Zoeken

Een beeldhouwwerk van het leven

Rouwen startte niet de dag dat mijn moeder stierf. Of de week volgend op de begrafenis. Het rouwen begon op de dag dat ze in een aparte kamer werd gelegd. Het beginpunt was het moment dat de deur openging, de oncoloog binnen kwam, op de voet gevolgd door een jongeman die zichzelf voorstelde als de psycholoog. Zijn naam intussen een vergeten herinnering. Twee dagen geleden was de zoveelste kamergenoot, de tel waren we al lang kwijtgeraakt, verhuisd naar diezelfde kamer. De kamer waar mensen stierven. Waaruit gezinsleden kwamen met zwaarbepakte zakken vol herinneringen. De kamer die we in de laatste maanden angstvallig vermeden hadden. Ons zou dit lot gespaard blijven. We waren vechters, overwinnaars. Eén maand nog. Twee hoogstens. Dat was het maximum. Meer kon de oncoloog er niet uit halen. Met sondevoeding, een maagsonde in de neus en vier sondes in de buik die na vijf operaties niet meer dichtgenaaid was, was dat zijn hoogste bod. Daar, in die kamer, op dat moment stierf een stukje van mijn hart. Niet veel, niet genoeg om de hartslag te stoppen. Een klein deel, voldoende om nooit meer te helen. Het duurde zes weken, hoewel we een gevecht aangingen voor acht weken. ‘Het gaat niet meer.’ Waren de laatste woorden ooit die ze in mijn oren fluisterde. Het klonk als een verontschuldiging enerzijds, een verlossing anderzijds. Zes weken hadden we samen, waarin we elke avond afscheid namen, waarin ze berustte, als de sterke vrouw die ze was. Wij hadden tijd om afscheid te nemen.                 Rouwen was zo hard huilen in het mortuarium, daar naast haar koude lichaam, dat mijn zus de kamer verliet.               Rouwen was zo hard wenen op de begrafenis, op het kerkhof, dat je dacht dat je geen tranen meer zou overhebben voor verdriet dat nog moest komen.               Rouwen was het eerste uur bij de psycholoog zitten en geen woord kunnen uitbrengen, het was een uur van snotteren, tranen met tuiten, zakdoek te nat om je neus in te snuiten.                 Rouwen eindigt nooit. Het verandert alleen van beeld.

Jenka
9 1

Koude Koffie

Ik merk hoe ze stilaan ongeduldig wordt.'Waar zegt u? Hoe komt u daarbij? Neen, vorige week in de wasplaats, meneer.'Ze loopt heen en weer door de kamer, voor het raam waar zware overgordijnen de middagzon buiten houden. 'Ja, hij stond er verdorie naast. Die vent is gewoon naast hem neergevallen, zomaar, ineens. Morsdood was hij.’Ik hou mijn blik strak op het zwakke gloeilampje boven de ontbijttafel.Toch zie ik hoe ze me aankijkt met ogen die even naar een punt hoog in de kamer verdwalen. Ik zucht. Ze verlegt haar mobieltje naar het andere oor.‘Ja…’ aarzelt ze en ze knijpt in haar paardenstaart tot haar vingers wit zien.Ach, ze doet maar wat ze niet laten kan. De koffie is koud. ‘Ja, daarom juist… ja…, neen…, luister nou even, meneer de direc… neen meneer, onze zoon heeft gewoon in paniek het verkeerde gepakt!’Ze kijkt weer met opgeslagen ogen en briest verder op en af door de kamer.‘Neen, het lag daar vóór hem op de wastafel, naast het andere. Je weet toch ook wel hoe onze Bert is.’ En nu gaat ze de overbezorgde moeder gaan spelen, zie. Ik doe alsof ik het niet merk.‘Heel gevoelig, ja. En snel van zijn melk. Je zou voor minder hé? Die jongen lag daar met halfopen mond naast hem op de grond. Met een straaltje kwijl op zijn kin, zo zei hij het. Hij is daar erg van geschrokken.’Ze kijkt me met een veelzeggende grijns aan terwijl ze met haar vinger een paar keer heftig naar haar mobiel wijst. Ze wisselt weer van oor, luistert even en zegt gelaten:‘Hij heeft het in zijn zakdoek gedraaid en is naar zijn kamer gelopen. Ja, zo vertelde hij het me gisteren.’Ik glimlach flauw en concentreer me op het kopje koude koffie. ‘Neen. Nee, pas de volgende dag. Bij het middagmaal, ja. Nee, hij kon niet eten.’Ze zucht nu erg luidruchtig.‘Maar neen, het past gewoon niet. Absoluut zeker!'Ze houdt haar hand over haar mobiel en fluistert me toe: 'Hij probeert ertussenuit te komen, maar 't gaat niet pakken, zie!'Ik roer wat in het kopje. 'Ja, precies, dat bedoel ik nou net, het is tenslotte toch een zorgcentrum daar bij jullie, of niet soms? U kent ons Bertje toch ook? Nee, zó snugger is hij nu ook weer niet.’Mijn vrouw kijkt aandachtig naar haar voeten en haalt diep adem.‘Ja, dat snap ik wel.' zucht ze. 'Nee… en is die jongen ondertussen reeds begraven, zegt u?'Haar ongeloof groeit zienderogen.'Maar ons manneke is wel zijn gebit kwijt hé! Dat heeft me vorig jaar nog twaalfhonderd euro gekost!’Ze danst nu opgewonden van het ene been op het andere.‘Neen, natuurlijk niet. Neen, je kan hem niet terug boven spitten! Ja… Nee, dat snap ik, meneer de directeur. Oké, daar reken ik dan op. Ja…, ja, neen, prettige dag nog…ja… en alvast bedankt.' Ze klapt haar mobiel dicht, geeft me een knipoog en kijkt me triomfantelijk aan.Ik mompel: ‘Jij ook nog wat hete koffie, schat?’                  

Guy Lejeune
12 0

De spieren van de radioloog.

Mevrouw + familienaam: zo spreekt hij me aan. Ik zit al op de ontsmette bank wanneer hij binnenkomt. Onmiddellijk heeft hij de muis in zijn rechterhand, kijkt naar mijn rechterschouder, haalt het bh-bandje naar beneden terwijl hij naar het scherm blijft kijken en met de muis over mijn schouderblad rolt. Wat ziet u? Ik wil zo spoedig mogelijk weten waar hij naar kijkt. Zit het kwaad daar? Niet in mijn hart, gedachten of gedrag, maar daar, onder de vette muis? Schuilt het kwaad in de kom van mijn schouder, leeft het ondergdoken onder spieren, achter een muur van weefsel? Hij neemt mijn bovenarm vast alsof hij me gerust wil stellen, merkt luidop op dat ze...ja hij zegt het zonder woorden. Ik begrijp dat mijn bovenarmen rond zijn, breed zijn, mollig. Atrofie? Ik doe alsof ik vergeten ben wat dat woord betekent, dwing hem zijn gedachten uit te spreken. Nu is het duidelijk; hij denkt dat mijn armspieren aan het afsterven zijn! Waaaat? Sporten, mevrouw! Pak dit aan, ga sporten! Hemel bij god nog aan toe, denk ik. Het is voor dat gezwel op mijn schouder dat ik hier op uw vuil ontsmette bank zit! En waar is uw masker? Ik vraag u waar uw masker is, mijnheer de radioloog. Het gezwel is niet kwaadaardig. Dat nieuws is goed en lucht me op, ik vergeet onmiddellijk dat zijn insinuaties niet echt flatterend waren. Doe aan sport, vervolgt hij, in groep, een aantal dames, pilates, ja PILATES! Ik kijk hem aan, benadruk dat ik zwem en jog en fiets en veel wandel. U bent een verstandige vrouw, repliceert hij. Eet gezond. Ik eet gezond, beste mijnheer. Nog even en ik verander in een banaan, pif poef paf en de man gaat af. Bijna elke avond ligt Pascale op mijn bord nadat ze in de oven opwarmde. Er zit al maanden een heerlijke LEO in mijn handtas om zo nu en dan naar te kijken. Ik heb de paarse lekkernij niet uitgekleed noch op mijn tong laten smelten. Als extraatje zet hij de muis op mijn buikvet, glijdt daar rondjes op gel alsof het een ijspiste is. Hij nodigt me uit te kijken. Niet naar mijn buik, naar het scherm. Dat zijn spieren (twee cm) en dat is buikvet (vier cm) zegt hij. Hij stelt me gerust; het vet is uitwendig vet. Ik kan er niet ziek van worden. Voor een ijdeltuit als ik is dat geen grote geruststelling. Maar ik besef dat gezondheid het allergrootste goed is. Hij veegt mijn schouder schoon met een papieren doek dus loopt het onderzoek op z'n einde. Ik wil naar de kleedkamer maar hij houdt me staande met de woorden 'wacht eens even'. Staat u scheef? Ik zucht. Ik ook, bekent hij. Dat komt door mijn job, ik sta niet recht. Terwijl ik naar huis wandel vraag ik me af wat de man bezielde. Hoe is het gesteld met zijn spieren? Volgt hij PILATES of dwingt hij zijn vrouw naar de lessen? En natuurlijk ben ik heel erg blij dat het maar een vetbult is, wat niet wil zeggen dat ik net als een kameel dat vet kan verbranden om mezelf te voorzien van energie.

Ingrid Strobbe
60 2
Tip

Nachtwake

‘Dolf es duud.’‘He?’‘Dolf…es duud’‘Ja?’‘Ja.’‘Diene mens leefde niet geiren.’‘He?’‘Hij leefde niet geiren, diene mens.’‘Nieje?’‘Nieje.’‘Ja.’‘Ja ja.’ Fré’s vader kwam binnen, ging voor het raam staan en begon te roken.   Hij slofte naar de kelder. Rookte nogmaals en dronk. Wij stiekem ook. Door de Westmalle waren onze geesten even beneveld als de omliggende velden die door slierten duisternis de nacht in slingerden. Fré en ik hielden vanuit de living de wacht. In de stal stond een koe onrustig te trappelen. Het was augustus en er zouden kalfjes geboren worden. Wij speelden play-station en rookten sigaretten. We zakten steeds verder weg in de vergeelde statige zetel, de klok tikte zacht, seconde na seconde verdween in een onmetelijk diepe put. Wij hadden niet veel meer dan elkaar. We hielden er beiden van om gewoon te hangen. Soms keken we elkaar zoekend naar erkenning en veiligheid aan. We lagen dan wel dicht tegen elkaar in die zetel, maar nooit als onszelf. De nacht sluierde ons. Had maar iemand een ontwapenende zin kunnen zeggen.  Had het allemaal gekund, we hadden geschreeuwd, geblaft als honden die met bloeddoorlopen ogen rechttoe rechtaan op hun prooi stormden. We waren bang elkaars jager te zijn. Later die nacht zou het kalfje geboren worden. Met zijn zakmes sneed de buurman de navelstreng door en schilde daarna met datzelfde mes een appel. Er was jenever. De fles ging rond. Iedereen dronk. Er werd gelachen. Alles was goed.      

Thomas De Mulder
107 5

Ambras in de Action

Nu we allemaal terug wat meer buitenkomen wordt het pijnlijk duidelijk dat de gemiddelde Vlaming geen fluit begrijpt van wat hij nu eigenlijk nog mag, moet en vooral niet moet doen. Dat ligt mogelijk aan het feit dat de regels voor scholen alleen al op een gemiddelde dag vijf keer veranderen. Geen mens weet nog naar wie hij moet luisteren. Is het Weyts of Vlieghe? Van Ranst of De Block? En zij die het wel weten en het woord van Wilmès als wet aanvaarden, snappen dan weer geen jota van de woorden waarmee onze premier elke persconferentie opnieuw Nederlandse zinnen bij elkaar probeert te MacGyveren. Dat alles maakt dat Jan met de Pet en Josfin met de Voorschoot vandaag ofwel extreem laks ofwel overdreven rigide zijn in het naleven van de regeltjes. Het bewijs daarvan zag ik deze week nog met eigen ogen aan de kassa van de Action in Aarschot. Voor ik je kwijt ben: ja, ik weet wat je denkt. 'Een steekproef doen van de mentale capaciteit van de Vlaamse medemens? In de Action? Van Aarschot?!' Ik geef toe dat dat vergelijkbaar is met een chimpansee de bouwplannen van de Burj Khalifa geven en teleurgesteld zijn wanneer je een week later alleen een lachende aap in een betonmolen ziet schijten. Doch, geef de Aarschotse Actionbezoeker wat krediet. Toch zeker de jonge vrouw die proper gehandschoend en gemondmaskerd voor mij stond en volkomen onschuldig haar eigen business aan het minden was. Ondanks die voorzorgen vond de opgetutte regelnicht vóór haar dat de jongedame zelfs met een winkelkarlengte tussen hen in toch nog te dicht stond. Dat weet ik omdat ze bijna riep: 'Zo'n kar is geen anderhalve meter, hè! Je zou nu toch denken dat jullie het na zoveel weken wel snapten.' De niemand besmettende dertiger werd uit haar dagdroom gerukt en stond er sprakeloos bij, verwonderd over hoe ze deze vrouw in stilstand toch nog spreekwoordelijk tegen haar kar gereden had. De oplettende lezer heeft al even door dat dit verhaal niet helemaal klopt, omdat ik natuurlijk te rijk ben om in de Action te winkelen. Het was in werkelijkheid aan de kassa van de Carrefour, waar deze kortpittig geknipte dwarsligger duidelijk niet doorhad dat je door luid, geënerveerd te roepen veel meer speekseldruppeltjes en gevaar de wereld instuurt dan iemand die zwijgend met een mondmasker op een volledig winkelwagentje achter je staat te wachten. Mijn voorbuur opperde beleefder dan nodig dat ze geen recht van spreken had door zo op 50 cm van de kassierster te staan roepen zonder mondmasker op. Maar de karkankeraar bleef tekeergaan. Op den duur was ik zelf zo koleirig – er is niets dat me kwader maakt dan onrecht tegen jonge, aantrekkelijke vrouwen – dat ik riep: ‘Wat is dat hier, zeg? Stop eens met ruzie zoeken, speekselsproeiende coronafontein. Moest de dame voor mij niet zo knap, welriekend en nuchter zijn, zou ik denken dat ik hier in de Action stond!’ Of iemand me verstaan heeft is me nog altijd niet duidelijk, want ik winkel vandaag nog uitsluitend in een hazmatpak. Hoe dan ook hoepelde de afstandspolitie vloekend op, waarna de gemondmaskerde schone en ik al snel beslisten bubbels te vermengen om tot in de vroege uurtjes elkaars huidhonger meerdere malen te stillen. Bij deze dus een tip voor onze regering wanneer binnenkort de tweede golf van het virus onze planeet overspoelt: als je wil dat iedereen de regels naleeft, zonder overdrijvers enerzijds en onverschilligen anderzijds, gebruik dan eenduidige communicatie, straf politiekers af die solo rijden – ik kijk naar niemand, Ben – en probeer ervoor te zorgen dat we bij versoepelingen geen master in de wiskunde moeten hebben om te achterhalen hoeveel personen we in onze bubbel kunnen toevoegen als die ook nog meer dan 0 andere familieleden of vrienden willen zien.

Hans Verhaegen
40 2

Uit: De jongen die windjes verzamelde

Een van de voordelen van enig kind zijn, is dat je ouders meer tijd voor je hebben. Met mijn vader ga ik graag honkballen op het speelveldje bij de rivier.  Als hij thuis is, roept hij: ‘zullen we straks een potje honkballen?’ Hij hoeft bij thuiskomt geen scheidsrechter te spelen omdat ik achter mijn broer aanzit en mama stoor die het avondeten klaarmaakt. Mama hoeft nooit over te koken van woede. Die ene keer  dat de pan spaghetti overkookte toen ze gebeld werd door het ziekenhuis en als aan de grond genageld met de telefoon in haar hand bleef staan, was papa heel boos op de pan, maar niet op mij. Ik kon er niks aan doen. Het was de schuld van de telefoon. Bij ons thuis wordt er niet gerend. Gillen doet alleen de waterkoker. De pannen gaan wel eens tekeer. Maar dat is een goed teken. Want dan smaakt het eten heel lekker. ‘Mams, is het goed als ik even ga honkballen met papa?’ ‘Ja. We eten over een half uurtje.’ Ik pak mijn nieuwe handschoen die ik voor mijn zesde verjaardag van papa en mama heb gekregen. Het leer glanst en ruikt naar nieuw. Maar zoals je nieuwe schoenen eerst moet inlopen voordat ze echt lekker lopen, moet ik eerst heel veel ballen vangen met mijn handschoen voordat hij goed zit. Toen ik hem kreeg voelde het leer stug aan. Net karton. Ik was ontgoocheld. Maar papa verzekerde me dat het leer soepeler en soepeler zou worden. Net zoals de soep smeuïger wordt als mama erin roert. ‘Als je er heel veel mee vangt wordt de handschoen soepel! Wanneer ik mijn handschoen niet gebruik, ligt hij geveterd op de bank.   Dat heeft papa me ook geleerd. Hoe ik mijn handschoen soepel krijg, ook als ik hem niet gebruik. Door hem te veteren. ‘Je neemt een veter en strikt je handschoen dicht. Net zoals je een lint om een cadeau knoopt. Hoe strakker hoe beter. Daar wordt het leer soepel van. Kijk, op deze manier.’ En papa veterde de handschoen. Hij legde er een dubbel knoop in zodat de handschoen niet open zou springen.  Elke keer als ik mijn handschoen open strik, voelt het alsof ik jarig ben. Dat is ook een voordeel van alleen zijn. Bijna elke dag ben ik jarig. Papa heeft altijd tijd om honkbal met me te spelen. ‘Ik kom er aan. Ik veter mijn handschoen los,’ roep ik naar papa die bij de deur wacht. ‘Oei, wat zit de knoop er strak in. Ik krijg hem niet los. Had ik maar zo’n scherpe nagels als mama.    

Margaretha Juta
11 0

De bacterie

        Iemand bij wie je na vijf minuten ziek wordt. Een visite bij hem heeft altijd wel iets van een ziektebezoek, daar de mensen steeds fruitmanden of zakdoekjes meebrengen. Toch ook vrienden heeft hij amper, men mijdt hem als de pest. En zij, die hij al ziet, keren na enkele minuten reeds huiswaarts. Ja, met koortsig gevoel of een droge tong, plotse zware ledematen of een zilte droogte op de lippen – de eerste aankondigingen van een ziekte, zijn ziekte; telkens in zijn tegenwoordigheid.         Verjaarde hij vroeger, zongen de kinderen spottend in de lagere school: »Happy buikpijn to you«. Zelf loopt hij steeds met zakdoekjes rond. Het lichaam is voor hem een verzameling aan slecht nieuws. Darmloop, een eksteroog, eczeem of een diabetische voet – hij veroorzaakt de uiteenlopendste kwaaltjes bij anderen. Indien zijn naasten hem al willen zien, dan meestal achter transparant glas of van op veilige afstand. Geef hem vooral geen hand! Doe je dat toch denkt hij onbewust: ‘Welkom in mijn ziekte.’         Zelf beseft hij erg goed dat de mensen hem mijden. Herkent hij iemand uit de verte, dan ziet hij hoe die zich snel uit de voeten maakt of met een ver zwaaien hem reeds begroet. Iets dat eigenlijk meer weg heeft van een beleefd, afwerend gebaar.         Hij stelde hen voor brieven te schrijven –die anderen, die enkelen, die weinige vrienden die hem nog opzochten, die enkeling die het toch probeerde en hem uit medelijden een kans gaf–, toch ook van zijn brieven worden de mensen misselijk. Hij leerde het hele morsealfabet van buiten, slechts om ‘s nachts en vanop afstand met een kaarsje te kunnen communiceren. Ja om ook afstand als communicatie te zien en uit liefde, slechts uit liefde, zijn naasten niet aan te steken. Om hen iets mee te kunnen delen. Te kunnen spreken vanuit distanties en er toch te zijn. Het kleinste op te vangen en te kunnen laten weten. Nochtans bleek ook deze toenadering voor de mensen een opgave. Zij willen ’s nachts slapen. Het is het zoveelste te veel, en aldus leeft hij in gedwongen eenzaamheid. Hij, zichzelf en zijn ziektekiemen.          Astmatische gesprekken. Epileptische vingeraanrakingen. Diabetische kameraadschappen. Myocardische knipogen.          Een pientere vorst stuurde hem als spion eens naar de vijand, toch ook zijn eigen informant, niet in het minste de vorst zelf, kreeg de mazelen. Veelbelovende wetenschappers die hem onderzoeken staan voor een grote carrièredoorbraak, toch zij sterven onverklaarbaar jong. Een nietsvermoedende, goedaardige juffrouw bloosde bij zijn plotse knieval, toch haar blos bleek weldra meningitis.         Zijn wereldreisjes? Het worden pandemieën.         Hoe vaak hij zich in zijn kamer opsluit, slechts uit altruïsme. Niet wil hij anderen met zichzelf aansteken. Hij begrijpt, weet intussen: zijn afwezigheid is anderen hun lichamelijk geluk. Hij heeft het leven aanvaard. Heeft hij het beste met iemand voor, dan wil hij hem of haar nooit meer zien – slechts omdat hij hem of haar geen embolie wenst.         Is hij verliefd, dan meldt hij zich niet meer. Nooit meer. Slechts wanneer hij rancuneus of woedend is, nodigt hij zijn vijanden hartelijk uit om te komen eten. Hoor je niets van hem, dan weet je: hij heeft je graag. Toch krachtens zijn afwezigheid vergeet je hem. Slechts wanneer je denkt, neen voelt, plotseling vaststelt, je bent verkouden, besef je: hij zoekt terug contact met me. Anderen mijden hem dan ook, zoals de duivel het gewijde oord, en wensen hem nooit meer te zien, slechts uit ieders obsessie met de eigen gezondheid.         Hij is in diep verlangen, eindelijk eens een vrouw te kussen. Of gewoon iemands hand te kunnen houden! Toch de dames mijden hem, zelfs intuïtief, zo als konden ze het ruiken. Zijn eerste liefjes en hun longontsteking. Zijn leerkrachten die met tuberculose ontslag namen. Zijn buren met psoriasis die verhuisden. Zijn vrienden met roodvonk die logen. Slechts die mensen die iets van hem nodig hebben, die bijvoorbeeld geen zin hebben om morgen op het werk te verschijnen en een verkoudheid wel zouden kunnen gebruiken, ja daarvan hoort hij nog wat. Zij melden zich af en toe bij hem. Zo zijn ze wel, de mensen. Maar ook hen hoort hij nadien niet meer terug. Zelfs geen brieven. Zelfs geen brieven…         Men noemt hem spottend ook wel eens: de bacterie.  

Zduma
37 1

reactor

stille vooruitgang. blaas hem uit.  voortgestuwd door adem blaas je hem uit.een dubbel voortbestaan vecht van je binnenste uit, zich een weg naar buiten toe.als je jezelf ontlaadt van je motor.de puls reageert en interactie verdedigt zichzelf, heeft dit nog nooit gedaan ook, die weg stuwt en hakt zijn eigen weg,doorheen de moerassen, de schaduwplanten en planeten in een schemering,altijd ons observerend. al denken wij vaak vice versa etcetera.het gaat wel vanzelf,alleen als je lief bent. interactie werkt met je mee,als je liefde kiest; rondom je heen wegen toestanden op je buurlanden.oorlog speelt zich af, rondom je heen, je zichtvertroebelt, doorheen decenniastilte in je eigen zone. alleen maar omdat jij afgebakend,observatieaangeleerd krijgt. aangekleed voor je dag staan en tijd die doorheen de zinnen en echo's van een verleden snijdt zonder lang op zich te laten wachten. buiten, waar alles nog stil is, tekenen zich zones af en verdwijnen mensen één voor heen. omhulsels die ze zijn vergelden zich en dienen beantwoord te worden door splitsingen. ziel en lichaam verwijdert zich sneller dan voorheen, alleen maar als witte mannen dat zeggen. vrouw-lichaampjes zijn bestanddelen die, alles verpulverend, op grote afstanden worden gehouden, tenzij de amfitamine zijn werk doet, en in de zorgsectoren, worden de grenzen afgebankend, maar in een ander soort code, die witte massa-acties bevoorraden. aangekleed jezelf reflecterend dubbel ontladen voortgaan.  mond geopend, huid omhullend, vast en statig verschijnen, aan je eigen voorgeschiedenis.je kiest, je weet, je verliest.een haartje daarbij, je wordt ouder, als je staat, waarin je leeft, weer jonger wordt. alles gereinigd wordt daarbijde deur naar een nieuwe reflectiealleen maar meer troebelen dicht. dicht bij elkaar veroorzaken verkeersopstoppingen disucussies binnen monden die modern aan doen maar zeggen wat niet meer gezegd was. alleen maar omdat je spreektbetekent niet nietsis nog veiligweet je niet meer waar je kan staan zonder grenzenwaren er al lang geen steekpartijen meer of verkrachtingenzorgen voor standvastigheid.   landschap dat veroudert verdwijnt, onder je voeten, alleen maar de helwaarin boven zich nog steeds planeten, laag observerend, bijna onder ons ingebed, de situatie aanzien. er zal geen inmenging zijn zolang. dit kan en wil niet eindigen. daarom eindigt het misschien welnu dat er nog woorden te veel zijn.   © (de afbeelding komt rechtstreeks van Pinterest:Nikolai Lutohin, Sci-fi illustrations from 70’s Yugoslavia) ©

Dries Verhaegen
35 0