Zoeken

Verlegen piemels

‘Bij u wilt het ook niet komen precies, hè?’ zegt de man naast me, met wie ik al drie minuten een stilte deel die ongemakkelijker wordt met de seconde. Het is bijna onmogelijk om het je nog voor te stellen, maar er was een tijd dat mannen op openbare plaatsen¹ naar het toilet gingen en zo met twee of meer op nog geen meter van elkaar urinerend de ruimte vulden. Het was in de tijd dat we nog allemaal geld verdienden op een plek die we het werk² noemden. De dagen dat we elkaar nog in de ogen in plaats van in de camera keken. Dat we aten op de plaatsen waar je eten afhaalt. En dat we geflatteerd waren door de blik van mooie mensen op café³ omdat we hen nog niet bekeken als huiveringwekkende, virusverstuivende moordmachines.  ’Insinueer je dat ik naar hier kom omdat ik geil word van naast mannen met een ontblote penis te staan, ofzo?’De man schrikt een beetje en verontschuldigt zich.‘Dat was een grapje’, zeg ik. ‘Hans. Aangenaam. Ik zou je een hand willen geven⁴, maar ja…’ Het gezicht van de man ontspant zich. Ik zie hem glimlachen vanuit m’n ooghoek.‘Marcel. Het genoegen is geheel aan mijn kant, Hans.’ zegt hij. ‘Zonder insinuaties.’Ik grinnik. Ondertussen wachten onze urinoirs nog altijd geduldig op de eerste druppel.  ‘Ik weet niet wat het pijnlijkst is, de stilte van hier naast elkaar te staan en als een vuile gluurder over te komen, of de pijn van m’n blaas die elk moment gaat exploderen van zo dringend te moeten.’ zeg ik.‘Paruresis’, zegt Marcel.‘Excuseer?’‘Paruresis,’ herhaalt hij, ‘dat is de wetenschappelijke naam voor ons probleem hier, het niet kunnen plassen wanneer er iemand in uw buurt staat.’‘Ha, dat wist ik niet,’ antwoord ik, terwijl ik naar een weetje zoek om terug te kaatsen. ‘Wist jij dat de manier waarop Elon Musk plast, naar het schijnt vergelijkbaar is met hoe water uit een brandslang spuit? Die is al aan het blussen nog voor hij z’n rits goed en wel open heeft. Time is money, zeker? Wel grappig dat iemand die uitstoot wil verminderen zelf zo’n stevige uitstoot heeft in de pisbak.’Marcel draait z’n hoofd naar mij en antwoordt dan iets waaruit blijkt dat hij maar een flard gehoord heeft van wat ik net zei. ‘Ik heb mij al eens afgetrokken op Greta Thunberg, denkt gij dat dat mij een pedofiel maakt?’ Achter de muur, waar de vrouwentoiletten zich bevinden, wordt doorgespoeld. De watertank vult zichzelf langzaam terug aan en stopt dan abrupt om weer plaats te maken voor stilte. Bij ons is doortrekken nog lang niet aan de orde. ‘Zo een gemiste kans eigenlijk,’ zeg ik. ‘Ik had altijd gedacht dat ons probleem een leukere naam zou hebben.’‘Zoals wat dan?’ vraagt m’n toiletgezel.‘Plasangst. Of pisbang, ofzo.’‘Of iets wetenschappelijker, met een Grieks woord erin,’ vult hij enthousiast aan. ‘Een contextafhankelijke zeikfobie!’We beginnen allebei te lachen.‘Wat dacht je van een verlegen piemel?’ vraag ik hem.‘Een verlegen piemel. Hmm.’ Hij denkt er even over na en zegt dan ’Sorry meneer, ik sta hier echt niet omdat ik het geil vind dat u hier uw penis ontbloot. Ik heb gewoon een verlegen piemel.’ Hij knikt. ‘Daar zit wel iets in, Hans.’‘Alles behalve druppels, duidelijk.’ antwoord ik droog. Na 30 minuten vol verhalen van hoe Marcel lang geleden met z’n metalbandje nog een act had waarin hij zonder problemen voor heel het publiek op het podium stond te pissen, hoor ik naast mij een eerst bescheiden en dan steeds sterkere straal tegen het glazuur van het pissijn kletteren. En zoals dat meestal gaat, komt nog geen paar seconden later ook bij mij alles op gang. Marcel staart naar het plafond, verlegt z’n lichaamsgewicht even naar z’n tippen, wiebelt met z’n heupen en zipt vervolgens z’n rits dicht.‘Amai, dat deed deugd.’ sluit hij af. ‘Aangenaam kennismaken, verlegen piemel. Tot de volgende!'‘Ik kijk ernaar uit!’ roep ik iets te enthousiast om geloofwaardig te zijn, voor de deur achter hem zachtjes terug in haar favoriete positie valt. Terwijl ik alles proper afgeschud terug in m’n broek stop, bedenk ik me wat er net is gebeurd. Of beter, niet gebeurd. Disgusting, mompel ik in mezelf. Er gaat echt een ramp moeten plaatsvinden vooraleer iedereen z’n handen wast na een toiletbezoek. ___ ¹ Plaatsen waar vroeger verschillende mensen in fysieke vorm samenkwamen om in gezelschap activiteiten te doen zoals sporten, drinken, naar artiesten op een podium kijken ... ² Ook wel het bureau, het kantoor, de fabriek, het magazijn, de winkel ... ³ Een plek waar mensen bij elkaar kwamen en onder gedempt licht en aangename muziek alcoholische dranken nuttigden, om vaak veel dichter dan op 1,5 meter afstand van elkaar te eindigen. ⁴ In die tijd schudden mensen elkaar de hand bij wijze van kennismaking of begroeting. Dit gebruik werd over het algemeen niet uitgevoerd wanneer men al een penis in de hand had.

Hans Verhaegen
181 0

Sluitingstijd

Het eerste wat je aan de voordeur opviel toen je hier één jaar geleden kwam wonen, was dat ze niet zomaar kon dichtvallen. Je moest wel erg hard trekken aan dat onding om haar te sluiten. Dat bood een geruststellend gevoel: nooit zou je je immers buitensluitenhad je gedacht, tot nu, nu je op de drempel staat met je hand op de deurknop, een onaangename trilling op je trommelvlies van de dreun waarmee je de deur net achter je hebt dichtgetrokken, en geen sleutel op zak. Je spoelt de film van het afgelopen halfuur terug. Je had je laptoptas in een hoek geslingerd toen je thuiskwam en je sleutelbos aan het haakje gehangen, een afscheidscadeau van de vriendin met wie je een jaar een huis had gedeeld. Om te voorkomen dat je ook hier je sleutels overal zou laten rondslingeren, nu er niemand zou zijn die je om vier uur ’s nachts wakker kon bellen om de voordeur te openen. Toen moet je weer naar de stoep zijn gewandeld om buiten het bereik van de veel te gevoelig afgestelde rookmelder een sigaret op te steken, zonder geld, telefoon of sleutels op zak.  Op het werk had je honderden e-mails moeten sturen om de afspraken van de komende weken af te zeggen en vertrouwelijke documenten in het geniep van het bestand moeten halen om de lopende dossiers thuis af te werken. Intussen was de collega naast je maar blijven jammeren dat we er allemaal aan zouden gaan, terwijl die aan het bureau voor je volhield dat het een complot was om een geheim biologisch wapen te testen. Je had geprobeerd je oren voor hen te sluiten. Als iedereen zich aan de noodmaatregelen hield, zou het virus zich niet verder verspreiden en zou alles spoedig goedkomen. De reservesleutel ligt binnen in het laatje in de keuken. De buren heb je nog nooit gesproken, hoogstens twee keer gedag geknikt in het voorbijgaan, dus had je nooit overwogen hen een sleutel van je huis toe te vertrouwen. Familie en vrienden wonen mijlenver hiervandaan. In je nieuwe stad ben je er nooit toe gekomen duurzame contacten te leggen. Het werk zuigt je leeg en in het weekend waai je liever uit in je eentje dan contact op te zoeken. Een sleutel onder de deurmat leggen of in een bloempot verstoppen, heb je in te veel slechte films zien mislopen.  Optie 1: je belt een slotenmaker die je weer binnen laat. Over minder dan een uur lig je te ronken op de sofa. Bezwaar tegen optie 1: je telefoon ligt nog binnen. Zelfs opzoeken waar er een slotenmaker is kan je niet. Hoe laat blijven die open? Het is donker en alle rolluiken in de straat zijn al naar beneden.Optie 1b: je vraagt andere mensen om een slotenmaker te bellen of op zijn minst op te zoeken. Optie 2: je belt aan bij het huis aan het einde van de straat, klimt over de muur naar de tuin van hun buren en herhaalt dat vijf keer tot je in je eigen tuin bent. Vervolgens kruip je op het platte dak van de keuken om het raampje van het toilet in te slaan en zo met de kleinste schade naar binnen te klauteren.Bezwaar tegen optie 2: alles. En je rechtervoet doet al dagen pijn.  Optie 3: je brengt de nacht op straat door. Morgen zullen er slotenmakers zijn die met een glimlach de deur weer open toveren. Gewoon de weg vragen morgenvroeg, misschien opent er eentje al om half negen de deuren, dat rest dus nog maar twaalf uur en dertig minuten. Als student heb je dit zo vaak gedaan.  Optie 1Je blijft in het midden van de stoep staan. Een koppel komt je richting uit.‘Excuseer,’ zeg je, ‘mag ik iets vragen?’ Ze lopen om je heen.Je wacht tot een oude man voor je verschijnt.‘Excuseer, mag ik iets vragen?’‘Dat bent u al aan het doen.’‘Zou ik even uw telefoon mogen lenen om op te zoeken waar er een slotenmaker is die mij binnen kan laten?’‘Ik kan niet op het internet met dat versleten bakje van mij.’ Weg is hij. Je loopt vijf keer de straat op en af, maar er komen weinig mensen voorbij. Een andere man kijkt je recht in de ogen en wandelt verder. Drie mensen mompelen elk iets over besmetting en virussen. Een vrouw steekt de straat over wanneer ze je opmerkt. Een andere vrouw antwoordt: ‘Nee, ik ken dat wel, dan zie ik mijn telefoon nooit meer terug.’ Hoeveel tijd er verstrijkt zonder resultaat, weet je niet. Een halfuur, drie uur.  Optie 3Met rechte rug volg je de straat, weg van de voordeur, richting het centrum. Je steekt de ene sigaret in je mondhoek op en kalmeert. Gelukkig heb je je jas aan, maar het is niet eens koud. Zo erg kan het allemaal niet zijn. Morgen gaat de wereld pas op slot. Lang voor je aan de dichtstbijzijnde kroeg bent, hoor je het gejoel al. Je mengt je tussen de mensen die de laatste avond vieren. De muziek staat luid en het bier vliegt in het rond. Je weet dat je dit normaal onverantwoord zou vinden, dat we nu juist allemaal in afzondering moeten, maar dat zet je uit je hoofd. ‘Weet u waar er een slotenmaker is?’ probeer je nog een keer bij een caféganger. Hij danst verder zonder je aan te kijken.  Je keel begint te branden. ‘Hallo,’ begin je tegen de serveerster aan de bar. ‘Ik ben hier al vaak geweest,’ lieg je. ‘Maar nu heb ik geen geld bij me. Kan ik misschien…’ ‘Nee, dat doen we niet.’‘Maar ik kom u morgen alles terugbetalen.’‘Morgen zijn we dicht.’ ‘Dan schrijf ik het over op jullie rekening.’‘Doen we niet.’‘Ik heb thuis genoeg geld. En op mijn bankrekening. Nu is het gewoon…’Ze kijkt je niet meer aan en gaat verder met tappen.  Eens buiten het café valt je oog op een hotel. Je wil naar binnen gaan, maar beseft dat je nog steeds geen geld op zak hebt. Je vat post aan de geldautomaat. [5] [JDB6] ‘Kan u mij een beetje geld lenen? Ik heb mezelf buitengesloten. Morgen betaal ik het u terug, als ik weer binnen kan.’ Een jonge vrouw bekijkt je van top tot teen en wandelt weg zonder iets te zeggen. ‘Waarom zou ik dat geloven?’ vraagt een man die je vader zou kunnen zijn. ‘Ze zijn allemaal maar op één ding uit.’‘Wie?’‘Mensen zoals u,’ roept hij over zijn schouder voor hij om de hoek verdwijnt.  Je doolt verder door de straten. De klokken van de kathedraal hebben twaalf uur geslagen. Cafés en restaurants veranderen in leegstaande panden. Voor je doemt het station op. De laatste trein is al lang vertrokken, de hal die naar de sporen leidt is doodstil. In het donker herken je de omtrekken van daklozen die her en der liggen te slapen. Je passeert hier elke dag op weg naar je werk, intussen ben je vertrouwd met het zicht van de man op zijn rafelige matje die in een onbegrijpelijke taal bedelt terwijl hij met een beker vol muntjes rammelt. Tussen de frisdrankautomaat en het koffiekraam zie je hem zitten. Hij zwaait naar je. Even blijf je voor hem staan. Hij wijst naar de stapel oude kranten naast hem. Je laat je zakken en legt je hoofd neer op een achtergebleven zadelbeschermer van een fiets. Je hebt geen idee hoeveel uren nog resten voor er hier en daar weer iets opent in de stad. Je sluit je ogen. Zolang kan het heus niet meer duren.

Felix Sandon
3 0

Gatlelijk

Liefste lezer, ik beloof plechtig dat de column van deze week geen gebakken uitwerpselen, door mijzelf bedreven tantrische seks of beschrijvingen van mijn sixpack met astronomisch hoog aflikgehalte bevat. Al beginnen we wel met een vrouwenkont. Sta me toe om het even uit te leggen. Ik weet dat ik, door wat ik nu ga zeggen, binnen vijf minuten geboeid uit m’n huis word gesleurd om onverdoofd met een vismes gecastreerd te worden op ons dorpsplein, maar ik moet het kwijt: ik durf al eens een milliseconde naar een welgevormd damesachterwerk kijken als het me voorbijloopt. Walgelijk, I know. Toen ik een tijd geleden weer zo’n geweldig staaltje natuursculptuur zag passeren, merkte ik echter iets raars op. Het achterste van de vrouw had geen ronding zoals bij de meeste mensen uitgezonderd mezelf. Nee, het ding was hoekig, alsof ze net uit een schilderij van Picasso was gestapt. En zoals je vaak plots overal dat woord tegenkomt dat je een dag ervoor voor het eerst gehoord hebt, zag ik er nog één. En nog één. Wekenlang heeft het mysterie van het geometrische gat, het mysterie van de hoekpoep, me beziggehouden. Tot ik toch eens een milliseconde langer durfde kijken, met het risico dat de vrouw zich zou omdraaien en uit mijn blik zou afleiden dat ik haar in mijn hoofd al aan het penetreren was, terwijl ze met handen en voeten vastgebonden op de pooltafel op het dek van mijn ingebeelde luxejacht lag. Grapje, lieve lezer. Als ik beloof om het proper te houden, doe ik dat ook. Maar terwijl ik dus naar haar zitvlak keek, kreeg ik m’n eureka-moment: da’s potverdikke een smartphone in haar achterzak! Meteen wierpen een hele hoop nieuwe vragen zich op: is dit iets uitsluitend vrouwelijk? Of loop ik als smartphone-in-zijzak-drager achter? Gaan ze verkeerdelijk denken dat ik iets verberg en níét de duurste iPhone heb die je kan kopen? En ook, wordt die gsm niet supermakkelijk gestolen uit die achterzak? Maar vooral, waarom steek je hem weg en gebruik je de extra tijd niet die je al wandelend op je smartphone kan besteden? Onze planeet is zo mooi niet. De Brusselse Ring, het perron van Kustmijnklotegem, de tuintjes vol onkruid en misvormde tuinkabouters op weg naar de crèche … Na een tijdje heb je het allemaal wel gezien. En voor autorijden, fietsen of een baby dragen heb je aan één hand genoeg. Maar de pa van Jezus heeft ons er twee gegeven met een reden. En daarvoor is er dat heerlijk lichtende schermpje om in te kruipen, met zo veel leuke dingen om te doen: ontdekken hoe je achterwerk het doet op Tinder (waar het nog charmant is dat mensen je kont checken), vrolijke dingetjes lezen op Facebook, door Instagram scrollen en kijken hoe de ex-collega die je volgt uit medelijden weer z’n tekstjes in je strot probeert te rammen. Ik zeg maar iets. Wanneer ik rondkijk in de trein, zie ik dat de meeste mensen het gelukkig doorhebben. Met elegante zwanenhals en laserfocus zitten ze te kijken, tikken, tokkelen, liken en swipen dat het een lieve lust is. En geen eentje verveelt zich of moet voor de zesduizendste keer de afschuwelijke achtergevels tegen het spoor zien voorbijflitsen. Ze merken het zelfs niet meer op wanneer ik in een volle wagon aan m’n snikkel begin te sjouwen en mijn hele lading over m’n sixpack met astronomisch hoog aflikgehalte spuit. Wederom een grapje, lieve lezer, we hadden een afspraak. Gisteren stapte ik al facetimend door Anderlecht, want alleen introverte mietjes bellen nog met de telefoon aan hun oor, toen ik ineens, knots, BOEM, #PAUKESLAG op de grond smakte. Een jongeman die met smartphone voor z’n gezicht metersdiep in z’n TikTok-feed zat, was recht op mij gelopen – enfin, of ik op hem, het maakt al niet uit – waardoor onze telefoons tegen mekaar en vervolgens tegen onze nietsvermoedende koppen kletsten. ‘Lelijk hier, hè?’ zei ik toen ik was rechtgekrabbeld. ‘Gatlelijk!’ antwoordde hij, voor we allebei in lachen uitbarstten. Na een ongemakkelijk dansje van onduidelijkheid wie wie nu links en wie wie rechts ging kruisen, zetten we onze weg al scrollend verder. Onderweg ben ik zeker nog enkele prachtachterwerken met en zonder hoeken tegengekomen, maar ik heb er geen milliseconde naar gekeken, omdat ik gezellig en veilig in m’n scherm zat, zoals het elk normaal, niet pervers mens betaamt.

Hans Verhaegen
25 1

dierbare vijand.

Ge spreekt af. Na jaren. In hetzelfde café, steeds hetzelfde café. Niemand die weet hoe de avond zal verlopen. Ik niet en jij niet mijn vriend. Mijn maatje, mijn partner in crime in gedachten. Ik drink wat, want drinken verzacht de pijn van het zijn. Door beslagen ramen tuur ik over de rivier die vlak voor het café gesmeten ligt. Nergens ben je te zien. Je had niet hoeven afspreken. Ik snap het wel: tien jaar laat ik niets van mij horen en plots wil ik persé die zaterdagavond afspreken. Dan, vanuit de mist verrijs je. Nog steeds dezelfde kleren lijkt het wel. Nog steeds dezelfde snit. We veranderen continu en eigenlijk blijven we gelijk. Dat is onze bottomline. Hulde! Je schrijdt het café binnen, zelfzeker kijk je me aan. We zijn evenwaardig, ooit waren we beste vrienden. Het kan niet anders, fuck, dan dat we evenwaardig zijn. Je bestelt bier. Ik ook. Veel bier. We gaan buiten roken. Ik doe dat eigenlijk al twee jaar niet meer. Maar ik ga ervoor. Ik inhaleer zachte trekjes van een te zware sigaret. We praten maar komen amper uit onze woorden. De jaren bier worden ons daar en dan bijna fataal. Dat ik op je trouw was wist je niet meer. Maar ik wel. Jouw scheiding heb ik niet meegemaakt. Dat je op de dag dat mijn eerste kind geboren werd er was wist je niet meer, ik wel. Uw fucking oor hing er bijna af en je moest dringend naar de spoed. Dat trof, mijn vriendin moest kopen. Dat ik nog alles weet is jouw conclusie. Ik vergeet niets. We zijn eilanden, drijvend op zoek naar herinneringen en geschiedenis. Dat vind ik. Ik weet nu al dat ik nooit meer zal drinken. Niets meer, maar vandaag is de avond nog jong. Of ik nog drugs doe? Gelegenheid maakt de dief. Niet? Dus blowen we. Ik neurie iets dat lijkt op grunge. Je lacht. We drinken. Dus snuiven we. Vanavond gaan we kapot. Onze knieën zwengelen mee met god weet welke kutband. Het is een plaat dus het maakt niet uit. Het is verdomme koud en het waait. Dat we na vandaag toch nog moeten afspreken. Zouden we niet toch nog afspreken? Morgen als het kan. Maar het kan niet. Ik kan niet en jij ook niet. We struikelen waggelend naar de bar en smiespelen de barvrouw toe dat we drank willen: shotjes. Het is altijd maar kapotgaan. Ik vraag of je die nog kent? Wie? Die zelfmoord pleegde in ons klas door van een hotel te springen, vlak voor de examens. Daarom was ik er niet door, maakte ik mijn ouders wijs. Maar je weet het niet meer, ik wel, want ik weet nog alles, weet je dat nog? Eerder op de avond al gezegd. Het gaat van kwaad naar afgezaagd. Naar spaghetti aan het veer. Puisten op de kermis. Tegenwind naar Terneuzen. Boeken die er toe toe toe doen. Jij en ik. Ooit, altijd samen. Lachen gieren en brullen. Ik probeer, jij probeert. Maar er is iets fundamenteels veranderd. Het leven heeft ons ingehaald. Het leven heeft ons pootje lap gedaan, jou iets meer, toegegeven. Ik draai en hang wat rond een barkruk die zo nu en dan net goed lijkt te staan om op te gaan zitten. Om dan toch finaal op de grond te eindigen. We moesten maar eens gaan of niet, nog eentje. Fuck, alle vrouwen zijn zot. Dat ze het niet zien. Ja, ze zien het niet. Hier niet, nergens niet, nooit niet. Er zijn nooit maskers geweest beseffen we nu. We zijn wie we zijn. De maskers zijn voor de anderen, de goegemeente met hun goede bedoelingen en hun verwachtingspatroon. We passen er niet in, weten we nu. Nooit niet, nooit gedaan. Pootje lap verdomme. Maar we rechten vanavond onze rug. We zijn een soort eeneiige tweeling. Dat gedoe, dat brother from another mother, wij hadden dat al eeuwen geleden. Eeuwen zeg ik u. Maar dan nog, wat maakt het uit. Barbecue en daarna boterhammen met salamie. Pukkelpop en uw tent kwijt zijn. Ik kan wel janken. Ik jank! Jij niet, je weet niet wat te doen. Je probeert een schouderklopje. Dan ga je pissen. Ik niet. Ik kijk je na. Drink onze twee shotjes en pinten in een ijltempo op, zoek mijn jas, geef de barvrouw vijftig euro en zeg haar dat de man met wie ik vanavond was de rest van de nacht mag drinken op mijn kosten. Ik sukkel op mijn fiets, kijk om in de bedampte ramen. Je komt uit het toilet en zoekt me. Ik geef plankgas, niet moeilijk. Rechtdoor altijd rechtdoor. Ik val en breek mijn beide knieën, het wordt wachten op een ambulance. Net voor ik het niet meer houd van de pijn en in zwijm val glimlach ik en denk: ik wist alles nog.

Thomas De Mulder
71 1