Zoeken

Kinderspel

KinderspelHet spel was simpel, iedereen kon het spelen. Je had geen bijzondere vaardigheden of kennis nodig om mee te doen, hoewel het hielp als je iets of wat kon mikken. Er waren verschillende groottes en kleuren, die een rol speelden in de waarde van de exemplaren. Laagst in rang waren de "schieters", hoogst in rang de "boelen". Daartussen bovenden zich allerlei soorten en variaties, waar ik de meeste namen van vergeten ben, al kende ik ze toen heel goed.Ik was zes en met lege handen begonnen. Dit was op zich niet zo uitzonderlijk en al zeker niet problematisch. Alles was georganiseerd als een meritocratie: wat je had, werd bepaald door je prestaties. Opstarten was niet zo heel moeilijk, de meesten waren wel bereid om enkele "schieters" af te staan aan een beginner, en als je hier niet om durfde vragen, kon je altijd de speelplaats afschuimen in de hoop een verloren knikker te vinden.Wanneer je er enkele in je bezit had, was het niet moeilijk je collectie uit te bouwen. Op de speelplaats zaten vele kinderen met de benen gespreid. Tussen hun benen lagen dan enkele knikkers, dit waren de gewaardeerde exemplaren. Als je interesse had in iemands tentoongestelde knikkers, nam je plaats aan de startlijn en rolde je je eigen knikkers naar je doel. Raakte je een knikker, dan kreeg je hem, maar elke knikker die zijn doel niet raakte, was je kwijt. Het was een kwestie van inschatten en overwegen. De afstand tussen doel en startlijn, varieerde. De keuze hoeveel schieters je "wegschoot", lag bij jou. De keuze lag bij jou. Er waren risico's en mogelijkheden. Twijfel en hoop.Als zesjarige die niemand uit de hogere jaren kende, kwam ik in dit spel terecht. Dit eerste was ook geen vereiste, je hoefde namelijk helemaal niemand te kennen om mee te kunnen spelen. Het was een zeer uitdagend spel, elke situatie was anders en naast de hoeveel knikkers die je verwierf, kon je ook proberen gewaardeerde exemplaren in je bezit te krijgen. Langzaam bouw je op, tot je een collectie knikkers hebt, die je overal met je meesleurt. Eerst in je broekzak, dan in een klein tasje, maar op een gegeven moment heb je echt wel dat extra rugzakje nodig om dagelijks mee naar school te sleuren. Boordevol knikkers, één na één raak geschoten.Het is op zo'n moment dat het leven fijn en zorgeloos is. Niets verhindert je om ten volle van het spel te genieten. Tot iets daar verandering in brengt. In mijn geval was dit een ongeluk. De rugzak waar mijn dierbare knikkers in zaten, viel. Pardoes op de grond. Een groot deel van mijn verzameling rolde over de speelplaats. De knikkers waren niet te stoppen, ze gingen alle kanten uit. De tranen sprongen me in de ogen bij deze verschrikkelijke gebeurtenis. Vele guitige kinderhandjes grepen naar mijn dierbare schatten en ik deed hetzelfde. En hoewel de meeste knikkers eerlijk werden terugbezorgd, werden er ook een aantal onherroepelijk van me ontvreemd. Een patrouillerende leerkracht probeerde nog orde op zaken te stellen, maar gedane zaken maakten geen keer. Wat verloren was, bleef verloren.Het ergste is dat je het wéét. Je weet wat je kwijt bent en erger nog: je wordt je bewust van het feit dat je wéér en méér kunt verliezen. Het zorgeloze verdwijnt voorgoed. Het plezier van het spel gaat verloren. Alles is plots een oorlog waarin je enkel kunt verliezen. Een oorlog waaraan je niet eens aan hoeft deel te nemen. En zo borg ik voorgoed mijn resterende knikkers op in een kast op mijn slaapkamer en speelde nooit meer.Het daaropvolgende jaar draaide alles om die fantastische wezentjes die je in het wild kon vangen en voor je laten vechten. Je borg ze op in een rond balletje en trainde ze. Gelukkig waren zij niet echt en hoefde je geen ronde balletjes, maar kaartjes waarop zij afgebeeld stonden bij te houden. Die kaarten pasten heel gemakkelijk in een kinderhand en rolden gelukkig niet alle kanten uit wanneer je stapel uit je handen glipte. En zo kreeg ik op een dag enkele kaarten cadeau en trad ik in kinderlijke onschuld toe tot de wondere wereld der pokémontrainers/-verzamelaars, niet beseffend hoe onethisch het hele pokémongebeuren was. Stiekem lette ik toch wel erg goed op mijn steeds verder groeiende stapel kaarten, met de verloren gegane knikkers in het achterhoofd.Net zoals de andere leerlingen, ging ik helemaal op in de hype. We kenden alle namen en ruilden er lustig op los. We wisten hoe we "vervalsingen" moesten herkennen en legden met trots onze collecties aan elkaar voor. De blinkende en de kaarten met een hoog HP pronken bovenaan, daar waren we trots op, maar iedereen stak ook die nutteloze energykaarten in zijn stapel, zodat deze nóg groter leek. En hoeveel en welke kaarten je bezat maakte natuurlijk geen verschil in de binnen de klasmuren, maar op de speelplaats telde het écht wel. Voor ons was het geen spel, het was wie wij waren en hoe wij leefden. Dit was géén kinderspel, dit was menens! 

Fuaran
5 0

De Panda's

Wij waren altijd drie handen op één buik geweest. Mabel, Noa en ik. Wij hadden altijd samen gehoord, al vanaf het moment dat wij elkaar ontmoetten. Misschien zelfs al vóór dat moment, het zou me niet verwonderd hebben als onze vriendschap voorbestemd was. Ondanks onze verschillen, waren wij altijd een onscheidbare eenheid geweest. Mabel: lief, rustig en eerlijk. Noa: extravert en grappig, altijd haantje de voorste en energiek. En ik, eerder verlegen. Drie totaal verschillende meisjes, allen die eerste schooldag opgedaagd in dezelfde trui met daarop een panda afgebeeld. Die dag werden wij het pandatrio, de pandameiden, of simpelweg "de panda's". En dat waren we altijd gebleven. Als mensen echt bij elkaar horen, is er niets dat hen kan scheiden. Dat hebben wij altijd geweten. Ik herinnerde me nog hoe juf Annabel ons na Mabels ongeluk even apart riep. "Ik vind het zo erg. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn.", had ze ons al snikkend toegesproken. Ze had ons één voor één aangekeken met een gezicht waarop het medelijden te lezen stond, alvorens ze met haar handen voor haar gezicht het klaslokaal was uitgevlucht. We hadden er nadien hartelijk om gelachen, want voor ons was er niets veranderd. Ongeluk of niet. Alles was gewoon bij het oude gebleven. Het kon Mabel niet schelen en ons al zeker niet. De eerste maanden wilde iedereen er steeds met ons over spreken, tot vervelens toe. De eerste dagen, weken zelfs, stonden we dan met z'n drietjes wat verlegen te knikken, ons gewicht van het ene been naar het andere verschuivend uit ongemak of zenuwachtig met onze vingers wriemelend. Na een maand vonden we het wel welletjes. Het was Mabel die met het idee kwam om een spectaculaire niesaanval te faken toen Stefaans moeder voor de zoveelste keer op rij ons kwam vervelen met een gesprek over "het fameuze ongeluk". Mevrouw Edith, Stefaans moeder, negeerde de niesaanval, alsof het er niet vingerdik bovenop lag dat Mabel niet écht niesde. Noa en ik daarentegen, konden ons helemaal niet serieus houden. We moesten zo hard lachen dat onze buiken pijn deden en Stafaans moeder stampvoetend van woede wegstormde. Daarna wisselden we elkaar af: telkens wanneer iemand zich geroepen voelde om met ons te praten over Mabels ongeluk, bedacht één van ons iets om de anderen aan het lachen te brengen. Het werd ons niet in dank afgenomen, maar uiteindelijk kregen we wel wat we wilden: iedereen liet ons met rust. Mabels ongeluk was doorheen de jaren steeds meer naar de achtergrond verdwenen, zodat het leek alsof het nooit gebeurd was. Na verloop van tijd voelde niemand nog de aandrang om er met ons over te spreken. We zwegen en vergaten. Misschien wel omdat we de hele tijd plezier maakten. Er was altijd wel iets om te doen. Boomhutten bouwen, zwemmen, door de velden rennen, op avontuur trekken, samen winkelen of naar de cinema gaan... we verveelden ons nooit. En alles deden we met ons drieën. Niets haalde ons uit elkaar. Niet Mabels ongeluk of Noa's openbeenbreuk, waarna ze wekenlang in een rolstoel moest doorbrengen. Of de zomervakantie die ik bij mijn tante in Oostenrijk door moest brengen. Tot Bastiaan op het toneel verscheen. Hij was het soort jongen dat niet onopgemerkt voorbij gaat. Hij was knap, sportief, twee jaar ouder én verliefd op Noa. Natuurlijk begreep ik ook toen al dat een jongen als hij zich niet zomaar laat afwijzen, maar ik had niet verwacht dat hij zo belangrijk zou worden in Noa's leven. Mabel, Noa en ik waren de eerste dag in de middelbare school samen in een hoekje op de speelplaats gaan zitten onder een reusachtige wilg. Ik had me voorgesteld dat het altijd zo zou zijn. Wij, de Panda's, samen vanuit de schaduw glurend naar de andere tieners die luid door elkaar liepen of balsporten speelden. Maar zo geschiedde het niet, alvast niet als het van Bastiaan afhing. En zo gebeurde het dat Mabel en ik daar steeds vaker met z'n tweetjes zaten, kijkend naar de rest van de speelplaats, en vooral naar Noa en Bastiaan, die zich als een onscheidbare eenheid over de speelplaats bewogen. Natuurlijk zaten we wel samen in de klas. Daar kon Bastiaan gelukkig niet tussenkomen. Maar het was niet meer hetzelfde als vroeger. De Panda's, zoals ze eens geweest waren, waren geen vaste waarde meer. Het was op een vrijdag tijdens de namiddagspeeltijd dat Noa eindelijk nog eens naar ons toekwam. Zonder Bastiaan, wat me verwonderde. Het was al lente, maar nog steeds heel koud. Mabel en ik hadden dikke jassen aan en zaten tegen elkaar, zodat onze armen elkaar raakten, om zo warm mogelijk te blijven. Noa droeg enkel een hippe sweater en bleef voor ons staan, ze leek niet de neiging te voelen om naast ons te komen zitten, zoals we als kind altijd gedaan hadden. Toen hadden we er soms zelfs om geruzied wie in het midden mocht zitten en zo het warmst kon blijven. Het ging als een steek door mijn hart dat zij bleef staan. Noa, die met haar hippe sweater uit een tv-commercial ontsnapt leek te zijn, terwijl wij er uitzagen als eskimo's in onze ruime, vormloze jassen. "Hoi", begroette ze ons, alsof het een doodnormale zaak was dat zij ons kwam opzoeken tijdens de speeltijd. Mabel en ik wisselden een veelzeggende blik. "Zaterdagavond gaan we met wat vrienden naar De Paparazzi, dat is dat nieuwe café op de markt. Elena, Jeroen, Michiel, Thomas, Saskia, Bastiaan en ik. Als je zin hebt mag je ook komen..." "Mabel mag van haar moeder niet naar cafés, dat weet je best." Ik moest niet overleggen met Mabel om te antwoorden. Haar moeder had er een hekel aan dat haar kleding naar sigarettenrook stonk. Ze had haar altijd verboden om op café te gaan, dus hadden Noa en ik dat ook nooit gedaan. Toen we nog de drie Panda's waren dan toch, Bastiaan en zijn vrienden gingen regelmatig op café, ook net na school. En waar Bastiaan was, was Noa. "Mabel...?" Ik dacht eerst dat Noa de vraag nu rechtstreeks aan Mabel stelde, maar toen haar blik onbegrijpelijk op mij bleef rusten, kreeg ik een argwanend gevoel in mijn borst. Alsof iets niet klopte, al kon ik er de vinger niet meteen op leggen wat het was. "Mabel is dood, al vijf jaar, dat weet je, Lotte." Noa's grote, groene ogen lieten me niet los. Ze leken me zoveel te willen vertellen, maar ik luisterde niet naar hun onuitgesproken woorden. Het enige wat ik kon was naar Mabel kijken. Mijn mooie, lieve Mabel, die op haar vaste plekje onder de wilg naar de grond zat te staren met ogen gevuld met tranen. "Zeg dat niet, zeg dat niet!", schreeuw ik Noa toe, boos om het verdriet dat ze Mabel deed. Noa keek me nog enkele seconden betekenisvol aan, knikte toen berustend en liep zonder nog een woord te zeggen van ons weg. Troostend sloeg ik mijn armen om Mabel heen.    *** Het voelde onnatuurlijk om alleen door de gangen van de school te lopen. Ik miste Mabel aan mijn zijde, maar zij had me ook verzekerd dat dit de enige oplossing was. We hadden er een hele week samen over gebrainstormd. Er waren geen andere mogelijkheden. Ik moest dit doen en ik moest het alleen doen, daar was Mabel het mee eens. Het kostte me geen moeite om Noa te vinden. Zij was waar ze altijd was, bij de populaire groep. Ze leunde nonchalant tegen een locker en lachte om een grap die één van de anderen gemaakt moest hebben. Terwijl ze lachte, gooide ze haar haren wild in haar nek, waardoor ze net een filmster leek. Gehypnotiseerd door deze vertoning vergat ik bijna waarop ik hierheen was gekomen. Bijna. "Noa?", zei ik luid terwijl ik naar de groep toeliep, hun gesprek onderbrekend. Vele ogen keken me verbijsterd aan, maar voor mij bestond enkel Noa, die me met licht geopende mond verbaasd aanstaarde. "Hoi," antwoordde ze me. Haar stem klonk verveeld, maar haar ogen keken me nieuwsgierig aan. "Gaan jullie ook deze week weer naar dat café? De Papa-dinges?" "De Paparazzi," verbeterde ze me. "Ja, dat." "Uhm....ja," zei ze ongemakkelijk. "Goed, dan ga ik deze week met jullie mee. Heb je zin om die dag na school nog even iets bij me te eten?" Mijn vraag leek haar wat van haar stuk te brengen. Ze knipperde nerveus met haar ogen en er ontstond een kleine frons tussen haar wenkbrauwen. Miss populair viel even van haar troon door de verwijzing naar een vroegere traditie. Als kind aten we elke zaterdagavond bij mij thuis. Eerst koekjes die mijn moeder bakte, maar nadien bereidde ik zelf kleine maaltijden voor hen. Eieren, pannenkoeken, cakes, maar nadien ook hele maaltijden. "Oké," zei ze. Eén kort woord, waarin zoveel emoties doorklonken. Nostalgie, verdriet, maar ook opluchting, vond ik. Zonder verdere afspraken te maken, draaide ik me om en ging terug naar waar ik hoorde: bij Mabel onder de wilg. "Zie je nu wel, het lukt vast," Noa ze. "We kunnen vriendinnen blijven én met nieuwe mensen omgaan. Je vindt mijn vrienden vast leuk." Ik kauwde zwijgzaam op een stukje wortel. Terwijl ze wat eten bijnam, liet ik mijn blik even richting Mabel glijden. Die had het gehele etentje nog geen woord gezegd en keek me afwachtend aan. "Ik ga even het dessert halen," zei ik, terwijl ik in de keuken verdween. "Hmmmmmm! Chocomouse, mijn favoriet! Dat je dat onthouden hebt!" Noa's ogen keken me groot en vol verwachting aan. "Ja, hoe kon ik dat vergeten. Ik wilde iets speciaals voor je maken, vandaag is tenslotte een bijzondere dag." "Absoluut," bevestigde ze, met haar mond vol dessert. "Je vindt hen vast leuk, dat moet haast wel! Je hoeft helemaal niet meer op je eentje onder die stomme wilg te zitten, Lotte. Nooit meer! En dan is er nog iets, één van de jongens toonde een bijzondere interesse in je, hij is best schattig, ik stel je straks aan hem voor..." Maar wie die schattige jongen die mij leuk vond was, kwam ik nooit te weten, want Noa greep naar haar borst. Haar gezicht vertrok van pijn. Geschrokken keek ik naar Mabel. "Het duurt vast niet lang," stelde ze me gerust. En ze kreeg gelijk. Het duurde amper vijf minuten voor Noa's lichaam levenloos op de grond lag. Op haar lippen prijkte nog wat van het fatale goedje waar ze zo dol op was. Een speciaal gerecht voor een bijzondere gelegenheid, bedacht ik me. Mabel en ik wisselden geen woorden uit. Het was de enige oplossing, daar waren we het over eens geweest. En eigenlijk heb ik het altijd geweten, dat niets ooit tussen ons zou kunnen komen. Wij waren de Panda's, beste vrienden vanaf onze allereerste ontmoeting, en zo zal het altijd zijn. Al snel zag Noa in dat Bastiaan helemaal niet zoveel van haar hield als ze gedacht had, na de chocomouseavond negeerde hij haar volkomen. Het was alsof ze voor hem helemaal niet meer bestond. Hij kwam ook niet veel meer naar school na die avond, hij was vast van school veranderd of verhuisd. Het deed me plezier dat na haar relatie met Bastiaan alles weer was zoals vanouds, het was alsof hij nooit tussen ons gekomen was. Noa wisselde zelfs haar trendy kleding voor de gemakkelijke varianten die ze vroeger droeg. En daar zaten we dan weer met z'n drieën onder onze wilg, aan de rand van de speelplaats, in onze vormloze jassen. Noa, Mabel en ik. Drie vriendinnen voor altijd. Ik warmpjes in het midden.   

Fuaran
0 0

Een Mislukte Astronaut

Al wrijvend in mijn ogen en met een welgemeende geeuw, groette ik de zon die ons met een fijne, warme straal welkom heette. Na anderhalf uur meerijden in een krakkemikkige wagen die elk moment riep om een pauze, stonk naar de verbrande diesel, maar toch de eindbestemming moest halen, kwam ik wakker op de plaats waar m'n leven voorgoed zou veranderen, althans mijn visie op het leven. Ik opende de passagiersdeur en snoof meteen de frisse, zuivere zeelucht door mijn neus. Mijn vriend staarde me aan, nam me in zijn armen en fluisterde zacht en glimlachend in mijn oor: “Goeie morgen schat, goed geslapen?” Meer dan een slaperige en verwarde ochtendblik kon ik hem op dat moment niet bieden, maar ik sloeg mijn armen om zijn nek. “Vandaag zal het gebeuren”, zei hij. “Briefing!”, riep de verantwoordelijke van die dag. Alsof mijn wekker met een plof op mijn hoofd viel, was ik meteen klaarwakker. We snelden ons naar de desbetreffende plaats en sloten ons aan bij een groep van acht. Allemaal oude rotten in het vak. De een al wat beter dan de ander, de een al wat frisser dan de ander. De verantwoordelijke gaf een uitzonderlijke preek over veiligheid, regels, buddy's, vriendschap, natuur, maar mijn gedachten konden zich niet geheel richten op zijn uitgesproken woorden. Zijn slotzin kwam echter wel goed aan: “Binnen een tiental minuten wil ik iedereen aan de waterkant zien, want binnen een uurtje wordt relatief sterke stroming verwacht.” “Ook dat nog”, mompelde ik tussen mijn tanden. Alsof ik nog niet genoeg zenuwen had. Er kwam precies toch meer bij kijken dan ik aanvankelijk in mijn ideale droomwereld had kunnen voorstellen. Rustig nam ik mijn pak uit een zorgvuldig uitkozen, kwaliteitsvolle doos, want ik wilde al mijn materiaal van meet af aan goed verzorgen. De frisse zeelucht veranderde al snel naar een geur van opgewarmd rubber. Ik monteerde mijn fles nauwkeurig en volledig volgens de regels van het boekje, want je wilt toch net niet dat daar iets fout mee loopt. Mijn kleren hingen al aan een zelf ontworpen kapstok, gemonteerd aan de openstaande autokoffer. Ik duwde met volle perskracht mijn benen door het nogal spannende zeven millimeter dikke duikpak, gevolgd door mijn armen en nek. Daarboven kwam nogmaals een zeven millimeter dik pak, duikschoenen, handschoenen, een kap, een lamp, en uiteraard niet te vergeten, een loodgordel van om en bij tien kilogram. Als een mislukte astronaut probeerde ik alsnog mijn duikfles op mijn rug te krijgen. Ik stak al waggelend de straat over waarna ik de priemende blik van de vijfentwintig trappen voelde steken in mijn buik. Daar, daar moest ik over en dan was ik bij de zee. Met zo'n dertig kilo extra aan mijn lijf begon ik de klimtocht te trotseren. Hijgend en zwetend kwam ik aan bij het water. Ik keek voorzichtig rond me en zag al snel dat ik niet als enige wat vreemd en ongemakkelijk de waterkant bereikte. Enkele passen verder voelde ik een hand op mijn schouder. De andere hand trachtte mijn duikfles te ondersteunen waardoor het een pak lichter aanvoelde. Ik stapte het water voorzichtig in en tot mijn grote verbazing voelde dat zelfs niet koud aan, integendeel, het was een gevoel dat alle verwachtingen van de betekenis van het woord 'vrijheid' kon overtreffen. De man, die zo vriendelijk was om mij in het water te helpen en mijn volle gewicht te ondersteunen met zijn brede armen, keek me voorzichtig aan en stelde mij helemaal op mijn gemak. Ook mijn vriend zou me niet in de steek laten, hij stond vier meter verder ook wat te waggelen en ongemakkelijk te wezen, maar zijn ogen weken niet weg. “Ben je er klaar voor?”, vroeg de man. Ik knikte. We zakten stilaan weg in het water, hard bijtend op het mondstuk, met hersenen die volledig weigerden om ook maar één hap lucht te nemen, vechtend tegen mijn reflexen tot ik het niet meer hield. In één ruk nam ik, net zoals een pasgeboren baby, zo'n grote hap lucht dat ik er duizelig van werd. En herboren voelde ik mij helemaal. Stil, heel erg stil, geen vervelende vragen, geen nieuwe verbale info, geen telefoons die zo snel als mogelijk beantwoord dienden te worden. Zelfs mijn eigen stem verdween helemaal. De luchtbellen zochten stilaan een weg naar boven en streelden mijn wangen bij het vaarwel zeggen. Een vis kwam parmantig voor mij uit zwemmen. Haar blik vertelde meer dan duizend woorden of tekens. Het leek alsof ze me kwam vragen wat mijn bedoelingen waren. Een dier, dat ik anders koop op de vismarkt, zomaar in de oven stop en met volle smaak mijn maag in pomp om daarna languit en helemaal verzadigd en voldaan de zetel in te ploffen, vond het nodig om nu mijn richting uit te komen en mij er op te wijzen dat ik in haar habitat vertoefde, dat ik het met geen vinger mocht aanraken. En toch, toch tolereerde dat beestje mij. Het kwam in haar geheel niet mijn richting uitzwemmen met de intentie om mij op te eten of mij in een oven te stoppen. Het had er nochtans alle recht toe, want... wat deed ik daar ook al weer? Een kreeft zag hoe ik met mijn golvende bewegingen het ritme van de zee kwam verstoren en hoe mijn lamp in alle richtingen bleef schijnen, zoekend naar leven, zoekend naar een ongekende wereld waar wij van profiteren, een wereld waarin wij niet thuishoren. Hij viel me niet aan, maar kroop bang weg, zo snel als hij kon, angstig en onzeker door de nabijheid van een mens... Een mens dat in zijn ogen beschouwd wordt als een gevaarlijk beest. Een kleine krab had echter wel door hoe zwak wij zijn indien wij buiten onze eigen habitat treden en schrikt er, geheel terecht, niet voor terug om zijn scharen los te laten op een van onze tien vingers. Meerdere malen kreeg ik een waarschuwende blik mijn richting uitgespuwd die ik zomaar, alsof ik was een klein, verzwakt wezen, respecteerde. De manometer vertelde mij na geruime tijd dat mijn lucht uitgeput raakte. Volledig vertrouwend op technologie liet ik mezelf en mijn leven wederom aan wal leiden. Na het horen van de behaalde diepte, kreeg ik prompt geen adem meer. Nochtans hield ik mijn hoofd boven water en was mijn leven niet meer afhankelijk van een rubberen mondstuk. Op twintig meter diepte kreeg ik de eer om kennis te maken met ongekende en ongeziene fauna en flora, die stilaan aan het verdwijnen is als gevolg van ons leven boven het wateroppervlak. Ik, als fervent prater, want als ik in de buurt ben dan hoor je mij altijd, was ineens stil geworden. Ik leerde iets nieuws kennen. Iets dat nochtans al veel langer bestaat dan wijzelf. Alle moeite om in het water te geraken, het dragen van extra kilo's, het sleuren van de duikfles, had allemaal geen belang meer. Elke bestaande moeilijkheid werd nihil, stress en nervositeit leken sinds die dag zo onbenullig als de Mont-Blanc groot lijkt. Zolang de bewoners van het schijnbaar oneindige deel van de wereld, dat overigens door de mensheid niet gezien of benoemd wordt als werelddeel, mij er alsnog toelaten, blijft het water mijn nieuwe thuis, zonder huurgeld, maar wel met het bieden van eerbied en respect.

J. Depoorter
7 1

de roze schoentjes

In de folder had ik ze al zien staan, de roze schoentjes voor 4,99 euro. Eigenlijk was ik die reclame al vergeten maar toen ik de vrouw en haar drie zeurende meisjes zag staan wist ik het weer. De roze schoentjes met glitters, de droom van elk meisje jonger dan zes. Ze zeurden, dat kon je aan de reactie van de moeder zien. Zeuren is zeuren zelfs in een taal die ik niet  thuis kon brengen. De moeder nam een paar maar zette ze steeds terug. De twijfel tussen de schoentjes of het brood. Het oudste meisje liep op plastic slippers, te koud voor februari, maar ze had geleerd flink te zijn. Ik knikte naar de mevrouw maar ze keek weg. " Wegens een vakbondsactie zal morgen de winkel uitzonderlijk gesloten zijn!"  klonk het uit de intercom. " ’t es wreed" hoorde ik iemand zeggen " wa da die politiekers nu allemaal mee ons van plan zijn." " where you from?" vroeg ik aan de roze schoentjes-mevrouw. Ze zweeg, deed net of ze me niet gehoord had. " Allepo, Syria" flapte het jongste meisje eruit. Ze kreeg een duw. De moeder stapte kortdaat naar de kassa   Ik legde schoentjes van elke roze-maat  in mijn karretje en een brood en melk en zeep en waarom ook niet een groot stuk chocolade. Ik rekende af en stak alles in de grote draagtas " da’s wel 15 cent extra madam!" Ze liep op het parkeerterrein, de kinderen stil naast haar. Ik gaf haar de tas en voor zij iets kon zeggen draaide ik me om en stapte weg. De bloesems in Aleppo wachten al te lang op de lente. (c) anne cockaerts

anne cockaerts
4 0

Een minuut stilte voor zij die zoekend sterven

Hij krijgt geen kieuwen, zal allerlei bewegingen maken die hem dieper naar dat eindeloze gat trekken tot de pracht van een straaltje zon door het wateroppervlak meer heeft van een slepende terminale ziekte. Hij zou tinnitus verkiezen boven de rust en stilte die hem overgiet hij zou zijn longen willen volzuigen, eventueel met teer. Een keer goed inademen, zijn jawoord geven aan zuurstof. Een doosje “Echte zeelucht’ zou hij koesteren zoals dat hoort (in een glazen buffetkast). Hij zou willen branden in de zon en de vuurrode brandvlekken er graag bijnemen. Maar de oppervlakte en de gezegende die hem geduwd heeft lijken verder weg dan ooit wanneer hij beseft dat nadenken over wat hij wilt het zinken niet stopt. Hij is geen held en wil er geen zijn. Hij voelde zich veilig op de saaie vaste grond en weet dat ‘ergens willen komen’ de vervelendste, slopende wil is die er bestaat. Hij is een antiheld die in zijn droog vuistje lacht wanneer hij mensen ziet zoeken naar iets en wanneer ze het gevonden hebben op zoek gaan naar iets nieuws tot ze zoekend sterven. Zo heeft hij beslist dat hij al ergens is. “Anders kom je nergens” weergalmde vanaf het droge zuurstof-bevattende oppervlak waar de duwer stond. Wat was die bodem lelijk. Terwijl hij voelt hoe onbevredigend het is om je longen dorstig met water op te blazen kerft hij met zijn plots-heel-erg-oude rimpelige vingers het zand vol met waarheid voor alle leeghoofdige drenkelingen die ook geloofden dat je geboorte er nog niet voor zorgt dat je ergens bent." De enige manier om te leren zwemmen is in het water springen "… maar niet iedereen wil ook een vis zijn. 

Lot
0 0

Beet

De vrouw naast me op het terras draagt een mooie, felblauwe blouse. Het is de eerste dag van de lente, en meer nog dan andere jaren lijkt het de eerste dag van een nieuw leven. Ik wandelde net van Westkapelle naar Domburg. Zes kilometer zon, strand en een frisse wind rond het hoofd. De buitenbocht van Westkapelle naar Domburg is nog bezaaid met golfbrekers, uitkijkposten, en veel asfalt. Een Nissan Note staat er op de rand van de zee geparkeerd. De oude man aan het stuur heeft zijn raampje naar beneden gedraaid en geniet verbeten van de zon. Naast hem, in de schaduw en de kou, zit een oude vrouw stuurs voor zich uit te kijken. Doet ze het portier open, dan valt ze in het water. Ze houdt zich krampachtig vast aan de handtas op haar schoot. De krant die ik deze morgen nog las wist haarfijn uit te leggen waarom de belofte van die eerste lentedag ons zo dierbaar is, en verzekert me dat het weer overgaat. Straks, wanneer het echt warm wordt, zullen we verlangen naar de schaduwen binnenshuis, en de koelte van onze lakens. Het is lastig om zoveel goed geformuleerde domheid te verdragen. Het blauw van de lucht is zacht, lijkt helemaal niet op het harde, diepe blauw van de blouse. De zon speelt met de kleur, en wanneer de vrouw vergenoegd haar rug tegen de leuning schurkt, zie ik het. Net boven haar linkerborst heeft iemand een afdruk van zijn tanden achtergelaten. Er staat een kinderwagen naast haar, en telkens de baby beweegt in zijn slaap, duwt ze even met haar knie. Ze houdt haar ogen dicht, en terwijl ook ik wegdoezel vraag ik me af of ze daarmee haar ogen wil beschermen, of dat ze net haar oogleden, die delicate en verder compleet verwaarloosde stukjes huid, het plezier van de zon gunt. Dat de krant daar niks over schrijft. Wanneer de dienster de dagvis op de tafel zet, schrik ik wakker. Ik schenk mijn glas witte wijn bij uit het karafje, en terwijl ik eet, kijk ik naar de niet aflatende stroom auto's, moto's en voetgangers. De opgewonden kinderstemmen, het geraas van motorrijders die met hun gashandel spelen, de gesprekken op het terras, ik duw ze allemaal samen tot een compacte, betekenisloze geluidsbrij. Dat is nodig om me op de vis te concentreren. Excuseer. Ze moet het herhalen, voor het tot me doordringt. Excuseer. Stoort het u als ik hem borstvoeding geef? Nog ver weg in mijn gepeins kijk ik haar vol onbegrip aan. Sommigen vinden dat niet prettig. Nee, natuurlijk niet, zeg ik. Waarom zou dat me storen? Ze gebruikt gelukkig de linkerborst, met het jongetje als buffer tussen ons in. Terwijl die eet, trappelt hij een beetje met zijn voetjes. Af en toe raakt hij mijn arm, en dan schudt ze de jongen weer op zijn plek, en glimlacht verontschuldigend naar mij. Hoe heet hij, vraag ik wanneer ze klaar zijn. Olivier, zegt ze, en ze spreekt het op zijn Nederlands uit, met een harde vier op het eind. Voldaan, en veilig op haar schoot, begint hij rond te kijken. Ik trek zijn aandacht, en hij speelt even met mijn hand. Het is een boefje, zegt ze, en even later het wordt een hele kerel. Ze lijkt uit te kijken naar de uitdaging om hem op het rechte pad te houden. De beet op de blouse speelt door mijn hoofd. Deze twee, moeder en zoon, zijn zo compleet samen dat ik me nauwelijks kan voorstellen dat er nog een andere is, een volwassen man, die haar plaagt en uitdaagt, zijn lippen en tong laat spelen in haar mond, afdaalt naar haar borst, liefkozend door de blouse heen in de gezwollen tepel bijt, en dan een druppeltje melk weg likt. De afstand tussen waar zij is en een Nissan Note aan de rand van de zee is onoverbrugbaar. Ik schud de kwestie van me af. Het is de eerste dag van de lente, die ene dag dat verleden en toekomst niet hoeven te bestaan. Ze legt Olivier terug in zijn wieg, en rekent af. Mij schenkt ze een stralende glimlach. Het wordt al een beetje fris, en ik moet nog terug naar Westkapelle. Ik stap flink door over het duinpad. Het is nu vloed. De wijn eist zijn tol, en ik dwaal even af naar het verlaten strand. Ik laat mijn blaas leeglopen in de zee, en zet het daarna op een zacht, bijna verontschuldigend lopen. De zon staat al laag. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

STOCKHOLM

Stockholm. De lucht als glanzend grijs plastic, met sneeuw die niet wil vallen en een meeuw die eindeloos dezelfde cirkels trekt. Aan de overkant van de straat staan bomen, de takken geven traag mee, schrapen in slow motion iets uit de wind. Af en toe sluit ik mijn ogen en stel ik me de naderende voetstappen voor, de klik van de klink, de vreemde opluchting dat het eindelijk allemaal voorbij is. Een week in deze kamer. Koud en stil. Iedere dag is gelijk aan de vorige. Ik ben een geest op een donkere planeet zonder naam. Dat denk ik. Ik zeg het luidop. In de schaduw van alles wat er gebeurd is, voel ik nu wat er altijd geweest is. Een dreiging. Een kwaad. Het heeft Kambar vermoord. Het zal ook mij vermoorden. Ik zie Kambar heen en weer lopen in mijn keuken. Zijn geloof in de goede afloop gaf hem een schijn van onkwetsbaarheid. Hij sprak snel, schudde zijn hoofd als ik iets wou zeggen, veegde mijn argumenten van tafel voor ik ze kon uitspreken. De aard der dingen, zei hij, Rerum Natura, fucking Lucretius of hoe heette die dichter. Na al die jaren sprak hij zoals een Amerikaan, was zijn accent nog nauwelijks hoorbaar. Hij had aan algoritmen gewerkt op Wall Street. Hij was er om de tijd te herprogrammeren, zoals hij dat noemde. Algo Trading, High-Frequency Trading, steeds grotere volumes van transacties in steeds kleinere tijdseenheden, fracties van tijd die het menselijk begrip te boven gaan. Hij was een überprofiel; briljant, radicaal, potentieel gevaarlijk. Het was geen verrassing dat EPX Chemical hem benaderde. Je hebt de diepere aard van iets ontdekt, zei hij. Hij wou me tot actie dwingen door trots bij me op te wekken, door me eraan te herinneren waarom ik een biochemicus was. De aard der dingen. De rampzalige en onvoorziene diepere aard van iets. EPX Chemical. Het overtuigde me dat ik een wereldveranderende doorbraak kon realiseren. En er was het geld. Ik ging mee in Kambars plan. Misschien omdat ik dacht dat ik zo kon terugkeren naar mijn idealen, misschien omdat ik genoot van het vooruitzicht een soort held te zijn. En nu zit ik in een kamer in een voorstad van Stockholm. Een matras op de grond. Een stoel en een tafel. Geen water. Geen elektriciteit. In dit deel van Stockholm staan alleen appartementsgebouwen, sommige zijn wit en lichtblauw, andere wit en rood. Ze zien er allemaal hetzelfde uit. Als ik tussen de blokken wandel en aan Kambar denk, zie ik zijn gezicht, donker en zonder rimpels. Hij kijkt me verontschuldigend aan met zijn grote zwarte ogen. Alsof het alleen zijn schuld is dat ik in in deze verlopen wijk van Stockholm loop. Wat konden we anders doen? Daar denk ik vaak aan. Het houdt me ’s nachts wakker. We konden er niet mee naar de media gaan. EPX Chemical is meedogenloos, zei Kambar. We hadden het eerder gezien. Een moraliteitsonderzoek met leugens en halve waarheden in elk nieuwsbericht op de tv en op de voorpagina van elke krant, onze verdoemde koppen op het scherm van elke smartphone en elke computer en EPX Chemicals verdraaide versie van de werkelijkheid opgedrongen aan een onwetend en naïef publiek. Door naar de media te gaan gaven we EPX Chemical de kennis die het nodig had om zich van zijn schuld te zuiveren als de catastrofe zich begon te voltrekken. De regulerende organen van de overheid? De raad van bestuur van EPX Chemical? Vertakkingen. Onduidelijke structuren. Carrières als zigzag tracés. Consultants en executives verdwenen en doken onmiddellijk bij de andere kant weer op. Functies werden van het ene op het andere moment doorgestreept en vervangen. Een goocheltruc met deuren en mensen. Een voortdurende dans van manipulatie, geleid door EPX Chemical. De vijand, zei Kambar plots. Hij was bloedserieus. We kenden mensen bij de vijand. Bij zijn regulerende instanties. AES-256, zei Kambar. Verschillende lagen van encryptie met statistisch onafhankelijke sleutels voor elke laag. Een sterk cryptosysteem is een van weinige dingen die je niet met brute kracht kan vernietigen, zei hij. Anonimiteit. Een nieuwe identiteit misschien. Achteraf gezien was het gestoord. Het begint te schemeren. Het licht van een lantaarnpaal op de straat stroomt door het venster naar binnen. Een nieuwe koude nacht in Stockholm en ik vraag me af, wat zit nog hoger op de ladder? Wat controleert het organisme dat hele economieën in zijn macht heeft, dat als een parasiet zijn gastheer zombificeert? De obsessie om de aard der dingen ter vernieuwen en markten te herscheppen, alles met een genadeloze efficiëntie. Een kluwen van motieven, bedrijfseconomische, wetenschappelijke, geostrategische. De afwezigheid van een bredere context, een helder perspectief. Ik zit gevangen in alle dingen die komen bovendrijven en in herinneringen waarvan de betekenis is uitgewist. Ik zoek antwoorden waar ze niet meer zijn, misschien wel nooit geweest zijn. Gefragmenteerde beelden, echo’s van gesprekken vullen mijn hoofd. Losse einden. Alles is verdwenen of ergens in verstrikt geraakt, verborgen in een kapot neuraal netwerk. Kambars contactpersoon hapte toe. We brachten de informatie beetje bij beetje. We gaven een puzzle met ontbrekende submiscroscopische stukken. De vijand had honger naar meer. We maakten afspraken over wat er met de informatie moest gebeuren. Cruciale details. We kregen wat we vroegen. Nu. Hier in deze kamer. Ik hoor een geluid. Het klinkt als een tl-buis. Het is niet de lantaarnpaal op de straat. Ik speur met mijn oor tegen de muur. Ik hoor een auto en een vrachtwagen in de straat. Ik hoor de gesmolten sneeuw opspatten. De vrachtwagen maakt een dieper geluid dan de auto. Wat wil ik nog? Afleiding misschien. Een manier om de tijd te doden. Ik ga met mijn vingers over een barst in het pleisterwerk op de muren. Ik begin dingen te zien in de barst, voortekenen; een dalende koers in een grafiek, de bliksem op een waarschuwingsbord voor hoogspanning. We ontmoetten Kambars contactpersoon in een restaurant in Praag. Ik weet nu zeker dat we er niet alleen waren, dat we afgeluisterd werden. Mensen van EPX Chemical? Van zijn concurrenten? Agenten van de overheid? Dubbelagenten van de vijand? Doet het er toe aan welke kant ze stonden? De man die op een kruk een krant las, de ober die ons bediende, nog een paar anderen misschien, geen goeden en geen slechten, geen patriotten en ook geen verraders, maar geesten van een nieuwe dageraad, van een onzichtbare hegemonie. Alles was rond. Klaar. Het was overweldigend. Twee dagen later zouden we naar de hoofstad van de vijand vliegen, van de aardbol verdwijnen. Op de terugweg naar het hotel haalde ik geld uit de muur. Te veel geld. Het leek een vergissing toen. We moesten dit doen, zei Kambar in mijn hotelkamer. Dat zei hij een paar keer. Zijn grote zwarte ogen hadden de overtuigingskracht van een explosie. We moesten dit doen. Ik was stil. Mijn hersenen waren dof door de spanning, vermoeidheid, angst. Ik stond zwijgend voor de balkondeuren en keek naar een eindeloze schuimige wolk die, als een laag gegolfd polystyreen, geruisloos boven Praag hing. Dat ogenblik in die hotelkamer is dichterbij dan ik nu denk. De tijd is vertraagd. Een dag glijdt voorbij als een stroperige substantie die alles absorbeert en mij met deze kamer versmelt; er is alleen nog het aftellen. Denken is moeilijk. Het geluid dat als een tl-buis klinkt, gaat niet weg. Het grijpt me bij de keel. Luider nu. Het komt uit de muren. Er is hier iets is in deze kamer. Iets wat me besluipt. De lucht is vervuld van een gif. Wat voor gif? Ik zit op mijn knieën. Ik moet kotsen. Ik kokhals. Er komt niets uit uit mijn keel. De laatste keer dat ik Kambar heb gezien, was bij het ontbijt de volgende dag. We dronken koffie. Ik wou alleen zijn. Ik zette me recht. Ik ben om 12 uur terug, zei ik. Kambar at een croissant, dronk van zijn koffie, knikte. Twee uur later zouden ze hem op het bed van zijn hotelkamer vinden, met overgesneden polsen. Ik wandelde langs de Moldau. Mijn aandacht voor het verkeer en de mensen was mechanisch. Ik dacht aan slangen. Die kruipen uit hun oude huid en laten die achter, in één stuk. Wat er in Praag van mij achterbleef was versplinterd, kon niet teruggevonden worden. Ik nam een taxi naar het hotel. Ze hadden me op de een of andere manier gemist. Hadden ze mijn telefoon getraceerd? Die lag nog op het bed in mijn kamer. Zodra ik de ambulance en politiewagen zag, zei ik de taxichauffeur dat ik me vergist had, dat dit niet het hotel was waar ik verbleef. Hij zette me af bij ander een hotel. Ik wist wat er gebeurd was. Ik zocht een bevestiging. Die vond ik in een internetcafé: Four Seasons, Sebevražedný. Ik vroeg iemand wat het betekende. Ik nam de eerste bus. Ik wist niet waarheen. In Pilsen gaf ik 500 euro aan een Roemeense trucker. Stockholm. Het is te laat. Ik weet zeker dat het te laat is. Ik zit bijna door mijn geld. Ik probeer niet meer weg te kruipen uit deze kamer. Ik ben te moe om te gaan lopen. Waarheen zou ik gaan? Ik wacht. Wanneer ze me vinden, zal ik alleen maar opluchting voelen. Daarna, misschien de volgende dag al, zullen de Zweden me op een brancard uit deze kamer dragen.

JAN DE JONGHE
3 0

De Wachtkamer

Een kleine ruimte. Acht stoelen. Twee maal vier naast elkaar. Tussen de twee rijen in een tafel met tijdschriften die hun houdbaarheidsdatum al lang overschreden zijn. Ik op één van die stoelen. Naast mij een man die dwangmatig aan zijn neus wrijft waarna hij telkens de plooien van zijn broek glad strijkt. Tegenover mij een vrouw die alle kanten opkijkt behalve de mijne. Haar been trilt. Twee medisch secretaressen, in een bokaal, hermetisch van de wachtzaal afgesloten alsof onze lucht besmettelijk is. Ik hoor mezelf denken, hier hoor ik niet thuis. 63 jaar oud. Getrouwd. Sinds de kinderen het huis uit zijn niet gelukkig. Om half tien heb ik een afspraak met dokter Jansens. De beste uit de stad volgens mijn vrouw. 60 jaar oud. Het is door haar dat ik hier zit. Ik moet mijn problemen aanpakken. Zo kan het niet meer verder voor haar. De man die naast mij zit wordt naar binnen geroepen door de dokter. Haast onmerkbaar knikt hij naar mij. Partners in crime. Uitgescheten door de maatschappij. Het is twintig na negen. Binnen tien minuten is het mijn beurt, maar binnen tien minuten zal ik niet binnenstappen. Zo gaat het altijd. De uitstappen naar Bredene konden niet meer, nu twee jaar geleden. Niet dat Nadine haar schaamt voor haar hangborsten. Een naaktstrand is tenslotte een plaats waar je uitsluitend gepensioneerden ziet zonnen. De jeugd is er te preuts voor geworden. Twee jaar geleden gingen we voor het laatst. Uit het niets verhardde mijn penis. De maat was vol. De naaktstranden die we vroeger frequent opzochten, werden verboden terrein. In de jaren zestig kon ze er zelf van genieten. We waren jong, onbevangen en vooral vrijgevochten. Op de tonen van Joe Cocker rookten we joints. We vreeën in de duinen. Hadden lak aan alle maatschappelijke regels, tot Nona geboren werd. De handboeien van eerder spanden opnieuw strak om onze polsen. Toen de kinderen het huis uit waren, gingen we opnieuw naar naakstranden. Nadine stond er niet meteen voor te springen, maar ze had ook ooit de vrijheid gevoeld. Ze begreep me. Nu ben ik de gek die geil wordt van naakt rond te lopen. Het is pervers. Een parafilie. Nadine heeft het allemaal op het internet gelezen. De officiële term: exhibitionisme. Die eer deel ik met pedofielen, fetisjisten, masochisten en sadisten. Dat ik het ontken is logisch. In een eerste fase ontkent iedereen dat hij psychisch ziek is. De fases ken ik reeds allemaal uit mijn hoofd. De printer kan de aanvoer van informatie niet meer aan. Het ding is amper een jaar oud en mag al bijna op pensioen gaan voor bewezen diensten. Iedere avond doorploegt ze het internet op zoek naar behandelingen. We moeten ons huwelijk redden, maar wat valt er eigenlijk te redden? De neuswrijver komt naar buiten. De vrouw wordt naar binnen geroepen via de intercom. Hierna is het mijn beurt. 10u30. Het nut van een afspraak maken is al lang voorbijgestreefd. De seconden tikken trager dan wenselijk is voorbij. De secretaressen kijken niet om naar mij. De wachtkamer lijkt wel het zwarte gat van de maatschappij. De uitverstotenen die iedereen het liefst negeert. Straks moet ik de psychiater te woord staan. Ik heb me voorgenomen eerlijk te zijn. Dat dit een verplicht nummertje is om van het gezaag van mijn vrouw vanaf te zijn. Meer heb ik hem niet te vertellen. Dat ik graag puur rondloop is geen staatsgeheim. Er is ook niets mis mee. Het is toch niet mijn schuld dat mensen op straat schrikken als ik naakt door het raam sta te turen. We zijn toch allen uit dezelfde materie vervaardigd? Waarom moeten we alles zo nodig verbergen? Kleren zijn niet meer dan een masker voor ons werkelijke zelf. Ik heb op zijn minst de moed om mezelf zelf te tonen ontdaan van alle ballast. De vrouw komt na een kwartier buiten. Een routineuze afspraak om haar voorschriften op te halen? Mijn voornaam, geen achternaam, wordt geroepen. Ik sta op. Leg het uit elkaar vallende magazine, dat doelloos op mijn knieën lag, terug op tafel. Ik schud zijn hand. Nu weet ik het zeker. Ik ga hem niets zeggen. Enkel vragen stellen. Hoe moet ik in godsnaam omgaan met mijn vrouw? Met haar imaginaire problemen. Zij is ziek. Niet ik. Niet ik.

Thomas Jacques
5 0

De zin van waanzin

Als ik niet op exact het juiste moment gekeken had, zou ik niet eens geweten hebben dat hij er nog was. Daar stonden we dan, ik ademloos kijkend naar hem, terwijl hij me zelfzeker doch betrapt aanstaart. Slechts één ogenblik duurde onze ontmoeting. Daarna was het moment alweer voorbij. Verbijsterd staar ik naar het raam, in wiens weerspiegeling zijn aanwezigheid even geleden nog onthuld werd.Ik draai me om, razendsnel, maar zie enkel wat ik verwachtte te zien: ik ben alleen. En zo gaat het elke keer. Eén kort moment van onthulling, waarna ik soms maandenlang geen teken van hem zie. Soms denk ik dat hij voorgoed weg is, dat hij eindelijk rust gevonden heeft. Tot hij me weer het tegendeel bewijst, natuurlijk. Want rust vindt hij niet.In mijn borstkas gaat mijn hart als een razende tekeer. Ik leg mijn hand erop, om het te sussen. Sssssssst..sssssst....sssssst. Mijn ritmisch sussen stemt mij rustig, maar mijn hart laat zich niet voor de gek houden. Of beter nog: zijn hart laat zich niet voor de gek houden. Het is vreemd hoe het hart dat al meer dan een jaar in mijn borstkas huist, nog steeds vreemd aanvoelt. Alsof mijn mankerende hart, wiens slagen van bij mijn geboorte geteld waren, beter bij mij hoorde dan deze perfect functionerende vervanger.Ik denk wel eens dat ik dit nieuwe hart tekort doe. Dat het te fel voor me is, te levenslustig. Ik ben niet avontuurlijk genoeg, te braaf misschien. Ik zou kunnen zeggen dat dat zo is omdat ik mijn hele leven geleefd heb als een kasplantje, bang dat de kleinste opwinding het einde van mijn fragiele hart betekenen zou, maar dat zou een leugen zijn. De waarheid is: ik had me al neergelegd bij mijn noodlot. Ik had mijn einde reeds aanvaard. De kans dat er een functionerend hart voor mij zou zijn, een hart dat door mijn lichaam geaccepteerd zou worden... daar had ik nooit op gerekend. Ik had er niet eens van durven dromen. Mijn hoop op een lang leven had ik al begraven.Wanneer ik een hand voel op mijn schouder, weet ik dat hij voor mij is gekomen. Deze keer draai ik me niet om. Ik weet dat daar niets dan leegte op mij wacht."Ik ben in de kamer hiernaast, kom maar wanneer je er klaar voor bent." Hij fluistert de woorden in mijn oor. Daarna voel ik hoe de hand van mijn schouder verdwijnt. "Neem je tijd," voegt hij geruststellend toe, maar die heb ik niet nodig, ik heb al zoveel meer tijd gehad dan verwacht. Tijd om na te denken. Ik ben er klaar voor.Vastbesloten ga ik naar de slaapkamer. In een oogopslag neem ik de ruimte in me op. Op de grond ligt een eenvoudige matras zonder bedframe. De muren zijn kaal en leeg. In een hoek staat een aantal onuitgepakte kartonnen dozen. In tegenstelling tot mijn nieuwe hart, past deze kamer uitstekend bij mij. Ze sluit aan bij de manier waarop ik in het leven sta. Ik ben slechts een voorbijganger, niet in staat me te vestigen, ik blijf hier niet.In het midden van de kamer ligt hij. Hij is mooi op een onopvallende manier, realiseer ik me. Het soort mooi dat je niet in tijdschriften of in films ziet. Zijn bleke gezicht heeft iets vriendelijks, een ondefinieerbare trek waardoor je hem wel sympathiek moet vinden. Zelfs nu zijn lichaam volledig ontspannen neerligt, verhult zijn kleding de vorm van zijn spieren niet. Aangedaan door het serene beeld van de onbeweeglijke jongeman, kniel ik naast hem neer. Zelfzeker plaats ik mijn in elkaar geslagen handen op zijn borstbeen. Met korte stoten pomp ik het bloed door zijn lichaam. Dertig keer op rij. Ik voel geen angst om mijn lichaam te overbelasten, want het is zijn gezonde hart dat in mij huist. Ik maak zijn luchtweg vrij door zijn hoofd te liften, knijp zijn neus dicht en plaats mijn lippen op de zijne. Zijn lippen voelen koud en slap aan. Bijna verwijder ik mijn mond van de zijne, maar dan herneem ik me. Twee keer laat ik verse lucht in zijn longen stromen. Daarna verlaten mijn lippen de zijne. Wanneer ik mijn handen weer op zijn borstbeen plaats om de hartmassage te hervatten, proest hij het uit. Zijn heldergroene ogen openen zich en staren me verbijsterd aan. Onder de palm van mijn hand pompt nu zijn herleefde hart weer bloed door zijn lichaam. Mijn ademhaling stokt. Mijn eigen zwakke hart protesteert hevig tegen de net uitgevoerde inspanning. Het duizelt me. Ik heb een jaar de tijd gehad om na te denken, spreek ik mezelf moed in. Ik ben er klaar voor.Met mijn laatste kracht verplaats ik mijn handen van zijn borst naar zijn keel. Zijn ogen sperren zich wagenwijd open wanneer ik mijn volledige gewicht gebruik om zijn luchtweg toe te knijpen. Zijn armen grijpen wanhopig om zich heen, maar slagen er niet in mijn handen van zijn keel te verwijderen. Net zoals bij de hartmassage tel ik tot dertig. Opnieuw en opnieuw, tot zijn lichaam al lang geen verzet meer biedt. Zijn ogen staren me angstig aan, maar zijn hart bonkt energiek en levenslustig in mijn borstkas. Ik sta op en adem drie keer diep in en uit. Mijn lichaam giert nog na door de adrenaline van de inspanning. Mijn hart gaat als een razende tekeer en ik volg het. Voor het eerst zijn wij werkelijk één. Ik stap naar de stapel kartonnen dozen en haal het eerste voorwerp eruit. Zonder veel aandacht te besteden aan de afbeelding op het doek, hang ik het schilderij aan de muur. Ik neem een aantal stappen achteruit om het te bestuderen. Wanneer ik weer naar de kartonnen dozen toeloop om het volgende voorwerp uit te pakken, zie ik dat het lichaam van de jongeman verdwenen is. Ik weet dat hij niet terug zal keren. Ik voel het aan het krachtige hart dat in mijn borstkas slaat. Het hart dat nu eindelijk echt van mij is. Ik ben er klaar voor. Ik leef. 

Fuaran
0 0

De verdachte spaarpot is plagiaat!

Stiekem hebben de eeneiige tweelingzussen Emma en Ruth een speciale spaarpot aan de muur hangen op zolder. De spaarpot ziet er hetzelfde uit als het kunstwerk van Aglaia Conrad dat aan het provinciehuis hangt in Leuven.  Stiekem hebben zij dat nagemaakt, omdat niemand dat zou herkennen als een spaarpot en denken dat het een geliefd kunstwerk van hun is dat ze hebben nagemaakt, omdat het originele onbetaalbaar is.  Een slot heeft de spaarpot ook maar zij houden die altijd verborgen.  Niemand mag weten dat zij sparen om een fotografieopleiding te volgen en zeker hun grootouders Arthur en Angèle niet, waar zij van kleins af bij wonen.  Zij zitten nog in hun oude tijd en willen absoluut dat vrouwen aan de haard blijven of als verpleegster en/ of kinderoppas werken. Wat vinden zij een opleiding nutteloos, maar de tweeling niet!  Om aan de kost te komen gaan zij tegen hun goesting het beroep van verpleegster beoefenen.  Veel verdient het niet, want zij doen al enkele jaren veel moeite om te sparen.  Die soort job verdien je weinig, ondanks dat het lastig is.  Ook moet de tweeling een stuk van het geld afstaan aan hun grootouders voor huur en voedsel, en er is weinig over voor vrije tijd.  Op dit moment zijn Angèle’s en Arthurs gezondheid snel achteruit aan het gaan en daarom moeten zij naar het ziekenhuis.  Waarschijnlijk zullen zij daar sterven.  Dus maakt de tweeling een plan om naar Hasselt te gaan verhuizen voor een opleiding van fotografie te volgen.  Zij denken aan een deeltijdse opleiding aan de academie voor fotografie, want genoeg geld voor die richting aan de hogeschool te studeren hebben ze niet.  Dan maar een deeltijdse, en er zijn tenminste geen voorselecties om toegelaten te worden als student.  Nu dat de grootouders in het hospitaal liggen, verhuist de tweeling stiekem naar Hasselt.  De laatste dag voordat ze officieel in Hasselt trekken, steelt een dief rond middernacht de speciale spaarpot.  Eigenlijk is hij op zoek naar waardevolle spullen en trekt hij dat namaakkunstwerk aan en daarom besluit hij dat om mee te nemen, maar hij weet niet dat er geld in zit.  Zonder dat de tweeling het weet, is hij verzot op het kunstwerk van Aglaia Conrad en wil hij het zelf hebben.  Eigenlijk denkt hij dat het namaakversie het echte is, want de tweeling heeft het nagemaakt door een foto van dat kunstwerk op internet te zien.  Zoals gewoonlijk draagt de dief een bivakmuts en zwarte kleren.  Ook heeft hij een revolver mee.  Vooraleer Emma de spaarpot tegen haar zin afgeeft aan de bandiet, drukt hij met de revolver tegen Ruth.  Hij is van plan om haar dood te schieten.  Gelukkig gebeurt dat toch niet.  En verwittigt zij vlug de politie.  Ondertussen onderzoekt de dief nog heel de zolder.  Hij vindt nog gsm’s en de laptop van de tweeling.  Die neemt hij ook mee en steekt hij op zijn gevoel in zijn rugzak.  Op het moment dat hij alles inpakt, is het licht uit.  Ook doet hij dat voorzichtig in stilte.  Terwijl Ruth de misdaad uitlegt aan de telefoon, probeert Emma de dief weg te jagen.  Zij probeert dat door het geweer uit zijn arm te rukken.  En dat is gelukt.  Om de dief te laten verschieten, schiet zij zelf in de muur en ondertussen staat de dief achter haar.  Emma schiet zelf niet op de dief, omdat ze weet dat het moord is en daarvoor gestraft kunt voor worden.  Ook is dat voor zelfverdediging.  Hij verschiet zich een bult en springt door het venster naar buiten.  Ondertussen zijn er twee politieagenten aangekomen.  Op tijd hebben zij de dief kunnen opvangen met hun handen en heeft hij zijn val overleefd.  Snel lopen kan hij niet meer en is het voor de politie gemakkelijk om hem handboeien te doen en met hem naar de gevangenis te gaan, maar eigenlijk gaat hij vooraleer hij naar de gevangenis gaat, eerst naar de kliniek voor een grondig onderzoek.  Natuurlijk moet de tweeling mee naar het politiebureau voor hun angstwekkend verhaal te vertellen.  Zelfs de buit van de dief is mee voor onderzoek.  Op het bureau verteld de dief één maand na zijn herstelling zijn avontuurlijk en vreemd verhaal, maar natuurlijk in zijn versie en eigen woorden.  Eén maand daarvoor heeft de tweeling dat ook gedaan.  Het is verwonderlijk dat de dief nog leeft en zo vlug is hersteld.  Normaal lig je daarvoor enkele maanden als een plant te leven en alles opnieuw vanaf nul leren zoals een baby.  Maar uiteindelijk worden zowel de dief als de tweeling gearresteerd.  Natuurlijk is de reden voor de dief de diefstal, maar de tweeling is beschuldigd op het namaken van Aglaia’s kunstwerk.  Daarvan is het gevolg dat de tweeling schulden moet betalen aan Aglaia.  Het bedrag voor de schadevergoeding is 100 000 euro, maar het ergste is wel dat zij daarvoor heel hun spaarboekje van op de bank volledig leeg moeten maken, want er staat daar 100 000 euro op.  Ondanks dat de tweeling tegen zijn zin betaalt, doen zij het toch!  Anders krijgen zij dan straf levenslang in de gevangenis.  Gelukkig is er geen sprake van de doodstraf!  In België mag dat niet uitgevoerd worden, omdat het onmenselijk is!  In de staat Texas, V.S. is dat nog vanzelfsprekend!  Nadat de tweeling betaald heeft, krijgen zij vijf jaar gevangenisstraf.  De dief krijgt maar amper drie jaar.  Dat vindt de tweeling niet eerlijk!  Als gedacht in hun hoofd hebben zij een verwachting dat zoiets bij vrouwen normaal is, omdat zij zich moeten gehoorzamen en agressief gedrag minder vanzelfsprekend is dan voor mannen.  Dus worden vrouwen volgens hen strenger gestraft!  Als de dief ontslagen is uit de kliniek, begint het onderzoek definitief.  Meteen na de diefstal wordt ontdekt dat de spaarpot pure namaak is, maar verder is er geen onderzoek.  Dat gebeurt pas als de dief vanaf de eerste werkdag in de gevangenis zit.  De politie weet dat omdat het echte kunstwerk nog steeds aan het provinciehuis van Leuven hangt.  Ten tweede valt er geen spoortje schade te bespeuren.  Daarom besluit men na het onderzoek van de spaarpot hem te vernietigen in duizenden kleine stukjes en dat gebeurt met een machine, want zo blijft er niets van over.  Trouwens is dat ook een goede reden om het verleden uit te wissen  Voor dat het vernietigt wordt, ontdekken de onderzoekers geld in de spaarpot, omdat zij er per ongeluk daaraan is geschud.  Dus breken zij de spaarpot open en vinden zij het geld.  Omdat zij het unieke verhaal van buiten tot in de details kennen, kunnen zij direct de eigenaar identificeren.  Men weet gewoon dat het de tweelingzusjes Emma en Ruth zijn.  Uiteindelijk krijgen de tweeling toch hun som centen terug.  Het wordt eerlijk verdeeld, want Emma en Ruth hebben beiden de helft van hun bedrag teruggekregen.  Hun geld wordt op elk zijn spaarrekening gestort.  Door goed gedrag in de gevangenis komt de tweeling vrij.  Alleen de pers merkt daar iets van, omdat hun grootouders ondertussen zijn gestorven na ziekte van enkele maanden waardoor zij verbleven in het ziekenhuis.  Daar weet de tweeling niets van, want post krijgen in de gevangenis mocht niet.  De papierversnipperaar op het secretariaat van de gevangenis vernietigt ontvangen brieven voor gevangenen direct.  Dus is er weinig vrijheid, want je mag buiten geen post ontvangen, amper 2 uur per dag buiten en soms zelf bij slecht weer, werken voor een hongerloon, …  Ondertussen pleegde de dief zelfmoord na één jaar in de gevangenis te zitten.  Hij werd er zo depressief en agressief van de kleine ruimte in zijn cel en de vrijheid en burgerrechten die men zo heeft afgepakt.  De tweeling had dat gevoel ook, maar toch vochten ze door tot de vrijheid in de buitenwereld waar alles mag!  Ze zijn trots dat ze het gehaald en overleefd hebben.  Als de tweeling terug worden vrijgelaten, ontvangt uitsluitend de pers hun aankomst.  Trouwens zijn de grootouders van de tweeling een half jaar na de feiten van hen aan een ziekte overleden, en verder hebben ze geen familie en vrienden waarmee ze close zijn.  Dat nieuws halen alle voorpagina’s van de kranten in Vlaanderen.  Ook bij de diefstal was dat zo.  Dat bericht maken mensen blij.  Dus biedt de gemeente waar de tweeling voor de feiten woonden, aan hen een sociale woning.  Zij nemen die aanbieding meteen aan, want veel keuze is er niet en ten tweede is het spotgoedkoop.  Met een inkomensvervanging van het OCMW moeten ze ermee leven en dat is 500 euro per maand.  Dat is niet veel en dus kunnen zij nog altijd hun fotografieopleiding niet betalen.  Daarom besluiten de buren hun volledig te sponsoren en maken zij hun droom waar.  Zij zijn ermee gelukkig en ook blijken ze talent te hebben, want bij hun allereerste fotowedstrijd winnen zij de eerste prijs.  Voor de rest hebben zij genoeg om mee te leven en voelen zij zich verder goed.  Maar een betaalde job vinden, blijft een probleem, omdat zij gevangen zijn geweest en dat hebben werknemers niet graag.  Om hun tijd toch maar zinvol in te vullen doen zij vrijwilligerswerk voor ex-gevangenen te helpen, want die wereld kennen zij grondig.  Voor de rest gaat het gewone leven van de tweeling voort en zetten zij zich in voor de ex-gevangenen waardoor zij meer in de schijnwerpers staan.  Door hun inzet worden zij beloond door de gemeente en daardoor voelen zij zich steeds beter en beter, terwijl hun leven gewoon verder blijft doorlopen tot de dood.               

Amina
4 0

Opgesloten!

De tweeling Pablo en Angelo zijn elk 1,20m lang op het moment dat zij volwassen zijn.  Daardoor ondervinden zij dagelijks problemen die voor de gewone man vanzelfsprekend zijn zoals bijvoorbeeld hoge winkelrekken.  Op een warme zomeravond gaan zij met de trein naar Hasselt voor een grote fuif op het Kolonel Dusartplein.  Daarvoor hebben zij zich opgedirkt in een jeansbroek, een wit hemd met lange mouwen en geklede zwarte schoenen.  Hun moeder heeft die speciaal voor deze gelegenheid gemaakt.  Daar zijn zij dankbaar voor, want bij de kindermaten vinden zij niets wat hun aanstaat.  Bij aankomst in Hasselt tellen zij nog vlug hun geld of dat zij voldoende hebben voor een plezierige avond.  Beiden hebben amper 15 euro op zak.  Dus naar de bank reppen.  Ook al is het 8 uur ’s avonds en zijn ze dan gesloten.  Pech, he!  Dan moeten zij naar het loket met uitsluitend machines. Zij gaan daar binnen door kaart te laten checken door een verborgen chip achter de deur.  Probleemloos raken zij binnen.  Angelo merkt dat de automaten verdomd hoog staan.  Hij vloekt op een luide toon: ”Verdomme! Hoe moeten wij dat oplossen.”  Ook vraagt Pablo dat zich ernstig af.  Volgens hem moet je wachten tot dat iemand komt met een normale lengte.  Dat idee houdt hij ongemerkt één uur aan.  Tijdens die tijd is er een discussie ontstaan voor een oplossing door middel van kibbelen.  Na een tijd wordt het te veel voor Pablo.  Hij wil naar de politie telefoneren met de GSM.  Hij begint eraan, maar ondertussen heeft Angelo een ongeloofwaardig idee.  Pablo zet zijn toestel vliegensvlug uit en luistert aandachtig naar Angelo.  “Is het goed dat wij om beurten op elkaar rug klimmen.  Zo kunnen wij tenminste aan de knoppen, want samen maken wij ons langer.”  Pablo vertelt op een enthousiaste manier aan hem dat hij het wil uitproberen.  Angelo start ermee door op zijn knieën te zitten.  Op zijn schouders duwt Pablo zichzelf op.  Het lukt, maar Angelo doet meteen een poging om recht te komen.  Ondertussen zucht hij van de zware proef.  Als hij volledig recht staat, blijkt de lengte te veel.  Dan maar bukken.  Plof!  Hij valt en is buiten adem!  Tijd voor rust! Angelo valt in slaap.  Pablo kijkt naar buiten.  Hij ziet mensen op de gratis bus instappen naar de fuif, want een groot deel is extravagant gekleed.  Rokken die alleen de billen bedekken, T-shirts met blote buik voor zowel mannen als vrouwen.  Als hij dat beeld ziet, doet het pijn.  In plaats van te feesten is hij opgesloten. Niemand van de voorbijgangers bekommert hem en Angelo.  Er is trouwens in die tijd ook niemand in de bank geweest.  Hij mijmert ondertussen waarom niemand hem komt helpen.  Daarbij begint hij ook te huilen.  Pablo’s huilbij is nog niet over.  In gedacht wil hij kloppen en tieren op de ramen.  Toch helpt die mogelijkheid er volgens hem niet, want de sterke en grote deur isoleert het geluid. Hij besluit zonder medeweten van Angelo om een methode voor hulp, want steeds slaapt hij nog.  Voor het raam klopt hij met zijn handen, stampt daarbij op de grond met zijn voeten.  Ook schreeuwt hij met zijn mond. Ondertussen wordt Angelo bruut wakker.  “Wat ben je aan het doen, Pablo?” vraagt hij op een mompelende manier aan hem.  “Ik moet methoden vinden om hulp te vinden, maar mijn lawaai helpt blijkbaar niet.  Tegenover daarstraks loeit de muziek in heel de stad.”  Angelo kijkt ondertussen naar zijn horloge.  “Is het al half 11?”verschiet hij zich als een bult. Angelo stemt daarmee in en is ermee akkoord.  Ze proberen iets nieuws.  Op het moment voelt hij zich onzeker voor een goed resultaat van de proef.  Pablo zit in kruipstand zoals een baby.  Om te beginnen met die proef, doet Angelo zijn schoenen uit.  Dat is om Pablo geen pijn te bezorgen, als hij op zijn rug staat.  Ten tweede voelt dat wat zachter aan.  Hij gaat er voorzichtig opstaan.  Dit met de steun door de rand van de automaat te vastgrijpen. Zo creëert hij een goed evenwicht.  Hij geeft ondertussen dat evenwichtsoefening zijn beste kant niet is.  Het resultaat blijkt dat hij er gemakkelijk aan kan.  In zijn broekzak zit zijn portefeuille en op het gevoel zoekt hij met één hand zijn bankkaart.  Dat verloopt vlot.  Ook met één hand bedient hij de automaat.  De andere hand blijft hij steeds aanhouden op de muur, want goed in evenwichtsoefeningen is hij niet.  Maar uiteindelijk lukt het onverwachts toch.  “Opdracht volbracht!” roept hij op een trotse, vrolijke toon.  Het lijkt al precies zingend.  En een proficiat voor hem komt enthousiast terug van Pablo.  Daarna wordt de proef op het omgekeerde manier gedaan.  Pablo probeert dezelfde methode als Angelo.  Ook met succes. Dan volgt het verlaten van het gebouw.  “Geen gemakkelijke klus!” denkt Pablo.  Dat denkt Angelo ook, want via een reportage over mensen van dwerggroei, heeft hij eens een vrouw gezien die ook eens opgesloten zat in de bank, omdat de sensor van de deur haar niet zag.  Zonder iets te zeggen, voelen zij elkaar de spanning aan.  Beiden bibberen hevig van de angst.  Zijn wij eindelijk verlost of moeten wij wachten op iemand?  De deur heeft een lange, stalen klink aan de zijkant.  Daaraan houden Angelo en Pablo hun handen vast en trekken gedurende enkele minuten eraan.  Maar de deur gaat niet open!  “Het zou aan de sensor liggen van de deur.”zegt Angelo.  En Pablo vraagt aan hem wat dat wil zeggen.  Angelo legt op een schoolachtige manier uit aan hem dat de computergestuurd machine is die leest dat mensen het gebouw verlaten.  Op die manier gaat de deur normaal automatisch open.  Voor Pablo is zijn uitleg duidelijk.  Ook begrijpt hij dat. Het is al middernacht en nog steeds niemand binnengekomen.  Waarschijnlijk moeten zij die fuif maar vergeten, want hij duurt tot 3u ’s nachts.  Aan hun lot denken zij al aan.  Tijdens het wachten op hulp rollen bij beide personen hun tranen.  Daarbij geven zij hun hand aan elkaar vast voor troost en teken op hoop.  Ondertussen rusten hun hoofden op de knieën en kijken toch naar buiten.  Om halféén komt een stadswachter toevallig in de bank, want hij heeft de tweeling gezien.  Hij is een grote man met een zwarte broek en een paarse jas aan. Vriendelijk begroet hij de tweeling en bevrijdt hij eindelijk.  Even zijn Pablo en Angelo spraakloos en bedanken hem vriendelijk.  Ook vertellen zij hun verhaal en hij heeft er begrip voor.  Als beloning daarvan, gaan zij samen reizen met de pendelbus naar de fuif.  Ook geeft hij aan hen de tip om alleen tijdens de openingsuren naar de bank te gaan, omdat de kans op hulp groot is. Meteen vindt de tweeling dat een goede tip die zij blijven onthouden en in het vervolg op die manier ook daadwerkelijk gaan uitvoeren.  Aan de stadswachter beloven zij dat en geven aan elkaar een stevige handdruk bij het afscheid.      

Amina
7 0

Foute verliefdheid is toch maar fake

Ik hoor gefluit in de verte.  Ik draai me om. Voor me zit een jongen te staren.  Ook ik staar er naar.  “Wat heeft hij met me te zoeken?” denk ik.  Hij draagt een jeansbroek met brede pijpen, een zwarte leren jas, zwarte schoenen en een zwarte muts met witte strepen.  Hij vraagt aan me wat mijn naam is.  Ik antwoord op een vriendelijke manier aan hem: “Chiara.” Hij verwondert zich, omdat hij het een  hele mooie naam vindt. “Dat past bij zo’n mooi en lief meisje met lang blond haar.”denkt hij.  Ook de lange bruine rok met de rode jas die zij draagt, staat haar beeldig. “Ik heet Amadeo.” stelt hij zich spontaan voor aan haar.  Hij neemt haar hand vast en trekt haar naar zich toe.  In haar oor fluistert hij dat ze een oogje op haar heeft.  Ik geloof hem toch niet echt.  Je kunt toch niet plotseling verliefd worden op iemand die je niet kent.  Ik heb het vroeger al eens vaak meegemaakt dat gewone jongens met me een babbeltje willen slaan. Ze lijken op het eerste moment leuk.  Dan nemen de jongens plots vast en doen ze ongewenste intimiteiten met me.  Ook zij beloven van alles aan en uiteindelijk komt er niets van terecht.  Zoals allerlei cadeaus kopen, telefoneren naar me, …  Het zijn gewoon macho’s.  Zij zijn enkel uit op de seks. En onmiddellijk! Niet op liefde!  Ik wens die dingen absoluut niet.  Er kunnen daarvan erge dingen ontstaan zoals geslachtsziekten en ongewenste zwangerschap, maar waar ik nog altijd het meest voor bang ben, is afgewezen worden.  Ik weet niet waarom jongens me vaak uitpikken om zomaar iets met me te beginnen.  Is het mijn uitstraling?  Sinds dat me die dingen vaak zijn voorgevallen, laat ik altijd mijn schaarse, sexy kledij van uit mijn tienertijd thuis.  Zelfs kleed ik me iets ouder dan mijn leeftijdgenoten. Om tenminste niet als een jong onschuldig meisje behandeld te worden. Amadeo heeft zijn hand laten glijden tot mijn billen.  Hij wrijft er zeer zachtjes aan.  Ik merk het zelf niet eens op. Ondertussen pakt Amedeo met zijn andere hand een briket en een sigaret uit zijn broekzak.  Hij steekt zijn sigaret in zijn mond en laat het branden.  “Wil je een vuurtje.”  Ik knik: “Ja.”  Ik ben nieuwsgierig naar de smaak.  Hij laat de sigaret in haar mond stoppen en neemt daarbij een trekje.  De smaak is vies.  Zij spuugt de sigaret en valt meteen op de grond.  Meteen kucht zij vaak enkele keren.  “Gaat het?”  Ik antwoord van wel.  Amadeo’s hand zit nog altijd bij Chiara’s billen.  Nu glijdt die hand naar haar kittelaar.  Ik voel een opwelling van warmte.  “Zou dat een leuke zijn of niet?”  Ik twijfel.  Even laat ik hem doen tot dat hij me een poging wil wagen om te tongzoenen.  Ik trek met mijn hand zijn hand uit mijn rok.  “Zeg, wat is dat?! Moet je me niet meer hebben?!”  Ik vertel aan hem dat ik van hem hou, maar dat ik dringend de bus moet nemen om naar een vergadering te gaan.  “Tot ziens!  Mag ik nog even je telefoonnummer hebben?”  Hij haalt zijn GSM uit zijn broekzak en toetst die nummer vliegensvlug erin.  Ondertussen wuif ik hem uit en ga ik naar de bushalte.  Even later staat Amadeo bij me aan de bushalte.  “Wil je met me iets drinken?”vraagt hij kordaat en vriendelijk.  “Nee, ik moet naar een vergadering.  Ik heb niet veel tijd.” zeg ik luid en kordaat terug.  “Kan je die niet voor één keer missen?”  “Nee!”schreeuw ik het uit en ik geef hem een stevige duw.  Ook kijk ik weg van hem.  In mijn binnenste heb ik een smoes verzonnen om bestwil, om van die jongen af te zijn.  Op die manier lukt het altijd op iemand weg te jagen.  Dan word ik tenminste met rust gelaten.  Nu is het niet mijn doel, om naar een vergadering te gaan, maar naar huis te gaan.  Ik verzon die vergadering als excuus, omdat mensen dit als reden zien, om niet verder op je gesprek in te gaan.  Een vergadering voor hun, is een excuus dat ze kunnen inzien dat ze geen tijd hebben.  En naar huis gaan niet.   Amedeo verschiet hard.  Hij loopt weg en trekt een vies gezicht maar me, maar ik zie het gelukkig niet.  Daarna zie ik hem niet terug.  Ik stap met een gerust gevoel op de bus naar huis.  Ik ga Amadeo gauw vergeten, want die typische jongensmanieren staan me niet aan.  Een hoop op een man die uit is op liefde en serieus met me wil optrekken is nog steeds niet uitgestorven.  Ik zoek er niet express naar, want vaak komt dat fake over.  Ik wacht wel tot het zover is.

Amina
0 0

Beneveld

Zoals elke zaterdagavond zat Thomas met zijn maten op café. Hij zat daar om zat te worden. Ha, wat was hij toch goed in woordspelingen. Vanuit de hoek met de sanseveria's stak hij vier vingers en zijn pink omhoog terwijl hij zijn lippen tuitte en heftig knikte. Misschien moest hij zich ook maar eens een sanseveria aanschaffen. Als die dingen in De Gouden Vis konden overleven, moest dat ook bij hem thuis lukken. Meisjes hielden van planten, het zou duiden op een zorgzame kant of zoiets. Eline was iemand die hij absoluut voor zich wilde winnen en misschien paste zorgzaamheid wel in haar kraam. Het barmeisje bracht de ijskoude pintjes. Terwijl ze wegwandelde bedacht hij zich hoe zeer ze leek op Eline, dezelfde manier van wandelen. Hij bracht het glas naar zijn lippen en kapte een geut bier op zijn trui. Zijn maten bulderden van het lachen. Dat gebeurde wel vaker omwille van hem. Soms kwam hij wat onhandig uit de hoek. Maar dat was geen probleem want meisjes hielden van grappige jongens. Tijdens zijn studententijd had hij eens de proef op de som genomen en de meisjes in zijn klas gevraagd naar hun top drie van aantrekkelijke eigenschappen bij mannen. Humor zat gegarandeerd in de top drie. Dat zijn mini-onderzoek was uitgemond in enkele memorabele avonden, nam hij er met plezier bij. Nachtelijke herinneringen hadden hij en Eline nog niet. Maar dat kon niet lang meer duren. Zijn maten stoorden hem in zijn mijmeringen. Ze porden hem aan en maakten op weinig subtiele wijze obscène gebaren in de richting van een blonde stoot. De dame in kwestie was zich van geen kwaad bewust. Ze was te druk bezig met haar lege glas waaruit ze een ijsblokje probeerde te vissen. De overgave waarmee ze het deed was geweldig. En ja hoor, dat waarop zijn maten en hij hoopten gebeurde daadwerkelijk. In een flits glipte het ijsblokje uit het glas, recht in haar decolleté. Zijn maten barstten uit in een oerkreet. Lichtjes verstoord keek ze onze kant uit. Matthijs gaf haar de vettigste knipoog ooit. Gegeneerd deed ze alsof ze iets zocht in haar handtas. De vrouw in al haar verschijningsvormen was één van de favoriete gespreksonderwerpen van Thomas en zijn maten. Vooral wanneer de avond nog jong was en hun kansen bij het andere geslacht eindeloos leken. Later schakelden ze graag over op voetbalanalyse en in de nachtelijke uren durfden ze weleens de filosofische toer op gaan. Vaak kwamen ze op die manier terug uit waar ze begonnen waren: bij de vrouw. Thomas hield van meisjes en hij werd makkelijk verliefd. Zijn gevoelens waren altijd oprecht maar helaas nooit van lange duur. Hij was een hopeloze romanticus. Zijn maten lachten hem er soms mee uit maar hij kon er toch ook niet aan doen. Hij bedacht zich dat het met Eline anders zou zijn. Het voelde alleszins anders. Zou zij misschien de ware zijn? Als een soort letterlijk antwoord op zijn vraag, wandelde ze plots De Gouden Vis binnen. Daar stond Eline. Ze keek enigszins schichtig rond, wat hij niet van haar gewend was. Hij haalde zijn breedste glimlach uit de kast maar hij kreeg geen blik van herkenning. Tegen het aangedampte raam en in het gedimde licht van het café zag ze er ongelooflijk mysterieus uit. Ze intrigeerde hem en terwijl hij naar haar staarde, besefte hij dat het niet Eline was.

Natascha K.
0 0

Heeft u dat ook? '6'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?  Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.  Juli 1966. De zomervakantie is net begonnen. De eerste 3 jaren humaniora bij de Broeders van Liefde in Leopoldsburg zitten erop. Naar gewoonte vertoef ik veel bij mijn oudste zus die een zoontje van 4 heeft. Marty is een aardig ventje en ik vind oppassertje spelen helemaal geen opgave, temeer omdat mijn zus, in tegenstelling tot mijn moeder, op een moderne manier kookt. Dat uit zich in de voorgeschotelde overheerlijke roomtomatensoep uit blik en de bergen frieten die uit de frituurpan dwarrelen. Na klimatologisch onderzoek blijkt dat die bepaalde zomer één der natste is van de voorbije honderd jaar. Dat kan ik mij echt niet herinneren. Wat ik wel weet is dat ik ongelooflijk verknocht ben aan het portatiefje dat er in huis staat. Overal waar mijn neefje aan het spelen gaat, zeul ik het radiootje mee. Zo ook die 4de juli, de eerste maandag van mijn zomerverlof. Als je veertien bent, word je enorm beïnvloed door de muziek die op je af komt. Dat zal wel zo zijn bij iedereen, vermoed ik. Ik luister wel eens naar Franstalige liedjes en soms ook naar een Duitse schlager, maar de Angelsaksische muziek is voor mij toch de top. Ik zit die namiddag met mijn neefje op het kleine graspleintje voor het huis en uit de radio weerklinkt ‘Monday, Monday’, een leuke song van de Californische The Mamas and the Papas. http://youtu.be/h81Ojd3d2rY Groepslid en componist is John Phillips. Hij is samen met de overige leden een boegbeeld van de hippiecultuur in de Verenigde Staten. Hun verschijning, hun muziek en de waarden waar zij voor staan spreken een puber van veertien wel aan. De Vietnamoorlog woedt in alle hevigheid en de flowerpower-beweging staat in schril contrast ermee. Vandaag is het ‘the fourth of July’, in de Verenigde Staten beter bekend als ‘Independence Day’. Als straks aan de andere kant van de Oceaan de Amerikaanse burgers zullen wakker worden kunnen zij hun feestdag beginnen vieren, maar protest tegen alle oorlogen en deze in Vietnam in het bijzonder zal zeker ook weerklinken. De liever lief bloemenkinderen zijn ondertussen zo goed als van de aardbol verdwenen, maar de oorlogen woeden nog steeds voort, elke dag van de week, ook op maandag, ‘monday, monday’.

Marc M. Aerts
3 1

Heeft u dat ook? '5'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?  Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.  Maar eerst wil ik dit kwijt:Gedurende je lagere schooltijd leef je onbezorgd en gaat het leven zijn gangetje. Maar wat daarna? Daarna ben je geen ‘echt’ kind meer, maar ook nog geen man en er is nog zo veel dat gebeuren kan …Ik zat daar wel mee geplaagd, ja. Helemaal onbezorgd was mijn kinderleventje dan ook weer niet, want op 12 oktober 1960 - ik was toen acht jaar en driekwart - zag ik de woeste Sovjetpremier Nikita Chroesjtsjov met zijn schoen in de hand op de tafels slaan tijdens de zitting van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Ik wist niet goed wat ik daarvan moest denken, maar dit boezemde mij zeker geen vertrouwen in. Een half jaar later wist ik wel zeker dat er iets niet pluis was in de grote mensenwereld. Veel begreep ik niet van het nieuws dat deze wereld werd in gestuurd maar naderhand bleek dat we aan de rand van een kernoorlog hadden gestaan omwille van hetgeen zich afspeelde in de Varkensbaai in Cuba. Nog eens een jaar later zag ik de verpersoonlijking van de duivel (tot dan toe dacht ik dat het de reeds aangehaalde Chroesjtsjov was geweest) op het kleine Tv-scherm van mijn bompa als men de beelden toonde van de ter dood veroordeelde oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann. Nachtenlang werd ik wakker gehouden omdat ik de tronie van deze mensenbeul maar niet weg kon vegen van mijn netvlies. Ondertussen was ik tien geworden. Kwam je al niet wat tussen de grote mensen te staan als je leeftijd met twee cijfers werd geschreven? Vanaf september 1963 ging ik naar de middelbare school. Het was de bedoeling dat men je daar zou opvoeden tot een volwassen man. Een versnelling bij dat beetje bij beetje volwassen worden deed zich reeds twee maanden later voor: Op een avond keken we met de hele familie naar een toneelstuk op televisie. Het was ongeveer een jaar geleden dat onze ouders het toestel aangekocht hadden en we vonden het gezellig met zijn allen aan de beeldbuis gekluisterd te zitten. Het was 22 november en het was al zo koud buiten dat we beslist hadden de televisie halverwege de living te plaatsen zodat we vanuit de keuken naast de warme kachel het verhaal in zwartwit konden volgen. Het stuk betrof het leven van kunstschilder Rembrandt, dat is mij bijgebleven, mijn hele leven lang. Zopas heb ik het kunnen opzoeken op het internet en ik vergiste mij niet, want de voorstelling heette ‘Hendrickje Stoffels’, de naam van Rembrandts vrouw en tevens zijn schildersmodel. Rembrandt werd gespeeld door Senne Rouffaer, die ik al kende van zijn rol als Tijl Uilenspiegel in de gelijknamige jeugdserie. Daarna zou hij nog veel beroemder worden als kapitein Zeppos.Na een halfuur werd de uitzending onderbroken en vertelde de duidelijk aangeslagen nieuwslezer Jacques Vandersichel dat John Kennedy (in mijn kinderlijke ogen de verpersoonlijking van het goede) in Dallas was doodgeschoten. Twee maanden later zou ik twaalf worden, maar ik heb op die bewuste avond enkele rasse schreden vooruit gezet richting volwassenheid. Waren het deze omstandigheden die er voor zorgden dat ik sindsdien regelmatig geplaagd werd door een steeds weerkerende nachtmerrie, die ik in een vorige azertyfactor-bijdrage al eens geformuleerd heb? Die grote mensenwereld, wilde ik daar wel toe behoren? Ik vond het moeilijk, volwassen worden. Een goeie zes jaar later, op maandag 12 januari 1970 behoorde ik officieel tot het legioen der volwassen mensen. Die dag deed de Boeing 747 zijn eerste vlucht, zijn ‘maiden voyage’. Diezelfde avond kwam een schoolkameraad uit Mol - hij werd enkele jaren later luchtverkeersleider op Zaventem (is dat geen toeval) - mij thuis ophalen om mijn verjaardag en de daarmee gepaard gaande toetreding tot het selecte clubje van verstandige mensen te celebreren in een plaatselijk café waar jongedames van licht allooi hadden postgevat. We dronken enkele pintjes, maar zagen nog overduidelijk groen achter onze oren. Het was toch moeilijk, volwassen worden. En wat de muziek betreft waarover ik het had in het begin van mijn verhaal: in januari 1970 zong Jimmy Cliff ‘Wonderful world, beautiful people’ en heel even waande ik mij weer in dat wat louche café van 45 jaar geleden. ‘Wonderful world, beautiful people’http://youtu.be/kKRAgcQAEkw ‘Wonderful world’, daarmee ben ik volledig akkoord. Wat is de wereld wonderlijk, wat is de wereld mooi, maar,‘beautiful people’, daar zijn we nog niet aan toe. We handelen nog als kinderen en niet als volwassenen. Want het is moeilijk, volwassen worden.

Marc M. Aerts
14 1