Zoeken

Onderweg naar morgen

                                  Onderweg naar morgen   Ik keek er reikhalzend naar uit! Vol ongeduld en verlangen. Als ik nog een klein meisje was geweest had ik hoogstwaarschijnlijk rondgehuppeld en gezongen. Toen hield ik het slechts bij het laatste. Luidkeels zong ik liefdeschansons die dropen van passie en mijn omgeving in vervoering brachten; naar ik hoopte. Wanneer  ik terugdenk aan die periode, voor en na mijn PLAN, zo prentte het zich in mijn hoofd, kwam ik nog maar eens tot het besef dat ik een jaartje ouder werd, moest leren sterven, zoals het gezegde vereiste, maar bovenal ; dat was nu mijn leven. Hoe vaak heb ik erom geroepen, hoe dikwijls getreurd om mijn gebrek eraan. Het leven met hoofdletter L! Wat hield dat nu precies n voor mij. Wel, ten eerste kennis opdoen, werken, studeren. En de enige manier om daarin te slagen was om te ontsnappen uit dit achterlijk boerengat. In tegenstelling tot wat de religie hen voorschreef, waar dat land zogenaamd in geloofde, gold ginder opgedwongen achtergesteldheid gekruid met hypocriete moraal en gereserveerd met bijgeloof. Vooruitziendheid werd afgestraft, als er tenminste al iemand op zijn achterhoofd is gevallen om het na te streven. Het was verstikkend; iedere avond ondervond ik het aan den lijve. Ik voelde me als een sardine die opeengepakt lag te spartelen in een plasje water dat met de seconde verdampte in de zinderende hitte. Maar als er iets is dat ik met de jaren wel heb geleerd is het wel geduld opbrengen. Het is een schone deugd, zo wordt vaak beweerd en ik beaam het. Het huwelijk hier, in dit pittoresk dorpje, dat een paradox vormt op haar bewoners, is toepasselijk op een groot deel van de wereld. Het draait zuiver om de machtsstrijd, de touwtjes stevig in handen krijgen en houden, met als ultieme middel; seks en kinderen., Wanneer één van de partners  in kwestie enige beweging waarneemt in de voorheen vaste grond onder zijn voeten pleegt hij een coup, in menselijke taal; scheiding, dat op de meest beestachtige, menselijke vorm wordt uitgevoerd, tot de laatste kruimel, niets ontziend. Dat het leven te kort is en daarom alleen al je het dient te koesteren en vast te houden, daar hebben deze bollebozen geen kaas van gegeten. Maar ja, op je verstand zitten doet blijkbaar geen pijn! Grappig eigenlijk, als je weet hoe deze sneeuwbal aan het rollen is gegaan. Je ziet ze totaal niet komen, de momenten waarop alles verandert. Maar zelfs al kon je dat wel, het doet er niet toe, je kunt er toch niets aan veranderen. Het was dondermiddag, dat herinner ik me als de dag van gisteren. De lente was nog niet zolang het land ingetreden, en kleurde het landschap in nostalgische tinten. De zon scheen heel de dag door maar verkeerde in intieme relatie met een frisse bries. Waar je ook keek, alles deed je geloven dat het leven zo erg nog niet was. Mijn vader was op een van zijn eindeloze tochten als taxichauffeur om zijn klanten op tijd en stond naar de geëiste plek te loodsen doorheen de glooiende kaneelrode rotsheuvels. Ik stond met mijn stiefmoeder en –zusje Meryam in de keuken. Zij bereidde het avondmaal, Meryam modderde wat aan en ik veegde zo goed en zo kwaad als maar mogelijk de keukenvloer schoon met mijn veertienjarige handen en gebogen rug. We hadden het over een vrouw in het dorp. Ze was met man en kroost vertrokken naar Europa. Het land van melk en honing. Europa werd als land beschouwd ongeacht wat de atlassen beweerden.                   De uitgeweken vrouw was het gespreksonderwerp in elk huis, bij iedere bijeenkomst, lang nadat ze er aankwam, gesetteld en de draad van haar leven weer had opgenomen. Wat ging ze daar uitvoeren?! Europa is toch niets voor haar, smoesden de vrouwen bij het meer, de officiële wasplaats. Is het niet goed genoeg in ons land misschien; we zijn gezegend met vruchten, groenten, en allerlei soorten vlees… ? Een hele dag zon, en God boven ons allen. Wie zal haar  leiding geven in een goddeloos land? Ze schrobden, en schrobden met rode wangen en bezwete ruggen terwijl ze zich hardop afvroegen of ze misschien buitenshuis ging werken of studeren, ha!! Ze staakten de was en lachten uitzinnig over deze onbestaanbare ideologie. Hun ideeën zijn vastgeroest en willen niet mee met de tijd en rede. Ik had tot mijn tevredenheid de vloer schoongeveegd en borg de bezem op. Ik verrichtte mijn werk niet naar behoren, althans volgens de vrouw die zo barmhartig genoeg was om me een dak boven het hoofd te bieden. Onze relatie verliep nogal stroef, voor zolang ik me kan herinneren. Een stiefmoeder is iemand die alleen het slechte in een mens ziet. In alle mensen zonder uitzondering maar vooral een kind dat niet van haar is. Ik was veertien, had niets gezien van de wereld buiten de lap grond van mijn vader.. En luidop dacht ik aan wat ik zou doen als ik later, goh, wat leek dat nog ver, groot werd. Ik zou studeren en nadien gaan werken, als God het wil. Je kon er vergif op innemen dat Hij dat zeer zeker wil! Waarop mijn stiefmoeder laconiek repliceerde dat ik niet zo hoog van de toren moest blazen, ik was tenslotte maar een vrouw! En handig plaatste ze het deksel op de pruttelende kookpot waar een appetijtelijke geur uit opsteeg. Daarmee was de kous af! Toch vreemd en treurig, in zekere zin hoe een viertal woorden je hele toekomstbeeld aan diggelen kunnen slaan. Het was alsof iemand me een keiharde stomp in mijn maag had gegeven waar mijn hart van omkeerde. Ik werd er letterlijk ziek van. De gedachte alleen dat ik het leven zou leiden dat vele generaties voor me leden, zonder enige kans op verandering, zonder enige kans op inspraak mijnentwege, een donker hol zonder licht aan het einde van de uitgang. Je zou voor minder uit dit leven stappen. Ik kotste mijn darmen uit die verdorie niet meewilden. Ik stortte me op het schapen hoedden en keek er naar uit om hele dagen buiten te zijn in de snikhete, zonovergoten vlakte, met niemand om me heen, slechts af en toe het gemekker. De dag dat bij een meisje de eerste bloeding zich openbaarde, sloot ze zich aan bij de ellenlange rij huwbare vrouwen. En op dat gebied kwam mijn uithuwelijking met snelle schreden dichterbij. Ik verkeerde in het lichaam van een jonge vrouw. Mijn borsten leken wel overrijpe tomaten, ongeduldig wachtend op de eerste ‘plukking’. Menig mannelijk dorpsgenoot verlustigde er zich aan, ongeacht de leeftijd. Wat seksualiteit aangaat, beschikten de mannen over hersenen in het geslacht en niet zoals beweerd wordt in de bovenkamer. Ze dachten en deden met hun penis. En dat bestuurde de wereld… Stilaan rijpte zich een plan in mijn achterhoofd dat zichtbare vormen aannam. De dag dat ik vertrok had het al bijna vier jaar de kans gehad om te rijpen. Iedere avond als mijn vader zijn lichaam ontkleedde en onder de dekens nestelde met zijn brede vrouw links naast hem, sloop ik letterlijk als een dief in de nacht, naar de kamer ernaast. Daar werd sinds ik me kan herinneren voorraden opgeslagen en oude spullen opgeborgen die we niet nodig hadden maar moeilijk afstand van konden nemen. Aan de muur, tegenover de deur hing een oude kapstok en sinds jaar en dag hing mijn vader zijn kleren eraan op voor ie zijn geest en lichaam te ruste legde.  ’s Ochtends vroeg, bij het eerste hanengekraai, als  de donkere hemel slechts met lichtschakeringen sluimerde, trok hij ze weer aan na een uitvoerige wassing. Op de derde dag propte ie ze tot een bundeltje en mikte ze in de hoek van het vertrek tot iemand, meestal een van mijn stiefzussen,  ze bij de rest van het vuile wasgoed deponeerde, en hulde zich in kraakverse kledij. Hij was een propere man, mijn vader. De wereld sliep of bevredigde elkaar, als het hen zo uitkwam, terwijl ik geruisloos zijn zakken leegde en een biljet of twee achterover drukte, naargelang het bedrag ik er aantrof. Ik keek wel uit dat het niet opviel. Na bijna 4 lange jaren had ik de hand kunnen leggen op een aardige som. Ik nam waar ik recht op had. Ik nam wat me toekwam. Terwille van al die jaren van vrijheid en leven waarvan ze me hadden beroofd. Hoewel ik het hen nooit heb verweten. Ze dachten juist te handelen en wat gebeurt uit edele bedoelingen geschiedt steeds voorbij het goede, volgens een wijze, oude man. De wereld is nu eenmaal verdeeld in 2 kampen. Zij die onderdrukken en de onderdrukten. En jammer genoeg zijn de laatstgenoemde in de meerderheid; De onderdrukkers geilen op hun krankzinnigheid en wij onderwerpen ons eraan door gebrek aan beter weten. Fatsoen en Logica zijn hand in hand op een maanloze nacht weggelopen, anders hadden ze de weg wel teruggevonden. Ik ben God dankbaar dat hij me geen moeder heeft geschonken. Stel je voor! En moeder maakt je ei zacht en de kans is groot dat je het niet redt in deze staalharde wereld. Neen, dank je vriendelijk! Mijn moeder, Moge God genadig zijn, over haar ziel, stierf in het kraambed. Een moeder overleeft nooit zij die ze niet aankunnen, zegt het gezegde. Zoals het een man beaamt, was zijn eerste vrouw nog niet helemaal koud of vader hertrouwde een maagd van het dorp. Zij was rijk, ja zeker! Ze kreeg in korte tijd een man, flink wat jaren ouder maar ervaring en levenswijsheid is belangrijk, een prachtig huis, enorm in formaat, extravagant in stijl. De baby die er noodgedwongen bijkwam, was amper het vermelden waard. En zo ver haar rijkdom reikte, even ver strekte zich zijn zegening want negen maanden later kon hij zich de apetrotse vader van een dochter noemen. En nog één en nog één en nog één. En als afsluiter een zoon. De zegen was inderdaad zo onmetelijk als het zeeoppervlak, hij had een erfgenaam. Op zijn sterfbed kon hij alvast op innerlijke rust rekenen. Adam werd hij gedoopt en ik hield van dat ukkie als was het mijn eigen kind. Een parelmoervlinder. Lavandelbloesem. En ik had tal van koosnamen waar die vandaan kwamen. En vanaf de dag zijn aanvang nam tot ie over ging in de late middag liep ik vergezeld van Adam rond op het platteland. Stenen en distels ontwijkend, mijn huid bronzend en verwarmend door de hete zon. Wat hou ik van die heerlijke vuurbal! Zoals die in Turkije schijnt, schijnt ie nergens; zwoel, sensueel, genadeloos! Zevenendertig schapen had ik onder mijn hoede en ik voerde het werk met grote bevrediging uit. Er is niets dat meer voldoening schenkt, dan een grote portie verantwoordelijkheid. Haalde hun tere pootjes uit vastgehaaktte takken, loodsten hen naar vruchtbare groene vlaktes, bracht het verloren gelopen lammetje terug bij haar familie, zorgde voor voldoende water. ’s Middags onderbrak ik het werk om iets te nuttigen met de rest van het gezin. Daarop werd er een korte siësta ingelast. Het werd dan muisstil in het dorp, alsof  geen enkele ziel nog in leven was. Zelfs de dieren namen deel aan het ritueel. Ik herinner me de voorlaatste dag van mijn vertrek. Voor de laatste maal printte ik het landschap in mijn geheugen. Ik zou het missen, dat kon ik niet ontkennen. Het is zoals een ettergezwel; het klopt en jeukt en de opluchting is groot als het eindelijk geneest. Desalniettemin miste je de nare momenten. Ze werden een deel van je bestaan. Adam rende rond als een kip zonder kop; al maande ik hem aan rustig te doen. Na verloop van tijd plofte hij neer op de grond alsof het niets was. Het kaneelbruin zand stoof op. Ik had mijn ogen gesloten, nam alle geluiden in me op. In de verte mekkerde een geit, gevolgd door een schelle vrouwenstem die iets onverstaanbaars riep. De olijf- en vijgenbomen ritselden heen en weer met hun diepgroene bladeren. Vlakbij krijste cicaden monotoon. Adam lag tegen me aangeleund, zijn voorhoofd gefronst en gevraagd: “Waarom heb ik vroeger niet bestaan? “ Het was een intelligent jochie, maar soms dreef hij me tot wanhoop met zijn vragen waar geen eind aan leek te komen. “Je hebt altijd al bestaan, lieve schat.” “Wij allemaal, bij God in de hemel.” Ik wees naar boven hoewel ik er niet zo zeker van was dat het walhalla zich op die plek bevond.” Ieder individu dat ooit op aarde is geweest of ooit zal komen verblijft er even.” “En hoe bent ik dan hier gekomen?“  “Kijk”, ik dacht lang na. Hoe kon ik dit het beste uitleggen, zonder een zware berisping van mijn stiefmoeder  alsof ik net een moord had begaan, of nog erger, de waarheid vertelt en me de gebruikelijke negering aanbood die meestal weken duurde, als hij trots en in alle onschuld zijn kennis uit de doeken deed? Het werd aanbevolen in deze cultuur om brood te geven, geen rede, te leven als een zwijn; wroetend, zuiver noch van geest noch lichaam. Ongeacht de tegenstelling die de imam predikte op iedere vrijdag in de dorpsmoskee. Ik herinner me dat mijn nicht aan de vooravond van haar huwelijk nog geloofde dat een vrouw zwanger kon worden doordat “een bepaald soort vocht dat ter hoogte van de vagina lag opgeslagen en bij de minst verkeerde beweging, zoals bijvoorbeeld een tragische val, het vocht zich dan naar de baarmoeder verspreidde. Zoals een meisje uit het dorp recentelijk overkwam. Tja, en als je dan nog niet getrouwd was… “Kijk”, zei ik nogmaals en nam een dunne lange tak ter hand en tekende allerlei onherkenbare figuurtjes in het rode zand. Een huis neemt zijn aanvang met de fundamenten. “In de buik van iedere vrouw zijn er vanaf de geboorte hele kleine eitjes aanwezig en bij de mannen zijn het zaadcellen die…”. Adam raakte verwonderd zijn buik aan. “Zoals de zaadcellen die mama in  de grond gooit?!” Ik schoot in de lach. “Neen, lieverd, dat zijn zaden die uitgroeien tot voedsel, maar deze zijn een SOORT zaden die in ons lichaam zitten. En als je volgroeit tot man en besluit te trouwen, dan slaap je met je vrouw en daarbij komen het eitje en zaadje samen en dit wordt dan de baby. Het is zeer opmerkelijk en sprookjesachtig als je erbij stilstaat. Maar zo begint het leven van iedere mens, ongeacht kleur of geloof of woonplaats”. Adam was zichtbaar onder de indruk. Ik ging verder:” Dan zijn deze voor veertig dagen nog maar een klein zaadje, na nog eens veertig dagen vormen ze een klonter en dan pas een klompje vlees. Dan stuurt God een engel en blaast de geest erin. Dat is de de tijd dat de mama voelt dat het baby’tje in haar beweegt en dan leeft het ook daadwerkelijk. Want ervoor was het maar een stuk vlees. Nu had het een ziel. En vijf maanden later is dat zaadcel en eitje een volledige baby geworden en komt het uit de buik van de moeder.”  Ik zag aan zijn gezicht hoe het verhaal op hem inwerkte. Na een tijdje zei hij:” En als je geen kind wil slaapt je alleen. Maar als het koud is en je kant niet op de grond slapen?” “ Je moet toch niet op de grond slapen, engel!”, kreette ik verontwaardigt. “ Je blijft toch gewoon in bed.” Het was zijn beurt om geërgerd te roepen. “Maar als je samen slaapt krijg je een kind! “ Ik had meewarrig het hoofd geschud. Ik had het niet goed uitgelegd; in de komende ogenblikken zou hij het woord “slapen” in een totaal andere dimensie zien. Maar, hield ik mezelf voor, men is nooit te jong om te weten. Ik had het tekenen opgegeven maar toen trok ik bedenkelijk enkele strepen in het zand. De zon brandde genadeloos maar de hitte werd gecompenseerd door een matige bries die ons verkoeling bood onder de schaduwrijke vijgenboom. Dra zou de micro kraken ten teken dat de muezzin ze aanstak om op te roepen tot het middaggebed. Ik besloot voort te maken. “God heeft de man en de vrouw anders geschapen, dat weet je toch?” “ Vrouwen hebben bors gekregen om de baby melk te geven want hij kan nog geen brood eten en hebt nog geen tanden”, deed hij trots zijn kennis uit de doeken. “ Helemaal juist! Je bent een slimme jongen, weet je dat? “ Hij glunderde. “Het is trouwens ‘borsten’, de nadruk leggend op de laatste lettergreep”. “ Bors-ten”,prentte hij in zijn geheugen. “Maar dat is niet het enige verschil.  Het geslacht van een man ken je, hé. Maar een vrouw heeft op die plaats een klein gaatje”. Adam luisterde geboeid. Met schuin hoofd hoorde hij het wonder des Heer aan en plots doemde er een lichtje op;: “zoals de paarden!” Adam was schrander inderdaad. “Herinner je je nog toen de bruine merrie haar veulen kreeg…”? “Dan is haar gaatje floeps opengegaan en is het babypaard eruit gekomen. Ze heeft daar elastiek”? Ik grimaste. Hoe simplistisch is het kinderbrein.” Het is gewoon heel rekbaar. Je begrijpt nu dat zowel de mensen en dieren het zelfde geslacht hebben. Nu, als een man van zijn vrouw houdt dan wil hij vaak  heel dicht bij haar zijn, toch?”  Hij knikte overtuigd. “Zoals mijn sikje.” “ Hmmmm, …een beetje”. Sikje was zijn lievelingsdier. Ondanks het feit dat het beest mank liep van ouderdom had hij haar Sikje gedoopt en hield koppig vast aan die naam. Van zodra hij ontwaakte zocht hij  haar op. Grootmoedig deelde hij zelfs zijn koeken en karnemelk met haar maar van het laatste moest ze niets weten. “En”,  ging ik verder, “zodat de mensenniet uitsterven, had God een plan bedacht; de man doet zijn staartje in het gaatje van de vrouw en zo gebeurt het contact van het ei en zaadcellen die uiteindelijk een kind vormen en via datzelfde gaatje komen ze weer naar buiten. “Het werd een tijdje stil. Eigenlijk is het een goed plan, hé?” “ Ja,inderdaad; het is briljant!” ‘s Anderdaags, zou ik me niet op die plek bevinden, daar waar ik was opgegroeid, alles vertrouwd was en wist hoe alles in elkaar stak. Waar ik heb gehuild, plezier heb beleefd met mijn schapen en onnoemlijk eenzaam ben geweest. Het was een sprong in het diepe. Maar bewandel de wereld had Mohamed gezegd en open je hart en ogen. Ik weigerde te sterven alvorens ik mijn vleugels had uitgespreid. Het was tegen de leer van God, tegen de vrije wil, tegen iedere vorm van logisch redenering. Die avond aten we samen. Het gezin Aslan en ik, de getolereerde. Ik hield van hen, zelfs van mijn stiefmoeder. Per slot van rekening had zij mij gekneed tot wie ik ben geworden en kon ik met gemak overleven. De muezzin riep de dorpsgenoten op tot het gebed. Naarmate de avond naderde nam ieder het er goed van en sleurde stoelen en tapijtjes en keuvelde verder op het dak. Kleine petroleumlampen deden dienst als verlichting. Alsook de talrijke sterren waarmee de hemel bezaaid was. Het duurde niet lang of ik excuseerde me. Ik was moe en ging onder zeil. Speels trok ik Adam naar me toe en plantte een pakkerd op zijn wang. Van de anderen afscheid nemen was niet doenbaar. Ik wenste hen een goede nachtrust en liep op mijn dooie gemak naar mijn kamer. De microfoon kraakte en droeg vervolgens het gezang van de muezzin rond in de ruime, vrije ruimte. Ik had de hele nacht gewoeld. Ik stond op en maakte me geruisloos klaar, sloot de deur achter me en ging op pad. Mijn familie, sluimerden op dat moment ongebonden tussen droomland en realiteit. Over een uur zou mijn vader ontwaken met zijn vrouw in zijn kielzog en weer ten strijde trekken. Het leven. Het is niet gemakkelijk. Het houdt ons in de ban en we brengen onze dagen door met zaken die er niet toe doen. Verklaar je wereldlijk gewin en steek, bij voorkeur, zoveel mogelijk omstanders de ogen uit de kop. Onze maatschappij dringt ons een zelfverzonnen beeld op, een waanbeeld, gebouwd op losse schroeven, waarin we ons geloof in stellen. Vragen stellen is twijfelen. Twijfelen is niet geloven in jezelf. Maar ik zette door en relativeer. Vandaag zouden er weeral duizenden kinderen door honger omkomen. Armoe heerste in ons land samen met zijn broertje Onderdrukking. De groene rugzak begon door te wegen. Ik had enkele levensmiddelen gesmokkeld, wat ondergoed en een paar lichte kledingstukken. Voor het vertrek had ik me verkleed in en blauwe spijkerbroek en wit t-shirt. Mijn haren in een start samen gebonden en een pet opgezet. Ik kon aannemelijk voor een toeriste doorgaan, die de laatste tijd het land en in het bijzonder de dorpjes overspoelde. Niemand lette op me. De zon scheen aangenaam warm volop op mijn gezicht. Het landschap begon aan een langzaam proces van haar schoonheid tentoon te spreidden. Koranrecitaties en opzwepende muziek klonken uit voorbijrijdende wagens. Taxi’s, bromfietsers, hier en daar mensen druk in de weer op het land. Ik draaide me om en aanschouwde voor de laatste maal mijn moederdorp. Ik keek naar de diepgewortelde oppervlakkigheid dat als een deken over het binnenland heen lag gespreid. Ik zette mijn zonnebril op, gooide de ketenen van mijn enkels en verwelkomde het nieuwe

elmo
0 0

kasper

Kasper was   een uur en zeventien minuten geleden   wakker geworden in een omgeving die hij helemaal niet herkende.  Hij had ook geen enkel idee hoe hij hier verzeild was geraakt.  Zodra hij de ogen had geopend viel het hem op dat hij volledig naakt was en dat zelfs zijn supernauwkeurige horloge verdwenen was.  Hij bespeurde geen enkel geluid, behalve het monotone gezoem van een airconditioning tegen dicht tegen het plafond hing in deze vrijwel exact vierkante ruimte.    De thermostaat stond op vierentwintig graden.    Kasper was er echter vrij zeker van dat de nauwkeurigheid van het apparaat beperkt was en dat het in realiteit een graad of twee warmer was.  Hij had tijdens de afgelopen zevenentwintig jaar van zijn leven voldoende studies uitgevoerd met echte en gevoelstemperaturen om in te schatten hoe warm of koud het was in een ruimte.  Door het feit dat deze kamer ook nog eens afgesloten was en volkomen tochtvrij, kon hij met zekerheid zeggen dat het zesentwintig graden warm was.  Gezien zijn naakte toestand vond hij het voor één keer niet zo heel erg dat de temperatuur zo hoog was gezet.  Bovendien was er helemaal niets in de kamer te bespeuren waarmee hij zijn magere lijf kon bedekken.  Niet alleen waren zijn kleren verdwenen, hij was ook wakker geworden op een – weliswaar splinternieuwe – matras zonder lakens of dekens.  Zodra hij zijn ogen opende, bekeek hij zichzelf in een spiegelplafond.    Hij had zichzelf nooit graag bekeken, hij walgde van naaktheid,   maar nu hij daar zo lag in zijn blootje kon hij er moeilijk aan weerstaan.  Hij tuurde afwisselend met opengesperde blauwe kijkers en met een halfgesloten-wazige-wimperblik naar zichzelf.  Zijn belangrijkste vaststelling was dat zijn linker dikke teen krommer was dan de rechter.     De deur die een weg kon bieden naar de vrijheid was afgesloten. Het feit dat er een kijkgaatje in zat dat van buiten naar binnen gebruikt kon worden, maar niet andersom, verontruste hem enigszins.  Het sterkte zijn overtuiging dat hij gevangen zat.  De personen die hem vasthielden kenden hem bijzonder goed.  De matras was van perfekte kwaliteit en hij had bij het wakker worden met enige voldoening gevoeld hoe het materiaal de vormen van zijn lichaam had gevolgd en een kuil had gemaakt waar zijn heup en zijn schouder bijna naadloos in waren weggezakt.   Links van het bed zag Kasper door een openstaande deur dat hij een kleine badkamer ter beschikking had. In een blinkend metalen rek naast de wastafel - met koud en warm water – lagen een ganse doos tandenborstels met meerdere tubes tandpasta, negen washandjes en elf handdoeken, twee voetdoeken.    Kasper waste zich twee maal per dag erg grondig, van boven met één en van onder met een ander washandje. Het negende washandje was reserve.    Twee dagen.   Hetzelfde gold voor de handdoeken.   Hij gebruikte er twee per wasbeurt en eentje bood de nodige reserve. De twee overige waren om overdag de handen aan af te drogen.   Twee dagen.   Het was één keer gebeurd dat hij een washandje in een ogenblik van verstrooidheid op de grond had laten vallen, waardoor het onbruikbaar werd.  Sindsdien had hij de nodige extra’s voorzien tijdens een wasbeurt.  Hij weigerde immers van de voetdoek – zoals hij dat in gedachten humoristisch wist te beschrijven – af te stappen tot hij helemaal proper en droog was.   Kasper besloot dat het tijd was voor een klein opmeetproject, gezien zijn toenemende gevoelens van angst.    Hij werd claustrofobisch in kleine ruimtes indien hij niet exact wist hoe groot ze waren.   Hij doorzocht grondig zijn kleine wereld.   Een rolmeter was niet beschikbaar maar door een A4-blok papier te gebruiken dat hij in een open rek tegen de muur vond, had hij vrij accuraat bepaald hoe groot de kamer was.  Het had hem slechts elf minuten van zijn tijd gekost om de afmetingen te schatten door middel van het aantal keer 210 en 297 millimeter dat hij nodig had om van muur tot muur te geraken.  De laatste stukjes vroegen om enige nauwkeurigheid bij het plooien en scheuren van een blad tot het paste tussen de plint en de laatste volledige pagina.  Door telkens het blad te halveren kon hij exact bepalen hoe breed het stuk papier was.  Zijn conclusie was nu duidelijk.   Hij bevond zich in een afgesloten vrijwel vierkante ruimte van vier meter vierennegentig bij vier meter vijfenvijftig.    Vermoedelijk had het oorspronkelijk vijf meter bij vier meter zestig moeten worden maar nauwkeurigheid was zelden de sterkste kant van bouwvakkers. Hij was er vijfennegentig procent zeker van dat de afmetingen klopten.    Kasper sprak: “Het Clericale Celibaat kan leiden tot lijden indien zelfkastijding niet voldoende blijkt om...”    Kasper onderbrak de zin die hij luidruchtig in de richting van de deur stuurde.  Hij was ervan overtuigd dat hij aan de andere kant van zijn gebarricadeerde vrijheid een geluid hoorde.  Het ritme van kordate voetstappen die naderbij kwamen leek gestoord  te worden door een gedempt gesprek.  Het versneld verwijderen van bonkende voetstappen overtuigde hem ervan dat een vrij zware persoon op dunne zolen wegrende op een stenen vloer.  Hij wachte enkele minuten tot hij er zeker van was dat de personen aan de andere kant niet terugkeerden.   “Het CleriCALE CeliBAAT kan LEIden tot LIJden...”    Zijn gehoor was extreem accuraat zodat hij aan de andere zijde van een deur – zo lang ze van hout was – kon inschatten waar zich muren en gangen bevonden.   Aan de andere zijde van deze deur bevond zich enkel een gang van naar schatting acht meter diep.  Op het einde van die gang was er op zijn minst één afslag naar links of naar rechts.    Hij herhaalde zijn zin en tijdens het spreken – dat af en toe op schreeuwen leek – draaide hij zijn hoofd in alle richtingen en hoeken om de kenmerken van de ruimte achter de deur vast te stellen.   “...indien zelf-             KAS...TIJding... ZELF... ZELF... ZELF ...kastijding niet vol    DOEN    de... VOL... DOEN DE  ...   BLIJ...kt...”      De kans was klein dat er zich aan het einde van de gang een deur bevond.     Kasper voelde zich een stuk beter nu hij wist hoe groot zijn kamer was en hoe het er aan de kant van de vrijheid uitzag.    Op een meter van het voeteinde van zijn bed stond een tafeltje met twee stoelen.  Een nog   gesloten fles   bronwater en enkele glazen,   verpakt in plastiek   één liter, wachtten geduldig op zijn dorst.    “POLI -ethy LEEN -terefta            LAAT.  Te                    LAAT.” De gang moest een afslag naar links hebben, zoveel was nu duidelijk.   Een brood van vierhonderd gram – volkoren en vers – lag   ongesneden   onder een doorzichtige stolp.  Jonge kaas – eveneens vers en nog   luchtdicht verpakt   lag naast een plastic bord.    Het plastic bord stond hem niet aan.  Hij hield van proper en koud porselein.  Hij brak een stuk van het brood en snoof diep de verse geur op tot zijn longen verzadigd waren.  De kaas was verpakt zoals hij het graag had.  Een kleine insnijding in een hoek van de verpakking liet toe dat het pakje kon geopend worden zonder mes.  Hij scheurde het open en snoof met voldoening aan de perfekte jeugd van dit gele genot.  Vijftig procent vet had deze kaas.  Hij vulde zijn mond met kleine stukjes brood en jonge kaas en kauwde.  En kauwde.  En kauwde.    Veertien maal per hap moest hij kauwen vooraleer het eten mocht afgeslikt worden.    Dit zorgde ingeval van volkoren brood voor een perfekte verteerbaarheid.    Meergranenbrood moest elf maal gekauwd worden.    Gewoon grijs brood acht maal.    Wit brood helemaal niet.  Wit brood at Kasper niet.  Wit brood was ongezond.   Het bronwater was heerlijk.  Hij genoot met volle teugen en wist dat hij zich voorlopig geen zorgen moest maken over zijn dorst.  In het rek dat ook zijn papieren meettoestel had bevat, bevonden zich achttien flessen water van een liter.  Na het eten waste Kasper zich grondig.  Hij vond de moed om zichzelf in de spiegel te bekijken en merkte op dat hij zijn hoofd binnen enkele dagen zou moeten scheren.  Zijn oksel- en schaamharen had hij nog maar pas verwijderd en wat betreft de rest van zijn lichaam was hij gelukkig dat hij vrijwel geen enkel haartje kon bespeuren.    Het fenomeen borsthaar kende hij niet.  Hij wist dat mannen vaak halve apen waren onder hun kleren.  Hij niet.  Hij had babyhuid. Het stoorde hem dat hij geen scheermes had gevonden.  Hij vroeg zich af hoe hij dit probleem moest oplossen.   Hij had slechts een dag of twee tijd hiervoor.   * * *     Op het nachtkastje naast zijn bed lag een werkje van Immanuel Kant – Fundering voor de metafysica van de zeden.  Het was nog verpakt waardoor hij wist dat het nog door niemand gelezen was.  Hij hield van Kant.  Kant was een beetje misantroop, zoals hij dat ook was.   Hij las nog een uur en twintig minuten – traag en analytisch – en legde het boek dan terug op de plastic verpakking.  Het stoorde hem dat hij onbedekt moest gaan slapen.    Onzedig.    Onverantwoord.    Onaangenaam.    Onnatuurlijk.    Ongemakkelijk.     Heel erg ON...     * * *       Toen hij wakker werd was hij een ogenblik lang niet helemaal overtuigd dat hij ook echt wakker was.  Hij wist niet of hij in paniek moest slaan.    Hij wist het niet.    Het was voor het eerst in acht jaar dat hij iets niet wist met absolute zekerheid.  Hij was wakker geworden op zijn rechterzij in zijn geliefde foetushouding, beide handen onder het hoofd.  Hij voelde echter een nabijheid in zijn rug en vermits hij niet over dekens beschikte wist hij in eerste instantie niet wat er aan de hand was.  Hij opende voorzichtig de ogen en draaide het hoofd naar links, zodat hij zichzelf in de spiegel tegen het plafond kon bekijken. Het kostte hem welgeteld drie sekonden om uit het bed te springen en zich in volle paniek naar een hoek van de kamer te reppen.     “Ook een goeiemorgen.”   ***   Zij was al even naakt als hijzelf.  Goudbruine haren vielen warrig tot over de schouders.  Voor het overige leek ook zij volledig kaalgeschoren.  Ze rekte zich schaamteloos en kreunend uit en legde dan ontspannen de armen achter het hoofd.   “Hoe is het mogelijk dat u hier lijfelijk aanwezig bent?  Bent u tevens gevangen gezet in deze vrijwel vierkante ruimte?”   “Dat zal dan wel.  Enig idee hoe laat het is?”   “Er is een geringe kier in de blindering van dat raam aan de zuidoostelijke kant.  Ik heb gisteren de zon gevolgd en vermits het juli is moet het nu zo ongeveer kwart na acht in de ochtend zijn.”   “Een uur of acht was ook al goed geweest.  Hebben we een toilet?  Ik moet pissen.”  Kasper was een beetje geschokt door het perverse taalgebruik maar wees vervolgens toch met gestrekte arm en wijsvinger naar de kleine badkamer.  Het licht brandde.  Hij had het licht niet aangedaan.  Er lagen extra handdoeken, washandjes en...   “vrouwelijke dingen.  Die lagen hier gisteren nog niet.  Ze zijn voor u.  Ze hebben voor mij geen functie.  Welk is uw officiële naam?”   “Els.” “Els Wat?” “Geen Wat, alleen maar Els.” “Waarom?” “Ik heb geen achternaam meer.  Ik heb...hem niet meer.” “Waarom?” “Moei d’er u er niet me.” “Waarom?” “Hou op!  Kleuter!”  Ze verdween in de badkamer en liet Kasper verwonderd achter.  Hij wou gewoon haar naam weten.    Mensen zijn complex.  Vrouwen zijn complexer.     * * *     “Het moet vrij zeldzaam zijn dat iemand meerdere geboortevlekken dicht bij elkaar heeft, en dat die niet verdwenen zijn in de kindertijd.”  Els greep haar rechterarm beet met haar linkerhand om de plekken te bedekken, maar haar linkerhand vertoonde er nog meer.   “Ik wil het er niet over hebben.  Ik heb geen geboortevlekken.  Mijn huid is perfekt.”   “Roken is ongezond.  Leeft uw geboortevader nog?  Heeft het roken hem longkanker bezorgd?  Is hij dood?  Was u blij of extatisch toen hij stierf? Heeft u op zijn graf gedanst?  Of zelfs geürineerd? Werd hij palliatief behandeld?  Of...”   “Hoe komt ge erbij dat...”   “Oom Jan zit nu in Mexico.”   “Wat zit ge nu ineens te memmen over Nonkel Jan?  Hoe...”   “Hij is de broer van mijn moeder.  Hij is pastoor.  Hij kwam vaak op bezoek toen ik klein was.”   “Zat gij daarom zo te brullen...”   “U was aan de andere kant?  U bent geen gevangene?  Werkt U met de anderen samen?”        * * *       “90-66-95”.   “Wat?”   “Zijn dat uw maten?”   “Hoe..., ja, ongeveer, hoe...” “Ik ben goed met cijfers.  U heeft de ideale maten.” “Niet bepaald.  Ik heb een vette reet. Een hangkont.” “Zesenzestig en vijfennegentig hebben de perfekte ratio van ongeveer zeventig procent voor de man met een sterke nood aan voortplanting.  Niet voor mij.  Ik heb geen plan om mij voort te planten.  Mijn genen zijn verontreinigd.  Ik heb...”     * * *       Ze aten met smaak een boterham met kaas.  Geen van beiden leek er moeite mee te hebben naakt te zijn.  Els krabte regelmatig zonder enige schroom waar ze jeuk had.   “Deze kaas heeft een vetgehalte van rond de vijftig procent.  Gouda.  Wielvormig.  Tot vijftien kilo per wiel.”   “Zijt ge ongelukkig?”   “Waarom?  Neen, waarom zou ik ongelukkig zijn.  Deze cel is tijdelijk.  Denk ik.  Nadien is alles weer normaal.  Ik zou wel graag naar huis gaan.”   “Waar is thuis?”   “De Noordpool denk ik.  Dat zou mijn thuis kunnen zijn.  Proper.  Koel.  Geen buren.”   “Waarom denken de anderen dat ge ongelukkig zijt?”   “Bent u ongelukkig?”    Els had haar benen opgetrokken en haar voeten rustten op de kunststof zit van haar stoel.  Ze legde haar armen omheen haar benen en begroef haar hoofd tussen haar knieën.  Kort daarna hief ze haar hoofd op en keek hem aan.    “Vandaag niet.”     * * *       “Uw welgevormde melkklieren brengen waarschijnlijk menig kleuter het hoofd op hol.”  Zijn staalblauwe ogen verpinkten niet.  Hij leek bloedserieus.   “Is dat humor?”   “Ja...   Neen...   Misschien.”   “Wat is het nu?  Niet zeker?”               Hij was niet zeker.   “Neen.”   “Neen, wat?”   “Het was geen humor.”   * * *   Ze zaten nu al vijf dagen opgesloten in de vrijwel vierkante gevangenis.  Geen van beiden had sindsdien de nood gehad nog een kwaad woord tot de ander te richten.  Er leek een perfekte harmonie te bestaan tussen deze twee vreemde wezens. ’s Ochtends werden ze uitgerust wakker en stelden ze met enige voldoening vast dat het toiletgerief en het eten op een correcte manier werd aangevuld:   met aandacht voor een perfekte properheid.   Toen Kasper de badkamer betrad zag hij hoe Els zichzelf stond te bekijken in de spiegel.   “In het midden van de spiegel bevindt zich een kleine verkleuring.  Het moet een goedkope spiegel geweest zijn.  Het is geen verkleuring van uw huid.  Uw huid is...glanzend.”  Els keek een ogenblik bedenkelijk naar het spiegelbeeld van Kasper.   “Ik erger me aan mijn tetten.  Ik word een dagje ouder.  Nog even en ik zit met een gruwelijke Afrikaanse hangcultuur die ik voortdurend moet steunen met strakke BH’s.”   “Ik walg niet van u.”   “Wat?”   “Ik walg niet van u.”   “Amai mersi.”   “U begrijpt het niet.”   “Wat...”   “Ik walg niet van u.  Ik walg van iedereen.  Ik walg van mezelf.  Maar ik walg niet van u.”   “O.”   * * *   “Geïnteresseerd in kant?  Je bent toch geen flikker hoop ik.”   “Flikker?   Flikker. De. Mannelijk. Homoseksueel. Iemand op zijn flikker geven.  Een pak slag geven.  Een hevige berisping bezorgen.  Snars. Hij snapt er geen flikker van.   Ik snap er geen flikker van.”  Kasper begreep nog steeds niet wat ze bedoelde en keek haar vragend aan.   “Dat boek.  Over kant.”   “Kant.  Met een hoofdletter.  Filosofie.  Meneer Kant.  Immanuel Kant.  Hij heeft bepaald wat ethiek is.  Hij was op zoek naar het begrip goede wil, plicht, de autonomie van de wil.”   “Amai dat is zo een boek waarmee je een scheve tafel rechthoudt.”   “Ik begrijp u niet.”   “Dat soort boeken interesseert me geen zak.”   “Wat denkt u over goede wil?”   “Daar denk ik niet over na.  Er is voornamelijk slechte wil.  Goed bestaat vrijwel niet.  En zeker geen goede venten...”   “Misschien...” “Misschien ben jij een uitzondering.  Menig andere vent had al lang geprobeerd mij plat te neuken.  En gij...”  Ze bekeek zichzelf en zuchtte.  Ze ging op één van de stoelen zitten en begroef haar gezicht in haar handen.     * * *     Het was de zesde ochtend.  Het was waarschijnlijk een prachtige ochtend, maar de ruimte waarin ze zich bevonden was half verduisterd en onveranderd op zesentwintig graden gehouden.    Els werd wakker met haar hand op de buik van Kasper.  Hij lag ontspannen op zijn rug en zijn hoofd rustte op haar schouders.   Kasper opende de ogen en stelde vast hoe hij tegen haar aan lag.  Hij liet zijn hoofd onbeweeglijk liggen tegen haar lichaam en deed zijn ogen opnieuw dicht.  Het versterkte de ervaring die hij opdeed.  Er was geen angst.  Niet meer.  Niet bij haar.   “Mag ik u op bijzonder onbetamelijke manier aanraken op plaatsen die u misschien...”   “Doe wat je niet laten kunt.  Ze ging languit op haar rug liggen, haar knieën eerst nog kuis tegen elkaar, vervolgens...”   Kasper legde drie vingertoppen van zijn rechterhand in de ronde holtes op haar arm, holtes met een diameter exact even groot als een sigaret.  Els begon te huilen en begroef haar gezicht in zijn nek...   * * *       “Wat zit je te staren, gore smeerlap!  Geef me mijn kleren!  Nu!  En geef  me dan die van hem!  Nu!  Godverdomme!  Ik doe hier niet meer aan mee!”   “Els, je...Maar...”   “Hou er mee op!  Ik weet wat ik beloofd had.  Ik weet nog heel goed waartoe ik hem moest overhalen.  Het gaat niet meer.  Het moet ophouden.   Het is niet goed.  Voor hem.  Het is niet goed voor hem.  Ik vertrek!  En hij gaat mee!  Dit experiment is afgelopen!  Er is niks mis met hem.  Hij is...hij is perfekt.”   “Dit kan niet, zijn ouders...En jij Els, je staat bij ons onder...”   “Waag het niet ons tegen te houden.  Ik maak dit wereldkundig in iedere krant!  Hij gaat met me mee, hoor je me?”     * * *         Ze lagen op een vers gewassen en door de wind gedroogd laken in hun aan alle kanten afgeschermde tuin.    De zon brandde op hun huid.   Ze waren naakt en geen van beiden had er problemen mee.   “Mag ik u op bijzonder onbetamelijke manier aanraken op plaatsen die u misschien...”     Els begon keihard te schateren.  

huro
2 0

Drakensnoepjes

Hij draaide zich nog één keer om, voelde de deken tegen zijn wang. Eerst afwisselend een oog open en dicht, dan alle twee. Hij speelde dat spelletje iedere morgen, zodat hij net iets langer kon blijven liggen. De sterren aan de onderkant van het bureau glommen. Zelfs op zondag moest er gewerkt worden. "Drakenvelletjes wachten niet met groeien, Alexander!" zei vader altijd. "Ze moeten op het juiste moment geoogst worden, dan krijg je de beste snoepjes!" Alexander haatte ze. Hij snapte nog altijd niet wat er zo lekker aan was: ze waren groen en veel te hard. Hij moest altijd walgen, kreeg ze gewoon niet door zijn keel. Hij hoorde de kettingen waarmee de draken in bedwang werden gehouden. De dieren begonnen al onrustig te worden. Ze wisten precies wanneer het knippen begon. Alexander kreeg nu al kippenvel als hij dacht aan hun klagende kreten als hij straks met de elektrische schaar in de weer zou zijn. Hij stapte behoedzaam door de lange gang en zag de draken in hun hok zitten. Veel ruimte om te bewegen hadden ze niet. Dat was ook niet nodig volgens vader. "Jongen toch, die draken zijn maar dieren, waarom zouden zij in een kasteel moeten wonen?" Hij gleed met zijn vingers langs de tralies terwijl hij doorstapte naar het eind van de gang. Daar zat sinds gisteren één draak afgezonderd. De bolle buik was het signaal dat er weer een kleintje zou bijkomen. Als Alexander heel goed keek, zag hij het draakje zelfs bewegen! Hij verlangde al om het kleine beest in zijn armen te houden. Tegelijk wenste hij dat het nooit geboren zou worden. Want dan zou het dier nooit veel meer zien dan het hok hier in de fabriek. Geen plaats om zijn vleugels uit te slaan. Geen plaats om zelfs maar enkele stappen te zetten. Alleen het geluid van ratelende kettingen en zoemende scharen. Alexander speurde de fabriek rond maar vader was nergens te bekennen. In het bureau had Alexander hem ook al niet gezien, de bruine leunstoel was verlaten. Vreemd, want sinds de dood van moeder was hij de fabriek bijna niet uit geweest. In het begin kwamen de vrienden van vader nog regelmatig langs. Ze dronken dan samen koffie en hadden het overal over, behalve over het ongeval. Niemand durfde er over te beginnen, en vader al helemaal niet. Toen zijn vrienden wegbleven, vond vader het ook niet meer nodig naar huis te gaan. Zijn leven was nu hier, bij zijn werk. Plots weerklonk een schreeuw. De moederdraak was gaan liggen. Het zou nu niet lang meer duren vooraleer het jong geboren werd. Alexander glipte de kooi binnen en kalmeerde de draak met een stuk chocolade. Dat had hij altijd op zak en intussen wisten de dieren wel hoe lekker dit was. Het stro ritselde onder het lijf van de draak en af en toe stootte ze een kreun uit. Toen de kleine draak uiteindelijk geboren werd, merkte Alexander al vlug dat er iets niet klopte met de moeder. Er bleef maar bloed uit haar lijf stromen. Een bevalling was sowieso een bloederige zaak, maar normaalgezien hield dit vanzelf op. Het jong nestelde zich op het lijf van zijn mama. Zij reageerde nauwelijks en ademde steeds langzamer. Het draakje werd onrustig. Ook Alexander begon te panikeren. Wat kon hij doen? Waar was vader? Wat als de draak stierf? Hij rende de gang terug af met de kleine draak in zijn armen geklemd. Alexander zou het gehuil van het jong nooit vergeten. Toen de drakenmoeder niet meer ademde, had het beest zich naar hem omgedraaid. Zijn blik was zo doordringend dat Alexander er tranen van in zijn ogen kreeg. Hij herkende het gevoel, was er zelf getuige van geweest hoe moeder stierf. Hij moest er nu gewoon voor zorgen dat dit drakenjong beschermd zou worden, dat hij niet elke dag de marteling van het scheren zou moeten doorstaan. En dat het kleine dier toch nog een beetje liefde zou krijgen. Alexander trok de ijzeren deur vlug in het slot en wikkelde de draak in een paar vodden. Nu de fabriek gebruik maakte van elektrische scharen, was dit kolenhok niet langer in gebruik. Het was een ideale verstopplaats. Alexander kwam vaak naar dit hok als hij zich eenzaam voelde. Hij had er enkele spullen verborgen die hij van vader niet meer mocht hebben: het haarlint dat moeder altijd droeg, een kleine voorraad chocoladerepen, de gezinsfoto die vader na het ongeval in de vuilnisbak gegooid had. Hij keek naar de wikkels rond de chocolade en wist meteen hoe hij zijn draak zou noemen. Hij moest er voor zorgen dat Jaques zich hier thuis zou voelen. Alexander wreef het beest over zijn snuit en zag dat die daar erg van genoot. Hij bleef tussen de twee kraaloogjes wrijven tot Jaques in slaap viel. "Alexander!" De stem van vader galmde door de fabriek. Alexander schrok maar de draak bleef rustig liggen. Hij legde Jaques voorzichtig neer, sloot de deur met een zachte klik en rende naar vader. Hij slaagde er nog net in om een paar doeken mee te grissen. "Alexander, wat is er hier gebeurd?" Vader was woedend, zijn gezicht was rood aangelopen en hij zwaaide met zijn armen. "Papa, ik heb je overal gezocht!" stamelde Alexander. "Ik ben wakker geworden van een schreeuw en toen ik bij het hok kwam, zag ik alleen maar bloed. Ik heb deze doeken gehaald om het bloed te stelpen. Is ze... dood?" Vader draaide zich om. Hij had blijkbaar de tijd nog niet genomen om te kijken of de draak nog leefde. Hij legde zijn hand op het drakenlijf. "Waar was je, papa?" Vader antwoordde niet, zuchtte alleen maar diep. "Alexander, jij ruimt die troep op. Zorg ervoor dat Paul morgen enkel nog het dier moet wegbrengen." Vader stapte het hok uit en liet Alexander achter bij het dode dier. Hij keek niet meer achterom. Alexander voelde zijn tranen opkomen en probeerde ze weg te slikken. Hij wilde niet wenen, niet nu hij Jaques had kunnen redden. Hij moest blij zijn, maar diep vanbinnen sneed de zwijgende blik van vader door zijn hart. Iedere keer als vader naar hem keek, zag Alexander de pijn in zijn ogen. Alexander wist dat hij heel erg op moeder geleek: dezelfde bruine ogen, hetzelfde sluike haar en dezelfde bleke huid. Sinds het ongeval had vader niet een keer naar hem gelachen. ... Het was de laatste reep chocolade. De voorbije weken had hij iedere dag een stuk gegeven aan Jaques. De draak groeide goed. Alexander had het beest zonder problemen in zijn hok verborgen kunnen houden. De twee voelden elkaar feilloos aan. Eén beweging, één blik was genoeg voor de draak om te weten dat hij stil moest zijn. Alexander vond het verschrikkelijk dat Jaques toch in een hok opgesloten moest blijven. Toch was hij ook opgelucht dat het dier de dagelijkse scheerbeurten voorlopig niet moest ondergaan. Zijn schubben waren al lang en hadden een prachtige dieprode kleur gekregen. Alexander had nog nooit zo'n mooie kleur gezien bij een draak. Jaques lag diep te slapen. Alexander moest zo meteen weer aan het werk maar wou zijn vriend toch nog dat laatste stuk chocolade zelf geven. Hij blies voorzichtig tussen de ogen van het beest. Jaques opende eerst het ene oog, daarna het andere. Hij snuffelde aan Alexanders hand en likte meteen het stuk chocolade op. "Gulzigaard", fluisterde Alexander. Hij grinnikte maar stopte meteen toen hij zag dat er schubben op de grond gevallen waren. Hoe kwamen die daar? Alexander aaide Jaques over zijn kop en streelde over zijn buik maar zag nergens kale plekken. De draak zuchtte verzaligd tijdens het strelen en likte intussen de schubben op. Alexander kon zijn ogen niet geloven. At het beest nu zijn eigen schubben op? Jaques smakte. Op zijn blauwe tong zaten enkele rode strepen. Nu wist Alexander helemaal niet meer waar hij het had. Wat had dit allemaal te betekenen? Had Jaques geen pijn nu de schubben losgekomen waren? Zou zijn vriend ziek zijn? Hij zou toch niet doodgaan? Toen Alexander naar het bureau van vader liep, botste hij tegen Paul op. Die werkte al sinds jaar en dag in de fabriek van vader, had zelfs nog geholpen met Alexanders grootvader. "Wie zit er achter jou aan?" Alexander moest even op adem komen, durfde Paul niet meteen aan te kijken. Paul kende niet alleen veel van draken, hij slaagde er meestal ook meteen in iemand te doorgronden. "Ik, euh...", aarzelde Alexander. "Is er iets? Je ziet zo bleek als het achterste van een draak!" lachte Paul maar aan de kleine rimpeltjes rond zijn ogen zag Alexander dat Paul zich echt wel zorgen maakte. Alexander kon zich niet meer beheersen en tranen biggelden over zijn wangen. "Heeft het iets te maken met die kleine draak van je?" Alexander was verbijsterd. Dus Paul wist er van? "Jongen toch, zoiets kan je echt niet verborgen houden hoor - zeker niet voor iemand die hier al zo lang werkt." Paul keek hem aan. "Wees gerust, ik zou het je vader nooit vertellen." "Paul, je moet meekomen. Er lagen daarjuist schubben van Jaques op de grond en hij likte ze op en..." Alexander wilde er niet langer over praten en trok Paul gewoon mee naar het kolenhok. "Weet je hoe de schubben losgekomen zijn?" Paul keek het hok rond. Alexander zag hoe hij eventjes staarde naar de familiefoto en zich toen omdraaide naar Jaques. Die was intussen niet meer wantrouwig tegenover de man die samen met Alexander het hok was binnengekomen.  "Ik weet het echt niet, Paul." Alexander was radeloos. "Jaques was aan het slapen en ik wou hem mijn laatste stuk chocolade geven en toen..." Plots herinnerde hij zich hoe hij Jaques wakker gemaakt had. Alexander blies opnieuw tussen de ogen van de draak. Kleine schubben dwarrelden naar beneden. Ook Paul blies naar Jaques en het beest kirde zacht. Meer schubben vielen op de grond. Jaques snoepte ze een voor een op. Alexander pakte een schub en stopte het in zijn mond. Het velletje bruiste op zijn tong. De zoete smaak was overweldigend. "Dit is fantastisch!" schreeuwde Paul. Alexander zag dat de oude man ook geproefd had van de velletjes. Zijn ogen glinsterden veelbetekenend. "Alexander jongen, ik denk dat jij net een geweldige ontdekking hebt gedaan..." ... Een lichte zoemtoon maakte Alexander wakker. Hij draaide zich nog één keer om, voelde de deken tegen zijn wang. Eerst afwisselend een oog open en dicht, dan alle twee. De sterren boven hem lachten hem toe. Zelfs op zondag moest er gewerkt worden. Maar hij deed het met plezier. Hij hoorde de kettingen waarmee de grote blazers vast hingen. Paul was vast al bezig om alles in gereedheid te brengen voor de eerste grote oogst. Alexander kwam van onder het bureau vandaan en liep naar de leunstoel. Hij kroop bij vader op schoot en kneep zijn neus dicht. Het gesnurk hield op en toen schoot vader wakker. "Deugniet!" Vader schudde de slaap uit zijn hoofd en gaf Alexander een knuffel. "Goeiemorgen, jongen. Goed geslapen?" Alexander knikte en sprong terug op de grond. Hij liep naar de mand bij de deur. "Jaques, opstaan!" De draak was al net zo'n slaapkop als vader. Het beest geeuwde en snuffelde aan de broekzak van Alexander naar chocolade. "Nu nog niet, vriend, er moet eerst gewerkt worden!" Met een grote bezem leidde Alexander de draken naar binnen. De dieren moesten van de weides naast de fabriek naar de grote hal gebracht worden, zodat Alexander samen met vader en Paul de lekkere drakenvelletjes kon oogsten. De draken waren nog een beetje onrustig. "Ssst, geen paniek", riep Alexander. Een voor een gingen ze in hun hok staan. Ze waren het niet meer gewoon om opgesloten te zijn en bleven nerveus. Maar toen Alexander ze een voor een een grote reep chocolade gaf, werden ze vanzelf heel rustig. Vader zette de blazers aan. De schubben dwarrelden als sneeuwvlokken naar beneden, waar Alexander en Paul ze in grote zakken opveegden. De draken genoten zichtbaar van deze nieuwe manier van oogsten en algauw stapelden de zakken zich op. "Dit wordt een goeie eerste oogst", zei vader en hij keek Alexander recht in de ogen. Voor het eerst zag Alexander vader opnieuw echt lachen. De sterretjes in zijn ogen glommen nog meer dan die onder het bureau. Ze straalden tot diep in zijn hart.

Dianora
0 0

Verwondering

Het lijkt alsof in het huis van oude mensen de tijd blijft stilstaan, zorgvuldig bewaard in weckpotten met rubberen elastiek. ‘Die moeten er ook uit.’ De weckpotten wordt dan bedoeld, uit het huizeke van Oma. Sinds mensen frigo’s hebben staan zulke dingen stof te vergaren.                                        Stof dat onder mijn en m’n vaders schoenen vastklemde, om zich nadien kamikazegewijs af te werpen beneden in de hal. ‘Godverdomme’ riep José, mijn oma. ‘Oei, ik mag eigenlijk niet vloeken, maar dat flapt er tegenwoordig vaker uit’.   Ik durfde te wedden dat ze geloofde, dat in de keuken het beeldeke aant kruis net iets schever keek. Doch, we konden dit niet controleren. Bovendien stond zijn kop sowieso een pittig bitteke scheef… in zwierige contraposthouding van je: ‘Whippie, ik hang vastgenageld!’ .   Dus, de weckpotten. Ik stond er nog steeds mee in m’n pollen. Soms verlies ik mijn concentratie, en vind die dan verdeeld terug in de verste hoeken des kamers. Paar minuten later zat de koffer van de auto goed vol, met nog andere stofvergaarders uit de zolder.   Het werd tijd om de hond eens buiten te laten, mijn uitrdukking voor naar ’t wc. Of was het de uitdrukking van mijn kameraad David? Hij zal het zowiezo ook wel van iemand gejapt hebben, dus is het van iedereen. Ik vond het gewoon een tè geniale uitdrukking om in dit verhaal links te laten liggen. Je hebt op deze manier immers niets te verduidelijken over het tijdsbestek van je toiletbezoek. Een stijlvollere gelijkenis bestaat niet, of moet nog uitgevonden worden… met veel denkwerk.   Nu zult ge dit misschien onnodig en vulgair vinden en protesteren: ‘zoiets zeg je toch niet in een tekst? Nog nooit voorgekomen, de idioten van dada erbuiten gelaten. En dan prik jij hèt taboe, hèt maagdevlies van de serieuze literatuur nodeloos lek? Barbaar!’   Ik zal dan zenuwachtig met schuifelend rode kaken van repliek dienen: ‘Wel ja, maar niet nodeloos…’   Toen de hond terug binnen was, en ik in de spiegel keek tijdens het handenwassen, merkte ik iets eigenaardig op. ‘Waar blijft die snor?’ Het is zo lang geleden dat ik hem had gezien, als een broer die lang op reis was. 2,5 week. Een tijd terug groeide m’n halfslachtige gezichtsbeharing nog als kool.   Misschien kwam het door het huis, omwille van de reden die ik in het begin van het verhaal vermeldde. Mogelijks kroop een walm mijn neus in- nog steeds hetzelfde merk zeep-… van pannekoeken eten op de keuketafel, bedekt met een kleed van alle ridderorden in Malta. Daardoor staakten de poriën hun werk in m’n verjongde huid. Of komt het door de winter, en groeit haar gelijk jaarringen in nen boom? Jep, we hebben em, natuurlijk is het gene vette… kijk wat een schijtweer in België. Dan liever naar Malta, of ergens anders waar het warm is.   Wanneer is een verhaal klaar? Moeilijk te zeggen… sommige schrijvers laten hun vrouw dan ‘enz. enz.’ op hun laatste blad kliederen. Schuilt ergens nog wel een waarheid achter: Het leven kronkelt zich verder. Schrijvers kappen het verhaal af op het moment dat het oninteressant wordt. Maar dat ga ik dus allemaal niet doen. Ik presenteer u het met de lach van een trots babysmoeleke. Strik er rond en c’est ca.

Smaed
5 0

Henry In Al Zijn Glorie

Marie keek vol spanning naar het monolieten uitgangsblok van station Brussel-Centraal, ze hield een koffiekan stevig geklemd tot haar knokkels wit zagen. Om een houvast te hebben. De nervositeit nam elke dag overhands toe. Ze keek snel op de klok aan de muur, zeven uur achtendertig. Rond dit tijdstip kwam hij altijd naar buiten. Zijn haviksneus als eerste. Als een miereneter, die zijn terrein met zijn veilig instrument eerst besnuffelt. Zien of de kust veilig was. Soms miste ze hem. Door een klant. Door An. Door een vrachtwagen. Door een knippering van de ogen. Haar dag voelde dan niet hetzelfde. Ze keek snel opnieuw naar het monolieten blok en dan opnieuw naar de klok en dan opnieuw naar het blok en dan…   Dan was hij daar. De aktetas stevig in zijn geaderde rechterhand geklemd. Zoals iedere keer statig en met rechte rug kwam hij naar buiten. De zwarte ogen priemden. Hij draaide zich edel naar de trappen van de Kunstberg op, negeerde de arme drommel die met haar kind op de arm bedelde. En hem meelijwekkend aankeek. Ze was ongetwijfeld te min voor hem. Hij vatte de dagdagelijkse beklimming met zoveel grandeur en majestueusiteit aan. Alles en iedereen overheersend. Trede per trede dwong hij de berg onder zijn glimmende schoenen. Zijn hoofd recht en zijn blik ongetwijfeld op oneindig. Een arendsblik. Dat moest wel, dacht Marie. De lange zwarte jas wapperde achter hem aan. Zijn overwoekerende zilveren haren op zijn hoofd golfden langzaam mee in de wind. Marie keek vol ontzag hoe die man zich voortbewoog. De man straalde zoveel vertrouwen uit. Hij nam elke trede precies en perfect. De harmonie van zijn lichaam met de grijze uitgesleten stenen trappen vormden een harmonische wals als de schone met het beest. Het greep haar naar de keel. De overige pendelaars die uit het monolieten blok kwamen leken wel een losgeslagen kolonie ratten in vergelijking met hem. Krioelend zonder houvast.   “Marie, vergeet je de klanten niet of ga je de hele dag naar buiten staren?” “Neen An. Maar…” “Och, vergeet die man toch gewoon, waarom ben je zo geobsedeerd door hem?” Hij is gewoon één van die honderdduizenden pendelaars. Een luchtige nozem die hier zijn geld komt verdienen. Net zoals elke godverdomde mens hier. Punt.” “Waarom staat hij nét daar elke dag?” “Breek je kop er niet over, kind. Denk je dat er enkel in Brussel van die rare snuiters zijn? Dat alle pendelaars buiten Brussel compleet normale individuen zijn. Vergeet het gewoon, met het aantal verloren vijzen van al die pendelaars kan je een tweede Atomium zetten. Tel maar.”   An had gelijk, dacht Marie. Niet over het Atomium, ze dacht er niet aan om te beginnen tellen, maar over de rare snuiters in Brussel. In het gehucht Wulmersum waar ze vandaan kwam waren er ook veel vreemde specimen. In haar ogen dan. Volgens haar ouders waren het allemaal hardwerkende boeren en goeie rechtschapen partijen. Marie sloeg op een blauwe maandag op de vlucht. Waarom vragen veel mensen niet begrijpend. De verstikking in een open landschap is iets wat ze niet uitgelegd krijgt aan de stadsmensen. Ze vluchtte naar Brussel enkel met haar rugzakje met daarin wat toiletspulletjes en een hoopje kleren. Nauwelijks van de trein af liep ze letterlijk An tegen het lijf met haar exotische Macchiato in de hand. Haar enige jurk, haar lievelingsjurk met groene en roze bollen, zat onder het bruine kleverige goedje. Voor ze het zelf goed en wel besefte stond ze diezelfde koffie uit te schenken in de kleine koffiebar van An aan het Albertinaplein. Ze kreeg de job net zoals de koffie zomaar in de schoot geworpen. Volgens An omdat Marie dezelfde sproeten heeft op dezelfde plaats als haar en dat de jurk van toen ze negentien was me als gegoten zat. Marie was haar persoonlijke reïncarnatie. En dat ik met zoveel naïviteit in mij geheid in de Aarsschotstraat beland zou zijn voor ik 1-2-3 kon zeggen. An is opgegroeid in Brussel. De spruit van een typische ket. De uitlaatgassen zijn haar ochtendnevel. Ze ratelt en vloekt. Is op elke plek aanwezig en kent bizar genoeg de voornaam van elke klant die minsten drie keer in haar koffiebar is geweest. Ze staat erop. Dat dagelijkse klanten haar ijver negeren en haar eigen naam niet kennen laat ze koud. Het is haar onvoorwaardelijke liefde, de koffiebar en de honderden klanten. Eén man in haar leven zou teveel zijn. Ze heeft steevast wel een aanmerking. Als Marie vragen stelt worden die genadeloos en met takt afgewimpeld. De in begin ijdele hoop dat Marie snel een prins man zou ontmoeten in de Brusselse smeltkroes heeft ze al lang laten varen. De meeste mannen in de koffiebar zijn pendelaars die ’s avonds terugkeren naar hun gezinnetje of snel een rendez-vous hotelletje willen huren met jou om dan daarna toch terug te keren naar hun gezinnetje. De types op straat die oneerbiedig fluiten probeert ze te negeren. Maar die ene man, die ene man met zoveel gratie, intrigeerde haar al van de eerste dag dat ze hem zag. De eerste keer dat hij halt hield. Het was de eerste keer dat ze koffie morste.   Steeds als hij bovenaan de trappen aankwam stopte hij. Keert zich een 180 graden om en richt zich naar het centrum van Brussel. Hij lijkt wel te focussen op de spitse toren van het stadhuis. Zijn blik op oneindig. Voor een vijftal minuten. Altijd. Het maakte niet uit welk weer het is, regen, sneeuw, zon, vriestemperaturen, rukwinden,… Telkens staat hij daar met zijn blik op oneindig. Statig. De aktetas stevig omklemd, rechte rug, hoofd onbeweeglijk. En de zachte deining van zijn grijze haren als het kabelende water bij een idyllisch meer.   Marie had zich al nachten wakker gepiekerd wat er in hemelsnaam door die man heenging. Had hij een trauma te verwerken? Was de Kunstberg een plek van berouw. Een dagelijkse herinnering aan een verloren liefde. De plek waar hij met haar hand in hand op een bankje zat. Stilletjes naast elkaar. De handen losjes in elkaar. Zoals echte liefde zich uit. Geen woorden die moeten verspild worden. Het zijn van elkaar en met elkaar. De volkomenheid van het aanwezig zijn. Het daar zijn. Een simpele aanraking. Haar pink die de palm van zijn hand streelt. Een klein symbool met grote daadkracht. Dan passeert een vrouw die een koets voortduwt. Zij die zachtjes in zijn hand knijpt. Een wens die zachtjes wordt uitgedrukt. De toekomst ontvouwt zich. Het meesterlijke plan van geliefden op aarde. Ze legt haar hoofd op zijn schouder, sluit de ogen. Droomt. Hij kijkt naar de hemel, ziet dat er geen grens is. De blauwe gloed strekt zich tot het oneindige. Sluit de ogen. Droomt. Vervolgens staan ze geruisloos op. Nog steeds hand in hand, de schouders strelen elkaar. Zachtjes zoals hun liefde. Niet hard maar zoals ze één zijn. Volmaakt. Ze wandelen naar de Coudenberg. Hij stopt en zegt achteloos dat zijn veter los is. Ze stopt met stappen, staat op straat, en kijkt om. Een zwarte taxi zorgt voor een zwarte dag. Voor eeuwig en altijd. Of de dagelijkse pijn van een zoontje die groeide als kool en die hij verloor aan een falend hartje. Zijn minuut van stilte aan zijn broeders die hij niet van de dood kon redden in Afghanistan. Een moment van goddelijke zelfreflectie. Ontelbare scenario’s speelden door haar hoofd. Ze vroeg An er over uit. Ze wuifde het weg als een warme bries. Bleef bij hoog en laag beweren dat elke mens wel rare kantjes heeft, de ene al iets opzichtiger dan de andere. En dat het ook gevaarlijk is om op vreemde snuiters in te gaan. Ze richtte haar vinger waarschuwend naar haar als ze dat zei. Vermanend siste ze dan: “Vreemd gedrag kan snijden als een scheermes.” Marie droomde van hem, de hartjes die ze in het koffieschuim tekende waren voor hem. Op de avonden dat ze de slaap niet kon vatten legde ze een hand tussen haar dijen. Daar waar het warm werd als ze aan hem dacht. Ze zocht een plan dat haar hand zijn hand kon zijn.   Henry snelde door de hal van het Brussel-Centraal. Zo snel hij kon. Vermeed vakkundig de friemelde mensenmassa die elk hun eigen weg volgde als blinde mollen in een vierkanten doos. Het was urgenter dan anders. Snel lopen kon hij niet. Snelwandelen wel. Het half uur op de trein was een nog grotere hel dan normaal. Gelukkig was het moment van de verlossing bijna daar. Toen hij de roltrap naar de uitgang nam, nam hij meteen de frisse buitengeur waar. Hij snakte. Hij hunkerde. Hij smachtte. Zoals elke werkdag stapte hij met dichtgeknepen billen de roltrap op. Voorzichtig. Beheerst. Volledige controle. Stapte buiten en draaide naar de trappen toe. Dit was het makkelijkste stuk van de ochtend, want hij zag een twintigtal trappen hoger de verlossing. Dan kon hij alles loslaten. Niemand die aanstoot aan hem nam. Het was zijn publiek geheim in Brussel. Niemand stopte daar. Iedereen snelde hem haastig voorbij. Niemand lette op hem. Iedereen was passant. De anonimiteit van een grootstad in al zijn glorie. Henry in al zijn glorie.   Zijn darmen brulden van genot toen hij alles los liet. Een monsterlijke scheet die minutenlang duurde. Een misthoorn die het waken van de dag aankondigt. Een geurcompositie die snel werd meegenomen door de windstromen op de Kunstberg. Hij legde zijn hoofd in zijn nek en genoot. Met een getekend gezicht van de spanning staarde hij in de ijle ruimte tussen de toren van het stadhuis en de Magdalenakapel. Jaren geleden hadden ze IBS of beter verstaanbaar het prikkelbare darmsyndroom vastgesteld, wat er op neer kwam dat zijn darmen chronisch ontstoken waren. Tot daar het goede nieuws wist Henry nu, hij had meer dan ander patiënten enorme last van flatulentie. Het begon al na het ontwaken, ontbijt of geen ontbijt, de darmen borrelden op de cadans van enkele wildgeslagen Afrikanen met tamtams. Wilde gassen stapelden zich op in zijn darmen en drumden om verlossing. Maar hij hield de billen stijf op elkaar. Want geen mens die graag zwavel ruikt. Dat zag hij aan de mensen. De origami die ze deden met hun gezicht als Henry iets loste. Op een fatale ochtend toen hij een halve wagon onvrijwillig vergaste. Toen hij knakte na een slapeloze nacht tobbend over de papieren veldoorlog die hij voerde met zijn nu ex-vrouw en enkele advocaten. Zij haatte zwavel. Die ochtend zeeg hij moedeloos en verloren neer op een bankje. Hier op, wat nu zijn berg is. Hij loste toen een restje. Trok zijn neus op en rook niets. Loste nog een restje. En rook nog steeds niets. Terwijl zijn haren van voor naar achter en van links naar rechts danste in de wind. Henry glimlachte voor het eerst sinds lang.   Toen hij zich net wilde omdraaien na zijn dagelijks intiem hoorspel zag hij een jong meisje met een koffie uniform en een stapeltje folders in haar hand geklemd haastig de trappen opsnellen. Overduidelijk zijn richting uit.

Tim Berghman
60 0

Zoon en vader

’Vrouwentongen.’ ’Sorry?’ ’Vrouwentongen.’ Hij knikte naar een koperen pot op de vensterbank waarin opeengepakte groengele bladeren gespannen naar het systeemplafond wezen. ’Sanseveria’s worden ook wel vrouwentongen genoemd.’ Hij drukte zijn vinger even in de droge aarde en verschoof de pot een beetje naar rechts. Waarom kon hij nou niet één keer zijn mond houden? En waarom kon hij niet gewoon met z’n tengels overal van afblijven? ’Ah, lekker,’ zei hij en pakte het kopje aan van de serveerster. Natuurlijk ging het mis en klotste de koffie over de rand. ’Mijn fout,’ zei hij. Natuurlijk was het zijn fout. Ik liet het meisje zelf mijn espresso neerzetten. We keken elkaar begripvol aan. ’Wat een klein kopje,’ zei hij. ’Is dat expres-zo?’ Hij grijnsde en nam slurpend een slok. Was hij altijd zo geweest? vroeg ik me af. Of was het erger geworden, als oorhaar dat pas op latere leeftijd begint te woekeren. En daarna dacht ik: word ik later ook zo? Of is het misschien al begonnen? Ik keek naar zijn handen, breed en behaard. Heel anders dan mijn smalle kantoorklerk-handen. Maar zijn smalle gezicht met de dunne lippen, de diepliggende ogen, de spitse neus, daarin lag een niet te ontkennen replicatie. Vader en zoon, dat had ook de serveerster gedacht. Ach, wat leuk, die man is met zijn oude vader op pad. ’Nemen we er iets bij?’ stelde hij voor. ’Ik trakteer.’ Ik wist dat hij geen geld bij zich had en straks zou hij zijn aanbod weer vergeten zijn. Blijkbaar hoorde het zo. Hij had twintig jaar voor mij gezorgd, daarna waren we dertig jaar financieel onafhankelijk van elkaar geweest en nu was ik aan de beurt om voor hem te zorgen. Ik vroeg me af wie het van mij over zou nemen als we quitte zouden staan. Waarschijnlijk was ik gedoemd om langer voor hem te zorgen dan hij voor mij. De tol van de medische vooruitgang. Hij liet zijn stoelpoten luidruchtig over de plavuizen raspen en sjokte naar de vitrine met de gebakjes. Op zijn gemak bekeek hij de uitgestalde zoetigheden. ’Wat is dat, die gele?’ vroeg hij. ’Pudding-kruimelvlaai,’ zei de serveerster. ’En die?’ ’Die rode is kersen.’ ’En die oranje?’ ’Abrikozen.’ ’Doe voor mij maar appel. Met slagroom, heb je dat?’ ’Ja hoor. En uw zoon?’ Zonder zijn blik van de vitrine af te wenden zei hij: ’Wat wil jij, Johan?’ ’Niks.’ ’Hij wil niks. Ongezellig, hè? Hij neemt nooit iets bij de koffie. Nou, ik wel hoor. Ik ben een echte levensgenieter.’ ’U heeft groot gelijk.’ Het meisje glimlachte plichtsgetrouw en schepte een appelpunt op een bordje. Met een spuitbus spoot ze er een forse toef slagroom op. ’Ik kom het zo wel brengen,’ zei ze. ’Gaat u alvast maar zitten.’ Ze was eerder bij ons tafeltje dan hij. ’U nog een espresso, misschien?’ ’Graag.’ ’Ik ben niet meer zo snel,’ zei hij. Hij legde zijn handen op de schouders van de serveerster en manoeuvreerde zich achter haar langs naar zijn plek bij het raam. Ze leek het niet erg te vinden dat hij haar aanraakte. Op een bepaalde leeftijd kwam je daarmee weg. ’Lekker, dank je wel, lieve schat,’ zei hij en begon vergenoegd van de appeltaart te smullen. Ondanks mijn ergernis voelde ik het water in mijn mond lopen. Waarom was ik zo koppig, zo kinderachtig? Als ik hier alleen was geweest, of met iemand anders, had ik beslist zo’n appelpunt genomen. Hij had het gebak in een mum van tijd naar binnen gewerkt. Met zijn eetlust was niets mis. Hij leek ook dikker geworden, iets voller in zijn gezicht. Hij liet het vorkje op het bordje vallen en keek triomfantelijk om zich heen. Op zijn kin zat een kloddertje slagroom. Ik zei er niets van. ’Je weet niet wat je mist,’ zei hij. ’Zelden zulke lekkere appeltaart gegeten.’ ’We zullen zo maar weer eens gaan,’ zei ik. Heel even keek hij teleurgesteld, maar na een blik op zijn horloge klaarde zijn gezicht weer op. ’Ja, dan ben ik mooi op tijd voor de lunch terug.’

Grand Foulard
20 0

Het leven van wat je een mens zou kunnen noemen

    I. ‘Baar mij een zoon en hij zal heersen over de zeven zeeën!’. Spettertjes spuug landen op mijn moeders gezicht. Vader schokt nog een paar keer heen en weer voor het rood aangelopen lijf ineenzakt. Zijn laatste gespoten zaad trekt een sprintje naar de felbegeerde en met hoop doordrongen eicel. Ondertussen wordt het alarmnummer gedraaid. Maanden later ben ik daar. Een postume uitgave. Een dochter.   II. Niek, Jef, Maurice, Robbert en Dennis, de jongens van groep 7. Ze staan in een groepje te giechelen, terwijl hun Umbro shirts beginnen te stinken en de gel in de haren langzaam begint te smelten onder de zon. Ik vraag waarom ze lachen. Domme vraag. Altijd zwijgen en juist nu mijn bek niet kunnen houden. ‘Nou?’ ‘Wil je het echt weten?’ NEE! ‘Ja’ ‘Als je een pik in jou steekt, komt ie er aan de andere kant weer uit.’   III. Een pen, een komkommer, een neef, een kaars, een Barbie, een kipcorn uit de vriezer. Probeer te ontspannen. Lukt dit niet? Wacht niet langer dan een week om naar de huisarts te gaan.   IV. ‘Hij vindt je aardig, ja hè Rakker, dat vindt je hè. Net als het baasje.’ Rakker, wat een aanstellerige kutnaam, zeker voor een hond. Zo heten Golden Retrievers die samen met een kat en een paard in het tropisch regenwoud terecht komen en dan een beetje een panda gaan lopen redden. Walgelijk. Deze rakker is tenminste geen kindervriend. De Engelse buldog blijft vooral kwijlend op de bank liggen. Ik mag hem wel. De plots infantiel geworden man daarentegen. Sta niet zo in je handen klappend op en neer te springen. ‘Moet je naar de wc?’ ‘Hè wat? Wat zeg je?’ ‘Of je naar de wc moet?’ ‘Hehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehehe. Nee hoor. Wil je een glaasje rosé?’ ‘Ik wil naar huis.’     V. Ik wou dat ik een junk was. Een echte. In een junk huis vol met junk vrienden, een huis gevuld met de geur van uitwerpselen, zweet en schraal bier. Hier ruikt het alleen naar urine. Niet eens van mijn vrienden, zo zou ik ze niet durven noemen. Nog drie kwartier, dan komt de zuster met een batterij aan pillen. En nog voor de deur achter haar puttige kont dichtvalt, zet ik als dessert zelf de spuit nog eens in mijn arm. Ik hoef toch niet meer mooi te zijn.

Lynn Elshof
0 0