat het over uw zoon gaat, wat denkt u dat er aan de hand is?" Weer zonder erbij na te denken vertel ik hem dat Nick voor de trein is gesprongen, hij kan het alleen maar beamen, want dat is precies wat er Is gebeurd. Ondertussen heeft mijn lieve collega een aantal andere collega's op de hoogte gebracht van het bezoek van de agent en van mijn vermoeden. Zij zijn er voor me, staan voor me klaar. De agent biedt aan me naar huis te brengen (ik reis met de trein) Ik sla dit aanbod af, ik word door mijn lieve collega naar huis gebracht.  een collega-bouwmanager vertelt dat ze vervanging zal regelen. Op dat moment dringt het tot me door MIJN NICKY IS VOOR DE TREIN GESPRONGEN EN HIJ HEEFT HET NIET OVERLEEFD!!!! Ik ga morgen helemaal niet werken, ik ga voorlopig niet meer werken.... Ik weet wie ik als vervangster wil, het wordt voor mij geregeld.... Onderweg naar huis pleeg ik wat telefoontjes. Naar mijn vriendin: "Ans, ga naar mijn huis en zet koffie, ik ben er zo"  Naar mijn ex, de vader van Nick: "Ries, stel nu geen vragen, kom naar mijn huis"  Onderweg kan ik verder maar 1 ding denken.... Nicky is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd... Thuis gekomen kan ik maar 1 ding zeggen.... Ans, Onze Nick is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd.... Ik bel Cor, mijn partner waarmee ik een lat-relatie heb en kan maar 1 ding zeggen: Nick is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd.... Even is het stil "wat kan ik voor je doen?" "Komen" "ik ben onderweg"  Ans, verbijsterd, in schok, neemt een sigaret, ik ook. De bel gaat, ik doe open, duw Ries de sigaret in zijn hand en wijs hem naar de bank. Ik steek nog een sigaret aan, ga naast hem zitten, sla mijn arm om hem heen en kan maar 1 ding zeggen: Ons Nicky is voor de trein gesprongen en hij heeft het niet overleefd.... "Dat meen je niet"  "Ries, als ik dit niet zou menen, zou ik het niet zeggen"  stilte.... Ik bel mijn ouders en breng hen met dezelfde woorden op de hoogte van... het einde van mijn wereld deze niet te bevatten.... schokkende verdovende verschrikkelijke  Waarheid. zij komen eraan. Dan een aantal uren van wachten, kunnen ze hem nog zo in elkaar puzzelen dat we naar hem mogen kijken? Is er een echt afscheid mogelijk? Krijgen we ook voor onszelf de visuele bevestiging dat het onze zoon is die de sprong heeft gewaagd?  Verzekeringspolis telefoontje Dela, morgenvroeg komen ze helpen telefoontje politie, waar is Nicky? telefoontje ziekenhuis, gaat het lukken? telefoontje ziekenhuis, wanneer is hij klaar? telefoontje ziekenhuis, 1 uur 's nachts, u kunt komen. plastisch.... het is gelukt om met de overgebleven stukken een profiel te schetsen van een menselijk lichaam: zijn hoofd, schouders, linkerarm met hand, rechterarm... toonbaar In een absorberend pak wat er voor mij als een ziekenhuishemd uitziet, ligt daar, mijn Nicky Mijn Nicky ziet er sinds jaren rustig uit.... Mijn Nicky is dood En ze hebben zijn haar gewassen.... Zit geen gel in.... Ziet er niet uit! moet ik morgen wat aan doen! Ruim een jaar in de rouw, ik doe het rouwen goed zegt de hulpverlener... Ik ben weer aan het werk Therapeutisch, rustig opbouwen, Ik krijg van mijn werkgever de tijd!  Sinds 3 maanden reis ik weer met de trein, het traject dat Nick ook nam.... gelukkig maar 7 minuten..... ik ben trots op mezelf, omdat ik mijn vrijheid weer terug aan het nemen ben het openbaar vervoer betekent voor mij zelfstandigheid in reizen.... Vanmorgen weer naar school, op de fiets naar het station... Het station wemelt van mensen in reflecterend gele hesjes, spoorwegpolitie, politie, ambulance.... de bushaltes zwart van de mensen treinen staan stil afgezet gebied? Ik ril ik loop naar een groepje gele hesjes ik vraag een aanrijding met een persoon.... ................................................................ " Mevrouw, gaat het wel goed met u?"  "Nee" "We brengen u naar huis" vandaag is het weer even 20 september, 2012

Mieks
12 0

De wereld door de ogen van een missomaan

Vanwege Bert Panda, Ik ben zelf missomaan geweest, Iemand die een biezondere bewondering heeft voor missen , een verslaving voor missen, fotomodellen en missverkiezigen; Missen en fotomodellen zijn beroemde mensen boven de gewone mensen, superieur, enz;  Tevens was (is) deze periode het zeker ook een fantastische beleving niet alleen van meisjes maar ook van decors, choreografieën, en dictie-voordrachten, alles tesamen een zeer sfeervolle beleving. Deze beleving deed me echt de ogen openen, steeds verslavingwekkend , een missverkiezing kan, kon, nooit lang genoeg duren voor een missomaan;  Juist zoals een zéér groot vuur nooit lang genoeg kan branden voor een pyromaan.    De wereld door de ogen van een missomaan, moet inderdaad als boek nog verder geschreven worden; Toch heb ik reeds een echt script neergeschreven en ook afgegeven aan uitgeverijen, die natuurlijk een volledig script willen. Het omvat een boek waarin ik mijn minderwaardigheid voor vooral wiskunde-intelligentie-deficiëntie en andere minderwaardigheden catapulteer in de adoratie voor missen. Mogelijk heeft dit iets te maken met mijn minderwaardigheidscomplex in het falen voor wiskunde integralen terwijl vader hoogleraar wiskunde is;  Maar door sterke persoonlijke problemen, is het boek-schrijven gestaakt; nog. Het boek bevat zeker mijn adoratie voor die meerderwaardige meisjes die zoals ik ze beleef onschendbaar zijn, altijd perfect zijn en niet ziek kunnen worden, over een miss waar ook niets slecht over te vertellen valt door mij,  GODDELIJK. Mijn sexuele gevoelens stijgen naarmate de beroemdheid van een miss, de beroemdheid van een fotomodel of een wereldberoemde vrouw. Dit wordt zeker uitvoerig beschreven. Ook de bewondering voor missmakers vb Ignace Crombé waarvan ik eigenlijk schrik heb van adoratie, bewondering.  Ik heb het echte script hier niet bij me ;  Maar deze tekst kan nog bewerkt of toegevoegd worden met allerlei scriptie-gegevens.  Verdere contactgegevens  Bert Panda-Procter   Postbus 1.006  B 3000 Leuven-Philipssite  België    Tel België  0471/69.99.24  Tel Nederland buitenland exterior countries    0032/471/69.99.24  e-mail   bertpanda@hotmail.com      

bertpanda
356 0

Valentijn

Enkele jaren geleden luidde ik met warme kreten de maand van de liefde in. In mijn dichtbundel komen en gaan, met als centrale thema liefde, gaf ik mezelf bijna letterlijk bloot. Ondertussen zit ik hier met warme gevoelens voor mijn kersverse zoon.  Steeds een stapje voor, altijd berekend en toch misschien opnieuw té snel willen zijn. Vrouw als ik ben, kweekte ik de “ik wil meer” microbe en een zelf-opbouwend verwachtingspatroon. Stoom kwam uit alle gaatjes en ik kon geen kant meer uit. In de economie daalt de vraag, behoeftes worden niet meer ‘bevredigend’ bevredigd. Laat dit vooral een reden zijn om gewoon onszelf en dus ‘anders’ te zijn. Om dingen te laten zijn wat ze zijn. Om te groeien naar daar waar we moeten zijn. Ondertussen zit ik hier met warme gevoelens voor mijn kersverse zoon. Het is Valentijn, de dag die ik niet vier, de dag waarop ik er vandaag aan herinnerd word dat er voortaan officieel twee mannen in mijn leven zijn. Nood breekt wet en bij deze dwingt het mij dit brandend gevoel met u te delen. IK WIL niets ‘MEER’ en toch wil ik - gelijk - ook alles op een rijtje. Hoewel mijn gevoel niet te blussen is, temper ik mijn passie. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar jou, hopend op een glimlach, een schaterlach, een kus, een scheet, een drolletje, een boertje. Mijn mannen hebben veel gemeen maar zijn dat laatste niet. Geen nood dus om te veranderen, om daar iets aan te veranderen, laisser faire, laisser passer. Een ‘femme de ménage’ een ménage à tois. Zo lang we maar gelukkig zijn! Voor mij geen nieuwe Valentijn meer!  

Lezzl
0 0

Leonard Cohen's grootste fan

  Leonard Cohen’s sexy basstem vult ons grauwe klaslokaal. Elke noot , zwaar en donker ,doet me beven. Verzwaart en bevrijd mijn ziel …tilt me van mijn harde bank. ONMOGELIJK! ONGEHOORD! We kregen zonet de onuitvoerbare en haast oneerbiedige opdracht dit meesterwerk te vertalen ! Verbaasd staart die muziekschenner naar het blad op mijn bank. Geërgerd trekt hij één wenkbrauw op en leest hardop : ‘Vrije Vlaamse vertaling van Suzanne’. Tweeëntwintig hoofden draaien zich om en staren naar mijn blozende appeltjeswangen. Suzanne’s zwierige rokken ruisen. Het kant van haar zoom haakt zich zo nu en dan vast aan droge rivierplantjes die dorstig hun wortels uitstrekken naar de rivier. Jonge drukdoenerige mussen voeren een luchtdans uit boven het donkere water. Twee ogen glinsterend als kristallen volgen de levende pijl van snaveltjes die eensgezind een luchtpaadje naar de andere oever beschrijven . Zonder enige aarzeling tilt Suzanne haar ruisende rokken tot ver boven haar knieën. Haar sierlijke , warme voetjes worden verrast door het koele zompige rivierzand. Vastgezogen maar vol vertrouwen laat ze zich leiden door de mussen die inmiddels neergestreken zijn op de andere oever. Haar roze vingers grijpen zich vast aan de wieren die als een groene bruidssluier boven haar hoofd hangen. Ze glijdt nu door het diepzwarte water. Haar zijden lippen proeven van het zilte sop. Twee groen bruin gestippelde armen steken boven de donkere poel en vormen een driehoek. Hemelwaarts. Blindelings rijst ze op en wordt door twee sterke armen omhooggetild. Een kruidige geur van mannelijke extase vermengd zich met haar naar exotisch geurende bloesems lichaam. Samen klieven ze door de lucht die zich als een bloemblad opent. Kleverig en versmolten mogen ze nu in de eeuwigheid van de hen met honing bedruipende zon baden. Het geluid van scheurend papier en de één na de ander afgevuurde lachsalvo drukt me en dwingt me genadeloos weer op mijn schoolbank. ‘Een nul op je rapport!’ blaft hij .Verontwaardigd verdedig ik mij tegen tweeëntwintig paar ogen die spottend op me neerkijken. ‘Kan ik het helpen dat jullie liever naar newbeat luisteren’ !?

inez
0 0

Griekse diplomatie

Seth deed open met een banjo rond zijn schouders. Hij was vergeten wanneer we precies hadden afgesproken. Terwijl ik mijn spullen op de bank legde, trok hij een vers overhemd aan. Ik haatte de trui met het opstiksel van een beertje op skilatten, die hij de laatste tijd te pas en te onpas droeg. Het gaf ten onrechte de indruk dat hij zich verwaarloosde. ‘En de lakens zijn ook gewassen.’ Hij zei het grijnslachend. Enkele weken terug had ik me beklaagd om de geur van ranzige boter, waarin we hadden geslapen. Ik volgde hem naar de keuken. Op het aanrecht lagen twee zalmfilets in een plastic verpakking met biolabel. ‘Verdomme, toch geen vis zeker!’ Ik at de hele week al geen vlees. Dat kreeg je, met een vriendin in huis die vegetarisch was. ‘Rustig, Piet. De zalm is voor de meisjes. Wij eten worst.’ De meisjes? ‘Biologische worst natuurlijk, zeven euro ’t stuk, meneer.’ ‘Komt er nog volk, dan?’ ‘Wat had je gedacht? Dat ik hier de hele avond met jou alleen zou zitten?’ Ik lachte schaapachtig en voelde een bekend gevoel van onrust opsteken, een onrust die altijd gepaard ging met omstandigheden waar ik geen controle over had. Toen de bel ging, was ik in de badkamer. Ik hoorde hem tegen iemand gniffelen en met onverholen pret in zijn stem riep hij dat ik mijn ogen moest dichtdoen. Els, schoot me door het hoofd. ‘Ik doe juist niets toe, lelijke stinker.’ Ik draaide de hoek om naar de keuken en kuste Els nonchalant op haar wang. Ze moest glimlachen. Hij vroeg hoe ik dat had geraden. Els was een gemeenschappelijke vriendin uit het verleden. Na enkele ruzies was ze bij Seth uit de gratie gevallen en sindsdien moeder geworden van een dochter. Intussen alweer gescheiden van de vader. Dat wist ik allemaal van horen zeggen. Een tijdje terug was Seth haar toevallig tegengekomen en hadden ze de brokken gelijmd. Ik ontkurkte voor mezelf een duvel en schonk haar een glas in van de wijn die ze had meegebracht. We namen de draad op waar we die twee jaar terug hadden laten vallen, toen ik haar voor het laatst had gezien. Drie West-Vlamingen samen. Dat schiep een band. Vroeger was dat al altijd zo geweest en nu voelde ik opnieuw iets van die saamhorigheid. Seth dronk af en toe van mijn glas. Els lachte om mijn grapjes. Toen de bel ging, had ik het gevoel dat iets verstoord werd. ‘And this is Daphne.’ Er lag iets triomfantelijks in zijn stem. ‘She works at the Greek ambassy.’ We schakelden over op het Engels en stelden ons aan elkaar voor. De keuken vulde zich met de vette walm van gebakken worst. Ik stelde Daphne de vraag die ik altijd stel als iemand het over zijn of haar job heeft. Of ze eens een gewone werkdag kon beschrijven. Maar dat kon ze niet. Ze ging gewoon iedere morgen naar de ambassade, kreeg dan pas te horen waarover ze moest onderhandelen en deed dat. Zo simpel was het. De inhoud deed er weinig toe. Het ging om de kunst van het overtuigen. ‘So, you’re like a kind of medium,’ zei ik, terwijl we naar de woonkamer liepen. ‘Very good,’ lachte ze. Toen ik ging zitten, vroeg ik me af of dat laatste niet spottend was bedoeld. Het gesprek aan tafel kwam al snel op het dilemma waar Daphne mee worstelde. Ze was vijfendertig, wilde al van kleinsaf drie kinderen, maar had geen man. Een probleem dus, maar daarom nog geen dilemma. Dat kwam er pas toen ze enkele maanden terug een Zweedse straaljagerpiloot leerde kennen. Drieënvijftig, getrouwd, kinderen, maar bereid Daphne overal te volgen en haar de gewenste kinderen te schenken. Een follower. Het was niet de man van haar leven, maar wel de laatste kans om een gezin te stichten. Ze vroeg onze raad. Volgens Els moest ze niet te lang twijfelen. Zo’n kans kreeg je niet elke dag. Seth en ik waren terughoudender en vroegen ons luidop af of ze die man niet louter voor eigen doeleinden gebruikte. De verkeerde vraag, blijkbaar. Daphne en Els schudden het hoofd en keken elkaar aan. Ze waren bondgenoten geworden. De tafel werd ingedeeld in een mannenkamp en een vrouwenkamp. Vanuit die posities werd elke mening nu vluchtig bekeken, omgedraaid, nog eens bekeken, en – naar gelang het een man of een vrouw was die de mening had uitgesproken – goedgekeurd of verworpen. Het ging al lang niet meer om Daphnes persoonlijke dilemma, maar om iets groters, iets allesomvattends, maar ook iets dat erg vaag bleef. Zo kwamen we nergens. Ik stond op en ging op het terras een sigaret roken. De koude deed sneeuw vermoeden. Na een tijdje kwam Els bij me staan. We vroegen ons af waarom we elkaar al die tijd niet hadden gezien. Het had te maken met de wederkerigheid die in een relatie onder vrienden wordt verondersteld. Als de interesse eenrichtingsverkeer wordt, heft de relatie zichzelf op. Ik wist dat Seth haar dat verweet. Schoorvoetend ga ze haar fout toe. Het eerste wat ik zag toen we terug naar binnen liepen, was Daphne die om Seths hals hing. Hij wrikte zich los en wenkte me naar de keuken. Daphne was stomdronken, vertelde hij. Bedroefd door het gesprek aan tafel, had ze hem om alcohol gevraagd en hij had naar de eerste fles gegrepen die binnen handbereik stond. Porto. Toen we gingen zitten, zag ik dat de fles halfleeg was. Seth en Els begonnen een discussie over het pakje tabak, waar zij ongevraagd een sigaret van had gerold, toen ik buiten stond. Ik probeerde het gesprek te volgen, maar werd afgeleid door Daphnes hand die over mijn bil naar boven kroop. Als een lappenpop viel ze me om de hals en murmelde iets wat ik niet verstond. Misschien was het Grieks voor: “Jij bent de knapste jongen die ik in jaren heb gezien.” Je wist het niet. Ik ging in de keuken een verse duvel openmaken. Alsof ze dat als een teken beschouwde, strompelde Daphne me achterna. Ze fluisterde opnieuw iets in mijn oor. Het was ongetwijfeld lief bedoeld. Ik maakte een gebaar naar de woonkamer, van waaruit nu luid geroep weerklonk. Daar was ik nodig, zo te horen. Daphne glimlachte idioot en liep achter me aan. Seth en Els zaten tegenover elkaar, de vinger woedend naar elkaar uitgestoken. Oude wonden waren opengereten en hij ventileerde alles wat op zijn maag lag, ooit op zijn maag had gelegen en in de toekomst nog op zijn maag zou kunnen liggen. Daphne, merkte ik vanuit een ooghoek, was intussen verdwenen. ‘Je zult in eenzaamheid sterven, Els.’ Hij zei het gelaten, alsof het iets suggereerde dat wel triest was, maar waaraan niet te ontkomen viel. ‘Als je dat nu al niet bent.’ Daarop stond ze huilend recht, gaf hem in het voorbijlopen een mep en liep de slaapkamer in. Op dat ogenblik hoorden we vanuit de badkamer het geluid van een stomp voorwerp, dat op de grond viel. Daphne wees met een verontschuldigende blik naar de wastafel in email die op de grond lag, alsof ze iets wou duidelijk maken dat we anders niet hadden opgemerkt. Ze moest zijn gestruikeld en had zich in haar val aan de wastafel proberen recht te houden. Het water spoot uit de gebarsten leidingen. ‘Daphne toch, what have you done.’ Ik voelde een lachkramp opsteken. Seth reageerde gevatter en liep de gang op naar de kast met waterkranen. Terwijl we de kraan zochten die correspondeerde met het geklater achter ons, begon ik te hikken. ‘Daphne, Daphne, what have you done!’ Ik gierde het uit. Uiteindelijk slaagden we erin de juiste kraan te vinden. In de badkamer hevelde ik met een dweil het water op de vloer over naar het bad. Seth hurkte naast me neer. Ik legde een hand op zijn schouder en kreeg van de weeromstuit opnieuw de slappe lach. Toen alles min of meer droog was, legden we de wastafel zo goed als het ging opnieuw op zijn sokkel. Daphne was op de sofa neergeploft en praatte met de straaljagerpiloot via haar i-phone. Els streelde haar over het hoofd. De orde van het tafelgesprek leek hersteld. De mannen gingen tegenover elkaar aan tafel zitten. Door de hoge ramen zag ik hoe het zachtjes was beginnen sneeuwen. Het was al na middernacht. Nadat Daphne opnieuw in de badkamer was verdwenen, weerklonk ditmaal het geroep van Els die haar was gevolgd. We stonden geschrokken recht. Daphne had de wasbak gebruikt om over te geven, niet wetende dat die nu niet meer op de afvoer was aangesloten. Het gevolg was een sluier van kots, die tussen wasbak en sokkel op de tegelvloer drupte. Terwijl Els zich opnieuw om Daphne bekommerde, begon Seth de boel schoon te maken. Ik vluchtte het terras op. De afgestorven bloemen op zijn balkon waren met een laagje ijs bedekt. Door de verlichte ramen keek ik naar het tafereel van hem in de badkamer en de twee vrouwen op de sofa. Ik had met mijn vriend te doen.   Daphne werd ten slotte een taxi ingeduwd. Seth legde een blauwe vuilniszak op haar schoot. Ik rookte met Els een laatste sigaret voor de deur. De rook die ik inhaleerde, deed me een moment duizelen. Ik klonk mijn blik vast aan het gietijzeren balkon van het gebouw aan de overkant. De duizeling stopte. Ik rilde in de nachtelijke koude. Els vroeg of ik zin had nog ergens iets te gaan drinken. Ik zag Seth in gedachten in de badkamer bezig en zei dat ik liever wilde gaan slapen. Na haar goedenacht te hebben gekust, keek ik haar na toen ze de verlaten straat uitwandelde. In bed draaide Seth zich naar me om. ‘Al bij al een legendarische avond.’ Hij zuchtte en ik knikte in het donker. Daarna viel ik als een blok in slaap.

detroostvancontouren
0 0

Tiny en de schippershoer

Onbevangen zwiepten haar vlechtjes op, nu en dan opgetild door de wind. Haar knuistje naast moeders ruwe hand, de boodschappenkar voortduwend door de klapdeuren. Overladen en leeggeroofd strompelde ze, het hoofd gebogen, de supermarkt weer uit en reden ze de parking weer af. Zat hij achter haar aan?   Mijn lievelingsboek is dat van “Tiny speelt moedertje”. Het is leuk om hier een boek te kunnen lezen terwijl mama met broer boodschappen doet. Niemand die zegt: “Wil je dat boek wel eens kopen?” Voor de rest is er niemand in deze rayon vol kleine speelgoedjes en schriften, linialen en boeken. Tiny staart me met grote ogen aan. Ze speelt in het park met haar vriendjes. Plots een stem: “Hallo, hoe heet jij?” Met tegenzin laat ik de fluitende roze vogeltjes en dartelende puppies in het park achter bij Tiny. Een meneer met baard en bril zit gehurkt bij me neer. Zijn ogen glanzen vreemd. “Ik vroeg: Hoe heet jij?.” “Inez, meneer”, stamel ik verlegen. Mama heeft me geleerd dat ik met twee woorden moet spreken. Zijn hand klauwt naar mijn haren, hij aait ze nu en vraagt: “Hoeveel jaar ben jij?” “Acht, meneer.” “Ik heb een dochtertje dat net zo oud is als jij.” Hij raakt nu bijna met zijn zitvlak de grond en is opgehouden mijn haren te strelen. Zijn hand schiet plots naar voren en verdwijnt onder mijn rokje. Die grijns! Ik hapte vergeefs naar adem. Ik wil opstaan en weglopen. Mijn benen zitten verankerd in de vloer. Ik wil roepen en wenen maar er komt niets. Tiny kijkt me nu niet meer aan. Het boek ligt opengevallen op de grond. De grote meneer is plots verdwenen. Tiny zie ik ook niet meer. Waarom is haar gezichtje afgewend? Ze keert zich van me af. Er is hier dan ook iets stouts gebeurd. De anderen zullen zich ook van me afkeren. “Inez”, “Inez!” Het is de stem van mijn broer. “Ah! Daar zit je! Schiet op, mama staat al aan de kassa.” “Hey, wat is er?” Ik doe mijn best, ik probeer alle tranen in één keer door te slikken, ze naar beneden te duwen. Vanavond als ik in mijn bed lig kan ik m’n kussen nat huilen maar nu niet. Ik moet dit ergens wegstoppen en wel vlug ook! “Hé, wat is er toch met je? Je ziet zo rood.” “Niks, er is helemaal niks.” Ik slaag erin op te springen en hem te volgen naar de kassa. Maar mijn broer maak je niets wijs. Van zodra we thuiskomen met onze boodschappen, volgt hij me naar mijn kamer. “Je gaat me nu zeggen wat er is!” “Niet tegen mama zeggen, beloof het!” smeek ik hem. Hij knikt. “Die meneer.” “Welke meneer?” “In de GB... die heeft, die heeft…” stotter ik. “Hij stak zijn hand hier.” Ik wijs naar mijn rokje. Mijn broer keert zich nu ook van me af en loopt de kamer uit. Zie je wel, het is mijn schuld. Niet veel later staat mama voor mijn deur. Ik lig op mijn bed, ik wil alleen maar slapen. Maar ik moet, ik moet het opnieuw vertellen. Ik hoor haar telefoneren. Belt ze de politie nu? Dat wil ik niet! Ik wil er niets meer over zeggen. Ik neem mijn boek op en probeer zo gauw mogelijk het toegangspoortje te vinden dat me in de chocoladefabriek zal brengen. Zou Sjakie de gouden wikkel vinden? Zou hij nu rijk worden en eten kunnen kopen voor zijn familie? Maar ik hoor mama’s stem, en die houdt me weg uit de chocoladefabriek. “Ja.” Hoor ik haar zeggen. “Zeker, dankjewel.” Het klinkt niet alsof ze met de politie praat. Dan zou ze op een andere toon praten. Mama is net bang van de politie. Boven aan de trap sta ik gespannen te luisteren. Vaders stem schalt nu door haar gepraat heen. “Godverdoeme, moet je daar nu zo’n tamtam van maken?” Al het opgekropte verdriet dat ik ergens diep vanbinnen had opgeborgen komt nu naar buiten. Ik klamp m'n beer tegen me aan. Ik beef van angst nu ik weet dat vader het ook weet. Hij zal zo boos zijn. Daar heb je het al… Ik hoor hem de trap opkomen. Mijn deur vliegt open: “Wat heb ik gehoord? Heb jij een vreemde vent aan je muis laten zitten?” Ik hou me stijf. Dat doe ik altijd als hij zo tegen me praat. Ik durf dan haast niet te ademen en te bewegen. Alsof al het lelijke dat hij over me uitstort dan zo maar van me af zou glijden. “Awel?” blaft hij me toe. Ik pers mijn lippen dicht en kijk hem niet aan. Mijn hoofd rust op mijn opgetrokken knieën, het enige dat nog beweegt zijn mijn vingers die zich vasthaken in de gaatjes van mijn witte kanten sprei.   "Mama heeft gebeld met de directeur van de supermarkt." grauwt hij. Dit klonk niet boos. Misschien was hij dan toch niet boos op me. Ik kijk voorzichtig op en gluur naar hem vantussen mijn knieën. Hij buldert van het lachen. "Wat ben jij voor een seut? Is dat nu allemaal omdat die vent der is aan wou komen? Ge zult de ventjes nog wel leren kennen!" Een vals lachje speelt om zijn lippen. Hij strekt zijn linkerhandpalm naar me uit terwijl hij zijn middenvinger op en neer beweegt in de lucht. "Ha-ha-ha!"     De komende weken zal ik die spottende vinger nog veel zien zwaaien door de lucht. De hele familie krijgt het verhaal te horen van de vent die aan ons Inez haar muis wou zitten. Toch zijn er maar twee die er mee kunnen lachen. Hij met z'n scheve grijns en zij over wie hij zegt dat haar huis moet blinken en haar muis mag stinken. Net als mama krijg ik nu een andere naam. Mama noemt hij 'moeder Maria', broer noemt hij 'wiggeling fool'. Ik ben voortaan de 'kleine hoer'...

inez
0 0

dagboek 4X4X4

Liefste dagboek,   Vandaag kwam ik twee maal in contact met verkeersagressie. Een eerste maal toen ik in file stond aan het kruispunt bij de nationale bank (met een trambedding). Ik bleef toen achter de tramsporen zodat een eventuele tram (openbaar vervoer) altijd voorbij zou kunnen. De Mercedes achter me, kon dit blijkbaar niet verdragen en reeds langs rechts over de berm om deze vrije plaats (die ik liet voor de tram) in te nemen. Om daar alsnog in file te staan! Toen ik claxonneerde om dit ridicule gedrag in vraag te stellen, moest de grootste schok nog komen. Er stapte een vrouw van middelbare leeftijd uit met genoeg 'bling' rond haar nek om de staatsschuld van Swaziland in te lossen. Deze gezonnebankte Cécile Müller-look-a-like begon wild gesticulerend te gebaren dat ik zowaar in de fout ging. Ja, want niet alleen het kruispunt vastzetten voor het openbaar vervoer, maar ook het voorbijsteken langs rechts, zijn duidelijke lessen die deze generatie van 'krijg je rijbewijs bij een doos cornflakes' ons wil leren? In gedachten was ik het interieur van haar met leer bekleedde auto alvast aan het volbaggeren met paardenstront (ruikt net iets harder dan die van koeien). In realiteit had ik vooral veel medelijden. Waarschijnlijk was deze versierde kerstboom nog nooit klaargekomen en is het toppunt van het jaar voor haar wanneer er kinderen komen zingen met Driekoningen... Om ze dan weg te sturen 'omdat het niet in het Frans was'...  Een tweede geval van verkeersagressie was toen ik zag hoe een auto bijna een fietser omvermaaide aan het begin van de Kammenstraat. Ik stond hier als voetganger op te kijken. De fietser draaide zich om en deed teken van 'zijde gij zot', waarop de BMW-bestuurder uitstapte om zijn teveel aan testosteron verbaal op de arme man af te vuren. De geblondeerde del die naast hem zat, probeerde deze simpele ziel nog in te tomen, maar ik vrees dat ze daar thuis nog wat klop bovenop heeft gekregen. Weeral geen liefdevolle minkozing deze avond voor deze John, zei ik al dat hij een petje droeg? Soit, na wat scheld-tennis, racete de BMW met gierende banden verder de Kammenstraat in om 100 meter verder stil te staan in het aanschuivende verkeer bij de verkeerslichten. Zou de fietser nog eens gelachen hebben als hij daar voorbij fietste?

Janzondervrees
0 0

Nylondraad en worst

Onlangs kocht Koen een paneel van de oude aluminiumbekleding van het Atomium, de wonderlijke constructie gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, die enkele jaren geleden volledig gerenoveerd werd. Hij ziet er op termijn een uitstekende geldbelegging in. Alleszins stukken beter dan de in 2008 gekelderde Fortis-aandelen.  Koen wil het paneel in zijn woonkamer ophangen. Omdat hij deze klus moeilijk in zijn eentje kan klaren, doet hij een beroep op de hulp van Marcel, zijn vader, eerder knoeier dan knutselaar, maar steeds bereid om te helpen. Die knoeier zal om te beginnen voor het nodige materiaal zorgen: een schroeven-draaier, pluggen, krammen en ijzerdraad. Als milieubewust consument trekt hij te voet naar "De Nieuwe Ijzerwinkel", een zaak van standing die al verschillende decennia nieuw staat te wezen in de Stationsstraat te Kapellen. De aankoop verloopt allesbehalve vlot. De schroevendraaier is uit voorraad. De pluggen zijn te lang, de krammen te kort en ijzerdraad wordt uitsluitend per rol van vijftig meter verkocht, terwijl Koen slechts vier meter nodig heeft. Maar de zaakvoerder van "De Nieuwe Ijzerwinkel" geeft goede raad: gebruik liever  nylondraad, spotgoedkoop, makkelijk om mee te werken, even sterk en leverbaar per meter. Besloten wordt om de aankoop een week uit te stellen. Tegen dan zullen alle voorraden weer aangevuld zijn. Marcel speelt op veilig en stapt pas na veertien dagen naar de zaak van standing, waar een lange rij klanten hem voorafgaat. Wanneer hij vijfentwintig minuten later eindelijk aan de beurt komt, loopt het toch weer mis. Gefrustreerd door het lange wachten en lichtjes verstrooid roept hij, veel te luid: "Geef mij vlug vier meter nylondraad, dan kan ik eindelijk mijn zoon gaan ophangen."  De omstanders reageren verschrikt. De zaakvoerder vraagt zich af of hij meteen de politie zal bellen. Iemand wil weten wat die zoon mispeuterd heeft. "Hoe komt u daarbij?" reageert Marcel. "Die jongen heeft helemaal niets misdaan! Wat staart iedereen mij toch aan? Vinden jullie het dan zo gek dat ik nylondraad wil kopen om er een paneel van het Atomium mee op te hangen?" Een pientere oude dame, met een voor haar leeftijd nog uitstekend gehoor en dito geheugen, is zo vriendelijk om eventjes letterlijk de bestelling te herhalen. Nu begrijpt Marcel waar al die commotie vandaan komt. Lachend zegt hij: "Mijn zoon ga ik beslist niet ophangen. Maar nylondraad wordt inderdaad wel eens gebruikt in thrillers, bij voorkeur om er domme blondjes mee te wurgen." "Daar weet ik niks van" reageert de zaakvoerder van "De Nieuwe Ijzerwinkel" met een uitgestreken gezicht. "Ik kijk nooit naar dat soort films, ze zijn veel te griezelig. Ik probeer alleen maar nylondraad te verkopen. Wat de klant er achteraf mee aanvangt, dat zal mij worst wezen. 

M. van Muze
0 0

Een onfortuinlijke treinwachter

Onderweg van Antwerpen-Centraal naar Brussel-Noord, met een klokvaste trein van onze onvolprezen NMBS, op één van die zeldzame dagen zonder stakingen, overviel mij het lumineuze idee om enkele limericks te componeren, aan de hand van de stationsnamen die ik onderweg zou tegenkomen. Toen ik een net voltooid exemplaar met Hove als vertrekpunt herlas, om eventuele spellingfouten te corrigeren, schoot ik luidop in de lach. Het hield niet meer op. Ik bleef maar lachen.  We reden met een slakkengang, zelfs de NMBS onwaardig, tussen Kontich en Duffel, bekend voor zijn gespecialiseerd Psychiatrisch Centrum. Op dat eigenste ogenblik deed de treinwachter van dienst zijn zoveelste ronde. In hoge mate verontrust door mijn onbedaarlijk gebulder vroeg hij me zeer hoffelijk of hij misschien een ambulance moest oproepen, zodat ik linea recta kon afgevoerd worden naar ...  Juist, u weet wel waar. Ik gebaarde dat het niet nodig was en slaagde er met veel moeite in mijn vervoerbewijs te tonen, waarin hij mateloos geïnteresseerd leek. Wellicht een onschuldig voorbeeld van beroepsmisvorming.   Enigszins tot rust gekomen liet ik hem mijn limerick lezen: Van God los Een afvallige pater uit Hove die wou in geen God meer geloven een duif doemde op en scheet op zijn kop hij zei: niet alle heil komt van boven! Op zijn beurt werd de treinwachter het slachtoffer van een serieuze lachstuip, zonder enige twijfel veroorzaakt door de onfrisse praktijken van voormelde duif. Die zijn nog het best te vergelijken met wat de CEO's van onze grootbanken bij de kleine beleggers aanrichten. Bij een duif schijnt dergelijk gedrag - dat voor een bankier toch wel uit den boze is - dagelijkse kost te zijn. De onfortuinlijke treinwachter hield niet op met lachen en gieren. Dat begon zowaar op sterk afwijkend gedrag te lijken. Dus vroeg ik hem of ik, per GSM, niet meteen een ziekenwagen zou bellen om hem stante pede aan de goede zorgen van de psychiatrie toe te vertrouwen. Hij bleef me het antwoord schuldig.  De trein was intussen gestopt in het station Duffel en de trenwachter strompelde naar buiten om de veiligheid van de in- en uitgaande reizigers te waarborgen. Daarop ondernam hij een krampachtige poging om een fluitsignaal te produceren, waarna hij vergat in te stappen, de deuren dichtsloegen en de trein zonder hem vertrok. Wat er van de arme man geworden is? Ik heb hem nooit meer teruggezien.

M. van Muze
0 0

De lijkbleke intrede

Ik hou van mijn vader, al vergeef ik hem twee zaken nooit: Zijn beide doelpunten tegen Club Brugge en mijn sneeuwwit vel dat ik sinds mijn puberteit als een boetekleed draag. Als kleuter waande ik me nog een stoere witte ridder die met de nodige schreeuw om aandacht zandkastelen bouwt. Maar vanaf de eerste puistjes begroef ik me het liefst achter een anonieme duin. Zo ook het voorbije pinksterweekend in Knokke-Zoute, op de Siësta Beach Club. Een mondaine strandbar waar de sereniteit achteloos moet aanmeren. Maar ik voelde me op het drukste kruispunt van Bombay. Op het spitsuur. Ongenadige blikken, verborgen achter peperdure pilotenbrillen, bombardeerden mijn welbehagen. Ray-Banbliksems. Een stortvloed van napalm bij de rosé. De hele winter had ik me nochtans afgebeuld om de aandacht van m'n kleurenkwaal naar m'n torso te verleggen. Maar drie meiweken antibiotica leverden misschien wel een frisse neus op, het bijbehorende spierverlies bezorgde me een depressie op doktersvoorschrift. Ik arriveerde op het Knokse strand als een Lada op de Mercedes-stand van het Autosalon. Het bleekste model uit Siberië. Kunstmatige hulp vanuit zonnebankcentra weiger ik uit kankervrees. Nochtans worden deze gerund door pitspoezen die je olievoorraad eigenhandig op het juiste peil brengen. Botergeil, maar de wip niet waardig. Hun Braziliaanse tunnels vormen een no-go zone voor mijn universitair geladen zaad. Op hun druk bereden asfalt dat her en der al scheurtjes vertoont, dreigt immers een peperdure tol in de vorm van alimentatiegeld. Vreselijk elitair? Niet zo neerbuigend als hun oordeel over mijn huidskleur. Racisme uit de gepiercete onderbuik van de gebronzeerde samenleving. Met m'n Yacht Week-polo als beschermhoes kwam ik het eerste uur in Knokke-Zoute echter zonder kleerscheuren door. Tot ook deze Einzelgänger voor de groepsdruk en de temperatuur bezweek, overmoedig na de negende Magnum-fles. De collectieve blik op mijn kathedraal in heropbouw voelde aan als een groepsverkrachting. “Ogen dicht en doorbijten,”  fluisterde ik mezelf toe. Dat was buiten de live-verslaggeving op Facebook en deze rake opmerking van een ros Sneeuwwitje gerekend: "Ik ben blij dat ik eindelijk iemand heb ontmoet die bleker is dan mij.”  Mijn weelderig borsthaar fungeerde niet als het gewenste afleidingsmiddel, maar kreeg de status van schaamhaarstruik toegewezen.   Tot overmaat van ramp vuurde ook mijn schrijfpen er met losse flodders. De jetsetlectuur beperkt zich blijkbaar tot Cosmopolitan, echtscheidingscontracten en Viagra-voorschriften. Mijn instant proza verdween al snel in de vuilbak tussen kredietkaartticketjes. Kortom, ik maakte een lijkbleke intrede in de Graaf der Badsteden. Nu schrijf ik dit stuk in de tuin van omalief, waar ik in echte rust het pad der halve naaktheid bewandel. Op weg naar het gekleurde geluk. Benieuwd hoeveel zomers ik daarvoor nodig heb. Hier krijg ik alleszins geen veroordeling aan mijn zwembroek voor mijn gebrek aan een gebruinde sixpack, maar krijg ik onder mijn botten als ik mijn bord niet leeg eet. Het verstand komt met de jaren. Mijn kleurtje allerminst.

Magnus Sørenson
0 0

66 kilo later en wat nu ???

  Als de dag van toen herinner ik me nog de dag 8 december 2011. Tijdens een bezoekje aan de arbeidsgeneesheer werd ik genadeloos hard op de feiten gedrukt. Toen men tijdens een beeldschermonderzoek begon over mijn overgewicht, voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken. Emotioneel werd ik overmand door een dreiging tot eindeloos huilen. Ging het werkelijk zo slecht met mij? Was ik dan zo ongezond bezig? Loerde het kerkhof of de operatiezaal om de hoek. Voor de eerste keer in mijn leven werd ik voor voldongen feiten gesteld. Er moest iets aan gebeuren of mijn leven zou een rampzalige wending aannemen. The day after ging ik voor het eerst sinds een eeuwigheid de confrontatie met de weegschaal aan. Om het beeld even te schetsen: Ik had me afgezonderd achter gesloten deuren in mijn slaapkamer. Wat ik toen zag … vergeet ik ik nooit van mijn leven meer. Het leek wel een KO van formaat in de eerste vijf seconden van een allesbeslissende kampioenenwedstrijd. Ik ging op de rand van mijn bed zitten en voelde de eerste tranen vloeien. De uitdaging, die me te wachten stond, had quasi onmogelijk proporties aangenomen. Je moet weten: aan een afvalrace beginnen in de december- of januarimaand is geen lachertje. Mijn vader ging in deze periode op pensioen. De kerst- en nieuwjaarsperiode brak aan. Om nog maar te zwijgen van mijn jaarlijks terugkerend verjaardagsweekend. Kortom: een bezoekje aan de diëtiste brengen in deze periode leek me geen opportuniteit. Het doembeeld van droog brood en water loerde immers om de hoek. Op dat moment heb ik het besluit genomen om ‘tijdelijk’ het heft in eigen handen genomen. Wanneer ik iets aan mijn leven wou veranderen, werd het mijn verantwoordelijkheid en niemand anders. Maar ik had een grote angst voor mogelijke valkuilen. Daarom besloot ik om niemand mijn begingewicht te vertellen en wat mijn streefdoel zou Ik wou de touwtjes in eigen handen nemen en geen onnodige stress van buitenaf te kennen door al dan niet slecht bedoelde motivatietechnieken van ‘Komaan Bart, nog 5 kilo’. En toen … startte het belangrijkste project van mijn leven.  Leren bewegen vanaf 0, op mijn eten letten …. En de eerste dagen leverde het al onmiddellijk succes op. Een wandeling in Antwerpen Stad zorgde er voor dat de teller op -3 kilo stond. Woehoe, het leek wel van een leien dakje te gaan. Niets was echter minder waar. Ook bewegen op oma’s hometrainer kwam op het programma te staan. En geloof me vrij … Het was geen zicht. Voor diegenen, die me niet kennen … Ik ben een kerel van 1m87. Mijn oma haalde met moeite een lengte van 1m65. De fiets was één van de eerste modellen ooit op de markt. En dat zag je eraan. Het leek wel een stalen ros waar naar mijn gevoel zelfs de dinosauriërs nog hun dagelijkse portie ochtendgymnastiek op deden. Helemaal niet meer anno 2013.  Een nieuw stalen ros werd aangeschaft. En toen begon een periode van keihard werken. De eerste twee maanden werden een succes van formaat. De weegschaal toonde al heel snel -13 kilo aan. Ik was fier dat mijn alom gekende koppigheid en eigenzinnigheid resultaten opleverde. En what doesn’t kill you, makes you stronger. Ik heb toen de beslissing genomen om die eigenzinnigheid en koppigheid nog verder toe te passen in de race naar een nieuw leven. En daar heb ik tot op de dag van vandaag geen seconde spijt van. Begrijp me niet verkeerd.  Ik heb heel aandachtig geluisterd naar het advies van mensen, die het ontzettend goed met mij bedoeld hebben. Hun goede raad en adviezen heb ik omgezet naar mijn persoonlijkheid.  En toch … Een afvalrace zoals de mijne – cfr Ik weeg nu 66,2 kilo lichter – is een emotionele rollercoaster van formaat. Niet alleen je lichaam wordt scherper maar ook je geest wint aan scherpte. Gek toch wat bepaalde voedingsmiddelen met een mens doen kunnen. Afkicken van een suikerverslaving, een nachtmerrie van formaat. En toch … Het zwaarste van een afvalrace is hoe de perceptie van jezelf in de maatschappij een gigantische verandering kent. Bij de VOX POPULI staat afvallen en diëten vaak synoniem met meer bewegen en minder eten. Maar helaas zelden met op een verstandige manier anders gaan leven. Om het even te kaderen schets ik maar al te graag mijn situatie hoe het nog geen 2 jaar geleden was. Weet je … Ik was een Morbide Obesitas-patiënt met een duizelingwekkend BMI.  Nu anno 2013 is dat BMI 18 punten gezakt, mijn broeksmaat bijna 14 maten en mijn hemdsmaat gedeeld door 6.  Deze cijfers bereik je niet wanneer je niet op een verstandige manier aan de basis werkt. Ik heb het roer op een dusdanige manier omgedraaid dat mijn leven er helemaal anders is gaan uitzien. Het EMO-eten zwaar onder controle leren houden en rationaliteit in mijn dagdagelijks levenspatroon beginnen te verwerken. Geloof me vrij … een dergelijk resultaat is niet mogelijk wanneer je niet uit je comfortzone durft te stappen. En dat heb ik gedaan. Nu bijna twee jaar later geef ik toe dat alle puzzelstukken uit mijn leven als een boomerang naar mij zijn terug gekeerd. Wat liep er fout? Hoe was het beeld van de maatschappij naar mij? Want een leven als een Morbide Obesitas-patiënt zorgt voor een impact in je dagdagelijks leven. Ik herinner me nog altijd het moment dat er mensen uit de lift zijn gestapt omdat ze met ‘deze gezellige dikkerd’ geen twee verdiepingen hoger wilden gaan. Alleen door te vechten als een leeuw ben ik uit een put geklauterd.  Stuk voor stuk heb ik mijn ‘oud en nieuw’ leven als een puzzel in elkaar zien vloeien. Het werd een cursus zelfreflectie zoals geen enkele professor emeritus aan de universiteit mij zou kunnen geven. Ja, ik heb aan mijn werkpunten sterker dan wie ook gewerkt. En ook al heb ik waanzinnig hard gewerkt en heb ik fysisch de allures van een knotwilg aangenomen. Hoge bomen vangen veel wind. Niet alle reacties zijn even positief. Niet iedereen kan zich inbeelden welk traject ik de voorbije maanden op eigen houtje heb afgelegd. Jaloezie, haantjes- of kippetjesgedrag. Ik heb het allemaal mee gemaakt en maak het nog dagdagelijks mee. Een verandering in iemands leven beroert de gemoederen zichtbaar. Over de eerste indruk zijn er letters geschreven in de wetenschap. Alleen staat er geen letter genoteerd over de achtste en de negende indruk. En die beleef ik momenteel. En hoe mensen reageren hangt van 1000 en 1 factoren af. Het verschil tussen mannen en vrouwen is heel snel duidelijk.  Een vrouw hanteert veel sneller het ‘vinde-gij-mijn-gat-niet te dik-in deze rok’-effect als het over haar gewicht gaat dan een man. En dit terwijl een man fier is op zijn buikje als puur statussymbool. In een landelijker gebied ben ik een grotere circusattractie dan in een stedelijk gebied. En zo kan ik wellicht nog uren doorgaan hoe de mensheid in elkaar steekt. Maar nu ik 66,2 kilo lichter door het leven stap, duikt het beeld vaker en vaker op welke wending mijn leven nu zal kennen. Ik heb me voorgenomen om deze afvalrace geen fetish te laten worden en me niet te laten verleiden tot ziekelijke neigingen. Nog eens 66 kilo lichter worden, …. Nou het zou geen zicht zijn. Voor u niet en voor mij zeker niet. Ik zou een dorpsgenoot worden van Plop, Lui en Klus. En daarvoor  leef ik nog veel te graag bij u allen.  66 kilo’s lichter en wat nu … Ik ga stil blijven staan bij de zaken die ik heb geleerd. En die wil ik maar al te graag nog meer in praktijk omzetten. Het belangrijkste doel is dat de huidige Bart ook de nieuwe Bart is en blijft.  Ik heb de voorbije maanden regelmatig mijn comfortzone verlaten. Kortom: Enkele zotte keuzes gemaakt door een keertje naar het EK Hockey of naar het WK Turnen te gaan. Een hele nieuwe wereld ging voor mij open. And I enjoyed it. Ik geniet er van om op mijn racefiets als een flandrien met mijn snufferd tegen de wind in te beuken. Weet je … Koersen is des levens, ook al heb je de voorbije maanden alle klassiekers ‘in je echte leven’ na elkaar gereden. Een confrontatie met jezelf aangaan is zeer leerrijk. Een wijze vrouw omschreef mijn traject ooit als de geboorte van een nieuwe man/mens. En momenteel knik ik achter mijn klavier maar al te graag instemmend. Hello World, this is me  

bartliekens
0 0

Kort verhaald: een wolkje onweer in een koffiemok.

 1. ‘Alle grote schrijvers schrijven autobiografisch,’ schreef een ooit befaamd Belgisch schrijver, en hij had gelijk. Hoe verklaar je anders al die slechte korte verhalen? Je kent ze vast wel: overdramatische rommel over gestorven levenspartners; vervlogen minnaars, weltschmerz, eenzaamheid of – veruit de ergste vorm van verderf – walgelijk minimalisme over kleine autistische kindjes met een suikerpot of muffe dementerende oudjes achter roestende deurknoppen die niemand ooit... Cheap emotainment, vers geplukt van Vijftv en overgoten met een sausje pervers ramptoerisme, dat op de koop toe nog geregeld bekroond wordt omdat dat schetsje minimalisme ‘toch zo uitzonderlijk geschreven is’. Om het op zijn Oscar Wildes te zeggen: het is niet omdat je uitzonderlijk schrijft, dat je ook uitzonderlijk leeft…en vice versa. En dan rest er nog de hamvraag: kan men die rommel schroomloos literatuur noemen? Zeg nu eens eerlijk… ‘Laat hen dan eens zien hoe het wel moet,’ antwoordt ze mij, in de haast magische tv-kamer waar de hyperactieve hond slaapt naast de sofa waarop zij en ik voor het eerst de liefde bedreven (maar dat geheel terzijde). ‘Dat is wel heel ambitieus, zelfs voor mij,’ reageerde ik, ‘en trouwens: ik heb mijn handen vol met onze roman, dat weet je toch?’ ‘Dat sluit elkaar toch niet uit? Schrijf dan daarover, alle grote schrijvers schrijven toch autobiografisch? Wel, bewijs het’. Ze had die pretlichtjes in haar ogen – Paris, minuit sur Seine, mon amour – en haar beruchte glimlach als een uitdaging. ‘Ok,’ zei ik, ‘maar als ik slaag in mijn opzet, druk jij jouw glimlach tegen de mijne, en zien we wat er dan gebeurt’. Over die laatste enigmatische verwoording moest ze even nadenken, maar uiteindelijk ging ze akkoord, waardoor ik nu heel wat te bewijzen heb. De hyperactieve hond laat ik intussen rustig in het midden liggen: je wil hem best niet gestoord zien worden. Zij strekte zich languit op de sofa, haar hoofd op mijn schoot en zei, heel speels en duivels verleidelijk: ‘Zo, vertel me eens een kort verhaaltje’. Een kort verhaaltje, zegt ze. Dat is 12.000 tekens volgens de stad Deinze en dus nog maar 10.219 te gaan. Het wordt hoog tijd om – zoals Van Ostaijen – naakt te zijn en te beginnen. Goed. Ik neem plaats achter mijn Underwood en transformeer mezelf tot broodschrijver. Ik word Shakespeare, Chandler, Capote – driemaal een sisklank als aanhef en één keer een Frans condoom met Truman (een Amerikaans president?) als voorspel. Zippergate? Neen, dat kwam pas later. Desalniettemin: stof tot nadenken, maar er is geen tijd: te weinig tekens en te veel, veel te veel te vertellen. Pressure! En al het goede schrijven is autobiografisch! Ok… Lig je goed, lieverd, daar beneden met je hoofdje op mijn Levi’s 501? En u, wildvreemde lezer, klaar om van start te gaan? Ik neem me vooralsnog een whisky.    2. Op een regenachtige namiddag in september stappen twee helden O’Reilly’s binnen en als echte stamgasten – of dronkaards – nemen ze plaats aan de bar. Lio en ik – jij weet dat, liefje, maar de wildvreemde lezer niet – zijn wat men noemt beste vrienden: samen maakten we Brussel al onveilig ten tijde van 9/11, Brazilië-België en Marc Wilmots. Al jaren is O’Reilly’s onze uitvalsbasis, en dat zal wel nog een tijdje zo blijven. Mitch, de barman met de Hasselhoff Baywatchnaam en de Humphrey Bogartschouders, komt ons meteen tegemoet. Lio bestelt een Guinness en een kop koffie. Buiten ons is de pub vrijwel leeg, op een koppeltje na, dat achterin de pub in een vergeten hoekje lekker knus naast elkaar zit. De jongen warmt zijn handen aan het meisje en het meisje – op haar beurt – aan een kop warme chocolademelk. ‘Die chocomelk smaakt raar,’ zegt ze. ‘Mag ik ’s proeven?’ vraag ik. Ze heeft gelijk: flets en zo goed als chocoladeloos: de cacaomix in de machine is op en de barman heeft het nog niet in de gaten. ‘Momentje,’ zeg ik en breng de fletse mok weer naar de toog. Mitch maakt er geen probleem van. Even later staat er een verse chocolademelk mét slagroom voor haar neus. ‘Handig niet, dat uitgaan met een ex-barman?’ Ik knipoog, zij lacht. Ik ga naast haar zitten op de sofa in het (vergeten?) hoekje. ‘Hé, zat jij daarnet niet tegenover mij?!’ ‘Nee, dat was iemand anders, zo’n loser met een slechte chocomelk’. We lachen – is zoveel lachen niet ongezond? – ik sla mijn arm om haar heen en ze kijkt naar me. Haar ogen stralen en komen tergend langzaam dichter en dichter en ietwat overhaast zoen ik haar. Het was lekkere chocolademelk. ‘Veel te lekker’. ‘Man, overdrijf eens niet: ’t is zwarte koffie,’ antwoordt Lio, ‘Akkoord, het is beter zwart dan met al die rommel erin: suikertjes, melkjes, candarels en een speculaasje, kloterij die abnormale mensen allemaal in hun kop kwakken…’ ‘En daarom is dit net veel te lekker,’ antwoord ik hem, waarop ik nog een slok neem en vervolgens de hele melk-suiker-candarelzooi en zelfs het koekje in mijn koffie gooi. Terwijl ik duchtig aan het roeren ben komt Maarten de pub binnen, doordeweeks een brave jongen en zelfs in het weekend een van mijn beste vrienden. ‘Dag mannen, wat doen jullie hier?’ begon hij. ‘Momentje,’ zei Lio, ‘Kris was geloof ik net van plan een vastgeroest dogma te ontkrachten’. Beiden zwegen en keken bezield naar de mokkakleurige maalstroom waarin mijn lepel – en stukjes speculaas – wild tekeer ging. ‘Een wolkje onweer in een koffiemok, meneer?’ Maarten begreep niet meteen wat er aan de hand was maar gunde me voorlopig het voordeel van de twijfel. Ook Mitch, het Alziend Oog van O’Reilly’s, hield zich op de achtergrond. Omdat er zich geen vrijwilliger aanbood nam ik zelf een slok van het inmiddels lauwe mengsel. ‘Beter?’ vroeg Lio. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘maar nu weet ik tenminste weer waarom ik mijn koffie zwart drink. Dag Maarten, jongen, alles goed?’ Maarten had een meisje bij, een nieuw meisje. Het eerste meisje dat hij mijns inziens ooit mee naar de pub bracht. Bruin haar, bruine ogen, slank, geen x-benen en vrij knappe borsten (rond of peervormig, kan al dan niet afhangen van en uit de beha), kortom: al bij al netjes. Maarten stelde ons voor, ze gaf ons beiden een kus op de wang. Na de nodige formaliteiten kwam ik te weten dat haar naam Stefanie was. Ietwat timide keek ze voortdurend naar de grond, alsof oogcontact een uitdaging was. Ja, wat had Maarten allemaal niet over ons verteld? En ‘beste vrienden’ ontmoeten is op zich al een precaire situatie. ‘Kijk liever wat meer naar boven, liefje, ik geneer me voor mijn kapotte schoenen,’ zei ik. Ze lachte wat onwennig, want inderdaad: mijn Allstars waren naar compleet de vaantjes. ‘Je had hem twee weken terug moeten zien,’ zei Maarten, ‘toen zat ie hier met teensletsen’. ‘Jij kleine klootzak,’ antwoordde ik, want Maarten was niet groot en had meestal een stel kl…, nou ja, ‘dat kind is hier nog maar net en direct mijn vuile was gaan uithangen!’ Lio begon luid te lachen, Stefanie viel in. Het hek was van de dam, en het ijs gelukkig vrij snel gebroken. Stefanie vertelde dat ze Maarten had ontmoet op een trouwfeest van een familievriend. Het was liefde op het eerste gezicht. Hierna spraken ze een aantal keren af en intussen – drieënhalve week later – waren ze samen en ja hoor: gelukkig. Ik herinner me nog hoe ik dacht: ‘Soms lijkt het zo makkelijk te gaan, zo vanzelfsprekend, is dat dan echte liefde?’ Daar leek het in ieder geval op. Ze waren jong en verliefd, op een typische, niet-walgelijke wijze. Daar was ik oprecht blij om, hoewel het tegelijkertijd pijnlijk was om aan te zien. Volgens mij beseften Lio en Maarten dat: ze wisten het immers van jou en mij. Misschien ook daarom dat Maarten na één rondje zei dat ze er vandoor gingen: ‘Stefanie wil nog snel even de winkelstraat doen’. ‘Vergeet niet,’ riep Lio Maarten nog na, ‘betalen doe je in de Rue D’Aerschot!’ Ik stootte mijn elleboog onzacht tegen zijn ribben. ‘Wat?’ antwoordde Maarten. ‘Geen schandalen in ’t paskot!’ verduidelijkte ik. ‘Aight,’ lachte Maarten en stak zijn duim omhoog. ‘Waarom was dat nu weer nodig?’ vroeg ik. Lio nam een slok van zijn Guinness, ‘Weet ik veel’. Ik wist het ook niet meer, het hele gedoe had me ontstemd en wellicht daarom vroeg ik Mitch om twee Jack-on-the-rocks te maken, zodra hij even vijf minuten tijd had. Mijn blik dwaalde af naar het vergeten hoekje: het knusse koppeltje zat er niet meer. Ze waren vast, los van elkaar, naar huis gegaan…    3. Met gesloten ogen ligt ze naar me te luisteren, een tijgerin in de prairie die in staat is me te verscheuren zodra ik in ademnood raak en mijn woordenstroom dien te pauzeren – bij haar ben ik slechts een papieren tijger, moet je weten. En toch wil ik even halt houden: wat een bravoure (Neen, in feite is mijn glas gewoon leeg, de inspiratie even op of het inktlint van de Underwood versleten: kies maar). ‘En in dat verhaal zit geen heimwee of eenzaamheid?’ begint ze. Ik streel haar zachtjes, voorhoofd-wang-hals, waar het warm is: ik ben een waaghals. ‘Natuurlijk wel, maar ik miste je, en ga daar niet over liegen. Vind je het overdramatisch misschien?’ ‘Nee, nóg niet, ga nog maar even door’. (Met strelen?) ‘De fletse chocomelk, dat weet ik nog, maar ik herinner me niets van je periode als barman’. ‘Vandaar dat ik ex-barman zei: dat was grotendeels voor jouw tijd, maar je herinnert je vast nog wel de picknick in het Warandepark, vlak voor mijn avondshift?’ ‘Ja! Dat weet ik nog’. ‘Nou, dan hoef ik het je niet te vertellen’. ‘Jawel, vertel: denk aan de wildvreemde lezer!’ ‘Nou goed, voor de wildvreemde lezer dan,’ knipoogde ik. ‘Klootzak’, zei ze. ‘Ga je me nog lang onderbreken?’ En toen zweeg ze.    4. ’s Morgens was er geen zon, alleen donkere wolken met wat onweer en regenwater. ‘Fuck,’ dacht ik toen ik mijn Mercedes insprong, ‘Is dit nu een weertje om voor de eerste keer naar Brussel te rijden?’ Brussel is levensgevaarlijk met de auto: stel je het gerust voor als een Spaans tomatengevecht waarin je met een gloednieuw wit maatpak onbevlekt door moet navigeren. Of overdrijf ik? Hoe dan ook, ik werd om 17:00 verwacht in Brussels Café, en daarvoor moest ik jou zien in Brussel. Ik had geen keuze: drie dagen later vertrok jij voor drie weken naar India. Falen was dus geen optie, en ik was voorbereid: een picknickmand met daarin jouw favoriete broodje, jouw favoriete smoothie en een kleinigheidje dat zelfs voor jou een absolute verrassing was. Met al dat lekkers op de achterbank reed ik de garage uit, het noodweer in. Gelukkig had ik net nieuwe ruitenwissers. Op straat wandelde Joke voorbij, een vriendin van enkele huizen verder die me ooit, op vakantie in Rhodos, haar borsten liet zien (ze was toen zestien, ik veertien en bijgevolg erg onder de indruk). Nu zie ik haar lopen en is ze ongeveer even boeiend als de soepmixer in de tweede lade links onder het keukenaanrecht: af en toe kijk ik er eens naar, zonder meer. Het is niet dat ik meteen soep ga maken: ik heb namelijk al jouw favoriete smoothie. Ze wuift, ik wuif afwezig terug en rijd snel door. Wat kan zij me bommen, ik rijd naar jou toe! Welgeteld tien minuten voordat je in Brussel Centraal de trappen opliep klaarde de hemel uit. De zon straalde met het mooie meisje en ik liep naast haar Frank Deboosere te bedanken voor zijn accurate weersvoorspelling (laten we in het moment blijven: Frank is niet romantisch en je hebt nog slechts 2.675 tekens voor de grote finale). Fast forward. ‘Wil je even je ogen sluiten?’ vroeg ik je op een bankje aan het paviljoen. ‘Wat?’ ‘Gewoon even je ogen sluiten, en ze pas openen wanneer ik het zeg’. ‘Je gaat me toch niet kussen, hé?’ ‘Nee, helemaal niet, ik ga wachten tot je ze sluit, wegwandelen en morgen misschien eens komen kijken of je hier nog zit’. ‘Grapjas,’ zei je. Met gesloten ogen zat je naast me, een tijgerin in het Warandepark, en heel voorzichtig bracht ik het zilveren hangertje om je hals. ‘Het is prachtig,’ zei je en omhelsde me. Vuurwerk, het voelde als Nieuwjaar, maar het was juli. ‘Als ik haar nu kus, verpest ik dan alles?’ dacht ik. En denk ik nog vaak wanneer ik jou zie, met dat zilveren hangertje om je hals. Nog steeds…    5. ‘Nieuwjaar? Zeker dat je niet kerstavond bedoelt?’ vraagt ze veelbetekenend (de hele affaire met de sofa die ik geheel terzijde laat, dat gebeurde onder andere op kerstavond). ‘Nee, lieverd, onze wildvreemde lezer heeft namelijk geen zaken met kerstavond’. ‘Nee, dat is waar, maar Nieuwjaar?’. ‘Herinner je niet meer hoe ons jaar begon? Met vuurwerk, kort na middernacht, en een heleboel mensen en een hyperactieve hond die de straat op liepen. En hoe wij nadien alleen achterbleven, een andere straat in, waar we samen uitkeken op de horizon en lichtjes en elkaar omhelsden? Vuurwerk. Dat is hoe het begon. En weet jij hoe het eindigt? Nooit. We’ll always have Paris. Zoiets gaat nooit voorbij en zelfs als ineens alles anders is zullen jij en ik nooit… Sorry schat, ik maak het weer te moeilijk’. ‘Dat geeft niet,’ zegt ze terwijl ze overeind komt en dwars op mijn schoot gaat zitten, met haar armen om me heen. ‘Het was een mooi verhaal’. ‘Wil je zeggen dat…?’ Ietwat overhaast ontmoet haar glimlach de mijne… het is een fijn weerzien. Onze lippen delen geheimen waar onze tongen over zwijgen, ook al schrijven grote schrijvers autobiografisch. ‘Je hebt nog 1.102 tekens,’ fluistert ze, ‘wat ga je daarmee doen?’ Ik lach – zoveel geluk moet haast ongezond zijn – en zeg haar: ‘Dat, mijn lieve meisje, gaat de wildvreemde lezer niets aan...’

Blikschade
1 0

Midnight Express

“Ours is essentially a tragic age, so we refuse to take it tragically”. D.H. Lawrence 1. Central Park, New York, iets na middernacht. Noem het een poëtisch, gotisch of stereotiep begin, het betekent zo veel of zo weinig als u zelf toelaat, maar daar liep ik dus: te midden van drugsdealers en homoseksuelen. Aidsgoeroes... Verwrongen spiegelbeelden van de overdaagse joggers en eekhoorns. Ik was niet op zoek naar hen, miserie – als ik het zoek – vind ik het thuis wel bij D.H. Lawrence, Hugo Claus of Stephen King. De inspiratie voor vannacht was Mona: een knap rijkeluiswicht met lichtbruine haren en een blanke huid. Ongeschonden en ongerept: een prinses zonder stamboom. Enkele jaren geleden kwam ze over de vloer, op het bed en ook ergens in mijn keuken. Het hoorde iets eenmaligs te zijn… maar daar blijft het helaas nooit bij. Ze bewonderde wat ik zei en deed en verwachtte van mij hetzelfde. Ik was danig onder de indruk van haar lichaam, maar dat was niet genoeg: ze had ambitie, ze had trots, ze was een hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt vrouw zou worden. Een sterfelijke Peter Pan: gay, innocent and heartless. ‘Binnen dit en vijf jaar kijk ik uit op Central Park, vanuit mijn villa aan de mooie kant van de stad,’ zei ze vastberaden, terwijl ze vanuit mijn raam het duister inkeek, ongeveer vijfenhalf jaar geleden. Aangezien mijn plannen voor vanavond zich hadden opgeschoven tot later of nooit, besloot ik de doortocht door het park te maken, naar die zogenaamde ‘mooie kant’ aan Central Park, om te zien of ik ze zou aantreffen, achter het raam van die beloofde villa. ’s Nachts zie je de engelen niet. Samen met de zon verdwijnen ze het park uit, dat nadien zelf opgaat in de duisternis. Vreemd is die donkere mantel, die als een wolf door de wereld zwerft, bang voor zowel het echte als het valse vuur. Tast het de wereld aan of af? Blijft alles netjes onder de mantel liggen tot het opnieuw gezien wordt of gebeurt er iets anders? Een konijn wordt een duif in de hoed van een goochelaar, en tegen de volgende show is die duif weer gewoon konijn. Of is er iets veranderd? We weten namelijk niet wat er onder de hoed of het dekschild gaande is. Enkel dat het park nu meer aidsgoeroe dan eekhoorn lijkt te zijn. Ik verkies het zo: menselijk in plaats van goddelijk. Donkerder met iets meer dan nacht. Het is verleidelijk om van het pad af te dwalen: om de hoek, tussen de struiken of onder de brug liggen boeiende verhalen als manna voor het grijpen. Het zou ons echter van de premisse doen afdwalen, het werkelijke doel van dit verhaal: Mona, en haar droomvilla in de sjieke buurt, mijlenver voorbij de zeven huizekes van de Voorstad. Wat ligt er daar op me te wachten? Een naakt peertje, een engel, een lege wikkel of gewoon meer van hetzelfde?    2. Eén grote mistlamp en een verlicht bordje met ‘Desire’ op. Dat is wat je ziet van de tram, lang voordat zijn details duidelijk worden. Een wit dak, rode carrosserie en een flauw-gele afwerking rond de ramen. Datzelfde flauwgeel vormde samen met zilvergrijs en stoelbekledingbordeaux het interieur van de tram. De bestuurder droeg een zwart uniform met gouden knopen, en een rood detail geborduurd op de schouders en mouwen. Op het gouden naamplaatje boven zijn rechterborst stond ‘Charles’ in sereen-zwarte hoofdletters. De tram stopt enkele passen voor mij, de deur schuift open en ik kijk recht in de ogen van het bekende gezicht. ‘Wel, wel, masta, nog steeds onder de levenden?’ zegt hij. Voorlopig wel, Carl, antwoord ik, maar wat is dat nou? Ik dacht dat je enkel Cemeteries deed? ‘Tijden en plaatsen veranderen als orders, maatje, dat was New Orleans en dit is New York, uitbreiden en multitasken, weet-je-wel!’ Goeie ouwe Carl... Ik kende hem van die oude tijden, lang voor Neverland, Avalon en het oude Zuiden. Hij was nog geen haar veranderd. Carl had de looks van Robert Johnson, de stem van Louis Armstrong en de grijns van Jack Nicholson. Uiteindelijk voelt iedereen zich op zijn gemak bij Carl. Hij is mijn favoriete chauffeur – zowel zittend op de tram als dronken op de achterbank van een groene Mercury Coupe – en voor de prijs van één zilveren dollar voert hij je naar waar je ook heen moet. Dus betaal ik de man en vertel hem mijn bestemming: ‘Café Europa’. ‘Café Europa,’ zegt hij en grinnikt, ‘in de buurt van Desire, dat lukt me wel. Ga zitten, ouwe vriend’. Ik neem plaats niet ver achter hem. Helemaal achterin de tram zit een vrouw met een jaren tachtigkapsel – lang, zwaar gekruld, geblondeerd haar – en overdreven make-up. Ze is jonger dan ik, niet onknap en doet haar best om mijn penetrerende blik te negeren. Een man op weg naar Café Europa, dat voorspelt niet veel goeds, moet ze vast denken. Café Europa was ooit een plek zoals de Cotton Club, maar dan gelegen aan de haven van Brooklyn. Onder invloed van de noden van de havenlui transformeerde de bar – na een korte tijd als speakeasy – tot een van Brooklyns beruchtste bordelen. Klanten als ik houden er een vaste loge op na, die qua luxe en uitzicht kan wedijveren met het Plaza Hotel en de Waldorf-Astoria. Een hemelbed, zijde en satijn, verse rozen(blaadjes op een blanke of gebruinde huid) en een fles Dom Perignon gekoeld in een goudkleurige ijsemmer: kant en klaar wanneer je de deur opent is hun motto. De meisjes rekenen er ook niet per uur; ze staan de hele nacht tot je beschikking. Tenminste, indien men leeft volgens de code van de gentleman en diens bankrekening. Zo eenvoudig was het, is het nog steeds, in Café Europa, waar de spiritus mundi vloeit en verdampt als Dionysische wijn uit christelijke bekers. Als het collectief breekt, blijft het individu alleen achter, en wat volgt is een queeste naar gezelschap met slechts één bestemming… Word je nooit eenzaam, Carl, ’s nachts, in het donker? Hij lacht, een hartelijke bulderlach die met hem de hele tram doet schudden, ietwat geforceerd. ‘Masta, ik ben een watman, sociaal vaardig als taxichauffeur en kelner: zolang er pendelaars leven, ben ik nooit eenzaam’. Een vluchtige wenk in de richting van de vrouw. ‘Alle vormen en maten, sommige interessanter dan andere’. De juiste vormen en maten had ze inderdaad. Carl had me daarnet niet laten uit-kijken: een blanke huid, jonger en zachter dan haar gezicht, met een gouden hanger – een slang met robijnen ogen – tussen haar nogal voor de hand liggende borsten. Onder het witte, diep uitgesneden topje zag je haar navel, een strak lederen minirokje dat nauwelijks haar heupen kon bedekken, donkere nylons met hier en daar een ladder en daaronder roze pumps – inderdaad: blond-wit-zwart-roos of andersom. Kleurrijk, zei ik, waarop Carl antwoordde: ‘en onder de gekleurde lichten is ze vast een regenboog’. Hij wist dat ze werkte in Café Europa, nog niet zo lang, maar lang genoeg voor Carl om te weten dat de klanten haar Viola noemden. Shakespeare en bordelen: verbonden tot in de eeuwigheid. Ze was in korte tijd de nieuwe sensatie geworden: haar act was die van de aan lager (haven)wal geraakte Broadwayster. Broadway is net niet Hollywood: hier kan men nog een tiet zien – actrices die te diepe buigingen maken of vervuld raken in de kleedkamers. Plots blijven dan de goede reviews weg, worden de stukken prematuur opgedoekt, de theaters gesloten en de actrices op straat gegooid. Maar niet getreurd: over een klein uurtje opent Café Europa en er is nog een positie... schrap dat: alle posities! Mary-Lou has finally made it to Broadway. De wereld gaat op in showbusiness, and there’s no business like show-business. Interessant, Carl, heel interessant. ‘You betcha,’ antwoordde hij met een knipoog. Wat kan ik zeggen? Carl zat in de juiste branche: door te vissen met mijn betekenaars sloeg hij geregeld de juiste betekenis aan de haak. Aangezien we samen al vele watertjes hadden doorzwommen, gaf ik ze hem geregeld in bruikleen. Mijn giften gaven hem de impressie van weten, een dorre schets wetenschap herleidt tot moleculen terwijl het heelal streeft naar entropie – en jij dacht wellicht naar diversiteit. Men is dus beter af – of tenminste pragmatischer – als zaaier dan visser. Waarom dan nog vissen? Om gezellig eens te kunnen ronddobberen in een vochtige poel van verderf, al dan niet om uiteindelijk kopje onder te gaan in die grote, mondiale Styx. Wie ben ik om dat verlangen te onderdrukken? Mijn goede vriend Carl zou het wel begrijpen, dus wond ik er niet te veel doekjes om. Ik denk dat ik met haar eens een praatje ga slaan. ‘Ha-ha, masta! Ik zou het zelf doen indien mijn kont de bestuurderszit niet ingedraaid was. Zo is het, Carl! We zijn allemaal vissende vissers, zei ik tegen hem en wierp mijn hengel uit naar de achterbank.    3. Ga jij ook naar het plezierkwartier, vroeg ik aan de jonge vrouw met het Kim Wildekapsel. Ze knipperde met haar ogen en schudde wat onwennig het hoofd, zoals we allemaal wel neigen te doen indien we plots uit de lucht vallen. Vooraan hoorde ik Carl lachen om mijn vrijpostigheid. ‘Het plezierkwartier?’, herhaalde ze. Ja, je weet wel, ze noemen het ‘Vieux Carré’, dat vierkanten plein net voorbij Columbia Street waar de straatartiesten jurken, de bedlegerigen nooit snurken en de bezoekers zich laten ont... kurkdroge humor, beste lezer, ik laat het verder voor wat het is. Het plein met sierlijk fluorescente namen als Tarantula Arms, Love-Lace, Vertical Whorehouse en – uiteraard, als klap op de vuurpijl – Café Europa. Een flits van herkenning schitterde op haar gezicht. ‘Café Europa,’ zei ze, ‘zeg dat dan meteen’. Ze wierp me een ondeugende blik met dubbellaag coating toe en zei: ‘Dan blijf je toch hangen tot na mijn optreden, cowboy? Misschien staat Viola het toe dat je haar een drankje betaald – of twee, hangt af van je stamina’. Flap-flap, artificieel gewimper, alsof dat het doet – ja, natuurlijk. Beste lezer, nogmaals sorry voor de korte onderbreking maar ik wil even zeggen dat het niet noodzakelijk is om me op mijn woord te nemen: ga het gerust zelf na, maar volgens mij is er iets ernstig mis met vrouwen die over zichzelf in de derde persoon spreken. Ik herinner me nog hoe ik na die uiting haar nogmaals van kop tot teen onderzocht, en niet echt een bezwaar kon verzinnen om procrastinatie en abstinentie in te ruilen voor fornicatie – de tijd van monniken, religie en annalen ligt achter ons. En zelfs Orsino hoor ik geen commentaar leveren over het al dan niet neuken van zijn manwijf, wijfman of welk soort vaartuig Shakespeare ook voor ogen had. Ik lachte en vertelde haar dat het voor mij een genoegen zou zijn om de ‘belle of the ball’ te entertainen. Aan haar pretenties te oordelen was ze een vrij populaire attractie. Dat is goed mogelijk: het was eeuwen geleden dat ik in de sporen van Carls tramlijn had getreden. Wie weet hoe het er in Café Europa tegenwoordig aan toe gaat. Maar waarom ontkende ze dat ze tot Vieux Carré behoorde? Alsof het tegenwoordig nog een schande is! Ze zijn beter dan psychiaters… Deze vlinders die naast de nacht hun nectar delen met mannen wiens vrouwen zich godinnen voelen, een Tantalusillusie die jammer genoeg waanzinnig is. Is het niet zo dat de man die zich koning voelt – zoals Huey Long ooit zei – zich hier nooit zou vertonen? Al dat huidige, domme feminisme – het is immers weinig zinvol – waar vrouwen mannen tot schandknaapjes reduceren omdat er ooit een paar klootzakken – ween-ween – eens gemeen tegen hen waren. ‘Meester, hij heeft me gepest…’ Dat komt omdat hij een klootzak is, en hij het niet alleen voor jou, maar voor iedere goeie lobbes die ooit durft werkelijk van je te houden het inmiddels verpest heeft. Er is alsnog een niet onbelangrijke nuance bij deze redenering: het is de vrouw die de klootzak zijn macht geeft, zich nadien godin waant en met dit gedrag zelfs de mediaan-metaforische goeie lobbes de optie Vieux Carré doet overwegen. Vieux Carré is het Olympos voor eenzame, onverzadigde zielen. De prinsenplaats in Tartaros. Hell ain’t a bad place to be – tenminste, vanuit dit gemakzuchtige standpunt. En zolang mannen nood hebben aan hun portie nectar of ambrozijn om denkbaar goden te zijn, there’s no business like show-business! Wat ik hiermee bedoel ligt volkomen in het midden. Tussen jou en mij, lezer en schrijver, acteur tot acteur, in een ver-ziende plaats waar het tijdsconcept deels is opgeheven. You know someone said that life’s a stage and each must play a part…Viola speelt vergane Broadwayglorie op de podia van het plezierkwartier, ik de opportunistische avonturier met geld en tijd zat. Het stond in de sterren geschreven, zij en ik, achter de coulissen in Café Europa. Carl zou ons er wel brengen… Vieux Carré… Een hemel-bed lacht ons toe als een kolderkat. We raken er wel op tijd voor je act, meid, zei ik, en trok haar vervolgens wat dichter tegen me aan. Mijn vingers gleden over haar linkerborst en streken langs haar navel. Ze keek me aan met wijd-groene ogen, haar blik bevatte een mysterieuze, vreemd bekende ondertoon die ik niet kon plaatsen – een toets in het aroma die mystiek versmolten raakt met een vergeten herinnering. Herinneren is proeven, en proeven wakkert de honger aan. Het valse vuur, vanuit de diepte duikt het op uit het wrak. Het roept ons, vertroebelt de geest als spiritus sancti zonder ooit onze lusten te beantwoorden. In perpetuum. ‘Stop’, ze weerhield mijn hand om dieper te gaan en zei: ‘Niet zo vrijpostig, meneer, laten we vannacht vooral gentleman blijven’.    4. Vannacht in deze kamer draagt ze niets dan lakens en maanlicht. Mijn lakens in mijn bed aan mijn raam dat uitkijkt op het park en de stad. De engelen houden de wacht op het balkon, maar dat ziet ze niet: vanuit de penthouse torent ze uit boven Manhattan. Van hier kan je de Bethesdafontein niet zien, hoezeer zij en de engelen er ook naar uitkijken. ‘Over het uitzicht heb je niet gelogen, maar dit is nog niet de mooie kant van Central Park,’ zei ze. Mona, een kritisch, hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt... weg is. Half in een roes droom ik naast haar en laat ik haar zeggen wat ze wil. In haar omhelzing ben ik ongenaakbaar naakt, onkwetsbaar. Een beeld van god is slechts half-god en half-tastbaar – één zijde van een zilveren dollar op zoek naar de andere. ‘Wat een stad,’ zegt ze, met fonkelende ogen als bij de eerste keer, ‘het is alsof je neerkijkt op de sterren’. Second to right, and straight on till morning, vertel ik haar. Maar dat begrijpt ze niet, zoals ik niet begreep waarom ze me toen plots naar zich toetrok, met haar hand doorheen mijn haar ging en met het topje van haar neus langs de mijne gleed. Ik keek haar vragend aan. Waarom loopt ze niet weg als ik zo dicht in de buurt kom? Misschien denkt ze niet langer aan morgen en denk ik morgen niet meer aan haar. Aan de gedachte dat ze me na de ochtend verlaat, dat ze vroeg of laat haar lichaam van het mijne ontdoet, en terug in haar kleren gaat verdwijnen. In tegenstelling tot engelen en goden ben ik nog niet van marmer of steen… ‘Kom hier, jij’, fluistert ze. Was this fair paper, this most goodly book, made to write…? De nacht valt met mij, achter het raam waaruit je Central Park kan zien, en met wat verbeelding boven de hemel uitzweeft. Maar we kijken niet meer, ik heb haar en zij… leunt voorover en kust me. Ooit, heel even, heeft zij met haar lippen… en ik geloof dat ik toen de rest deed. Toen geloofde ik… niet Mona, maar ik, dat zij het was. Alleen… ik niet.

Blikschade
0 0