Zoeken

route 77

Route 77 Bij elke ergernisopstoot keek Joan opzij. Van een lifter vroeg zij alleen maar een verhaal. Ze leende graag feiten en gedachten. Als tijdelijke schokbreker. David noemde hij zich. Geen zinnig woord kwam er nog uit. Al van toen hij moeizaam was ingestapt hing hij half uit het raam. Helaas maar half, schoot het nu door haar hoofd. Bijna een uur lang zag ze in de cabine alleen dat verrimpelde onderdeel, waar ze totaal geen behoefte aan had. En de hele tijd neuriede die David hetzelfde brokje. Geraakte dat dan niet helemaal uitgebraakt? Het was nauwelijks meer dan ritmisch gonzen richting maan. En dan nog in zo'n warrig taaltje. Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away. Voor ze vertrok had ze gesakkerd dat de radio en de CB niet hersteld waren. Nu kon ze er wel stevig om vloeken. Ja, dat kon ze. Met janken was ze definitief gestopt toen haar laatste pakje sigaretten leeg was. Tien dagen na de crash waarbij zij haar vader verloor. In zijn vrachtwagen, in zijn spoor reed zij. Zijn foto hing nu op haar plaats aan het dashboard. Ze schudde de foto en het gonzen uit haar gedachten. De tik tegen zijn schouder was harder dan ze bedoeld had. Het achterhoofd van David maakte een doffe smak tegen de camion toen hij recht schrok. Dan toch niet zo hol, glimlachte ze binnensmonds. Waar wil je naartoe, vroeg ze verontschuldigend. En geen flauwe plezante antwoord, dat je een leven lang hebt gedroomd van 's nachts door het raam van een zware vrachtwagen te hangen, deed ze grappig streng. Hij wreef over zijn kalende kruin. Greep dan naar zijn snor en zijn tanden. Vals of echt. Het antwoord was een wrang mompelen. Over lucht nodig. En over niet met een jonge vrouw in zo'n kleine ruimte. Met meer levervlek dan handen voor zijn ogen klonk zijn stem krachtig. Zijn oom was de beeldhouwer Gutzon Borglum. David wou naar South Dakota, naar The Needles. Naar de granieten kop van Abraham Lincoln. Uit zijn gerafelde ransel haalde hij een goed onderhouden steenbeitel. Hij toonde haar de initialen: G.B. stond in het heft. Het oude hakijzer gleed zenuwachtig van zijn linker naar zijn krampachtige rechterhand. Joan voelde zich klam aan het stuur plakken. Ook een grote vrachtwagen heeft maar een kleine cabine.

hybris
0 0

Bloedrode rozen

Ik leef van scène tot scène. Als op een filmset wordt elke beweging, elk woord geregisseerd. Alles staat vast, geen enkele verrassing. Ik weet alles. Vast verwerven zit ieder leven in het tapijt van de tijd. Geen enkele draad of weving ontgaat me. Hoewel het in functie is van mijn bestaan, mijn doel, mijn reden, verschroeit het de passie, de drijfveer om te bestaan. De schitterende kaars in deze somberheid is zij. Ik wacht haar op vandaag, zoals iedere week. Ik zorg dat ze me niet ziet. Ze ziet me nooit. Het spel der liefde wil ik niet met haar spelen. De pijn van mijn oude liefde ommuurt mijn verlangens, beschermend tegen de mogelijke herhaling van het oude verlies. Ze komt aangewandeld in een bordeaux, wollen trui welke open is van haar nek tot haar navel. Haar sleutels steekt ze weg in haar strakke jeans. Ze loopt een bank binnen waar reeds zes mensen voor haar te wachten staan aan de balie. Ikzelf, ik zit in mijn lange versleten regenjas op een bank aan de andere kant van de straat. De wind zit zo dat, toen ze even vertraagde om de deur te openen, haar parfum mijn verlangens voor haar streelde. Het moment doet me nu alles even vergeten. Alleen zij bestaat nog. Het gevoel laat me voelen zoals de mens die ik wil zijn, maar niet kan zijn. Bewonderend staar ik haar aan verlangend naar haar, haar huid, haar handen. Wanneer zij nu wacht leef ik in de tijd die ik anders wachtend zou doorbrengen. Maar de tijd van wachten is echt voorbij, want het onmogelijke gebeurt. Iemand breekt mijn zicht. Dit klopt niet. Het tapijt van de tijd is veranderd. Dit is een fout. Een man met een Halloweenmasker loopt de bank binnen. Hij trekt een revolver. Neen, dit kan echt niet! Er is geknoeid met de verwevenheid van alles. Zij staat daar. Ik moet iets doen. Ik sta recht en loop de straat over en de bank binnen. De man draait zich om. ‘Welke zot loopt een bank in met een gewapend man?’ schreeuwt hij uit. ‘Geen enkele, verstrooidheid en onoplettendheid hebben me hiertoe geleid’, lieg ik. De man stapt naar achteren en richt zijn wapen op de eerste vrouw voor de balie en schiet. Het bloed aan haar dij kleurt de witte rozen op haar jurk bloedrood. De kleur is afgestemd op haar gekrijs. Ze zal niet sterven. Het doel van de man is niet duidelijk. Maar ik moet hem stoppen voor hij haar, mijn schittering, misschien iets aandoet. Ik stap recht op hem af. Hij richt zijn revolver naar mij toe en schiet. De kogel vertraagt mijn tred even, maar hij stopt me niet. Ik pak de loop en draai hem met veel kracht naar de gemaskerde toe. Ik hoop dat hij zelf zijn trekker zal overhalen. Echter doet hij het niet. De angst in zijn ogen worden niet verhuld door het masker. Ik haal zelf de trekker over. Eén schot, één leven, hij sterft. De man valt. Mijn buik staat druipend onder het bloed. Mijn gedachten verzwakken. Het bloed zit nu ook over mijn handen. Mijn knieën verzwakken. Mijn harde val klinkt dof in mijn oren. Wanneer ik op de grond liggend naar de verte staar, komt mijn schittering mijn pijn verzachten. ‘Sshht, niet sterven’, beveelt ze me zacht met bange, betraande ogen. Met mijn bebloede rechterhand leg ik een verloren, verhullende, blonde haarlok achter haar oren. ‘Vandaag heb ik meer geleefd dan ik in een lange tijd heb gedaan. En sterven zal ik toch niet. Dat kan ik niet.’ Ik verlies het bewustzijn. Het fout gewoven leven heeft me naar een tuin van rust gebracht. Het einde van een scène en het begin van een nieuwe.

Wouter Vandezande
7 0

Canada

Inleiding   Op 11 oktober 1926 vertrok de Pennland II van rederij de Red Star Line aan de Rijnkaai in Antwerpen.  De reis ging  via Southampton naar Halifax in Canada. De om en bij twee duizend passagiers waren emigranten uit België, Duitsland, Oostenrijk, maar vooral uit Oost-Europa, Rusland, Polen en Hongarije. Onder de kleine honderd Vlamingen bevonden zich mijn grootouders die afkomstig waren van Kortrijk. In Canada vestigden ze zich in de township Sandwich nabij Windsor, een stad in het zuidwesten van de provincieOntario. In augustus 1931 kwamen ze voorgoed terug met mijn moeder, die toen negen maand oud was. Dit boek is geïnspireerd op wat mijn familie vertelde en op de getuigenissen van emigranten die ik vond in de talrijke bronnen die ik raadpleegde. Het verhaal is fictief. Mocht iemand zich herkennen in een van de personages, dan berust dit op toeval. Bertha laat de knopendoos in haar jaszak glijden. Ze kent de deukjes in het deksel. Blindelings vinden haar vingers de gezichten van het verkleurde koningspaar. Haar duim streelt langs de versleten gouden krullen. De kromme pootjes onderaan haken in de voering van haar jas. Plots voelt Bertha een kneepje in haar arm en ze ontwaakt uit haar dagdroom. Ze staat werkelijk aan de reling van een gigantisch schip. Naast haar neuriet Flor een vrolijk deuntje. Enthousiast als een kind wijst hij naar de matrozen die de loopbrug ophalen. Ze kijkt op naar zijn knap gezicht, zijn sterke hoekige kin, zijn metaalblauwe ogen. Haar man. Tien dagen geleden zijn ze getrouwd. Flor strijkt langs de rand van zijn nieuwe hoed en geeft haar een knipoog. Hij stuurt zijn fraaiste glimlach naar de wal en brengt een groet uit die veel weg heeft van een militair saluut. ‘Bertje,’ lacht hij, ‘eindelijk.’ ‘Ja,’ zucht Bertha. ‘Schat, je moet blij zijn vandaag. We zetten de eerste stap in ons groot avontuur. Er wacht ons een fantastische toekomst aan de overkant van de oceaan.’ ‘Als jij het zegt.’ ‘Ik ben er zeker van. Je weet toch wat nonkel Gust geschreven heeft. Hij woont daar nu vijf jaar en hij rijdt al met een automobiel.’ Bertha knikt dapper, maar heimelijk twijfelt ze aan de eerlijkheid van nonkel Gust. Misschien is hij een praatjesmaker, net als Flor’s stiefmoeder?  Bertha wil Flor graag geloven en ze forceert een glimlach. Ze legt een arm om zijn middel, maar tegelijk omklemt ze met haar rechterhand de blikken knopendoos in haar zak. Mama’s afscheidsgeschenk.   Moeder Stiene staat op de kade. Een nietig vrouwtje in de deinende mensenzee. Tussen de achterblijvers die glimlachen of huilen, knijpt zij haar mond stijf dicht in een rechte streep. Wellicht kan ze niet beslissen wat het beste is, denkt Bertha. Nooit eerder vertrok een van haar kinderen. Vader Kamiel is er niet. Hij kon geen dag verletten in de fabriek. Een typische uitleg, vindt Bertha. Wat hij niet goedkeurt, negeert hij. Zo is hij altijd geweest. Van haar broers en zussen nam ze gisteren afscheid. Er vloeiden tranen en er werden beloftes gedaan. Ze zouden schrijven. Lange brieven over alle lief en leed. De zakdoeken op de Antwerpse Rijnkaai wapperen. Ze klapwieken als witte duiven die nooit leerden vliegen. ‘Ga dan, ‘lijken ze te zeggen, ‘vertrek nu maar. De lucht is vrij en de zee is kalm.’ Familie en vrienden roepen voor de laatste keer de namen van hun geliefden en wuiven, wuiven. Bertha ziet dat de zakdoek van mama Stiene stil hangt in de lucht. Als een vlagje dat halfstok hangt, halfweg tussen vreugde en droefheid. Een doordringende stoomfluitkondigt de afvaart aan. Tot driemaal toe, hees en angstaanjagend luid. Bertha houdt haar handen voor haar oren. Er komt beweging in het schip. Zijn kolossale romp trilt en een gegrom stijgt op uit zijn ingewanden. De Pennland schudt zich vrij met een lichte deining. De passagiers houden even hun adem in. Het schip komt los van de kade. Er klinkt een uitgelaten gejoel. Ze vertrekken. Naar Canada. Het is 11 oktober 1926.   ***   Bertha ziet Antwerpen vervagen. De kade wordt een grijze vlek met één witte stip, daar  waar ze de zakdoek van mama vermoedt. Ze blijft ernaar staren, durft haar ogen niet te sluiten omdat ze bang is het beeld voorgoed te verliezen. De Pennland wordt de haven uit geloodst door twee sleepboten. Langzaam vorderen ze in de richting van de zee. Het water is niet blauw, zoals Bertha altijd dacht, maar eerder bruin. Als een vieze soep waar schuim op drijft. Ze huivert en denkt aan de drenkelingen van de Titanic, het luxeschip dat zonk omdat het tegen een ijsberg aanbotste. Bertha was een jaar of tien toen dit gebeurde. Ze herinnert zich nog de artikels in de krant. Het moet verschrikkelijk geweest zijn, al die dode mensen in het water. Flor verzekerde haar dat dit nooit kan gebeuren met hun schip, omdat het gebouwd is volgens de modernste technieken. De enorme schoorstenen van het schip stoten zwarte rook uit. Roetdeeltjes dwarrelen neer over de reizigers. Bertha duikt in elkaar wanneer een vlucht meeuwen over het dek scheert. Een zwerm late trekvogels vat de reis aan naar het zuiden. Op dat vlak zijn beesten slimmer dan mensen, denkt ze. Ze wisselen van land  naargelang de seizoenen, maar altijd met het vooruitzicht te zullen terugkeren. Een voorrecht en een lot tegelijk. Ze vraagt zich af of zij Antwerpen ooit zal terugzien. De geluiden van de stad zijn verstomd. Bertha hoort enkel het  klotsen van de golven en de meeuwen die krijsend rondcirkelen. Ook mama Stiene’s stem is dun geworden. Haar laatste woorden blijven als een zwakke echo in Bertha’s hoofd hangen: ‘God zegene en beware u.’ Ze buigt zich over de reling om een laatste glimp op te vangen van de stad. Antwerpen schuift traag weg achter de eerste bocht in de stroom. De Schelde, leerde ze op school, is de deur van Vlaanderen naar de wereld. Wat er aan de overkant van de oceaan ligt, weet Bertha niet. Ze was dertien jaar, toen vader Kamiel op een middag voor de schoolpoort stond. ‘Kom mee, Bertha.’ ‘Waar gaan we naartoe?’ ‘Naar de fabriek.’ ‘Wat? Waarom?’ ‘Het wordt tijd dat je geld verdient. Je bent de oudste.’ ‘Maar papa, deze namiddag vertelt Soeur Remi over de Noordzee en…’  ‘Genoeg, Bertha.' Hij keek haar nors aan, met de blik die geen tegenspraak duldt. Op haar klompen klepperde ze gedwee verder en had moeite om hem bij te houden. Dit gebeurde enkele maanden voor de leerplicht tot veertien jaar werd ingevoerd. Bertha keerde niet meer terug naar de klas en leerde de weefgetouwen bedienen. Ze dacht niet meer aan stromen en zeeën. Een brutale fluitstoot is het signaal dat de Pennland het havengebied verlaat. Bertha’s vingers hebben zich krampachtig om de metalen reling geklemd. Met enige moeite wringt ze zich los. Ze draait zich om en zoekt Flor. Hij staat midden op het dek, druk gesticulerend in gesprek met een officier. Hij wenkt haar. Bertha doet een stap voorwaarts, maar staakt onmiddellijk het voornemen naar hem toe te gaan. Ontzet stelt ze vast dat de plankenvloer beweegt. Niet hevig, maar toch voldoende om haar duizelig te maken. Lieve God, denkt ze, hoe zal het zijn als we in volle zee varen? Angstig keert ze terug naar haar plekje bij de reling.       Het schip vaart nu midden op de stroom. Bertha ziet hoe de Schelde steeds breder wordt. Daarmee vergroot ook de deining. Bertha plant haar voeten stevig neer. Zo’n dertig centimeter uit elkaar, zodat ze in evenwicht blijft. Verder schijnt niemand zich de beweging van het schip aan te trekken. Er komt een rust over de passagiers. De meesten zoeken hun kajuit op, sommigen gaan op de grond zitten en nemen wat eten uit hun knapzak. Anderen, de bangeriken vermoedt Bertha, blijven net als zij bij de reling staan. Bertha haalt de knopendoos uit haar jaszak. Ze opent het deksel en schudt de knopen zachtjes dooreen. Ze glijden tinkelend over elkaar. Dat ben ik, denkt Bertha, het parelmoeren knoopje. Wit en glad gepolijst. Vandaag vertrek ik naar Canada. En dat is mama, de donkerblauwe knoop bekleed met zacht fluweel die in een hoekje gedrumd wordt. Straks neemt ze de trein terug naar huis. Zie ik je ooit terug, mama? Bertha wil niet toegeven aan de tranen die haar zicht vertroebelen en ze duwt haar neus in een zakdoek. *** Bertha gaat zitten op het dek en drapeert haar jas over haar benen want het wordt frisser. Onder de jas draagt ze haar trouwjurk. Ze voelt zich onwennig in het zwarte satijn. ‘Kan ik niet beter een gewone rok en bloeze aantrekken?’ vroeg ze aan mama toen ze samen haar spullen inpakten. ‘Neen kind, je vertrekt naar de Nieuwe Wereld en dat doe je best in je mooiste kleren. Het is belangrijk een goede indruk te maken op de mensen ginder.’ Gisteren vond ze dat mama gelijk had, nu is ze daar niet meer zo zeker van. De wind rukt aan Bertha’s krullen. Ze waaieren uit in een donkerbruin aureool. Veilig op de grond tegen de reling aangedrukt, durft ze nu wat rond te kijken. Hier en daar staan of zitten groepjes passagiers. Overal liggen tassen, valiezen en uitpuilende zakken. Ze ziet bonte hoofddoeken, met pluimen versierde hoeden en over de planken slepende rokken. Petten met lederen kleppen en astrakan mutsen, jassen van geitenvellen en klederdrachten die ze niet kan thuisbrengen. Die ochtend zag ze in het station van Antwerpen in het zwart geklede mannen met lange pijpenkrullen. Joden, zei iemand en hij haalde daarbij smalend zijn neus op. Ze begreep het niet. Naast hun perron had de trein uit Keulen een allegaartje van Oost-Europeanen aangevoerd. Polen, Russen en Hongaren met afgetrapte schoenen en smerige laarzen. Hun kleren waren met lappen versteld. In geknoopte lakens sjouwden ze hun bezittingen mee op hun rug. Bertha las de vermoeidheid en ontbering in hun donkere ogen. De kinderen klampten zich angstig vast aan hun moeders. Ze hoorde dat velen al weken onderweg waren. De hele stoet van emigranten had zich in beweging gezet onder de stalen koepel van het station. Het helse rumoer werd nu en dan overstemd door een holle stem uit een luidspreker. Onderaan de marmeren trappen werden ze in de grote hal aangeklampt door geldwisselaars. ‘Niet op ingaan,’ zei Flor en hij spoorde haar en mama aan snel naar de uitgang te gaan. ‘Nonkel Gust heeft zich hier laten rollen toen hij naar Canada vertrok.’ De tocht ging verder door het centrum van Antwerpen in de richting van de kaaien. Onderweg sloten honderden landverhuizers zich bij de groep aan. De meesten hadden de nacht doorgebracht in een van de talrijke migrantenhotels. Aan de Rijnkaai zagen ze hun schip liggen. Als een reusachtig monster werd het gevoed met een constante stroom van goederen en levenswaren. Ze waren er stil van geworden. Uit Bertha’s jas stijgt een zwakke geur op. Dit is trouwens het aroma dat om alle emigranten en hun bagage hangt. Het is afkomstig van het goedje waarmee hun kleren gedesinfecteerd werden. In het gebouw van de Red Star Line aan de Rijnkaai, hadden ze in lange rijen hun beurt afgewacht. In de ontsmettingsruimte moesten ze hun bagage achterlaten. Enorme stoomketels stonden langs de muur opgesteld. Mannen en vrouwen werden vervolgens in aparte lijnen verder geleid. De moeders hielden de kleinste kinderen bij zich. De wasbeurt en controle was enkel voor de passagiers van de derde klasse, waartoe ook Flor en Bertha behoorden. Ze kwamen in een lange gang ondersteund door cementen palen, met aan de rechterkant een twintigtal granieten douchecabines. Toen zij aan de beurt was, kleedde Bertha zich uit en stak haar kleren in een zak met een nummer op. 1253. Haar paspoort legde ze op een apart plankje. Juwelen droeg ze niet en haar trouwring hield ze toch liever om.  Bertha zag hoe het personeel van de rederij de zakken met kleren ophaalde. Ze liet zich vertellen dat ze besproeid werden met ontsmettingsmiddelen, benzeen en azijn. Daarna werd alles in grote drukketels onder stoom gesteriliseerd. Glimlachend dacht Bertha aan de princessenbonen en augurkjes die moeder Stiene oplegde. Net als de andere emigranten zeepte Bertha zich grondig in met het stuk zeep dat ze kregen. Nog nooit eerder had ze een douche genomen. Voorzichtig stak ze haar rechterbeen vooruit en voelde het hete water. Ze hoorde meisjes giechelend plenzen en dat gaf haar moed. Ze liet de straal kletsend op haar schouderbladen neerkomen. De douche duurde wel een uur. Net zo langs als nodig was om de kleren te desinfecteren. Bertha haalde opgelucht adem toen ze zag dat haar jurk geen noemenswaardige schade had opgelopen. Schoon en van alle mogelijk bacillen verlost, schoof ze aan bij de dokter op de eerste verdieping. Een verpleegster verplichtte de vrouwen zich tot hun middel uit te kleden. Bertha voelde zich daar ongemakkelijk bij. Sommige vrouwen werden heel zenuwachtig en begonnen zelfs te huilen.  Een Canadese arts met een puntbaardje beluisterde Bertha’s longen en hart en klopte op haar ruggengraat. Hij scheen met een lichtje in haar ogen. Er volgde een goedkeurend knikje en hij drukte een stempel op haar medische kaart. ‘Nekst,’ verstond Bertha en ze realiseerde zich dat het de eerste keer was dat ze Engels hoorde. Toen Bertha opgelucht het kabinet verliet zag ze hoe een krijsende vrouw en een kleine jongen onder zachte dwang naar buiten geleid werden. ‘Alstublief dokter!’ schreeuwde de vrouw hysterisch. ‘Ik kan mijn zoontje van tien hier toch niet alleen achterlaten.’ ‘Uw zoon heeft een ooginfectie, mevrouw. Het spijt me,’ zei de dokter droogweg. De moeder klemde de jongen tegen zich aan. ‘Kunt u geen uitzondering maken? Alstublief! Ik smeek u dokter.’ De dokter schudde zijn hoofd. ‘Instructies van Canada.’ Voor veel migranten betekende zo’n afkeuring het einde van hun droom. Onherroepelijk werden ze terug gestuurd. Eén stempel te weinig en een familie werd uiteengerukt. Bertha kreeg nog kippenvel als ze dacht aan het hartverscheurende tafereel. Enkele kinderen spelen aan dek een hinkelspelletje. Ze zingen er een versje bij. Bertha begrijpt niets van hun taal, maar herkent er het liedje in dat zij en haar zussen ook zongen toen ze speelden op de binnenkoer van hun beluik. ***

Mieke Vandromme
0 0

De toeschouwer

Wat voorovergebogen zit hij op de koude tegels. Zijn schouders hangen vooruit, zijn hoofd wat scheef op zijn nek. De enige beweging die hij maakt is het ongecontroleerd en onregelmatig tikken met zijn hand op de vloer naast zich. Achter hem klinkt kindermuziek op een tv waarnaar niet wordt gekeken. Hij staart peinzend de andere kant op. Aan zijn gezicht is niet af te lezen waaraan hij denkt. De dag die voorbij is, de maaltijd die moet komen... Zijn linkerschoen ligt rechts, buiten handbereik, nat door zijn speeksel. Hij draagt een broek vol vlekken met afgesleten stof aan de knieën. Zijn shirt is te groot, zijn mouwloze vest erover tot boven dichtgeknoopt. Tussen zijn benen liggen de sleutels die hij net liet vallen. Hij grijpt die sleutels met zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter zijn lichaam ondersteunt. Hij krijgt zijn vingers niet onder controle en wanneer hij zijn hand met een ruk opheft schuift de sleutelring van zijn wijsvinger weer de grond op met een schelle plof. Opnieuw. Hij grijpt -met al zijn vingers nu- en heeft beet met ringvinger en pink. Wanneer hij de sleutelring van de grond opheft herhaalt zich op vijf centimeter hoogte het scenario. Zijn blik is vastberaden nu, alle aandacht gaat naar het metaal op de vloer voor hem. Hij haalt uit, grijpt, triomfeert. De sleutels worden op zijn uitgestrekte been gelegd. Even blijven ze daar, balancerend, tot ze er aan de andere kant weer afschuiven. Ze houden nog even zijn aandacht vast, maar hij lijkt zijn focus nu te verplaatsen naar een voorwerp dat verder ligt. Hij draait zijn hoofd om beter te kijken en toont zo de sporen die vingernagels achterlieten in zijn gezicht. Hij wil opstaan. Zijn hand grijpt de rand van de zetel naast zich en traag brengt hij zijn gewicht naar zijn rechterbil. Hij grijpt ook met zijn tweede hand de zetel vast en trekt zich langzaam, voorzichtig, op tot op zijn knieën. Twijfelend, onstabiel plaatst hij zijn eerst voet plat op de grond, zijn tweede volgt, de zetel biedt nog steeds ondersteuning, maar hij draait zich om, zijn blik in de richting van het voorwerp dat verder op de grond ligt. Zijn handen laten los en hangen naast zijn lichaam, hij steunt met zijn bil tegen de zetel. Hij zet een voet in de juiste richting, stabiliseert en laat een tweede volgen. Zijn evenwicht lijkt gevonden, maar na een derde onzekere stap op de rand van zijn voet gaat het mis. Hij valt voorover maar kan zijn armen niet tijdig plaatsen waardoor zijn neus de grond raakt. Een schreeuw volgt en tranen van frustratie. Hij zet zijn ellebogen. De tenen in de voet mét schoen vinden de grond en razendsnel drukt hij zich af. In geen tijd bereikt hij de gsm en drukt zich op tot op hij op zijn knieën zit. Hij slaat met een hand naar de gekleurde knoppen. Willekeurig, want de cijfers kan hij niet plaatsen. Er klinken mechanische tonen, dan is het weer stil. Een schaterlach. Hij grijpt opnieuw, maar zijn tere hand kan het toestel niet houden. Ook de telefoon valt hard op de stenen grond. Vanop zijn knieën zet hij zijn handen voor zich en duwt zijn voeten en kuiten recht totdat hij als een vreemde brug op de vloer staat. Als een trage acrobaat laat hij zijn handen los en richt zijn lichaam op. Een stap, twee stappen, drie stappen. En hij laat zich vallen. Vooruit, in mijn armen. Weer die schaterlach. Wat doet hij dat goed. Mijn ventje wordt een jaar volgende week.

Carolyn Krekels
3 0

Treinenbrij

Treinenbrij   Een ochtend zoals alle anderen. Of toch weer niet. Noodgedwongen kan ik die dag geen beroep doen op m’n vierwielige motorische vriend. Als alternatief kies ik voor de beleving van een ‘comfortabele’ treincoupé.   En daar zit je dan, te midden van honderden pendelende lotgenoten. Gezellig en comfortabel is het niet echt. Eerder het gevoel van een sardientje in een blikje; zonder de zonnebloemolie gelukkig. Ik mis m’n eigen comfortzone, “het geluid” van Q-Music op de autoradio, het feit ook van niet ongemerkt in m’n neus te kunnen peuteren.   Verrassend hoe dan plots een bekende kop naast mij komt zitten. Een collega-filerijder die anders, net als ik, het asfalt van de E19 noodgedwongen aan een minutieus onderzoek onderwerpt; bij voorkeur ergens ter hoogte van Mechelen-Noord. “Hé, leuk om jou ook eens niet van je achterkant te leren kennen”, grapt de man mij toe. “Jij moet mijn filetrotserende kompaan zijn, elke ochtend tussen Leuven en Antwerpen” repliceer ik, hem daarbij de hand schuddend. “Klopt”, zegt m’n gesprekspartner, “mijn vrouw had vandaag de auto nodig, vandaar dat ik maar eens het openbaar vervoer probeer”. “De mijne moest op groot onderhoud; euh… niet m’n vrouw… de wagen bedoel ik”, stamel ik voor me uit. “Vandaar ook mijn keuze voor de trein”.   Na een onderhoudende koetjes-en-kalfjesconversatie sporen we Antwerpen-station binnen. Bijna ongemerkt vervolgen we daarna, samen verderstappend, onze weg doorheen een paar drukke straten van de Antwerpse metropool. “Zeg, waar werk jij eigenlijk?” vraagt m’n compagnon de route. “Wel daar”, wijs ik met m’n vinger in de richting van een reusachtige architecturale creatie, “bij die Telecom-mastodont”. “Je meent het niet”, lacht m’n wandelende metgezel. “Dan zijn wij verdorie collega’s!”   En zo stapten we samen de draaideur van onze werkgever binnen. Twee mensen die een gezamenlijke treinreis nodig hadden om uiteindelijk tot het besef te komen dat ze werkmakkers zijn. Dat heb je met die mammoetmaatschappijen en hun ontelbare subafdelingen. En hun ideaal van groot, grootser, grootst. Collega’s worden pionnetjes op een dambord; een dambord zo groot als een voetbalveld.   Diezelfde avond stonden we bij het invallen van de duisternis terug op het perron te wachten op een trein die ons huiswaarts zou rijden. Tot een mechanisch klinkende stem door de luidsprekers galmde met het bericht: “als gevolg van een spontane actie van het spoorwegpersoneel, moeten wij onze reizigers spijtig genoeg meedelen dat alle treinverkeer opgeschort is tot 06u00 morgenvroeg. Wij hopen op uw begrip en wensen u desondanks nog een prettige avond”.   Waarop mijn collega en ikzelf vertwijfeld naar het stationsbuffet slenterden en er twee pintjes bestelden. Tussen een paar slokken door belde m’n maat zijn vrouw, om haar van deze transportproblemen op de hoogte te brengen. Mevrouw zou meteen de auto inspringen met bestemming Antwerpen en daar twee ‘treinreizigers-voor-één-dag’ uit hun lijden komen verlossen.   Een treinreis: mogelijke bron van nieuw sociaal contact. Af en toe, misschien, is de trein ook een heel klein beetje reizen. Maar vaak, te vaak, reist men… helemaal niet.  

Danny Wouters
0 0

FONS

       Met een welgemikte vingerknip vliegt zijn sigaret tussen de rondpikkende duiven. Even stuiven ze verschrikt op, maar ze kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen. De stoutste pikt herhaaldelijk naar de peuk, maar de rook die in haar oogjes kringelt, doet haar telkens weer terugdeinzen. De vrouw die naast hem op de bank zit, beloont hem met een vuile blik, schudt nog wat kruimels uit de verfrommelde broodzak en probeert met wat luide kusjesgeluiden de aandacht van die grijze pleinbeesten af te dwingen. Hij schat haar zo rond de zestig. Ze doet hem aan zijn eigen moeder denken. Even oud, even dik en even onnozel, vindt hij.   Fons moet aan de tijd denken dat hij met haar de eendjes ging voederen in het stadspark. Vroeger, ja, dan kon dat nog. Andere tijden en zo. Hij mocht toen zelfs – zoals de meeste andere kinderen uit zijn klas – een hamstertje houden. Hij was amper acht jaar oud maar verzorgde zijn lief diertje goed. Het was een aanhankelijk beestje: terwijl hij zijn huiswerk maakte, zat Mieke altijd op zijn schouder, tegen zijn hals aangevleid. Die belangeloze vriendschap kwam echter bruusk ten einde bij het begin van de volgende paasvakantie wanneer zijn moeder zei: ‘Fonske,’ want zo heette hij toen nog, ‘jij mag morgen voor een weekje naar Blankenberge bij tante Maria en nonkel Jef. Maar je moet wel Mieke haar vrijheid teruggeven, want ik kan er niet voor zorgen en jij kunt ze ook niet meenemen naar zee. Laat dat ratje’ – ja, dat had ze echt zo gezegd! – ‘maar los in de tuin van de villa op het einde van de straat.’ ‘En die poezen dan? Zullen die Mieke niet opeten?’ ‘Maar nee Fonske, Mieke is vinnig en zal zich wel snel ingraven; en trouwens, katten lusten geen hamsters,’ had zijn moeder troostend gezegd. Even herbeleeft Fons hoe hij toen met Mieke in zijn hand, veilig onder zijn jas tegen zijn hart gekneld, naar de villa snelde. Hij herinnert zich nog levendig hoe hij het diertje nog een dikke zoen op het hoofdje gaf, om het dan, met zijn arm tot aan de schouder door het tuinhek, zo ver hij kon de tuin in te zwieren. Mieke kwam op haar pootjes in het gras terecht, keek schichtig om zich heen, dribbelde wat besluiteloos rond om uiteindelijk iets verderop onder een struik te verdwijnen. Hij bleef nog ruim een kwartier aan het hek staan, maar Mieke kwam niet meer te voorschijn. Fons weet nog dat hij voor het eerst echt verdriet voelde. En schuld. En onmacht. Daarna rende hij als een gek naar huis, denderde boos de trap op en lag urenlang op bed te snikken. Hij is het nooit vergeten. Hij heeft het haar nooit vergeven.   ‘Wettegaddatvoeieren van die vieze rotbeesten strafbaar is, madammeke?’ zegt Fons terwijl hij moeizaam zijn vette lijf omhoog dwingt. ‘Da kan tweehonderd vijftig euro kosten als ze dat zien!’, voegt hij er zuchtend aan toe. Zonder zich verder om het venijnige commentaar te bekommeren, loopt hij dwars door de luid protesterende kudde roekoekende ziekteverwekkers en slentert verder de Groenplaats over, richting post­gebouw. Bij de sokkel van Pieter Paul zitten twee gasten luid te lallen met een Cara-pils in de hand. Aan hun voeten liggen een grote zwarte en een schurftige bruine hond tussen de verkreukelde bierblikjes. Fons staat even stil, steekt een nieuwe sigaret op en bedenkt dat hij eigenlijk ook wel van dieren houdt, hoewel hij er zelf geen meer heeft. Een kat, zo’n eigenwijs, onbetrouwbaar beest, neen da’s niks voor hem, maar hij heeft wel ooit een hond gehad, Bullshit, een lieve en aanhankelijke zwarte straathond. Maar die is reeds na twee maanden weggelopen. Nooit meer teruggezien. Vorig jaar dan maar een aquarium: vissen kunnen niet lopen, blaffen niet en bijten niets kapot. Guppen zijn gemakkelijk te houden en te kweken vertelde de verkoper. Eén mannetje en vier wijfjes, want het is zoiets als een haan en kippen. Het is een genetisch experiment geworden. Een namaakbiotoop waarin kindjes met kindjes, zoontjes met moeders, vaders met kleinkinderen en achterkleindochters met overgrootvaders naar hartenlust vadertje en moedertje konden spelen. Dat deze halsstarrigheid inteelde tot kromme ruggen, bizarre kleuren en lichaamsverhoudingen en hier en daar zelfs tot ontbrekende vinnen en ogen, hoeft niemand te verbazen. Een goede maand geleden brak er een ziekte uit in dit overbevolkte tropische genenlab, met een massale vissterfte tot gevolg. Gisteren heeft hij bij wijze van galgenmaal, verse levende tubifex – een trosje wriemelende wormpjes, net levende rijstmie, maar dan zwart – gekocht. Het was een waardig afscheidsdiner voor de zesentwintig overblijvende gedrochtjes. Gisterenavond nog gaf hij hen de vrijheid terug en spoelde het toilet door.   Bij de kiosk aangekomen peutert Fons een laatste kromme sigaret uit zijn verkreukeld pakje Gauloises en gaat op de hoogste trede van de toegangstrap zitten. Zijn aansteker laat het afweten. Hij loopt het trapje weer af en vraagt een vuurtje aan een taxichauffeur die iets verderop naast zijn vehikel staat te roken. De vrouw die net een friet uit een puntzak grist kijkt even op als hij voorbij komt. Zonder erbij na te denken zegt hij: ‘mm, lekker he?’     De rosse deerne reikt hem het pak aan: ‘eentje proeven?’       Hij kijkt haar aan, neemt een frietje uit het pak, geeft haar nog een knipoog en gaat terug op het trapje zitten. Dat smaakt. Fons kijkt over de Groenplaats hoe de kathedraaltoren in de late lentezon met schaduwen speelt en trekt peinzend aan zijn sigaret. Dan laat hij de rook zachtjes uit zijn mond ontsnappen en ademt hem weer langs zijn neus in en mijmert: ‘Godverdomme, wat een waanzinnige dag is dit toch!’   ***   Alphonse Knaepkens werd die ochtend wakker met de gedachte ‘vandaag is de eerste dag van de rest van mijn leven!’ Hij had ergens gelezen dat iemand dit eerder had gedacht en daardoor zijn leven anders was gaan invullen. Dat leek hem wel wat. Hij was ten slotte bijna veertig en het werd hoogtijd om uit de spiraal van uitzichtloze moedeloosheid te kruipen. Met gulzige goesting probeerde hij om zijn ouwe ‘ik’ nieuw leven in te blazen. Hij begon met de volgorde van zijn ontwaakritueel om te gooien. Eerst spoelde hij de slaap en de ochtenderectie weg onder de warme douche en pas daarna ging hij op de pot zitten om jawel, zittend te plassen in plaats van die eerste moedwillige ochtendstraal het porselein in te mikken. Daarna zette hij koffie, ontbeet en poetste dan pas zijn tanden. Opgewekt stapte hij dan de kouwe grauwe ochtendmist in, op weg naar de snoepfabriek. Aan de halte van lijn 7 nam hij de tram. Hij vond een vrije zitplaats naast een meer dan volslanke vrouw met grote blonde krullen en bolle roze kaken. Wel ja, vrij… Haar zitvlak vulde meer dan de helft van de bank en zijn billen waren zeker niet smaller. Hij perste zich naast haar. Hij voelde de warmte van haar volle dijen doorheen de stof van zijn flanellen joggingbroek en een zoete gloed in zijn onderbuik. Fons overwon zijn verlegenheid en zei bijna fluisterend: ‘Sorry mammezelleke, ’t is hier wat krap hé!’ ‘Ik vind dat niet erg hoor, da’s lekker warm!’ antwoordde ze glimlachend. Hij keek recht in haar bruine ogen en haar bolle lippen waren zo ongelooflijk dichtbij, dat een opkomende angst elke volgende stap in de weg stond. Een paar haltes verder verwarde ze hem nog meer toen ze met hese stem in zijn oor fluisterde: ‘Mijn naam is Rosie en ik neem elke dag deze tram. Misschien tot nog eens?’ De aarzelend aangebrachte zwarte schmink rond haar zaadvragende ogen wekte bij Fons een gevoel van ongebreidelde wellust op, maar zoals steeds, stopte hij dat snel heel ver weg. Hij glimlachte ietwat verlegen. De Fons zat op zijn hoge stoel te staren naar de ‘Purple Parade’, zoals hij dat smalend benoemde en vroeg zich voor het eerst af wat hij hier in feite zat te doen. De lopende band kwam uit de muur links van hem. Aan zijn rechterhand verdween die weer in een metalen bak tegen een andere muur. Rijen purperen tjoepkes passeerden de godganse dag de revue. De cuberdons kwamen uit het ‘démoulage’-atelier ernaast en met een soort speciale kam zette hij de mauve kegels netjes in rijen van acht, mooi uitgelijnd, anders liep de verpakkingsmachine vast. Dat was zijn welomschreven taak. Hele dagen lang. Al bijna twintig jaar lang zag hij die frambozenneuzen op de band voorbijschuiven. Ik heb het echt wel gehad, nu!, dacht hij verveeld. Hij overliep zijn eerste stappen in het arbeidscircuit. Zijn moeder vertelde hem op zijn veertiende dat zijn vader – die hij overigens nooit zag – de laatste tijd geen alimentatie meer betaalde. Hij zou daarom mee voor het huishouden zorgen, op school zitten kost alleen maar geld en dat hebben we niet. Hij kon meteen op leercontract beginnen bij de bakkerij om de hoek en kneedde daar een paar jaar deegklompen tot broden totdat de bloem hem een zware allergie bezorgde. De baas vond dat hij Fonske met die etterende puisten op zijn armen maar beter ver van zijn brood kon houden en besloot om zijn leercontract stop te zetten. Fonske vond dan werk als metsersgast, hij was al zestien toen, totdat hij op een dag met een pak bakstenen boven op een stelling zijn evenwicht verloor en zich nog maar net aan een metalen balk kon vastklampen. Terwijl hij daar twee verdiepingen hoog aan een reling zat te bengelen, volgden de bakstenen de wetten van Newton en kwamen terecht midden in een kinderwagen met een jankende tweeling die daar net voorbij geduwd werd. Fonske kon zich met moeite terug op de stelling hijsen, de tweeling zou eeuwig zwijgen en hij zat weer zonder baan.         En nog eens acht cuberdons en nog eens acht en nog … Met een glimlach herinnert hij zich hoe hij kort daarna - als aanstormende twintiger - roadie was geweest van The Pigs, een Antwerpse punkgroep. Dát was nog eens een prachtige tijd! Fonzie - zoals ze hem daar toen noemden, naar Happy Days, die Amerikaanse successerie met Henry Winkler en Ron Howard - moest de vrachtwagen met geluidsapparatuur mee helpen uitladen. Tijdens de concerten zelf had hij verder weinig om handen en zo kwam het dat hij gretig hapte als de bakvisgroupies met hem aanpapten. Omdat hij degene was die de aandacht kreeg en zelf niet de eerste stap moest zetten, beleefde hij gouden tijden. De giecheltrienen hadden er alles voor over om straks mee backstage te kunnen: hij kon in hun borsten en billen knijpen, zijn handen bezochten al hun geheime plekjes, ze lieten zich in de bloezen kijken, eentje deed hem zelfs binnen achter de geluidstoren terwijl de bassen in zijn nieren beukten. Maar er waren strenge instructies: hij mocht de kleedkamers niet in en mocht niemand doorlaten achter het podium. Nadat de vrachtwagen weer ingeladen was, waren de groupies weg, waarschijnlijk met de bassist of de geluidsman. Vijf maanden lang, een heuse wereldtournee, dwars doorheen het Vlaamse land! Fonzie voelde zich onwaarschijnlijk belangrijk. En dan splitte de groep, alle optredens werden afgezegd en Fonzie werd weer gewoon de Fons… ‘Alphonse! Je bent aan het slapen, man!’ Nu hoorde hij het alarm ook. Biep, biep, biep…  ‘Ja, sorry’ mompelde hij, ‘ik was er even niet bij met mijn gedachten.’ Het was Gilberte, de preutse toezichtster, die hem berispte omdat zijn aandacht verslapt was en hij de machine gevoed had met een paar slordige rijen rotcuberdons. Ook vorige week was dat meermaals gebeurd.        ‘Beschouw dit maar als een serieuze reprimande, Knaepkens!’ Hij kon er zijn aandacht niet meer bij houden. Het was op de duur zo afstompend en zenuwslopend, hij had er gewoon zijn buik van vol, hij kon ze niet meer zien die cuberdinges. ‘Reken maar dat dit de laatste verwittiging was; ik kan je slordigheid niet langer accepteren!’, beet ze nog na met haar bekakt Noord-Hollands accent. Nu werd het Fons echt teveel, hij voelde het bloed opstuwen in zijn slapen, een koude tinteling verlamde zijn handen, hij probeerde nog de volgende rij purperneuzen vlak voor de metalen ingang uit te lijnen, maar te laat: de volgende lading mauvelingen drongen zich ondertussen ook al op waardoor het hele verpakkingsproces in de soep draaide. De machine biepte driemaal en de lopende band viel stil. ‘Godverdomme, stom wijf,’ brulde hij, ‘ge maakt me orendul!’ Met een breed gebaar veegde hij alle cuberdons van de band, stond recht en riep ‘ik ben het kots, kotsbeu! Hier, doe het zelf!’ Hij gaf zijn stoel een ferme duw waardoor die omverviel, draaide zich om en liep naar buiten. Hij hoorde het spichtige scharminkel nog krassend krijsen dat hij niet meer hoefde terug te komen en dat hij morgen ‘zijn sjevier’ mocht ophalen. Opgewonden bleef hij even op stoep staan, zijn lederen jas in de hand. Het was bijna elf uur en zijn werkdag zat er al op, …en zijn baan ook! Hij merkte hoe opgelucht hij zich eigenlijk voelde. Eindelijk!   Fons was al kuierend het park aan de Brilschans ingewandeld en zat daar wat op een bank aan de vijver. Hij keek hoe eendjes opgeschrikt werden door een dartele uitzinnig blaffende hond. Hij stak een Gauloises op en zoog de rook diep in zijn longen. Met een diepe zucht blies hij de rook uit in de helderblauwe lucht en genoot van de warmte van de zon op zijn gezicht. Hij zou morgen of zo wel wat rond horen voor ander werk, maar vandaag zou hij nog wat genieten van zijn vrijheid, zie. Zijn moeder woonde wat verderop aan de Groenen Hoek. Hij zag haar eigenlijk niet zo graag, maar het was toch al sinds Kerstmis geleden dat hij daar nog geweest was. Fons woonde nog bij zijn moeder toen hij negentien jaar geleden bij de confiserie werd aangenomen. Het was uit gewoonte en het was goedkoop. Hij had geen vrienden, ging niet uit, maakte moeilijk contact met anderen en al zeker niet met meisjes. Niet dat hij bang was, maar hij vond zichzelf niet interessant genoeg. Hij gaf haar de helft van zijn loon voor ‘kost en inwoon’ en bracht regelmatig afdankertjes mee van de snoeperij zoals scheefgezakte cuberdons en verslenste chocolade­pralines. Na een paar jaar werd ze ontslagen en ging stempelen want ze had uitgeteld dat ze met de inbreng van Fons ruim genoeg hadden om rond te komen. Ze kwam nog amper buiten en ze snoepte de godganse dag. ‘s Middags had ze haar eerste glas rode port al binnen. Ze was moddervet geworden en haar gebit was verrot gesnoept. Ze zat de hele dag lang vormeloos uitgezakt naar onbenullige programma’s op televisie te staren. Fons was vijfentwintig toen hij haar op een dag aankondigde dat hij alleen ging wonen. Zijn moeder had toen een hele scene gemaakt, dat ze alweer verlaten werd, eerst de vader nu de zoon, ‘alle venten zijn egoïsten, vuile smeerlappen zijn het’ riep ze hem nog na terwijl hij de deur achter zich toesmeet met de bedoeling nooit meer terug te komen. Het was een vlucht, een opluchting maar toch ook weer een leegte. Maar ergernis slijt. En elke maand stortte Fons de helft van zijn loon en van zijn vakantiegeld en van zijn eindejaarspremie op haar rekening. Zonder mededeling. Ze spraken er nooit over wanneer hij af en toe, een paar keer per jaar toch wel, bij haar aanbelde, want zijn sleutel had hij bij wijze van afscheid, plechtig in het rioolputje voor haar deur laten vallen. Hij bracht dan telkens een grote doos met afgedankt snoepsel voor haar mee. Ze spraken weinig, de televisie stond luid te achtergronden en ze dronken een porto of twee. Hij hield zijn jas aan tot hij na een tijdje enigszins afwezig ‘zo, ik stap maar weer eens op’ zei, opstond en de deur achter zich in het slot liet vallen, zachtjes.   Fons belde na enig aarzelen aan bij zijn moeder. Het was haast drie uur. Zijn leven stond op een belangrijk kruispunt, dat wist hij gewoon.      De overgordijnen waren dicht. De lente werd deskundig buitengehouden. Met korte passen schuifelde hij somber achter zijn moeder aan, door de gang, tot aan de eetkamer. De muffe kamer rook naar oud kattenzand en verbruikte lucht. Met een diepe zucht plofte hij neer op zijn stoel. Nijdig schopte hij de kat weg die zich zeurend aan zijn voeten nestelde. Op de tafel waaraan hij jarenlang zijn huiswerk had gemaakt, stond een halve fles rode porto, een uitpuilende asbak en een vaas met stoffige witte zijden rozen. Hij haalde zijn pakje Gauloises uit zijn zak en peuterde er een sigaret uit. Hij klopte op tafel de tabak vast en stak ze op. Het kleine vlammetje vertelde hem dat zijn aansteker bijna leeg was, hij moest dringend een andere kopen, net zoals sigaretten, trouwens. Zijn moeder zette twee glazen op tafel - een portoglas voor hem en een groot wijnglas voor haar - en kwam tegenover hem zitten. Ze schonk beide glazen tot aan de rand vol met porto. ‘Flessengeluk’ zei ze.­            Hij vertelde hoe hij twintig jaar lang een paar duizend cuberdons per dag had zien voorbijschuiven. Dat waren verdorie twintigmaalvijfmaaltweeënvijftigmaaltweeduizend cuberdons, meer dan tien miljoen mauve tjoepen, schrikkeljaren niet meegerekend. En iedere dag dezelfde weg naar de snoeperij, en ’s avonds diezelfde weg weer terug. Maar nu niet meer. Die tijd was voorbij. De lappenkat sprong op de stoel naast hem en mauwde om aandacht. Hij wuifde ze weg, hij haatte katten. De televisie stond zoals gewoonlijk veel te luid. Hij moest ook steeds luider spreken, zijn moeder hoorde niet zo best meer. Hij nipte aan zijn glas en stak nog een Gauloises op. Ze had hem bijna apathisch laten uitspreken, maar besefte dat zij haar geruststellend maandelijks inkomen en de zoethouders kwijt was. Ze steunde moeizaam recht, in haar ene hand de lege fles porto, met de andere hand haar gewicht opduwend en dan gebeurde alles razend snel: haar mollige hand schoof samen met het tafelkleed van de rand, ze verloor het evenwicht, de fles maakte een boog door de kamer, ze probeerde nog houvast te vinden aan de tafelrand maar tolde molenwiekend om haar as. Ze viel languit achterover met een droge krak tegen de omvergevallen stoel. Zijn moeder lag daar wezenloos op de harde keukenvloer. Ze keek haar zoon aan met opengesperde angstige ogen, de mond vertrokken in een pijnlijke grimas. Fons keek verveeld op en stond langzaam recht. Ze wees naar haar heup en kreunde: ‘Bel den 100 manneke, ik denk dat er iets gebroken is!’. De rotkat wou weer geaaid worden.        Een kwartier later was de ziekenwagen daar. Het kostte de ambulanciers heel wat moeite om zijn moeder op de brancard te krijgen, het bleek uiterst pijnlijk te zijn en haar gewicht hielp niet mee. Fons bleef alleen achter.      ***  In de keuken staat een volle fles rode porto. Hij schuift de gordijnen open en zet het raam in de kipstand. Hij schenkt zijn glas vol en steekt een Gauloises op. Vervolgens laat hij zich vergenoegd in 'haar' zetel vallen. De televisie heeft hij al eerder uitgezet. De kat springt op zijn schoot en miauwt. Hij legt zijn hand op haar kopje en ze begint zachtjes te ronken. Hij laat zijn hand wat zakken en masseert haar nek, net achter de oortjes. Het beest ronkt nog harder. Zijn hand zakt nog iets en hij voelt de halswervels tussen zijn duim en wijsvinger. Het is een mager scharminkel. Zo zit hij daar een poosje, hij laat zijn gedachten de vrije loop. Ten slotte doet hij zijn sigaret uit en staat recht terwijl hij de kattin met één hand tegen zijn borst houdt. Hij loopt rustig door de keuken naar het achterhuis waar de badkamer is. Dan staat hij stil voor de wastafel, kijkt naar zichzelf in de spiegel en glimlacht. Hij plaatst de rubber stop in de wasbak en draait de kraan open. Het beest verkrampt bij het zien van het water, maar hij draait zich om en sust haar meteen door nog wat te aaien en achter de oortjes te krabben. De wasbak is nu bijna vol en achter zijn rug draait hij de kraan dicht om meteen het aaien te hervatten. Zachtjes hervat hij zijn massage, eerst achter de oortjes daarna rond het tengere nekje. Het komt er nu op aan om snel, resoluut en feilloos te handelen. Zoals steeds, heeft hij zijn lederen jekker aangehouden en dat zou nu goed van pas komen. Hij draait zich om, kijkt nog even naar zijn spiegelbeeld, voelt met zijn vingers de halswervels en met zijn duim het strottenhoofdje. Rustig maakt hij een vuist. Hoe harder hij knijpt, hoe meer het beest begint te spartelen. Hij knijpt nu uit alle macht en duwt met een snelle beweging haar kop in het water. De kat klauwt tevergeefs in het rond, hij geeft geen krimp en blijft hard knijpend met zijn hand onder water. De klauwen haken in het leer, het water spat in het rond, hij zou dat straks wel allemaal opruimen, straks nadat hij het kreng in een vuilzak zal gestoken hebben. Minutenlang staart hij naar de spiegel.     Het spartelen wordt minder heftig, het weerbarstige beest verslapt en het ruikt plots heel erg naar stront.   Hij doet het natte lijkje in een plastic Lidl zak, knoopt die dicht en steekt hem in een andere en zwaardere Carrefour zak . Dan ruimt hij de wasplaats netjes op, wast de lege glazen en leegt de asbak. Daarna zet Fons het raam in het achterhuis op een kier, zodat het zou lijken of het poesje ontsnapt was en misschien een nieuwe thuis gevonden had in een paradijselijke tuin van een villa, wat verder in de straat…   Alphonse Knaepkens trekt de deur zachtjes achter zich dicht, wandelt terug naar de Brilschans en laat daar de Carrefour zak in een vuilnismand vallen. Dan loopt hij het park uit tot aan de Grote Steenweg waar hij de tram naar het centrum neemt. Hij stapt af aan de Groenplaats en slentert het plein over, zijn versleten joggingschoenen achteloos op de kasseien potend, zijn te grote grijze bevuilde joggingbroek rimpelend bij elke aarzelende stap. Met de blik op oneindig slentert hij tot aan de zitbank voor taverne Rubenshof. Hij plant zich voor de enige vrije zitplaats en laat zich met een zware zucht neerzijgen tussen een liefkozend koppeltje en een oudere vrouw. Door het flanel van zijn broek zie je het vet op zijn billen nog even lillend natrillen. Hij haalt een gekreukt pakje sigaretten uit zijn zak, vist er moeizaam met zijn gezwollen vingers een sigaret uit, en merkt dat zijn aansteker nu echt wel bijna leeg is. Hij vult zijn longen met rook, houdt even de adem op en laat vergenoegd de rook tussen zijn lippen ontsnappen. Wat verder pikken een aantal duiven naar wat broodkruimels...

Guy Lejeune
0 0

Potentie

Een meisje met een hoofddoek stapte op en balanceerde met haar rugzak in het gangpad. ‘Mag ik hem onder de zetels schuiven?’ vroeg ze. Ik tilde mijn voeten op, zij schoof. Toen ze ging zitten mengde haar frisse buitengeur zich met het stof uit de zetels. Ze haalde een rolletje muntjes uit haar zak en bood het mij aan, ‘Ik ben Sara.’   Stef had mij naar het busstation gebracht. Hij vroeg hij of ik echt naar dat congres moest. Ik zei van wel. ‘Ik ga je missen,’ zei hij, ‘ En van de knappe mannen op de bus afblijven.’ Als Stef op zakenreis is, slaap ik in een T-shirt dat nog ruikt naar zijn parfum. Ik vraag mij af wat hij vanavond doet. ‘Maak je geen zorgen,’ glimlachte ik, ‘het zijn gewoonlijk reptielen met een tatoeage en een moeraslucht.’   Omdat ik nooit helemaal zeker ben van mijn adem, pakte ik een muntje aan. Ik vermoed dat Sara onze vriendschap daarmee als geopend beschouwde want binnen de kortste keren wist ik dat ze net zoals ik nog geen maand geleden getrouwd was en dat ze haar man achterna reisde naar Montpellier.   Ik vertelde niet dat ik ben op weg was naar mijn achilleshiel. Sinds ons Erasmusjaar in Madrid stuurden we elkaar plagerige mailtjes. Heel af en toe lukte het om hem te bezoeken. Dan was het vuurwerk in pasteltinten. We aten aan wiebelende tafeltjes op een binnenplaast waar kleurrijke lampionnen in een plataan hingen. Instagram met een retro filter.   Ik pleit onweerstaanbare drang. Als ik bij hem ben, ben ik een andere versie van mezelf. Maar achilleshiel of niet, ik had hem niet op ons trouwfeest moeten vragen. Hij gaf ons een eikenhouten miniatuur van een eik en ging heel vroeg weg. Sindsdien was het anders. Ik wou hem zien.   Tijdens een nachtelijke stop dronken we thee en aten croissants. Wie af en toe knikt lijkt empathisch, dus ik zat het hele verhaal van Sara’s huwelijksfeest uit. Ze proefde het woord ‘echtgenoot’ en gebruikte het in elke zin, alsof ze het wilde testen. Hoewel het triest wegrestaurant was, merkten we aan de de croissants dat we vlakbij Parijs waren. In België bakken ze iets dat er nog vaag op lijkt, in Nederland is het een kwestie van volksgezondheid om op afstand te blijven. Nadat we de laatste schilfers hadden opgepikt met een vochtige wijsvinger, wachtten we op elkaar bij de stinkende toiletten.   ‘We willen binnenkort aan kindjes beginnen,' glunderde Sara terwijl ze haar handen droogde, 'Ik heb een zwangerschapstest gekocht om hem cadeau te doen.’ Ze fatsoeneerde haar lippen met een bordeaux lippenstift en haalde een flesje parfum uit haar handtas. De geur van chloor en urine waren al tastbaar in de bunker waarin de toiletten zatern, maar toen Sara haar parfum verstoof, kreeg ik het benauwd. In twee grote gulpen kwamen mijn thee en croissant er weer uit, over mijn voeten en op de vloer. ‘Shit,’ riep Sara, ‘Mijn god.’ Ik was zelf verbaasd en stapte langs de plas naar de wasbak. Sara deinsde zachtjes achteruit. Ik spoelde mijn mond, droogde hem en depte mijn schoenen zo goed mogelijk droog met papieren handdoekjes. Als een ballonnetje dat ontplofte in mijn hoofd, daagde het mij terwijl ik het zei, ‘Ik denk dat ik zwanger ben.’ ‘O,’ zei Sara, ‘Proficiat. Heb je al getest?’ Ik schudde van niet. Alsof we beste vriendinnen waren, zocht ze in haar handtas en gaf mij haar zwangerschapstest. Er zaten smalle roze en blauwe lintjes rond. Ze wees naar een hokje, ‘Hup, testen!’   Op ons trouwfeest kregen we een kleine eik uit eik. Ik vond dat triest toen. Eik kan bijna alles worden, waarom moet hij dan weer eik worden? Een klein eikje dan nog. Ik nam mijn telefoon, zocht zijn naam en schreef: ‘Kom ons halen, we zijn in Parijs.’

Tine Tytgat
0 0

Ver

Lourmarin: het bleef een lieflijk gezicht. Ik parkeerde dicht bij het kasteel en begaf mij eerst naar café Gaby. Het terras nodigde mij aanlokkelijk uit. Veel plaats was er niet meer. Het kleine dorp trok vele toeristen aan en er waren maar een beperkt aantal zitplaatsen te begeven. Ik behoorde tot de happy few en was niet van plan het eerstvolgende uur mijn zuurverdiende zitje af te staan. Het was altijd amusant het komen en gaan van de wandelaars te bekijken. Meestal was het ook grappig, zoals met die sjieke Amerikaanse dame die geen weg wist met haar dure huur-Mercedes-Benz (ik dacht aan het gelijknamige liedje van Chuck Berry). Mevrouwtje was blijkbaar gewend te parkeren zoals in haar thuishaven met zijn oversized parkings bestemd voor oversized limousines en dat lukte hier natuurlijk niet in dit piepkleine dorpje. Ik bestelde aan de garçon, die er eerder uitzag als een overjaarse gigolo, een frisse pint en une tarte aux poireau. Het heerlijk blonde gerstenat deed deugd, nadat ik de zon zolang gekoesterd had, en was op een wip opgedronken. Toen kwam het eenvoudige, maar lekkere preitaartje en dus vroeg ik ook maar een begeleidend glaasje witte wijn. Ik kreeg het terstond. Het was boordevol, zodat ik er eerst een slokje uit moest puren zonder het vast te nemen. Zonde om er maar een ietsje van te verspillen, dacht ik. Na mijn kleine lunch en een volgende blanc de blanc, strekte ik weer de benen om een bezoekje te brengen aan een mooie geschenkenwinkel. Het was nog steeds dezelfde oudere, deftige Franse dame die haar boetiek uitbaatte. Ik snuisterde wat rond, toen een grote, slanke jongedame met kort zwart haar, gekleed in een lange zwarte zomerjurk, kwam binnengestapt. De dames kenden elkaar en spraken over koetjes en kalfjes. Wel viel mij op dat de mademoiselle een opvallend, buitenlands accent had, dat ik niet direct kon thuiswijzen. Ze verdween opnieuw en een opgetutte en platinablonde Amerikaanse kwam binnen, vroeg wat uitleg omtrent een zilveren theeservies en verdween weer. Ik naderde de kassa en zei tegen de bazin dat ik hier vorig jaar nog geweest was en een fotokader had gekocht. We hadden toen nog een levendig gesprek gevoerd. “Ik dacht, toen u binnenkwam, dat ik u al eens ontmoet had,” zei ze. Ze verwees naar de vorige bezoekster: “Het krioelt hier van de Amerikanen,” merkte ze op, “en ze drijven de prijs van het onroerend goed naar onwerkelijke hoogtes.” Dat had ik inderdaad gemerkt als je in de vitrines keek van de vastgoedmakelaars. Een miljoen euro’s waren niet moeilijk kwijt te geraken. Ik nam afscheid van de vriendelijke dame en begaf mij naar de kunstgalerij die er tegenover gelegen was. Ik staarde onmiddellijk in de donkerbruine kijkers van la jeune femme en noir. Zij was het dus die de galerij uitbaatte. Twee kunstenaars stelden tentoon: een beeldhouwer en een schilder. Le sculpteur maakte enig mooie, menselijke figuren in brons. Ware het niet dat ze zeer prijzig waren, dan had ik graag zo eentje een plaatsje in mijn living willen bezorgen. Le peinteur was Daniel Brousse en zijn werken waren echte parels van de aquarelkunst. Dat heeft natuurlijk zijn prijs. De originelen waren voor mijn beurs onbetaalbaar, maar je kon er ook reproducties, met beperkte oplage, van kopen. En vermits ik nog een open plek op mijn livingmuur op te vullen had, was ik vlug bereid een relatief kleine som neer te tellen. De mooie dame pakte het ‘zicht over Lourmarin’ mooi in, en ze vroeg me waar ik vandaan kwam. “België,” antwoordde ik. “Dat was één van de mogelijkheden waar ik rekening mee hield,” lachte ze me gul toe. Er ontstond een klein brandje binnen in mezelf en ik dacht: pour un flirt avec toi, je ferais n’importe quoi, pour un flirt avec toi. Zij was, je gelooft het of niet, van Alaska. Na een vakantie in de Provence had ze besloten zich hier te vestigen en een galerie d’art te openen. Van het noordelijke Alaska (véél noordelijker kan bijna niet) naar dit zuiderse land moest toch een hele stap betekend hebben. “Maar daar heb ik totaal geen moeite mee gehad,” lachte ze breed uit.Met zo’n smile kom je natuurlijk ver. En ze kwam van ver.Ik was tijdens deze vakantie vele Amerikanen tegen gekomen. Zij was veruit de aantrekkelijkste. By far.

Marc M. Aerts
0 0

Een dag uit het bestaan van Kalypta

Vrijdag 13 juni 2014 Het hele restaurant verstijfde toen hij binnenkwam. Hij zag er dan ook angstaanjagend uit. Een gloeiend rood litteken liep van zijn haarkruin over zijn helblauwe oog tot in zijn nek, waar zijn dikke zwarte haren waren samengebonden met een felrood lint. Hij droeg een bruinleren mouwloos hemd, zodat de drakentatoeages die over zijn gebruinde biceps slingerden duidelijk opvielen. Eronder droeg hij een pikzwarte pofbroek die eindigde in zware leren laarzen. Maar dat was niet waar iedereen naar staarde. Om zijn middel spande een brede donkerbruine riem waar een verscheidenheid aan messen instak. En aan zijn linkerheup hing een lus waarin een zwaard stak dat zo breed en krom was dat het er levensgevaarlijk uitzag. De blauwe ogen van de man flitsten over alle inzittenden en toen liep hij op zijn dooie gemak naar een leeg tafeltje voor twee en plofte neer op de stoel, zijn ogen op de deur gericht. Het duurde even voor de mensen zich weer herinnerden hoe te ademen. Een ober die plots besefte dat hij dienst had, ging met knikkende knieën naar de man toe en vroeg met trillende stem: ‘Wilt… wilt u iets drinken, meneer?’ Hij kreeg een onderzoekende blik terug waar hij zich duidelijk ongemakkelijk onder voelde, want hij deinsde achteruit. ‘Bier,’ zei de man met een zware raspende stem. De ober knikte en maakte zich uit de voeten. Geen van de aanwezigen durfde te bewegen. De enkeling die het toch waagde zijn vork op te nemen omdat zijn hongerige maag en het dampende gerecht voor hem hem moed gaven, liet die kletterend weer vallen na een oplettende blik van de man. Zelfs toen hij zijn bier gekregen had, bleef hij alles en iedereen in de gaten houden. De spanning was te om snijden en even scherp als het zwaard van de man. Toen ontsnapte er een verschrikte kreet aan een vrouw die bij het raam zat. Iedereen keek naar haar, en naar een klein meisje dat met grote ogen naar de man toe schuifelde. ‘Noortje, kom terug,’ smeekte de vrouw, maar niemand durfde een vin te verroeren om het kind te onderscheppen. Ze sloop nieuwsgierig, maar behoedzaam dichterbij tot ze vlakbij de grote man stond. Ze nam hem op van kop tot teen en vroeg toen met een fijn iel stemmetje: ‘Ben jij een piraat?’ Iedereen hield zijn adem in. De man draaide langzaam zijn hoofd tot zijn felle ogen op het kind vielen en zei met barse stem: ‘Nee.’ Het meisje schrok, maar bleef toch staan. ‘Welles,’ zei ze. De man zette met een klap zijn glas op tafel. Hier en daar klonk een gesmoorde kreet of kreun. Hij bracht zijn gezicht tot vlakbij het meisje. ‘Waarom?’ vroeg hij. Ze wees met trillende vinger naar het litteken. ‘En de tekeningen.’ Ze wees naar zijn armen. ‘En je zwaard.’ De man keek het meisje lang aan, leunde toen achterover en zijn mondhoeken plooiden in een grijns. Het litteken trok scheef mee, wat zijn gezicht er niet mooier op maakte. Er klonk een algemene zucht van opluchting. ‘Geen zwaard,’ zei hij, ‘zwaarden zijn recht. Dit is een Skmitar.’ ‘Smitaar?’ ‘Skmitar.’ ‘Mag ik kijken?’ Dat was de druppel voor haar moeder, die het bestierf van de zenuwen. Ze stond bruusk recht en zei met scherpe stem: ‘Nora Verbiest, kom nu onmiddellijk hier!’ Het meisje keek verbaasd om, alsof ze uit een droom ontwaakte. ‘Niet boos zijn, mama,’ zei ze ontwapenend, ‘ik wil alleen maar die sminkar zien.’ Haar moeder wilde antwoorden, maar zweeg geschrokken toen de man zijn kromzwaard met een vlotte beweging uit de schede haalde. Hij legde het op het tafeltje en Noortje kroop op de andere stoel om beter te kunnen kijken.  Ze liet haar kleine vingers over het koele staal glijden en voelde voorzichtig aan de scherpe randen. Haar ogen glinsterden toen ze opkeek naar de man. ‘Jij bent geen piraat,’ zei ze. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Wat dan wel?’ ‘Wachter.’ ‘Wachter?’ Ze dacht na. ‘Op wie wacht je dan?’ De man grijnsde opnieuw, maar keek het kind toen heel oplettend aan, zijn wenkbrauwen gefronst. Hij boog naar haar toe en fluisterde in haar oor: ‘Op jou.’ Noortje schoot geschrokken recht en wat er toen gebeurde, deed menig mond openvallen van verbazing. De donkere man stond op en knielde voor het meisje dat op de stoel stond. ‘Ik ben uw dienaar,’ zei hij plechtig. ‘Mijn Skmitar en mijn leven zijn de uwe, vrouwe Kalypta.’

Lyne Uytterhoeven
38 0

Vertrokken en vertrekken

Mijn auto betrad voorzichtig de kiezels van de oprijlaan, en we naderden Château La Canorgue. Ik parkeerde links onder de oude platanen en merkte op dat ik niet alleen was. Er stonden nog twee auto’s, één met Zwitserse en één met Franse nummerplaat. Ik ging de poort binnen en stond op een kleine binnenplaats. Rechts was er een deur die toegang verschafte tot la chambre de dégustation. Ik duwde het houten ding open en betrad het heiligdom. Dadelijk kwam ik oog in oog te staan met een jong Amerikaans koppel. Zij waren het met die huurauto met Frans kentekenbewijs. Het andere, wat oudere paar moest dan wel uit Zwitserland komen. Een mooie, voorname Franse dame trachtte de Amerikaanse jeugd op weg te helpen. De vrouwelijke kant van the American couple was de polyglotte, want zij deed al het vertaalwerk. Het waren hooguit mid-twintigers en ze zagen er uit als zijnde van (be-)goede huize. Hij vroeg telkens aan de kasteelvrouwe een bepaalde wijn te mogen proeven. De gastvrouw gaf tekst en uitleg in het Frans en de Amerikaanse vertaalde het voor haar boyfriend. Neen, getrouwd waren ze vast niet. Ik had de indruk dat hij het ganse wijnarsenaal wilde leegdrinken om daarna – zonder iets te kopen – goed beschonken verder te reizen met zijn vriendinnetje/tolk als chauffeur natuurlijk. Vrouwen kunnen nu eenmaal multitasken. Bij de pientere gastvrouw begon het te dagen en ze wendde zich tot mij. Ik vroeg de Viognier - mijn ontdekking van de avond ervoor - te mogen proeven. Geen probleem uiteraard. Hij was exquis. Tevens zag ik dat ze ook hun Chardonnay en hun rode wijn aanboden, dus vroeg ik ook die andere witte eens te mogen degusteren. Ook deze was voortreffelijk en had hetzelfde prijskaartje. Ik vertelde de châtelaine dat ik haar superbe wijn in een naburig hotelletje had gedronken en dit leek haar wel te bevallen. Ondertussen keek ik even rond in het wat wanordelijke maar gezellige kamertje. Ook de Zwitsers waren met hun proeverij gestart. Ze zagen er niet direct erg happy uit, maar ja die Zwitsers zijn meestal ook zo gereserveerd en ook niet echt vriendelijk te noemen. Anders was het gesteld met de Engelsman die kwam binnenwaaien. Hij hoefde helemaal niet te proeven. Hij wilde enkel zijn voorraad aanvullen. “Ik kom hier meermaals per jaar sinds ik mij hier in de buurt een mas heb gekocht. Hun wijn is uitstekend” verduidelijkte hij aan the American rookie en gaf hem een knipoogje. L’Americano bleef maar uitleg vragen en evenveel drinken. Ik wist genoeg en bestelde vier kartons Viognier. In een wip had de kasteelvrouw mijn bestelling klaar en ze deed er comme cadeau een fles Chardonnay bovenop. Een vrouw die haar wereld kent, dacht ik bij mezelf. Ik betaalde en laadde het bacchusvocht in mijn auto. De koffer, die ik vergroot had door de achterbank weg te kantelen, zat goed vol: een gedemonteerde mountainbike, een bijpassende valhelm, een voetpomp, een schilderij uit een galerie in Gordes, een pas gekochte windgong uit Maussanne, nog wat snuisterijen en dan de Viognier. De vlotte Engelsman kocht zes kartons rode wijn en weer was hij naar zijn Provençaalse woonstee vertrokken. De Zwitsers verlieten het kasteel. De man droeg een karton. Ze stapten in hun auto en vertrokken. Nog voor ik alles had ingeladen was het jonge koppeltje ook buitengekomen. “Het kost te veel om de wijn in Amerika te krijgen” zei het broekventje verontschuldigend tegen de vriendelijke kasteelvrouw. Ze trachtte geen spier te vertrekken.   Ik belandde, via een smalle zandweg, aan de achterzijde van het landgoed waar een vriendelijke man me begroette. Hij leek me wel de kasteelheer, weliswaar niet gekleed in fluweel en brokaat maar in een eenvoudige overall. Enkel op die manier kan je deze delicate wijn maken. Nog een nacht verbleef ik in deze heerlijke landstreek om dan naar huis te vertrekken.

Marc M. Aerts
0 0

Twee Amerikanen in Bonnieux

Mei 2000. Ik stuurde mijn autootje naar Bonnieux, een bergdorpje in de Provence dat geroemd wordt als één van de mooiste in Frankrijk. Het jaar voordien was het slechts een tijdelijke stopplaats geweest en nu wilde ik de kennismaking eens overdoen. Het stratenplan stond nog in mijn geheugen gegrift dus moest het de vorige keer toch indruk gemaakt hebben. Ik had nog enkele ansichtkaartjes van mijn vorig vakantieadres in een postbus te stoppen en toen ik deze had gevonden lachte een terrasje me toe. “Cela fait trois euros cinquante” zei het dienstertje tegen het Amerikaanse koppel tegenover me. De man betaalde met een briefje van twintig. “Hoeveel was het?” vroeg de vrouw aan haar echtgenoot. Hij zei niks en haalde zijn schouders op. “The waitress said it was three euros and fifty. Trois euros cinquante” vertrouwde ik, enigszins stout, de Amerikaanse toe. “Oh, thank you,” zei ze vriendelijk maar wat verbouwereerd. Ik bleef vrijpostig: ”That’s the advantage of being Belgian, we speak any language”. Ik geef toe, ik overdreef een beetje, maar ja ik was ver van thuis en niemand, buiten het Amerikaanse koppel, hoorde mij dat zeggen. “Is that so?” vroeg ze zich wel degelijk af.Ik kon er niet aan weerstaan om ééntalige Amerikanen eventjes te wijzen op onze polyglotte opvoeding in het kleine België. “Have you ever been to America?” had ze graag geweten. Ik knikte. “Wij wonen in Washington,” zei ze, “it’s a beautiful city”. Dat wilde ik graag geloven. “Nu gaan we naar Ménerbes waar deze schrijver heeft gewoond” en ze wees naar het boek op tafel ‘A year in Provence’. “Is Peter Mayle dan verhuisd?” vroeg ik. “Jaja,” zei ze.“Waarschijnlijk kreeg hij teveel bezoek van uw landgenoten” repliceerde ik op een alweer stoute manier. Maar mijn boude uitspraak viel in goede aarde en het koppel kon erom lachen alhoewel ik ze ervan verdacht mij in hun hoofd als brutale vlegel te verwensen. Wijselijk verborg ik mijn verlegenheid dat ook ik, zoals zovele Amerikanen, Engelsen, Hollanders en ga zo maar door, deze streek pas echt had leren kennen door de boeken van deze gewezen Engelse reclameman. Maand na maand beschreef hij in zijn befaamde roman de lotgevallen van hem en zijn vrouw tijdens de eeuwigdurende opknapbeurt van hun lieflijke Provençaalse woonstee. Tijdens het lezen van het boek kreeg je algauw zin om je wagen, de trein of een vliegtuig te nemen hier naartoe. Ik toch. “Enjoy your stay here,” zei haar echtgenoot en rechtte zijn rug. De dame uit Washington stond ook op en knikte instemmend. Ik bedankte ze en wenste hen hetzelfde toe. Ze begonnen aan hun volgende kleine trip. Dat hadden ze dan van de Europeanen geleerd. Zij maakten niet dezelfde fout als de meeste van hun landgenoten met hun: ‘if it’s Tuesday, this must be Belgium; if it’s Thursday this must be Rome …’

Marc M. Aerts
0 0
Tip

Het raadsel

In de verte klinkt een sirene. Brandweer, of politie, of een ambulance. Hij weet dat je ze kunt onderscheiden – twee- of drietonige hoorn, zoiets was het – maar hem lukt het nooit. Hij weet zoveel niet. Meer niet dan wel. Ja, onbenullige zaken, die onthoudt hij. Dingen waar je niks aan hebt. Dat een gemiddeld struisvogelei anderhalve kilogram weegt. En de hoofdstad van Burundi is Bujumbura. Maar waar Burundi ligt, dat weet hij dan weer niet. Gelukkig denkt hij daar nu niet aan, anders moest hij dat eerst opzoeken voor hij ook maar iets anders zou kunnen ondernemen. Soms zit hij uren achter zijn computer, op zoek naar wetenswaardigheden. Dat is heel vermoeiend, maar alleen zijn eetlust kan hem dwingen om te stoppen: de honger naar voedsel is sterker dan die naar kennis. Achter zijn computer eet hij niet, vanwege de kruimels in het toetsenbord. Daarna doet hij zijn jas aan, voor een lange wandeling. Die eindigt steevast in een onooglijk café, met sanseveria’s op de vensterbanken. Het is een café voor oude mensen. De gemiddelde leeftijd van de drie overige vaste klanten schat hij op vijfenzeventig jaar. Hij heeft daar als twintigjarige niets te zoeken, maar iedereen is aan hem gewend geraakt en ze hebben ook wel gezien dat hij geen normale jongere is. Een jongen van twintig die urenlang achter de vrouwentongen gaat zitten, een vergeeld kladblok op het Perzisch kleedje voor zich. Een jongen die zich inbeeldt dat hij schrijver is, maar nog geen letter heeft geschreven. En dat waarschijnlijk nooit zal doen. De barjuffrouw brengt hem ongevraagd elk half uur een kop slappe koffie. Die drinkt hij in gedachten verzonken, zonder melk en suiker, maar hij roert er wel altijd in, soms wel vijf minuten lang. Het lepeltje klingelt vrolijk tegen het hotelporselein. Het komt voor dat hij pas stopt met roeren als één van de klanten heeft gevraagd of de bodem er soms uit moet. Volgens de barjuffrouw is er weer ergens fik. Ze beweegt zich met een hollende tred naar het raam, tilt de geplooide vitrage wat omhoog – meer uit gewoonte dan uit noodzaak, want met haar één meter vijftig kijkt ze er zo onderdoor – en poetst met haar wijsvinger twee kijkgaatjes in de beslagen ruit. Ja, er is ergens fik. Ze zag de rode brandweerauto nog net de brug over razen. De oude mannen interesseert het niks. Zolang het café niet in lichterlaaie staat is er niets aan de hand. De jongen kijkt wel met haar mee, maar zijn ogen staan zo apathisch dat ze ook van hem geen bijval kan verwachten. Ze blijft nog even staan kijken, naar de grauwe straat, de grijze lucht en holt dan in slow motion terug naar de toog. Na vier koppen koffie houdt hij het voor gezien. Hij schuift het kladblok in de binnenzak van zijn jas, betaalt gepast en vertrekt. ’s Avonds kijkt hij naar quizzen op de televisie. Meestal kan hij vrijwel alle vragen beantwoorden, soms is hij zelfs beter dan de superspecialisten die alles weten van Marilyn Monroe, de architecten van de Amsterdamse school, de bisamrat, of de Vlaamse primitieven. Daarna volgt hij de actualiteitenrubrieken en de praatprogramma’s waarin politici, bekende Nederlanders en deskundigen discussiëren met verveeld kijkende presentatoren. Boeken leest hij niet. Dat kost te veel tijd en het ontmoedigt. Na het late journaal gaat hij naar bed, het kladblok paraat op zijn nachtkastje. De volgende dag zit hij weer bij het raam, op zijn vaste plek. De barjuffrouw vindt hem veel te jong voor een vaste plek. Ze moet er niet aan denken dat hij daar de komende vijftig jaar nog zit. Niet dat ze van plan is om zelf nog zolang te werken, maar het gaat om het principe. Voor het eerst spreekt ze hem aan. Ze vraagt hem of hij ooit wel eens iets opschrijft, in dat kladblok van hem, of hij soms schrijver is. De jongen legt zijn smalle hand op het vergeelde papier, alsof hij een obscene tekening probeert te verbergen. Hij heeft het kladblok zomaar bij zich, voor het geval hem iets te binnenschiet. De barjuffrouw heeft iets venijnigs in haar mond klaarliggen, maar ze bedenkt zich en perst haar violette lippen op elkaar. Als alternatief grijpt ze de balpen van het persje en maakt razendsnel een krabbel op het inferieure papier. De jongen moet raden wat het is. Bijna geschokt staart hij naar twee concentrische cirkels in het midden van een rechte streep. Het lijkt of hij gaat huilen. De barjuffrouw tilt onverschillig de vitrage omhoog, vraagt of hij al een idee heeft. ‘Het is een Mexicaan in een kano, van bovenaf gezien,’ zegt hij. ‘Een Mexicaan met een sombrero.’ ‘Gefeliciteerd,’ zegt ze tegen de beslagen ruit en tegen de mannen bij het biljart: ‘En Pierre, wat heeft hij gewonnen?’ ‘Een geheel verzorgde voetreis naar Rome op eigen kosten,’ zegt een man met blauwe vingers. Pomerans, denkt de jongen, het topje van een keu heet pomerans. Iedereen lacht schor. De barjuffrouw grinnikt een triest geluid en laat hem alleen bij het raam. Een dag later komt hij niet langs en de week erna ook niet. De barjuffrouw kan er niet echt mee zitten. Hij was niet bepaald een big spender en echt gezellig kon je hem ook niet noemen. Wat haar wel een beetje dwarszit, is dat zijn wegblijven waarschijnlijk het direct gevolg is van haar gekras in zijn smetteloze kladblok. Het voelt alsof ze hem heeft weggejaagd. Ook één van de oude mannen is het opgevallen dat de jongen er niet meer is, maar het blijft bij een gemompelde constatering van de lege stoel bij het raam. De jongen maakt nog steeds lange wandelingen, maar hij vermijdt het café. In plaats daarvan pauzeert hij op een bank in het park. Als het regent of het te koud is, loopt hij zonder te rusten direct naar huis. Het kladblok heeft hij weggegooid. Hij heeft geen nieuwe gekocht, want dat heeft geen zin. Alles is toch al geschreven.

Grand Foulard
78 0

Nagellak

Ze verschiet.  De tv aan, betrapt.  Tv uit. Sigarettenpeuk weg, geurkaarsen voorzichtig aan. Kauwgum? Op. Ze stak de bijna uitgekauwde kauwgum die bij het thuiskomen op haar onderleggertje van haar glas terechtgekomen was, terug in haar mond. Zat toch nog wat smaak in. Ze ambieert ambitie, want ambitie hoort, toch als ze wil beantwoorden aan het profiel dat ze voor zichzelf vooropgesteld heeft.  Als ze wil dat anderen haar zo zien, dat anderen haar graag zien.   //   "Ja nee, kom maar binnen,... Wacht ik doe open."   Ze liep met halfgelakte nagels verward de trappen af, maar zorgde ervoor dat hij in niets zou merken dat ze niet volledig de vrouw was die hij tot nu toe dacht dat ze was.  "Ik heb nog eens nagedacht over wat ge vorige week poneerde op café, ik geloof dat ik toch die man kan zijn." Zei hij zonder op te merken wat er nu in haar moest omgaan.   "Vanwaar die ommekeer?" Probeerde ze dapper "Gij gaat nooit worden wie ge zoudt moeten geworden zijn. Gij gaat nooit leven naar uwe blauwdruk, naar wat eruit komt als ge zat zijt..."   Ze voelde dat haar woorden niet de woorden waren die ervoor zouden zorgen dat ze zou bekomen wat ze wilde, maar de omkadering om wel die woorden te vinden was ver zoek...   Haar nagels waren nog steeds niet helemaal droog, ze moest oppassen dat haar nieuwe jeans, de muur, of de voordeur zodadelijk niet volhingen. Haar frigo zat vol zaken die ze zogezegd nooit zou kopen, bio was afwezig, hoe lang geleden was ze nog bij die boer geweest voor seizoensgroenten en de bakskes noedels stonden nog op het salontafeltje. Toch hadden haar woorden een ander effect dan datgene wat ze had gehoopt -zachte zinderende seks afgewisseld met filosofische gesprekken eindigend in een evenwichtige relatie volgens haar normen- of verwacht -hij die zwijgend zou vertrekken, voorgoed.   "Komaan, ik ben niet helemaal tot hier gekomen om zonder meer te horen dat ik nooit zal worden wat eruit komt als ik zat ben?" Hij zag er opeens zo echt uit, zijn ogen waren gefocust, hij kwam met een doel.  "Ok, misschien kan ik niet mee in uw nieuwe manier van leven, misschien moet ik het materialisme laten varen, maar daarom heb ik u toch net nodig. Zie het als een kans om iemand te bekeren."  Zijn lip krulde, hij zou nu overgaan naar de lossere babbel. "Wij hebben elkaar toch nodig?"   Zij wilde meer, iemand om naar op te kijken, iemand die haar zou inspireren, een goeroe -maar dan onzweverig en knap- een man die zonder meer weet waarom hij hier is; om de wereld samen met haar te verbeteren. Maar elke keer trapte ze weer in de val, bij hem, bij anderen, bij zichzelf.  Zij was op dit moment diegene die zij hem verweet te zijn... God weet hoe ze haar eigen blauwdruk ooit nog terug zou vinden.   "Wij hebben elkaar nu misschien nodig, maar moeten wij elkaar nodig hebben?  Geen deftige reden om er samen voor te gaan lijkt mij". Klote, een veeg nagellak kwam tegen haar jeans. "Is nodig hebben dan niet genoeg?" "meent ge die vraag?" "ik heb uw nodig of nood aan u, beter zo?" "nood aan mij?" "Moeten we weer die toer op, laat het los Isolde" "U loslaten zult ge bedoelen.   // Plots zaten zijn handen in haar haar.  Dit was eigenlijk onverwacht interessant, omdat hij meestal zonder meer een volger was. "Uw handen zitten in mijn haar" benoemde ze snel, omdat benoemen het enige was wat haar nu nog even de houvast gaf die ze nodig had.   //   Haar haren tussen de noedels, zijn lijf zalig warm.  Eindelijk binnenin.

M A R T H E
0 0
Tip

Binnengluren

‘Wil je even kijken?’   Hij kijkt me aan met grote vragende ogen, glimmend van trots. Onbevangenheid, dat is misschien nog wat ik het meeste mis. Blij zijn om het hier en nu, zonder zorgen om de toekomst of bitterheid door het verleden. Hij kan het nog, ik zie het aan zijn open lach. Maar vast niet lang meer, want het valt me op hoe groot hij wordt. En hoezeer hij op mij lijkt. Ze zeggen dat al lang, mijn moeder, mijn tantes. Ik vond het altijd onzin, maar nu zie ik dat ze gelijk hebben: hij lijkt op mij, heel erg zelfs. Ik lach en buig me naar hem toe, natuurlijk wil ik kijken. Hij geeft me de schoendoos en wijst me de uitsnijding aan, in het midden bovenaan: ‘Hier moet je door kijken.’    Ik verwacht me aan dino’s, of ridders, een maanlandschap vol kraters en buitenaardse wezens. Maar ik schrik wanneer ik in de kijkdoos gluur. Ik herken mijn eigen woonkamer, nagebouwd tot in het kleinste detail. Alles staat er zoals het er al jaren staat: de tafel in het midden met de zes stoelen, de televisie, de sofa, de kamerplant in de hoek, het dressoir compleet met de twee Ming vazen, het aquarium met de guppy’s en de zebravisjes. Op de sofa zitten een man en een vrouw, zijn hand op haar dij. De vrouw herken ik, wie de man is weet ik niet. Ik weet alleen dat ik het niet ben. Aan het deksel van de schoendoos heeft hij een jongen geplakt, hoofd naar beneden. Een zweem van surrealisme in de anders zo perfecte kopie.   ‘Het is prachtig, ik herken het helemaal. Je hebt er vast lang aan gewerkt?’ Hij knikt. ‘Heb je mij gezien?’ ‘De jongen aan het plafond? Waarom heb je jezelf zo erin geplakt?’ ‘Omdat ik altijd gek doe, toch? Gek doen is grappig.’ Ik glimlach. ‘Dat is het zeker, er wordt te weinig gelachen in het leven.’ Ik aarzel even maar zeg het dan toch: ‘Het is een mooi tafereel. Mama ziet er ook gelukkig uit.’ Zijn gezicht betrekt, zijn ogen kijken langs me heen. ‘Ze huilt ook vaak. Niet alles is wat het lijkt, papa.’ Ik schrik, van wat hij zegt maar nog meer van hoe hij het zegt. Tot zover de onbevangenheid. Negen is hij, en toch voel ik me plots het kind.   De hele tijd heb ik hun ogen door het glas op mijn rug voelen prikken. Nu gaat de deur open. ‘Het bezoekuur zit er op, meneer Leo. Neemt u afscheid van uw zoon?’

Lennaert Leo
13 1

Aangevuurd

De avondklok luidde en weergalmde door het ventilatiesysteem zodat het zich verspreidde door alle kamers. Het einde van de dag voor de meeste onder ons. Ik hoorde vanuit de meisjeskamer de grote metalen achterdeuren openen. De jongens die al een week bezig waren met een gat voor een tweede zwembad te graven kwamen binnen en begaven zich naar onze slaapzaal. Alle Doorzichtigen hadden een dun matje gekregen, een van de enige dingen die we mochten bezitten. Op mijn eerste avond toen ik de slaapzaal binnen kwam zag ik dat helemaal achterin de zaal de matjes lagen. Telkens een paar matjes op elkaar. De jongens en de meisjes, zonder speciale bevoegdheden kwamen die avond als eerste de zaal binnen. Het zweet droop van de jongens hun gezicht terwijl het ijskoud was in de sobere, bakstenen zaal. Het enige beetje blauwachtig licht kwam uit een raam waardoor de maan scheen. De jongens ploften neer op de matjes en namen allen een meisje onder de arm die zich dicht tegen hun lichamen drukten. Pas na een tijdje begreep ik dat we de matjes aan de jongens gaven omdat zij het het hardst te verduren kregen en dat het tijdens de winter te koud was om alleen te slapen. Alle Doorzichtigen die mochten gaan slapen waren de gangen uit en Kia die uit haar bed was gekropen vroeg me voor de duizendste keer om te vertellen waar ze naartoe gingen nadat we voor hun hadden gewerkt. Haar bruine ogen glansden van nieuwsgierigheid, maar haar broer had mij verboden iets over de maatschappij in de villa’s te vertellen. Ze wist dat zij boven alle slaven stond en dat we daarom Doorzichtigen werden genoemd. Omdat we niet als mens beschouwd werden, gewoon gebruikt om hun klusjes op te knappen. “Hup, terug in je bed”, gebood ik haar. Ze trok een pruillip maar draaide zich toch om. Ze legde zich op haar bed en wachtte tot ik de deken over haar zou trekken. Ze was een lief meisje met geen slechte bedoelingen ook al kon ze zo genieten van de aandacht die ik haar moest geven. Ik probeerde de roze deken zo goed mogelijk over haar heen te krijgen. Dit ging veel gemakkelijker toen ik mijn linkeronderarm nog had. “Slaapt Audrey al?” fluisterde ze. Ik liep naar de andere kant van de kamer waar het hemelbed van haar jongere zusje stond. Het bruine krullende haar van haar zusje was het enige dat nog boven haar deken stak. Ik knikte naar Kia. “Ga maar gauw slapen”, zei ik. Terwijl zij indommelde, keek ik door het raam naar de volle maan die licht wierp over de bossen naast de tuin. De maan trok mijn bloed aan en fluisterde me in dat ik naar buiten moest gaan. Ik schoof het gordijn voor het raam, en moest meteen toegeven aan de drang. Mijn voeten begeleidden me naar de gang zonder erover na te denken. Op de gang was alles stil. Ik sloot de deur stilletjes achter me en wandelde de gang in. Hij was de hele nacht verlicht en liep door de hele bovenverdieping met een grote marmeren trap bekleed met rood tapijt in het midden. ‘Waar ga je naartoe?’ Ik schrok en draaide me abrupt om. Pilo keek me kalm aan en liet zijn blik even hangen bij mijn geamputeerde linkerarm. Hij herstelde zich snel en glimlachte naar mij, maar een bleef een droevige kronkel in zijn lippen. ‘Het was het waard.’ prevelde ik met mijn blik strak op de grond gericht. Ik voelde zijn fronsende blik op mijn hoofd gericht. Wat?” vroeg hij. “De arm. Het was het waard. Je weet wel, toen ik bij jou…” ik bloosde, zijn blik nog steeds op mij gericht. “Nee, ze namen te veel”, zei Pilo met een diepe stem terwijl  hij voorzichtig het littekenweefsel aanraakte. Een tinteling raasde door mijn hele lichaam. Mijn hele leven al leefde ik volledig volgens de regels die de meesters ons oplegden. Die ene keer dat ik me liet gaan en iets deed wat ikzelf wou, werd ik gestraft. Ik wist wat ze zouden doen als ik met hem gezien zou worden, met de jongste zoon van de domeinmeester die getrouwd is en een zoontje heeft. “Kom even mee naar mijn kamer”, sprak hij zacht. Nu keek ik hem wel aan. Zijn helderblauwe ogen priemden zich in de mijne. Ik was de eerste die opzij keek. De maan schitterde door de talloze ramen en herinnerde me aan de drang. Ik schudde mijn hoofd. “Ik moet gaan.” Ik draaide me om en liep de trap af naar buiten, de bossen in. De seconde nadat het maanlicht over me scheen, voelde ik de energie door mijn lichaam schieten. Ik viel op mijn knieën terwijl de energie zich vanuit mijn kruinchakra verspreidde langs mijn keel naar mijn vingertoppen en zich ontfermde over mijn andere, geamputeerde arm. De energie maakte zijn weg door het littekenweefsel en het voelde alsof het nieuw weefsel aanmaakte. Ondertussen kroop de energie verder naar mijn tenen en gaf de geamputeerde stompjes en stoot waardoor er nieuw weefsel zich ontplooide. Ik pufte nog een tijdje na de laatste energiestoot uit. Mijn huid had een ivoorkleurige glans en mijn linkeronderarm, die de domeinbeulen hadden afgehakt als straf, scheen hersteld. Mijn huid leek verlengd en vergroeid in een handschoen die helemaal van boven mijn elleboog tot over mijn vingers ging, waar helemaal geen beenderen, bloed of vlees meer zaten. Ik stond op en voelde hoe mijn geest verdrongen werd uit mijn lichaam. Mijn bloedlijn stond me toe me te kunnen herstellen ten tijde van de volle maan , maar dat was enkel en alleen omdat mijn moeder me bloed had toegediend van een vrouw met de gave. Vroeger stroomde er gewoon bloed van een slaaf door mijn aderen. Maar mijn moeder werd bang toen ze me naar een andere afdeling in de villa brachten en droeg in een nacht wat bloed van de vrouw over aan mij zodat ik de gave overkreeg. Ik wist dat ze het goed had bedoeld, maar telkens wanneer de volle maan boven me uit torende waren de gedachten van die vrouw en de mijne onscheidbaar. Ik voelde haar verdriet, kon kijken in haar verleden ,wist haar bedoelingen, maar zat vast in de huls van mijn lichaam. Ze gebruikte mij als haar marionet om wraak te nemen op de dood van haar jongste dochter die door de domeinheer was verkracht en daarna vermoord. Lopend naar een van de geheime achterdeuren van de villa, besloot ik/zij dat ik eerst langs de keuken moest. Deze zat helemaal aan de andere kant van het gebouw dus versnelde ik mijn pas. De keuken bestond uit ijzeren kasten, ijzeren tafels en ijzeren fornuizen en was helemaal verlaten. Ik begon te zoeken door de lades van de kasten, rammelde door het bestek en vond uiteindelijk een vlijmscherp mes achterin de afwasmachines. Het mes had een lemmet dat bedekt was met zwart leder en waarvan de rand juist geslepen was. Ik voelde het gewicht ervan in mijn handpalm en vertrok gewapend naar de vertrekken van de mensen in de villa. Hoe dichter ik bij de slaapvertrekken kwam, hoe ondraaglijker haar verdriet werd, hoe harder ik haar zin naar wraak kon proeven. Aangevuurd door haar verlangen sloop ik, met het mes in mijn hand, een kamer binnen waarin zij me stuurde. Een man zat voorovergebogen over zijn bureau. Door het licht van de bureaulamp kon ik enkel zijn silhouet zien. De ziel van de vrouw liet me met beide handen het mes oprichten en stapte op de man af. Hij schrok op van het geluid en draaide zich met een ruk om. Zijn helderblauwe ogen schoten open van verbazing. Mijn ziel werd wakker geschud bij het zien van Pilo. Het was logisch, de vrouw wou de domeinheer kwellen op dezelfde manier als zij gekweld was. Door het vermoorden van het jongste kind. Pilo stond op en liep op me af.  

Myrte VC
0 0

Vanilleherinneringen

    Ik kijk naar zijn handen. Ik wantrouw ze. Iedere dag. Telkens weer. Wat gaan ze nu weer doen? Zachtjes strelen de vingers over mijn broze huid. Een zakdoek passeert nu en dan langs mijn gezicht, deppen de tranen die uit mijn ogen rollen. Een druppel vocht drupt uit mijn neus en wordt door dezelfde zakdoek gedroogd. En dan vang ik de geur op. Vanille… Vanille?? Vanille!!   Twaalf ben ik. Een heel bedeesd jong meisje van twaalf. Geen dag jonger, geen dag ouder. Ik ben jarig vandaag… In de keuken geurt het naar gebak met vanille. De warme geur verspreidt zich tot in de woonkamer. Van daaruit loer ik naar moeke in haar rood met wit geruite schort. Mijn moeke, de liefste van de wereld. “Madeline, breng je een stukje naar meneer pastoor?” Vluchtig steekt ze wat cake in haar mond. Haar blonde krullen schommelen zachtjes. Haar ogen schitteren. Haar lippen dansen. Mijn moeke is mooi, zelfs in haar schort. Ik ga iedere zondag naar de kerk. Moeke in haar mooiste mantelpakje, vake in zijn beste kostuum – waarbij aan de vest een knoop ontbreekt – en ik er tussenin… “Nou Madeline, breng meneer pastoor maar een stukje.” Ze stopt een pakketje in mijn handen en kust mijn wang. Haar huid is zacht. “Voorzichtig onderweg, Madeline.” Haar vingers strijken door mijn haar en dan ben ik huppelend weg.   Meneer pastoor lust graag gebak. Meneer pastoor lust alles, zei moeke lachend. Het is de eerste keer dat ik alleen naar hem toe ga.   Vanille! De herinneringen dringen zich op. Ze ontpoppen zich vliegensvlug, teisteren de rustige kabbeling van gedachten in mijn hoofd. Nooit vergeet ik het. Het staat in mijn verschrompelende hersenen geprent en ik ken het scenario zoals een priester zijn bijbel kent. Of zou moeten kennen! Paniek slaat toe en als een onbezonnen gek begin ik de handen die mijn gezicht aanraken, weg te duwen. Ik probeer woorden te formuleren en hoor enkel en alleen de krassende klanken uit mijn mond. Ik voel hoe het speeksel langs mijn kin druipt, hoe de handen opnieuw de zakdoek in mijn gezicht brengen. Snappen ze het dan niet? Vanille! Vanille! Met gebalde vuist, waarvan de knokkels met bijna doorzichtig vel overtrokken zijn, sla ik in zijn gezicht. Sla ik waar ik hem raken kan. Geschrokken verdwijnen de handen, met het hele lijf eraan, uit mijn kamer.   Ik sta op de toppen van mijn tenen om bij de bel te kunnen van het hoge herenhuis. Met in de ene hand het pakketje vanilletaart en de andere nog gestrekt, gaat de deur onmiddellijk open. Ik val bijna voorover maar kan nog net mijn evenwicht bewaren. “Welkom, mijn kind! Wat brengt jou hier?” Meneer pastoor ziet het pakje, neemt het meteen over en grijnst: “Dat ruikt naar vanille! Heerlijk! …En jij wordt al een flinke meid, hé, Madeline?” Hij knijpt zachtjes in mijn wang. Ik heb het niet graag. “Ja, meneer pastoor!” Moeke heeft me geleerd om heel beleefd te zijn tegen de volwassenen, ook als ik hen niet leuk vind. De pastoor neemt het pakje, opent het en houdt het tegen zijn grote neus. “Ah, heerlijk!” Hij kraakt een stuk af en propt het gulzig in zijn mond. Dan nog één erbij. Zijn wangen staan zo bol dat ik bang ben dat ze zullen openbarsten…   “Kom Madeleine!” ’t Is Madeline, weten ze dat nu nog niet? Twee paar handen knijpen mijn armen vast, terwijl een derde paar iets in mijn mond wil brengen. Ik pers mijn lippen op elkaar. Misschien willen ze mij vergiftigen? Misschien maken ze me wel dood? “Vooruit Madeleine! Doe je mond open! We hebben ‘een borreltje’ voor jou! Vooruit, doe die mond open!” Uit alle macht probeer ik me uit hun greep te worstelen. Maar tegen één man en twee vrouwen ben ik niet opgewassen. Ik, een bejaarde vrouw van achtentachtig, kan niet anders dan het onderspit delven. Met immens verdriet laat ik het waterachtige goedje mijn keelgat binnenglijden. “Goed zo, Madeleine! Daar word je straks rustig van.”   “Kom binnen, Madeline.” “Euh, moeke heeft gezegd dat ik de cake moest brengen en dan terug naar huis… Ik ben jarig vandaag…” “Ach, zo, je bent jarig? Twaalf geworden, Madeline?” Bedeesd knik ik en staar naar de gepolijste schoenen van meneer pastoor. Ze blinken. Misschien kan ik me er wel in spiegelen? “Als je twaalf bent, dan moet je de liefde van god leren kennen, meisje. Je moeke begrijpt dat wel…kom maar eventjes binnen.” Zijn stem dwingt mij. Nog steeds met gebogen hoofd zet ik voet voor voet over de drempel. Meteen voel ik een harig tapijt onder mijn voetzolen. Meneer pastoor slaat de deur achter me dicht. Het is donker in de hal. Te donker. In de schemering zie ik een hoge zetel. Meneer pastoor gaat erin zitten en trekt me op zijn schoot. “Zo gaat dat met meisjes van twaalf, Madeline. God heeft hen speciaal uitverkoren om zijn liefde te betuigen…” Ik snap die woorden niet. Zijn gezicht komt dichterbij, zijn adem ruikt naar vanille. Ik trek me achteruit. “Kom kom, Madeline, niet zo verlegen…” Zijn dikke vingers glijden over het stukje huid tussen mijn lange witte sokken en mijn blauwe plooirokje. De worstjes, zo zien zijn vingers eruit, klimmen onder mijn rokje, kruipen mijn slipje binnen. Ik ben bang. Dit hoort niet. Niemand heeft me er ooit iets over gezegd, maar dit hoort niet…Ik kan hier niet blijven en probeer van zijn schoot af te komen. Het lukt niet. “Ik moet naar huis…” fluister ik. “Hmm. Straks, Madeline. Straks…” Zijn stem klinkt hees. Zijn andere hand grijpt in het pakje vanillecake….   “Moeder! Moeder! Help mij! Kom mij toch helpen, asjeblieft! Moeder waar ben je? Help me dan! Mooooeeeeder!!!!” Hij komt de kamer binnen. Ik heb hem niet nodig. Ik heb moeke nodig… “Madeleine, hou nu toch eens op! Je maakt iedereen onrustig! Je woont hier niet alleen, hoor! We hebben nog zesentwintig andere bewoners! Heus, je bent echt niet de enige…” “Mooooeeeder!!!!” “Verdomme, Madeleine! Je moeder is allang dood!” Hoofdschuddend trekt hij de deur achter zich dicht. Ik zit terug alleen…en toch niet…   Hij propt de vanillecake in mijn mond. “Proef eens, Madeline. Lekker, niet?” Dan drukt hij zijn vlezige lippen op de mijne, duwt zijn tong in mijn mond. Ik hap naar adem en verslik me bijna in de cake. Overal ruik ik vanille, smaak ik vanille. Mijn maag keert zich om. Mijn hoofd duizelt. Ik voel zijn vingers bewegen in mijn slipje. Opeens zet hij me terug op de grond. Ik geloof niet dat ik ervan af ben. Ik krijg gelijk. De pastoor heft zijn zwarte kleed op. Poseert trots zijn blote onderlichaam. Mijn ogen ontdekken een enorm gezwollen ding. Mijn hart klopt in mijn keel…Wat stelt dit voor? De angst vreet aan mijn lijf. Ik heb het koud. Dit is helemaal niet meer normaal… “Wees maar niet bang, Madeline, dat is de liefde van god…” Hij drukt me op mijn schouders naar beneden, legt me neer op het harige tapijt. Meneer pastoor schuift mijn rokje omhoog en mijn slipje naar beneden en duwt dat enorme ding tussen mijn benen. Zijn zwarte gewaad bedekt een deel van mijn gezicht. Hij kreunt. Ik schreeuw het uit. “Het doet pijn!” Hij luistert niet. Het kind in mij bloedt langzaam dood…   “Moeke,” prevel ik. Moeke antwoordt niet. Ik ben alleen. Helemaal alleen in deze vreemde kamer. In mijn hoofd tuimelen de herinneringen door elkaar.   “Ik lust geen vanilletaart! Ik wil geen vanillewafeltjes! Ik moet geen vanille-ijs!   Mijn oogleden voelen zwaar. Mijn hoofd ook. Het borreltje, denk ik. Met mijn gerimpelde handen veeg ik de tranen weg die over mijn wangen stromen.   Het kind in mij sterft wederom een vanilledood…  

R Ryckoort
44 0

S.N.O.B.O.

9.10 u. Nog drie minuten. Ik haalde het kaartje uit mijn zak. Voor de tweeëndertigste keer bekeek ik het adres, dat ik inmiddels uit mijn hoofd kende. De straat klopte, het nummer ook. Boven de deur hing in afgebladerde goudkleurige letters ‘S.N.O.B.O.’, een naam die overeen kwam met de naam op het kaartje dat ik nog steeds in mijn hand klemde. Ik ijsbeerde en probeerde mezelf te overtuigen dat ik hier goed aan deed. Wat had ik te verliezen? 9.11 u. Nog twee minuten. Een kleine week geleden reageerde ik op een advertentie in de streekkrant: “Ben jij ondernemend en dynamisch? Hou je van uitdagingen? Ben je flexibel en denk je ‘outside the box’? Dan ben jij de M/V/of-iets-anders die we zoeken! Stuur je kandidatuur vandaag nog op.” Hoewel de advertentie noch specifieke vereisten noch een duidelijke functieomschrijving vermeldde, waagde ik het erop. Het voorbije jaar had ik honderdentwaalf sollicitatiebrieven verstuurd, waarvan de helft nooit beantwoord werd. Van de andere helft kreeg ik een beleefde brief terug waarin stond dat ze op dit moment geen vacatures hadden, maar dat ze mij zouden contacteren indien een gepaste functie vrijkwam. Een afwijzing meer of minder maakte me dan ook niets meer uit. Enkele dagen later ontving ik al een antwoord. Toen ik de bruine enveloppe opende, was ik voorbereid op de standaard afwijzingsbrief die ik inmiddels woord voor woord kon citeren. Tot mijn verbazing werd ik uitgenodigd voor een gesprek. 9.12 u. Nog één minuut. Ik bekeek het gebouw waar ik voor stond. Het deed me denken aan het cafeetje waar mijn sollicitatiegesprek had plaatsgevonden. Het was een onopvallend, smal pand op de hoek van een ietwat groezelige steeg waar ik in normale omstandigheden geen aandacht aan zou besteden. Ergens in een hoekje van dat cafeetje zat ik met mevrouw Boons aan een petieterig, rond tafeltje. Ze was helemaal niet geïnteresseerd in mijn capaciteiten of vorige werkervaringen. Ze stelde vooral gerichte vragen in de trant van ‘Wat als er, tijdens de werkuren, twee kabouters je vragen mee te gaan op zoek naar het einde van de regenboog? Ga je mee of niet? En indien je meegaat, wat zou je doen met jouw deel van de goudstukken?’ Toen mevrouw Boons uitgevraagd was, stak ze haar hand naar me uit. “Proficiat,” zei ze, “je hebt de job.” Verbaasd schudde ik haar hand. Ze stond recht, gaf me haar kaartje en zei: “Ik verwacht je maandag stipt om 9.13 u.” Nog voor ik iets kon zeggen, had ze zich omgedraaid en hinkelde ze het café uit.  9.13 u. Het was tijd. Ik opende de deur. Klingelingeling. “Mooi op tijd,” klonk het toen de deur achter me in het slot viel, “daar hou ik van, euh, wat was de naam ook weer?” “Billie,” zei ik. “Wel, Billie, welkom in S.N.O.B.O.” De winkel was vanbinnen groter dan je zou verwachten als je het langs de buitenkant zag. Deze stond vol met hoge rekken en kleine tafeltjes in alle mogelijke formaten en kleuren. “Vanaf vandaag wordt dit jouw territorium”, zei mevrouw Boons en wees rondom zich. “Zoals je ziet, verkopen we hier allerhande curiositeiten, van zeldzame boekexemplaren tot ongewone snoepjes tot eeuwenoude juwelen tot exotische kruidenextracten. Alles is alfabetisch gerangschikt. Hou het zo, dan vind je alles altijd gemakkelijk terug. Jouw taak simpel: je verkoopt alles wat je hier ziet en je vult de stock aan. Het maakt niet uit met wat, zolang het maar interessant is. Ik kom af en toe langs om alles eens na te kijken. Hierin,” ze duwde een dikke map in mijn handen, “zit alles wat je moet weten in verband met de openingsuren, contacten, budgetten, … Kortom, als je iets moet weten, vind je het daar wel in. Nog vragen?” Voor ik ook effectief iets kon vragen, sprak ze zelf opnieuw. “Goed zo. Alles wijst zichzelf uiteindelijk wel uit. Dit is je contract,” ze gooide een bundeltje papieren in mijn richting, “teken het en zend het op. Het adres staat op deze enveloppe.” Ze gaf me de enveloppe, het adres was er netjes opgeschreven en in de rechterbovenhoek hing al een postzegel. “De winkel opent over zeven en een halve minuut. Veel succes”, zei ze nog. Ze draaide zich om en hink-stap-sprong de winkel uit. 9. 28 u. Tijd om open te doen. Ik draaide het bordje aan de deur om zodat er nu ‘open’ stond in plaats van ‘gesloten’. Onmiddellijk, alsof er iemand op de wacht had gestaan, klonk de bel. Een man met een lange regenjas, bijpassende hoed en zwarte zonnebril strompelde binnen. Hij vroeg honderdentwee gram gedroogde zeepeperalgen. Mijn eerste klant. Ik was tegelijkertijd enthousiast, zenuwachtig en lichtjes in paniek. Zeepeperalgen, zeepeperalgen, waar zou ik die vinden? Bij de ‘Z’ waarschijnlijk. Ik liep de hele winkel door tot aan de ‘Z’. Zandsteenkoekjes, zatte goudvissen, zebrastrepen, aha hier, gevonden, tussen het zeekaravaan en de zinkmolentjes. Ik nam de grote glazen pot van het rek, hij woog zwaarder dan ik verwachtte, en hinkte ermee terug naar de toonbank. Ik zocht een plastic zakje. Ik trok de lades één voor één open, het leek alsof de toonbank alleen maar uit lades bestond. Eindelijk trok ik er één open waar er in zat wat ik zocht. “Honderdentwee gram was het, hé, meneer?” vroeg ik. De man knikte. "Mag het ietsje minder zijn?" De man knikte. “Ik heb jou hier nog nooit gezien”, zei hij. “Dit is mijn eerste werkdag. En eigenlijk ben jij mijn eerste klant.” De man reageerde nauwelijks.  “Dat is dan één zilveren zeepje en drie bronzen bijltjes, alsjeblief”, zei ik. Hij betaalde en toen hij weg was, zag ik dat zijn enorme, dikke, glibberige staart een slijmspoor had nagelaten. Ik zuchtte. Nog maar één klant gehad en ik kon al beginnen dweilen. 11.08 u. Klingelingeling. Ik zigzagde van tussen de rekken – die ik in de tussentijd aan het verkennen was – naar de toonbank. “Wat doe jij hier?” vroeg ik verbaasd toen ik de ‘nieuwe klant’ herkende. “Wat een vriendelijk ontvangst, zeg”, zei Triverius. “Ontvang jij iedereen zo? Of enkel je vrienden?” Triverius is één van mijn huisgenoten. Van nature was ze een panda, maar zij vond dat diezelfde natuur een grote fout had gemaakt. Ze zag er langs de buitenkant niet uit hoe ze zich vanbinnen voelde, als een zebra. Daarom beschilderde ze haar vacht met zwart-witte strepen. “Nee, natuurlijk niet”, zei ik. “Wat vind je ervan?" "Ziet er tof uit", zei ze terwijl ze rondkeek. "Wat kom je eigenlijk doen?" vroeg ik. "Je steunen op je eerste werkdag", zei Triverius. "Echt?" vroeg ik sceptisch. "Natuurlijk", zei ze met gespeelde verontwaardiging. "En Faro? Slaapt die nog?" vroeg ik. Triverius knikte. Faro is een andere huisgenoot en tevens mijn beste vriend sinds, sinds altijd eigenlijk al. Hij werkte op dat moment als nachtwaker in een ijssalon. Hoelang dat nog zou duren, wisten we toen nog niet. Zijn vorige job als snoepverkoper was hij al na anderhalve dag kwijtgespeeld. In plaats van de snoep te verkopen, bouwde hij er kastelen, ridders en snoepspuwende draken mee die niemand dan mocht aanraken. "En Carioca?" vroeg ik. "Die zit op het dak te mediteren. Hij wil niet gestoord worden." Carioca was mijn derde huisgenoot. Hij was sjamaan van opleiding, maar zat nu in een periode dat hij niet goed wist wat hij wou doen. Daarom hield hij zich de laatste tijd vaak bezig met mediteren, dan kon hij beter nadenken. "Dus eigenlijk kom je langs omdat je je thuis verveelt?" "Zo kun je het ook stellen, ja." "Dan heb je geluk. Ik ben daarjuist iets tegengekomen dat perfect zou zijn voor jou.” Ik kronkelde terug naar de ‘Z’ en zocht de rol met ‘zebrastrepen’. “Wat denk je hiervan?” vroeg ik. “Dat zou echt goed van pas komen”, reageerde ze enthousiast. “Hoeveel denk je nodig te hebben?” “Zo’n twintig vierkante meter zal wel voldoende zijn.” “Dat is dan vijf zilveren zeepjes en twee bronzen bijltjes.” “Amai, dat is ook niet goedkoop. Kan je er geen vriendenprijsje van maken?” “Dat kan ik echt niet maken, het is mijn eerste werkdag. En daarbij, denk aan al de verf die je nu gaat uitsparen.” Klingelingeling. Een nieuwe klant sprong naar de toonbank. Ondanks zijn zwanennek torende hij er nauwelijks boven uit. Dat had veel te maken met het feit dat die nek balanceerde op een geel-bruin gestreept kattenlijfje waar twee kikkerbilletjes onder uit piepten. “Je bestelling ligt klaar”, zei hij met een verbazend diepe, hese stem. “Welke bestelling?” vroeg ik. Hij negeerde mijn vraag compleet. “Je kan ze op dit adres komen halen.” Hij gaf me een dubbelgevouwen A8’tje. Ik leunde naar voren om het aan te nemen. “Ik zal het straks, tijdens de middag komen ophalen. Dan is de winkel toch gesloten.” “Ik zal het doorgeven”, zei de koerier en hopte terug naar buiten. 11.59 u. Ik draaide het bordje ‘open’ terug om naar 'gesloten'. Mijn eerste halve werkdag zat er al op. Al bij al was alles goed meegevallen. “Moet je echt nu gaan?” vroeg Triverius. “Ik had gehoopt dat we samen iets konden gaan eten over.” “Ik moet wel. Het is een bestelling voor de winkel”, zei ik. “En daarbij, het is niet ver. Volgens dat briefje is het in deze straat. Het zal wel niet zo lang duren.” “Ik ga mee”, zei Triverius. “Ik kan je helpen dragen.” “Klinkt goed”, zei ik. Ik had helemaal geen idee hoe groot of hoe zwaar die bestelling zou zijn. "En dan gaan we erna snel iets gaan eten." 12.07 u. We stonden voor de deur. Er hing een briefje op: Gelieve bestellingen achteraan af te halen. We gingen langs achteren en kwamen terecht in een enorm magazijn. Een kangoeroe met een oranje, papieren hoed en paarse strik huppelde ons tegemoet. “Euh,” begon ik aarzelend, “ik kom een bestelling ophalen.” “Naam?” vroeg de kangoeroe. “Billie”, zei ik. Ze nam een klembord uit haar buidel en overliep een lijst. “Die bestelling staat wel niet op mijn naam”, zei ik. De kangoeroe zuchtte. “Op wiens naam dan wel?” vroeg ze. “S.N.O.B.O. Of misschien Boons”, zei ik. “Mevrouw Boons?” vroeg de kangoeroe. Ik knikte. “Ah, ben jij de nieuwe?” Ik knikte opnieuw. “Aangenaam, ik ben Akila.” Ze stak haar poot uit. “Adriaen!” brulde ze. Een oudere man met felgekleurde hanenkam kwam aansloffen op schoenen die minstens maat 48,7 moesten zijn. “De bestelling voor mevrouw Boons”, zei Akila. De oudere man schuifelde weer weg. “Hoelang werk je er al?” vroeg ze toen Adriaen uit het zicht verdwenen was. “Vandaag is mijn eerste dag”, zei ik. Ze bekeek me van top tot teen. “Succes”, zei ze. “Dank je”, zei ik. “Tot nu toe is alles vlot verlopen. De rest zal ook wel meevallen.” “Misschien. Ik hoop dat je het langer volhoudt dan de anderen.” “Hoezo?” vroeg Triverius. “Wel,” zei Akila en ze dacht eventjes na, “eentje is het na een uur afgestapt omdat hij bijna werd opgegeten door een verzameling kikvorsschorpioenen. Een ander had een gaslek veroorzaakt en heeft het niet overleefd. En je directe voorganger is verloren gelopen in het doolhof dat achter de winkel ligt. Allez, dat denken we toch. We hebben hem nooit meer teruggezien.” Ondertussen kwam Adriaen terug met drie kartonnen dozen “Hoeveel weegt het?” vroeg Akila aan Adriaen. “Drie kilo tweehonderdzevenenvijftig en een half.” “Dat zijn dan drie opdrachten”, zei Akila tegen me. “Hoe bedoel je?” vroeg ik niet-begrijpend. “Zoals ik het zeg. Je bestelling kost drie opdrachten. Jij voert die uit en dan kan je je dozen meenemen.” “Dat gaat toch niet te lang duren?” “Wees gerust. Het zijn drie kortjes. Klaar voor opdracht één?” Ik knikte. Akila gaf me een groot blad groen papier. “Hier”, zei ze. “Maak er een mooie hoed van.” Dat was niet zo moeilijk. In één, twee, drie had ik dat blad papier omgevormd tot een prachtig hoofddeksel. Akila nam het aan, keurde het grondig, gooide haar oranje hoed weg en zette de nieuwe op haar hoofd. “Opdracht één heb je volbracht”, zei Akila. De tweede opdracht luidde als volgt: ‘Zing van achter naar voren Altijd is Kortjakje ziek terwijl je op en neer springt op één been en je armen in de lucht houdt.' Dat klonk gemakkelijker dan het was. Ik ben drie keer opnieuw moeten beginnen. "De derde en laatste opdracht is," zei Akila, "sta langer stil dan die lantaarnpaal." “Welke lantaarnpaal?” vroeg ik. “Die daar.” Akila wees naar een paal die enkele meters verder in een hoek stond. “Dat meen je niet? Dat duurt eeuwen.” “Je kan de bestelling ook hier laten.” “Nee nee, ’t is al goed.” Ik positioneerde me zo comfortabel mogelijk en bleef stil staan. Ik bleef staan en bleef staan om daarna nog wat langer onbeweeglijk stil te staan. Ik begon kramp te krijgen in mijn rechterkuit en mijn neus begon te kriebelen. Na wat wel een eeuwigheid leek, moest de lantaarnpaal niezen. Wat een geluk voor mij. “Voilà, de betaling is in orde”, zei Akila. “Tot de volgende keer.” 18.13 u. Ik kwam thuis en een geweldige geur drong mijn neusgaten binnen. "Het ruikt heerlijk", zei ik. “Het is je lievelings,” zei Faro, “gebakken spruitvogelfilet.” “Mmm”, likkebaarde ik. “Het is bijna klaar”, zei hij. “Triverius,” riep hij, “dek jij eens de tafel.” “Wat denk je ervan?” vroeg Triverius toen ze de keuken binnenparadeerde. “Het staat je prachtig”, zei ik. Ze had de lap zebrastrepen die ik haar had verkocht, omgetoverd tot een prachtig pak. “Hoe was je eerste werkdag eigenlijk?” vroeg Faro. “Nog bestellingen moeten afhalen?” “Nee, gelukkig niet”, zei ik. “Nog veel verkocht deze namiddag?” vroeg Triverius. “Dat viel mee. Enkele giftige reuzenpaddenstoelen, een paar doorgespoelde goudvissen en wat zure zoethoutstokjes”, zei ik. “Zit Carioca nog altijd op het dak?” Triverius schudde haar hoofd. “Hij zit nu in de kastanjeboom.” “Moeten we hem niet gaan zeggen dat het eten klaar is?” vroeg ik. “Hij wou absoluut niet gestoord worden”, zei Triverius. “En daarbij, als hij honger krijgt, zal hij wel naar beneden komen.” “We kunnen aan tafel”, zei Faro. Eindelijk. Ik scheurde van de honger.

Jenna
0 0

Moeders en dochters!

  Het laatste gesprek tussen moeder en dochter had Maria diep gekwetst. Toen ik haar daarnet ontmoette, liep haar gemoed vol. -”Voor die dochter van ons hebben wij alles gedaan”, was haar stelling. “We hebben haar al drie keer terug op haar poten gezet plus tot driemaal toe een nieuw huis voor haar gebouwd!” Conny bleek een eigenwijs meidje geweest te zijn: haar studies had ze afgebroken op achttienjarige leeftijd. Een jaar later kwam ze thuis zeggen dat ze ging trouwen. Geen enkel argument: te jong, geen job, geen inkomen, kon haar van idee doen veranderen. “Ze trouwde met grote sier, we schonken haar een perceel bouwgrond naast ons huis, bouwden daarop een bungalow. Vooraleer deze echter voltooid raakte, liep het huwelijk al op de klippen”, ging Maria verder. “Wat we niet wisten was, dat ze die bouwgrond in de huwelijksgemeenschap had ingebracht. Dus werd de ruwbouw verkocht en wij waren onze grond kwijt. Conny kwam terug bij ons inwonen. Gelukkig had ze inmiddels vast werk gevonden…” Maria’s stem stokte, want ook met haar jobs had Conny gejongleerd. “Ik kan niet meer tellen hoe dikwijls die al van werk veranderd is”, snikte Maria. “Dat heeft ze toch niet bij ons gezien: Mon heeft heel zijn leven op dezelfde fabriek gewerkt en ik heb twintig jaar gediend bij dezelfde dokter.” De tranen rolden over haar wagen en deze anders zo sterke en robuuste vrouw zien wenen, beroerde ook mij. Ik bood haar een zakdoek aan. - “Ze heeft zich toch blijkbaar steeds verbeterd, Maria”, trachtte ik te troosten. “Conny werkt nu toch als PR-dame voor een groot bedrijf, verdient blijkbaar goed en ziet er steeds schitterend uit.” - “Ja, maar kan zij nu eens niet tevreden zijn met wat ze heeft: moet dat steeds wat anders zijn? Ze blijft maar op zoek naar een betere job, naar een betere partij. Wat de job betreft, daar kan ik mij niet over uitspreken”, zei Maria. “Ik ken die hele PR-wereld niet maar wat de mannen betreft … Na haar huwelijk ging ze vrij vlug samenwonen met Bob en geraakte ze zwanger. Ze kochten samen een grond in een nieuwbouwwijk en weerom hielpen we haar met de bouw van dat huis, zowel daadwerkelijk als financieel. Joerie was nog geen drie, toen ze Bob verliet. Ze waren uit elkaar gegroeid, was de uitleg. Natuurlijk, Bob bleef gewoon de werkman, die hij altijd geweest was maar onze Conny vertoefde inmiddels in VIP-tenten, bij VIP-mensen en Bob was niet goed genoeg meer! Bob kocht het huis in en Conny bouwde een derde nieuwbouw en weerom was het papa, die vloerde en voegde, waren het papa en mama, die schilderden en boenden. Het kind was blijkbaar een struikelblok om vlug terug een relatie te beginnen, zeker met een of andere VIP-man. Ze kwam af met een ingenieur, een zakenman, een piloot maar de enige die bleef was die magazijnier met zijn drie kinderen!” - “Je klinkt verbitterd, Maria”, merkte ik op. Mon, haar man, was er komen bijstaan en had het laatste van het gesprek gehoord. Hij schudde zuchtend zijn hoofd. - “Ze geraakt er niet over!” zei hij. -“Jij dan wel?” snauwde Maria hem toe. “Vind jij het dan niet erg, na al wat we voor haar gedaan hebben, dat ze ons buitensmijt, het slot verandert en dat we ook nog eens onze kleinzoon kwijt zijn.” - “Vooral dat laatste vind ik inderdaad erg”, zei Mon. “De rest zal mettertijd wel goed komen.” - “Ja, als het weer eens afgeraakt met Stef, dan zullen we weer de goeden zijn, dan mogen we weer opvangen, troosten en bijschieten.” - “Jij wilt je dochter niet delen!” riep Mon kwaad en hij stapte op zijn auto af. Maria liep rood aan. Het was duidelijk dat ze kwaad was, maar misschien zat er wel waarheid in wat Mon zei, misschien was dat wel moeilijk voor elke ouder. - “Ik had er best vrede kunnen mee nemen als onze Conny op een normale leeftijd was getrouwd met een normale man en een normaal huisgezin had gesticht …”, begon Maria, maar ik onderbrak haar. - “Wat is normaal, Maria? Wij dachten dat loyaal zijn aan onze baas een meerwaarde was. De jeugd zegt nu dat we kansen hebben gemist. Wij dachten dat de ideale toekomst: huisje, tuintje, kindje was maar onze jeugd wil haar talenten benutten, wil carrière maken, wil een eigen leven. Wij trouwden voor het leven maar jonge mensen willen niet berusten in een situatie, die hun geen voldoening meer schenkt. Wij vinden dat de jeugd van tegenwoordig het allemaal zo anders doet, maar zouden onze ouders dat ook niet van ons gedacht hebben?”     - “Mijn ouders hadden negen kinderen en alleen vader bracht geld in het laatje. Wij hadden zoveel kansen niet en wij moesten zeker niet op geldelijke steun van onze ouders rekenen, nadat we het huis uit waren. Van je veertien jaar gaan werken, je loon afgeven tot je trouwde en nadien je plan trekken: zo ging dat bij ons vroeger.”       - “Vroeger is voorbij, Maria, tijden veranderen”, zei ik.                 Ze zuchtte, snoot haar neus en ging naar haar man toe, die daar al een tijdje teken stond te doen dat hij ging vertrekken. En ik … ik kon niets anders doen dan hen het beste wensen.

Hope
0 0