Zoeken

Heeft u dat ook? ' 2'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?    Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.   Ik zit alweer op de canapé in de voorplaats. Deze keer ben ik niet alleen. We zijn aanbeland halverwege de jaren zestig. Ik behoor samen met mijn jongste zus, die ouder is dan ik (snap je me?), tot de laatste van acht kinderen die nog bij ons vader en moeder inwonen. Mijn jongste broer, die ook ouder is dan ik (snap je me nu?) is voor de eerste keer op kot in Leuven gaan wonen. Voorlopig ben ik nog veertien. Binnen enkele maanden zal ik vijftien jaren op mijn levenspalmares verzameld hebben en daar kijk ik reikhalzend naar uit, want elk jaar telt, elk jaar kom je zo een beetje dichter bij volwassenheid en dichter bij ‘min of meer je eigen zin doen’.   Deze keer word ik op de zetel geflankeerd door mijn ouders die voor de eerste keer het eerste echte lief van mijn zus mogen inspecteren. Het zal nog een jaar duren eer de ‘liever-lief’-beweging definitief vanuit Amerika naar onze Lage Landen zal overwaaien, dus verwachten we ook dat het geen exemplaar van het langharig tuig zal zijn dat de deurbel zal doen rinkelen.En dat schijnt ook zo te kloppen. Mijn zusterslief is zeven jaar ouder dan zij en lid van een eveneens kroostrijk Nederlands gezin. Omdat ze een hardwerkend ouderpaar zijn die hun eigen confectiebedrijf runnen met verschillende vestigingen aan weerszijden van de grens, hebben zijn ouders besloten hun kinderen naar de kostschool te sturen. Het is daar dat het nieuwe lief kennis maakt met de piano.   Na de gebruikelijke koetjes en kalfjes, vraagt ons vader, terwijl hij naar de buffetpiano in de hoek van de kamer wijst, of dochterliefs lief geïnteresseerd is in zijn muzikale capaciteiten. Vermits muziek de zeden verzacht is er geen protest. Onze pa tovert zijn mooiste trucs uit de zwarte klankkast. Hij wisselt operettemelodieën af met zijn bewerkingen van hedendaagse liedjes. Het nieuwe lief is onder de indruk. Op de vraag van ons vader of hij misschien ook muzikaal is, zegt het lief bedeesd ‘Ik zou ook wat kunnen spelen op uw piano. Mag ik?’. ‘Maar natuurlijk’ is het antwoord.   Het nieuwe lief rookt Rothmans sigaretten, verpakt in een rood karton met witte letters. Hij steekt zijn pas opgestoken sigaret tussen de lippen, neemt de kristallen, rechthoekige asbak mee, zet deze naast het klavier en legt er zijn sigaret in. Hij zet de ronde draaikruk wat lager en trekt nog eenmaal aan zijn sigaret zonder filter. De rook kringelt naar omhoog en dat doen ook de noten die weerklinken als hij de toetsen zachtjes beroert.    ‘Last date’http://youtu.be/3fRkoa9Ek5c   Wij zijn verbluft als we die heerlijke melodie van Nashville’s piano-legende Floyd Cramer horen. Hij heeft vroeger samengewerkt met grote namen zoals Elvis Presley en Jim Reeves. De wijze waarop Floyd, en dus ook het nieuwe lief, de toetsen van de piano hanteert is zonder meer weergaloos.Mijn zus en haar lief trouwen enige tijd later. Maar zoals dat nog al eens gebeurt, besluiten zij menige pianopartituren later om te scheiden. Spijtig dat het verhaal op een valse noot moest eindigen.   N.B.: voor de geïnteresseerde en getalenteerde pianisten onder jullie. Hieronder vind je een instructievideo waar je wordt aangeleerd op welke manier je Floyds pianospel het best kunt evenaren.   ‘How to play Last date’http://youtu.be/wnNoQ8F5oXw

Marc M. Aerts
0 0

Ritselend riet

Het landschap waar hij naar teruggekeerd is, lijkt in geen enkel opzicht op de plaats waar hij opgegroeid is. Waar ooit talloze hutten, waaruit mensen vrolijk heen en weer liepen, tegen elkaar geplakt stonden, terwijl geluiden en heerlijke geuren zich mengden tot een gezellige drukte, is het nu onnatuurlijk stil. Zelfs het riviertje dat vroeger levendig kabbelde, stroomt traag en moeizaam.Abdul bukt zich en neemt een handvol aarde. Het voelt droog en onvruchtbaar aan. Het verwondert hem niet dat niemand zich hier opnieuw gevestigd heeft. Zij die net als hij teruggekeerd zijn, moeten zich hetzelfde gerealiseerd hebben: het land, ooit zo vol van leven, heeft het nu voorgoed opgegeven. De oorlog is er nooit in geslaagd de mensen de mond te snoeren, maar heeft het land haar stem ontnomen.De plukken riet die her en der aan het riviertje staan, zijn het enige teken van leven. Het stemt Abdul triest dat het zijn geboortedorp zo vergaan is. Hoe vaak hij als vluchteling ook verjaagd, uitgescholden of slecht behandeld is, steeds konden de herinneringen aan deze plaats hem overtuigen vol te houden. Hij wist dat hij op een dag terug zou keren. Dat had hij zichzelf beloofd toen hij het land ontvluchtte. Maar in tijden van hongersnood en onzekerheid worden beloftes vaak naar de achtergrond verdreven. Hoewel Hava toen hij met haar trouwde had aangegeven dat ze ook verlangde terug te keren naar het dorp waar hij geboren was, hadden ze het plan uitgesteld tot ze voldoende geld bijeengespaard hadden. Wellicht zouden ze wel verhuisd zijn, als zij niet al snel zwanger was geworden. Toen Fevzi geboren was, beloofden Abdul en Hava elkaar dat ze ooit wel zouden verhuizen, maar na de geboorte van de meisjes, wisten beiden dat ze niet meer zouden vertrekken.Abduls belofte aan zichzelf om terug te keren, was toen al vervaagd naar het verlangen om met zijn gezin op bezoek te gaan naar zijn geboortedorp. En ah, na de ziekte van Hava en de kosten aan het dak, werd ook dat op de lange baan geschoven. Maar het verlangen bleef. Altijd. Dat er niets zou zijn om naar terug te keren, had hij niet voorzien. Hij had zich nooit gerealiseerd dat dat ook een mogelijkheid was. Misschien is het beter, spreekt hij zichzelf toe, dat hij het nooit geweten heeft.Abdul laat zijn blik een laatste keer over het droeve landschap glijden. Al die jeugdherinneringen die hij zijn hele leven gekoesterd heeft, dringen zich aan hem op. De plaats waar zijn moeder manden maakte, het dorpsplein, de kruidenwinkeltje waarin zijn vader gewerkt had,... weg, alles is weg.Overstelpt door verdriet en heimwee naar een plek die niet meer is, sluit hij zijn ogen. Zijn mond opent zich en zijn lippen vormen de woorden van het lied dat zijn moeder voor hem zong toen hij klein was. Steeds luider zingt hij het lied. Hoewel hij nog zelden zijn moedertaal spreekt, herinnert hij zich elk woord feilloos. Het doet hem pijn hoe nergens vogels opvliegen of kinderen nieuwsgierig komen kijken, hoe niets in het landschap teken van leven geeft bij het horen van het steeds luider klinkende lied. Toch zingt hij trots verder. Het landschap werd de mond gesnoerd, maar hij zal nimmer zwijgen.Pas wanneer het donker is, keert Abdul terug. Voor de tweede keer verlaat hij zijn geboortegrond. Voorgoed deze keer, weet hij. Nooit zal hij hier weerkeren. Met het afscheid van de plaats waar hij geboren is en zijn kindertijd heeft doorgebracht, neemt hij ook afscheid van een stuk van zichzelf. Hij voelt zich verweesd, meer nog dan toen zijn ouders stierven. Langzaam slentert hij weg van de grond waarop zijn voorvaderen generaties lang geleefd hebben. Morgen rond deze tijd zal hij alweer thuis zijn, weet hij.  Zijn geboorteland draagt hij voorgoed in zijn hart, maar zijn plaats is bij zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.Bij zonsopkomst, wanneer Abduls vliegtuig opstijgt, waait de wind door het riet nabij het riviertje. Speels ritstelt het, steeds luider en luider, tot het lijkt alsof het riet neuriet. Eerst overstemd door de wind, maar nadien duidelijk hoorbaar klinkt een bekend Arabisch slaapliedje voor kinderen over het verlaten land.

Fuaran
0 0

Sophia

Natuurlijk waren we dol op het huis, maar ik denk dat de echte reden dat we het kochten, de vlaggenmast was. Die stond aan de linkerzijde van het huis en Sophia was er meteen dol op. Het was vreemd hoe snel de vlaggenmast een plaats in ons leven kreeg. We maakten er een sport van om zo veel mogelijk vlaggen te verzamelen. En hoewel ik mijn uiterste best deed, was het Jonas die elke vlag leek te kunnen bemachtigen. Ik heb nooit geweten waar hij ze vandaan bleef halen. Of het nu om Hawaï of om Oezbekistan ging, alle vlaggen kon hij vinden. We vierden de nationale feestdagen van talloze landen waarvan wij niet eens wisten waar zij zich bevonden, door hun vlag te hijsen. En Sophia genoot met volle teugen. Als de zon scheen, zat zij soms uren in haar rolstoel onder de vlaggenmast. Trots als een pauw keek ze vanaf haar plaats onder de vlag naar de voorbijrijdende auto’s, als was ze een langvergeten erfgenaam van de troon van het land in kwestie.De periodes die zij noodgedwongen in het ziekenhuis doorbracht, vroeg zij ons elke dag welke vlag er aan de vlaggenmast hing. Wij vertelden haar dan welk land zijn nationale feestdag vierde en beschreven haar de kleuren van diens vlag. Jonas probeerde zelfs haar elke dag iets over het land te vertellen. Hij vertelde haar over het klimaat, over de mensen en waar zij in geloofden, over de plaatselijke gebruiken en over de dieren die er leefden. Van tijd tot tijd verraste hij haar door enkele woorden in de taal van het land in kwestie tegen haar te spreken. Hij telde tot vijf in het Swahili en stelde zich aan haar voor in het Russisch. Of dat deed hij ons toch geloven, want natuurlijk zouden wij het niet geweten hebben mocht hij een fout maken. Maar Sophia genoot, dus waren wij tevreden. En Jonas misschien wel het meeste.De dagen dat er geen nationale feestdag werd gevierd, of we de vlag van het vierende land niet bezaten, logen we, want niemand wilde haar het plezier van de vlaggen ontzeggen.Ik herinner me nog heel goed hoe Jonas op de dag dat ze voorgoed haar ogen sloot, een witte lap stof nam en er een wereldbol op tekende. Onder de wereldbol schreef hij in grote drukletters haar naam. En wanneer ik nu, jaren later, op zonnige dagen voorbij het ouderlijke huis rijd, zit hij daar, in een tuinstoel onder zijn vlag. Fier als een pauw, alsof de wereld van hem is. En dan weet ik dat Sophia tevreden toekijkt.

Fuaran
3 0
Tip

Nog niet te laat

"Ze zeggen dat de tijd alle wonden heelt, maar zo ervaar ik het niet. Het lijkt alsof de dagen zout in de wonden strooien en het verleden elke dag wat pijnlijker aanvoelt. Ik weet wat je denkt... je vindt natuurlijk dat ik laat ben. Misschien wel te laat..."Terwijl Hendrik nadacht over het gegeven dat hij misschien inderdaad te laat was om de schade te herstellen, hield hij zijn hand voor zich uit, alsof hij zijn vader wilde beletten in te gaan op wat hij net gezegd had."...maar daar ben ik het niet mee eens, vader. Ik ben jouw bloed en ik wil alles doen om het bij te leggen. Het is niet te laat, dat weet ik wel zeker."Even wachtte Hendrik tot vader iets zeggen zou, maar vader was zoals hij altijd al geweest was: zwijgzaam. Hij staarde uitdrukkingsloos voor zich uit. Hendrik kon niet afleiden uit de mans gelaatsuitdrukking of wat hij gezegd had hem iets deed."Het zal je misschien verbazen, maar toen ik tegen je zei dat ik je nooit meer wilde zien... ik heb mijn woord niet gehouden. Ik zag je elke dag, vader. Elke keer wanneer ik in de spiegel keek, zag ik jou. Elke keer wanneer ik sprak, herkende ik jouw stem in de mijne. Jij bent bij me gebleven in mijn voorkeuren en gebruiken. In de manier waarop ik mijn krant lees, eerst het lokale nieuws en dan pas de hoofdpunten. In mijn voorkeur voor zwarte koffie met één blokje chocolade. In mijn hoofd dat op net dezelfde plaatsen begint te kalen als het jouwe. Je hebt me nooit verlaten, vader."Hendrik gaf zijn vader de tijd om het nieuws te laten doordringen. Hoewel de gelaatsuitdrukking van de man niet veranderd was, wist Hendrik dat zijn thuiskomst na al die jaren hem moest overdonderen. Vader was nooit een man van veel woorden geweest. Vroeger was het moeder geweest die in zijn naam gesproken zou hebben, maar moeder was er nu niet. Toen hij haar eerder die dag het nieuws verteld had dat hij weer in de buurt zou komen wonen en het contact wilde hernieuwen, was zij in tranen uitgebarsten en had zij gedurende het gehele gesprek gesnikt. Zij was slechts een vage schim van de sterke vrouw die zij vroeger was geweest. Het was op het moment dat Hendrik zich dat gerealiseerd had, dat hij besloten had het gesprek met vader alleen te voeren. In tegenstelling tot de transformatie die moeder ondergaan had, was vader geen haar veranderd. Hij was nog steeds de stuurse, zwijgzame man die hij zich herinnerde."We kunnen het inhalen. Al die verloren jaren. Ik heb een huis gekocht in de buurt. In een zijstraat van de Molenstraat, waar je vroeger werkte. Je weet wel, de Akkerstraat, daar waar tante Julia nog gewoond heeft... uhm... het witte huis, het derde aan de linkerkant denk ik. Nu kunnen we elkaar elke dag zien. Ik zal je voorstellen aan Marie en aan de kinderen. Ik weet dat je twijfelt, maar het lukt ons vast om het bij te leggen. Voor je het weet, is het weer net als vroeger."Hendrik knikte overtuigd om zijn woorden kracht bij te zetten."Morgen kom ik terug, vader. Dan vertel ik je alles."Voor Hendrik zich omdraaide, bestudeerde hij zijn vader nog eens, die nog steeds onbewogen voor zich uitstaarde. Hij liet zijn blik nog één keer over de figuur die hij verafgood en gehaat had glijden. Zijn held. Zijn evenbeeld.De sierlijke letters boven hem waarin'Jacob MichielsenLiefdevolle echtgenooten vader1925 - 2008' was geschreven, trokken even zijn aandacht, maar lieten deze al snel weer los. De kiezelsteentjes knerpten onder zijn voeten wanneer hij in gedachten verzonken naar huis terugkeerde. Het was nog niet te laat. Hij wist het zeker.  

Fuaran
0 0

Eilandbewoner

    Het kwam allemaal door die brief, die nu op de tafel lag. Gisteren was hij naar de wal geweest. De gebruikelijke boodschappen. Vlees, aardappelen, meel, wat fruit. Olie en touw, batterijen. Hij had willen afrekenen toen Bertus hem ineens wat in handen duwde: ‘Voor ik het vergeet, er is post voor je gekomen.' Post? Dat moest een vergissing zijn, hij kreeg nooit post. Vrienden had hij niet en zijn familie had hij al veertig jaar niet meer gesproken. Maar zijn naam stond wel degelijk op de envelop. Geen afzender. Hij stak hem in de zak van zijn oliejas en rekende af. Terwijl hij terug liep naar de boot, voelde hij er nog even aan. Een vage onrust kroop in hem omhoog. Het ergerde hem. Thuis had hij de envelop op de keukentafel gelegd en was zijn ronde gaan doen. Daarna had hij hout gehakt voor de kachel, tot het begon te schemeren. In de eenvoudige keuken had hij zijn maaltijd bereid. Tijdens het eten had de envelop hem aangestaard. Hij keek naar het handschrift. Een sierlijke hand, waarschijnlijk van een vrouw. Hij kende geen vrouwen. Vroeger wel, toen kende hij vrouwen bij de vleet. Ze lustten hem wel, de krolse katten. Af en toe nam hij er een mee naar huis en dan liet hij zich een nachtje verwennen en kroelen. Dan gaf hij die vrouwen wat ze wilden. Maar 's ochtends bonjourde hij ze het huis weer uit. Het moest niet te intiem worden, daar had hij geen behoefte aan. Hij pakte de envelop van de tafel en scheurde hem open. Het waren vier dichtbeschreven velletjes papier met daartussen een foto van een vrouw. Ze had donkerblond, krullend haar dat onder een zuidwester uitstak. Lachend keek ze hem aan. Haar ene arm lag ontspannen op het roer van een schip. Met haar andere zwaaide ze naar de fotograaf. Er ging een schok door zijn lichaam.   Het begon te onweren. Vanuit het westen knetterden de flitsen als goudgele aderen door het zwart. Hij telde de seconden tot de volgende donderslag. Zo'n 10 kilometer nog, maar met deze wind zou het rap dichterbij komen. Het paard werd onrustig en hinnikte. Het was bang voor onweer sinds het een keer vlakbij de stal was ingeslagen. ‘Ho maar jongen, rustig!' Hij aaide het dier langs de hals en overwoog wat hij zou doen. Ondanks het donker wist hij precies waar hij was. Als ze terug zouden lopen waren ze eerder thuis, maar hadden ze het onweer in hun rug. Het was beter door te lopen. Hij versnelde zijn pas. Het onweer kwam inderdaad snel dichterbij en nam in hevigheid toe. Het kostte hem de grootste moeite om het bange paard in bedwang te houden. De zee loeide en smeet haar golven woedend op het strand, met bruisende schuimkragen. Hij wilde het zichzelf niet toegeven, maar hij voelde hoe zijn hart sneller begon te kloppen, hoe onrust als een traag kruipend dier langs zijn benen omhoog kwam en zich nestelde ter hoogte van zijn maag. Hij kreeg het benauwd in zijn dikke trui en oliejas. Het zweet begon langs zijn slapen naar beneden te druppelen. Woedend rukte hij de zuidwester van zijn hoofd en propte hem in zijn jaszak. ‘Godverrr! Kom op man!' Nog nooit was hij bang geweest. Stormen had hij meegemaakt, vele malen erger dan deze. Heftiger onweer waarbij de bliksemflitsen onophoudend de hemel verlichtten en zware donderslagen de lucht deden trillen. Weer hoorde hij die ene zin in zijn kop: ‘Maar wat als je op je sterfbed ligt, zou je het dan niet zeker willen weten?' Hij vloekte. Het was niet de storm of het onweer waar hij bang voor was. Het was iets anders. Iets wat hem bedreigde, wat zijn leven overhoop wilde halen en verstoren. Erger nog, het was al gebeurd. Het was in zijn kop gaan zitten en nu hij hier in de storm liep en hij zich plotseling bewust werd van het gevaar door de bliksem getroffen te worden, waren het de woorden uit de brief die hem bang maakten voor de dood. Hij brulde zoals hij nog nooit gebruld had. Een schreeuw die alle opgekropte gevoelens van al die jaren bevrijdde. Nog geen seconde daarna kwam de knal die het paard wild deed steigeren. Hij was er niet op verdacht geweest omdat hij niet op het paard lette en struikelde. Een felle pijn schoot door zijn hoofd.   Toen hij bijkwam was het al licht. Het paard en de kar waren in geen velden of wegen te zien. Het waaide nog steeds hard. De lucht was grijs en het regende zachtjes. Hij zat onder het bloed en z'n kop deed verdomde zeer. Het klopte venijnig bij zijn slapen. Hij had een schop tegen zijn hoofd gehad en een beste ook. Kermend kwam hij overeind. Als hij door de duinen ging sneed hij een stuk af. Bij het huis stond het paard. De kar was hij onderweg verloren. Het tuig was gebroken en hing half op de grond. Het dier stond rustig te grazen en hinnikte toen hij zijn baas in het vizier kreeg. ‘Braaf jongen. Braaf.' Hij klopte het dier op de flanken en haalde het kapotte tuig van hem af. Toen leidde hij hem naar de stal, gaf het dier wat hooi en ging het huis binnen. Hij waste zijn hoofdwond en verbond het. Daarna trok hij schoon goed aan en zette een kop koffie. Aan de keukentafel gezeten pakte hij de brief en las hem nog eens door. Hij bekeek de foto van de vrouw op de boot aandachtig en nieuwsgierig. Daarna stond hij resoluut op en liep naar de satelliettelefoon. Het was zijn enige verbinding met het vaste land, bedoeld voor calamiteiten. Nog maar twee keer had hij hem gebruikt. De keer dat er een lijk was aangespoeld en toen het paard zo ziek was dat hij dacht dat het dood ging. Op het moment dat hij contact kreeg met de wal, voelde hij een soort lichtheid die hem overspoelde.  ‘Het is met Sieger hier. Ze moeten me komen halen. Er moet een dokter naar me kijken.'  ‘Is het ernstig?' klonk het ongerust aan de andere kant van de lijn.  ‘Weet ik niet. Maar luister, je moet nog iets voor me doen.' ‘Zeg het maar Sieger.' ‘Ik geef je een telefoonnummer. Dat moet je bellen.' Hij noemde het nummer dat in de brief stond en de naam van de vrouw.  ‘Zeg haar dat ik haar wil zien als ik aan wal ben.' ‘Ik wist niet dat je nog iemand kende aan wal.'  ‘Nee. Zeg dat ze opschieten. De pijn in m'n kop is amper te harden.'  ‘Als jij het zegt zal het zo zijn. Ik maak er werk van.' Hij verbrak de verbinding en liep terug naar de keuken. Daar las hij de laatste zinnen van de brief nog een keer voor hij hem in zijn zak stopte: "Ik weet vrijwel zeker dat ik je dochter ben. We kunnen het uit laten zoeken, dat kan tegenwoordig. Ik weet dat je er al die jaren mee hebt kunnen leven. Maar wat als je op je sterfbed ligt, zou je het dan niet zeker willen weten?" Hij trok zijn wollen jopper aan, sloot de deur achter zich en liep naar de kleine aanlegsteiger. Daar ging hij zitten wachten op de helikopter. Nu kon hij niet meer terug.

Astrid Ottes
0 0

Het zwembad

Koos was al geruime tijd niet meer in het zwembad geweest. Er was hier echter niks veranderd, constateerde hij, terwijl hij zijn kleedhokje afsloot. De tegels op de vloer niet, de zachtgele muren niet, zelfs de plastic kledinghaken waren nog dezelfde als voorheen. Normaalgesproken deed hij op woensdagmiddag weinig bijzonders. De krant lezen of even zijn rug strekken op de bank. Sinds hij op advies van de bedrijfsarts nog maar twee halve dagen per week op het verzekeringskantoor mocht werken, had Koos zeeën van tijd over. De eerste weken had hij veel moeite met al die loze uren gehad. Vooral vanaf een uur of een in de middag. Te laat voor nog een kop koffie, te vroeg voor een borrel. Vaak liep hij dan maar een extra rondje met Fikkie door het plantsoen, maar nu het buiten ijzig koud geworden was, deed hij dat voorlopig liever niet. In plaats daarvan schilde hij dan maar vast de aardappelen of dopte hij de sperziebonen voor de warme maaltijd.   Koos vouwde zijn kleren op en stopte ze in de stoffen boodschappentas. Bij gebrek aan slippers had hij zijn sandalen meegenomen. Hij had een hekel aan de vieze vloeren in het zwembad. Het was een ware kunst om ervoor te zorgen dat je niet in haren, pleisters of in een uitgesmeerd patatje stapte. Hij trok het touwtje van zijn zwembroek aan en stapte in zijn sandalen. Met een handdoek over zijn schouders en de boodschappentas aan zijn arm liep Koos de galmende geluiden van het zwembad tegemoet. Luid gejoel, een harde gil, kinderstemmen, een snerpend fluitsignaal. Koos was tien jaar terug in de tijd. Hij voelde het handje van zijn kleinzoon Max in de zijne en hoorde het aandoenlijke stemmetje ongeduldig vragen: ‘Opa, opa, zullen we samen van de glijbaan?’ Koos legde zijn tas en handdoek op een van de plastic kuipstoelen bij het raam en keek aandachtig rond. Het viel hem op dat er in het pierenbad een pinguïn, vis en kikker bijgekomen waren. Ze spoten straaltjes water uit hun bek. Max had dat vast erg leuk gevonden, dacht Koos. De digitale klok boven het diepe tikte doorlopend de secondes van een minuut af. Koos was benieuwd of hij nog steeds in staat was om een flinke duik te maken en binnen de minuut aan de andere kant van het zwembad weer boven water te komen. Hij vermoedde van niet. In de afgelopen jaren was hij van één naar twee pakjes sigaretten per dag gegaan. Evengoed stapte hij, achter twee slungelige knapen aan, de trap naar de hoge duikplank op. Onderwijl sprak hij zichzelf moed in. ‘Je kunt het, je kunt het,’ mompelde hij. ‘Wat zei je, mafkees?’   Verschrikt keek Koos op. Een van jongens keek hem recht in zijn ogen aan.   ‘Praat niet tegen mij, ouwe,’ zei de jongen. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei Koos. ‘Bek houden,’ antwoordde de jongen en hij draaide zich weer om. Voetje voor voetje stapte Koos even later naar voren. De donkere strepen op de bodem van het zwembad golfden zacht heen en weer. De duikplank leek hoger dan eerst. Had hij een acute vorm van hoogtevrees ontwikkeld? Of was het gewoon alweer iets waar hij plots in faalde? Hij voelde zich weeïg worden. Teruglopen was geen optie. De man achter hem tikte met zijn ring op de metalen leuning. Zoals de badmeester vroeger in gestaag tempo op het trapje klopte. Door-gaan. Door-gaan. Door-gaan.      Koos telde tot drie, haalde diep adem en stapte de duikplank af. Als een zoutzak viel hij naar beneden. Hij plonsde in het water, tikte met zijn tenen de bodem aan en kwam weer boven. In schoolslag zwom hij naar de kant en hees zich omhoog. Zijn oog viel daarbij op het bubbelbad, te midden van de stroomversnelling. Koos liet zich in de stroomversnelling glijden, sloot zijn ogen en liet zich meevoeren. Als hij langs een harde waterstraal kwam, werd hij even weggeduwd, wat een glimlach op zijn gezicht deed verschijnen. Om hem heen hoorde hij hoe de kinderen verwikkeld waren in hun fantasieverhaal over een schipbreuk. ‘Hou mijn hand vast, ik ga dood!’ gilde een meisje luidkeels. ‘Kan niet, ik ben te ver,’ riep een stem in de verte terug. Koos opende zijn ogen en stak zijn behaarde arm uit. ‘Hier,’ zei hij, ‘een stuk drijfhout, hou je maar vast.’ Het meisje keek hem aan en greep in de bocht naar de plastic palmboom. Koos dreef verder af en kon niet zien hoe lang ze zich vast bleef houden. In zijn volgende ronde door de stroomversnelling hing ze er niet meer en nam hij de afslag naar het ondiepe bad. Hij zwom onder het bruggetje door, totdat hij de bodem tegen zijn knieën voelde schuren en ging staan. Hij keek naar een jongetje dat van het kleine glijbaantje naar beneden roetsjte. ‘Opa! Kijk dan!’ hoorde Koos in zijn gedachten en hij zwaaide naar kleine Max. ‘Sta je lekker te gluren?’ vroeg een doorrookte Caballerostem achter hem. ‘Viespeuk!’ Met tranen in zijn ogen stapte Koos het zwembad uit, pakte zijn tas van het kuipstoeltje, schoof in zijn sandalen en liep naar de douches. Er was toch wel een hoop veranderd sinds kleine Max er niet meer was, constateerde Koos, terwijl hij het warme water op zijn hoofd liet kletteren.      

Juliëtte Rosenkamp
35 0
Tip

Het ongeluk

Zie ons hier zitten. Jij en ik samen, dichter bij elkaar dan ooit. Je hoofd leunt tegen mijn schouder, mijn kin op je blonde haren. Je bent mooi. Met mijn ene arm hou ik je vast, de andere streelt beverig je gezicht, je wang, je ogen, je lippen. Je bent zacht. Ik heb het warm. Je t-shirt is vuil, je rok hoger dan hij zou moeten zijn, je schoenen liggen wat verderop. Wat ik zie van je benen, ontneemt me de adem. Ik wil je geen pijn doen. Ik kus je en fluister lieve woorden. Je bent stil.     Het is niet goed. Je zou hier niet moeten zijn met mij, niet op deze manier, niet hier. Je bent te jong. Je bent hier niet klaar voor, dit is niet wat je wil. En wacht maar tot je ouders ervan horen, vroeg of laat gebeurt het, ze zullen niet juichen. Ze zullen het niet begrijpen, ze zullen kwaad zijn, op jou, maar vooral op mij, ook al treft mij geen schuld. Ik ga ervan uit dat je weet wat je doet, daarvoor ben je toch niet te jong.    De mensen kijken. Velen lijken gechoqueerd, allemaal gapen ze ons zonder gêne aan. Heimelijk gefluister. In andere omstandigheden zou ik hen de les hebben gespeld, maar nu maakt het me niets uit. Laat ze maar praten, laat ze maar staren. Je kan het ze niet kwalijk nemen. Je bent te jong, nog niet klaar, net wat ik al zei. Dat vinden de mensen ook, ik zie het, hoe sommigen stil het hoofd schudden en dan mij, vooral mij, verwijtend aankijken, alsof ik er iets aan kan doen en, ook, alsof het hen nooit kan overkomen. Ze houden afstand, de mensen. Sommigen wijzen, naar ons, naar jou, je t-shirt, je benen. Een kind wijst naar je fiets.    Hij ligt daar, je fiets, op de grond, zo ongeveer halverwege onszelf en de starende mensen. Een mooie fiets. Maar met dat wiel is iets niet goed. Gebogen, in een vreemde hoek. Kapot. Net zoals je been. En je hoofd. Naar mijn auto heb ik nog niet gekeken. Het heeft ook geen belang. Wat telt, ben jij. Ik wil je niet loslaten, niet nu, niet hier. Wat de mensen denken, interesseert me niet. Ik wil bij jou zijn, meegaan met jou, maar dat gaat niet, je bent er niet, je bent al weg.   Zeg toch iets.

joris
27 5

Mijn droom werd waar ! Deel 2.

Mijn droom werd waar ! Deel 2.   Mijn allerbeste klasgenoten ,   Van ganser harte welkom op onze reünie : “ klasgenoten van 1960-61-62 . “ Het is inderdaad 43 jaar geleden en voor sommige meerdere jaren als dat we afgezwaaid waren  ??? (om het in termen van ’t kamp te zeggen.) Wat waren we fier en gelukkig , eindelijk van ’t school af ,gedaan met huiswerk maken ,lessen leren ,luisteren naar maar vooral gehoorzamen aan de nonnekes en juffen ,in de rij lopen ,groeten ,reverences met neergeslagen ogen , een uniform dragen , het ergste zeker was die platte vlaai op ons hoofd dragen voor in de kerk en niet te vergeten de witte sokjes. Eindelijk het grote mensenleven tegemoet … In 1962 werden we 18 jaar .EINDELIJK !!! Nu mochten we alleen een café en dancing binnen , toch dikwijls paspoort tonen , zeker in de dancings.       We waren zeker niet altijd met studie , leren en school bezig. We dweepten met idolen , de een wat meer als de ander ,o.a. Ricky Nelson ,Elvis Presley ,Fabian , Pat Boone , Paul Anka , The Everley Brothers ,Harry Belafonte ,Little Joe en Adam uit Bonanza en zelfs WIILL TURA , ( algemeen luid applaus ,er waren grote fans in onze klas ! ) We gingen dansen in de LUNA ; de GRAZIELLA ; de GALA PALACE ; de ARISTO ; de  CENTRAL ; CAFE CINEMA ; de DEPOT ;de ROMA . Onze filmidolen gingen we bewonderen in de SPLENDID ; de CASINO ; de APOLLON ; de PALACE ; de REX . Graag zou ik even willen overlopen hoe onze tijd op school is vergaan … In 1957-58 werd het lager onderwijs hervormd van 8 graden naar 6 leerjaren . We hadden net het zevende studiejaar achter de rug en zouden na de grote vakantie naar het achtste  gaan , dat kon niet doorgaan ,  dus kwam er de oplossing : een jaar eerder naar de leerwerkschool. De leerplicht was toen tot 14 jaar. Het orientatiejaar werd geboren ,er werd tijdens eind jaren ‘ 50   flink gebouwd , de nieuwe klassen waren nog niet klaar , daarom kregen we lokalen  in de oude gebouwen van voor de wereld oorlog 2 . De school en klooster waren toen gedeeltelijk verwoest door het bombardement . Er was een A klas met juf J. en klas B met juf A. Ze waren onze klastitularis . De directrice ,de grote aanvoerder was niet SOEUR SOURIRE maar SOEUR IRENE de GONZAQUE . 1958 Wereldtentoonstelling te Brussel , schoolreis in groepjes verdeeld van 6 meisjes vergezeld van een leerkracht. We hadden onze knapzak mee , in het paviljoen van het Vaticaan mochten we die verorberen , we bestelden daar onze eerste export 33 cl., met lekkere frietjes . We proefden EXPO brood met PLANTA margarine , 3 kleurenijswafeltje . Allemaal lekker ! Onze juf M . was onze begeleidster op de expo , toen ik haar later ontmoeten vertelde ze mij  hoezeer ze genoten had in  ons gezelschap want we waren beleefde en slimme leerlingen . (Zij heeft het gezegd ! ? ) De opleiding was snit-naad en confectie maar ook drie jaar huishoudkunde . Van soeur J. (plekpot) kregen we koken en voedingsleer . Anekdote : wanneer we niet oplettend waren klapte ze in de handen en maanden ons  aan om ons voor te stellen dat zij de T. V. was en wij aandachtig moesten kijken en luisteren . Hilariteit alom met de vraag : zuster Brussel Vlaams of Frans of Holland ? Het ging zo eventjes door en het lesuur was voorbij. Ze was nochtans een schatje maar haar nonnen pij hing altijd vol plekken van bloem , boter en andere smurrie. Juf M .( 1-2-3 ) leerden ons de was  en onderhouden van alle materialen in huis .Menige generaties weten onmiddellijk over wie je spreekt wanneer je zegt : juf 1-2-3 . Soeur H.C.  gaf  de geheimen prijs van verstellen en strijken . In de klas stond een prachtige kast , steeds op slot , met elektrische strijkijzer toch maar alleen om naar te kijken en zeker niet om te gebruiken . leren strijken gebeurde met ijzeren strijkijzers  ook  van voor de oorlog , die  op de kachel  verwarmd werden . Er werd ons perfect geleerd hoe je kon voelen of de warmte oké was . Ze kenden zelfs zwart werk door dactylo – en Franse taallessen te geven , zeker niet te versmaden was haar jaarlijks optreden met sinterklaas . Het schooljaar 1958-59 kwam er aan met de start in de prachtige nieuwe klaslokalen . Voor ons eerste jaar Technisch Beroeps . Klas a. :soeur M.D. ( de madonna ) ? vraag me niet waarom . Klas b .: juf R . (van de post ). De eerst gehuwde leerkracht kwam ons les geven over de algemene vakken en Nederlandse taal . Juf J .( de spin ) gaf parlez-vous de français . Soeur A . en juf M.J. leerden ons zingen en musiceren; Het jaar vloog weer snel  voorbij . Schooljaar 1959-60 kondigde zich aan met voor ons het tweede jaar , dit  had 69 inschrijvingen , deze werden in 3 klassen ingedeeld : a .: soeur A.R. (den aap ) ? b juf A . en c.: juf R . .Voor de c klas was in de nieuwe bouw geen plaats dus vlogen we in een lokaal van de lagere school .Bij het einde van dit jaar waren  ook de lessen huishoudkunde ten einde . Met getuigschrift onder de arm naar de verdiende grote vakantie ,  om te snel weer naar en op de schoolbanken voor het  derde jaar , 1960-61 , tof jaar met fijne lesgevers. Klas a.: soeur L. ( heeft ons leren walsen voor een schoolfeest ) Klas b .: juf M ..    We werden in het oog gehouden bij het binnen en buiten gaan door juf M . Er werd serieus ( niet altijd ) hard gestudeerd , patronen getekend , geknipt , gedriegd ,genaaid en gestikt ,gezucht en geblazen …We vroegen om een schoolreis , het was geleden van de expo trip ,op ons verzoek naar keuze werd niet ingegaan  en als protest ging de helft van de klas niet mee , we waren een beetje rebels en haalde streken uit , in de leraarskamer werd er dikwijls met onze kapriolen gelachen , ( maar dat wisten we toen nog niet ) De directrice maanden de lesgeefsters aan om geduld en compassie te hebben met ons daar we oorlogskinderen waren , geboren in 1944 . Het schooljaar 1960 -61 eindigde met een mooie modeshow die heel wat volk op de been bracht van ver over de grenzen van en naar onze gemeente. Door de jaren heen was  voor en bij de nonnekes het voornaamste onderricht : GODSDIENST . Ik vergeet nooit dat ik enkele dagen thuis bleef om ons ma te helpen na een zware operatie. Mijn ouders hadden daarvoor de toelating gekregen , daar ze beloofd hadden dat ik zeker de godsdienstlessen zou komen volgen. De laatste jaren waren paters uit L . die de lessen gaven . Die ene pater , moeder natuur was niet mild geweest voor hem , (sorry ) het was een echte smoelentrekker . De plezantste van de klas kon hem geweldig imiteren en dat resulteerde in buikpijn van het lachen bij ons . De volgende pater wilde ons seksuele voorlichting geven ,maar werd op miraculeuze wijze steeds onderbroken door de komst van de directrice met de melding dat er een dringende bespreking was.                                                               Daar komt 1961-62  aan met klas a.: juf R . en klas b.: soeur M.R. Op de eerste dag werd ons aangeraden om ons te gedragen als bijna 18 jarige ,  dan zouden we er ook naar behandeld worden , voilà , het was werken volle bak  want de jaarpunten  telden mee. De rode draad en uitlaatklep van onze schooltijd was turnen en lichamelijke opvoeding door juf S .  soms oef en dan bah , de koprol met lendeslag over de plint staat nog steeds in mijn geheugen en voel ik nog steeds aan de rug . In het laatste jaar kwamen er dan ook nog verkeersreglementen lessen bij gegeven door juf S . De dag voor de examens had in de Luna een studentenbal plaats met gastoptreden van WILL TURA . Daar kwamen veel meisjes op af en zo feest en sfeer en kassa kassa ,  voor de studenten. Samen met vriendinnen waren we present ,heel de avond dansen ,zingen flirten ,kusjesdans ,dus niets geleerd, uitslag 4/10, mijn eerste buis ,mijn reactie : joepie , werd niet gesmaakt en ik werd op het matje geroepen bij de non . IK bekende dat ik heel de avond veel plezier gemaakt had en gedanst  met officieren ( dat laatste was gelogen ) maar dat lag gevoelig bij de nonnekes en het pasten  in hun kraam , dan en mijn slechte punten werden door de vingers gezien . We hebben ook nog in de lessen van plastische opvoeding : Juf C . deelgenomen aan een wedstrijd voor dessin van behangpapier . Het gewaagde en pikantste (toen in onze ogen ) waren de maandelijkse biecht in de kapel . We maakte werk van de lijst der zonden die we dan steeds aframmelden . Bij het opmaken van het lijstje liepen we de tien geboden af en noteerden een reeks zondekes voor ons groepje ,we hadden het nog nooit over het zesde en negende gebod gehad dus dit item inlassen  : onkuisheid . Ik was  eerste in het alfabet dus eerst aan de beurt .Ik belijd mijn zonde met enige vrees ,aarzel even ,en dan het laatste item . Stilte in de biechtstoel … plots de vraag : alleen of met twee ? Ik  In mijn geval met verstomming en totaal stilzwijgen …   Drie weesgegroetjes en de absolutie . Iedereen benieuwd ,wat speelt er zich af en wat zegt die biechtvader ? Tot ik de biechtstoel verlaat en mijn vriendinnen met de vraag : wel ? Ikke stilletjes : die vroeg alleen of met twee ? Hilariteit en gibberen , er waren die rijper en meer wisten op dat vlak .                                                                          Iets dat we ook zeker nooit zullen vergeten : wat hebben we gepoetst en gekuist al die jaren bij de nonnekes. Tot zover. De namiddag verliep veel te vlug ,maar mijn droom was uitgekomen en wie durft zeggen dat dromen bedrog zijn heeft het mis ! Nog een dikke knuffel voor mijn klasgenoten . G .                

g.a.she
56 1

de informaticus

Informatici, ik blijf het vreemde mensen vinden. Alsof ze er zijn en niet zijn. Uitblinkers in afwezige aanwezigheid. In elk geval: je lijkt hen altijd te storen, dat staat vast. Ook al ga je pal voor hun neus staan, op hun schermpje is altijd iets veel interessanters gaande.Het komt eropaan behoedzaam de inbelverbinding naar hun brein te activeren en hoopvol af te wachten of er links en rechts iets begint te zoemen, te piepen en op te lichten. Als je daarin slaagt en eindelijk hun aandacht krijgt, beginnen de problemen pas. Dat is niet verwonderlijk, want een informatica-probleem is in hoofdzaak een informaticus-probleem. Problematiseren is hun vak. Het is niet omdat informatici eruitzien als robots, dat ze ook zouden kunnen vervangen worden door robots! Hoe preciezer je vraag dus, hoe vager, onduidelijker en mysterieuzer hun antwoord. Ook als je gewoon een batterij voor je laptop wil bestellen.De verkoper-informaticus aanhoort mijn vraag, draait zijn scherm weg, t.i.k.t. iets in en staart. En staart ..."Oei, er is een probleem" luidt het na ettelijke minuten.Dat is natuurlijk geruststellend, een probleem betekent dat de informaticus wel degelijk aan het werk is. Van contentement begin ik mee te staren. De leegte in, de toendra op, de mysterieuze nevel van de tijd tegemoet. Staren. Klikken. Staren. Staren ..Uiteindelijk weerklinken de verlossende woorden: "Ja, er is wel degelijk een probleem ..."Niets overhaasten nu, even laten bezinken ... "O ja, welk probleem?" vraag ik voorzichtig.Staren. Staren ..."Het is nogal duur", luidt het antwoord."O ja", zeg ik, en samen staren we nog wat verder. Dit is immers niet het moment om de informaticus uit zijn concentratie te halen. Doe je dat wel, dan is de kans groot dat hij je vraagt wat je vraag nu eigenlijk alweer was.Staren ..."Ik zal het dan gewoon thuis zelf online bestellen" zeg ik ten slotte."O ja, dat kan je doen", zegt de informaticus aangenaam verrast. Tevreden staren we allebei voor ons uit."Hartelijk bedankt voor de service, meneer", zeg ik ten slotte."Graag gedaan, meneer, daar zijn we hier voor", zegt de informaticus.

Guy Bourgeois
46 0
Tip

Uitgenodigd

            Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend. Ik kan me voorstellen dat je wantrouwig stond tegenover mijn uitnodiging. Misschien ben je dat nog steeds. Ik zou het je niet kwalijk nemen. Het is te lang geleden, vriend. Ga toch zitten.             Het mag een wonder heten dat deze zitbank hier nog staat.             Het hout is droog en ondervoed. Hier hebben we zo vele uren versleten. In die tijd hing er een nevel over deze bank. Die daalde neer op onze huid en in ons hoofd. Hele nachten hebben we hier doorgebracht.             We gaven licht in het donker, zo jong waren we.             Radeloos en jong. Roekeloos.             Alsjeblieft, ga zitten. Met de voeten op de bank en het zitvlak op de rugleuning, net zoals toen. Je voelt het weer, een stroomstoot door je borst. Ongeleide kracht. De bank heeft ze voor ons vastgehouden. Ik kan maar beter mijn mond houden. Ik wilde gewoon even met jou op deze plek zijn.             Stoort het je als ik praat? Van alles wat je met ouder worden zou moeten appreciëren, vind ik de stilte nog het ergst.             Waarom kwamen wij toch telkens naar hier? Naar deze bank, op dit pleintje? Een doodgewoon pleintje met hier een bank, daar een boom, gras onder onze voeten, en een vuilnisbak? Als ik het nog kon, zou ik de zoden uit de grond rukken om te kijken of deze plek ons in de grond nog iets te bieden heeft.             De grond laat mij de laatste tijd niet met rust, vriend. Heb jij dat ook?             We kwamen naar hier. We konden alles doen, overal konden we naartoe, maar we kwamen naar hier. En nu zit ik hier weer. Ik zit hier weer. Geloof mij, oude vriend, ik heb geleefd, vraag het na bij mijn geliefden, mijn kinderen, mijn kleinkinderen,geloof mij maar.             En nu brengt iets dat ik niet begrijp mij uitgerekend naar deze plek. Ik weet niet wat het betekent. Toen niet en nu niet. Je weet hoe het gaat: roekeloos wordt bedachtzaam.             De radeloosheid blijft.             Was het de nevel? Dat moest het zijn geweest. Niet de bank of de boom of de vuilnisbak, het was de nevel die ons naar hier lokte. Ons hele rijke leven zweefde daarin rond, botste nergens tegen grenzen op. Het was de nevel, een donzig kussen waarmee wij bovenop onze toekomst zaten zoals op de zitbank van een pleintje.             Ik hou het niet lang meer vol zo.             De rugleuning zeurt tegen mijn oude botten aan. Gênant is het, vind je niet, overal moeten vragen om een kussen. Oude vriend, het spijt me dat ik zo veel praat. Vind je ook niet dat het uitzicht veel helderder wordt? Bekijk het vuil daar eens, dat samenspant op de opgedroogde lijm van een verdwenen sticker, daar op de vuilnisbak, of de groeven in de boomschors daar, de uitpuilende ogen van het hout, hier, schuif je voet eens op, hier.             Het doet mijn ogen pijn, zo helder. Ogen horen er met de leeftijd op achteruit te gaan.             Oude vriend, het spijt me, het is zo stom. Ik droom nooit. Daarom nodigde ik je hier uit. En dank dat je gekomen bent. Echt. De laatste jaren droom ik nooit meer, en onlangs, zo stom, droomde ik dat wij hier zaten. Jij en ik. Hier. Op deze bank. Het schokte me dat jij het was, ik had je zo lang niet meer gezien. We keken naar elkaar en we zwegen. Ik zag ons zitten. Ik wist dat ik droomde, ik zag ons hier zitten.             En het ergerde me dat ik mij niets kon herinneren.             Ik kon mij gewoonweg niets herinneren. Ik wist dat jij het was, dat wel, en dat we hier zaten, maar dat wekte niets. Geen enkele herinnering. Of jij je iets kon herinneren wist ik ook niet. Je zei niets, in ieder geval.             Toen zag ik, daar bij de boom, een man staan, met zijn rug in onze richting. Hij droeg een rugzak die open stond. Ik wilde gaan kijken naar wat in de rugzak zat. Ik was ervan overtuigd dat de inhoud van de rugzak mij toebehoorde, of ons, misschien. Jij zag de man ook. Dan keek ik opnieuw en ik zag hem nog net, daar, recht voor ons, het hoekje om lopen, met zijn brede rug en zijn ondoordringbare jas.             Dank dat je tot hier gekomen bent, oude vriend.

Jan
44 2

Ambitie & Centjes

Hans wil centjes. Hij wil Dagobert Duckgewijs in een zwembad vol biljetten duiken, daarna een sigaar opsteken; een sigaar die goedkoop geproduceerd wordt door Cubaanse kinderhandjes en verkocht in het Westen tegen woekerwinsten. Hans geeft niet om slavenarbeid. Winstmarges, die zijn belangrijk. Daarom heeft hij zich verloofd met Helena, dochter van innovatief ondernemer Willy Steenhoudt. Hans wil zich een hoge post in zijn bedrijf versieren, en een bureau waaronder een escorte kan plaatsnemen tijdens een conference call. Af en toe zou hij zijn exen opbellen, afspreken, hen oppikken met zijn blauwe lamborghini. Hij zou hen een peperdure ketting schenken, al rijdend een grondige pijpbeurt krijgen, hen terug naar huis brengen en zeggen, 'ik ben gelukkig getrouwd, dus haal je maar niet te veel in je hoofd. Ik bel je wel.' Dat type manager wil hij zijn. Maar daarvoor moet hij eerst die ring om Helena's vinger schuiven. Diner bij de toekomstige schoonfamilie. Hans zit tegenover Helena's moeder, Hélène. Hélène wrijft al de gehele tijd met haar blote voeten over zijn been, geile knipoogjes, getuite lippen. Hij voelt zich ongemakkelijk, kijkt naar Helena en Willy die druk met elkaar converseren, ze merken niets. Hij snijdt zijn rosbief, vindt er een briefje in: straks na het eten buiten roken. Hélène x Het dessert is naar binnen gewerkt, te zoet naar zijn smaak. 'Willy, mag ik een van je Cubaanse sigaren? Ik ga buiten even roken, mijn eten laten zakken.' Willy negeert hem, blijft verder praten met Helena over groeimarges, nieuwe markten, productontwikkeling. Hans neemt dan maar een sigaar die in een verguld kistje op het dressoir ligt, stapt via de veranda naar buiten de tuin in. Hans rookt, wacht, begrijpt het niet. Die Hélène is blijkbaar het type schoonmoeder die avances maakt op haar schoonzoon. Dat maakt hem verward, geil. Na tien minuten ziet hij haar silhouet in de veranda, het komt dichterbij, staat pal voor hem. De sigaar in haar mond is slecht gerold. 'Ik hou niet van dure spullen', zegt ze. 'Waarom wou je samen met me roken?' Hans wil duidelijkheid. 'Kom mee', antwoordt ze, pakt zijn hand vast, neemt hem op sleeptouw verder de tuin in. 'Je bent naïef en ambitieus. Van zulke mannen hou ik. Zulke mannen kan ik iets bijbrengen. Ofwel ben ik een cougar, wie weet. Kom, blijf staan.' Ze zet zich op haar knieën, haalt zijn lul uit zijn broek, in haar mond. Haar slecht gerolde sigaar ligt smeulend in het gras, hij smeulend in haar. Het leven kan slechter. 'Hans? Haaans?' 'Hélène?' Hans schrikt op. Hélène niet, die doet gulzig verder. Helena, Willy, ze roepen hen. Hans voelt zich niettemin gedekt door het donker, rookt verder, het oplichtende uiteinde van mijn sigaar kun je vanaf de veranda niet zien, denkt hij. Hij aait over Hélènes hoofd, 'braaf meisje, braaf'. De ontlading is nabij, haar tong kronkelt aanstekelijk, Hans trilt op zijn benen, ogen tot spleetjes, hoofd achteruit, zijn pik wordt harder, klaar om te SPOTLIGHT in haar gezicht. In zijn gezicht. De spotlampen die aan de buitenkant van de veranda hangen schijnen in zijn ogen, Helena en Willy komen doorheen dansende witte stipjes dichterbij, 'wat gebeurt hier'?' Hij valt flauw. Hans wil nog steeds centjes. Het zal moeilijker worden nu Helena de verloving verbroken heeft, maar hij houdt de moed erin, met het afschuimen van Rotaryfeestjes en whiskey. Hij heeft er wat voor over. Half drie zaterdagnacht, er wordt aangebeld. Hij doet open, schrikt, Hélène met twee koffers, 'Hans, ik moest naar je toe. Willy is weggegaan. Eindelijk. Mag ik blijven slapen? Zonder te slapen?' Hans twijfelt, kijkt naar haar borsten. Ze zien er goed uit voor die leeftijd. Ervaren knakkers. Maar deze vrouw brengt geen geld in het laatje, geen netwerk, huisvrouwtje met pijpmond. Handig wanneer je centjes hebt, onhandig wanneer je ze nog moet verdienen. Plotse wolkbreuk, ze smeekt om binnen te komen. Om te komen. Hier draait het niet om, denkt Hans, het draait om centjes, winstmarges, productontwikkeling. Hij slaat de deur dicht, het is genoeg geweest. Tijd om aan zichzelf te denken. Twee weken later, zevenuurjournaal. Schandaal. Een gescheiden adellijke dame heeft een escortebureau met exclusieve gigolo's opgericht, de rest van haar bedrijven heeft ze verkocht. Haar ex, Willy S., zit aan de grond. Haar dochter H komt in beeld, ze heeft beschutting gezocht achter een wazig beeld en een diepe stem. Ze verklaart dat haar vroegere verloofde schuldig is aan dit familiedrama. Hélène de Beaumauvais d'Escopalle wordt afgeschilderd als een gewetenloze manipulator, mannenverslindster, zakenvrouw. Hans veert op uit zijn zetel, zet de laptop aan, googelt ' Hélène de Beaumauvais d'Escopalle'. Onmiddellijk haar website: Gigolo à GoGo. Het ziet er professioneel uit, ambitieus. Hij hoeft niet lang na te denken, belt de nummer op de website, herkent haar stem, 'Hallo, Gigolo à GoGo, met wie kan ik u opgeilen?' 'Ik ben het.' 'Zo zo. Je hebt blijkbaar het nieuws gezien?' 'Ja.' 'Waarom bel je me?' 'Hoe gaat het?' 'Bel je daarom? Jongen toch, wees eens eerlijk. Wat wil je van me?' Op het nieuws de zoveelste Syrische vluchteling. 'Ik heb ambitie, wat heb jij?' Hij wil zelfzeker klinken, volwassen, geen jongen meer. 'Ik vroeg niet wat je hebt. Ik vroeg wat je wil.' Hij laat het los, alles, eerlijk, 'ik wil centjes.' 'Echt? Wil je centjes? Dan kunnen we praten, jongen.'

Michaël Verest
0 0

De appelboom

Een arme jongen ging elke dag aanbellen bij mensen in de straat op een beetje eten te vragen. In sommige huizen kreeg hij een klein potje nootjes of een appel, in sommige huizen kreeg hij niets. Alles ging goed, maar helaas was dat van korte duur. Op een grijze dag werd het crisis in het land. Alle mensen gaven nu niks meer omdat ze moesten besparen. Vijf dagen later stierven zijn ouders aan voedseltekort. De jongen hield het ook niet lang meer vol. Een paar dagen kroop hij rond om een beetje voedsel te vragen, maar hij kreeg nog steeds niets. Tot er een oud vrouwtje in de straat kwam wonen. Het oude vrouwtje was heel vrijgevig. Altijd als de jongen kwam, gaf ze veel mee. Een brood, een paar appels, enzovoort. Zo ging het een tijdje door. Tot het vrouwtje stierf. De jongen was radeloos. Tot er op een dag een notaris kwam zeggen dat het vrouwtje hem haar huis had nagelaten, aangezien ze geen andere familie meer had. Het geld en al het overblijvende voedsel schonk het vrouwtje ook aan de jongen. ‘Bedankt’, zei de jongen. ‘Maar ik schenk het huis aan het afgebrande weeshuis’ ‘Dat is vriendelijk’, zei de notaris. ‘Maar’, zei de jongen. ‘Ik zou graag binnen een beetje voedsel willen gaan halen’. ‘Natuurlijk’, zei de notaris. Je mag zelfs al het voedsel hebben. En het geld’. De jongen pakte zijn rugzak en stak hem vol met voedsel. Vooraan in een zakje stak hij het geld. Al het voedsel at hij op. Alleen 1 appel liet hij liggen. Daar ging hij mee naar het kerkhof en vroeg hij of hij achter het graf van het vrouwtje de appel mocht begraven. En 10 jaar later, de jongen had inmiddels een huis en een vrouw, stond er op die plek een prachtige appelboom.

Jonas Neyens
11 0

Cinema

Ons dorp, dat weliswaar de allure had van een stad(je), telde drie cinemazalen. In de jaren zestig sprak men nog niet van bioscopen. Een bioscoopje meepikken bestond toen nog niet; men ging naar de cinema of men ging naar de film.   Drie heuse filmtempels waren het: de Casino (met nadruk op de eerste lettergreep en niet op de tweede want dan zou 'de' 'het' zijn), de Splendid (wat voor een naam was dat! Het duurde tot mijn dertiende levensjaar en eerste jaar Engelse les, alvorens ik wist wat het betekende) en de Apollon (dus met een ’n’ op het einde).   In de Casino in de Stationsstraat moest je zijn als je de grote spektakelfilms wilde bekijken. De eigenaars zullen een schoon frankske verdiend hebben aan kleppers zoals ‘De Tien Geboden’, ‘Ben Hur’ en ‘Spartacus’. Vooral die eerste film werd regelmatig opnieuw vertoond. Ik vermoed dat dit gebeurde op verzoek van de nabijgelegen scholen, als er weer enkele klassen ‘rijp’ werden bevonden om kennis te maken met het wedervaren van de Israëlieten tijdens hun reis naar het Beloofde Land via het witte doek, in plaats van via de lessen ‘Gewijde Geschiedenis’. Zulk een mastodont van een film duurde méér dan lang genoeg om een ganse namiddag te vullen. Dat er mogelijk diezelfde avond van diezelfde dag een andere film werd vertoond - waarbij de actrices weinig om het lijf hadden, want zo kon je toch vermoeden als je naar de uitgestalde foto’s in vitrinekasten keek waarbij ontblote damesborsten deels werden verscholen achter zwarte afplaktape - kon de directies van O.L. Vrouw-Visitatie en de Broeders van Liefde niets schelen.   Er was nu eenmaal, buiten de bekende kostuumfilms, ook nood aan cinema waarin geen kostuums of alleszins weinig kleding werd gedragen. Dat kwam omdat de cinemabezitters moesten voldoen aan de eisen van een van hun belangrijkste doelgroepen: de soldaten. Aan cafés was er geen gebrek, dus moesten er ook voldoende filmzalen een zo vakkundig mogelijk uitgekozen en gevarieerd programma presenteren. Voor wat de prenten betreft ‘met weinig om het lijf’ moest je vooral in de Splendid zijn, tegenover het station. Over de jaren heen had de uitbater daarvan zijn specialiteit gemaakt. De laatste ‘geklede’ film die ik er gezien heb, was ‘Goldfinger’ met een nog erg jonge Sean Connery in zijn derde kaskraker.   Vijftig jaar geleden werden ook veel minder films, zowel in kwantiteit als kwaliteit, gedraaid en vertoond. Zo kon het dat ik James Bond in zijn tweede 007-film ‘From Russia with love’ pas later op het jaar zag en wel in cinema Apollon. Dit kon je eerder de wat bravere cinemazaal noemen waar ik zowel Viko Torriani (je moet al zestigplusser zijn om daarvan gehoord te hebben) op het witte doek zag als de Beatles, weliswaar niet in dezelfde film. Typisch voor die tijd was dat je heel wat waar voor je geld kreeg. Voor twintig frank (nog geen halve euro) werden niet één maar twee films geprojecteerd, met tussendoor een korte pauze, waarbij je een cola of pintje dronk of een frisco, met extra dun chocoladelaagje, naar binnen smikkelde. Popcorn en chips waren voorlopig nog uit den boze en té Amerikaans. Those were the days, zeg dat wel.   ‘Kissin’ on the back row of the movies on a Saturday night with you’ en wat mijn lief en ik daar deden vertel ik lekker niet, maar het was wel lekker. De film … of die goed was … ik weet het niet … niet gezien!

Marc M. Aerts
16 0