Zoeken

Tip

Het huis van vertrouwen

Bavo installeert zich met dampende koffie aan zijn bureau. Door het raam ziet hij Charlotte nog net achter de witte haag verdwijnen. Het wordt al licht. ‘Zo’, denkt Bavo, ‘de eerste echte thuiswerkdag is een feit.’ Het heeft lang genoeg geduurd voordat de vakbonden en het bedrijf op één lijn stonden over thuiswerk. Tijdens een proefproject in de zomer heeft Bavo van collega's geruchten gehoord over inbreuken op de privacy. De indianenverhalen gingen over valse koeriers en spyware via de camera op de laptop. Natuurlijk konden de heethoofden niets bewijzen, zelf heeft hij ook niks gemerkt. Maar gelukkig is er nu eindelijk weer voldoende vertrouwen om echt van start te gaan. Bavo nipt van zijn koffie en tuurt naar de uitgestrekte winterse tuin. Dan klapt hij z'n laptop open. Acht uur, hij is klaar voor de wondere wereld van het boekhouden. Charlotte heeft nog geprobeerd om hem op te zadelen met een lijst taakjes 'want je zit toch thuis’. Maar Bavo heeft haar kordaat duidelijk gemaakt dat thuiswerken nog altijd werken is, niet prutsen. Hij logt aan, opent het boekhoudprogramma en begraaft zich al snel in een stroom facturen. Wanneer hij een uurtje op dreef is, valt de stilte hem plots op. Hij rekt zich krakend uit en kijkt naar buiten. Intussen schijnt er een melkzonnetje over de sneeuw. Kristallen glinsteren op de dunne twijgjes van de struiken en de ranke takken van een meterslange rij druivelaars buigen onder een laagje poedersneeuw. Netjes opgeknoopt en ingeknot staan ze te wachten op de volgende zomer. Bavo trekt een wenkbrauw op. Net achter de rij wijnstokken groeit iets ongewoons, ongeveer daar waar het vijvertje lag dat zijn zoon deze zomer heeft dichtgegooid. De plant heeft dezelfde hoogte als de wijnstokken maar is veel dikker. Platter ook. Vreemd. Plichtsbewust kijkt Bavo opnieuw naar zijn scherm om een factuurnummer in te geven, maar onwillekeurig drijft zijn blik weer naar buiten. Wat is dat vreemde dikke ding tussen de wijnstokken? Wanneer hij de schuifdeur opent komt de krakend koude lucht hem meteen tegemoet. Zijn adem vormt wolkjes terwijl hij moeizaam enkele meters door de diepe sneeuw waadt. Van hieruit lijkt het ding op een groot uitgevallen grijze meetlat, dik en plat, van onbestemd materiaal. Bavo aarzelt. Hij heeft nog een goede vijf meter te gaan, maar beslist rillend om te keren want de sneeuw smelt tegen zijn enkels en straaltjes ijswater lopen in zijn pantoffels tot op zijn warme blote huid. In de keuken trekt Bavo de natte pantoffels uit. Hij haalt boven dikke sokken en trekt ze hoog op zodat ze goed blijven zitten in zijn sneeuwlaarzen. Nadat hij een dikke fleece trui over zijn hoofd heeft getrokken, beent hij gehaast tot helemaal achteraan in de tuin. Bavo inspecteert het vreemde voorwerp. Het is een lange metalen staaf, helemaal afgeplat. Hij geeft er een ruk aan, de lat voelt als een bevroren lemmet. Hoewel het ding muurvast in de bodem zit, lijkt het wel beweeglijk, bijna flexibel. Bavo omklemt het metaal, zet zich schrap en probeert het los te wrikken, maar een pijnscheut schiet door zijn verkleumde vingers. Gefrustreerd loopt hij terug om wanten, een schop en een houweel te halen. De vrieslucht doet zijn neus lopen terwijl hij driftig de sneeuw rond de basis van de lat weghaalt. Minutenlang probeert hij met het materiaal een inkeping te maken om de lat uit te graven, maar de bovenste laag is steenhard bevroren. ‘Dedju’, vloekt Bavo. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik heb zwaarder materiaal nodig’. Weer binnen is de keukenvloer herschapen tot een poel van vuile gesmolten sneeuw. Terwijl Bavo z'n laarzen uitschopt, kijkt hij door het keukenraam. De lat staat parmantig in de tuin, als een uitroepteken. Bavo snuit zijn neus, neemt zijn gsm en belt Luc, zijn broer en aannemer op rust. Niet veel later parkeert de witte bestelwagen van Luc voor het huis. Samen lopen ze zwijgend de tuin in. Luc bekijkt de lat aandachtig en geeft er een snok aan. ‘Die zit muurvast. Je hebt zwaarder materiaal nodig,’ stelt hij vast. Bavo knikt. ‘Ik heb in de camionette wel wat gerief, maar je hebt een bobcat nodig’, gaat hij verder. Luc kijkt bedachtzaam naar de grond, ‘Volgens mij zit het vast aan iets groters.’ ‘Ja, dat dacht ik ook al’, mompelt Bavo. ‘Wat doen we?’ ‘Luister,’ beslist Luc, ‘stap in, we halen er direct één van bij Daniëls. Ik heb daar nog ’t een en ‘t ander tegoed.’ De bobcat wordt een uur later via de straat achteraan de tuin geleverd. De mannen van Daniëls rijden het toestel tot vlakbij de lat, en vertrekken. Luc klopt goedkeurend op de bobcat, ‘Bavo, jongen, ik moet ervandoor. Tegels gaan plaatsen in de badkamer van ons An. Succes ermee.’ ‘Ja, merci nog’, stamelt Bavo, terwijl Luc naar het tuinhek loopt. Bavo bestudeert een poosje hulpeloos de dure machine. Net voor Luc in zijn bestelwagen stapt, draait hij zich om. Door de ijle vrieslucht roept hij: ‘Als het niet lukt met die bobcat, ken ik wel een paar Polen. Ik sms je hun nummer.’ Nadat Luc vertrokken is, klimt Bavo op de bobcat. Het is stil in de tuin. De sneeuw is platgetrapt en de bobcat staat te glimmen in de zon, net als de lat. Bavo haalt diep adem, start de machine en begint voorzichtig te graven. Al snel blijkt de grond lang niet zo hard bevroren als hij had gedacht, enkel de eerste paar centimeters zijn lastig. Het gaat vlotter dan met de schop maar toch werkt hij langzaam en voorzichtig. Wanneer hij een put van een goede kubieke meter heeft blootgelegd, en niets bijzonders tegenkomt behalve nog meer lat, stoot hij plots op een hard voorwerp met een bolle vorm. Net op dat moment stopt een groene bestelwagen aan de haag. Bavo zet de motor van de bobcat uit en knijpt zijn ogen dicht tegen zon. Hij ontwaart aan het hek een grote, brede man in overall. ‘Bonjour monsieur, je suis Marek. Je suis appelé par votre frère. Ça avance?’ ‘Oui, oui, ça va’, antwoordt hij. ‘Je viens de toucher quelque chose.’ ‘Vous permettez? ‘ gebaart Marek naar de bobcat. Hij neemt plaats en schraapt met gevoel voor precisie nog een laag weg. ‘Aidez-moi avec votre pioche, il y des parties plus délicates, l'objet a des courbes.’ Zo werken de mannen twee uur om het ding minutieus bloot te leggen, enkel onderbroken door een kleine pauze met twee pilsjes en boterhammen met kaas. Tot Bavo’s verbijstering blijkt de lat een wiek te zijn. De wiek zit vast aan een intacte helikopter, die, neus vooruit, in de grond geboord zit. Geen modelbouw, maar een kleine versie van een echte helikopter. Eerder het formaat voor een eend of eventueel voor een kleine zwaan, als gevogelte helikopters zou besturen. Bavo trekt zijn modderige handschoenen uit en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Wat doet die helikopter hier? Hij springt in de put, hurkt neer en poetst met zijn mouw de modder van de glazen zijkant die al bloot ligt om naar binnen te kijken. Waanzin. Er is geen zitje, dus het moet een onbemand toestel zijn, en de meest moderne technologie is aan boord. Uitgesloten dat dit toestel al lang onder de grond zit. Zou zijn zoon hem hier begraven hebben? Maar waarom? Of is het ding misschien maanden geleden gecrashed tot diep in de vijver en hebben ze al die tijd niks gemerkt? ‘Meneer?’ klinkt het plots scherp. Bavo kijkt omhoog. De zon schijnt nog steeds genadeloos in zijn ogen. Hij heft zijn hand boven zijn ogen om iets te zien en ontwaart het silhouet van een agent. Er staat een politiewagen geparkeerd achter de camionette van Marek en die laatste is plots nergens meer te bespeuren. ‘Wat is hier de bedoeling van?’, snauwt de agent. ‘Heeft u een vergunning om die helikopter te begraven?’ ‘We begraven hem niet,...’ pruttelt Bavo, die onhandig uit de kuil probeert te kruipen, uitglijdt en dan maar blijft staan. ‘Uw buren hebben ons opgebeld, u mag die grond niet zomaar verzetten,’ stelt de agent ongeduldig, ‘daar zijn vergunningen voor nodig. Ik zal een PV moeten opmaken. Ik stuur iemand om stalen te nemen want als er benzine in de ondergrond is gelekt, hangt u.’ Bavo opent zijn mond, maar de man is hem voor: ‘En kom straks op het bureau de eigendomsbewijzen van die helikopter maar eens voorleggen.’ Met een korte ruk draait de agent zich om en verdwijnt naar zijn wagen. Het draait Bavo voor zijn ogen, hij leunt een paar minuten tegen de rand van de kuil, starend naar de grond tot hij Marek hoort en opkijkt. ‘Est-ce-que vous voulez qu’on continue monsieur?’ vraagt die twijfelend, ‘Il y a quand-même encore quelques heures de travail. Surtout vu le temps qu’il fait.’ Veiligheidshalve voegt hij er nog snel aan toe: ‘Et c’est 16 euros l’heure, monsieur, au noir’. Bavo schudt het hoofd en mompelt: ‘Non non, merci, ça suffit, vous pouvez partir’. Als een lastige tiener geeft hij een trap tegen de helikopter. Binnenin klikt en zoemt er plots iets. Nieuwsgierig komt Bavo wat dichterbij. Hij ziet zichzelf in het bolle reflecterende glas staren naar een rood lichtje dat aanspringt, gevolgd door een flits. Gealarmeerd klautert Bavo uit de kuil en rent naar het huis. In de keuken schopt hij zijn laarzen uit op de natte vloer en zoekt houvast bij de tafel. Daar vindt hij zijn gsm met drie gemiste oproepen en een sms van Charlotte om te vragen of hij 'toch niet even tijd heeft om de was in te steken'. Hij stopt de gsm in zijn broek en loopt naar het bureau waar hij zijn ingeslapen computer onzacht tot de orde tokkelt. Het scherm licht op, hij logt in. Meteen verschijnt bovenaan zijn mailbox een pas binnengekomen bericht. Het bericht heeft als onderwerp 'betrapt' en als afzender 'drone 2'. Trillend opent Bavo de bijlage. Hij ziet zichzelf met onderzoekende blik en op de achtergrond de felle zon en de omtrekken van een bobcat.  

Tine Tytgat
27 2

Egeltje wil een voetbalploeg

Egeltje is op vakantie bij oma. Hij wil voetballen. ‘Leuk,’ zegt oma, ‘Kom maar op.’ Ze krijten een goal op het muurtje. Oma trapt de bal en Egeltje trapt terug. Maar Egeltje wil niet meer trappen tegen een muur. Hij wil een wedstrijd spelen met een echte voetbalploeg. Elf spelers in hetzelfde truitje. ‘Kom,’ zegt oma, ‘we halen de rode was van de draad. Je mag alle truitjes gebruiken voor jouw ploeg. We gaan samen op zoek naar spelers.’   Oma en Egeltje lopen met de grote zak vol voetbaltruitjes naar buurman Hond. ‘Hond, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Hond. ‘Maar oma, hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Hond kan toch niet in mijn voetbalploeg. Spelers moeten bij elkaar horen en hij lijkt niet op mij. Hij is wit en ik ben bruin.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie zijn allebei sterke jongens, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar,’ zegt Egeltje, ‘Hond, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Hond en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Met z’n drieën lopen ze naar het mandje van mevrouw Poes. ‘Poes, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Poes ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Poes past niet in onze ploeg. Wij zijn jongens, en zij is een meisje.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle drie snelle pootjes om te dribbelen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Poes, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Poes en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de hoge boom. ‘Specht, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Specht. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Onze hele ploeg heeft snelle pootjes om te dribbelen, maar Specht trippelt traag en wil liever vliegen.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle vier knappe hoofdjes om de bal te koppen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Specht, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Specht en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.     Samen lopen ze naar het kippenhok. ‘Haan, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Haan. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Iedereen van onze ploeg heeft een knap hoofdje om de bal te koppen, maar Haan heeft een hanekam. Hij kan niet koppen.’ ‘Misschien,’ zei oma, ‘maar jullie hebben alle vijf luide stemmen om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Haan, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Haan en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar het holletje in de hooiberg. ‘Muis, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Muis. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Wij hebben allemaal een luide stem om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, maar Muis heeft een stil piepstemmetje.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘Maar jullie kunnen alle zes verschillende dingen. Zo kunnen jullie de tegenstander verrassen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Muis, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Muis en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de konijnenpijp. ‘Dag konijntjes, komen jullie in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zeggen de konijntjes. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘In onze ploeg kan iedereen iets anders om de tegenstander te verrassen, maar de drie konijntjes kunnen hetzelfde!’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar als wij alle tien een rood truitje aanhebben, zijn we samen een sterk team, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘Konijntjes, willen jullie nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ juichen ze en Egeltje geeft hen drie voetbaltruitjes.     Met z’n allen lopen ze naar de olifant. ‘Dag Olifant, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma.         ‘Graag,’ zegt Olifant. ‘Hoe kan dat?’ zegt Egeltje, ‘Wij hebben alle tien een rood truitje aan omdat we in de beste ploeg zitten, maar Olifant past niet in zo’n klein rood truitje.’ Olifant denkt even na. ‘Dat is waar,’ zegt Olifant, ‘Maar ik heb een grote blauwe voetbaltrui. Ik kan de keeper zijn, dan vul ik het hele doel en dat is toch ook belangrijk? ‘Wat een geweldig idee,’ zegt Egeltje.   De wedstrijd begint. ‘Hup de roden, allemaal samen!’ juicht opa, ‘We worden wereldkampioen! Muis trapt af, de konijntjes dribbelen en Egeltje geeft een pas naar Hond. Oma legt aan, Specht kopt, en Poes schiet op doel. ‘Goal!’, kraait Haan. En Olifant? Die doet een dutje in het doel.

Tine Tytgat
0 0

Het lastige kleinemansventje

Kabouters worden almaar driester. Je zou het ook vermetel of vrijpostig kunnen noemen, maar dat zou te lichtzinnig klinken. Neen, de kabouter die ik tegen het kleine lijf liep was eerder roekeloos, eerder baldadig maar niet totaal onbesuisd of onbezonnen. Ik had hem tezamen met een hoop bladeren in de groene container gegooid en toen ik met een volgende lading boomafval toekwam kroop hij net vanonder het laatste blad vandaan. Hij keek omhoog en verwachtte dat de karrenvracht hem volledig zou bedekken. Maar hoe klein hij ook was, ik had hem gezien. “Oef” was het eerste wat hij zei en het klonk nogal bekkig.“Goed dat je mij die tweede keer wel hebt gezien” zei hij vervolgens en dit klonk dan weer stout en zelfs verwijtend, “wat een geluk dat ik zacht viel in deze bladerenmassa” voegde hij er nog aan toe.Hij wreef de zweetdruppels van zijn voorhoofd met de pompon van zijn rode muts.“Had je mij zojuist niet gezien dan?” bleef hij grof en onbeschaamd doorgaan.“Of heb je misschien nog nooit een kabouter gezien?” was zijn laatste onbeschofte vraag, die mij duidelijk vrank en impertinent overkwam. Ik moest nog bekomen van deze eerste ontmoeting met een dwergachtige sprookjesfiguur.“Ik had je inderdaad niet opgemerkt die eerste keer” antwoordde ik onderdanig, op het kruiperige af.“Maar daar in de afvalcontainer had ik je direct gezien” klonk ik daarna al iets minder slaafs.“Sorry, ik wilde je niet oneerbiedig behandelen” deed ik me dan weer slijmerig voor. “Het is al goed. Haal me hier maar uit die smurrie” wou hij toen astrant kwijt.Het onhebbelijke persoontje begon op mijn zenuwen te werken.“Je mag wel iets vriendelijker zijn. Een beetje prettiger in de omgang. Als je je niet pijn hebt gedaan, dan mag je heus wel eens aimabeler uit de hoek komen” was mijn kijk op de zaak die ik probeerde te verwoorden op een beschaafde en goedhartige manier.“Aimabel, aimabel” knorde het lastige kleinemansventje.Mijn geduld begon op te geraken en ik vroeg hem op een meer onverschrokken wijze:“Voor mij is het simpel, vlerkerig kereltje. Je vraagt me respectvol je hier uit deze bak te vissen ofwel laat ik je hier een nachtje slapen: je bedje is gespreid en je kan nog een dik bladerendekbed over je heen krijgen”.Mijn manhaftige woorden hadden effect gesorteerd.“Excuseer jongeman voor mijn onbeschaamd gedrag en mijn vrijmoedige woorden. Ik heb dit zeker niet zo brutaal bedoeld. Dit overkomt me op een wat ongelukkig moment, weet je. Ik zocht net wat eikels onder die dikke boom daar, want mijn vrouwtje is ziek en ik wilde haar beter maken met eikelsiroop en net op het moment dat ik een dikke eikel wilde oprapen, vloog ik door de lucht en belandde in deze bak. Door deze tegenslag ben ik zelf een beetje een eikel geworden, denk ik” zuchtte het kleine mannetje en hij sloeg zijn hoofdje deemoedig naar beneden.“Van eikelsiroop heb ik nog nooit gehoord” moest ik lachen, “maar kan misschien een beetje glühwein helpen? Ik doe een beetje in een speelgoedflesje van de kinderen”.“Bedankt meneer en nogmaals mijn nederige verontschuldigingen voor mijn onstuimige en boude handelswijze. Mijn vrouwtje zal u zeer dankbaar zijn voor uw medicijn.”Het waren zijn laatste welgemanierde en warmhartige woorden.Hij liep door het hoge gras. De sprieten reikten tot aan zijn broeksriem. Het mini-flesje met rode inhoud torende overal boven uit. Aan de dikke boom keerde hij zich om, keek naar mij en stak met zijn beide armpjes zijn reuzenfles omhoog. Ik wuifde even en glimlachte.

Marc M. Aerts
0 0

Lilliputternamaakgrasmatjes

“How do you like your eggs prepared?” vroeg Bill, de uitbater van B & B The White House in Lahinch aan de Atlantische kust van Ierland. Jaja, er wachtte ons een flink ontbijt. Miel nam de full option, op zijn Iers dus: spiegelei met worst en ham. Jan en ik kozen voor een gewone sunny side up. Hadden we gezondigd zoals onze reisgenoot, dan zou het een te grote aanval geweest zijn op ons al te hoge cholesterolgehalte. Miel had daar lak aan. Maar Jan blijkbaar even later ook, toen ik zag hoe hij de smeuïge Ierse boter driedubbeldik op zijn toast smeerde, tussendoor al slurpend aan zijn hot chocolate milk. Miel en ik namen een ganse koffiepot voor onze rekening.  De voorkamer waar we ons ontbijt naar binnen smikkelden was een toonvoorbeeld van kitscherige decoratie. Elke kast, bijzettafel of schouw puilde uit van kleurige, porseleinen beeldjes en golftrofeeën. Gedurende de rest van de week zouden we inderdaad merken dat Ierland heel wat greens telde en dat deze sport het elitaire al lang overstegen was. Onze ouwe getrouwe Bill kon er blijkbaar wel wat van; vandaar de menigvuldige ornamenten met minigolfballen, dito clubs en lilliputternamaakgrasmatjes. Ziezo, onze magen waren méér dan gevuld en onze valiezen opnieuw ingeladen. We waren klaar voor een nieuwe ontdekking. Het was mooi weer geworden. Het voelde een beetje frisjes aan, maar het was nog vroeg en het zeebriesje deed zijn best om eventuele houtenkoprestanten weg te blazen. Kom Ierland, verbaas ons!

Marc M. Aerts
0 0

Veertig tinten groen

“Schuun hè” zei een Oostvlaming die achter mij in het vliegtuig zat. We keken door hetzelfde venstertje naar buiten. Het was inderdaad prachtig. Een enorm lappendeken strekte zich onder ons uit. Als ik vroeger in één of andere toeristische brochure een beschrijving las van dit groene eiland of ik hoorde een reiziger zijn relaas doen over zoveel verschillende tinten groen die Ierland tentoonspreidde, dan dacht ik, als een ongelovige Thomas, dit moet ik eerst zelf zien, met mijn eigen ogen. Men had echter niet overdreven. Het Keltenland, dat zijn natuurschoon diep onder ons prijsgaf, was immens mooi. Of die ongelovige Thomas later heilig werd verklaard weet ik niet meer, maar hij moest maar eens in de leer gaan bij zijn kompaan Saint Patrick, de patroonheilige van dit gezegende land. Hij zou vlug geloven. Ik neuriede "I’m a believer", een vrolijk melodietje, gecomponeerd door een toen nog jonge Neil Diamond, en naar de top van de Amerikaanse charts gezongen door de Monkees, een miezerig Amerikaans afkooksel van de Beatles.   Eerder die dag checkte ik in op Zaventem en spendeerde een uurtje in de vertrekhal waar een Vlaamse schone met lange blonde vlecht flaneerde. Zij stal de show en menig mannenhart. Toch zeker het mijne. Vreemd dat op dit soort vergrijp nog geen langdurige gevangenisstraf staat. Als dit kwaliteitsvolle lichaamsgehalte zich ook zou etaleren in mijn land van bestemming, dan zat het goed. Prinses Rapunzel - je weet wel: het sprookje van het prinsesje met haar lange vlecht, opgesloten in de hoge slottoren - zag ik niet meer terug. Zij vertrok met haar - wat dacht je - belachelijke vriendje en met de noorderzon naar het zuiden. Neen, voor mij geen idiote strandvakantie. Ik ging mijn cultuur verrijken in Ierland. Het land met wel veertig tinten groen.

Marc M. Aerts
0 0

Het rijk voor mij alleen!

Hier heb ik echt naar uitgekeken: heerlijk de hele avond het rijk voor mij alleen! Hoe zal ik dat eens gaan vullen... Zou zoveel willen doen, dat ik wel een weekje voor mezelf kan gebruiken. Met  een hapje en drankje voor de buis of aan de schrijf, bezig met de website of gewoon lekker lezen? Telefoon en tablet aan de kant. Druk even de tv aan, languit op de bank met een kopje thee...   Als ik verkleumd wakker word in het donker, is er inmiddels op tv een dame allerlei telefoonnummers aan het aanprijzen en is mijn thee koud. Langzaam wordt de rest van mij wakker en besef ik waar ik ben en dat mijn avondje voorbij is. Want zo te voelen is de verwarming al even uit. Dat is lekker dan! Voordat ik er van ga balen, knip ik een lampje aan. Twee uur! Dan dringt het tot me door: waarom is hij nog niet thuis? Hij zou het toch niet laat maken? Ach het is vast gezellig en zo heel laat is het ook nog niet.   Ik verhuis naar mijn bed en verwacht eigenlijk ieder moment dat hij thuis komt.  Pfff verwachten duurt lang! Zeker weer de tijd vergeten of misschien wel een lekke band? Moet hij zijn telefoon maar mee nemen. Waarom heb ik nu uitgerekend de laatste man zonder horloge en zonder whatsapp? Wat als er wel wat gebeurt?   Zo kan ik toch niet slapen,  dus maar weer naar beneden. Thee herkansing. Zinloos kijk ik uit het raam of hij er al aan komt, alsof het dan sneller gaat. Wat als er echt iets gebeurd is en hij ergens op straat ligt.  Gevallen of in elkaar geslagen? Wie moet ik nou bellen als hij helemaal niet thuis komt? Volgende keer moet hij echt z'n telefoon mee nemen. Straks belt het ziekenhuis... Wat moeten de kinderen zonder vader? En ik zonder mijn man? Krijg er een knoop van in mijn buik.   Dan hoor ik de sleutel in het slot en  "Hé, ben je nog wakker?". "Ja ik kon niet slapen,  heb je het leuk gehad?"   Langzaam verdwijnt de knoop weer. Het is kwart over twee,  ik ga slapen...

Liselotte Schippers
12 0

Hoe vaak keert hun brand weer terug?

Toen ik nog klein was hebben we een keer schoorsteenbrand gehad. Wat ik me er van kan herinneren is dat we vanuit het slaapkamerraam van mijn vaders tante, die bij ons in de straat woonde, toekeken hoe de verschillende brandweer- en politieauto's in de straat verschenen. We zagen hoe de hele buurt zich verzamelde en dat zíj wél konden zien wat er bij ons thuis gebeurde. Een buurjongen stond er nog bij te lachen ook! Het was echt niet grappig! Zelf heb ik maar één klein steekvlammetje mogen zien, toen werden we direct naar mijn vaders tante, tante Cor, geloosd.   Gevolgen waren enorm: oud en nieuw werd nu niet bij ons thuis gevierd, maar bij Tante An. En op mijn slaapkamer was de brandweer, zo lomp in mijn kinderogen, zonder pardon over rood crêpepapier gelopen. Het was van de kerstversiering voor mijn ramen. Dat ik het zelf had laten slingeren telde niet mee. Het was mijn kamer. Met vanaf toen voor altijd rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking.   Natuurlijk belangrijker, waren we allemaal ongedeerd en is ons huis niet tot op de grond afgebrand. Brand effectief geblust! Mijn moeder probeerde het eerst met een washandje, maar de brandweer bluste uiteindelijk toch beter. Behalve dan dat ze geen rekening hielden met het rode crêpepapier...   Uiteraard heb ik hier niets aan overgehouden. Behalve elke keer als ik bewust een brandweer hoor. Dan ben ik even thuis. Rijdt hij naar mijn huis? Is er iemand thuis? Dan gaat de gedachte weer en hobbel ik gewoon verder in het ritme van de dag.   Als ik dan denk aan al die 'écht' getraumatiseerde mensen, door wat dan ook en waar dan ook. Waar het veel verder gaat dan alleen maar rood crêpepapier. Hoe vaak keert hun brand weer terug? Kunnen zij gewoon weer verder hobbelen in het ritme van de dag?   Niet dat je kan kiezen, maar dan ben ik blij met en dankbaar voor mijn rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking!  

Liselotte Schippers
0 0

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0

Vlieden

‘Jouw beurt,’ siste hij. Hij duwde de vogel tegen mijn arm en wees naar het rode licht. ‘Je hebt exact anderhalve minuut, ik heb het getimed.’ Verfomfaaid kwam de vogel in mijn handen terecht. De dunne vleugels plakten aan mijn vingers. Het touwtje zat al meteen verstrikt. Onderweg naar hier had hij het me voorgedaan. In zijn ene hand had hij de vogel opgeplooid. De wijsvinger van zijn andere hand had hij door het lusje gehaakt. ‘Hop!’, deed hij, en liet de vogel vallen. Net boven de grond klapten de vleugels open. De vogel maakte een sierlijke bocht. ‘En dan laat je hem zweven, op ooghoogte van de chauffeurs. Zo,’ hij liet de vogel langs de jasmijnstruiken zeilen. Er speelde een glimlach rond zijn snor. Ik moest denken aan mijn kleine broer die sinds kort met alles wat hij vond de vlucht van vliegtuigen nabootste.‘Tussen de warme wagens gaat dat beter. Thermiek.’ zei hij. ‘En stel jezelf voor dat de auto’s vol kinderen zitten. Dat helpt.’ ‘Echt waar,’ zei hij toen hij mijn blik zag,’als ik aan jullie denk, verkoop ik meer.’ Ik was geen kind meer. Wou ik hem zeggen. Ik kon mijn eigen boontjes doppen. Dat had Yusuf mij gezegd. Ik geloofde Yusuf.   Als een troep dampende paarden stonden de auto’s voor het rode licht. De zon blikkerde op het chroom. ‘En dan mag je nog van geluk spreken dat het niet regent,’ had hij vanmorgen gezegd toen hij me hierheen sleurde. ‘Dan zouden we toch geen vogels verkopen,’ wou ik nog zeggen. Maar ik had gezwegen. Dan zouden we paraplu’s verkopen. Niet mijn vader. Die verkocht wat van de vrachtwagen viel. Maar die spullen buitelden meestal met een goede reden van de vrachtwagen. Dat beweerde Yusuf. En die kon het weten. De kleine superette die hij op een straathoek in de sjieke wijk openhield, had hij ‘Corner’ genoemd. In de rekken lagen producten van Amerikaanse import die tegenaan vervaldatum liepen. Hij verkocht ze duur aan de expats uit de buurt. Blij als een kind was mijn vader toen hij gisterenavond met de zak vol vogels thuiskwam. Honderd vogels, op de kop af. ‘Stel je voor dat we per vogel twee dinar kunnen krijgen. En aan de dikke bakken vragen we natuurlijk wat meer,’ had hij naar me geknipoogd. ‘Ik heb Yusuf beloofd...,’ begon ik. ‘Kratten versleuren,’ snoof hij, 'Yusuf profiteert van je. Hij geeft je een peulschil. Jij bent een verkoper, net als je vader. Jij komt met mij mee.’   Ik hield de vogel zo ver mogelijk van me af. Het plastieken oog stond star en vol verwijt. In mijn handen was de vogel een dode mus. Het zweet brak mij uit. ‘Trek je mooiste hemd aan, een verkoper moet er goed voorkomen.’ Voor de aanschaf van de rode gympen onder zijn afgebleekte jeans had hij een maand geld opzij gezet. Ze stonden hem niet. ‘Komaan!’, brulde hij, ‘Nu! Straks gaan ze weer rijden!’ In de smalle schaduw van het verkeerslicht was hij bezig een nieuwe vogel uit de zak te pellen. Ik keek naar de auto’s. Ze keken niet terug. Je kon niet zien wie er in zat tot je met je neus tegen de raampjes stond. Klant is koning. Dit waren geen klanten. ‘Blijven kijken,’ had mijn vader gezegd, ’in de ogen, ook als ze al met hun hoofd geschud hebben. Met die ogen van jou kan je dingen in beweging brengen, jongen.’   Aan de overkant van de straat sijpelden de mannen uit de moskee. Ze gingen alle richtingen uit. Drie straten verder was Yusuf nu de metalen rolluiken omhoog aan het duwen. Ik kon het kriepen bijna tot hier horen. Het bordje tegen de deur werd op ‘Open’ gedraaid.   De auto’s begonnen te grommen. Het licht ging op groen. Ik sprong van het trottoir en laveerde tussen de optrekkende auto’s. Vleugels. Het was een wonder dat ik ongeschonden aan de overkant kwam. Onder een steen op het trottoir legde ik een briefje van vijf dinar. De vogel nam ik mee. Voor mijn kleine broer.

Marjanne Sevenant
0 0

Stout

    Toen mijn kleine zus werd geboren, zorgde mijn oma voor me, met roodbehuilde ogen en een handtas volgestopt met chocola. Dat weet ik nog goed, want voorheen kreeg ik nooit chocola. ‘Ik wil geen zus,’ zei ik, toen ik de nieuwe baby na een maand te zien kreeg. Met haar dikke buik en haar stokkenbeentjes leek ze op een diepvrieskip. ‘Ze huilt bijna nooit,’ zei mijn moeder aan de tantes die rond het bedje stonden. ‘Dat was met Jonas wel anders. Hij kon hele dagen huilen!’ Ik stak mijn tong uit naar de snertkip die niet huilen wilde. ‘Ik haat baby’s,’ riep ik, toen Silke voor het eerst haar lipjes vertrok in een scheve grijns. ‘Ik wil geen meisje,’ pruilde ik, de eerste keer dat de peuter mijn vinger greep. ‘Meisjes zijn stom en flauw.’ Ik kneep haar hand, ze begon zacht te huilen, met korte stootjes. Ik zag wel dat Silke geen watje was. Als ze viel, gaf ze geen kik, terwijl ik bij het minste schrammetje begon te brullen. Ik zag wel dat ze lief was. Ze knuffelde alle mensen, of ze hen nu kende of niet. In haar ogen, amper een spleet, danste altijd een glimp van plezier. Silke mocht zich niet vermoeien. Ze had een aangeboren hartziekte, iets wat wel vaker voorkwam bij haar afwijking. Silke sloeg de hele dag naar ingebeelde vliegen. Ze maakte mijn speelgoed kapot en beet vaak in mijn arm of been. Als ik huilde, kwam ze bovenop me liggen en streelde en kuste me. Toen ze zes was, ging ze naar een aangepaste school. Samen met moeder wachtte ze buiten op haar bus. Mama kamde nog eens over Silke’s stugge haar, dat alle kanten oppiekte, ging nog eens met een zakdoek over de kwijldraad op haar kin. Terwijl ik mijn boekentas op mijn fiets riemde, stapte Silke op de bus. ‘Dag Jonas, dag, dag, dag!’ ‘s Avonds werd ze thuis afgezet. ‘Mama?’ was het eerste wat ze riep. Daarna galmde haar schaterlach in de gang. Trots toonde ze wat ze op school had geleerd. Ze kon haar naam schrijven, ijverig en geconcentreerd, het puntje van haar tong uit haar mond. Ze leerde tellen. De verrukking spatte uit de kleine ogen. Ze hield van het licht. Overal in huis zocht ze de lichtste plekjes op. Als het mooi weer was, liep ze naar buiten. Plukte madeliefjes en margrieten. Het meest hield ze van paardenbloemen. Als die uitgebloeid waren, klemde ze de stengels van de pluisbollen in haar vuist, blies uit alle macht, haar ogen stijf dichtgeknepen. ‘Wensen, wensen.’ Het lukte haar nooit om in één keer alle pluisjes weg te blazen, er bleven altijd wel een paar wensparachuutjes achter. Ze snoepte graag, ik liet haar hele voorraden lekkers voor ons jatten en bewaarde alles in een doos onder mijn bed. ‘Het is ons geheim,’ zei ik haar, ‘ons Voor Altijd Geheim.’ Ze schaterde, huiverend van het verboden genot. Ze zei nooit veel, humde vaak in zichzelf. Ze was acht toen ze voor een operatie naar het ziekenhuis moest. ‘s Avonds hoorde ik het tuinhekje niet opengaan. Er klonk geen schaterlach in de gang. Niemand vloog rond mijn nek. Op school vroeg de meester me wat er scheelde, of ik ziek was. Ik vertelde het hem. ‘Het spastje is ziek!’ riep de jongen die naast me zat. ’s Avonds schopte ik hem van zijn fiets. Na veertien dagen mocht ik mee naar het ziekenhuis. Mijn zus lag wit in het witte bed, haar roze, dun geworden konijn in haar vuist gekneld. ‘Je mag vlugvlug weer naar huis,’ fluisterde ik, ‘zeven keer vlug’. Ik gaf haar tikjes op haar wangen: zeven keer, dat bracht geluk. Ze kwam terug naar huis met een berg medicijnen en een groot litteken op haar borst. Ze lag op de bank, speelde met haar roze konijn. Op de grond lag de nieuwe, hagelwitte knuffel die ze van oma had gekregen. ‘Had je pijn in het ziekenhuis, zus, moest je huilen?’ ‘Erg pijn, nie huilen.’ Ze humde verder tegen het roze konijn: ‘Overgegeefd. Een snee, een spuitje.’   Silke vond het geweldig toen ik verpleegkunde ging studeren. ‘De zieken geneest!’ straalde ze. Ik ging op kamers wonen, maar op vrijdagnamiddag kwam ik thuis. Met haar 1 m 40 en 80 kg bewoog Silke zich altijd traag en bedachtzaam. Maar op vrijdagavond haastten de dikke voetjes zich over onze oprijlaan, en viel ze me schaterend rond de nek. In vijf minuten tijd hoorde ik soms evenveel lachen als in de voorbije week. Het meest opvallende aan mensen met het syndroom van Down, leerde ik in de les genetica, waren hun specifieke ogen en neus, hun kleine, mollige handen met de vreemde handlijnen en de korte, stompe vingers. Hun huid was droog en schilferend. Meisjes menstrueerden vaak al vanaf hun negende. Het hele rijtje klopte, maar het had niets met Silke te maken. Een bus bracht haar nu elke dag naar een beschutte werkplaats. Ik werkte ondertussen op een afdeling voor intensieve zorgen. Silke was vaak ziek. Op een nacht had ze hoge koorts. Ik overlegde met de huisdokter en gaf haar een inspuiting. ‘Stout!’ riep ze. ‘Jonas stout!’ Ze probeerde in mijn been te bijten. ‘Het is voorbij, zusje, ik ben weer lieflief, zeven keer lief!’ Ze kuste me, wreef met een voorzichtige vinger over mijn been. ‘Jij mag ons bruidsmeisje zijn!’ beloofde ik haar op een dag. ‘Je krijgt een bruidsmeisjesjurk! Welke kleur wil je het liefst? Blauw?’ ‘Nie blauw, roze, roze, roze. Mama ook roze.’ Ze kreeg een zalmkleurige jurk met pofmouwen. Het werd de mooiste dag van haar leven. Ze gaf ons de ringen aan, haar tong hing van inspanning uit haar mond. Ze hielp me om ballonnen op te blazen voor de kinderen. Ze gierde het uit als er een op knappen stond. ‘Stop,’ riep ze, ‘stop lucht! Ontploft!’ Twee jaar later hield ze onze pasgeboren baby in de armen. Opeens ontblootte ze haar zware borsten, de baby sabbelde eraan. Silke keek naar me, een diepe rimpel boven haar neus. ‘Een Voor-Altijd-Geheim.’ ‘Ja?’ ‘Geen baby’s voor Silke.’ Ik pakte haar in mijn armen. De denkrimpel verdween.   Op haar twintigste lag ze wekenlang op intensieve zorgen, in leven gehouden door apparaten en slangetjes. Mijn ouders durfden haar niet aan te raken. Toen ze tenslotte terug zelfstandig begon te ademen, verhuisde ze naar een speciale verzorgingsinstelling in de stad. Ze werd op een streng dieet gezet. ‘Silke eten hebben?’ Ze zocht voortdurend naar iets lekkers in moeders handtas en in mijn jaszak. Er bleven steeds minder stukjes Silke over. De uitdrukking verdween uit haar gezicht. Ze verloor haar lach, haar Silke lach. Onze ouders stierven kort na elkaar. ‘Zorg dat ze geen sukkelaar wordt,’ waren de laatste woorden van mijn moeder. Ieder weekend bleef ik mijn zus bezoeken in het verzorgingstehuis. Ze lag er hele dagen te woelen, trok lakens en dekens over haar hoofd, pulkte haar luier open. Het ooit roze konijn hield ze in haar vuist geklemd. Vaak ijlde ze. ‘Mama?’ ‘Nee, ik ben het, Jonas, je broer.’ ‘Jonas.’ En even later: ‘Mama?’ In onze kelder vond ik nog een paar potjes jam die mijn moeder had gemaakt. ‘Lekker,’ zei ik en stak Silke een volle theelepel toe. ‘Doe je mond open, zus, hij is van mama!’ Ze griste het potje uit mijn handen en smeet het kapot op de grond. Op een dag gaf ik een kus op haar arm. ‘Dag, dag, dag, zeven keer dag.’ Ze lachte, vreemd en huiveringwekkend, als het hinniken van een paard. Een geluid dat geleidelijk overging in een klaaglijk geschrei. ‘Silke nie alleen laten.’ Ik drukte mijn gezicht tegen haar roze hoofdhuid. ‘Geen denken aan,’ zei ik.   Een week voor haar dertigste verjaardag werd ze opnieuw in allerijl naar het ziekenhuis gebracht. Ze lag weer aan een beademingstoestel. Haar ogen waren open. Ik zocht het leven erin, ik vond niets. Soms geeuwde ze. ‘Reflexen,’ zei de verpleger, ‘niks om je aan vast te klampen.’ Ik keek naar de vreemde vrouw in het witte ziekenhuishemd. Haar haar hing verward om haar hoofd, haar mond stond open, een straaltje speeksel liep op het kussen. Tijdens mijn studies had ik over palliatieve zorgen gehoord. Ik sprak erover met de dokter. ‘Dat is hier niet aan de orde,’ meende hij. Zijn woorden ploften als een stomp in mijn maag. ‘Het is genoeg geweest. Ik werk ook op intensieve zorgen. Maar er zijn grenzen. Leven heeft alleen zin als het iets met leven te maken heeft. Jullie moeten niet verlengen wat er niet meer is.’ De dokter zei dat ik me vergiste. Dat Silke wel degelijk leefde, en dat het nooit in hem of in zijn collega’s zou opkomen om mijn zus op te geven, te meer omdat ze zoveel moeite hadden gedaan om haar te redden. ‘Dit noem ik geen leven, dokter.’ ‘De vitale organen werken, meneer. Als ze ooit weer beter wordt, kan ze zelfs terug naar een verzorgingstehuis, een ander wellicht, aangepast aan de behoeften van de patiënt.’ Bijna elke dag nam ik de lift naar de tweede verdieping. Als de liftdeuren open gleden, hoorde ik het beademingsapparaat: Silke’s kamerdeur stond op een kier. Op een keer kwam een Afrikaanse werkster in een groene schort en met een emmer wit sop naar me toe. Ze leunde op haar poetsmop: ‘So’ n sukkelaar!’ Met grote, donkere ogen knikte ze naar Silke’s kamer.   Het is lente, een late middag. Ik doe de deur van haar kamer achter me dicht, de hitte valt klam op me neer. Zoals altijd ligt Silke naar het licht gekeerd, naar de lichte lentedag: haar lichaam, haar hoofd, haar armen en handen naar het raam. Lucht wordt gepompt. In en uit. In en uit. Iets is groot als een ballon. Iets wacht tot het knapt. Er mag geen lucht meer bij. Ik maak het beademingsapparaat en het ziekenhuishemd los, pak de roze bruidsmeisjesjurk uit mijn tas en drapeer hem over haar heen. ‘Zou je graag bij mama zijn?’ fluister ik. ‘Kom maar bij mij, we gaan naar haar toe.’ Ze hangt zwaar in mijn armen. Ik streel haar hoofd, het grijzende haar is zijdezacht in haar nek. ‘Nog heel even, dan komt mama,’ fluister ik. ‘Ze zal ook in het roze zijn. Dag, dag, dag lieve zus van mij. Ben ik stout? Nee, dit keer is het geen spuitje. Toe, zeg eens, vind je me nu weer stout?’   Ik sta op en kijk door het raam. Massa’s gele paardenbloemen keren zich naar het licht. Sommigen zijn al veranderd in witte pluisbollen. In wachtende wensparachutes.                              

Martine Wolfaert
0 0

Een perfecte weersvoorspeller

    “Jef,” stelt de gorilla zich voor, terwijl hij de hand van Frans op hartelijke wijze fijnknijpt. Wat heb jij, buurman?” “Ik? Prostaat.” “Prostaat?! Ik ook! Snap jij dat nou? Al die jaren hebben we geen prostaat gehad. En nu blijken we er plots één te hebben!    Tien dagen liggen ze naast elkaar in het ziekenhuiskamertje. Frans is gepensioneerd tuinier. Hij is klein en gezet, zijn gezicht blinkt als een rode appel en zijn ogen hebben altijd praatjes. Tien jaar geleden werd zijn linkeronderbeen geamputeerd. Op die plek zit nu een perfecte weersvoorspeller: jeuk aan zijn linker grote teen betekent regen, pijnscheuten verwittigen storm. Jef rookt stiekem sigaretten in bed terwijl hij verhalen vertelt over zijn leven op zee. Vanaf zijn veertiende reisde hij rond de wereld. Nu is hij 70 en hoort nog steeds de lokroep van de zee. Zijn haar en baard zijn spierwit en de zee en de lucht hebben een spoor van ruwe tederheid in zijn gelaat gekerfd. Of er wel eens een vrouw was in zijn leven? O jawel! Maar hij vergat haar naam op het moment dat het schip vertrok. Hij hield meer van het water. Van de zee die tweemaal per dag haar orgasme beleeft op de donkere zandlijn. Na hun ontslag uit het ziekenhuis wandelen ze vaak samen aan zee. Ze kijken naar de vissersboten die hun wijd gespreide netten als vleugels langzaam aan lieren in zee laten zakken. Ze kijken naar de golven die langs het water een rand van wit schuim achter laten. “Hoor toch die meeuwen” zegt Jef telkens opnieuw. Voor Frans krijgt de zee een nieuw geluid: dat van mekkerend meeuwengekrijs. Op zondag, terwijl het hele dorp nog slaapt, maken zij wandelingen in het groene bos. Frans voelt feilloos aan zijn linkervoet of ze regenkledij moeten voorzien. Ze kijken naar vechtende mussen, naar het spel van de merels in de notenboom. “Moet je zien”, zegt Frans, “een boomklever!” Voor Jef krijgt het bos een nieuwe gezicht: dat van boomklevers, spechten en roodborstjes. Frans moet vaak plassen. “De operatie heeft niet veel verbeterd aan mijn ‘ouwemannenkwaal’”, zegt hij. “Och ja, het hoort bij de leeftijd”. Zonder dit probleem had hij Jef nooit leren kennen. Hij moet er niet aan denken.    De tijd verstrijkt. Ze kennen elkaar al meer dan vijf jaar. Frans is vaak moe. Een knagende rugpijn laat hem nooit met rust. Na een berg onderzoeken gaat hij naar de dokter voor de uitslagen. “Uw prostaatkanker is te ver uitgezaaid”, zegt de witte doktersjas. “De behandeling die ik u voorstel is palliatief, daarmee bedoel ik dat…” “Hoelang nog, dokter?” “Enkele weken. Hooguit zes.” Traag wandelt Frans terug. De straten zijn grauw, de huizen staren hem aan. Thuis roert hij lang in zijn koffie, zwart als een rouwgewaad. Hij neemt de telefoon. Jef komt. Hij ziet Frans op de bank onder de appelboom, naast de groenbemoste engel met kapotte vleugels. Stil gaat Jef naast Frans zitten. Voor het eerst sinds ze elkaar kennen, misschien wel voor het eerst in zijn leven, weet Jef niets te zeggen. Hij vergeet zelfs een nieuwe sigaret op te steken. De appelboom is zwaar van rijpend fruit. Er is nog zoveel wat Frans wil zien en doen. Dingen als een zeldzame vogel zien, een ijsvogel, wie weet. Lopen aan het strand met de zon in zijn rug. Voor de honderdste keer luisteren naar de belevenissen van Jef op zee. Samen een fris biertje drinken. Gewoon in leven zijn: elk uur, elke dag. Hoe kon geluk ooit vanzelfsprekend zijn? Een maand later stappen ze door de tuin van Frans. Bij elke plant en boom vertelt Frans hij ze gesnoeid moeten worden Met geoefende bewegingen knijpt hij verwelkte bloemresten weg. Rondom hen ligt de grond bezaaid met afgevallen appels.   Een dor blad tuimelt van tak naar tak in een kalende boom. Enkele laatste rozen bloeien donkerrood: nog zeven dagen? Nog tien?    Dezelfde avond zitten ze in de zetel bij Frans thuis. Jef heeft een fles champagne meegebracht. “We bewaren hem voor een speciale gelegenheid” zegt Frans. Daarna schuift hij heen en weer in de sofa . “Ik word niet beter, Jef”, fluistert hij, “ik ga dood”. Jef inhaleert de rook van zijn sigaret en ziet het grauwe gelaat van Frans. “Vertel me over de zee”, vraagt Frans. Jef bromt verhalen, zonder kop of staart. Zijn warme stem omhult Frans. Ze drinken en roken. Roken en drinken. Praten hoeft niet meer: alles is gezegd. Ze luisteren naar het sissen van de vlammen in de open haard. Ze heffen klinksgewijs de glazen. De tv staat op, ze kijken niet. Om drie uur ‘s nachts zet Frans hem uit, het zwarte oog kijkt verbaasd de kamer in. De vijfde fles is leeg, de asbak vol. Plots valt Frans suizebollend voorover, hij hapt naar adem, zijn ogen groot en zijn gelaat asgrauw. “Het kan elk moment gedaan zijn”. Mijn God, niet hier, niet nu, bidt Jef. Frans grijpt de hand van Jef. Hij wijst naar de tekst op het lege sigarettenpakje: ‘roken is dodelijk’. “Het is waar”, hikt hij met een alcoholboer.      Twee dagen later krijgt Frans onmiddellijk een eenpersoonskamer in het ziekenhuis. Zijn beenprothese staat werkloos naast zijn bed. Jef vertelt hem onophoudelijk verhalen. Opeens hijst Frans zich moeizaam overeind. “Geef me wat te drinken” vraagt hij. Jef loopt, nee, hij rent de vijf straten naar huis en weer terug. Frans straalt als hij de champagne ziet. Jef helpt hem rechtop en houdt hem het plastic bekertje met de champagne voor. “Het is goed dat u hem water geeft,” knikt de verpleegster, “maar geeft u hem vooral kleine slokjes opdat hij zich niet verslikt.” Samen met ‘Prévoteau-Perrier’ verlaat Frans het leven en zijn vriend.   In het grijze ochtendlicht wandelt Jef naar het huis van Frans. Hij gaat er zitten op de bank onder de appelboom. Bij de buren slaat de deur dicht, een auto start. Jef dut in. Twee uur later wordt hij wakker. Dan ziet hij hem, achteraan op het gazon: de merel met één poot.      

Martine Wolfaert
0 0

Het gehoor blijft het langst bewaard

                        Er is weinig volk op straat, iedereen zit warm binnen aan feestelijk gedekte tafels. 'Weet je zeker dat jij vanavond bij moeder wil waken,' vroeg mijn broer. Ik wist het zeker. Laat de anderen maar feesten, ik heb niets te vieren. Als ik kon, sloeg ik kerstavond gewoon over. Ik heb een hekel aan deze dag want hij brengt me regelrecht naar drie jaar geleden. Iedereen meent te weten wat er toen gebeurde, maar er is niemand die het werkelijk weet. En zo zal het ook blijven: dit geheim neem ik mee in mijn graf.   Drie jaar geleden dus. Erna en Werner nodigden me uit om bij hen kerstavond te vieren. Hun kinderen waren opgetogen: ‘Met Betty is het altijd feest!’ juichten ze. En feest werd het. ‘Een echte Perrier jouët brut, zei Werner plechtig. ‘Speciaal in onze wijnkelder bewaard voor vanavond!’ Glimlachend hield ik mijn glas onder de fles, niemand zag mijn handen trillen, niemand hoorde mijn hart bonzen. Dat ik mezelf plechtig beloofd had te stoppen duwde ik hardnekkig weg. Het was kerstavond, feest van vreugde en vrede, niet van schaamte en spijt. De wijn maakte me met één slok warm en blij, ik verdiende het, afkicken kon later. Bert en Joren, een tweeling van negen, speelden kerstliederen op een dwarsfluit en de vijfjarige Helena begeleidde hen met een kwart viooltje. Het was zo mooi dat iedereen er tranen van in de ogen kreeg. Mijn dessert was nog niet op of de kinderen trokken me al van mijn stoel. Ze hadden zelf een kerstspel bedacht, iedereen moest zich daarbij verkleden als engel. De tweeling ging zelf aan de slag en ik hielp Helena: ik knipte zilveren engelenvleugels en sloeg een wit lakentje rond haar middel. Met haar blonde krullen, blauwe ogen en lichtroze sproeten was ze eigenlijk altijd een engel. ‘Braaf zijn en goed luisteren naar Betty,’ riepen Werner en Erna toen ze vertrokken. De engelen, verdiept in hun spel, keken amper op. Ik knipoogde naar mijn vrienden: ‘geniet maar, geen zorgen!’ Ze kusten me dankbaar ‘tot straks.' (‘Heerlijk zoals Betty met de kinderen omgaat, jammer dat ze zelf nooit…' Iets dergelijks zouden ze steevast tegen elkaar zeggen in de auto.) Het was de vijfde Kerst dat ze me vroegen om op de kinderen te letten, ik vond het niet erg, alles was beter dan in mijn eentje voor de tv zitten. ‘Jij moet je ook verkleden, Betty!’ ‘Natuurlijk!’ Ik zette een gouden kroontje op mijn hoofd, vouwde mijn handen en trok een vroom gezicht, de kinderen joelden van pret. Af en toe keek ik naar de lege fles op tafel, mijn mond en keel waren droog, ik snakte naar nog een glas wijn. Werner en Erna zouden het vast niet erg vinden als ik een nieuwe fles voor mezelf opentrok. ‘Waar is de kelder?’ vroeg ik aan Bert. ‘O, je haalt chips voor ons?' antwoordde hij. ‘Yes, chips!’ riep het engelenkoor. 'Even wachten, ik ben zo terug,' glimlachte ik. Met Betty is het altijd feest. In de kelder vond ik wijn en een halfvolle fles wodka, ik schroefde de dop eraf en zette de fles aan mijn mond. ‘Betty?' Ik draaide me om, Helena stond in het deurgat boven de keldertrap. Haar goudblonde krullen schitterden in het ganglicht. 'Kom je terug, Betty?' Het kind klom naar beneden. Toen gebeurde het. Ze struikelde over het laken. Een luide schreeuw, een bons. Helena 's hoofd smakte tegen de betonnen keldervloer. Doodstil bleef ze liggen, haar benen in een vreemde hoek. Een straaltje bloed sijpelde uit haar open mond, haar roze sproeten staken fel af tegen haar witte gezicht. In de woonkamer boven ons lachte de tweeling. In de kelder was het bladstil. Seconden leken eeuwig te duren. Alsjeblieft, God, bad ik, als het goed komt met haar, zal ik nooit nog een druppel drinken. Wekenlang lag Helena in het ziekenhuis. 'Ze heeft geluk,' zegden de dokters, 'het had nog erger gekund.' Mijn gebed is niet verhoord maar mijn belofte heb ik gehouden: geen druppel alcohol heb ik nog aangeraakt. Liters water drink ik nu, maar de smaak van schaamte en spijt krijg ik niet weggespoeld. Helena verblijft in een tehuis voor gehandicapte kinderen, alleen in de weekends is ze bij haar ouders en broers. Elke zondag, weer of geen weer, wandel ik met haar, een porseleinen pop in een rolstoel. Haar gezicht is nog mooier geworden, maar haar blauwe ogen, koud als water, kennen niets of niemand meer. Betty en Werner nodigen me vaak uit maar ik ga nooit meer bij hen naar binnen. 'Jou treft geen enkele schuld, het had net zo goed bij de ouders kunnen gebeuren,' zeggen de mensen me vaak. Alleen mijn moeder zegt dat niet. Sinds de fatale avond kijkt ze me vaak vragend aan, alsof ze in mijn hoofd naar binnen wil. Vermoedt ze iets? ‘Moeders begrijpen en zien altijd alles,' zei ze toen ik klein was. Op mijn achtste roetsjte ik langs de stam van een eik naar beneden. Maandenlang staarden mensen op straat naar de gekartelde streep in mijn gezicht. Kinderen wezen naar me: 'Net een rits!' Ik verstopte me achter een sjaal. Mijn moeder was de enige die verder dan het litteken keek. 'Mag ik eraan komen?’ vroeg ze op een dag. Voorzichtig trok ze de sjaal weg. Haar vingertoppen waren zacht en warm. 'Er is iets wat je nooit mag vergeten,’ zei ze toen. 'Mama's houden van hun kinderen, hoe die er ook uitzien en wat ze ook doen. Beloof dat je het altijd zult onthouden!' Ik vergat het al vlug. Maar mijn moeder niet. 'Weet je het nog van je litteken?' vroeg ze me tien jaar geleden. Het was in de periode dat ik twijfelde aan mezelf nadat mijn man me had bedrogen. 'Weet je het nog, Betty?' herhaalde ze een tijd geleden. Ze keek naar me met haar donkere, bijna zwarte ogen. Ik wist dat ze zag wat iedereen zag: dat ik in drie jaar tijd twintig jaar ouder was geworden. Niet huilen, dacht ik. Als ik huil ben ik verloren. Ik draaide me om en slikte de tranen weg. Ach, mijn moeder, zacht en smeuïg als boter. De schuld die ik draag is zo groot dat geen enkele moeder ze ooit kan vergeven.   Ik kom aan bij het hospice. Ik moet me vermannen, aan iets anders denken. Ik plak een glimlach op en loop door de gang voorbij een kerstboom met prachtige, gehaakte engelen. Moeder ligt in bed, de lamp tekent een zacht licht om de trekken van haar gezicht. Haar ogen staren in de verte. Haar borst gaat heel licht op en neer. Ik ga zitten op een stoel dicht bij haar en steun mijn gezicht in mijn handen. Ik hoor de stilte suizen. Een warme hand op mijn schouder: een verpleegster met een brede lach en een kop koffie. ‘Het is niet gemakkelijk hé, mevrouw, en dat op kerstavond.' ‘Zou mijn moeder me nog horen?’ ‘Wie weet... Het gehoor blijft naar het schijnt het langst bewaard.' Ze buigt zich naar mijn moeder toe. 'Uw dochter is hier, mevrouw. Als u me hoort, knijpt u dan eens in mijn hand?' 'Geen reactie,' zucht de verpleegster. 'Ik laat u, maar ik kom regelmatig eens kijken en u mag me altijd bellen hoor.' Ik knik, mijn keel zit dicht. Ik kijk door het raam: zie een zwart gat met mijn moeder in bed en mezelf op de rand ervan. 'Mama,' fluister ik. ‘Mama.’ Niet huilen. Als ik huil ben ik verloren. En dan gebeurt het. Ik huil zoals ik nog nooit gehuild heb, mijn gezicht verstopt in moeders laken, mijn hand in die van haar. In één gulp komt mijn hele geheim eruit. ‘Mijn schuld, mama,' snik ik, 'mijn schuld.’ Een zacht kneepje in mijn hand. Moeders vingers zoeken mijn gezicht, betasten bevend het litteken op mijn voorhoofd. Haar vingertoppen zijn zacht en warm.      

Martine Wolfaert
0 0

Een lichtblauw mantelpakje

      Daar gaat ze: de grijze mantel dichtgeknoopt tot in de hals, de rieten boodschappenmand in haar hand. Haar pas is licht en snel, altijd is ze op weg om voor iemand te zorgen. Liza: 72 jaar, mollig, goedig, rozig. De ogen vriendelijk en opvallend blauw, de witte haren in een knotje. Ze is geliefd in het flatgebouw waar ze woont: ze is de altijd beschikbare oppas voor de peuter op nummer twee. Het hondje van nummer drie wordt het liefst door haar uitgelaten en elke week gaat ze langs op het gelijkvloers bij de oude weduwe met de snor. Samen met haar man woont Liza op nummer één, een sombere flat met zware meubels en futloze gordijnen. Ze wonen er bijna 50 jaar. Kinderen hebben ze niet: Jos is tegen kinderen. Jos, 80 jaar, is klein, keurig, krenterig. Winter en zomer draagt hij een donkergroene trui. De enige uitspatting die hij zich veroorlooft, is de haarolie waarmee hij zijn 30 overgebleven haarslierten naast elkaar tegen zijn voorhoofd plakt. Vroeger werkte hij als militair. Zijn bevelen knallen nog steeds de lucht in: 'Drink niet, rook niet, snoep niet. Gebruik geen schmink. Verspil geen geld.' Zijn groene ogen schieten voortdurend heen en weer, opzoek naaronvolkomenheden. Hij noemt Liza nooit bij haar naam; 'Vrouw!' klinkt het de hele dag, 'Kom hier, vrouw!'Liza verdraagt zuchtend zijn humeur en norse buien. Ze haalt het niet in haar hoofd om haar man tegen te spreken. Maar ze is een nonchalant en vergeetachtig type. Wanneer ze zijn eten brengt bijvoorbeeld, vergeet ze altijd wel iets: de zoetjes, de peper, de melk. Altijd opnieuw, alsof ze het met opzet doet.   Sinds zijn hartinfarct, acht jaar geleden, ligt Jos voortdurend op de sofa, speurend naar gesprongen adertjes, bevende handen en alle tekenen van een dreigend nieuw infarct. Hij heeft nu ook een tic: een klein spiertje in de hoek van zijn rechteroog trekt samen, zodat het lijkt of hij knipoogt. Maar wie Jos Devernier kent, weet dat deze man zelden knipoogt. Zijn dieet (streng vet- en zoutarm) neemt hij op stipte tijden. Om 12 u exact moet zijn toast klaar zijn: lichtgeel, bros en warm.   Sinds een jaar gaat Liza af en toe op uitstap met de weduwe van het gelijkvloers. Als ze Jos vertelt over deze ‘reisjes voor 65 plussers’ kijkt hij haar smalend aan : '65 plus’ doet hem aan het vetgehalte van kaas denken. Jos houdt niet van reizen. Zijn koffer zou vast aan flarden gesneden worden door de douane, op zoek naar heroïne. Eten in een restaurant zou onvergeeflijk vet zijn, het schokken van de bus zou hem een onregelmatig hartritme bezorgen. Maar Liza geniet van de reisjes, ze kijkt ernaar uit als een kind naar Sinterklaas.   Ook de 80 jarige weduwnaar van nummer acht reist mee, verrassend goed te been en knap in zijn gesteven pak. Het ontgaat Liza niet hoezeer de man telkens zijn best doet om een plaatsje naast haar aan tafel te bemachtigen. Hoe hij haar telkens verrast begroet, haar jas aanneemt en een stoel voor haar bijschuift. De goedmoedige ogen achter zijn kleine bril lachen uitnodigend. Hij spreekt haar naam eerbiedig en smaakvol uit, de klemtoon op de ‘z’. 'Of ze gehuwd is' vraagt hij haar op een keer. 'Ik ben alleen,' glimlacht ze breed. Ze schrikt van haar eigen antwoord. 'Noemt u mij maar Juul,' antwoordt hij. Ze proeft zijn naam voorzichtig in haar mond, om en om als een likeurbonbon. Haar wangen gloeien. Hij legt zijn brede handen zachtjes op haar schouder. De warmte blijft de hele avond in haar huid gegrift. Op een koude winteravond, de keuken netjes opgeruimd, snuffelt Liza in de folder ‘Daguitstappen met de bus voor 65 plus’. Haar ogen schitteren. Gretig kleurt ze bolletjes naast haar keuzes. Met zijn kleine afkeurende ogen houdt Jos haar opmerkzaam in de gaten. Het is al de zevende keer in twee jaar tijd dat Liza een busreis maakt. Uitspattingen die hij niet langer kan dulden. Bovendien wordt Liza steeds meer vergeetachtig en nonchalant. Jos draait zich naar haar toe. 'Het is welletjes geweest met die reizen. Je stopt ermee, vrouw.' Hij praat vlug, speeksel druipt op zijn kin. Het spiertje naast zijn oog trekt als bezeten. Liza wordt spierwit. Hakkelt dat hij dit niet kan menen. Jos wordt paars. Dan herinnert hij zich de waarschuwing van de dokter dat hij zich vooral niet mag opwinden. Zijn gezicht en de discussie sluiten zich. Hij draait zich om naar de tv. 'Ik wil mijn thee,' zegt hij.   Er knapt iets in Liza's hoofd. Als bij een te strak gespannen vioolsnaar. Er tekent zich een grimmige trek om haar mond. De hele avond staart ze naar het gefronste voorhoofd met de geoliede haarslierten, dat uitsteekt boven de krant. De volgende weken verandert de uitdrukking van Liza ’s rozige gezicht. Het goedige en twijfelachtige maakt plaats voor een merkwaardige resoluutheid. Haar ogen schitteren, haar stem heeft een nieuwe, vastberaden klank. Ze gaat steeds vaker op uitstap. ‘s Morgens staat ze vroeg op en zet een vetvrije maaltijd klaar voor Jos. ’s Avonds ligt ze als een dichtgeklapte strandstoel naast hem in bed. Haar gedachten zijn bij Juul, bij de bloem in het knoopsgat van zijn vest, bij de tastende vinger op haar gezicht. Jos probeert de uitspattingen van zijn vrouw tegen te houden. Vergeefs. Steeds vaker drukt hij op zijn borst om het onrustige jagen te kalmeren.   Twee maanden later, de lente hangt al in de lucht, krijgt Liza een brief. Ze herkent onmiddellijk het zorgvuldige handschrift. Ze haast zich naar de slaapkamer, weg van Jos, van zijn priemende blik. De slaapkamer is koud, maar Liza gloeit. “Lieve Liza, Mijn oude hart kan niet wachten om u weer te ontmoeten. Mijn leven zonder u was een passage tussen haakjes, een wachttijd in zwart-wit. Ik popel ernaar om de kleurenfilm van mijn leven eindelijk met u te beginnen.” Er zit een grote vogel in haar lijf, een die alle kanten uit wil. Liza dwingt zichzelf tot stilzitten, tot rustig ademhalen. Met voorzichtige vingers steekt ze de brief terug in de envelop en verstopt hem onderin haar nachtkastje. Enkele dagen later krijgt ze een uitnodiging van Juul. Hij wordt 80 jaar en hoopt dat hij zijn verjaardag samen met haar kan vieren. Haar ogen zijn vochtig en dromerig. Ze pakt haar rieten boodschappenmand en roept naar de sofa: 'Ik ga naar de winkel. Ik blijf lang weg want ik moet ook het hondje van…' 'Wacht!' roept Jos verschrikt. Hij kijkt om zich heen of hij het nodige binnen handbereik heeft. Of Liza weer niets vergeten is, waardoor hij – alweer - hulpeloos aan zijn lot is overgelaten. Hij controleert zijn pillen, zijn zakdoeken, het flesje eau de cologne, de thermos kruidenthee. Hij kijkt na of zijn draagbare telefoon voldoende geladen is. Het kaartje met de telefoonnummer van de huisdokter en van het ziekenhuis zet hij goed leesbaar tegen zijn fles haarolie. Als hij zeker is dat alles op het tafeltje naast de sofa ligt, zucht hij: 'Ga maar. Koop ook maagzout. En voor de derde keer, vrouw, koop rattenvergif. Ik hoor de muizen knagen.'   Buiten is het koud en guur. Liza voelt het niet. ‘Juul’ waait de wind rond haar knotje. ‘Juul’ stroomt het bloed in haar benen. In een chique dameszaak past ze een duur mantelpakje. 'Lichtblauw – precies de kleur van uw ogen,' moedigt de verkoopster haar aan. Liza lacht: haar toekomst is van het puurste blauw. Ze koopt alles wat ze nodig heeft, deze keer vergeet ze niets. Ze kiest make-up en parfum. In de delicatessenwinkel vraagt ze goede wijn en dure pralines. Ze gaat naar de kapper en zegt aan het meisje dat ze iets heel anders wil. Een tikje buiten adem komt ze terug thuis. Met kleine kroezende krullen en met haar rieten mand afgeladen vol. Jos ziet haar, zijn ogen worden groot als schotels. Zijn beker kruidenthee valt om. Hij hapt naar woorden en naar lucht. Hij begint een uiteenzetting over zinloze uitspattingen. Zijn knokkels om de sofaleuning zien wit. Tenslotte zwijgt hij. Oorverdovend.   Liza trekt zich terug in de keuken. Ze bekijkt zichzelf af en toe goedkeurend in de spiegel en warmt neuriënd een vetarme maaltijd op voor Jos. Om 18 u stipt brengt ze het dienblad naar zijn sofa. Glimlachend kijkt ze toe hoe hij eet. Deze keer is ze niets, maar dan ook niets vergeten. Als zijn bord leeg is, verschijnen er zweetdruppels op het witte voorhoofd van Jos. Zijn neusvleugels, van nature al breed, staan wijd open als bij een prairiepaard. Twee riviertjes stromen langs zijn vogelnekje naar de kraag van zijn donkergroene trui. Zijn armen klauwen doelloos in de lucht. 'Zet de verwarming lager, vrouw,' hijgt hij. Ze doet wat hij vraagt. Drukt daarna een kus op één van zijn 30 haarslierten. 'Tot ziens,' fluistert ze. Zijn mond opent zich om te protesteren. Vergeefs.   Ze kijkt nog één keer in de spiegel. Met een zweem van parfum om zich heen stapt ze daarna in de lift. Zweeft glimlachend naar nummer acht.        

Martine Wolfaert
11 0

ik ben te veel verdriet

                             'Kijk, de vuurtoren staat er weer,' wijst een jongen van mijn klas naar mijn oma. Alle kinderen lachen. Behalve ik. Ik ren naar de poort. 'Ik wil niet dat je hier op me wacht,' zeg ik. 'Hoezo?' Oma's mond valt open, een gat zonder tanden. Ze duwt haar rode hoedje naar achteren. Haar jas is knalgeel, haar rok oranje. 'Je kunt beter een eind verder op me wachten.' Ze lacht luid, haar rimpels bewegen: het lijkt wel de zee als het regent. Ze heeft rouge op en heel veel lipstick. Een paar kinderen wijzen naar ons en trekken gekke bekken. Oma zwaait met haar stok en steekt haar tong naar hen uit. 'Pas maar op,' roept ze, 'want als de klok twaalf slaat, blijft je gezicht zo staan.' 'Kom,' knipoogt ze naar mij. Ik knipper terug met mijn twee ogen, ik kan niet knipogen. We wandelen naast elkaar naar huis en komen voorbij 'Zonnedauw'. Er staan bankjes op het gras, onder de bomen en bij de bloemenperken. De zon schijnt, de banken zitten vol met oude mensen. Zoals elke dag gooit oma haar stok op de grond. 'Moet je kijken wat ik nog kan,' roept ze. Ze buigt zich voorover, haar hoedje valt op de grond. Ze pakt haar kuiten vast. Een paar voorbijgangers staan bewonderend stil. Oma komt weer rechtop. ‘Niks voor mij, hoor, Zonnedauw!' De mensen klappen lachend in hun handen.   's Nachts glip ik zo stil ik kan uit bed. Op blote voeten mijn slaapkamer uit, de woonkamer in. Ik klim op een stoel en pak de envelop van de kast. Daarna sluip ik terug naar mijn kamer, en verstop de envelop onder de bak met playmobiel: mijn geheime plek.   De volgende middag, aan tafel: Mama: 'Het gaat opnieuw slechter met oma. Ik ben bang dat haar medicijnen niet meer helpen. En hoe ze er tegenwoordig bij loopt, dat kan toch niet langer! Het gebeurt ook steeds vaker dat ze me niet meer herkent. En hoe het in haar keuken gesteld is, niet te geloven! In haar besteklade lag een blok kaas en in haar ijskast lag de afstandsbediening van de tv.' Mama schept nog wat puree op papa's bord. 'En dan het gevaar voor brand,' moppert ze, 'ik mag er niet aan denken. Oma was vanmorgen weer helemaal vergeten dat ze water voor koffie had opgezet.' Papa: 'Ik hoop dat de directeur ons vlug antwoordt. En dat er plaats is in Zonnedauw.' Ik: 'Het is niet eerlijk, mama, je weet hoe eng oma het daar vindt.' 'Jij blijft er tussenuit, Mathijs, je bent nog veel te klein!' 'Ik ben bijna tien!' 'Kom, eet nog wat.' Mama schept mijn bord opnieuw vol en praat gewoon verder. Wat denkt ze wel, dat ik klein blijf? Het eten is keivies, ik stampvoet naar boven en gooi keihard de deur van mijn kamer dicht. 's Avonds komt mama op de rand van mijn bed zitten. Ik trek mijn dons met wilde dieren over mijn hoofd. 'Sorry, Mathijs, het zijn die vapeurs. Ik ben zo moe: twee keer per dag naar oma. Ik red het niet meer zonder hulp. Oma zal het vlug gewend zijn in Zonnedauw, heus.' Ik lig doodstil. 'Slaap je?' vraagt mama na een tijdje. 'Ja,' zeg ik. Ze geeft een kus op het nijlpaard en gaat naar beneden. Ik stap uit bed en ga op mijn knieën op de vensterbank zitten. Wel duizend sterren aan de hemel. Ik hoop dat er een valt, dat ze alle duizend vallen. Oma zal het vlug gewend zijn, ze zal het vlug gewend zijn, vlug gewend zijn. Ik zeg het de hele tijd tegen mezelf. Het helpt niet.   's Avonds google ik op "vapeur": "Damp, wasem, stoom. Opstijgingen (naar het hoofd) bij vrouwen." Mama staat aan de strijkplank, de zon schijnt naar binnen. Ze heeft rode vlekken in haar hals, het zweet stroomt van haar voorhoofd: vapeurs. Ze fluistert tegen papa. Iets over haar buik. Ik mag het natuurlijk weer niet horen, ik ben weer te klein.   De volgende dag speel ik een potje ganzenbord met oma. Als ik even niet kijk, verzet ze de pionnen zodat ze wint. Ze heeft water opgezet voor thee. 'Heb je je gitaar meegebracht, Mathijs?' Natuurlijk, ik pak altijd mijn gitaar mee. Oma is mijn grootste fan. 'Stop eindelijk eens met die jengelmuziek,' zucht mama vaak. Oma zegt dat nooit. Ik speel en zing voor haar, keihard, want ze is een beetje doof. Ze klapt in haar handen van plezier. 'Och,' zegt ze, terwijl ze een traan wegveegt, 'mijn grootmoeder kon ook zo mooi zingen, weet je nog, Mathijs?' Opeens komt er een dikke walm mist in de woonkamer. Ik hol naar de keuken. Het keteltje is droog gekookt.   'Dat is toch vreemd,' zegt mama 's avonds tegen papa. 'De directeur had de brief met mijn aanvraag niet ontvangen.' Ik loop vlug weg: vapeurs. Maar dan krijg ik een ongelooflijk goed plan. Of ik voor mijn huiswerk op de computer mag, vraag ik aan mama. Ze vindt het goed.   Beste meneer de directeur, U moet zeker niet bellen als u deze brief hebt gelezen, want dat weet ik al, want het was namenlijk mijn eigen besluit. Met vele groeten, Mevrouw Daems   Ik pak de envelop die ik onder mijn playmobielbak had verstopt, schrijf het adres van Zonnedauw over en post mijn brief.   Omdat niemand daarna nog wat over Zonnedauw zegt, denk ik dat mijn plan gelukt is. Maar dan, twee weken later, zegt mama dat oma de volgende dag verhuist want dat het water haar tot aan de lippen staat. Ze liegt, ik zie helemaal geen water. Arme oma. Ik ren naar mijn bed. Mijn bloed gonst in mijn oren, mijn hart bonkt en in mijn borst zit een dikke ballon. Ik ga in hongerstaking.   Na twaalf uur en tweeënveertig minuten hongerstaking (het kleine stukje pizza en het minipotje vanillepudding niet meegeteld) roept papa me.   Hij lacht, maar alleen met zijn mond. Hij trekt me op zijn schoot: 'Wat word je zwaar, grote knul!' Hij legt me uit dat oma's hersentumor opnieuw aan het groeien is. Dat ze echt hulp nodig heeft. 'Ik ga mama helpen met inpakken,' zegt hij dan. Hij lacht niet, zelfs niet alleen met zijn mond. Eindelijk mag ik iets weten. Eindelijk ben ik groot genoeg. Ik knipper met mijn ogen, dat helpt om niet te huilen. Ik vraag een koek: mijn hongerstaking is voorbij.   Voor huiswerk moeten we een stom opstel maken. Over wat we willen worden later. Er zoemt een bij in mijn kamer. Op een keer toen ik klein was, stond ik met mijn blote voeten bovenop een wesp. Hij stak me twee keer achter elkaar. Oma sloeg hem met haar stok in tweeën en zoog het gif uit mijn voet. Oma krijgt mijn gelukssleutelhanger. Ik kreeg hem cadeau toen ik negen werd. Binnenkort word ik tien. Over vier maanden, drie weken en vijf dagen. De papa van Seppe uit mijn klas heeft ook hersenkanker. Hij krijgt medicijnen die de kankercellen doden. Maar die heeft oma al gehad. "Geen vergif meer in mijn lijf," zegt ze,"geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt." Oma is zo kaal als een meloen. Ik ben teveel verdriet voor een opstel, schrijf ik in mijn schrift.   De volgende dag krijg ik mijn opstel terug. Het is verdriet hebben, niet verdriet zijn, heeft meester Sam verbeterd. Hij weet er niks van, meester Sam.   Acht dagen later. De directeur van Zonnedauw is een keigrote meneer met een keidikke neus. In zijn neusgaten zitten twee kleine muisjes. Ik sta in de gang en hoor hem praten tegen een mevrouw in een witte schort: 'Dankzij de goede mantelzorg kon mevrouw Van Laer zo lang thuis blijven.' Wat zou dat zijn, mantelzorg? Hij klopt vriendelijk op mijn schouder. 'Ik heb gehoord dat jij haar beste verzorger was?' Ik kijk naar zijn neusmuizen en knik blij. 'Ik denk eraan om eens naar je klas te komen. Om de kinderen uitleg te geven over mantelzorg. Jij bent een supervoorbeeld.' Ik trek blozend mijn gitaar wat dichter tegen me aan. 'Zo is het. Als deze jonge man op bezoek komt, loopt mevrouw Van Laer zingend door de gang, dan lacht ze tegen iedereen die voorbij komt. Want deze muzikant speelt gitaar voor haar.' De mevrouw in de witte schort kijkt met grote ogen naar mij. Ik zwel van trots.   Als hij naar mijn klas komt, de directeur, zal ik mijn blauwe mantel aantrekken. Zodat alle kinderen begrijpen dat ik de mantelverzorger ben. 'Mathijs bereikt mirakels, een echte mantelverzorger,' zal hij zeggen. Ze zullen nogal opkijken als ze dat horen, ze zullen allemaal achterover vallen, met hun achterste op de grond en hun mond wijd open. En als de klok dan juist twaalf slaat, dan blijft hun gezicht voor altijd zo staan.                                           

Martine Wolfaert
0 0

De eerste keer

We waren zeker niet de stoerste jongens uit de klas. Die hielden hun jas aan onder biologie, ook al was het al lang lente. En ook al zei Verhoog dat ze die uit moesten doen en aan de kapstok buiten het lokaal moesten ophangen. Ze vertikten het gewoon en dat zouden wij drieën niet durven.           Frits had het pakje gestolen van zijn oudere zus. Heel makkelijk. Haar tas lag half open op de keukentafel, vanmorgen toen hij beneden kwam. Alles kon je zien: borstel, portemonnee, losse pasjes, armbanden, tampons. En maar liefst drie pakjes sigaretten. Hij had een nog niet aangebroken gepakt. ‘Dan weet ze niet meer of ze die al had of niet,’ zei hij en keek ons vanonder zijn zware hoornen bril heel intelligent aan. Ja, de slimsten van de klas, dat waren we zeker wel.           Ik stelde voor iets hoger in het portiek te gaan staan, zodat we wat minder zouden opvallen. De kleine pauze was net begonnen en we hadden nog ongeveer 19 minuten. Frits haalde het pakje uit zijn kontzak, scheurde routineus het plastic omhulsel in één vlotte beweging eraf en opende het aluminium folie. Waarna het begeerde rookgenot zich in al haar heerlijkheid aan ons openbaarde.           ‘Roken tijdens de zwangerschap is slecht voor uw baby,’ las ik, terwijl Frits Stef en mij het roodwitte pakje voorhield. Hij trilde een beetje met zijn hand, of verbeeldde ik me dat maar? Niemand van ons had ooit nog gerookt, hadden we elkaar opgebiecht vanmorgen voor schooltijd in de fietsenstalling, toen Frits vertelde dat hij een pakje sigaretten bij zich had. ‘Marlboro,’ had hij erbij gezegd. Alsof dat er toe deed als je voor de eerste keer ging roken.            Rookte mijn moeder tijdens mijn zwangerschap? Dat ze vroeger rookte, wist ik van oude foto’s, waar ze vrolijk op stond met in haar ene hand een sjekkie en in haar andere een fles bier. Ook slecht tijdens de zwangerschap. Zo’n beetje álles was slecht tijdens de zwangerschap. ‘Behalve neuken,’ zei mijn vader iedere verjaardag weer als het ter sprake kwam, ‘want het kind is al in de maak.’ En dan lachte hij zo geil dat ik van schaamte de kamer uitliep.           Ik had moeite er één uit het pakje te krijgen. Frits werd ongeduldig en schudde met zijn hand, juist toen het lukte. De sigaret knakte.           ‘Godverdomme, lul,’ zei hij. Ik haalde ‘m er uit en keek beteuterd naar de twee tabakstompjes. ‘Had dan gezegd dat je zonder filter rookt,’ lachte Stef en trok zonder mankeren een héle sigaret uit het pakje. ‘Geeft niks man, nu is het makkelijker delen, zes elk.’ Stef is een goeie gozer. Alleen met Frits was het bonje geworden, zeker weten. Ik gooide de gebroken sigaret uit het portiek. Het doosje lucifers had Frits van naast het gasfornuis meegenomen. Na vijf of zes mislukte pogingen brandde er eindelijk één en namen wij voorzichtig de eerste trek. Onwennig hield ik de bruine filter stoer tussen duim en middelvinger, zoals Sierksma van Frans hem altijd vast had. Wij aan de vervoegingen van fumer en hij de daad bij het woord voegend aan het open raam achter zijn bureau. Hij leek op Sean Connery toen James Bond nog mocht roken. We hoestten ons door de eerste heen en schoten de filter van de trap. Frits stak meteen zijn tweede op. Waarom weet ik niet precies, maar hij had de sigaretten gelijk allemaal maar uitgedeeld en het lege pakje terug in zijn kontzak gestopt. Stef en ik begonnen gelijktijdig aan onze tweede. Hoewel het geen wedstrijd was, werd het dat wel.             ‘We hebben nog 8 minuten,’ zei ik na mijn derde te hebben uitgedrukt tegen de ruwe bakstenen zijmuur. Ik lag inmiddels op kop.           ‘Jij inhaleert niet,’ zei Frits streng, terwijl de rook uit zijn neusgaten kwam. ‘Zo kan ik het ook.’ Hij keek op mij neer.   ‘Voelen jullie niks?’ zei Stef. Ik keek naar zijn bleke gezicht vol puisten. Zijn haar alsof hij het nooit kamde. Zijn bril -een kindermontuur nog- veel te strak tegen zijn gezicht. Hij zweette, zoals altijd. Daarom droeg hij ook een trui, zomer en winter, dan zag je de natte okselplekken niet zo, wist ik. Zijn windjack had hij tussen de verveloze trapleuning gepropt. Ik zag druppeltjes op zijn neus. Hij ging zitten. Frits stak zijn vierde op. Het portiek stond blauw van de rook. Op de stoep onderaan de trap lagen de peuken, sommige rolden verder, omdat de wind er even vat op had.           Toen gebeurde het. Stef kwakte ineens met zijn kop tegen de muur. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij. Hij hing helemaal scheef. Bij zijn slaap stroomde bloed.           ‘Jezus, Stef!’ riep ik en keek naar Frits. Die rookte stug door. Hoewel hij pas halverwege was, stak hij met de gloeipunt al de volgende aan en gooide de vierde nog brandend naar beneden. ‘We moeten opschieten,’ zei hij, ‘we hebben proefwerk wiskunde.’ En trok verwoed aan zijn vijfde. Het leek of Stef niet meer bestond voor hem. Nadat hij zijn vijfde had weggeschoten, haastte hij zich de portiektrap af. Ook ik gooide mijn vierde van de trap, maar meer om mijn handen vrij te hebben voor Stef die er voor blei bij zat. ‘Stef,’ zei ik en kwam met mijn gezicht vlak voor het zijne. ‘Stef!’ Ik pakte met mijn hand zijn pokdalige wangen en schudde zijn gezicht wild heen en weer. Langzaam opende hij zijn lodderige ogen. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij nogmaals en sloot opnieuw zijn ogen. Ik ging naast hem zitten, sloeg mijn arm om hem heen en probeerde hem zoveel mogelijk rechtop te krijgen. Depte met een vieze tissue voorzichtig het bloedspoor van zijn gezicht. Beneden rolde Frits’ zesde sigaret over de stoep. Nog helemaal gaaf. Ook het verkreukelde pakje had hij uit zijn kontzak gehaald en lag onderaan de portiektrap. ‘Ik breng je naar huis, Stef,’ sprak ik bemoedigend, ‘maak je geen zorgen, man. Stef knikkebolde. Op mijn horloge zag ik dat de kleine pauze inmiddels voorbij was.

Dirk Straaijer
79 1

Venetiaans Blond

GIANLUCA   ‘Voor mij de duif alstublieft,’ zei de man. Gianluca zuchtte en gaf met uitgestreken gezicht zijn standaard antwoord: ‘In principe serveren we dat niet meneer, maar tegen een kleine meerprijs ga ik dadelijk op pad om speciaal voor u een topexemplaar te strikken. Met uw goeddunken zal mijn vader het dier hoogstpersoonlijk slachten en vervolgens met veel zorg en op aloude wijze voor u bereiden.’ De laatste tijd kreeg hij het mopje wel vaker te horen, van een zelfgenoegzame toerist die er zijn vrienden mee wilde entertainen of, zo mogelijk nog erger, indruk wilde maken op zijn date. Maar deze keer klopte dat plaatje niet.    De man kwam van hier, indien niet uit Venetië dan zeker uit Italië - toch was hij op zijn ongemak. Hij zweette zich te pletter. Zijn pak was te strak voor zijn lijf. Zijn handen waren groot en ruw. Gianluca vermoedde dat hij zich beter voelde op pakweg een scheepswerf dan in een restaurant. Hij wilde het liefst onzichtbaar zijn.   Zij daarentegen deed hoofden draaien. Een klassieke schoonheid was ze niet, en ook niet meer piepjong. Gianluca schatte haar begin de veertig, hooguit tien jaar jonger dan de man tegenover haar. Maar ze zoog blikken naar zich toe, en leek dat ook gewoon te zijn. Haar huid was wit, spierwit, haar ogen felgroen. Verder was ze rood – haar jurk, haar schoenen, haar lippen, haar haren. Ze intrigeerde. Wie was ze? En vooral, wat deed ze met hem?     HÉLÈNE   Hij deed zijn best, dat was het niet. Hij maakte zelfs dezelfde grap als toen. Het deed haar hart even opspringen, dat hij dat nog wist. Maar tegelijk was het pijnlijk. Toen deed hij het vol branie; nu bestierf hij het van de zenuwen. Verder hadden elkaar ze niets, maar dan ook niets te vertellen. Toen was hij een boefje, een ‘ladro di biciclette’, hij was vurig, veelbelovend, vol verwachtingen. Hij had haar meegetroond, zij, middelbare schoolmeisje op Italië-reis, haar helpen ontsnappen uit het hotel, haar de stad laten zien zoals hij, die er was opgegroeid ze zag. Die nacht had langer geduurd dan de rest van de reis. Ze gingen contact houden, dat hadden ze gezworen. Dertig jaar later had ze hem teruggevonden. Op Facebook. Hij was oud geworden, dikker, kaler, vader. Maar in zijn ogen had ze dezelfde schittering gezien als toen. Dacht ze. Hij had dadelijk willen afspreken. Nu zag ze in zijn ogen bitter weinig. Hij zei niet veel, als hij iets zei geraakte hij niet uit zijn woorden. Ze vroeg zich af wat hij zijn vrouw had verteld. Tot zover de belofte. Maar anderzijds, ook zij stond doen op de drempel van een leven vol mogelijkheden. Had zij de verwachtingen wel ingelost?     BEPPE   Beppe kwam nog maar zelden uit zijn keuken. Hoewel ze maar enkele honderden meters verwijderd waren van de toeristische trekpleisters van de stad, werd het restaurant tot voor enkele jaren hoofdzakelijk bezocht door Venetianen. Tot het in een hippe reisgids werd aangeprezen als ‘verborgen parel in het hartje van het authentieke Cannaregio’. De toeristen kwamen, maar veel vaste klanten bleven weg. Beppe verdiende goed, maar voelde zich niet langer thuis in zijn eigen zaak. ‘Papa?’ Zijn zoon Gianluca stond achter hem. ‘Probleem. Tafel 6 kan niet betalen. Ze willen afwassen, zeggen ze.’ ‘Toeristen?’ Gianluca knikte.   Beppe beende de keuken uit, recht naar de tafel van zijn weerspannige gasten, zijn hoofd rood en zichtbaar geagiteerd. ‘Mevrouw,’ stak hij van wal, ‘dit is een eenvoudig restaurant, maar dat wil niet zeggen dat wij geen respect verdienen. Wij bereiden met de grootste zorg…’. Zijn stem stokte. Hij keek, recht in die bezwerende, helgroene ogen en zweeg.     ‘U bént hier al geweest,’ zei hij uiteindelijk. ‘Lang geleden, maar ik herinner me u.’ De vrouw knikte. ‘Dat is zo.’ ‘U hebt toen ook de afwas gedaan. U was jong, heel jong nog…’ ‘Zeventien, op reis hier met de school. Ik was uit het hotel ontsnapt met een jongen van hier. Maar we hadden geen geld, helemaal niks.’   Beppe keek even opzij, naar de man. ‘Wilt u daarom opnieuw… Maar waarom?’ De vrouw zuchtte. ‘Waarom kijken mensen graag naar foto’s uit hun kindertijd? Waarom blijven ze hun hele leven luisteren naar muziek uit hun jonge jaren? Waarom zoeken ze contact met uit het oog verloren vrienden?’ Hij knikte. Alle boosheid was uit hem verdwenen. Het leek alsof een soort van weemoed hem overviel. ‘Ik hoop dat u er iets aan heeft…’ De vrouw haalde haar schouders op. ‘Ach, u weet vast ook wel hoe het gaat met zulke dingen. Ja, ik voelde me weer zoals toen, heel even, maar even snel is daar het besef dat het nooit meer terugkomt. Ik had het kunnen weten.’ Beppe zweeg. ‘U mag… als u dat wilt, mag u komen afwassen…’ ‘Laten we dat maar achterwege laten dit keer. Brengt u me gewoon de rekening maar.’ Ze richtte zich tot de man. ‘Je kunt beter gaan nu. Sorry dat ik je hierin heb meegesleept.’   Beppe draaide zich om naar zijn zoon. ‘Gianluca, breng je mevrouw de rekening? En een amaretto. Van het huis.’ Hij keek weer naar de vrouw. Ze had haar ogen neergeslagen, maar hij meende een traan te zien op haar linkerwang. ‘Weet u, mevrouw, het restaurant is best wel veel veranderd sinds u hier laatst was. Als u wilt, kunt u uw amaretto bij ons in de keuken komen drinken. Ik heb achterin nog foto’s liggen van toen.’ Ze keek op en knikte dankbaar.

Lennaert Leo
0 0

De eindejaarsreis - Barcelona

Het witte kleed viel perfect langs haar smalle lichaam. Het satijn voelde heerlijk. De blonde lange krullen waren opgespeld. April moest toegeven, dat het beeld dat ze in de spiegel zag, perfect was. ‘Ben je er klaar voor?’ vroeg haar beste vriend. April knikte zelfverzekerd. Binnen een half uurtje zou ze officieel echtgenoot zijn van de man van haar dromen.   Ze had er eerst over moeten nadenken. Bij nader inzien was het misschien toch niet zo een goed idee geweest. De geur van nagellak bleef in de veel te kleine bus hangen. April hoorde hoe de studenten zeurde over de vreselijke geur. Maar zoals in vele gevallen, kon het haar niet veel schelen. Haar beste vriend, Rob, moest erom lachen. ‘Wie laat er nu nagellak drogen onder de airco van de bus?’. April haalde haar schouder op. ‘Een snelle, makkelijke oplossing. Bovendien’ begon ze haar verdediging. ‘Heb ik iets te doen op deze eindeloos lange rit’. De leerlingen van de Duffelse school waren onderweg naar hun eindejaarsreis, met richting Barcelona. Het gezeur over de nagellak geur begon te minderen. April staarde voor zich uit. Ze kruiste met een blik van hem. Hij keek haar doordringend aan. Enkele seconden en toen draaide hij zich terug naar voren. Eikel, dacht ze bij zichzelf. Louis was één van de populairdere jongens op school. Hij zat in een andere studierichting. April haatte hem. Ze kende hem dan niet persoonlijk, maar de jongen had zo een verschrikkelijke air rond zich. Alsof hij zich echt de meest perfecte jongen van de school vond. Na zestien uren rijden hield de bus halt aan een klein, maar gezellig hotelletje aan de kustlijn. De school organiseerde uitstappen, maar had de laatstejaars ook vrije tijd beloofd. April en Rob besloten met enkele klasgenoten een barretje te bezoeken. De Spaanse barmannen vonden het fantastisch toeristen over de vloer te krijgen in het midden van mei. Buiten de leerlingen was de bar vrij leeg. Hoe meer cocktails de studenten dronken, hoe meer ze de bar overnamen. Enkele stonden achter de bar zelf cocktails te bereiden, anderen stelde een Belgische playlist op en het grootste deel van de bezoekers stonden op tafels te dansen. De volgende morgen was het stil op de bus. De leerlingen reden naar één of ander saai museum. Het museum was misschien niet zo saai geweest als April de afgelopen nacht niet zoveel had gedronken. Toch wel, dacht ze. April en Rob zaten op de stoeprand naast het museum. Vanavond keerde ze terug en het zou nog beter worden. ‘Je ziet er net zo slecht uit als al die andere leerlingen gisteren in de bus’ hoorde April naast zich. O god, Louis zette zich naast haar en stak een sigaret op. April keek hem niet begrijpend aan. ‘Je aanslag op de bus, met de nagellak geur’ verklaarde hij zijn beschuldiging. April negeerde hem. ‘Niets gewoon’ concludeerde Louis. ‘Als je net zoveel als me had gedronken zou je er net zo belabberd uitzien’ wist April. Hij blies de rook uit. ‘Ik zou er na een nachtje uit niet zo uitzien als jij’. April keek op. ‘Dit klinkt als een uitdaging’ zei ze. Diezelfde avond herhaalde Aprils klas de uitstap naar de bar. Na enkele drankjes stond de dansvloer vol. Enkele klasgenoten hadden andere studenten uitgenodigd, dus de barmannen waren nog enthousiaster als gisteren. Ze deelde gratis drankjes uit. April danste met Rob toen ze Louis aan de zijkant zag staan. Hij lachte uitdagend. Laat de weddenschap beginnen, dacht April toen ze naar hem liep. Ze liepen schommelend het hotel binnen. ‘Ik zie je morgen’ wist April enkel uit te brengen. ‘Wacht!’ riep Louis. ‘Ik heb je gsm – nummer nog niet’. April lachte. ‘Dacht je die zomaar te krijgen dan?’ en ze sloot de kamerdeur. De laatste dag in Barcelona zouden ze als afsluiter gaan kijken naar een show van fonteinen. ‘Jij en Louis’ zei Rob. ‘Ach, neem het niet te serieus’ verzekerde April haar beste vriend. ‘Alsof Louis ooit goed in relaties zou zijn’.   Nu stonden ze hier. In een romantische, kleine kerk. Vandaag zou het gebeuren. De muziek begon te spelen. ‘Ik ben zo blij voor je’ zei Rob en hij nam April in zijn armen. De deuren gingen open en April zag hem vooraan aan het altaar staan. Louis, haar Louis. Iedereen stond recht van de houten banken. Veel van hen hadden nooit gedacht dat zij hier zou staan, althans niet met Louis. Tijdens het laatste jaar van het middelbaar hadden velen tussen hen willen komen. Vaak met leugens, vaak met roddels, maar geen enkele poging was gelukt. Ik verdien het om hier te staan, wist April. Louis ogen waren vochtig. Hij bracht de gouden ring rond haar vinger. Zij deed hetzelfde bij hem. ‘Wie had dit ooit gedacht?’ fluisterde Louis. ‘U mag nu de bruid kussen’ . ‘Lang leven Barcelona’ zeiden April en Louis in koor. De relatie die ze hadden gestart in het laatste jaar van het middelbaar, werd bevestigd met een liefdevolle kus. Hun eerste kus, als man en vrouw.

Ana - lena
11 0