Zoeken

De wet van Murphy hadden ze nooit aan moeten nemen!

Lamgeslagen kijk ik naar mijn mobiele telefoon die vrolijk rondjes draait voor het raampje van de wasmachine. Dat is mooi balen! Kan er ook nog wel bij.   Vannacht was het lot van deze dag al bezegeld toen mijn jongste het hele bed had onder gespuugd. Mijn lieftallige wederhelft heeft niets meegekregen van mijn nachtelijke bezigheden. Onder luid gesnurk deed ik haar in bad en verschoonde ondertussen als een duizendpoot het bed. De thermometer geeft 39,2 aan. Het arme kind was hondsberoerd. Nadat er niets meer in zat om eruit te gooien vertikte ze het om te gaan slapen en was de enige optie bij haar in het piepkleine bedje te gaan liggen. Resultaat was dat ik geen oog had dichtgedaan. Tegen de ochtend viel ik met haar warm zwetend lichaampje tegen me aan in slaap tot we kort daarna wakker werden van de wekker. Lekker dan! Nu moest ik samen met de zieke op mijn fiets stappen om de oudste naar school te brengen. Om mezelf en in ieder geval de moeders bij school voor de gek te houden, smeerde ik een laag make-up op en fatsoeneerde mijn haar, voor zover dat mogelijk was vandaag. Zo leek het tenminste nog een beetje wat.   Aan tafel maakte zoonlief er een enorme smeerboel van. De pindakaas zat in zijn haren en natuurlijk ging er een beker melk om. Omdat ik bijna omviel van vermoeidheid was mijn geduld ver te zoeken en kreeg hij de wind van voren. Natuurlijk voelde ik me gelijk schuldig toen de melkstorm weer voorbij was, maar te laat. De stemming was gezet. Op mijn mamamobiel reed ik de straat uit met een zeer ontstemmend jongetje naast me op de fiets.   Weer thuis stopte ik de zieke in bed. Die kon nog wel wat uurtjes slaap gebruiken en ik zelf ook. Net toen ik zachtjes de deur van haar kamer dicht deed ging de deurbel. Direct wist ik wie dat zou zijn en langzaam voelde ik een zure, doordringende hoofdpijn opkomen. De reparateur van de afzuigkap zou vanmorgen langskomen. De afzuigkap is stuk en het is ‘best handig’ als hij werkt. Door de ‘fantastische’ nacht en ochtend, was ik het helemaal vergeten.   Van bovenaf keek ik wie er voor de deur stond, waardoor mijn vermoeden werd bevestigd. Daar ging mijn slaap. Nu moest ik mijn best gaan doen om hem zo snel mogelijk weer de deur uit te werken. Zodra hij een voet over de drempel zette wist ik al dat ik daar naar kon fluiten. Totaal gecharmeerd van mijn inderdaad mooie keuken stond zijn klep niet stil. Ondertussen werd ik me bewust van een weeïge gevoel in mijn buik. Kennelijk heerste er iets besmettelijks in huis en werd ik niet gespaard. Dat hielp niet om snel en efficiënt meneer erop te wijzen dat hij toch eigenlijk niet echt gelegen kwam. Op ieder andere dag had ik graag een werkende afzuigkap, maar op dat moment kon het me niets schelen.   Toen hij eindelijk uit was gekletst besloot hij om de eilandafzuigkap eraf te halen. Met alle schroeven los bedacht de uiterst intelligente man dat hij dat ding toch niet alleen in de lucht kon houden en repareren tegelijk. Met mijn verstand kennelijk op nul liet ik mij gebruiken als assistent eilandafzuigkap reparateur. Terwijl alles in me riep ‘nee! ik wil dit niet!’ stond ik toch op het eiland boven mijn krachten de afzuigkap in de lucht te houden.   Maar het is de beste man gelukt om dat ding te repareren. Toen het klusje geklaard was, was hij snel vertrokken. Mogelijk ook enigszins uit schaamte dat hij mij moest inzetten voor zijn klus.   Uitgeteld wilde ik net op de bank ploffen als ik van boven een ziek zielig stemmetje hoor roepen. Ik hoopte dat ze niet nog een keer in bed had gespuugd en dit keer had ik geluk. Samen gingen we op de bank liggen. Weer het warme koortsige lijfje tegen me aan. Ik voelde me zelf ook nog steeds flink belabberd. Af en toe vielen zelfs mijn ogen even dicht. Totdat bleek dat de kleine nog een grote golf maaginhoud over had om me helemaal mee te bedekken.   Op de badkamer kleedde ik me uit en gooide het hele zooitje in de wasmachine…

Liselotte Schippers
7 0

Winteruur

Als ‘s morgens de wekker gaat, ben ik best een blije vogel. Een ochtendmens zeg maar.Tenminste… In de zomer. Dan spring ik ‘s morgens mijn bed uit om fluitend aan de dag te beginnen.   In de winter is het een heel ander verhaal…Als de wekker gaat, duurt het enige tijd voordat ik in de gaten heb dat dat geluid toch echt niet in mijn droom thuis hoort. Langzaam proberen mijn hersenen, die onder invloed van de nacht-illusie nog ernstig druk zijn met het aanmaken van Melatonine, wakker te worden. Nog langzamer begint het tot me door te dringen dat het piepende ding op een actie van mij wacht.Bestaan er nog irritantere geluiden dan die van de wekker?Waarom nu? Waarom?   Waarom hebben wij mensen geen winterslaap? Het hele idee van een winterslaap is tenslotte het overleven van de winter, zonder energie te hoeven besteden aan nutteloze zaken zoals het opstaan in de kou en in het donker. Deze energie kunnen we in de zomer vast ergens anders voor gebruiken. Waarom kunnen we niet gewoon de dag pas beginnen als het licht is? Gezien het feit dat ons biologisch systeem zo is ingesteld.Waar zijn de fluitende vogeltjes en het warme zonnetje als we ze nodig hebben? Het is veel te koud om te douchen en aan te kleden.   Rillend en bedekt met kippenvel met het liefst mijn ogen nog dicht, ga ik die eerste uitdaging van de dag aan.   Of dan alleen een winteruur in plaats van een winterslaap.Wat zou het toch mooi zijn als we dat eerste winteruur van de dag konden overslaan.

Liselotte Schippers
0 0

Paradijs

De kinderen spetteren al uren in het blauwe zwembad, zodat ik ondertussen alle tijd heb om zinnige letters op papier te zetten.  Alle rust en alle tijd van de wereld om de galerij uit mijn gedachten toe te vertrouwen aan het schrijfblok op mijn schoot. Een kruidige geur van eten met een zweem van zonnebrandolie en bier danst aangenaam door de lucht. Mijn hoofd rust op het warme lijf van mijn lief. Het gevoel van het kloppen van zijn hart en zijn zachte strelen voelen als de eerste dag. God in Frankrijk. Dit is mijn paradijs. Zon, zee en strand… liefde, rust en tijd. Veel tijd, want alles wordt ons hier op een dienblaadje aangereikt. Precies zoals ik me een luxe vakantie altijd al had voorgesteld. Steeds laat ik de warme zandkorrels tussen mijn tenen door glijden, mijn zegeningen tellend. Sinds de uitgave van de laatste serie kinderboeken, loopt het als een trein. Als dit zo door gaat, kunnen we ons ieder jaar weer een paar weken paradijs veroorloven. Er zijn al een aantal verzoeken voor manuscripten binnen gekomen en net voor we vertrokken naar dit prachtige oord, kreeg ik te horen dat mijn laatste manuscript verfilmd wordt. Wat een eer! Met mijn ogen dicht, ondertussen gloeiend van de warme zon, fantaseer ik welke bekende acteurs de rollen zouden kunnen vertolken. Carice is geknipt voor de rol van Julia. Welke flitsende acteur zullen we daar nu eens tegenover zetten. Lang krijg ik niet om daar over na te denken, want ik moet mijn schrijfblok in veiligheid brengen. Het gespetter in het zwembad heeft zich tegen mij gekeerd.   Met bakken komen dikke grote regendruppels uit onze Hollandse lucht vallen. Vliegensvlug jaag ik door mijn tuin om alles wat niet nat mag worden, droog te zetten. Mijn door de zon gebrande gloeiende gezicht worden geblust, net als mijn paradijs. Een meisje mag toch dromen…  zucht ik, met een verlangend gevoel naar die schemerige slaap. Toch lachend om mezelf ga ik weer over tot de orde van de dag,  de realiteit. Ach, zand tussen je tenen is ook niet alles…

Liselotte Schippers
0 0

Maar werk ik dan nooit?

Nu heb ik beslist geen hekel aan mijn werk als sociaal psychiatrisch verpleegkundige, maar ik kan toch ook niet zeggen dat ik er elke dag even florissant bij zit. Raar maar waar: ik ben ook maar een mens. Men denkt vaak dat ik het zelf allemaal zo doe zoals ik het probeer over te brengen. Dan heb ik het over het algemeen wel over patiënten en niet over de mensen die mij kennen, want die weten wel beter. Natuurlijk probeer ik te praktiseren waar ik over preek, maar heb uiteraard mijn eigen worstelingen.   Om nog eens iets anders uit de wereld te helpen voor de leek: het feit dat ik ‘in de psychiatrie’ werk, betekent zeker niet dat ik dwars door iemand heen kan kijken. Of iemands ‘geest’ kan doorzien en begrijpen. Je wilt niet weten hoe vaak ik deze aanname bespeur. Soms lijkt het mensen zelfs een beetje af te schrikken. Maar hallo! Ik ben gewoon Liselotte hoor!   Wel voel ik me ontzettend bevoorrecht dat ik in gesprek met patiënten hen een stapje verder kan helpen. Al is het maar om even een glimlach op een gezicht te toveren in een leven vol ellende. Keer op keer ben ik weer verbaasd en trots op het vertrouwen dat me wordt gegeven om een kijkje in andermans keuken te mogen nemen. Ondertussen denk ik na ervaring niet meer als de eerste dag: ‘ik doe ook maar wat’ en natuurlijk heb ik er voor geleerd en werk in een team waarmee ik samen bepaal hoe ik of wij het beste iemand kunnen helpen, maar ik ben sterk van mening dat het écht contact maken het grootste deel van ‘het werk’ is. En dat is iets wat ik zelf doe. Bij elke nieuwe patiënt en ook in de afspraken met patiënten die ik al langer zie, is het steeds een fijne uitdaging om echt contact te maken.   Laatst begreep iemand (weer) niet hoe ik het toch kon: altijd maar dag in dag uit de ellende van iedereen aan te horen.‘En dat terwijl jij zelf zo gevoelig bent. Ik zou het niet kunnen’.Het ligt vast aan mij, of je moet het zelf ervaren om het ook zo te zien, maar slechter kan ik het voor de meeste mensen niet maken. Wel beter. Het geeft mij na ruim dertien jaar nog steeds een goed gevoel als ik iemand beter de kamer uit zie gaan dan hij of zij binnen kwam. Het geeft me een goed gevoel dat ik mensen kan helpen. Als ik dat niet kan, dan zal ik ze ook niet lang zien. En eerlijk is eerlijk: het is ook best fijn om er regelmatig aan herinnerd te worden dat ik het lang zo slecht nog niet heb met mijn eigen gedoetjes. Dus als ik een dag weer eens niet zo florissant begin, kan het wel eens zo zijn dat ik er het einde van de dag een stuk beter bij zit.   Ik doe echt wat ik leuk vind. Maar werk ik dan nooit? Toch wel. Keihard. En als het om patiënten gaat, meestal met plezier!

Liselotte Schippers
2 0

Het vlooiencircus 2 (slot)

‘Beste Alfons, ik zou...' begon de koningin, maar zij werd onderbroken. 'Alfons de Tweede, liefste, dat weet je heel goed,' sprak de koning vermanend. 'Je hebt gelijk, mijn heer, maar nu terzake. Ik zou het op prijs stellen als je eens met je dochter gaat praten. Ze wil mij niet zeggen wat er is, maar ik heb wel mijn vermoedens.’ ‘O ja,’ zei de koning, ‘en wil je die soms met mij delen?’ ‘Ach, waarom ook niet,’ sikkeneurde de koningin. ‘Ik vermoed dat het iets met die korte rokjes te maken heeft.’ ‘Verklaar je nader, liefste,’ sprak de koning liefdevol maar niet vrijblijvend. ‘Wat is er met die korte rokjes?’ ‘Ze kunnen niet korter,’ fluisterde de koningin zwaar ademend. ‘Ze kunnen niet korter meer en daarom is onze dochter in een zwart gat terecht gekomen. Er vallen geen grenzen meer te verleggen. De spanning is er af. De jongens hebben alles gezien en zijn niet langer geïnteresseerd. Ze boeken op grote schaal vakanties in het land waar het te warm is, ookal dragen de meisjes daar lange rokken.’ Misschien wel juist daarom, bedacht de koning. Hij begreep dat er iets moest gebeuren. De impasse was trouwens ook tijdens de afgelopen kabinetsvergaderingen al aan de orde geweest. Kort na het begin van ‘Zoomrevolutie’  was de actuele roklengte punt 1 van de agenda geworden. Volgens de minister van Relaties bestond er een invers, zo niet pervers, verband tussen de roklengte en het consumentenvertrouwen. Zijn stelling was: hoe korter de rok, hoe vetter de kok. Hoe korter de rok, hoe geiler de bok, wist de minister van Dierenwelzijn sinds kort. Een hoop gedoe dus. Maar wel leven in de saaie ministerbrouwerij. Maar intussen zat de roklengte al een tijdje tegen zijn grens aan. Webeschouwd een dubbele grens. Bovengrens: bilnaad. Ondergrens: lengte nul. Een negatieve lengte was volgens de minister van Kleding niet mogelijk. Als economische indicator had je aan de roklengte dus niks meer. ‘Logisch,’ bedacht de koning, ‘als je niks meer aan hebt.’ Iedereen was het erover eens dat er een nieuwe dynamiek nodig was. De slinger moest de andere kant op. De rokzoom moest weer omlaag. Maar hoe?   De ministers kwamen er niet uit en dus moest de koning het zelf doen. En zo geschiedde. Omdat Sarabande deelde in de algemene roklengtemalaise was ze gelijk enthousiast toen haar vader suggereerde dat het misschien leuk was om het vlooiencircus weer eens te laten optreden. Even de zinnen verzetten.  Hij had vernomen dat er een geheel nieuwe voorstelling op het programma stond. De kleine artiestjes traden nu op in een soort mini-Olympische Spelen. Vooral de springnummers moesten spectaculair zijn. Wat te denken van een wedstrijd hink-stap-sprong voor vlooien waarbij een van de pootjes op het ruggetje was vastgelijmd. Sarabande vrolijkte zienderogen op. En voor beten op haar armen hoefde ze niet bang te zijn. De mode schreef al geruime tijd lange mouwen voor. De dag na de voorstelling was Sarabande wakker geworden van de jeuk. Op haar rechter bovenbeen. En dus begon de zoom landelijk, en wat later ook internationaal, snel te zakken.  Nu begreep de schone prinses ook waarom de circusdirecteur deze keer in een korte broek afscheid van haar had genomen. De spiegel had het laatste zetje gegeven. De koning had te doen met zijn dochter maar het landsbelang ging nu eenmaal altijd voor. De beloning voor de circusdirecteur was riant.

Gerard van de Schootbrugge
12 0

Het vlooiencircus

Koning Alfons II zat net even bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers, toen zijn echtgenote, koningin Tiamaria binnenkwam. Rood aangelopen en zonder kloppen. De koning schrok op en zei: ‘Maar mijn liefste…’ Verder kwam hij niet, want de koningin onderbrak hem. Verder kwam hij eigenlijk nooit. ‘Kom eens van die troon en ga naar je dochter. Nu! Naar mij luistert ze niet meer. Het is ook jouw dochter. Bemoei jij je er nu ook maar eens mee. Laat maar eens zien hoe goed je bent in regeren.’ Nadat ze dit had gezegd, vertrok de koningin weer, bijna  zoals ze was gekomen: zonder kloppen maar wel een beetje roder.  De koning zuchtte diep, schudde zijn hoofd en zei tegen zijn kleine gebochelde kamerheer die nooit ver weg was: ‘Ik ben even weg. Alles schuift een half uur op.’   Onderweg naar zijn dochter, de mooie prinses Sarabande, had de koning even tijd om zijn gedachten te ordenen. Morgen werd zijn dochter 18 jaar.  De leeftijd waarop jonge vrouwen op hun mooist zijn. En zij was de mooiste van allemaal. Mooier dan welk meisje ook in het land. Heel het koninkrijk hoopte dat er spoedig een prins zou verschijnen die haar hart zou stelen, of veroveren, dat past beter bij een prins. Misschien morgenavond wel. Tijdens het bal. Want er hadden zich veel adellijke jongemannen gemeld en de een stond nog moediger aangeschreven dan de ander. En onbemiddeld waren ze geen van allen. Direct na haar zeventiende verjaardag was koningin Tiamaria met de voorbereidingen begonnen. De organisatie liep op rolletjes. De lichtgeparfumeerde uitnodigingen waren ruim op tijd verzonden. Niets leek een succes nog in de weg te kunnen staan. Maar juist dan moet je voorzichtig zijn. Overmoed maakt blind. En er zijn altijd geheime machten die er een genoegen in scheppen om het feestje van een mooie prinses in het honderd te laten lopen. En ook nu was dat het geval. Hoe het complot in elkaar zat, wist niemand. Het was zelfs niet zeker of er wel sprake was van een complot. Maar feit was wel dat er een lelijke kink in de kabel was opgetreden. Dat zat zo.   Een maand of twee geleden was er voornaam bezoek gearriveerd uit een land waar de koning niet zo veel me op had. Het was er volgens hem te warm. En dan verweekt het brein. Hij was zo onvoorzichtig geweest om dat een keer uit te spreken terwijl er een persmuskiet in de buurt was. En toen duurde het niet lang of de koninklijke mening was ook in het te warme land doorgedrongen. Met alle vervelende diplomatieke gevolgen van dien. Het voorname bezoek was door de koning uitgenodigd om, zoals hij tijdens een persconferentie opmerkte:  de kou uit de lucht te halen. Dit nu betekende voor het te warme land opnieuw olie op het vuur en dat was wel het laatste waar ze op zaten te wachten. Het bezoek begon dan ook wat stroef maar van lieverlee werd het toch nog gezellig. Op de laatste avond was er een intiem onderonsje om de laatste plooien glad te strijken. Ook koningin Tiamaria en prinses Sarabande waren hierbij aanwezig. Tijdens dit samenzijn vertelde een van de voorname gasten vol verve over het circus en hoe gek zijn landgenoten daar op waren. En het allerleukste vonden ze het vlooiencircus. Daar konden ze niet genoeg van krijgen. Het verbaasde de koning niet, maar hij liet niets merken. Terwijl de koning en de koningin probeerden het gesprek in een andere richting te leiden, wilde prinses Sarabande  alles van dit wonderlijke fenomeen weten. Vlooien, beestjes van niks, die allerlei acrobatische toeren uithaalden en elkaar in piepkleine karretjes door een piepkleine piste voorttrokken. Het leek haar enig. Sterker nog, ze bleef net zo lang aan het hoofd van haar vader zeuren tot deze toestemming gaf voor een voorstelling ten paleize. De voorname gasten juichten het besluit toe. Het zou de betrekkingen tussen beide landen ongetwijfeld verbeteren.  En voor Sarabande zou het een bijzonder verjaardagsgeschenk zijn. De koning bedacht dat de nadelen, het verzet van zijn vrouw, niet opwogen tegen de voordelen. Niet zo vreemd dat hij geroemd werd om zijn wijsheid.   Dit alles had zich dus al wat eerder afgespeeld. Gisteren had zich een wonderlijk gezelschap bij de poort van het paleis gemeld. Ruw volk in twee woonwagens en een tolk van de ambassade om het gesprek enigszins op gang te houden.  In de eerste woonwagen woonde het ruwe, slecht geschoren volkje, in de tweede huisde het circus. De circusartiesten zelf reisden mee op een aantal ondervoede katten in evenzovele kooien.  Op de zijkant van de woonwagens stond in felle kleuren geschilderd: Circus Go With The Vlo. De ontvangst van het wat morsige gezelschap was even slikken voor de hofhouding maar het ging om de internationale betrekkingen. En daarbij kwam een groeiende nieuwsgierigheid naar deze onbekende vorm van variëté. En het moet gezegd, de voorstelling was zeer verfijnd. Dat wil zeggen, je had een flinke loep nodig om de verschillende acts goed te kunnen volgen. De nietige bloedzuigertjes trokken elkaar voort in gouden koetsjes, wat tot ingehouden hilariteit bij de lakeien leidde, ze maakten koprolletjes en er werd zelfs gevoetbald met kleine vlierballetjes.  Iedereen was het er over eens dat de show goed was geweest voor de relatie tussen beide volken. Na afloop omhelsde Sarabande dan ook spontaan de wat nurkse circusdirecteur. Deze beantwoordde de hartelijke geste door de prinses krachtig tegen zich aan te drukken. Een liefkozing van het complete circus want zijn gespierde, blote armen boden plaats aan de voltallige artistieke bezetting van zijn circus. De voorstelling had veel van ze gevergd zodat bijvoeding geen overbodige luxe was. De koning had het allemaal glimlachend aanschouwd, niet beseffend wat de mogelijke consequenties konden zijn. Welnu, die waren vanochtend in volle omvang duidelijk geworden. Zijn dochter had een rood pikje op haar linker bovenarm ontdekt. En omdat het pikje nogal jeukte, had ze er ook aan gekrabd waardoor het kleine pikje veranderd was in een flinke rode vlek. Gevolg: totale paniek voor de spiegel omdat haar volmaakte schoonheid was geschonden, en het dringende verzoek aan haar moeder om het bal uit te stellen of af te gelasten. Er was voor Sarabande een jurk gemaakt die de armen bloot liet. Een jurk van een hemelse schoonheid, vervaardigd van bijzondere zijde. Voor de zijde waren speciaal gekweekte zijderupsen gebruikt die na het spinnen van hun sprookjesdraden gedood waren om te voorkomen dat er ooit nog een vergelijkbare jurk zou opduiken. Sarabande was ten einde raad. Koningin Tiamaria begreep het probleem maar hield haar dochter voor dat de adel haar steun aan het koningshuis wel eens kon intrekken als nu nog, terwijl alle prinsen met hun gevolgen onderweg waren, het bal werd afgelast. Sarabande was in het geheel niet gevoelig voor dit argument. Het enige waar zij gevoelig, zo niet overgevoelig voor was, was het gif dat een vlo uit een te warm land bij haar had achtergelaten. De rode vlek leek groter te worden. Nu was het aan de koning om te laten zien wat hij waard was. Dus zei de koning tegen zijn dochter die zich achter het omhangsel van haar hemelbed had teruggetrokken: ‘Sarabande, lief kind van me, wat ik nu ga zeggen is geboren uit liefde voor jou.’ Hij wachtte even. Hij had een sterke band met zijn dochter. Er klonken een paar snikken en een diepe zucht en toen schoof de voorhang open en verscheen zijn grote schat, zijn prachtige dochter. Ze zag er niet uit met haar rooddoorlopen, amandelvormige ogen, maar dat zei hij niet. ‘Ik heb een oplossing.’ Deze belangrijke uitspraak van haar vader leek nauwelijks tot het fraaie schepsel door te dringen. ‘We gaan de jurk aanpassen zodat de onregelmatigheid niet meer te zien is.’ Nu kwam de prinses weer enigszins bij haar positieven. ‘Ja maar vader, hoe dan?’ zei ze nog wat zwakjes. ‘De jurk krijgt mouwen, wat dacht je daarvan? Het hoeft allemaal niet zo moeilijk te zijn.’ De koning had duidelijk moeite een gevoel van zelfvoldaanheid te onderdrukken. ‘Ja maar, pap, hoe dan? Extra zijde is er niet. Waar moeten we de mouwen van maken?’ De koning schrok even, omdat hij hier niet aan had gedacht, maar hij voelde ook opluchting omdat zijn dochter de suggestie niet direct, hysterisch had verworpen. Nu kwam het er op aan. Zijn koninklijke brein werkte in de hoogste versnelling. En niet tevergeefs. ‘Daar heb ik natuurlijk aan gedacht. De oplossing is simpel. We halen een reep van de zoom en daar maken we de mouwen van. De kleermaker is al onderweg.’ Sarabande wist niet wat ze hoorde. ‘Maar pappa, weet je wel wat dat betekent?’ ‘Wat bedoel je?’ hield de koning zich groot. ‘Nou, dat iedereen morgen mijn enkels kan zien?’ Ze kreeg er een kleur van omdat ze eigenlijk niets liever wilde. Maar haar vader was in zijn nationale kledingvoorschriften nooit verdergegaan dan blote armen. Bij feestelijke gelegenheden mochten de ongetrouwde meisjes hun blote armen laten zien. En dat gaf al opwinding genoeg. Vooral op het platteland wilden de boerendeernes de armgatopeningen nog wel eens extra ruim laten uitvallen. De koning moest even slikken, maar hij kon niet meer terug. Hij had het beleid uitgezet. En slecht beleid was altijd nog beter dan helemaal geen beleid of zwalkend beleid. Dus zei hij: ‘Ja, dat is waar. Maar het moest er toch een keer van komen. In het buitenland zijn ook al vrouwenenkels waargenomen. Een leider die de tekenen des tijds niet verstaat, eindigt op het schavot. En als het dan toch moet gebeuren, dan maar gelijk met de mooiste enkels die er zijn.’ Hij gaf zijn dochter een knipoog. Zij op haar beurt vloog haar vader om zijn nek en kuste hem vol overgave vlak boven zijn baard. De koning voelde zich zeer opgelucht en zei: ‘Ik regel het verder wel met je moeder.’   Het bal werd een regelrechte sensatie. De kranten en tijdschriften stonden er vol van. De groepsfoto op de verlichte trappen van het paleis lieten niets aan duidelijkheid te wensen over. Vooraan in het midden stond de beeldschone prinses. Met bedekte armen en ontblote enkels.  18 jaar jong en wat een enkels! Het nieuwe modebeeld verspreidde zich razendsnel door het land. De meisjes waren niet meer te houden. De schaar ging in de zoom, de enkel mocht eindelijk gezien worden. Maar de geest was uit de fles, of liever: de schaar was uit de mand. Waarom stoppen bij de enkel? Was de kuit minder dan de enkel? En waarom mocht de knie niet getoond worden? En binnen een verrassend korte tijd kon de schaar weer in de mand. Er was niets meer te knippen, er viel niets meer te raden. De koning had deze bevrijdingsbeweging aanvankelijk met een zekere ingehouden voldoening geobserveerd. Het streelde zijn ego dat de ideeën die ooit in zijn brein waren geboren, nu ook in het buitenland navolging kregen. Het was een komen en gaan van delegaties die met eigen ogen wilden zien hoe eeuwenoude zeden in korte tijd omver werden geblazen door een storm van vrijzinnigheid. Even was er een gevoel van euforie, van totale vrijheid. In het land en in het paleis. Maar op een dag kwam de koningin rood aangelopen en zonder kloppen bij de koning die net zat bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers, binnenvallen. Slot: Het vlooiencircus 2 (slot)  

Gerard van de Schootbrugge
0 0

Ik zie wat jij niet kan zien, het leven door de ogen van een gered huisdier

  Ik herinner me weinig van mijn leven. Vaag herinner ik de stank van mijn kooi en de stront waar ik in ploeterde. Tot op een dag mijn leven veranderde.   Sirenes loeiden luid terwijl agenten binnenstormden. We zaten rustig in de woonkamer tussen de vuiligheid, ons huis werd nooit gepoetst. Wij woonden ook veel te klein, herinner ik me. En er was ook niemand die ons de aandacht gaf. Een vrouw kwam, terwijl ze haar neus toekneep dichterbij We keken elkaar aan en voorzichtig durfde ik een stap dichterbij zetten. Haar ogen vol medeleven keken ons aan. De blondine nam haar telefoon en verwittigde “de instantie die zich met ons zou bezighouden” waarna ze de woonkamer en tegelijk ons huis verliet. Dagen hebben we gewacht en nog niemand had zich met ons bezig gehouden. Onze mensen waren weg en wij bleven verwaarloosd in ons eigen vuil achter. Ik begon honger te krijgen en ook mijn vriendin haar maag begon te knagen. Moest ik nu mijn eigen uitwerpselen gaan eten en mijn eigen urine gaan drinken om te overleven? We waren er van overtuigd dat dit ons einde zou zijn. Tot het geluk des levens weer tot ons keerde .. De voordeur werd opengedaan en we werden zonder pardon meegenomen en afgezet in een opvangcentrum. Mijn vrienden en ik werden elk apart van kop tot teen nagezien en we werden gezond verklaard. Alleen zag niemand dat we beide in blijde verwachting waren. Over minder dan een maand zouden we nakomelingen krijgen.   Diezelfde dag werden we met kooi en al in een auto geladen en weggebracht .. opnieuw en waar deze keer naartoe? Achteraf bleek dat dit het huis zou zijn waarin ik zou sterven. Wat had ik me een deuk gelachen, moest ik tenminste kunnen lachen want ik ben slechts een simpele rat. Onze nieuwe baas, mijn grote liefde en ik die van haar, had van niks bang maar van onze grijpgrage vingers moest ze niet weten. Ze dacht dat we zouden bijten. Ik maakte er vlug komaf mee en greep haar hand stevig vast. Ik liet niet meer los tot ze stopte met wegtrekken en me eens deftig liet ruiken. Ik rook tomaten en vers fruit. Iets dat we nooit te zien kregen in ons vorig huis. Haar wantrouwige ogen keken de mijne aan maar vastberaden wist ik haar vertrouwen te winnen. Onze twee mannen werden ’s avonds al geadopteerd en ik en mijn vriendin zou het zelfde lot beschoren zijn. Ik wilde in feite niet weg, hier kregen we eten. Eten dat we voordien nooit kregen, je zou het in feite als luxevoer kunnen aanschouwen. Van de ene dag op de andere deden we ons tegoed aan appels, komkommer en al wat vers en fris uit een koelkast kwam. De dame daar gaf ons een nieuw samen met een nieuwe naam. In ons vorig huis riepen ze “eikes” en nu bestond ik. Ik werd aanzien als een levend wezen met een ziel. Mijn vriendin, een schuchtere blondine kreeg de naam Mona en ik werd Alice gedoopt. We deden zo ons best om haar te overtuigen van onze goedheid. Waarom moet ik hier weg? En ja! Ons doorzettingsvermogen werd beloond! Ze werd verliefd en wij mochten blijven.   Onze buiken werden boller en Mona leek eerst haar kroost op de wereld te brengen. Zij vertrok naar een vriendin van onze baas en ik bleef alleen achter. Er werd me beloofd dat Mona vlug zou terug komen en ik spendeerde uren alleen met mijn baas. Ik had ze voor mij alleen en ze deed alles wat mijn klein maar liefdevol hartje begeerde. En ik denk stiekem wel dat dit de band heeft gesmeed tussen ons. Dat jij en ik doen alles samen-gedoe. Ze gaf me een nieuwe kooi waar ik mijn nest kon maken en rustig kon bevallen.   Op een ochtend ging onze deurbel, mijn baas sleurde op haar eentje een gigantisch grote doos naar binnen. Nieuwsgierig zat ik achter mijn glas haar aan te staren. Enkele dagen later stond er een gloednieuwe, blinkende rattenkooi klaar. Alle dagen gingen we gaan kijken naar mijn nieuwe huis. Mona en ik zouden daar in trekken wanneer onze kinderen het huis uit zijn. Het was zo spannend! De dagen gingen traag voorbij zonder Mona. Mijn baas ging terug gaan werken en ik bleef achter. Maar elke keer de deur openging hoorde ik mijn naam! Ik sprong meteen op haar arm toen ze de kooi open deed. In hoeverre ik dat nog kon want mijn buik begon erg zwaar te wegen. Mijn baas verloor me geen seconde uit het oog en we deden alles samen. Ik mocht mee naar buiten, koken, de tafel dekken en zelfs het bezoek ontvangen. Met de kop omhoog en mijn buik op de grond bekeek ik de wereld om me heen. Ik kon niet gelukkiger zijn al miste ik Mona wel. Maar goed nieuws! Mijn baas weet me te vertellen dat ze al bevallen is. Haar kindjes stellen het goed en Mona doet erg goed haar best om een goeie mama te zijn. Niet veel later moest ik mijn kroost op de wereld zetten. Terwijl de klein mannen me de tepels van het lijf zogen genoot ik van een frisse aardbei die mijn baas bij me had gelegd. Wanneer mijn kinderen sliepen kon ik uit mijn kooi mijn pootjes strekken en ook een serieuze tuk doen. Mijn baasje pakte me en nam me mee naar de sofa waar ik wat kon rusten en tegelijk haar chips kon stelen. Ze stelde me gerust en vond dat ik een goeie mama was. Ik zag toen ook niet in waarom ik mijn kinderen moest beschermen tegen haar, ze nam de zorg zonder problemen over wanneer ik gewoon geen goesting meer heb ik die losgeslagen bende gekken.   Weken gaan voorbij en ik weet soms niet waar mijn hoofd staat. Mijn dochters beginnen rebels te worden en mijn zonen breken het kot af. Ik zie mijn baas in haar haren krabben niet wetende wat er mee te doen. Ze wist al van in het begin te vertellen dat ze wel een thuis moeten vinden. Wij zijn hier een opvanggezin en er moet later plaats zijn voor twee volwassen rattenmeisjes zoals ik. ‘k Zou ze toch graag eens zien maar ik mag niet van mijn baasje. Ze zijn hier al gearriveerd hoor! Ik heb in de verte gezien! Volgens mij lijkt ééntje op mij alleen ben ik uniek! Ik heb een hartje op mijn buik en mijn baasje is daar zo gek van! Ze denkt dat ik één al liefde ben omwille van mijn plekje. In feite ben ik gewoon een simpele rat die lief is ongeacht mijn hartje. De nieuwe meisjes zijn hier lang genoeg om op hun plooi te komen en ik mag zoals beloofd alle dagen hallo gaan zeggen. Ik kan maar beter mijn beste pootje voor zetten want ik moet binnenkort gaan samen wonen met deze dames. De zwarte lijkt precies op mij en ik zie mijn baas denken hoe ze ons uit elkaar moet gaan houden. Die andere dame gaat mijn vriend niet worden, die is zo bang! Maar die ene ook. Ik weet het toch zo niet … Dagen worden drukker, zowel voor mij als mijn baas. Ik begin mijn kinderen moe te worden al kan ik me wel gelukkig prijzen. Ze leren vlug op hun eigen benen staan en baasjelief neemt de bengels alle dagen uit de kooi zodat ik rustig tot mezelf kan komen. Nog enkele dagen en ze gaan weg. Mijn dochters leven nog met mij en mijn zonen zijn al weg. Morgen is het zo ver en heb ik mijn baas terug voor mij alleen.   Had ik tenminste gedacht want ze is weer eens druk in de weer. Ze gaat weg en komt weer terug. En dan opnieuw! Kom nu toch eens hier! “Momentje Alice!” Ze komt met een kleine doos binnen waar ik eens aan mag ruiken. “Mona!” Maar ik mag nog niet bij haar. Onze baas komt met een kooi naar beneden waar de twee andere meisjes in zitten. Ze neemt Mona en knuffelt haar eens stevig. Ook ik mag uit de kooi en we worden alle vier samen gezet. Wat is dit een kleine kooi zeg! Maar als we braaf zijn krijgen we vlug die grote kooi. We maken voorzichtig kennis met elkaar. Dagen gaan voorbij en eindelijk is het zo ver! We verhuizen met z’n allen naar ons nieuwe verblijf. Nina, de blondine en Mien, mijn rondlopend spiegelbeeld zijn nog wat terughoudend maar ik en Mona vliegen als een gek door de buizen en trappen. Dag per dag komen er leuke dingen bij. Een hangmat hier, een trapje daar …   We waren toen ongeveer halverwege het jaar toen mijn nieuwe zus erbij kwam. Een klein grijs meisje dat in een te slechte wereld is geboren maar gelukkig werd gered door een lieve dame. Mijn zus kreeg haar naam mee; Annie. Annie werd de beste vriendin van Nina en ze kwam met al haar deugnieterij weg. Ze werd groot en torende hoog boven mijn hoofd uit. Spelen en ravotten, ze deed niets liever ..   Tot op een dag Nina ziek werd. Ik herinner me mijn baas met tranen bij de kooi zitten. Ze zou met Nina naar de dokter gaan en alles zou goed komen maar Nina kwam niet meer terug … Mijn baasje kwam thuis met een lege mand. Nina was weg en ze huilde. De dierenarts kon haar niet meer helpen toen die zag dat ze meer dan één tumor had. Maar ik ben blij dat ze geen pijn heeft gehad.   Het is weer even wennen zonder Nina en Annie hangt het uit! Die weet met zichzelf weer geen weg en stuitert door de kooi. Verdomme, laat me nu toch eens gerust! Ik geef haar een snauw, dat zal haar nu wel even op afstand houden.   Maanden gaan voorbij en mijn baas moet weer eens weg op redding. De laatste tijd heb ik haar niets anders zien doen dan heen en weer lopen, kooien versleuren en die elk om beurt uitkuisen. Na de redding kwam ze thuis zonder mand. Iemand was zo vriendelijk om deze sukkelaars met de auto te brengen. Benieuwd sta ik aan de tralie te kijken wie het is? Ik weet dat ze toch mijn zus gaat worden, mijn baasje vertrouwd erop dat ik me uitstekend gedraag. Kon Mona dat maar, die kan toch uit de hoogte doen! Als mijn baas kijkt is ze bijna de liefste rat, maar mijn baas trapt daar niet in want ik ben natuurlijk de liefste! Maar wanneer geen blik op haar rust is ze Miss Rat in eigen persoon!   Weinig tijd om na te denken heb ik niet, de kleine kooi staat klaar en we vliegen er met z’n allen in. Koppelen noemen ze het, alle meisjes gaan samen en we gaan leren overeen komen. Ik krijg een nieuw zusje maar ze is nog verschrikkelijk klein. Klein maar dapper! Ze is een tikkeltje arrogant en wil niet luisteren naar ons. Het is al direct ruzie tussen haar en Mona. Annie komt zich moeien en ik zit er maar op te kijken. Ik lijk geen problemen te hebben met haar, zolang ze zich maar wat aanpast. Ik zie dat de andere kooi vol zit met mannetjes. Ze glunderen naar me en ik laat me van mijn beste kant zien. “Niks van” hoor ik mijn baasje zeggen. “Geen kinders meer voor jou, Alice!” Teleurgesteld kijk ik terug naar mijn zusjes, hopelijk stopt het vlug met die ruzies!   Enkele weken later merkt mijn baas op dat mijn nieuwe zusje wel eens zwanger zou kunnen zijn, ze verdikt erg veel. Het kleine meisje moet op controle bij de dierenarts en komt zonder uitslag terug naar huis, we weten niets meer. Ik hoor mijn baas zeggen dat we moeten afwachten. Intussen krijgt ze een nieuwe naam; Mia. Al onze namen hebben een betekenis, dat heeft mijn baasje ons vertelt. Ik noem Alice omdat mijn baas de film Alice in Wonderland gezien heeft en mij zo magisch vind, tenminste ik vind dat van mijzelf. Mona ’s naam komt van een schilderij, Mona Lisa ofzo. Mientje noemt gewoon Mien omdat mijn baas dat een toepasselijke naam vind voor een klein meisje, net zoals de kat van de zus van mijn baas. Gelukkig dat ik die niet hoef te ontmoeten! Annie heeft de naam meegekregen van haar redder in nood en Mia is een ode aan een man die mijn baas graag hoort zingen. Uren zingt ze mee met die kerel. Ik geloof dat hij Luc noemt. Of Gorki, dat weet ik niet meer. Ik vind dat stiekem wel erg speciaal wanneer we zo’n belangrijke namen hebben. Ik kom uit de film! Hiermee kan ik uitpakken tegen nieuwe vriendjes, dan vinden ze me zeker leuk!   Geen twee weken later moet Mia apart en komt ons vermoeden uit, ze is, of was tenminste, zwanger. Negen kleine ukjes! Heeft zij geluk, ik had er elf! De twee dagen na haar bevalling komt mijn baas bedroeft naar beneden. Mia is twee kindjes verloren. Het komt omdat ze zelf nog zo klein is en dat heel wellicht haar papa, neef en of nonkel haar heeft zwanger gemaakt. Dit lijkt me niet zo gezond. Gelukkig gaat het met de dag beter met de kleintjes. Ik zou graag eens kennismaken maar Mia is zo boos! Ik weet niet wat ze heeft. Daarbij, mijn baas zou dat toch niet toelaten.   We zijn weer twee weken verder wanner de kleintjes naar een nieuwe thuis vertrekken. Ik wist dit eerder want ik zat op mijn baas haar schoot te luistervinken toen ze telefoneerde met enkele mensen. Ze beloofd me dat Mia hier mag blijven. We gaan met ons vijf terug in de koppelkooi en we komen overeen. We worden vijf pootjes op één rattenbuikje!   Maanden gaan weer voorbij en ik voel me oud worden. Dat jonge grut loopt en stuitert door de kooi en ik kan er minder goed tegen. Het is leuk de liefste te zijn want dan krijgen ze medelijden met je. Ik mag veel uit de kooi op de schoot en dan ben ik toch even gerust. Soms voel ik me niet goed, mijn baas merkt het ook en vraagt me nog niet te sterven. Tuurlijk niet! Ik ben oud maar wil nog niet dood! Ik zal er niet aan ontsnappen en dat is wat mijn baas vreest, ze zegt dat ze niet klaar is om me af te geven maar ze beloofd om me te helpen wanneer ik het echt niet meer aan kan. En ik neem haar op haar woord, ze stond de laatste twee jaar klaar voor mij en dat zal ze nu ook wel doen. De nacht valt en ik voel me echt niet goed. Ik leg me alleen onder ons grote loopwiel zodat mijn baasje toch ziet wat er scheelt. Ze vind me suf en slaperig terug. Ik voel warme handen om me heen klemmen en een traan op mijn vacht vallen. Ze weent en ik kan haar niet troosten. Moet ik haar dit echt aandoen? Ik besluit toch nog even te vechten voor haar en probeer wat te eten. Er staat banaan klaar en kattenmelk. Ik krijg brintapap en zachte aardbeitjes. Van alles eet ik een beetje en ik voel me sterker worden. Met een spuitje geeft mijn baasje me wat sojamelk, ik grijp met mijn twee handjes de spuit vast en geniet met volle teugen van het drankje. De melk loopt langs mijn kin naar beneden. Met een hoekje van een handdoek kuist mijn baas mijn mond af. Ze lacht een beetje. Ik slaap veel op haar schoot maar ik kan echt niet meer nu. Gelukkig beseft mijn baasje dat en ze maakt een afspraak voor mij. Morgen mag ik naar de rattenhemel en mijn baas heeft het zo moeilijk. Ik lig op haar schoot en mag eens likken van een stukje chocolade. “eet maar meisje” fluistert ze me toe. Morgen zou alles voorbij zijn. Er ligt een dekentje en een kussen klaar voor me. Mijn baas probeert me zo goed mogelijk te leggen want ik kan niks meer zelf. Ik ben een lappenpopje. Ik val in slaap en voor ik het goed en wel besef is het ochtend. Mijn baas komt met wat lekker maar ik hoef niks hoor. Ik ben moe. Ik krijg nog een dikke knuffel en we vertrekken. Mientje mag met me mee want ze heeft ook een gezwel dat moet nagekeken worden. Misschien mag ze mee met mij naar de hemel, kunnen we daar samen spelen. Nina staat ons misschien al op te wachten! Ik ben zo benieuwd. Daar zal ik misschien geen pijn meer hebben en er staan wie weet al potjes lekkers klaar! In de wachtzaal krijg ik nog een knuffel maar het doet pijn mijn baas te moeten achterlaten. Het zal toch moeten. Ik kan echt niet langer meer. Veel van wat er gebeurt herinner ik me amper. Wel weet ik dat de dierenarts me nog aaide en dat ik in de handen van mijn baas ben ingeslapen. Ik kreeg geruststellende woorden toegefluisterd toen mijn zieltje mijn lichaam verliet. Bovenop mijn wolk zag ik hoe mijn baas en de dierenarts stonden te huilen bij mijn lijfje. Mientje hoefde nog niet mee maar ze pakt mij wel stevig vast. Ze greep me bij mijn pels, het arme beest besefte dat ik dood ben en mijn baas huilt nog meer. Ik voel wel wat verdriet maar Nina is hier om me te troosten. Samen kijken we naar beneden hoe ze het stellen zonder me. Ik krijg een plekje in het bos tussen de varens. Mijn baas geeft mijn lichaam terug aan de natuur waar ik vandaan kom terwijl mijn zieltje nu vrij is om rond te rennen en te ravotten zoveel ik maar wil. Ik heb precies geen pijn meer en voelde me nog nooit zo gelukkig. Ik heb twee jaar lang mijn baas kunnen plezieren, het eten gekregen wat ik maar wilde en ze leerde me het echte leven kennen. Geen vuile kooi meer en geen kindjes meer op de wereld zetten. Er stond fruit en groetjes klaar en altijd vers water. Ik kreeg vriendjes en mocht mee proeven van het mensenleven. En toen de tijd kwam om te sterven kreeg ik nog het beste van het beste en kwam ik niks te kort. Nooit heeft mijn baas aan zichzelf gedacht om me nog langer in leven te willen houden. En inslapen tegen de borstkas van mijn baasje, haar hartslag horen, haar warme handen en haar tranen op mijn vacht voelen vallen terwijl ik op mijn laatste reis vertrek. Er is geen mooier gevoel dan liefde, zelfs in je laatste seconde op aarde!   Een ode aan Alice, mijn eerste tamme rat.

Peursum Doreen
6 0

Proloog

We waren ouder geworden.Enige lachrimpels hadden zich meester gemaakt in de jongedame haar gezicht. Enige jaren van verstand waren nu tot haar doorgedrongen. Op een zonnige lentedag stapte het lieflijk meisje met Het Lief een oude alombekende galerij binnen. Na al die jaren was ze nog steeds begeesterd door kunst in de grote zin van het woord. Zij had Het Lief na lang aan de oren zeuren, eindelijk kunnen overtuigen.  Eénmaal voet aan wal gezet, viel haar een opvallend stel kijkers meteen op. Of was het Het Lief dat doodleuk haar natuurlijke schoonheid reflecteerde  op een schilderij? Was het Het Lief dat toevallig vertelde dat hij op die jadegroene ogen verliefd was geworden? Schichtig zocht ze naar een naamkaartje wat aan zijn anonimiteit radicaal een eind zou maken. Het was dan toch waar. Ze wist het zeker, de kunstenaar was na al die jaren het meisje in haar niet vergeten. Plots overheerste een stilte in het pand. Je kon zelfs een speld horen vallen op de ijskoude grond. Zo diep verzonken, waren zowel de gedachten van de jongedame in kwestie als dat van Het Lief.Bij Het Lief overviel de jaloezie hem genadeloos. De angst om haar alsnog te verliezen, moest het geweest zijn. Het Lief had immers enkel het talent om haar te beminnen maar niet om haar te bezingen. In het licht der duisternis, in dat somber pand, kwam de kunstenaar opeens ten tonele. Op een luttele miniseconde stond hij bij het meisje vandaan waar hij na al die tijd nog hevige gevoelens voor omarmde. De vrouw met een iet of wat lichtgebogen ruggengraat, een mager lichaam maar onmiddellijk herkenbaar aan de lange vuurrode manen, staarde hij ongedwongen aan. Alle gedachten raasden door zijn hoofd. Wat nu? Durfde hij het aan om haar aan te spreken? Maar net op dat moment pakten Het Lief en zijn vrouw elkaar nog steviger vast. Hij, getekend door een hard bestaan, zag het echt niet zitten om juist nu het woord aan te gaan met het meisje dat hem, de artiest, altijd om één of andere magische reden, had betoverd. De haren op haar rug sloegen schalks overeind. Het meisje voelde zich aangestaard, als een hen in een hanenhok. De schaduw die haar verraste, verviel in het niets met het licht. Net op dat moment draaide zij zich om.  Toch zag de jongedame geen schim meer. Als een vlucht naar Egypte maakte hij zich uit de voeten. Het meisje zal nooit geweten hebben dat hij die dag tot op enkele meters van haar stond. Of toch…  

Lamanchamarta
0 0

Mike, een verhaal in twee bedrijven

Toen het nog niet zo heel erg was maar wel een beetje: De broer van Mike had een nieuwe vriendin. Vandaag had hij haar voor het eerst meegenomen naar huis en mocht ze mee-eten. De moeder van Mike leek veel vrolijker en opgewekter dan anders en ze had een schort met bloemetjes aan. Ze had nooit een schort aan. En zeker niet met bloemetjes. Mike dacht dat ze dat schort vast speciaal voor deze avond had gekocht, net als de bloemen in de vensterbank. “We eten rollade vanavond!” riep de moeder van Mike met iets meisjesachtigs in haar stem. We eten nooit rollade, dacht Mike. De broer van Mike gaf zijn vriendin een rondleiding door het huis alsof het zijn huis was en alsof hij wist hoe het in het huis werkte. De vriendin wilde alles weten. Ze vroeg of Mike echt speelde op de instrumenten in zijn slaapkamer. Mike vond het nogal logisch als je instrumenten in je slaapkamer hebt staan, dat je die dan ook gebruikt om op te spelen. De vriendin kreeg het grootste stuk van het vlees en ze smakte en hield haar vork raar vast met een soort buiging in haar pols. Mike vond dat helemaal niet nodig.  Soms werd er iets gezegd aan tafel en de vriendin lachte dan haar grote witte tanden bloot en begon te schaterlachen. Als de moeder van Mike iets vroeg antwoordde ze met volle mond terwijl ze onder de tafel haar hand op het been van de broer van Mike legde. De broer van Mike moest ook lachen om de dingen die aan tafel werden gezegd terwijl die dingen niet eens grappig waren.  De broer van Mike moest bijna nooit om dingen lachen. En zeker niet om dingen die aan tafel werden gezegd. Mike wilde ook wel een keer een meisje mee naar huis nemen zodat ze mee kon eten. Hij zou dan een meisje kiezen dat niet smakte en geen hand op zijn been legde en niet zou schaterlachen. Ze had een andere lach gehad, een zachte grinnik. Veel charmanter en eleganter dan de vriendinnen van zijn broer. Maar zulke meisjes zijn nergens te vinden. Als meisjes je vriendin worden leggen ze hun hand op je been en maken krullen in je haar. Ze kijken in je ogen en kijken niet weg tot dat jij weg kijkt of je knippert. Ze leggen hun handen in jouw handen en pikken je broer af en zijn een nep-broer met nagels en parfum. Ze vragen naar welke platen je luistert en ze vragen wat je lievelingskleur is. Ze vragen waar je aan denkt en waar je over droomt. Ze vragen je zo veel dat er niets meer overblijft. Net als met rollade. Ze aten nooit rollade. En zeker niet als Mike er om vroeg.   Toen er niets meer aan te veranderen viel: Wat hij het liefste zou willen zeggen, was iets over dat ze samen elkaars navels vergeleken, 's zomers in het gras. Dat hij hem gepest had met zijn navel omdat er zo'n bobbeltje op zat. Dat ze samen in de roeiboot naar de overkant van de sloot hadden geroeid en het dan leek alsof ze in een ander land waren terwijl hun moeder aan de overkant zwaaide en riep dat ze broodjes en soep konden halen maar ze deden alsof ze het niet hoorden. Dat hij een keer een tand door zijn lip had omdat hij achter hem had aangerend in het zwembad en toen op de grond viel. Dat hij heel hard moest huilen en werd uitgelachen maar ook werd getroost. Dat ze samen op de fiets naar het dorp gingen en ze daar met hun handen op de blote benen van meisjes hun eerste sigaret hadden gerookt. Dat ze waren verdwaald en niet bang waren geweest. Dat ze stenen gooiden op kippen en huizen maakten voor kikkers. Dat ze harten hadden gebroken en weer heel hadden gemaakt. Dat ze hadden gerend door steegjes, gepraat in de nacht en gehuild in de regen, want in de regen kun je dat niet goed zien. Dat zijn broer moest overgeven en dat eigenlijk niet grappig was en hij daarom maar zijn lach inhield. Hij had zijn broer bijna nooit uitgelachen, en zeker niet als het echt erg was. Toen hij op het podium stond en ze hem aankeken, moest hij iets zeggen over dat hij ze het beste gunde. Het gelukkige paar. Zijn broer en zijn vriendin. Man en vrouw. Iets over liefde en eeuwigheid. Bestemd zijn voor elkaar.               Maar wat hij het liefste zou willen zeggen,  was dat hij hem zou gaan missen. Maar dat had hij maar niet gezegd.  

Julia Dobber
2 0

Vergeten

  Hoofdstuk I Ik herkende niets. Alles in deze kamer was me volledig onbekend.  De kamer was mooi ingericht en ikzelf lag in een bed met fleurige lakens, dus als ik zou ontvoerd zijn, heeft iemand wel heel erg zijn best gedaan. Maar hoe kom ik hier dan? Ik stond op en keek eens goed rond, op zoek naar iets wat me doet herinneren aan gisteren. En daar, op het bureau, lag een iPad. Er kleefde een Post-it op waar op stond geschreven: “Bekijk het filmpje”. Ik ontgrendelde de iPad en het desbetreffende filmpje begon vanzelf af te spelen. Ik schrok hard toen ik zag dat de persoon in het filmpje ikzelf was! Hoe kon dat nu? Hoe dan ook, ik luisterde naar wat zij, of beter ik te vertellen had.   Hey Anna, Ik ben jou. Heb je goed geslapen?Je vraagt je waarschijnlijk af waar je bent en wat er is gebeurt? Wel, ik zal het je even uitleggen. Twee jaar geleden heb je een auto-ongeluk gehad. Hierdoor ben je in een diepe coma beland. Bij het ontwaken stelden de dokters vast dat je een zeer sterke vorm van geheugenverlies hebt. Elke dag opnieuw vergeet je alles, behalve wie jouw ouders zijn. Zij zorgen namelijk al sinds je geboorte voor je, dus dit heeft je geheugen dan toch onthouden.  Ik leg nog even uit wat je vandaag allemaal moet doen: Om negen uur moet je naar school. Je lessenrooster vind je in je rugzak, die ligt naast je bureau. Jouw vriendinnen heten Sanne, Lieselotte en Helena. Zij zullen je op weg helpen. Als laatste maak je nog een videootje voor je gaat slapen, zodat je morgen weer alles over je toestand te horen krijgt. Veel liefs en tot morgen. Ik denk dat ik twee minuten lang heb zitten staren naar het zwarte scherm. Vergeet ik nu echt elke dag mijn hele leven? Hoe lang ik ook probeerde me iets te herinneren van gisteren, vorige week of eender welk moment, het kwam gewoon niet in mij op! Ik stormde naar beneden op zoek naar mijn papa. Ik trof hem aan in de keuken aan de ontbijttafel. Ik dacht eraan dat hij dit waarschijnlijk elke dag meemaakt. Ik die naar beneden stormt om te vragen wat er gaande is. Maar ik vroeg het hem toch.   Hoofdstuk II De bel ging. Iedereen snelde naar zijn klaslokaal. Ik volgde gewoon de meisjes van wie ik de namen op mijn hand had geschreven: Lieselotte, Helena en Sanne. We hadden eerst aardrijkskunde en blijkbaar wonen we in België. Normaal gezien weet iedereen dat, maar ik natuurlijk niet. Er kwam op eens een gedachte op in mij: “Heeft mijn leven eigenlijk nog zin?”. Zonder dat ik het wou, begon ik te wenen, midden in de les. Ik had er gewoon geen controle over. Iedereen keek me aan en ik zag vele klasgenoten zuchten. Waarschijnlijk moeten ze elke dag de les stopzetten door mij, het meisje dat niets weet.    Ik zat intussen in het ziekenkamertje en was al wat gekalmeerd. Mijn papa kwam me zo dadelijk halen om naar huis te gaan en alles wat te laten bezinken. Eenmaal we thuis waren, ging ik naar mijn kamer, klaar voor de tweede huilbui van vandaag. Ik voelde me zo schuldig! Mijn ouders doen zoveel voor mij, maar eigenlijk ben ik hun alleen maar tot last. Het zou toch zoveel makkelijker zijn als ik er gewoon niet meer ben? Weg met al die problemen! Weg met mij! Uiteindelijk besloot ik nog een videootje te maken. Want ja, ik ben natuurlijk het meisje dat alles vergeet. Eigenlijk heeft het echt geen zin meer. Waarom zou ik nu nog een video maken, als ik toch elke dag beleef alsof het mijn eerste dag op deze wereld is? Hoe dan ook, ik deed het toch.   Hey Anna, Ik zal eens vertellen hoe het eigenlijk echt zit. Wel, je weet niets! Jij kent niemand, je vergeet alles, iedereen moet jou helpen... Je weet waarschijnlijk niet eens welke dag we vandaag zijn! Jouw ouders moeten alles voor je doen en jij bedankt ze door elke dag voor problemen te zorgen!? Je weet toch ook wel dat ze jou meer dan beu zijn? Waarom spring je niet gewoon uit het raam, hè? Dan heeft niemand nog last van jou. Dat zou de wereld veel mooier maken! Je bent gewoon…   Ik barstte in tranen uit. Opnieuw. Misschien heb ik gelijk en moet ik gewoon uit het raam springen. Misschien is het inderdaad wel de ideale oplossing. Weet je wat? Ik doe het gewoon! Hoofdstuk III Mijn vrouw en ik hebben het moeilijk. Een dochter opvoeden die elke dag de wereld opnieuw moet gaan verkennen is lastig, maar we zijn er voor haar. Ik vertel haar iedere dag over het auto-ongeluk. Ze wil zelfs de kleinste details weten. Ik merk wel op dat ze er de laatste tijd nogal triestig bijloopt. Waarschijnlijk begint ze naarmate ze ouder wordt meer en meer te beseffen dat ze geen hechte band kan opbouwen met anderen. Wat ze wel nog niet weet is dat haar geheugen sterk achteruit gaat. Binnen een paar maand herinnert ze ons niet meer, laat staan wat ze twee minuten geleden gegeten heeft. Maar ik kan er niet onderuit, ik moet het haar vertellen.   Ik liep de trap op rechtstreeks naar haar kamer en klopte op de deur. Bij het binnenkomen zag ik dat haar ogen nog rood waren van het huilen. De moed zonk me in de schoenen.    Papa: Hey Anna, hoe gaat het? Alles oké? Anna: Nee! Alles is niet oké! Ik wil gewoon normaal zijn! Normaal zoals mijn    ​vriendinnen die ik niet eens herken!  Papa: Ik weet het, liefje. Het is niet gemakkelijk, maar we komen er wel doorheen. ​De vorige jaren waren ook geen probleem voor ons. Anna: Maar ik herinner me niets meer van al die jaren! Heeft het dan nog zin? Papa: Maar natuurlijk, Anna! We doen alles voor jou en zien je graag! Maar ik moet​je eigenlijk iets vertellen. Ik wou wachten tot mama thuis was, maar dit lijkt me​een gepast moment.    Hier kwam het. Ik vertelde haar alles over haar toestand en ze vatte het niet licht op. Ze barstte in tranen uit en ik omhelsde haar. Morgen herinnert ze zich dit gesprek niet meer, maar ik wel en ik zal het nooit vergeten… Je dochter zo zien lijden is verschrikkelijk! Ik besloot dat ik haar even alleen zou laten, zodat ze het nieuws kon verwerken. Ondertussen begon ik aan het avondmaal. Mijn vrouw had gebeld dat ze wat later thuis zou zijn, dus riep ik Anna om te zeggen dat het eten klaar was. Toen ze geen antwoord gaf, riep ik nog eens, maar er kwam nog steeds geen reactie. Ik liep naar boven en gooide haar kamerdeur open. Anna was nergens te bespeuren.  Hoofdstuk IV De badkamer, de keuken, de woonkamer, de kelder, de zolder… Ik vind haar nergens! Ik probeer haar te bereiken op haar gsm, maar val elke keer weer op haar antwoordapparaat. Misschien viel het nieuws haar veel te zwaar en is ze gewoon even haar gedachten gaan verzetten. Maar toch, ik ben nog altijd even ongerust! Waar kan ze nu toch zijn?  Mijn vrouw is nog steeds niet thuis, dus ik ga hier nog maar eens rondkijken. Ik begin opnieuw in haar kamer. En daar valt me iets op wat ik eerder nog niet gezien heb: een briefje. Ik raapte het briefje op en begon te lezen. Mijn hart stond even stil. Mijn ogen begonnen te tranen. Mijn benen begonnen te beven. Ik zakte door mijn knieën op de grond. Daar zat ik dan, met de brief in mijn handen. Ik heb hem zo’n tien keer gelezen. En elke keer weer brak mijn hart.   Liefste mama, liefste papa, Weet je nog dat moment dat ik mijn eerste stapjes zette? Of wanneer we naar de dierentuin gingen? Of naar Disneyland? Mijn geheugen is niet terug, maar dat oude fotoboek bij mij in de kast, bevestigt die ervaringen. Ik wou dat ik het me nog kon herinneren, we leken zo gelukkig! Zo normaal!    Zestien jaar lang kennen jullie mij al, maar ik ken jullie nauwelijks. En daar blijft het natuurlijk niet bij. Ik ken niemand, ik weet niets, ik ben niets! Ik hou van jullie en dat zal nooit veranderen. Jullie hebben zoveel voor mij gedaan en daarvoor ben ik jullie eeuwig dankbaar. Aangezien ik jullie mij binnen een paar maand niet meer zal herinneren, ga ik nu. Ik kon het niet aan om te sterven, zonder zelfs te weten wie mijn ouders zijn. Dat is gewoon veel te moeilijk voor mij.    Dat ik mijn vriendinnen niet meer herken is één ding, maar jullie!? Daarom heb ik besloten er een einde aan te maken. Een einde aan al die problemen. Eindelijk hebben jullie rust. Want ik weet dat ik een enorme last voor jullie was, ook al zagen jullie mij zo niet, ik was het wel! Dus mama, papa, ik zag gewoon geen andere uitweg, ik hoop dat jullie mij ooit kunnen vergeven en dat jullie weer een normaal en gelukkig leven kunnen leiden, zonder mij. Dat is mijn bedankje voor al die jaren. Ik denk dat het nu tijd is om te gaan… Alsjeblieft, zoek me niet! Accepteer gewoon het feit dat ik niet meer terug kom. Het spijt me, echt waar. Ik had het ook anders gewild, maar zo is het leven nu eenmaal!   Ik hou van jullie!   Voor altijd...  

Shana Van Hoegaerden
3 0

Drie keer spek kost je de nek

  Er was eens een arme boerenknecht. Door hard te werken en zuinig te leven had hij wat geld opzij kunnen leggen om een eigen boerderijtje te bouwen. Een rijke heer was bereid hem een stukje land te verkopen. Nat veen waar niemand wilde boeren omdat het vocht en de kou in je lijf kropen zodat je van de reuma al gauw geen schop meer kon vasthouden. Maar wie wil zijn hele leven knecht blijven?. En toen er eenmaal een boerderijtje stond met plek voor een koetje, een varkentje en wat kippetjes duurde het niet lang of er verscheen een pronte meid die bereid was haar leven met hem te delen. Want alles was beter dan je hele leven boerenmeid blijven.   Niet lang daarna klonken er nieuwe geluidjes in en om het boerderijtje. Het was een meisje en ze leek op haar moeder. Hoewel het sappelen was in het veen voelde de boer zich rijk als zijn vrouw met de kleine meid op haar arm naar hem zwaaide wanneer hij op het zompige land bezig was. Toen de kleine van de borst af was, werd ze ziekelijk. Aanvankelijk dachten de boer en zijn vrouw dat het de verandering van voeding was. Maar toen er na enige tijd geen verbetering optrad besloten ze om toch de dokter te raadplegen. Die kon niets vinden en adviseerde om het nog even aan te zien. De winter was bijna voorbij. Als het meiske straks lekker naar buiten kon, zou ze ongetwijfeld snel opknappen. Maar ze knapte niet op. Wat eerder als zuigeling nog Hollands glorie was, oogde nu als een bleek scharminkeltje dat met holle oogjes en knokige knietjes rondscharrelde en snel vermoeid raakte. Ze werd hangerig en begon lelijk te hoesten. De boer en zijn vrouw maakten zich grote zorgen. Er moest iets gebeuren. Maar wat? Voor het eerst was er nu soms ruzie in het boerderijtje. De boerin vond dat ze terug moesten naar de dokter. De boer had daar geen vertrouwen meer in. Hij zag meer in het kruidenvrouwtje dat aan de bosrand woonde. Maar uiteindelijk legde hij zich neer bij de keuze van zijn vrouw.   De druppels van de dokter haalden niets uit. Dus gingen ze alsnog naar het kruidenvrouwtje. Dat zat voor haar huisje op een bankje te dutten en schrok wakker toen de kleine meid een hoestbui kreeg. ‘Kom binnen,’ zei het oude vrouwtje, ‘dan zal ik zien wat ik voor jullie kan doen.’ Eenmaal binnen werden ze bijna bedwelmd door een melange van kruidengeuren. Op tafel glazen potten gevuld met stampsel van geneeskrachtige planten. Overal hingen en lagen stengels, bladeren en vruchtbeginselen te drogen. Aan de wand een tegel met de spreuk: Drie keer spek kost je de nek. De boer vroeg zich af wat dat te beteken had. Het oude mensje nam alle tijd om het meisje te bekloppen, te beluisteren en te besnuffelen. Ook stelde zij de boer en zijn vrouw allerlei vragen. Toen zei ze: ‘Ik denk dat ik het weet.’ De boer en zijn vrouw zaten op hete kolen. Vertel op, wat is er met ons kindje aan de hand, zag je ze denken. Het oude kruidenvrouwtje zei: ‘Waar halen jullie het drinkwater vandaan?’ ‘Uit de sloot,’ zei de boer, ‘waar anders?’ ‘Dat kan niet meer,’ zei het vrouwtje, ‘jullie meisje kan niet tegen het zure veenwater.’ ‘En dus?’ zei de boer. ‘Het beste is om op een goeie plek een put te graven,’ zei het vrouwtje. ‘Jullie kindje heeft water uit het zand nodig, niet uit het veen.’ Toen ze naar huis liepen zei de boerin: ‘Had je dat vrouwtje niet moeten vragen wat haar goede raad kostte?’ ‘Je hebt gelijk,’ zei de boer, dat was beter geweest. Om een of andere reden dacht hij aan de spreuk op het tegeltje.   Het was een hele toer om een goeie plek voor de put te vinden. Er lagen oude strandwallen onder het veen dat was bekend. Maar hoe vond je die? Dus groef de boer op goed geluk zo hier en daar een gat. Maar zand, ho maar. Opnieuw moest het kruidenvrouwtje er aan te pas komen. Met haar wichelroede van wilgenhout. Omdat ze slecht ter been was, werd ze al wichelend door de boer rondgereden in de kruiwagen. Na een middagje wichelen was het duidelijk waar de put moest komen. De boer en zijn vrouw bedankten het oude vrouwtje hartelijk en gaven haar een mooi stuk spek waar ze geen nee tegen zei ook al keek ze bedenkelijk. De boer ging direct aan de slag. Een waterput aanleggen was een hele klus en het andere werk ging gewoon door. Maar de smartelijke aanblik van zijn lijdende dochtertje gaf hem extra energie. Zij was aan het eind van haar krachten. Er was geen tijd te verliezen. Er kwam heerlijk koel, helder water uit de put. Een heel verschil met het bruinige drab uit de sloot. En jawel hoor, de gezondheid van de kleine meid verbeterde zienderogen. Er kwam weer een gezond kleurtje op haar wangetjes en de akelige blafhoest verdween. Het geluk keerde terug in het kleine boerderijtje in het veen. En toen duurde het niet zo lang meer voor zich een nieuwe wereldburger meldde. Een manneke, dit keer. Een opvolger! De boer dankte God op zijn knieën. Hij was de koning te rijk.   Maar toen het kereltje van de borst werd gehaald, ging het opnieuw mis. Erger nog, ook zijn zusje kreeg weer last van allerlei kwaaltjes. De boer mompelde: dit gaat boven mijn pet. Zijn vrouw zat de hele dag met de handen in het haar. Al snel was duidelijk dat er niets anders op zat. Ze moesten opnieuw naar het kruidenvrouwtje. Die bekeek, beluisterde en besnuffelde beide kindjes en zei: ‘Het is duidelijk.’ Zeg het alsjeblieft, zag je de boer denken. Wat moeten we doen, zag je zijn vrouw denken. ‘Hebben jullie vis in de put?’ vroeg het vrouwtje. Vis? De boer schudde van nee en dacht: vis in die kleine, diepe put? Waar zou die vandaan moeten komen? ‘Hoe zou er vis in de put kunnen komen?’ vroeg de boer. Het oude vrouwtje keek hem hoofdschuddend aan. Je moest die boeren van tegenwoordig ook alles leren. ‘Je moet die vis er zelf in doen,’ zei ze. ‘Waar is dat goed voor?’ zei de boer. ‘Die vis houdt het water schoon,’ zei het vrouwtje een beetje kortaf. ‘Jullie kinderen zijn nu eenmaal gevoelig voor vuil water.’ ‘Wat voor vis heb ik nodig?’ vroeg de boer. ‘Een blei,’ zei het vrouwtje. ‘Die zijn het beste en ze gaan lang mee.’ De boer bedankte het vrouwtje en gaf haar een mooi stuk spek. ‘Heb je niks anders?’ vroeg het vrouwtje. ‘Julie boeren met jullie eeuwige spek.’ ‘Hij is goed gerookt,’ zei de boer een beetje geschrokken. ‘Je kunt hem volgend jaar ook nog eten.’ ‘Vooruit dan maar,’ zei het oude vrouwtje en hing het stuk spek naast een heleboel andere stukken spek aan een balk boven de haard. Bij het weggaan wierp de boer nog schielijk een blik op het tegeltje.   De dagen daarna stond de boer vroeg op om een blei te verschalken. Omdat hij alleen karpers ving en zo nu en dan een zeelt, werd hij steeds onrustiger. Zijn kinderen raakten iedere dag een beetje meer achterop. Eindelijk, na vijf dagen, had hij een blei te pakken. Dat wil zeggen, daar leek het op. Maar volgens een buurman was het een misvormde graskarper, dat zag je aan de schubben. En een andere buurman hield het op een verdwaalde brasem. Goede raad was duur. Dus toch maar weer naar het kruidenvrouwtje. Met de blei in een emmer met water. Het kruidenvrouwtje had er duidelijk genoeg van. ‘Wat nu weer?’ snerpte ze toen ze de boer zag aankomen. ‘Toch niet weer een stuk spek?’ ‘Nee, nee,’ haastte de boer zich te zeggen, ‘ik heb nu heerlijke vis bij me.’ Hij dacht aan de spreuk op de tegel: Drie keer spek kost je nek. ‘Dat ziet er al een stuk beter uit,’ zei het kruidenvrouwtje terwijl ze in de emmer loerde. ‘Een mooie blei. Die zijn zeldzaam tegenwoordig.’ Ze pakte de emmer aan en op dat moment besefte de boer dat er iets helemaal verkeerd ging. Had hij eindelijk een blei, was ie hem gelijk weer kwijt. Het kruidenvrouwtje legde de vette vis in de keuken, gaf de kat die een feestmaal rook, een schop en bedankte de boer hartelijk. ‘Nee, u bedankt voor alles,’ mompelde de boer. Hij draaide zich om en sjokte terug naar huis. Onderweg probeerde hij zichzelf moed in te praten. Ik weet nu in ieder geval dat het een blei was, dacht de boer. Maar een stukje verderop dacht hij: maar wat heb ik daar aan?   Toen de boerin het verhaal hoorde, kon zij haar emoties niet langer bedwingen. Huilend van wanhoop en boosheid maakte zij haar man duidelijk dat hij een onnozele slapjanus was. Tussen haar snikken door kon je de blafhoest van de kleintjes duidelijk horen. ‘Ga terug naar het kruidenvrouwtje,’ beval ze haar man, ‘en kom terug met die blei. En haast je want die vis ligt misschien al in de pan te pruttelen. O, mijn God, waar heb ik zo’n man aan verdiend?’ Met het lood in zijn klompen keerde de boer terug naar de bosrand waar het kruidenvrouwtje woonde. Onderweg werd zijn aandacht getrokken door het angstige gemiauw van een kat. Al snel was duidelijk wat er aan de hand was. In het struikgewas zat de kat van het kruidenvrouwtje met de blei in zijn bek. Het beestje had zich verkeken op de omvang van de blei en op de scherpe vinnen die in zijn lip waren blijven steken. Aan de bewegingen van de staart te zien, was de blei nog niet dood. De boer greep de kat bij zijn nekvel, trok zijn bek wijd open en trok de vis voorzichtig naar buiten. In de verte hoorde hij het kruidenvrouwtje krijsen: ‘Waar zit dat ellendige beest. Ik zal hem. Met de bezem.’ Toen de boer de blei had bevrijd, rende hij weg. Onderweg dompelde hij het beest zo nu en dan even in een sloot om hem in leven te houden. De blei had een paar lelijke krassen over zijn kop. En toen de boer goed keek, zag hij dat de ontmoeting met de kat een oog had gekost. Het zag er allemaal niet best uit. ‘Volhouden,’ zei de boer zonder veel overtuiging tegen de blei. ‘Nog even, dan mag je in de put. Dan kun je weer een beetje op verhaal komen.’ En opnieuw hield hij de blei even onder water in een veenpoeltje. Het beest gaf een klap met zijn staart. Er zit nog heel wat leven in, dacht de boer en zette het weer op een rennen.   Buiten adem kwam hij terug bij het boerderijtje. De vis werd voorzichtig in een mandje naar beneden gelaten. Zou hij overleven? Zou het water schoner worden? Zouden de kinderen opknappen? Die nacht deden de boer en zijn vrouw geen oog dicht. Voor dag en dauw sprong de boer in zijn overall en haastte zich naar de put. Daar beneden het water, zwart en stil. Hij haalde opgelucht adem. Geen dode blei die met zijn buik omhoog rond dreef. Dat was een goed teken. Terwijl de zon langzaam opkwam bleef de boer roerloos bij de put staan. De vis moest toch een keer een teken van leven geven. Maar de blei liet zich niet zien. Er werd water uit de put gehaald, zoals altijd. En langzaam maar zeker knapten de kinderen op. De raad van het kruidenvrouwtje werkte. De blei deed zijn heilzame werk. En ’s avonds, voor het slapen gaan, vertelde de boer het verhaal van de onzichtbare blei met het ene oog. De kinderen konden er niet genoeg van krijgen. Ze vonden het wel een beetje zielig voor die ene blei. Altijd maar rondjes zwemmen in die donkere put. Altijd maar alleen. Maar volgens hun vader had een blei daar geen last van. De blei was volgens hem het enige dier dat ook als hij diep in de put zat altijd blei bleef. En daarom was de blei zo bijzonder. ‘En deze blei is helemaal bijzonder,’ voegde de boer er dan aan toe. En jullie zijn de enige kinderen in de wereld die dat weten.’ En dan klonk het uit twee mondjes tegelijk: ‘Omdat ie maar één oog heeft.’ ‘En dat is niet leuk,’ zei het meisje dan. ‘Maar wel handig, hè pap,’ zei haar broertje dan. ‘Heel handig,’ zei de boer dan. ‘En weet je ook waarom?’ Ja, dat wisten ze wel, hoewel ze er elke keer weer even over moesten nadenken. ‘Omdat ie dan maar één kant op hoeft te zwemmen,’ zei het jongetje. ‘Dat wist ik ook wel hoor,’ zei het meisje dan. ‘Heel goed,’ zei de boer. ‘De blei moet de wand van de put in de gaten houden, anders knalt ie er elke keer tegenaan. Dus zorgt ie dat zijn ene oog altijd aan de kant van de wand zit. En dus hoeft ie ook nooit na te denken welke kant ie op moet zwemmen.’   Toen de kinderen van de boer het verhaal van de eenogige blei later aan hun eigen kinderen gingen vertellen, werd dit bijzondere verhaal een echt sprookje. Want intussen waren er overal kranen waar schoon water uit kwam. Die kinderen hadden nog nooit een waterput gezien. En ook geen blei. En ook geen kruidenvrouwtje. Tja, dan kan een bijzonder verhaal zo maar een sprookje worden.

Gerard van de Schootbrugge
16 0

Sparen voor later

‘Je vader is weer laat,’ moppert mijn moeder. ‘Alles staat te verpieteren. Ik zal jullie maar vast opscheppen.’ ‘Ik lus geen asjee,’ dreint mijn broertje. ‘Je eet wat de pot schaft,’ zegt mijn moeder kortaf. ‘Anders ga je maar zonder eten naar bed.’ Het dreigement maakt weinig indruk. We weten dat er altijd nog een bord griesmeelpap achter de hand is. Ook geen traktatie maar altijd beter dan een lege maag, die we alleen van horen zeggen kennen maar waar we toch beducht voor zijn. Veel arme kindjes in Afrika gaan volgens mijn moeder iedere dag met een lege maag naar bed. Het gekke is wel dat je daar blijkbaar een dikke buik van krijgt. De plaatjes in de Katholieke Illustratie, door mijn opa de veeverloskundige steevast met de KI aangeduid, laten het bijna wekelijks zien. Het duurt nog jaren voor ik begrijp waarom hij altijd even grinnikt als hij K I zegt. Zo lang, dat de KI intussen is verdwenen en ki gemeengoed is geworden. ‘Waarom is papa zo laat?’ wil ik weten. ‘Zeur niet. Eten,’ commandeert mijn moeder. Op dat moment horen we de achterdeur open gaan. ‘Papa,’ gilt mijn broertje. Na de knuffels die voor ons de harmonie herstellen, heeft mijn vader nog even wat uit te leggen. Het lijkt wel een goedkope goocheltruc. Maar daarom niet minder spannend. Er komen twee zakjes uit zijn portefeuille. Eerst een grote, daarna een kleintje. Beide worden met een weids gebaar voor mijn moeder op tafel gelegd. De grote is geel en ondoorzichtig. Door de kleine kan je heen kijken. Er zitten postzegels in. ‘Nee, hè. Was het weer zo ver?’ zegt mijn moeder een beetje sarrend. ‘Allemaal voor jullie,’ zegt mijn vader veelbelovend. ‘Wat dacht je hier van?’ zegt hij terwijl hij de grote enveloppe naar mijn moeder schuift. ‘Niet schrikken. Het vakantiegeld zit erbij.’ ‘En dit is voor jullie,’ zegt mijn vader tegen mijn broertje en mij, terwijl hij zijn hand op het kleine zakje legt. ‘Als het een beetje meezit kunnen jullie hier later van studeren. Wat wilde jij ook weer worden, Daan?’ ‘Astronoom,’ zeg ik zonder aarzeling. ‘Ik ook,’ zegt mijn kleine broertje. ‘Kijk, dat bedoel ik nou,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder. ‘Twee astronomen. Wat denk je dat dat gaat kosten? Dat gaat alleen lukken als de verzameling straks veel geld waard is. En dat is ie alleen als ie compleet is.’ Mijn moeder laat haar boosheid varen. Er verschijnt een glimlach die de hele kamer verlicht. Voor mijn vader het moment om haar een stevige pakkerd te geven. ‘Wil assistent-hulpastronoom Daan even de pincet pakken? In het kastje onder de trap.’ ‘Nee,’ zegt mijn moeder, ‘we gaan nu eerst eten, anders kan ik zo alles in de kiepelton mikken. Die pincet komt straks.’ ‘Ik lus geen asjee,’ herinnert mijn broertje zich ineens weer. ‘Zonder asjee geen astronoom,’ zegt mijn vader. ‘Wat is een astronoom?’ wil mijn broertje weten. ‘Zeg jij het maar, Daan,’ zegt mijn vader. ‘Iemand die alles van de sterren weet,’ houd ik mijn broertje voor. Van die hachee was voor mij ook nieuw. Mijn vader stopt het kleine zakje voorzichtig tussen zijn portefeuille. De grote gele envelop verdwijnt in de schort van mijn moeder.    Zondag. De tafel ligt bezaaid met postzegeldingen. Postzegels, albums, supplementen, insteekboekjes voor de dubbelen, eerste-dag-enveloppen, de catalogus van Nederland en de Overzeese Gebiedsdelen, twee pincetten, een rechte en een die een beetje omgebogen is, en een vergrootglas. Ik zit naast mijn vader, klaar om de kruimels op te vangen die hij laat vallen. De kreupelen, de rafelgevallen, de gehandicapten. Omgevouwen hoekjes, ontbrekende tandjes, verwaterde kleurtjes, verknipte ansichtkaartslachtoffers, vreemdelingen die er niet bij horen, in mijn sigarendoosjes is plaats voor velen. Al mijn zegels krijgen na enige tijd een lichte restgeur van Willem II Senoritas. Mijn sigarenbandjes bewaar ik in een Elisabeth Bas kistje van opa. Zo kan ik nooit in de war raken. ‘Zo, Daan, daar gaan we dan,’ zegt mijn vader en hij begint het groene album waar Holland op staat voorzichtig open te schroeven. ‘Ik wil ook mee,’ roept mijn broertje, dat vaak aan een half woord genoeg heeft, en hij begint zich aan mijn vaders colbert op te trekken. ‘We gaan niet weg, Wim,’ zeg ik, ‘we gaan alleen het nieuwe supplement in papa’s album doen. Voor als we later astronoom worden, weet je wel.’ ‘Kom maar Wim,’ zegt mijn moeder, terwijl ze haar vuurrode afwashanden aan een theedoek afdroogt, ‘dan gaan wij even bij de geitjes kijken. Kunnen de grote jongens rustig spelen.’ ‘Je bent een schat,’ zegt mijn vader tegen mijn moeder en ik weet zeker dat hij het meent. ‘Ja, mam, je bent echt een schat,’ zeg ik uit solidariteit met mijn vader maar ook wel omdat ik het meen. ‘Denk in het vervolg wel even na voor je wat zegt. Begrijpt zo’n mannetje veel! Pak je laarsjes maar, Wim.’  Mijn vader verankert zijn nieuwe aanwinsten met plakkertjes op de supplementbladen. Ik krijg een blad van vorig jaar dat overbodig is geworden. Voor mijn vader het moment om mij in te wijden in de geheimen van het plakkertje zodat ik op het afgedankte albumblad kan oefenen. ‘Kijk,’ zegt mijn vader terwijl hij een plakkertje naar zijn mond brengt, ‘met je tong. Eerst de ene kant.’ Mijn vader steekt zijn tong uit, gek gezicht voor een politieagent, laat het puntje voor de grap even wapperen, en haalt zijn tong dan een paar keer langs zijn lippen. ‘Let op. Niet te veel en niet te weinig.’ Ik vraag me af wat hij daarmee bedoelt. Hij plakt het kleine, gehoekte stripje op een donkergroene zegel en belikt vervolgens het tweede stukje van de strip. Dan laat hij de zegel met plakker en al voorzichtig in het daarvoor aangegeven vakje op het supplementblad landen. ‘Zo, dat was de Jan van Riebeeck van 6 cent met 4 cent bijslag. Probeer maar. Hier heb je een paar plakkertjes. Maar let op: niet te veel en niet te weinig.’ Ik buig me over het blad waar mijn vader net zijn groene Jan van Riebeeck op heeft geplakt. Naast de grijze Jan van Riebeeck. Er zijn nog twee vakjes open. Boven de vakjes staat: JAN VAN RIEBEECK HERDENKING. ‘Waar gaat dit over, pap?’ wil ik weten. Mijn vader pakt zijn vergrootglas, waar ik soms stiekem het celluloid mee van zijn fietsstuur brand, maar dat weet ie niet, en leest: ‘1652 KAAPSTAD 1952. Ja, jongen, in 1952 was het driehonderd jaar geleden dat we in Zuid-Afrika aan land gingen. Jan van Riebeeck werd de baas. Een held. Zo’n postzegel is nodig om held te blijven; de mensen vergeten zo gauw. Ze praten daar nog steeds Hollands. Moet je nagaan. Dat krijg je allemaal nog op school. Maar dan weet je het vast. Je kunt van postzegels verdraaid veel leren. En nou plakken, jij. En niet al mijn plakkertjes verknoeien. Begin maar eens met drie.’ Mijn vader zingt: Rij maar an, ossewa, rij maar an. Een raar liedje als je het mij vraagt. Ik heb al twee keer om nieuwe plakkertjes gevraagd. Die rotzegels willen gewoon niet blijven zitten. En ik doe het toch precies zo als mijn vader. Op een gegeven moment zegt hij: ‘Zet de radio eens wat harder. Even horen wat Hiltermann te zeggen heeft over Korea. Als we ze niet tegenhouden staan ze hier straks op de stoep.’ ‘Wie staan er straks op de stoep, pap?’ vraag ik en ik voel dat het helemaal niet lekker zit met Korea. ‘De communisten, jongen. Het rooie gevaar. Als je hun postzegels hebt gezien weet je genoeg. Communisten lachen nooit. Gezellig toch?’   Onlangs, ruim een halve eeuw later dus, liep ik in Utrecht door de Zadelstraat richting Domplein, op weg naar de reünie van mijn oude studentenvereniging. Voor wie het precies wil weten: het was zaterdag 23 mei 2015, half elf. Het was zonnig maar fris en ik was wat aan de vroege kant. Zo kon het gebeuren dat ik vooraan in de Zadelstraat een winkeltje opmerkte dat bij eerdere gelegenheden aan mijn aandacht was ontsnapt. Een postzegelwinkeltje! Ik verkeerde al geruime tijd in de overtuiging dat dergelijke winkeltjes niet meer bestonden of in ieder geval uiterst zeldzaam waren geworden. Maar hier was er nog een, de deur stond open en ik had nog tijd genoeg. Toen ik over de drempel stapte, kreeg ik het gevoel dat ik ook had bij het binnengaan van Teyler’s Museum in Haarlem. Alsof ik in een time-warp terecht kwam. En dat gevoel werd nog aanzienlijk versterkt toen ik aan de praat raakte met de eigenaar, William van der Bijl, uitbundig bebaard en blijmoedig genesteld tussen zijn verzamelwaar. En alsof dat nog niet genoeg was, vetrouwde William mij, nadat we in een vrijmoedig gesprek verzeild waren geraakt over de waarde van mijn vaders verzameling, plotseling toe dat hij al vele jaren postzegelzaken met Noord-Korea deed, er regelmatig heen ging, en er nog niet zo lang geleden een tijdje had vastgezeten op verdenking van spionage omdat de Grote Leider toch wat begon te twijfelen aan zijn eerzame, filatelistische bedoelingen. Eenmaal weer buiten bedacht ik dat er in een halve eeuw een hoop kan veranderen, zoals de waarde van mijn vaders verzameling die al weer vele jaren bij mij op zolder lag, maar gelukkig niet alles. De Domtoren was er nog. En William van der Bijl. Hoe zou het met mijn oude studentenvriendjes en -vriendinnetjes zijn?

Gerard van de Schootbrugge
3 0
Tip

Evolutie en beschaving

Heel vaak had mevrouw Piovanelli, als ze na het eten nog wat met haar man zat te praten, de wens uitgesproken dat, indien een van hen beiden, wat god mocht verhoeden, voortijdig zou komen te overlijden – dat hij dat dan zou zijn. Maar die dag stelde ze vast dat haar geduld minder groot was dan gedacht.   Met de jaren was het haar beginnen dagen dat hij nooit de man zou worden die zij gedacht had te ontmoeten toen ze hem zevenendertig jaar, vier maanden en negentien dagen geleden had uitgekozen. Uiteraard had zij hem steeds in de waan gelaten dat hij het was geweest die haar had gekozen, zoals het zou gelopen zijn mocht hij een echte man zijn geweest. Heel vaak had zij zichzelf al verweten dat haar gretig verlangen naar een man aan haar zijde het toen had gewonnen van haar zelfbeheersing. Het besef dat zij gevallen was voor zijn knappe verschijning was een dame als haar onwaardig en kwelde haar nog meer dan al de onhebbelijke eigenschappen die ze sedertdien bij hem had ontdekt. Dat zij zichzelf in deze situatie had gebracht, was allicht de voornaamste reden geweest waarom zij jarenlang had gemeend dit lot te moeten dragen. Zij had gezworen nooit nog haar gevoelsleven te laten primeren op goed fatsoen, geduld en welgemanierdheid. Zij had geslikt en gezwegen en een uitzonderlijke keer had zij de ogen gesloten voor zijn ongemanierde gewoontes, maar nooit was zij tegen hem uitgevaren.   Zijn volkse aard was zwaar om dragen, maar toch was dat niet haar grootste beproeving gebleken. Het was de leegte in hem, waarvan er met de jaren alleen maar meer leek te zijn gekomen, naarmate zijn struise lijf nog verder was uitgezet. Haar vader zaliger had haar erop attent gemaakt die avond nadat ze hem trots aan haar ouders had voorgesteld. Nadat hij geduldig had geluisterd naar haar enthousiaste verhalen over hun eerste weken samen en haar had verzekerd dat hij niets liever wou dan haar gelukkig zien, had hij voorzichtig gepolst of die jongeman wel genoeg inhoud had. Ze had de vraag destijds niet eens gehoord, maar had ze zich achteraf wel pijnlijk vaak herinnerd. Schoorvoetend had zij moeten erkennen dat haar vaders bezorgdheid volkomen terecht was geweest. Meneer Piovanelli was zwaar van postuur maar licht van geest, dat was de verpletterende waarheid die zij intussen niet langer kon ontkennen.   Mevrouw Piovanelli had zich uitgeput in vergeefse pogingen om zijn interesse te wekken voor de literatuur, de beeldende kunsten of de wetenschappen. Ze had hem meegenomen naar de grote Europese steden en was hem voorgegaan naar gerenommeerde kunsthuizen en musea. Talrijke schouwburgen en galerijen hadden zij bezocht en na haar vaders dood had zij diens bibliotheek met veel zorg laten overbrengen naar hun eigen woning. Het liet hem allemaal koud.   Niets had doen vermoeden dat die dag anders zou verlopen dan alle andere. Zij was vroeg opgestaan en had naar vaste gewoonte de ontbijttafel klaar gezet. Hij was ongeschoren aan tafel verschenen, had zich haastig volgeschrokt zonder haar een woord te gunnen en verborg nu zijn rood gezwollen hoofd achter het lokale dagblad dat hij weldra met zich mee zou nemen als hij luidruchtig zijn gevoeg ging doen. “Ik heb dat boek eindelijk gevonden,” zei ze. Hij zweeg. “Je weet wel, dat boek van Vonnegut.” Hij zweeg. “Van Kurt Vonnegut, over evolutie en beschaving, het speelt zich af op de Galapagos eilanden.” Hij zweeg nog steeds. “Ga-lá-pa-gos.” Ze noemde de lettergrepen luid en traag en liet vervolgens een stilte die hem geen andere kans liet dan te reageren. “Galawat?” vroeg hij verveeld.   Zwijgend stond ze op en liep naar het aanrecht achter hem. Ze nam de grote vleesvork, draaide zich om en plofte die zonder aarzeling diep in zijn hals. Een harde knal weerklonk, gevolgd door een walgelijk geluid als van een lange luide buikwind. Meneer Piovanelli vloog door de kamer als een ballon die wild wordt voortgestuwd door de lucht die ontsnapt langs dat ene gaatje. Ze wachtte geduldig af tot hij, zoals zij had verwacht, helemaal was leeg gelopen en alleen nog zijn omhulsel achterbleef op de koude vloer. Voorzichtig pakte zij de lege zak op en plooide die telkens dubbel tot ook de laatste lucht eruit verdwenen was. Vervolgens ontvouwde ze haar echtgenoot opnieuw tot zijn volle lengte. Het dunne vel paste nu precies tussen de kaken van de oude perforator uit vaders bibliotheek. Zorgzaam en geduldig knipte zij haar man tot kleine rondjes en verzamelde die in een lege bloempot.    

Roel Nijleend
10 0

Afterparty

Na het afscheid ging hij alleen langs de trap naar beneden. Tot hij bijna beneden was, weerklonk enkel het dalende geluid van zijn voetstappen op de treden, telkens twintig, dan het hoekje om, en zo wel een keer of veertien. Met nog één verdieping te gaan, hoorde hij onder hem het blaffen van een hond. Daar zou hij langs moeten. Toen hij aan zijn laatste twintig treden begon, zag hij de hond. Het beest zat niet eens vast. Maar de hond blafte niet meer en liet hem passeren zonder meer. Zo eenvoudig kon het dus zijn, dacht hij opgelucht. Hij ging de voordeur door en stapte de duisternis in. Nu was het feest echt gedaan. Hij wandelde zonder haast naar de dichtstbijzijnde bushalte, waar toevallig of niet de bus al stond te wachten. Aan het stuur zat een jong meisje van jaar of twintig. Sharon, las hij op het naamkaartje op haar borst. Hij gaf Sharon een muntstuk, waarna ze de bus startte en wegreed. Ze vroeg niet waar hij moest uitstappen. Hij zette zich neer. Behalve hem was er niemand op de bus. Door de ruiten zag hij niks van de wereld buiten, enkel zijn eigen schimmige reflectie. Het zachte deinen van de bus wiegde hem half in slaap. Uiteindelijk, hij wist niet na hoeveel tijd, vertraagde de bus. Hij was aan het einde van zijn rit gekomen. Sharon opende deuren en hij stapte uit. Precies waar hij zijn moest, bedacht hij met bewondering terwijl hij keek naar de wegrijdende bus, op zoek naar een nieuwe passagier voor wie het feest afgelopen was. Tevreden stapte hij naar de voordeur van zijn eindbestemming, ging naar binnen en gaf zich helemaal over aan zijn langverlangde rust.

joris
3 0

Anna's rozen

"Weet je zeker dat het hier is?" "Nog een beetje verder, we zijn er bijna." Mijn dochter zucht theatraal. Even verwachtte ik dat ze zou protesteren, maar tot mijn opluchting gaat ze zwijgend verder. Met haar ene arm houdt ze mijn krukken vast, met haar andere ondersteunt ze mij. Ik bengel als een slappe lappenpop naast haar. Hoewel zij mijn uitgemergelde lichaam goed ondersteunt, doet elke beweging pijn. Onwillekeurig vraag ik me af wat het gemakkelijkste zou breken: een arm, een rib of een heup? Of misschien scheuren spieren gemakkelijker dan botten breken? De vraag verdwijnt al snel naar mijn achterhoofd, wanneer ik de oude eik herken. "Hier linksaf," geef ik aan. "Hoe kan dat nu? Mam, daar is helemaal geen pad! Nee, we gaan onmiddellijk terug. Dit is gekkenwerk! Ik kan niet geloven dat je me hiertoe hebt aangezet! Waar zijn we in godsnaam beland!" Ze snuift luid door haar neusgaten. Ik ken mijn dochter goed genoeg om haar monoloog niet te onderbreken en haar te laten uitrazen. "Kom, kom, lieverd. We zijn er bijna. Hier linksaf." Ik spreek rustig en zelfzeker. Mijn dochter kijkt me onthutst aan, maar komt wel weer in beweging. Met mijn krukken duwt ze takken van een heldergroene struik aan de kant. Samen staren we de dichte begroeiing in. Na nog een laatste klaaglijke zucht, stapt ze zijwaarts het struikgewas in, mij naast haar meeslepend. We bewegen ons traag door de groene wildernis. Ik ben zo in gedachten verzonken, dat ik enkele keren bijna struikel over wortels van de bomen die her en der staan. Gelukkig houdt mijn dochter me stevig vast. Met een abrupte beweging die mijn lichaam doet schokken, komen we tot stilstand wanneer we eindelijk de houten constructie van de hut zien. Mijn ogen vullen zich met tranen bij de aanblik van het gammele hutje. Ik word overspoeld met herinneringen. Mijn hart gaat sneller slaan. Het lijkt alsof elke hartslag zijn naam schreeuwt. Leon, Leon, Leon. Ik heb er nooit over getwijfeld dat de hut er nog zou zijn, maar al snel besef ik dat de belangrijkste plaats uit mijn leven, de tand des tijds maar net overleefd heeft. Nu ik ons stulpje van dichtbij bekijk, verwondert het me een beetje dat het nog steeds overeind staat. Het oogt alsof het zou kunnen bezwijken onder de kleinste windvlaag. Maar hetzelfde zou van mij gezegd kunnen worden, en ik ben er ook nog. "Laat me nu maar even los," gebied ik mijn dochter. Ze laat mijn broze lichaam voorzichtig los en ondersteunt me tot ze zeker weet dat ik stevig op mijn benen sta, waarna ze me de krukken overhandigt. Onhandig maar vastberaden beweeg ik me naar de deur. Met een kruk duw ik ertegen, waarna deze al piepend opengaat. Samen met mijn hartslag versnelt mijn ademhaling. Even vraag ik me af of mijn lichaam het dan eindelijk zou begeven, hier aan de deurpost van onze hut. Zo dichtbij, maar net niet. Het zou me niet verwonderen, besef ik. Hier terugkeren na al die jaren, had altijd iets onrealistisch geweest. Een onmogelijke droom, waaruit ik elk  moment zou kunnen ontwaken. Ik  wacht geduldig tot mijn ademhaling tot rust gekomen is en stap dan binnen. Als aan de grond genageld sta ik in het hutje. Ik sluit mijn ogen en snuif. Alles hier ademt zijn geur uit. Mijn adem stokt en mijn ogen openen zich wanneer mijn dochter achter mij mijn heiligdom betreedt. Ze stapt achteloos ons stulpje binnen:  haar voetstappen maken te veel lawaai, ze schraapt nerveus haar keel en neemt alles nieuwsgierig in haar op, alsof dit niet het grootste geheim is dat ik heb.  Een geheim dat ik al die jaren gekoesterd heb, maar haar ook toebehoort, besef ik. "Lieverd, geef me mijn tasje eens aan?" Zonder tegenpruttelen laat ze mijn tasje van haar rug glijden en overhandigt het me. Wanneer ik stabiel genoeg sta, geef ik haar de krukken in ruil. Ik open het tasje en haal de kaars en de aansteker tevoorschijn. Ik voel de nieuwsgierige blik van mijn dochter op mijn huid branden.  Hoewel het niet donker is in de hut, ontsteek ik de kaars en plaats hem in de kandelaar op het tafeltje dat voor me staat. "Dit was ons plekje. Ons geheim." Ik fluister de woorden voor mij uit, meer voor mezelf dan voor mijn dochter, hoewel ik me er bewust van ben dat zij elk woord nauwlettend opneemt. "Dit is het dorp waarin ik mijn jeugd heb doorgebracht. Hier heb ik de liefde van mijn leven ontmoet.", vertrouw ik haar toe. "Ja, in het witte kerkje waar we daarnet langsreden, trouwde je met vader. Dat weet ik toch? Je vertelde me dat verhaal al honderd keer en..." Haar ogen ontmoeten de mijne. Iets in mijn blik brengt haar tot zwijgen en doet haar naar adem snakken. "O." Mijn dochters lippen hebben dezelfde vorm als het geluid dat ze produceren. Ze heeft het eindelijk begrepen, besef ik. "Nee, lieverd. Dit verhaal heb ik je nog niet verteld." Ik heb het nooit iemand verteld, voeg ik er in gedachten aan toe. Ik werp haar een knipoog toe en voel hoe mijn wangen kleuren. Ik neem plaats op één van de oude stoeltjes aan het tafeltje. Het harde met de hand vervaardigde meubelstuk voelt vertrouwd aan. Mijn dochter neemt plaats op de andere stoel. "Zijn naam was Leon. Leon Biest. Ik was zestien toen ik hem ontmoette, hij was een jaar of twee ouder dan ik. We waren dolverliefd. Mijn liefde voor hem was zoals ademhalen: heel natuurlijk, en bovendien levensnoodzakelijk. We waren zo gelukkig, zo jong, zo wild. Maar natuurlijk keurden mijn ouders het niet goed. Vader was razend. Moeder wilde het er niet eens over hebben. Een Biest, daar wilde ze écht niets mee te maken hebben. Ah, ik begrijp het wel, hij was ook zo'n boef." Ik grinnik. Mijn dochter kijkt me verbijsterd aan, alsof ze niet kan geloven dat haar timide moeder een grinnik kan produceren. "Een boef?""Geen echte crimineel natuurlijk, hoogstens wat kattenkwaad. Hij had toen zo'n jobje als boodschappenjongen, waarbij hij met de fiets urenlang van her naar der moest om bestellingen op te nemen of materialen te leveren. Toen hij op zijn eerste werkdag platte band had en een fiets had gestolen om zijn route verder te zeggen, had hij natuurlijk meteen naam gemaakt. De hele dag door het dorp fietsen op een gestolen fiets, dat ging niet onopgemerkt voorbij! Dat het de fiets was van de priester, was natuurlijk brute pech. En al die keren dat we aangesproken werden door mensen die we niet eens kenden! We konden nergens ongestoord samen heen! Hij had de onhebbelijke gewoonte om tuinen te betreden en kledij van wasdraden te stelen. Die droeg hij dan ongegeneerd in het openbaar! Ik kan je wel vertellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Ik zat er steeds weer mee verveeld dat we werden aangesproken omdat hij de een of de andere mans broek of jasje droeg, maar hij niet. Voor hem was alles een soort grap. Hij was volkomen zorgeloos." De herinneringen aan zijn kwajongensstreken en zijn roekeloosheid, brengen vreugde in mijn hart. Het is lang geleden dat ik me zo licht en vrolijk gevoel had. Het voelt weer net als toen, zelfs na al die jaren. "En daarom bouwden jullie dit hutje? Omdat jullie niet meer in het openbaar konden samenkomen?" "Nee, 'tuurlijk niet. Dat was pas toen ik je vader huwde." "Wist vader...?" "Nee, hij heeft het nooit geweten. Bernard was zo'n lieve, oprechte man. Het was niet eens bij hem opgekomen dat ik niet zo was. Ik voelde zoveel genegenheid voor hem, dat het voor hem ook niet moeilijk was om te geloven dat ik hem liefhad. En natuurlijk was dat ook zo: ik hield van Bernard. Zelfs nu hij al bijna elf jaar dood is, hou ik nog steeds van hem. Maar niet zoals ik van Leon hield. Niet zoals ik nog steeds van Leon houd." Ik kijk naar mijn enige dochter, mijn oudste kind. Ik heb haar gedragen, gebaard en haar leven lang gekoesterd. Ik heb altijd meer van haar gehouden dan van de jongens, al mag een moeder zulke dingen eigenlijk niet denken. Haar hele leven heb ik haar dichtbij me gehouden. Als kind was dat gemakkelijk, maar ook toen zij Tobias huwde en zelf kinderen kreeg, bleef ik erg bij haar leven betrokken. Ik denk soms dat ik haar beter ken dan zij zichzelf kent. Hoewel we als dag en nacht van elkaar verschillen, voel ik een sterke verbondenheid. Haar driftbuien, het onblusbare vuur dat in haar huist, haar hart dat op het puntje van haar tong ligt, haar impulsiviteit. Eigenschappen die ik zelf niet heb, maar door en door bij haar ken en koester. Maar op geen enkel moment had ik dit meegemaakt: ze staarde me aan, sprakeloos. Totaal verbijsterd. Mijn mondige meisje. "Toen mijn ouders me dwongen om me te verloven met Bernard, beloofde Leon me dat hij een hut in het bos zou bouwen om samen heen te vluchten. Een toevluchtsoord waar we nooit ontdekt konden worden. Natuurlijk wist ik ook wel dat we niet de rest van ons leven onontdekt in een hutje konden wonen, maar ik was jong en ongelooflijk verliefd op hem. Ik zou hem overal heen gevolgd hebben. Ik zou de verloving afgeblazen hebben of niet opgedaagd zijn op mijn eigen huwelijk. Alles zou ik gedaan hebben, om samen met hem te zijn." "Maar waarom ben je dan met vader getrouwd? Wat gebeurde er?" Ze zit op het randje van haar stoel. Haar ogen, wijd opengesperd uit nieuwsgierigheid, kijken me doordringend aan. "Mijn moeder werd ziek. Dat veranderde alles. Hoewel ze niet had ingestemd met mijn relatie met Leon, was zij me zeer dierbaar. Ik hield zo van haar. Toen ze me op haar sterfbed vroeg om Bernard te huwen, kon ik niet weigeren. Dus huwde ik Bernard. En dat was dat. Dat dacht ik toen toch." Ik adem enkele keren diep in en uit, maar wanneer ik zie dat mijn dochter me brandend van ongeduld aanstaart, ga ik snel verder. "Leon bouwde de hut die hij me beloofd had. En weet je, mij lieve dochter, ik ben altijd heel gelovig geweest, net als mijn ouders. Ook als kind hield ik me trouw aan de Christelijke waarden. Ik leefde volgens mijn geloof. Tot ik iets ontdekte dat krachtiger was. Mijn liefde voor Leon was zo onloochenbaar, dat ze mijn Christelijke waarden oversteeg. Het hutje was exact één dag voor mijn huwelijk klaar. En het was hier dat ik mijn echte huwelijksnacht doorbracht, waarna ik in de vroege ochtend het ouderlijke huis binnensloop om als een brave verloofde op mijn toekomstige echtgenoot te wachten. Bernard pikte me op, we trouwden in het witte kerkje dat ik je daarnet aangewezen had en daar zou het bij blijven. Dat had ik mezelf voorgehouden, in overeenstemming met de belofte die ik mijn moeder had gemaakt. Maar natuurlijk bleef het daar niet bij. Ik merkte al snel dat ik zonder mijn grote liefde maar een half leven leidde. En er kwamen meer momenten in de hut. Ik keerde terug, hij keerde terug. We zagen elkaar hier, kusten elkaar, hadden elkaar lief. Of we misten elkaar. Wanneer één van ons hier was zonder de ander, ontstaken we een kaars. Als je dan bij binnenkomst in de hut de brandende kaars aantrof, wist je dat de ander hier niet lang geleden geweest was. Dat hij voor jou gekomen was en je gemist had. Dat hij aan jou gedacht had. En dan werd je helemaal warm vanbinnen. Leon liet naast de kaarsen ook steeds rozen voor me achter. Hoewel ik toen niet om bloemen gaf, net omdat ze zo snel verwelkten, deed het me veel plezier dat hij die dingen speciaal voor me uit anderen hun tuin plukte. Dat hij die risico's voor mij nam, voelde heel bijzonder." Ik kijk mijn dochter trots, maar ook wat beschaamd om mijn ontrouw aan. Ik weet dat ze ondanks haar impulsieve karakter, haar man nooit zou bedriegen. Dat ik, de rustige, timide vrouw, dat toentertijd herhaaldelijk heb gedaan en dat openlijk toegeef, lijkt haar niet van haar stuk te brengen. Haar levendige ogen kijken me nieuwsgierig aan. Ik zie hoe ze zich probeert voor te stellen hoe het toen was. De passie, de liefde die sterker was dan alle waarden waar ik waarlijk in geloofde, het avontuur. Ze is altijd heel pienter geweest, ook als kind al. Ik vraag me af wat er achter haar schijnbaar rustige gezicht schuilgaat. Hoeveel heeft zij begrepen uit mijn verhaal? Mijn oogappel, die ik altijd gekoesterd en aanbeden heb. Mijn Rose, die altijd wat vuriger geweest is dan haar broertjes. Wanneer haar ogen, die dezelfde tint groen zijn als die van Leon, me aanstaren, vraag ik me af of ik wil dat ze het weet. "En toen?" "Na mijn huwelijk werd ik heel snel zwanger. Zodra mijn zwangerschap zichtbaar was, kwamen er steeds minder kaarsen en rozen. Hij hield nog steeds van mij, dat zag ik in zijn ogen, maar mij zwanger zien, te wéten dat ik Bernards kind droeg, was voor hem te pijnlijk. Hij kon het niet aanzien. Mijn zwangerschap maakte het zichtbaar dat ik niet de zijne was." "Je herinnert het je niet, maar je bent hier eerder geweest." De bekentenis die ik haar maak, verrast me. "Toen ik net van jou bevallen was, nam ik je mee hierheen. Ik weet niet wat ik van plan was. Wat ik zou zeggen. Welke beslissingen ik zou nemen. Het was een impuls." "En wat gebeurde er?" Rose kijkt me bedachtzaam aan. "Niets. Er gebeurde niet. Hij was er niet. Na jouw geboorte, kwamen er geen kaarsen meer. Geen rozen. Geen Leon. Ik keerde terug, zo vaak ik kon verbergen, jarenlang. Tot Jamie geboren werd. Na de geboorte van je broer, heb ik me gesteld in mijn huwelijk. Ik heb er toen op aangedrongen om te verhuizen naar de andere kant van het land. Het deed je vader verdriet om onze geboortestreek te verlaten, maar hij weigerde niet. En zo verhuisden wij zonder duidelijke reden, met onze twee jonge kinderen. Henry werd pas anderhalf jaar later geboren." Roses vragende blik kruist de mijne. Ik lees zoveel twijfels in haar ogen. Zoveel onbeantwoorde vragen, zekerheden die plots wegvallen. Het doet me pijn om haar zo te doen wankelen, maar anderzijds  is het een opluchting dat ze eindelijk de waarheid kent. Het is een verademing dat ze mijn diepste geheim kent. Eindelijk kent ze mij, zoals ik echt ben. Het zal tijd vergen, dat weet ik, maar ik ben er gerust in dat deze nieuwe informatie haar zal helpen ook zichzelf beter te leren kennen en te aanvaarden. "Mam, ik denk dat het tijd is om te gaan, het wordt al bijna donker en we hebben nog een lange autorit voor de boeg." Ik knik. Ik buig voorover en doe iets wat ik nooit eerder gedaan heb: ik blaas de kaars uit. Ik weet dat Leon niet terug zal keren en ook ik zal dat niet doen. Ik neem mijn dochters hand vast en neem de laatste roos die hij me schonk voorgoed mee uit ons toevluchtsoord.

Fuaran
0 0