Zoeken

De wolkendame

Haar naam klinkt als de naam van een lieflijke vrouw. Als een engel die te mooi is voor de aarde. Zo één met lange, blonde haren en een porseleinen gezichtje. Zo één met een lang, wolkenwit kleedje en een gouden harp waar goddelijke klanken uit komen. De wolkendame, een prachtige verschijning voor een prachtige naam. Alleen was ze alles behalve een prachtige verschijning. De wolkendame dankt haar naam aan haar omvangrijke lichaam. Haar buik golft onder haar bebloemde kleed en doet me altijd denken aan wolkjes. Ik stel me voor dat de wolkjes net als springkastelen zijn en ik van de ene naar de andere kan springen en zo meters hoog in de lucht kan vliegen. Ik denk dat als ik op de buik van de wolkendame land, ik hoger vlieg dan de huizen in onze straat. Jammer genoeg mag ik het niet proberen van mama. Op het bolle lijf van de vrouw zit een even bol hoofd dat ik met moeite kan zien als ik te dicht bij haar sta. Aan haar bol zitten grijze krullen en snorharen vastgeplakt. Op de punt van haar neus staat er een brilletje dat veel te klein is voor haar grote hoofd. Haar wangen zijn naar beneden getrokken, al weet ik niet door wie. Het moet wel fijn zijn om eens aan haar wangen te hangen. Jammer genoeg mag ik dat ook niet van mama. Ik mag ook niets. In plaats van handen heeft ze ronde aanhangsels met dikke worstjes aan. Vreemd dat de hond zich nooit vergist, hij eet graag worstjes. Haar achterwerk heeft wat weg van het Himalaya-gebergte waar ik op school over heb geleerd, alleen mag je die niet beklimmen. Enkele keren per jaar komt ze op bezoek, dan neemt ze een hele doos ranzige koekjes mee die ze één voor één in mijn mond propt. Dat ik vel over been ben, zegt ze dan, en of ik wel genoeg te eten krijg? Jongens moeten tenslotte heel hard groeien, in lengte en breedte! Geen enkele vrouw verkiest een mager ventje boven een echte, stevige man. Dat zijn niet de grootste zorgen voor een vijfjarige, zegt mama dan. Pas maar op, anders wordt die jongen van jou maar een schraal mannetje, preekt ze met haar vinger dreigend naar mama. Met grote ogen bekijk ik het tafereel dat zich voor mij afspeelt, zouden ze vergeten zijn dat ik hier zit? Misschien moet ik eens op en neer wippen op mijn stoeltje, of eens wuiven met mijn hand, of heel hard roepen: ‘Hallo, ik ben hier!’ maar ik besluit geen van allen te doen. Hoe het met de buurvrouw ging, want ze ging toch bijna bevallen van haar derde kind? Goed, zei mama, en dat ze al een heel mooi buikje had! Ja oma, bijna net zo dik als jouw buik, draag ik er vrolijk aan bij. Oei, een donderwolk.

Shelly Wagemans
15 0

De onzichtbare rugzak

“Met de jongen met de sproeten mag je nooit verkering hebben. Ooit had ik verkering met hem en hij gaf mij een lelijke tekening met roze pony’s en regenbogen. Je kan beter zorgen dat die grote daar je vriendje wordt, hij geeft schattige knuffelberen aan zijn vriendinnetjes. Je moet vriendin worden met dat blonde meisje daar, op haar verjaardagsfeestje zijn er wel drie verschillende springkastelen! En zie je die dikke jongen daar? Ga nooit naast hem zitten in de klas, hij stinkt erger dan zweetvoeten!” Het is vandaag mijn eerste dag op deze school. Het is altijd wennen, al die nieuwe gezichten. Een groep meisjes heeft zich reeds over mij ontfermd. Ze hebben mij al veel geleerd vandaag. Zoveel regels om te onthouden. Mijn ogen vallen op een meisje met een bolle rug, ze staat alleen aan de rand van de speelplaats. Wat vreemd, ik heb oma’s en opa’s gezien met zo een gekromde rug, maar nog nooit een jong meisje. Het moet erg zijn om zo rond te lopen. Het meisje naast me, ik geloof dat ze Bianca heet, geeft me een stomp in mijn zij. “Kijk niet te lang naar haar, zo meteen valt ze je aan!” Ze kijkt naar het meisje vanuit haar ooghoek en bukt zich dan over mij. “Niemand heeft haar ooit een woord horen zeggen. Ik heb gehoord dat ze als kind haar tong afgebeten heeft. Niemand praat met haar. Je kan maar best uit haar buurt blijven.” De andere meisjes knikken instemmend. “Wat een geluk dat je ons hebt, wie weet was je er anders heen gegaan!” Ik draai mijn hoofd naar het eenzame meisje. Wat moet ze zich alleen voelen. Mijn groepje vriendinnen proest het uit als een knappe jongen onze richting uitkijkt. Ik keer me terug naar de groep en meng me in het gegiechel en gefluister.   “De plateaus plaats je hier op de kar, daarna ga je met de vod over de lege tafel en droog je hem af met een handdoek. Als je klaar bent, zet je de kar maar in de keuken, goed?” Zonder te wachten op een antwoord geeft meester Tom een schouderklopje en stapt hij van me weg. Verward kijk ik naar de plateaus op de tafel. Wat met de kannen water en kartonnen melk die erop staan? Moeten die ook op de kar? Ik krab met mijn vingers in mijn haar terwijl ik naar de tafels staar. Ik hoor de deur openklappen en een geslenter mijn richting uitkomen. Het meisje met de bolle rug neemt de kannen en de melk en zet ze zwijgend onderaan de kar. Ik besef dat ik het meisje aanstaar en wend mijn blik snel af. Ze schuift een vod en een handdoek naar me toe op de tafel voor ons. Ondertussen zit ik al enkele weken op deze school, deze week is het mijn beurt om de refter op te ruimen. Ik kom tot het besef dat ik na die eerste dag school het meisje compleet uit het oog ben verloren. Ik voel mijn wangen branden, ik hoop dat ze het niet merkt. Het meisje zet alles in dezelfde volgorde op de kar. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Daarna gaat ze naar de volgende tafel en doet ze hetzelfde, ze lijkt wel een machine. Zwijgend begin ik de tafels af te vegen. De volgende dag staan we weer stilzwijgend naast elkaar. Zij zet alles op de kar. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Ik veeg de tafels schoon. De stilte geeft me een knagend gevoel in mijn buik, alsof ik hem moet verbreken. Ik schraap mijn keel. “Wat is je naam?” breng ik met een kleine stem uit. Het meisje blijft stilstaan voor enkele seconden en zet dan haar taak verder. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Ik zucht en ga met een handdoek over een tafel. “Het is dus waar dat je niet kan praten,” ik heb al meteen spijt van mijn woorden. Het meisje kijkt met een vragende blik naar mij, ik voel mijn wangen weer branden. Ze slaat haar ogen naar beneden en mompelt: “Laura.” Mijn maag keert zich helemaal om. Wat stom van me, ik had beter niets gezegd. We ontwijken elkaars blik voor de rest van de tijd. Als alles klaar is gaat zij naar haar eenzame eiland en ik naar mijn giechelende meisjeswereld.   “Luna,” zeg ik terwijl we op donderdag de refter weer opruimen, “dat is mijn naam. Sorry voor gisteren.” Laura haalt kort haar schouders op. Het lijkt alsof de volgende minuten wel uren duren. De conciërge zwaait de deur van de refter open en komt met een grote kar binnen. Hij knikt rustig naar ons en zet zijn weg verder naar de keuken.  Als hij aan de bar komt valt in de stilte een oorverdovend geluid. Het hoofd van de conciërge blaast helemaal op en slaat rood uit. Hij haast zich met snelle, korte stapjes weg naar de klapdeur van de keuken. Laura en ik kijken elkaar aan en barsten in lachen uit. “Oh, wat een stank!” schater ik uit terwijl ik met mijn hand de geur probeer weg te zwaaien. “Zeg dat wel,” grinnikt Laura. “Een vuurtje erachter en je had nogal een spektakel gezien!”   Het ijs is eindelijk gebroken. Ik vertel haar over de vele verhuizen van mijn ouders waardoor ik steeds van school moet veranderen, dat ik dat niet fijn vind en dat ik elke keer weer afscheid moet nemen van mijn vrienden. Zij vertelt mij dat ze niet mag  veranderen van school, dat ze graag een nieuwe start zou willen nemen met nieuwe mensen maar dat ze hier vast zit. Dat ik niet liever zou willen dan op dezelfde school te blijven, zeg ik dan. “Mag ik iets vragen?” vraag ik twijfelachtig. “Ik bedoel het niet slecht, maar waarom loop je zo gebogen?” Ze schudt haar hoofd. “Het komt door die gigantische rugzak,” zucht ze. “Welke rugzak?” ik kijk fronsend naar haar maar zie niets dat op een rugzak wijst, enkel haar gekromde rug. “De meeste mensen zien het niet, je moet het willen zien. Kijk maar eens heel goed.” Ik vraag me af of ik haar gek moet verklaren of niet. Ik knijp mijn ogen samen en staar Laura aan. Ja, ze is absoluut gek. Natuurlijk geen rugzak te zien. Dan zie ik de omtrekken van een meterhoge rugzak scherper worden totdat uiteindelijk een gigantische, bruine rugzak te zien is. Ik leun met grote ogen naar achter. Laura trekt haar mondhoeken voorzichtig omhoog. “Je ziet hem nu wel, hé? Iedereen heeft een rugzak, kijk maar bij jou.” Ik ga met mijn handen naar mijn schouders en voel twee riemen. Hoe kan dat? Ik voel een klein gewicht aan mijn rug, de mijne is veel lichter als die van haar. “Wat zit er dan in?” “Dingen die je altijd meedraagt. Erge dingen die zijn gebeurd en die je nooit meer los kunt laten. Die draag je dan heel je leven mee, je hebt geen andere keuze.” Ze kijkt met vochtige ogen naar de vloer. “Ik heb hem al proberen af te doen, heel de rugzak in de vuilbak te gooien, te verbranden zelfs, maar niets helpt.” “Wat erg,” breng ik uit met een zachte stem, “ik wou dat ik iets kon doen voor je, dat moet verschrikkelijk zijn.” Laura glimlacht naar me, haar blik bedankt me. Na een korte stilte vraag ik: “Kan je laten zien wat erin zit?” “Ja, dat gaat wel,” ze neemt haar rugzak van haar rug, haar gebogen rug verdwijnt meteen als ze hem af doet. Als eerste neemt ze er een versleten teddybeer uit. “Als mama en papa riepen naar elkaar, huilde ik altijd uit bij hem,” fluistert ze met een trillende stem. Daarna een kleine, leren koffer. “Toen mijn mama en papa gingen scheiden, moest ik elke week heen en weer met deze koffer.” Dan neemt ze er een leren riem uit. “Hier sloeg papa mijn mama mee, en later ook mij,” Laura haar ogen worden doffer bij elk voorwerp dat ze eruit haalt. Ik wrijf met mijn hand over haar arm, niet goed wetend wat ik anders kan doen. Ik kijk naar de rugzak en dan naar het meisje. “Zal ik het volgende eruit nemen?” Ze blijft voor zich uit staren. Ik reik voorzichtig met mijn hand naar de rugzak en grabbel erin. Ik voel iets duns, maar ontzettend zwaars. Met al mijn kracht trek ik het eruit en vind ik een brief. Hij moet enkele kilo’s zwaar zijn. Ze neemt de brief van me en kijkt hem met lege ogen aan. “Dit is het laatste dat mijn moeder heeft achter gelaten, daarna heb ik haar nooit meer gezien.” Hulpeloos kijk ik haar aan. Kon ik maar iets doen, zeg ik duizend keer in mijn hoofd. Ik kijk naar de gigantische rugzak. Mijn gezicht klaart op, ik doe mijn eigen rugzak af en trek hem open. Dan sta ik op en ga naar de spullen die Laura heeft neergelegd. “Wat ga je doen?” vraagt ze met ogen vol vraagtekens. Zonder te antwoorden stop ik Laura’s spullen één voor één in mijn rugzak. De teddybeer, de koffer, de leren riem en de brief. Ik sluit mijn rugzak en gesp hem op mijn rug. “Zo.” Ze kijkt me net aan alsof ze een spook heeft gezien. “Wat doe je nu?!” “Als we het samen dragen, is het toch minder zwaar. Mijn rugzak is dan misschien iets zwaarder, maar die van jou is lichter. Probeer maar eens.” Laura neemt haar zak op haar rug. Na een paar seconden beseft ze dat ze gewoon recht staat, zonder gebogen rug. Ze loopt enkele meters en weer terug. Geen bejaardenloopje meer. Ze ziet er abnormaal normaal uit zo, met die brede glimlach op haar gezicht.   Sinds die dag dragen Laura en ik samen onze rugzak.

Shelly Wagemans
17 1

Strabismus

Bruin brood mocht dan wel gezond zijn, maar dat had Valère genoeg moeten eten in de oorlog, tussen het schuilen voor de bommen door.   Nu waren hij en Mariette al lang op pensioen en woonden ze op de vierde verdieping van een chique appartementsblok, waar het leek alsof ze elke dag aan zee waren. Zo was haast alles op een kilometer afstand en vlogen er zelfs meeuwen. Maar zonder de dagtoeristen, dure zeetongen of gezonde jodium. En geen zee, natuurlijk.   De ligging van hun hoekappartement gaf hun veel bekijks. Er waren de mensen van het café, de steenweg met interessant verkeer, de stoet van schoolgaande kinderen, en het plein waar elke maand een groot evenement plaatsvond.   Terwijl Mariette de restanten van een zonsopgang aanschouwde, omhelsde Valère haar. In de hoekramen zag hij twee oude mensen staan. Veel ouder dan hij zich voelde. Hij nam haar handen vast. Ouderdomsvlekken. Streelde haar zachte oude vel. Rimpels. Lang kon hij haar niet vastnemen. Dat deed pijn.   ‘Daar,’ zei Mariette, ‘kan je het zien? Ons oude huis.’   Een jaar geleden hadden ze nog in een villa gewoond. Met een tuin. Maar Valères slechter wordende gezondheid had hen gedwongen doen verhuizen naar wat hij als hun laatste halte beschouwde. Althans de zijne. Was dit het dan?   De kerk konden ze niet zien vanuit hun appartement, maar hij begon er meer en meer aan te denken. Hij maakte zich ongerust dat niet alles in orde zou zijn op zijn begrafenis. Dat er mensen te laat zouden zijn, dat…   ‘Kom, Valère, het is tijd om te winkelen.’ Mariette nam haar zakdoek, dipte die op haar tong, en veegde zijn mondhoeken proper. ‘Je hebt daar nog wat soldatenkoek hangen,’ zei ze vastberaden. Die gewoonte van haar was begonnen in de tijd dat ze nog jonge kinderen hadden. Nadat die hadden leren eten had ze haar opvoeding verder gezet op Valère. En nu deed ze het vele keren per dag, want het dik speeksel dat zich ophoopte in zijn mondhoeken vond ze wansmakelijk.     Eenmaal in de wagen, reden ze de parking uit zonder blikschade, wat Valère normaal optimistisch stemde. Maar niet vandaag, want dat onbehaaglijk gevoel van de laatste tijd bekroop hem weer.   Zijn vrouw reed niet meer met de auto sinds ze dertig jaar geleden eens gebotst was. Zou ze het ondertussen verleerd zijn?   ‘We moeten voortmaken,’ zei zij, ‘want straks komt de oudste van ons Pascale de computer maken.’   Dat maakte Valère nog zenuwachtiger. ‘Hoeveel tijd hebben we dan om te winkelen?’   ‘Een uur.’   ‘Maar, bel hem dan dat we nog maar net vertrokken zijn naar de winkel. Een uur… Mariette, dat is te kort.’ Hij hapte naar adem.   ‘Doe dan voort,’ zuchtte ze.   Iets later kwamen ze aan bij de winkel die eigenlijk erg dichtbij was, maar toch te ver om de boodschappen te voet naar huis te dragen.   Bij het uitstappen stootte Valère weeral zijn hoofd. Hij vloekte, en voelde aan de bult die al jaren was overgroeid door een grote gebarsten korst.   Tot enkele weken geleden spraken ze nog af met een bevriend koppel aan de winkel om een koffie te drinken in het café ernaast. Maar de man was nu dood. Voor diens begrafenis had de weduwe, Irma, gevraagd kleurrijk gekleed te komen. Dat had Valère geweigerd uit principe, maar Mariette had hem ertoe verplicht.   Mariette leek zijn gedachten te lezen. Plots zei ze: ‘We zouden nog eens moeten afspreken met Irma. Ze zit veel alleen de laatste tijd.’   Valère gromde. Hij had met Irma doen, maar het zat hem nog altijd dwars. Een onnozelaar in een kanariegeel kostuum. Op een begrafenis! Hij had verdomme zijn been stijf moeten houden!   Er was slecht weer op komst. Voorzichtig stapten ze naar de schuifdeuren. Vorig jaar was hier nog een vriendin van hen gevallen. De heupoperatie had haar op slag tien jaar ouder gemaakt.   De manier waarop Mariette een winkel binnenkwam deed Valère altijd denken aan de kippenren van zijn vader zaliger. Kop naar voor en achter. Loshangend nekvel. En kakelen.   Nadat ze nog eens met haar zakdoek langs zijn mond had geveegd, ging ze naar de beenhouwer. Dat betekende dat Valère een kar moest nemen om dan bij haar te gaan wachten. Als een onnozelaar.   Al jaar en dag kwam hij in deze winkel, maar de jeugdige bediende aan het rek met karren had hij nog nooit gezien. Die zei: ‘Meneer, kan ik u helpen?’   Valère knikte eens nors terug, wilde een kar nemen, maar die blokkeerde even.   De bediende kwam dichterbij en riep nu in zijn oor. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Valère was geïrriteerd, maar wist niet wat zeggen. Hij vond het steeds moeilijker om te praten tegen nieuwe mensen.   De bediende kwam nog wat dichter en legde begripvol een hand op Valères schouder. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Maar Valère voelde zich getutoyeerd. Hij schudde kwaad zijn hoofd en zijn oude schoolmeesterstem haalde de bovenhand: ‘Het lukt, dank u!’ Hij rukte de kar los en duwde die rakelings voorbij de bediende.   Hij voelde zich opgejaagd. Zijn hart klopte luid en onregelmatig in zijn borst. Hij sloeg in paniek en begon te trillen. En plots… zag hij alles wazig.   Wankelend, steunend op zijn kar, schuifelde hij naar de beenhouwer. ‘Mariette,…’ lispelde hij.   Maar die was druk aan het kakelen.   ‘Heb je het gehoord van Gilbert?’   ‘Ja. In zijn slaap.’   ‘Dat is nog een schone dood.’   ‘Mariette!’   Toen die zich eindelijk omdraaide, slaakte ze een gil. ‘Valère!’   Ze hadden nog nooit zo snel gewinkeld. En de hele tijd had hij niet mogen opkijken van zijn vrouw. Zij had de kar gereden. Zij had betaald. En toen ze bij de auto waren gearriveerd, had zij ook alle boodschappen ingeladen. Allemaal erg ongewoon, maar de ernst begon hem pas te dagen toen zij haar hand had uitgestoken. ‘Sleutels.’   ‘Je hebt al dertig jaar niet meer gereden,’ kreunde hij.   ‘Jaja, sleutels.’   Hij was niet graag passagier. ‘Wat scheelt er met me, Mariette? Ik ben echt niet goed.’   Ze fronste bezorgd.   Eenmaal op het appartement had hij niet de typische ziekenverzorging gekregen. Geen thee, geen pijnstiller, geen lieve woorden.   Mariette stapte uit de slaapkamer met haar maquillagespiegel. Ze aarzelde even, maar hield die dan toch voor Valères gezicht.   En toen zag dat hij scheel keek. Als een otter. Twee keer.   Mariette nam de telefoon.   ‘Wacht!’ zei Valère, ‘wat ga je doen?’   ‘De dokter bellen, tiens. Je kijkt scheel als een onnozelaar. Dat is toch niet normaal?’   Hij zei koppig: ‘Ik ga niet in die wachtzaal zitten.’ Maar Mariette was al aan het bellen.   Ze legde af en zei: ‘Vanavond hebben we een afspraak.’   ‘Maar…’   En ze gaf hem een zonnebril.   ‘Voor straks?’   Ze lachte krampachtig. ‘Zet hem nu ook al maar op. Werkelijk, het is geen zicht.’     Hoe ouder je wordt, hoe meer je naar de dokter zou moeten gaan. Maar elke keer dat je gaat, kan die nog minder doen dan de vorige keer. Daarom at Valère elke dag een appel om gezond te blijven. En een soldatenkoek.   Hij wist dat hij een ondraaglijk humeur had vertoond de laatste weken. Iedereen had ervan moeten lusten. Zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, schoonfamilie, … Zelfs zijn vrienden wilden niet meer met hem kaarten.   ‘Ogen open!’ zei Mariette streng. Een nieuwe dag en weer druppels in zijn ogen, zodat hij niet dubbel zou zien.   Mariette fronste, pakte haar zakdoek en wreef zijn mondhoeken schoon.   ‘Nee!’ zei hij plots en hij sloeg haar hand weg.   ‘Valère!’ riep Mariette geschrokken.   ‘Ik ben geen gehandicapte! Stop met me zo te behandelen!’   ‘Kalm, Valère, …of-’   ‘Of wat? Of ik ga nog scheler kijken? Veel scheler dan dit kan het nochtans niet. Verdomme.’   Hij stapte naar de hoek van het appartement tussen de twee vensters en keek naar het begin van een miezerige ochtend. Hij hoorde Mariette naar de keuken stappen en met gerief beginnen rommelen.   Zijn vrouw had auto gereden, klussen gedaan, … Alles wat zijn pensioen nog betekenis had gegeven de voorbije jaren was uit zijn handen ontnomen.   En hij was dingen gaan vermijden uit schaamte. Zo was hij al weken niet meer mee gaan winkelen.   Mariette kwam uit de keuken en haalde diep adem. ‘We moeten naar de winkel,’ zei ze gerepeteerd.   Het woord viel als een bom.   Even wachtte ze nog, maar zuchtte dan, en nam de autosleutels al van de haak. Ze leek zo kwetsbaar.   ‘Wacht…, Mariette…’ zie Valère, en hij stapte naar haar toe, wreef over haar zachte handen, en nam de sleutels. ‘Laat mij gaan. De dokter zegt dat ik het kan.’   Haar gezicht klaarde op. ‘Hier is het lijstje.’   Hij winkelde niet graag alleen, maar deze keer stond er veel op het spel.     Moe van de autorit, maar tevreden van de overwinning, was de winkel donker met zijn zonnebril. Hij nam een kar en negeerde de jonge bediende die in de buurt stond.   Ze hadden de laatste weken blijkbaar de opstelling van de rayons en de producten gewijzigd. Verdomme, dacht hij, niet nu.   Iets later zat hij nog maar in de helft van zijn lijst en was hij al uitgeput. Hij zocht naar de soldatenkoeken, maar die leken wel verstopt tussen een massa andere merken. Overdaad. In mijn tijd waren soldatenkoeken nog genoeg.   Hij deed zijn ogen dicht om de gonzende hoofdpijn te sussen, en probeerde de juiste koeken te vinden door de verpakking te betasten. Gebukt en gehurkt. Zijn hele lichaam deed nu pijn.   ‘Meneer?’ vroeg plots een fijn stemmetje. ‘Kan ik u helpen?’   Hij deed zijn ogen open en zag een lief meisje van zo’n tien jaar. Voor de eerste keer in weken deed hij zijn zonnebril af.   Dat deed het meisje vrolijk hardop lachen. En ze stopte niet.   Eerst voelde hij zich beschaamd. Maar haar lach was zo aanstekelijk dat al snel de tranen uit zijn ogen stroomden. De pijn ebde weg.   ‘Ik zoek soldatenkoeken,’ zei Valère na een tijdje.   Prompt pakte het meisje een doos koeken uit het rek en gaf die aan hem. ‘Ziezo!’ En ze dartelde weg.   ‘Bedankt,’ fluisterde hij na.   En thuis zou hij merken dat het geen soldatenkoeken waren, maar zachtere koeken met een zoete smaak, en een kinderachtig beertje op de verpakking. Maar hij zou die opeten met smaak.   En erna zou Mariette zijn mondhoeken mogen afvegen.      

Han Hartmoed
0 0

Positief reisadvies voor India

Positief reisadvies voor India:  DE TIEN GEBODEN 1. Gij zult niet opvallen   Neem (liefst onbewust) een aantal van de plaatselijke gewoonten over, kwestie van te integreren, dus camoufleren, dus minder op te vallen. In India betekent dat ondermeer:  - met je hoofd bijna nee schudden (alsof je zou tonen "allez dan, tis goe voor ene keer") wanneer je eigenlijk gewoon 'ja' bedoelt. - bij het drinken van een fles water giet je het water in je mond zonder de opening van de fles met je lippen aan te raken. - je voedsel zo vaak mogelijk met je handen opeten (NVDR: Joachim bedoelt eigenlijk één hand en alsjeblieft je rechter) 2. Loof de Heer (maakt niet uit welke) Vraagt iemand naar je religie? Kies er gewoon 1 uit: Christen, Moslim of desnoods Jehova, maar begin niet te lullen over atheïsme. Het is alsof je het Belgisch federaal systeem zou proberen uitleggen aan een Chinees in het Duits.  3. Vermijd overbodige ongemakken Ga je voor een lange busrit? Laat dan op je GSM een herinnering, genaamd 'rugzak', 15 minuten voor de geplande aankomsttijd afgaan om het bewuste voorwerp zeker niet te vergeten. Gaat de man in de zetel voor je even weg voor een plaspauze, draai dan ongemerkt zijn zetel wat naar voren, kwestie van wat meer beenruimte te scheppen voor jezelf. 4. Verwacht steeds het onverwachte Zelfs als je denkt in alle rust op het strand te liggen kan je wakker worden met een aap op je gezicht, een schijtende (doch nog steeds heilige) koe naast je, en mogelijk passeren er een paar zatte locals die lachend (!) een zeil versleuren met daarop open en bloot de lijken van 2 pas verdronken Indiërs. Dat er 5 minuten later een andere zatlap trots een 2de duim aan zijn rechterhand komt tonen, maakt de onvoorspelbaarheid alleen maar groter. 5. Gij zult nooit onder je bed kijken   Zoek nooit naar ongewenste levensvormen in je kamer. Wat niet weet, niet deert. 6. Wees nooit bevreesd   Voel je niet te snel bedreigd! Zelfs niet als je alleen in een afgelegen automaat geld afhaalt en er 15 Indiers binnenglippen om je hand te schudden, mee te kijken naar het computerscherm en vooral te profiteren van de gratis airco.   7. Wees geeeeeeeeedddddddddduuuuuuuuullllllllllllllllllllllllllddddddddddddiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiggggggggg en adem door je mond   Met een beetje pech sta je met je zweetsleffers en bagage 4 uur aan een stuk recht in een belachelijk volle trein. Met een beetje extra pech word je verdrukt richting een 170cm lage doorgang en sta je het langste uur van je leven in de deuropening van de wereldwijd gerenommeerde, door Unesco beschermde Indische treintoiletten. Nadat je beseft dat een uur je adem inhouden net iets te lang is, word je spontaan jaloers op de 2 zwarte, geurwerende tenten naast je en de moslima's die zich eronder verschuilen. Allah Akbar! Hun man gunde hen zelfs geen oogluikje! Ik kook vanbinnen, maar zie het oogluikend aan (komaan, deze woordspeling schreef zichzelf).    8. Wees mild ten opzichte van schrijffouten De lieve Indiers bedoelen het immers beter dan het klinkt: - French Fried (nee, ze willen echt geen Fransman frituren) - Chess omelet ( de Gary Kasparov onder de eieren) - T-shirt van Iran Maiden (de bekende Perzische Heavy Metalband) - Jackem Stood (rechtstreeks overgeschreven van mijn paspoort en geef toe: het klinkt beter dan het origineel) 9. Gij zult ten allen tijden flexibel zijn   Het moet gezegd: India is hemel en hel, slow motion en fast forward EN dit volgens mij meest diverse land ter wereld (qua cultuur, religie, hiërarchie en natuur) is tevens zowel middeleeuws als hypermodern                               kreupele naast straatkind naast mangoboer naast IT-specialist                     krot naast shopping center                                                                                                                                                                        Gladiator naast The Matrix                                                                                                  en ik ertussen als kameleon. Als je denkt tegen meer dan de helft van bovenstaande geboden te zullen zondigen... 10. Blijf hier weg en geniet ten volle van Belgie

Joachim Stoop
0 0

versmeltende chemie

Er waren eens 2 cellen, Cella en Menno, die opbotsten tegen mekaar. Chemie van op het eerste moment. Menno vraagt aan Cella: ' Zullen we de uitdaging aangaan? ' waarop ze antwoordt: ' Het is afhankelijk van waar je de uitdaging legt.' Toch de fysieke aantrekking was zo sterk dat beiden verblind werden door de chemie. De membramen van Cella en Menno raakten mekaar en pats ... de versmelting der cellen was een feit. Cella:  Aantrekking is als een magneet. Maar wat trekt ons zo aan aan mekaar? We kennen mekaar niet eens. 'Het zal jouw schoonheid zijn' , zegt Menno. Cella: Maar dan is de vraag hoelang ik jouw uitdaging blijf? Als wij als 2 cellen uitgroeien tot een luchtbel, spat ie vroeg of laat uiteen. Menno: Zo ver zal het nooit komen.  Cella: Of wat als je vroeg of laat, wanneer je een niveautje hoger gaat, de uitdaging dreigt te verliezen? Als er dan iemand van ons 2 niet ontwaakt, is voordat je het weet, de tegenpartij 'gone with the wind' .... opgezogen door een andere voorbijzoevende magneet. Menno: Dan zal ik jouw duwen tot in de uiterste holle zijde van jouw cel, zodat er een lichtje gaat branden. Als je er dan voor open staat, is er een mogelijkheid samen uit te groeien tot een verrijkende parel. Een parel zo verrijkt, dat hij ondanks de aantrekkingskrachten van de voorbijzoevende magneten, toch niet gaat zweven en met de voetjes op de grond blijft. Want onthou: perfect zal het nooit zijn. Dat is een utopie. Een evenwicht vinden is al een kunst op zichzelf. Het feit dat je voortdurend in beweging bent, zal er nooit een constant evenwicht zijn.

melissa
0 1

Concha's kinderen

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.   Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden.   De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder. Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.    ‘Oma,’ zegt het kind. Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.  ‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’ Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.   ***   Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.             Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen. Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.   Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan.  ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.   ‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud. ‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien. ‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.  ‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’. ‘En wij wonen in de trein.’ Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.   Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms. Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken   ***   In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.   Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.   Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.   Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?   ‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’ Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.   Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?   De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?   ***   Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.   Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.   Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.  ‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.    ‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’   Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar zo blij maakt.  

Christine Van den Hove
7 0

Ismet Kaplan

1“Hoe is je naam?” vroeg de oude man.“Ik heet Kaplan meneer. Ismet Kaplan.”De grijsaard speelde zijn rol goed in café Klein-Azië.“Waar ben je geboren?” ging hij verder.“Ik ben hier in Gent geboren meneer en hier in de Sleepstraat opgegroeid maar mijn ouders zijn allebei afkomstig van Demre in Turkije?”“Haha en waar ligt dat?”“Niet ver van Kemer, meneer, vele Belgen kennen dat van hun zomervakantie” zei Ismet.“Dat klopt jongen. Ik ken dat ook. Zing nu het liedje maar, je weet wel, dat van Moriaantje”De jonge kerel begon te kwelen: “Moriaantje, zo zwart als roet, ging eens wandelen zonder hoed. En het zonneke scheen op z’n bolleke en hij droeg geen parasolleke”.“Goed zo, ik heb jouw adres, ik laat je nog iets weten.”“Merci meneer”. En weg was Ismet. De oude man met zijn witte baard begon tijdig aan zijn voorbereidingen. De scholen waren gesloten en het grote verlof nog maar pas aangebroken. Al sinds half twee die middag was de ene na de andere jonge Turk bij hem langs geweest om te solliciteren voor de job van Zwarte Piet. Nochtans had de aankondiging, geschreven op een schamel a-viertje, slechts enkele dagen aan het raam gehangen. Maar ja, het was een succes en pas na vijven ging de laatste Zwarte-Piet-in-spe naar buiten. “Zeg Jules” zei de ouwe, “dat koppel van de stoffenwinkel hier tegenover, zouden die voor een prijsje ook geen jutezakken voor mij kunnen stikken? Want ik ga er veel nodig hebben dit jaar.”“Ik zal het ons Irma eens laten vragen’ zei de waard, “ze moet morgen toch langs gaan want ze heeft twee nieuwe gordijnen laten maken”.“Zeg, en nog iets, kent gij een goedkope invoerder van appelsienen en mandarijntjes? Het fruit is toch zo duur in de Colruyt tegenwoordig. Het contract voor de chocolade letters en het jongensspeelgoed is gelukkig al in orde. Maar elk jaar opnieuw is er misère met dat speelgoed voor de meisjes. Ik weet niet hoe dat komt, maar het is zo.”Jules stak zijn tengere schouders even omhoog en mompelde wat.De oude met zijn tabbaard deed zijn met gouddraad doorstikte kazuifel aan en sloeg een donkerrode cape om. Dan zette hij zijn roodwitte mijter op.“Jules, vraagt ge eens aan Irma of ze even op het café wil letten, dan kan jij me helpen met het bestijgen van mijn paard Slecht Weer Vandaag.”“Het is inderdaad slecht weer vandaag” moest de kastelein toegeven. Hij hielp de oude maar kwieke man op zijn witte schimmel. De ganse dag was het drukkend heet geweest en nu volgde het onvermijdelijke onweer. Er was geen mens op straat te bespeuren. Jules stak hem nog vlug zijn lange staf toe. Dan vertrok het paard in galop. Even dacht Jules dat hij iemand hoorde neuriën “Zie de maan schijnt door de bomen…” 2Ismet was een hele goede Piet. De beste Piet. De Opperpiet. Zoals hij op de muren en daken kon klimmen. Niemand deed hem dat na.“Beste jongen, beste Ismet, vanaf nu noem ik je Nicodemus, mijn Opperpiet. Vind je dat goed?” zei de oude met zijn witte baard.“Natuurlijk, meneer, dank u wel.”“Om het te vieren gaan we naar Fréke Patéke, hier om de hoek. Hij maakt de beste moorkoppen van West-Europa.”“Wat zijn moorkoppen, meneer?”“Weet je dat niet jongen? Een moorkop is een ronde soes gevuld met slagroom. Bovenop is het geglazuurd met chocolade. Fréke doet er altijd een extra toef slagroom op en een partje mandarijn of een stukje ananas. Loopt het water al niet uit je mond? Trouwens, je moet me ook niet meer meneren, zeg maar gewoon Sinterklaas. Zoals iedereen.”Twee moorkoppen en een grote kop koffie met een scheutje jenever gingen er lekker In bij Sinterklaas. Ismet hield het bij warme chocolademelk. Die moorkoppen zag hij niet zitten. Ze deden hem te zeer denken aan zijn jonger, nogal mollig, broertje.“We gaan seffens naar de stoffenwinkel tegenover Klein-Azië om je een echt Pietenpak aan te meten. Weet je wel hoe zo’n pak eruit ziet, Nicodemus?”Het deed de oude goed om zijn nieuwe helper Nicodemus te noemen. Hij had er al vele gehad. Allemaal opperbeste Opperpieten. Maar ja, hij, de enige echte Sinterklaas had het eeuwige leven, maar de pieten niet. Daarom moest hij regelmatig nieuwe zwarte Pieten ronselen, zoals hij dat afgelopen zomer in de buurt van de Gentse Sleepstraat gedaan had. Ondertussen waren we al november. Gisteren had het voor de eerste keer gesneeuwd en het naamfeest van Sinterklaas kwam al erg dichtbij.“Ik zal je eens vertellen hoe een echt Opperpietenpak eruit ziet maar we gaan dat doen bij Jules in het café. Ik in de fauteuil en jij op een stoel aan de andere kant van de houtkachel. Er is niks zo gezellig als een knetterend vuur met een goeie trappist in de ene hand en een havanasigaar in de andere. Ik heb vorig jaar die sigaren voor mijn Sinterklaas gehad van mijn pieten. Tof hè, dat ze zo aan je denken. Gij rookt geen sigaren zeker, Nicodemus? Eerder een waterpijp of zo?”“Ik rook helemaal niet, Sinterklaas. Ze zeggen dat dat slecht is voor uw gezondheid. Maar dat zal u wel weten,hè?”Die ‘u’ stond de oude man wel aan. Ismet was zo beleefd en vriendelijk. Jaja, hij verdiende het om vanaf nu als Nicodemus door het leven te gaan. Zijn vroegere Opperpiet had Sinterklaas in Spanje achtergelaten. Hij was te oud geworden, te stram en te grijs. Hij woonde nu op de bovenverdieping van de Andalusische haciënda die Sinterklaas meer dan vijfhonderd jaar geleden had laten metselen door enkele ‚moorkoppen’, die ook het Alhambra gebouwd hadden. Als Sinterklaas zou terugkeren uit de Lage Landen, dan zou hij wel voor de oude man zorgen.“Ha Jules, voor mij een donkere Westmalle en voor Nicodemus, jaja, je hoort het goed, voor mijn nieuwe Nicodemus, een muntthee met extra veel suiker.”“Goed Sinterklaas en een sigaartje zeker?”. Jules was blij dat zijn vriend weer in het land was. Het was van juli geleden dat hij hem nog gezien had.“Deze nacht gaan we oefenen, hè Nicodemus, op de besneeuwde daken. Schol, we klinken op een goede afloop, niet een goede afgang hè.” De oude man schaterde het uit. Hij had er wel zin in.Drie trappisten en evenveel munttheetjes later gingen ze op weg in de donkerte van de nacht: Sinterklaas hoog gezeten op Slecht Weer Vandaag en Nicodemus met een juten zak over zijn rechterschouder.Irma en Jules gingen slapen. Ze hadden maar twee klanten gehad die avond. Hun andere stamgasten hadden het allemaal laten afweten omwille van het gure weer. Bar koud was het en het sneeuwde zoals aan de Noordpool in putje winter.Een uur en een sneeuwvacht van tien centimeter later hoorde je Sinterklaas roepen: “Allez Nicodemus, gaat het niet?”“Jawel, Sinterklaas, het gaat wel maar het valt soms ook, als u begrijpt wat ik bedoel? De daken zijn wel erg glad en de zak is ook zeer zwaar, maar voor de rest hoort u mij niet klagen hoor.”“U, u” herhaalde Sinterklaas goedkeurend en binnensmonds. Zijn Opperpiet bleef zelfs supervriendelijk in deze moeilijke omstandigheden.Plotseling werd Ismet opgeschrikt door een brandweerwagen en een politiecombi. De goedheiligman was met zijn schimmel al enkele dagen verder. Een agent riep:“Kom onmiddellijk naar onder of wij komen naar boven.”Ismet, behendig als hij was, was op een wip beneden.“Wat deed je daarboven op die daken met die gekke kleren aan je lijf? Zeg me eerst eens: hoe is je naam.”“Nicodemus, meneer de agent.”“Jaja manneke en dan ben ik Sinterklaas zeker” proestte de politieman het uit.“Nee, Sinterklaas is gindsboven. Ik kon hem niet volgen. Hij heeft tenslotte een paard en het is Slecht Weer Vandaag.”“Ja, dat het vandaag slecht weer is, dat moet ge mij niet zeggen hè Nico.”De twee tuurden naar boven en zagen niets. Nicodemus dacht nochtans dat hij in de hoge verte paardenhoeven hoorde kletteren.“Kom jij maar eens mee naar het politiebureau, dan mag je het daar nog eens gaan uitleggen.”Ismet voelde zich even geen Nicodemus meer.Hij werd uit voorzorg die nacht opgesloten in een cel. Ismet kon er niet mee lachen en beukten met zijn beide handen op de deur.“Daar wordt aan de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt …” 3De kindjes in de Kongostraat vanaf huisnummer 15 keken zeer beteuterd de volgende morgen. Het suikerklontje en de wortel die ze de avond ervoor voorzichtig in hun schoentjes hadden gedeponeerd lagen er nog steeds onaangeroerd. Waren ze dan stout geweest? Of werd Sinterklaas wat vergeetachtig?“Waar is Nicodemus toch?” vroeg Sinterklaas zich af. Waar kon hij terecht zo vroeg op de morgen? De politie misschien. Ja, de arm der wet, die zou hem wel kunnen helpen. Hij parkeerde zijn witte schimmel aan de Antonius Triestlaan waar het algemeen politiecentrum gevestigd was. Hij voelde zich ook een beetje triest, want hij was halverwege de nacht zijn Opperpiet kwijtgespeeld. Hoe dat was kunnen gebeuren begreep hij nog altijd niet.Toen hij binnenging werd niet dadelijk aandacht aan hem besteed. Ze waren hier in Gent al straffere zaken tegengekomen. Uiteindelijk sprak een vriendelijke dame hem aan.“U zoekt iets of iemand, meneer?”“Ja juffrouw, ik zoek mijn helper Nicodemus. Ik ben hem namelijk vannacht kwijtgeraakt”.“En heeft hij ook een achternaam, die vriend van u?” vroeg de agente ietwat ongelovig.“Tja, zijn vroegere naam was Kaplan, Ismet Kaplan. Een goeie jongen hoor. Ik heb zelden zo’n goede Opperpiet gehad als hij.” Sinterklaas keek een beetje vertederd toen hij dat zei.“Ah, nu begrijp ik het” zei de agente, “had hij een hemelsblauw kostuum aan, met een pofbroek en zwarte kousen?”“Ja en hij droeg op zijn hoofd een blauwe pet met een pauwenveer” voegde de oude man met de witte baard eraan toe. ‚Dat moet Ismet zijn, mijn nieuwe Nicodemus. Wat een geluk dat u hem gevonden heeft. Is alles goed met hem? Hij is toch niet van het dak gevallen daar in de Kongostraat? Het was er zeer glad. Hij heeft zich toch niet bezeerd? Waar is hij?” informeerde een bezorgde Sinterklaas.“Alles is goed met hem, meneer. Maar we hadden hem uit voorzorg opgesloten omdat we niet goed wisten of hij wel de waarheid sprak. Zingt hij altijd Sinterklaasliedjes?”“Jaja, dat kan hij als de beste. Ik heb ze hem allemaal aangeleerd uit mijn grote Sinterklaasliedjestekstenenmuzieknotenboek”.“Ik zou uw vriend kunnen vrijlaten, meneer, maar vermits wij hem vannacht hebben moeten verbaliseren omwille van straatlawaai en een buurtbewoner ons daarop heeft gewezen, dien ik wel een borg te vragen van 110 euro.”“Dat is geen probleem, juffrouw” zei Sinterklaas rustig. Hij nam zijn juten zak en haalde er een buidel uit. “Hier heb je een zak gevuld met gouden dukaten, misschien zit er ook nog een apennootje tussen of wat marsepein. En zie, hier is ook nog een chocoladen zwarte piet voor alle moeite die je gedaan hebt. Lijkt hij niet wat op Nicodemus? Gaat u hem nu vlug halen want het begint slecht weer te worden. Hoor, de wind waait door de bomen.” 4Ismet verscheen in de deuropening.“Ha Nicodemus, kom eens hier bij Sinterklaas, kapoentje dat je bent.” Hij klopte Ismet vriendelijk op de schouder. “Je hebt me even doen schrikken. Ik kan je echt niet meer missen. Sinterklaas wordt echt wel oud, weet je. Vorig jaar was ik nog maar duizendzevenhonderdtweeëndertig, maar nu is daar weer een heel jaar bijgekomen.”Hij richtte zich even terug tot de agente: “Heb je misschien ook kinderen en hebben ze hun schoen gezet gisterenavond?’“Ja, ik heb twee kinderen, een jongetje van vijf, Dimitri, en een meisje van drie, Jinte. Ze waren erg teleurgesteld vanmorgen toen ze geen snoepjes vonden. Ik vond het ook wel erg voor hen. Bent u de echte Sinterklaas?”“Hoezo, zijn er dan ook andere? Onechte? Trouwens, waar wonen jullie dan wel?” vroeg de oude man zich af.“In de Kongostraat nummer 21, Sinterklaas”.“Ben je even daarvoor gevallen Nicodemus?”“Ja, ik ben door de politie naar beneden geroepen op het dak van nummer 13” zei Ismet.“Dan begrijp ik het” zei de Sint, “daarom hebben Dimi en Jinte geen cadeautjes gekregen.”Hij greep alweer in zijn juten zak en haalde er een brandweerauto uit en een barbiepop met een politieuniform.“Dat zal hen wel blij maken, hoop ik” zei Sinterklaas.“Daar ben ik zeker van” lachte de agente, “ik zal hen veel te vertellen hebben.”Sinterklaas en Nicodemus namen afscheid. Ismet mocht achter de oude man op de schimmel zitten en ze gingen op een drafje richting haven. Ondertussen moest Sinterklaas iets bekennen aan Ismet: “Weet je Nicodemus” zei hij, “Ik ben duizendzevenhonderddrieëndertig jaar geleden geboren in Myra, en weet je hoe die stad nu heet: Demre, de stad waar je ouders vandaan komen. Is dat geen toeval? Ik zou zo bijna je betbetbetbetbetbetbetbetbetbetbetovergrootvader kunnen zijn. Maar eigenlijk ook niet hè, want tenslotte ben ik bisschop.”Toen ze toekwamen in Portus Ganda sloeg Sinterklaas zijn arm om zijn helper en zei:“Het grote werk gaat nu beginnen Nicodemus”.Ze zagen in de verte een rookpluim en de oude man zong vrolijk:“Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan”.

Marc M. Aerts
0 0

Samira

Ik moet je een verhaal vertellen over een jonge vrouw. Ze was niet knap of beroemd en ik kende haar nauwelijks, maar ze had Iets. Iets ondefinieerbaars. Iets waardoor mannen hun hoofd omdraaiden als ze voorbij gewandeld kwam. Iets waardoor ze zelfs vergaten te fluiten. Iets waardoor gesprekken stokten en woorden onuitgesproken in kelen bleven steken wanneer zij in de buurt was. Niet veel vrouwen hebben dat ongrijpbare, haast goddelijke Iets. Het is even begerenswaardig als alles wat net buiten handbereik ligt van een kind dat vastgesnoerd zit in zijn buggy.Ze heette Samira. En mijn eerdere bewering dat ze niet knap zou zijn, is wat ik misschien liever had gewild. Ze was bloedmooi! Haar schoonheid was van zo’n aard dat ze met één enkele oogopslag ieder mannenhart op hol kon doen slaan. Menig vrouwenhart stond dan ook even stil bij het aanschouwen van het effect dat Samira op hun partner had. Zelfs de zonsondergang verbleekte naast haar. Gelukkig was ze niet perfect. Perfectie zou afbreuk doen aan wie ze was. Velen verbergen zich voor de ware felheid van het licht achter de sluier die angst heet. Zij kende geen angst, durfde de wereld recht in de ogen te kijken tot het de wereld zelf was die zijn blik neersloeg. Bij sommigen wakkerde ze begeerte aan. Passie en pure lust. Alleen naar haar kijken, leek al een zedenmisdrijf. Anderen verbitterden in afgunst bij enkel het horen van haar naam. ‘Samira’ werkte sneller dan slangengif naar het jaloerse hart. Er waren er die haar durf benijdden en wensten dat ze een fractie bezaten van haar zorgeloos en ietwat onbezonnen gedrag. Dat ze gewoon erg egoïstisch was, lag dichter bij de waarheid. Ze had een rijke fantasie en schuwde een leugen niet als dat voor haar beter uitkwam. Hierbij ontzag ze niets of niemand, ze plaatste zichzelf altijd op de voorgrond. Voor je verder leest, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat je op de duur niet meer zal weten waar de oprechtheid stopt en het verzinsel begint. Zelfs ik raakte helemaal verstrengeld met verzonnen waarheden en onware leugens. Het woord oprechtheid is misschien niet helemaal op zijn plaats, want Samira was altijd oprecht. Dat was nu net het probleem: ze was ziek. Ze geloofde haar eigen leugens. Deze zelfgecreëerde wereld van beuzelarijen was haar realiteit. Doordat mensen zich blind staarden op haar uiterlijk en door de charme waarmee ze elk verhaal boeiend en met het grootste gemak bracht, is nooit iemand op de gedachte gekomen om de echtheid van haar vertelsels te onderzoeken. Omdat mijn relatie met haar nogal innig was, merkte ik na een tijd dat er in haar puzzel vaak stukjes ontbraken. Het was pas na een jaar dat ik er de vinger op kon leggen. Als ik haar erop wees dat er zelfs een medische term voor haar aandoening bestond, dan wuifde ze dit al lachend weg. Niemand kon haar in een hokje steken. De pseudologia fantastica werd onder de mat geveegd bij het andere vuil en er werd nooit meer over gepraat. Samira’s zeefdrukkerij van diepe indrukken draaide op volle toeren zonder beperkte oplage. Mijn ontmoeting met haar was er één van louter toeval. Of misschien ook niet. Bij haar wist je dat nooit zeker. Ik heb net mijn avondje vertier met een paar maten betaald aan de kroegbaas. Op het moment dat ik mijn ribfluwelen jas van de kapstok haal, zwaait de deur van de kroeg met een klingelend geluid open. Een vrouw waait even fris als het zomers avondbriesje naar binnen. Haar zwarte haren glanzen als rivierwater in de nacht. Haar lichaam maakt de strakke jeans die ze draagt tot een verheven kledingstuk en met een stem van warme melk met honing zegt ze iets. Ik vang slechts flarden op. Het is een haast onmogelijke opdracht om me te concentreren op haar woorden die zinnen vormen, want dat betekent dat ik een einde moet maken aan mijn onbeschoft staren. Ik ben haar net beginnen uitkleden met mijn ogen wanneer ze me bij de arm neemt. Als een mak lam volg ik haar naar buiten. ‘Auto’ en ‘startproblemen’ zijn de enige woorden die ik meen opgepikt te hebben. Het kan evengoed wat anders zijn. Mijn geest is beneveld en niet enkel door de Duvels die ik gedronken heb. Ze heeft nog steeds mijn arm vast. Haar ranke hand ligt licht als een engelenvleugel op mijn naakte huid. Zo zou een engelenvleugel toch moeten zijn. Plots vind ik mijn woorden terug. Ze komen nog niet in een samenhangende volgorde naar buiten, maar de klank van mijn eigen stem geeft me opnieuw wat houvast.    ‘Pro-problemen… wie ben… euhm… waar…’ Ik schraap mijn keel en doe een stap opzij. Het verlies van haar aanraking doet een lichte huivering door mijn ruggenmerg trekken, ik kom weer tot mezelf. Terwijl ik mijn jas aantrek, vraag ik waar haar wagen staat en wat juist het probleem is. Ze loopt voor me en toont haar ‘auto’ die achter de hoek geparkeerd staat. Ik doe wat waarschijnlijk iedereen doet wiens blik dit vehikel kruist: breed glimlachen. Hoe kan je ook anders wanneer je voor iets staat dat veel weg heeft van een Flintstone-mobiel die een flower power make-over heeft ondergaan? De felgekleurde bloemen op de lila 2PK staren me uitdagend aan. Ik lik de flauwe opmerking die op mijn lippen ligt, met één beweging van mijn tong weg.     ‘Ik was aan het rijden op de autosnelweg toen mijn snelheid plots begon af te nemen. De eerstvolgende afrit ben ik er afgereden en ik heb me nog net aan de kant kunnen zetten. Toen was het helemaal gedaan.’ Ze opent de motorkap en buigt voorover. ‘Een tijd geleden heb ik hetzelfde gehad en toen was één van de bougies losgeschoten.’Ik ben me erg bewust van de aangename tinteling die zich in mijn kruis voltrekt. Snel knoop ik mijn driekwarts jas dicht, die nauwelijks lang genoeg blijkt om de opkomende zwelling aan het zicht te onttrekken. Nergens op haar welgevormde achterste zie ik lijntjes van ondergoed afgetekend. Zou ze een string dragen? Met moeite wrik ik mijn ogen los van dit oh zo heerlijke en begeerlijke lichaamsdeel. Met een schok zie ik dat ze met een vragende blik naar me kijkt. Ik heb blijkbaar weer iets gemist. De hitte stijgt naar boven en ik voel dat mijn wangen in brand staan. Er is onmiddellijke actie vereist.    ‘Ga jij achter het stuur zitten en op mijn teken mag je de auto starten. Ik zal eens kijken of ik hem aan de praat krijg.’    ‘Haar.’    ‘Pardon?’    ‘Mijn auto is vrouwelijk. Ik dacht dat dàt wel duidelijk is.’ Ze stapt langs de bestuurderskant in en klapt het raampje naar boven.Glimlachend duik ik onder de motorkap. Ik krab in mijn haar. Waarschijnlijk weet zij er meer van dan ik. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik zie vier zekeringen en een heleboel draadjes, iets dat de motor zou kunnen zijn en dikke dampkapbuizen die naar de achterkant leiden en waarschijnlijk dienst doen als verwarming. Het ziet er allemaal heel erg rudimentair uit, om niet te zeggen primitief. Omdat ik niet weet waar ik moet beginnen, doe ik teken dat ze de motor mag starten, misschien dat dan de onbestaande garagist diep in mij toch naar boven komt. Terwijl ze de sleutel in het contact omdraait, slaat de motor aan met een diep ronkend geluid alsof er honderd katten liggen te snorren. Verbouwereerd staar ik ernaar. Terwijl de motor stationair draait, slaat het portier dicht en nog voor ik iets kan zeggen, hangt ze rond mijn nek. Haar kus op mijn wang brandt in mijn hart. Ook ik ronk.    ‘Wat was nu het probleem? Hoe heb je het opgelost?’ roept ze enthousiast uit terwijl ze me weer loslaat.    ‘Euh, een draadje naar de alternator hing los’, lieg ik. Ik weet zelfs niet waar dat ding zich bevindt. Gelukkig vraagt ze het me niet.    ‘Godzijdank! Ik dacht hier de nacht te moeten doorbrengen. Kom, stap in, dan rijden we naar mij.’Met gefronste wenkbrauwen kijk ik haar aan, een vragende blik in mijn ogen.    ‘Ik wil je bedanken voor je moeite. Ik heb thuis nog lekkere kruidenthee staan. Koffie drink ik niet. Allez, hop, ik vraag het slechts één keer.’Ik laat het me ook maar één keer zeggen. Zonder verdere aarzeling stap ik in. Terwijl we rijden, bedenk ik dat dit wel de raarste avond uit mijn leven is. ‘Ik weet niet eens je naam’, onderbreek ik haar monoloog. Sinds we vertrokken zijn, heeft zij de hele tijd het woord gevoerd. Ik genoot van het warm timbre van haar stem. Omdat ik geen einde wilde maken aan de ononderbroken woordenwaterval, heb ik haar laten praten.    ‘Samira’, antwoordt ze.Ik hoor haar naam als het gefluister op een zuchtje wind, als een nauwelijks waarneembare streling, licht en luchtig in mijn hart.    ‘Samira’, herhaal ik. Ik proef de letters in mijn mond. De klank van haar naam blijft kleven op mijn lippen en barst uiteen op mijn smaakpapillen in een zoet palet van duizend en een ongekende en veelbelovende aroma’s.    ‘En jij?’    ‘…Gregory.’ Bij de ‘o’ schiet mijn stem uit. Ik klink even onzeker als een puber die net de baard in de keel heeft gekregen.Ik probeer te luisteren naar wat ze zegt, hoor enkel warme klanken. Ik knik glimlachend als ik denk dat ze bevestiging vraagt, niet wetende wat ze zojuist tegen me zei. Knikken is altijd goed. Ik vertrouw mijn eigen stem niet. Uit angst dat mijn tong dingen zal zeggen die ik denk. Dingen ik met haar zou willen doen. Dus zwijg ik. En glimlach. Ik had me geen zorgen hoeven maken. De voordeur zit nauwelijks in het slot of ze duwt me met mijn rug tegen de muur. De wereld draait om ons heen om abrupt te stoppen als haar zinnelijke lippen de mijne aanraken. Zacht en verrukkelijk trekt ze met een langgerokken kus mijn hele ziel naar buiten. Met één hand rukt ze aan mijn haar, de andere tast in mijn kruis. Ik gooi mijn jas op de grond zonder me van haar lippen los te maken. We zijn nog steeds niet verder geraakt dan de gang. Ze duwt me ruw op een stoel die daar staat, schopt haar jeans en string op de grond en gaat op me zitten. Mijn broek hangt op mijn enkels. Ze berijdt me als een wilde furie. Ik bijt door haar bloesje heen, ik trek hard aan haar ravenzwarte haren, zet mijn vingers in het zachte vlees van haar billen en beweeg mijn heupen in hetzelfde ritme als dat van haar. Mijn borst gaat hevig op en neer tegen haar nog steeds bedekte borstjes. Ik voel haar longen zwoegen als ze samen met mij hijgt. Haar nagels trekken sporen door mijn T-shirt heen dat nu tegen mijn rug plakt van het zweet. Haar kreunen explodeert in een luide gil van extase en op datzelfde moment splijt ik open als een rijpe zaaddoos en geef al mijn gedachten, al mijn verdriet en vreugde, al mijn lusten en mijn lasten bloot.    ‘Thee?’, vraagt ze, nog nahijgend. We schieten allebei in de lach.     ‘Waarom koos je mij uit in het café?’, vraag ik haar terwijl we onze kleren schikken.    ‘Jij leek me de beste partij om nageslacht mee te produceren’, zegt ze heel serieus. Mijn hart staat samen met de tijd even stil. Haar luide, hartelijke lach vult plots de lege ruimte.    ‘Je had je gezicht moeten zien’, hikt ze nog na. ‘Je stond toevallig vlak naast de deur en ik vond de rode kleur van de jas in je handen zo mooi. Scharlaken.’ Een jaar later zijn we getrouwd. Als ik ooit ergens beweerd zou hebben dat ik haar nauwelijks kende, is dat zeker niet gelogen. Zelfs na zeven jaar was elke dag opnieuw een verrassing. Vermoeiend? Ja. Maar nooit saai. Er zijn momenten dat ik er terug naar verlang, mij resten enkel nog de herinneringen. Gelukkig heeft de tijd de scherpe randjes eraf gepolijst, want ze zijn niet altijd even mooi. Die vervlogen gedachten zijn als aangebrande melk op de bodem van mijn ziel. Ze zijn zo hard aangekoekt dat enkel vloeibare soda ze er nog afkrijgt. Zij was mijn soda. Zij was zo aanwezig, dat ik geen herinneringen nodig had. Nu heb ik geen soda meer en blijft het verleden aan mijn bodem kleven. Ik verlang naar rust, blijf mezelf kwellen door verkoolde resten los te peuteren tot mijn nagels helemaal kapot zijn van het krabben aan vroeger. Ik sta voor haar droomhuis met de makelaar. Na twee maanden zeuren heb ik toegegeven, ons appartementje is echt wel te klein aan het worden voor onszelf, onze uitdijende inboedel en twee katten. Ik vind het huis te groot, zij vindt het perfect voor als we aan gezinsuitbreiding zouden beginnen. Omdat ze niet aandringt, ga ik daar niet verder op in. Iets verzwijgen is niet hetzelfde als liegen en ik wil haar niet kwijt aan een onvervulde kinderwens. Mijn keel knijpt samen aan enkel de gedachte zonder haar. Haar hele bestaan drijft op een poel van verzinsels, dus zal zo één geheim de zaak ook niet maken, toch? Het huis kan ik haar niet weigeren als ze mij aankijkt met die speciale jij-bent-van-mij-en-voor-jou-doe-ik-alles-als-je-dit-huis-voor-me-koopt-blik? Al naargelang de situatie kan het laatste deel anders worden ingezet. Ik ben de contrabas waarvan zij de snaren bespeelt. Geniaal als een volleerd musicus heeft ze nog geen valse noot geproduceerd. Hier sta ik dus. Al twintig minuten. De makelaar begint ongeduldig te worden.    ‘We kunnen misschien alvast naar binnen gaan, in afwachting dat uw vrouw komt.’    ‘Als u het niet erg vindt, dan blijf ik liever buiten wachten, ik zou graag samen met haar naar binnen gaan. Ik ben er zeker van dat ze er zo meteen aankomt.’ Zo zeker ben ik daar niet van. Na nog eens vijftien minuten geeft de makelaar er de brui aan.     ‘Sorry, ik heb ook andere klanten die aan het wachten zijn. Mocht u alsnog geïnteresseerd zijn, belt u me dan.’Een uur later zeg ik het droomhuis vaarwel en ga naar huis. Zonder droomvrouw.    ‘Je gelooft nooit wat ik heb meegemaakt!’, roept ze vanuit de woonkamer als ze mij hoort binnenkomen. Nee, inderdaad niet.     ‘Ik ben benieuwd wat er zo belangrijk was dat je je huis ervoor hebt laten schieten.’ Met gekruiste armen sta ik voor haar. Ik ben niet kwaad, hoogstens wat geïrriteerd.    ‘Ik heb een kind omvergereden.’ Ze zegt het haast triomfantelijk.    ‘Wàt heb je gedaan?!’    ‘Ik kon pas om één uur weg op het werk en fietste nogal stevig door. In de verte zag ik twee jochies spelen, ze renden achter elkaar zonder acht te slaan op het verkeer. Op het moment dat ik ze wilde passeren, dook één van hen onder mijn fiets, ondanks het feit dat ik de hele tijd aan het bellen was. Van ontwijken was geen sprake meer, dus reed ik erover. Met een misselijkmakend gekraak hoorde ik iets versplinteren. Ik stopte en zette mijn fiets aan de kant om te gaan kijken hoe het met het jochie was. Achter een dubbele kinderkoets zag ik hun moeder aan komen hollen. Het was vreselijk Greg!’Ik ga naast haar in de zetel zitten. Afwezig streelt ze de kat op haar schoot en met haar blik naar binnen gericht, gaat ze verder.    ‘Dat mens kwam in alle staten naar me toe en begon me in het Hebreeuws uit te schelden. Ik kon nog net haar handtas ontwijken. Proberen uit te leggen dat het een ongeluk was, lukte niet erg. Zij gooide zich op mij en krabde haast mijn ogen uit. Om me te verweren, greep ik haar haar vast dat tot mijn grote schrik meegaf. Ik had een pruik in mijn handen. Ik zweer het Greg! Het was sterker dan mezelf, ik heb me daar bijna een ongeluk gelachen. Ik kon er echt niks aan doen.’    ‘En het kind?’, help ik haar herinneren.    ‘Ah, ja. Dat had niks. Een paar schrammen en builen en zijn bril was helemaal versplinterd. Toen hij na een paar minuten van de schrik bekomen was, rende hij alweer achter zijn broertje aan. Die joodse dame beet zich echter in me vast als een wildklem. Ze eiste dat ik contant zou betalen voor de geleden morele en lichamelijke schade van haar zoon. En voor de bril. Ik beet haar toe dat ik het roekeloos gedrag van haar zoon niet wenste te belonen en dat mijn verzekering de bril zou vergoeden. Het heeft een tijdje geduurd eer ik haar kon overtuigen dat niet ík, maar haar kind een gevaar op de weg was.’    ‘Je had op zijn minst kunnen verwittigen, zodat ik en de makelaar wisten of Mevrouw Samira ons nog het genoegen zou schenken om zichzelf tevoorschijn te toveren!’    ‘Ik ben net thuis en nog aan het bekomen. Ik kon je trouwens niet bellen, want ik was mijn gsm hier vergeten. Bovendien zal dat huis niet gaan lopen, want het staat al drie maanden te koop omdat de vraagprijs veel te hoog is.’ Ze zet met een druk op de afstandsbediening de televisie op en geeft daarmee aan dat ons gesprek is afgelopen. Enkele dagen later is het huis van ons. Ik vraag niet hoe Samira het voor elkaar gekregen heeft. Na een kort onderonsje met de eigenaar, heeft die ons bod aanvaardt. De deur knalt dicht. Bonkende voetstappen op de trap. Weer een deur die luid dichtslaat. Denderende stappen boven mijn hoofd. Niets meer. Ik hol naar boven.     ‘Samira? Alles ok?’    ‘Mannen zijn klootzakken!’    ‘Bedankt, hé.’ Ze draait zich om en ik schrik van haar gezicht. ‘Wie heeft dat gedaan? Dat ik die klootzak eens een lesje leer!’    ‘Rustig, schat. Ik kan mijn mannetje wel staan. Ik heb alles onder controle.’ Ze betast voorzichtig haar opgezwollen oog. Het zit half dicht en de huid er rond ziet er blauwgrijs uit.    ‘Wil je dan vertellen wat er gebeurd is, wie heeft je zo toegetakeld? Waar is dit gebeurd? Je bent voor de rest toch in orde?’ Ze zucht.     ‘Ik was langs de Schelde aan het fietsen, richting fietserstunnel toen er plotseling iemand naast mij kwam rijden. Het was een gast was die ik kende, Jan. Hij zat in dezelfde school als ik, een jaar hoger. We geraakten aan de praat en net voor de tunnel gooide hij zijn fiets voor de mijne. Ik moest keihard in de remmen gaan en begreep totaal niet waar hij naartoe wilde. Dacht eerst nog dat het een grapje was. Het werd me pas duidelijk toen hij me bij mijn arm greep en me van mijn fiets wilde trekken.’ Ze slikt duidelijk hoorbaar. Ik knik haar bemoedigend toe.    ‘Hij riep me toe ‘dat hij me eens zou laten voelen wat ik had gemist op school’. In paniek tastte ik naar het busje traangas in mijn jaszak. Omdat ik weerstand bood, sloeg hij me recht op mijn oog.’ Onwillekeurig gaat haar hand opnieuw naar de zwelling. Haar amberkleurige ogen staan vol met tranen. Tranen van woede, weet ik.    ‘Ik duizelde van de impact van de slag, de adrenaline hield me overeind. In een impuls heb ik recht in zijn gezicht gespoten. Hij sloeg dubbel op de grond en riep dat zijn ogen eruit brandden. De woorden ‘hoer’ en ‘vuile teef’ achtervolgden me vanuit de verte, want ik ben als een gek mijn fiets opgesprongen en huiswaarts gereden.’    ‘Oh, lieve schat toch!’ Ik neem haar in mijn armen en voel hoe ze zich ontspant.    ‘Ben je al aangifte gaan doen bij de politie?’, vraag ik in haar haar. Ze verstart en maakt zich los uit mijn omhelzing.    ‘Ben je gek?! Wat moet ik dan zeggen? Ja, inspecteur, hij wilde me verkrachten denk ik. De reden? Hij was de Don Juan van de school en heeft het nooit kunnen verkroppen dat hij mij niet heeft kunnen krijgen. Als enige. De anderen gingen allemaal plat voor hem. Hoe ik hem heb kunnen afschudden? Euhm, door traangas te gebruiken. Ja, schat, dat is inderdaad een supergoed idee! Dan krijg ik een proces verbaal aan mijn been voor verboden wapendracht en kan ik mijn busje afgeven. Wie gaat me volgende keer dan beschermen als een gek me wilt aanranden? Ik kan moeilijk met een bodyguard rondlopen, hé.’Nog voor mijn lippen een woord kunnen vormen, gaat ze verder.    ‘Ik ben in orde. De dokter heeft me heel volgende week thuis geschreven. Zó kan ik uiteraard niet gaan werken.’    ‘Ah, was dat niet die week dat je baas je verlof geweigerd had? Dat komt dan uiteindelijk toch goed uit.’Haar ogen schieten vuur.     ‘Wat bedoel je daar nu weer mee? Denk je dat ik voor mijn plezier zo rondloop?’    ‘Kalmeer eens. Ik bedoel gewoon wat ik zeg. Je hoeft je niet aangevallen te voelen.’ Ze draait zich abrupt om en loopt naar haar hobbykamer. Ik hoor haar de sleutel omdraaien. Zo sluit ze me een tijdje buiten. Niet enkel uit die kamer, ook uit haar hart. Voor enkele uren toch. Daarna zal ze niet sorry komen zeggen, dat doet ze nooit. Nog nooit heeft ze een duimbreed toegegeven, hoewel ze soms durft zeggen dat ze van mening is veranderd. Ze zal gewoon doen alsof er niets is voorgevallen. Net zo hard als ze mij kan verwonden, kan ze mij ook weer eindeloos liefhebben. Haar Tuin van Eden is mijn rustpunt. Ik heb haar lief zoals een man een vrouw nog nooit heeft liefgehad, ondanks het feit dat ik vermoed dat ze lacht als ik bloed en dat ze enkel interesse veinst als het in haar eigen voordeel kan uitdraaien. Hiervoor ben ik bereid om alle schuld op mij te nemen, want zij zal altijd dé vrouw zijn voor mij. Als je vindt dat dit melig klinkt, dan heb je haar nog nooit ontmoet. Ik moet haar met veel mannen delen. Gelukkig heb ik de exclusiviteit over haar lichaam. Ze schiet me de hoogte in waar haar euforie me licht in het hoofd maakt en zo dronken als een bende olifanten die aan een gistende jeneverbesstruik heeft gezeten. Om even later de afgrond in te duiken met de snelheid van een slechtvalk die achter een prooi aanzit. Dan suis ik achter haar aan om te voorkomen dat ze beneden te pletter stort. De tijd tussen deze twee uiterste punten van haar benjisprong kan een fractie van een seconde bedragen. Soms is het een sprong in slow motion en zitten er enkele weken tussen. Dat zijn voor mij dan weken waarin ik alles van haar gedaan krijg of weken waarin ik haar niet kan bereiken en ze gewoon haar eigen zin doet. Zo is ze. Het is een vermoeiende bezigheid, getrouwd zijn met haar. Maar alleszins geen dode streep op een hartmonitor.     ‘Gre-eg?’    ‘Ja, liefje.’ Ik kijk half op uit de krant. Zij zit aan de salontafel op haar laptop te tokkelen.    ‘Wat vind jij een mooie meisjesnaam?’    ‘Hoe bedoel je?’ Ik leg de krant neer en kijk verontrust haar kant uit.    ‘Wel, stel dat ik zwanger zou zijn en dat het een meisje is, dan mag jij uiteraard mee de naam kiezen.’ Ze kijkt me uitdagend aan. Ik ben vrijwel zeker dat ze niet zwanger is en kijk haar met opgetrokken wenkbrauwen aan.    ‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen?’    ‘Ik zou graag kinderen willen, Greg. Niet over een paar jaar. Nu!’Deze discussie hebben we de laatste tijd wel vaker. Ik zucht.    ‘Ik niet. Het gaat niet. Nu niet en over een paar jaar ook niet.’    ‘Wat bedoel je met ‘Het gaat niet’? Wil je niet?’    ‘Ik… euh… ik… wil je gewoon voor mij alleen.’ Dit is slechts een halve waarheid. Als ik het haar vertel, ben ik haar kwijt.     ‘Egoïst!’ Het tokkelen wordt luider.    ‘Ik heb totaal geen behoefte aan blèrende jong rond mijn benen. Als je je echt wilt voortplanten, dan zoek je maar iemand anders!’    ‘Misschien doe ik dat ook wel!’, roept ze boos terwijl ze naar buiten dendert en de deur met een knal dichtsmijt. Vroeg of laat zal ik het haar toch moeten vertellen.     ‘Zin in dessert?’ Aan de ondeugende lichtjes in haar ogen weet ik dat ze niet gewoon een zoet afsluitertje bedoelt om onze smaakpapillen te bevredigen. Of net wel. Ze opent de deur van de diepvries en haalt er vanilleroomijs uit. Ik leg de handdoek weg en laat de rest van de vaat staan wanneer ze met ontbloot bovenlijf op de keukentafel gaat liggen. Haar tepels worden hard wanneer ze het ijskoude goedje in mislukte bolletjes tussen haar borsten en op haar buik lepelt. Ik volg het onderste ijsbergje met mijn ogen naar haar navel en lik het op voordat de warmte van haar lichaam het doet smelten. Ik ben niet snel genoeg, ik wil alles proeven en niet enkel ijs, laat me afleiden door haar zinnelijke vormen. Kleine crèmekleurige straaltjes lopen kleverig langs haar taille naar beneden en druppen op de tafel. Haar zout op mijn lippen prikkelt me. Ik rits haar broek open en trek die langzaam uit. Met mijn tanden pak ik het bovenste randje van haar kanten slipje beet en trek dit naar beneden.    ‘Wees je een beetje voorzichtig, tijger?’    ‘Altijd toch, Sam.’    ‘Doe nu maar extra voorzichtig.’Ik stop met mijn broek uit te trekken.     ‘Hoe bedoel je? Heb ik je gisteren pijn gedaan?’    ‘Nee, dat is het niet,…’ ze laat een weloverwogen stilte vallen ‘ik ben zwanger.’Ik trek mijn broek terug aan, knoop hem dicht en zet de doos ijs terug in de diepvries samen met mijn geilheid.Ik bekijk haar: een stuk vlees dat op tafel ligt, klaar om geconsumeerd te worden. Hoe heb ik zo blind kunnen zijn? Meewarig schud ik mijn hoofd en met opeengeklemde kaken loop ik de trap op.     ‘Schatje!’ hoor ik haar smekend vanachter de gesloten keukendeur roepen.Als ik nu mijn mond opentrek, dan is het geheid ruzie en sta ik niet in voor mezelf. Ik kies dus voor de tweede slechtste oplossing: ik haal mijn motor uit de garage en ga rijden. Ongecontroleerd en veel te snel scheur ik door de bochten. De nacht breng ik door bij mijn ouders. Mijn gsm zet ik af. Drie dagen later kom ik terug thuis. De kilte van onze burcht van leugens omarmt me. Ik hoor haar in de slaapkamer rondstommelen en schuif mijn bewijs onder de deur. Wat later staat ze voor me in mijn bureau. Ik kijk strak naar mijn zwarte computerscherm en doe net of ik haar niet zie.    ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Hysterisch duwt ze het papier onder mijn neus. Ik kijk haar aan met alle kalmte die ik kan opbrengen.    ‘Dat document is het bewijs dat die embryo niet van mij kan zijn. Ik ben gesteriliseerd.’ Ze trekt wit weg en voor de eerste keer sinds ik haar ken, heeft ze niet meteen een pasklaar antwoord. Ze staart me aan met grote ogen waarin langzaam het besef doordringt.    ‘Je denkt dat ik je heb bedrogen.’ Ze zegt het langzaam, alsof de zwaarte van het laatste woord daarmee gebroken kan worden. Met haar hand bedekt ze beverig haar trillende lippen. Ik zie de tranen dansen op haar onderste wimpers. Net voor ze vallen, keert ze mij de rug toe.     ‘Nooit zal ik jou bedriegen.’ Haar stem klinkt gesmoord en iets in haar toon zegt me dat ze de waarheid spreekt. Hierover wel. Zacht trekt ze de deur achter zich dicht. Een hele week lang vermijden we behendig elk contact. Ik word specialist in het ontwijken van haar blik. De ochtend van de zevende dag na haar aankondiging vind ik een artikel op mijn toetsenbord. Er zijn een aantal dingen met fluostift aangeduid. Ik kan eruit opmaken dat zwangerschap na sterilisatie van de man mogelijk is. Bij één op vijfduizend vijfhonderd herstelt de ingreep zich spontaan, ook wel rekanalisatie genoemd. Diezelfde avond verbreekt ze het stilzwijgen.    ‘Ik zou het graag houden.’    ‘Mijn sterilisatie heb ik met een bepaalde reden laten uitvoeren. Ik heb geen zin in gezinsuitbreiding.’    ‘Kan je het niet zien als een teken dat het zo moet zijn?’ Ze klinkt haast wanhopig. Ik wil niet dat ons huwelijk strandt op de komst van een baby. Een kind dat ik niet wil. Ik ben niet van plan een duimbreed toe te geven, wel wil ik weten waar ik sta.    ‘Hoever ben je?’     ‘Acht weken volgens de predictor stick. Die heb ik al weggegooid’, voegt ze er snel aan toe.    ‘Zullen we een afspraak maken met de gynaecoloog? Dan kunnen we daar rustig onze opties bespreken. Kan je deze week ergens?’    ‘Ik ga morgen al naar dokter Van Praet. Ik wilde niet te lang wachten. Je mag gerust mee, hoor. Graag zelfs.’Ik zucht.     ‘Liefje, je weet dat ik morgen die belangrijke vergadering heb. Die ligt al weken vast. Kan je geen andere dag kiezen?’    ‘Was ik vergeten. Het kon enkel zo snel omdat er iemand had afgebeld. Anders had ik nog twee weken moeten wachten.’Ze belooft me dat we volgende keer zeker samen zullen gaan. Nadat zij is gaan slapen, kap ik in de kelder onze vuilniszak leeg. Tot mijn grote verbazing vind ik inderdaad de zwangerschapstest. Het testvenster is echter net zo min roze als een doodgeboren baby. Ik ruim het vuil op en steek de stick achterin de lade van mijn secretaire.     ‘Alles is goed met ons, bedankt dat je het vraagt.’    ‘Ik heb een rotdag op het werk gehad en zou graag eerst mijn jas uittrekken, dankjewel.’Blijkbaar stelt haar baby het goed. Het maakt Samira niet zo veel uit dat het geslacht nog niet te zien is. En ja, ze is stellig overtuigd het te houden. Als ik wil, kan ik volgende maand mee.De volgende dag bel ik Dr. Van Praet. Samira is nooit bij haar of haar collega’s geweest. Er is geen andere gynaecoloog met dezelfde naam in de buurt, nee. Onderwerp baby afgesloten. Voorlopig toch. De maand die hierop volgt lijkt ons leven weer zijn gewone gangetje te gaan. We omzeilen het B-woord terwijl Samira’s onzichtbare waarheid tussen ons in groeit, samen met zich opbouwende spanning. Ik vraag me af hoelang ze dit zal volhouden. Na een lange werkdag kom ik thuis. Ik hang mijn jas aan de kapstok en knip het licht aan.    ‘Wat zit je hier in het donker te doen? Ik schrik me rot!’De manier waarop ze in de zetel zit – met haar armen rond haar opgetrokken benen en haar hoofd tussen de knieën – doet me zachter praten. Ik gooi mijn tas op de grond en loop naar haar toe. Ze snikt met luide halen en schommelt met haar lichaam heen en weer. Het spanningsveld tussen ons is eindelijk gebroken wanneer ik haar in mijn armen wieg. Ik sus haar en vraag wat er is. Ze kijkt me aan. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen, haar wangen roodbevlekt. Ze neemt niet eens de moeite om het snot dat bijna haar bovenlip raakt, af te vegen. Haar haren zitten in de waren. Ik hou van haar.    ‘Ik heb deze ochtend het kind verloren’, fluistert ze hees. Haar stem kan nauwelijks de woorden dragen. Onsamenhangend vertelt ze iets over krampen, haar baby in het toilet en een vruchtje dat niet in orde bleek. Ze legt haar hoofd tegen mijn borst en schokt zonder geluid te maken. Ik streel zwijgend haar haren en haar rug. Zo zitten we daar de hele avond. Wanneer ze is gestopt met huilen en zwaar tegen me aanleunt, maak ik me los en til haar de trap op, naar bed. Voorzichtig trek ik haar kleren uit. Nadat ik haar heb ondergestopt, geef ik een kus op haar voorhoofd dat heet aanvoelt.    ‘Ik kom zo bij je liggen, liefje’, fluister ik.Op kousenvoeten loop ik naar beneden. Ik tast diep in de lade van mijn secretaire. Ik schud langzaam mijn hoofd. Voor de tweede keer belandt de predictor stick bij het vuil. Ik vraag me af hoe vaak ze eigenlijk tegen me liegt. Sommige van haar verzinsels heb ik na een tijd wel door. Ze fabriceert ze in zo’n hoog tempo dat de ene leugen nog niet over haar lippen is gerold, of de ander ligt al klaar. Meestal zijn het futiliteiten en vaak ga ik er in mee. Deze geveinsde zwangerschap heeft wel enorme proporties aangenomen. Ik voel haar gloeien over haar hele lichaam als ik tegen haar aan kom liggen. In het midden van de nacht roept ze me wakker.    ‘Gregory, ze komen achter me aan!’ In het zwakke schijnsel van het display van de wekkerradio zie ik zweetdruppels parelen op haar voorhoofd. Met verwijde pupillen ijlt ze zonder zich bewust te zijn van mij. Ze vertelt verwarde verhalen over een Joodse vrouw met een dubbele kinderwagen die de achtervolging inzet, haar mond met vlijmscherp gevijlde tanden vervaarlijk grotesk open- en dichtklappend. Ik hoor flarden zinnen waaruit ik kan opmaken dat Jan van haar school haar uiteindelijk dan toch heeft ingehaald, in de fietsertunnel. Zijn ogen zijn twee ingebrande gaten. Een baby zit haar achterna, een slagersmes in de handjes. Ze kan hem niet afschudden, hij is met een navelstreng aan haar verbonden. In de stilte tussen Jan en de baby vraag ik me af of ik toch niet beter de dokter van wacht laat komen. Maar ik wil haar geen moment alleen laten nu ze me nodig heeft, dus trek ik haar nog dichter tegen me aan. Tijdens haar onrustige stiltes slaap ik al wakend, als ze in verwarde dromen spreekt dan luister en waak ik, wachtend op haar ontwaken. Drie decennia opgebouwde leugens nemen wraak op haar, ze raakt erin verstrikt. Er zijn verzinsels bij waarop ik mijn leven heb gebouwd. Het maakt me niet uit. Ik ben nu hier, bij haar. Dit koortsdelirium duurt enkele uren voort, ze blijft dingen herhalen, alles wordt hoe langer, hoe onsamenhangender. Dan houdt het plots op. Ik word wakker door de felheid en de warmte van de zonnegloed op mijn gezicht. Stofdeeltjes dansen in de stralen die zich doorheen de niet volledig gesloten gordijnen priemen. Ik houd Samira nog steeds stevig tegen me aangedrukt. Ze voelt koud aan. She can kill with a smile, she can wound with her eyes. And she can ruin your faith with her casual lies… ‘Deze man is hier nu al een paar jaar. Sinds de dood van zijn vrouw zingt hij steeds hetzelfde liedje. Tijdens heldere momenten die uren of zelfs dagen kunnen duren, vertelt hij honderduit over zijn Samira. Luister op zo’n moment geduldig naar hem, maar laat je niet beetnemen. Zijn wereld is de onze niet. Als je hem klaarmaakt voor de nacht, vergeet hem dan zeker niet vast te binden, anders begint hij rond te dolen. De laatste keer dat een stagiaire had nagelaten dit te doen, hebben we hem pas de volgende middag terug gevonden. Hij zat in zijn ondergoed in het park. Gewoon op een bankje wat voor zich uit te staren.’ …and she’ll promise you more than the Garden of Eden, then she'll carelessly cut you and laugh while you're bleeding. But she’s always a woman to me.

dwaallichtje
0 0

Korneel ontdekt Nachtegaallaan 1a.

Uiteindelijk bel ik aan. Ademmist lost mijn ingehouden spanning op. Een panfluitmelodie verraadt een holle inkomsthal. De herfstkleuren op de deurmat verbergen de gastvrije boodschap. Ik steun eerst op mijn linkervoet, hel over naar mijn rechtervoet. Nee, vlug weer naar de linkervoet. Die enkel herinnert soms nog aan een verloren volleybalmatch. Grijpende handen naar het net bij het ineenzijgen op het veld, een fluitsignaal en een kampioenenviering aan de andere zijde… . Ondertussen lijk ik de nerven van de eikendeur te bestuderen. Zij tonen de grilligheid die bomen beleven. Zij herinneren aan de grens tussen wat was en is. Zou ik nogmaals aanbellen? Ik probeer  binnen te kijken langs het rechterraam. De gordijnen zijn dicht. Kan ik nu nog weg alsof er niets gebeurde? De drie stille jaren niet verbreken. Hoeveel tijd is er verspild aan geplande ontmoetingen die uiteindelijk niet hebben plaatsgevonden op deze aardbol? Laat staan aan ongeplande? Mijn hoofd vraagt door terwijl ik ijsbeer op het trottoir. Het lijkt me weer een aangename gedachte om het verleden te laten rusten. Misschien wel, maar dan moet ik nu weg. Als die deur nu opent... . Ik draai me gehaast om en merk dat de overbuur zijn gordijnen nog nawiegen. Een motorfietshelm stopt en deelt gedempt mee: “Ze zijn thuis, ik heb ze daarnet nog de boodschappen zien uitladen.” Het vizier gaat open, “Daniël." Hij steekt zijn hand uit. Ik schud “euh, Korneel” uit de mouw. “Jou ken ik niet, Oost-Vlaanderen?” “Hmm ja uit Kaprijke, het is mijn eerste keer in Meerhout” Een wolkbreuk en de motorfiets ronkt opnieuw. “Bel nog maar eens, ze zijn thuis hoor.” De verplichting drukt en de panfluit galmt al na. De gure wind slaat mijn sjaal kletsnat op mijn wang. Ik hoor gerommel en een licht klikt aan. Dit is het, dit … “Hallo?” De deur opent langzaam. “Zeg eens…” “Euhm ja, is Kirsten thuis? Ik kom voor haar.” De droge ruimte wenkt me en ik staak mijn pas wanneer mijn schouder tegen de nog opengaande deur aanduwt “ Sorry, maar die regen…” “... En wie ben jij?” Even groot zijn we. Merk ik op als we oog in oog staan. Hij draagt een koningsblauw kostuum. Ik buig me eens naar de rits van mijn softshell. “Korneel, ze had...” “Ach jij bent Korneel. Korneel! Spuugkameel! Heb je soms kaneel? Met Korneel alles okergeel! Welkom, welkom in Meerhout”, de deur gaapt nu warmte uit. Mijn schouder vangt de enthousiaste dreunen op. Hij kent het liedje, ons liedje… . Ik probeer beleefd mee te knikken en vriendelijk het gedrag van deze gastheer te interpreteren. “Ja Kirsten heeft veel over je verteld, erelid van het Lindeverbond, Pfff…”, een theatrale handenzwaai. “Deugnieten, kom verder, geef je jas! Die droog ik direct bij de verwarming.” In enkele seconden ben ik blijkbaar geliefd in Meerhout en hij kent het liedje. “Heb je het gemakkelijk gevonden?” “Nu ja, een GPS doet veel, slaafs volgen was de enige optie om hier te geraken.” “We hadden je niet meer verwacht. Kirsten stuurde je een brief en we kregen geen antwoord van jou.” “Linde heeft me overhaald toch te komen. Het is al drie jaar geleden. Ik heb getwijfeld om hier voor jullie deur te staan. Sorry hoor…, maar jij bent de vriend van Kirsten?” “Oei ja, ik heb me niet voorgesteld,... eerder de man, Lieven. Kom zet je aan tafel. Koffie? Een wafel? Kirsten maakt ze zelf, ze volgt de boeken top 10 nauwgezet op.  Natuurlijk de man…, “ Heb je ook wat melk?” Ik kruis mijn armen op tafel, “Kirsten is er niet?” “Jawel hoor, ze is bezig in de keuken.”  “Wat doe jij nu precies?”  “Bankbediende sinds twee jaar”, beken ik. “Ieder zijn job, de grote dromen jaag je niet meer na?” “Ze vertelt inderdaad veel... en hoe verspil jij de vrijheid voor wat centen?” Hij draait zich om voor hij de andere ruimte wil instappen. “Ik ben bedrijfsleider in bodemsaneringen. We zijn de grootste in de provincie. Maar de wereld staat echt niet stil, Korneel. De klant gedraagt zich veeleisender. De markt geraakt verzadigd. Dus moet je creatief zijn om de concurrentie voor te zijn. Ik kom nu net terug van een meeting. Ik ben al een halfjaar bezig met het overnemen van een andere vestiging, maar dat verloopt heel moeizaam... . “Ok, genoeg over mezelf. Ik ga Kirsten halen en koffie maken.” Eindelijk. Ik schuif mijn stoel wat achteruit en wikkel wat heen en weer. Wie is dit toch? Er klingelt plots metaal op de grond. Een mixer? Is dit wel een goed teken? Waarom stond Linde er op dat ik net op deze avond naar Meerhout zou afzakken? Dwaas... . Er komt snel hakkengetik mijn richting uit. Een rode jurk wordt beschermd door een roze schort met een witte ster. De roze, sierlijke woorden “sterrenchef” komen niet uit de lucht vallen. Er valt bruin haar over de schouders en de blauwe, stralende ogen herken ik uit alle herinneringen. “Jij hebt je haar gekleurd.” Ze plaatst de wafels op tafel. “Dan toch hier geraakt!”, haar hooggehouden leraressenarm roept me op het matje. “En jij bent getrouwd?” Ik plaats mijn handen in de zij. Ze verbergen het feit dat die onwetendheid op mijn heupen werkt. “jaaaaah!” Een uitgestrekte arm presenteert de ring, maar ik interpreteer het anders. Neem haar vast, begin haar in de lucht te draaien. Drie jaar cirkelt in tien seconden voorbij. Onze weerziensdans stopt. We nemen plaats tegenover elkaar aan tafel. “Je bent echt blij voor mij!” “Natuurlijk, ik ben dan ook de trouwste supporter van je levensloop. Ik blijf je steunen in al je daden, ook de ongekende.” “ Je weet toch...” “ ja, ja, jij wou ademruimte en liet mijn hart rusten. Je wou het echte leven starten zoals je het toen verwoordde. Dat is je gelukt, denk ik zo. Je woont mooi, je hebt een man. Je bent geworteld in Meerhout…” “Stom gestruikel met woorden, Korneel!” “... En daarbij ik ben niet naar hier gekomen om verklaringen te krijgen. Wat is gebeurd, is gebeurd.” “Ok, ok, zoals je wilt, je krijgt geen loze woorden. Maar je was boos. Je hebt niet geantwoord. Ik heb wel twintig keer aan Linde haar mouw getrokken. Vanwaar de twijfel? Wou je me echt niet meer zien?” “Het is niet de boosheid of woede, Kirsten. Die was er zeker in het begin, versta me niet verkeerd. Wij drieën waren familie, jarenlang. Niets of weinig van je horen, ik moest me echt schikken in die nieuwe rol. Ik begrijp nu pas dat het ook voor jou lastig was om zo weinig mogelijk contact te houden. Jouw brief heeft me verrast. Ik wist niet dat je zo nostalgisch was. De herinneringen die je beschreef, zo in detail, bijna levensecht. De voorbije weken heb ik meermaals ons verleden herbeleefd. Sommige dingen herinner ik me anders, of was ik al helemaal vergeten.” “Dankjewel, je beseft dat die hele periode voor mij belangrijk is geweest. Ook al wou ik resoluut veranderen. Ik mis jullie meer dan ik wil toegeven. Wat ik met jullie heb meegemaakt, glijdt nog elke dag door in de activiteiten die ik vandaag doe." “… En dat is net de reden waarom ik heb getwijfeld. De angst om wat je hebt veranderd te zien. Op ontdekkingstocht gaan naar de bekende die een vreemde begon te worden. Ik wou niet vaststellen dat ik inderdaad geen rol meer te spelen heb, enkel tot je verleden behoor.” Ze wrijft zacht over mijn handen, glimlacht. “Heb je jouw Lindeboek mee?” “Ja, neen,.. het is te zeggen ik heb de pagina’s ingescand met mijn smartphone. Ik kon ze toch ook gewoon doorsturen?” “Ik wou dat je ze persoonlijk kwam brengen. Mag ik ze nu zien?” Ik zoek mijn softshell. Haal mijn smartphone er uit en laat de afbeeldingen kopiëren  naar haar laptop. Een halfuur gaat voorbij, technologieklungel hoort er nu éénmaal bij. Ze bekijkt haastig de vele foto’s. Haar hand gaat naar haar mond, dan weer een gil of een kir. Ik kruis mijn voeten en geniet van dit schouwspel. Enkel Linde ontbreekt nog, bedenk ik me. Zij hield ons samen. Ik schrik op als Kirsten plots verwonderd blijft staren naar het scherm. “Wat is er, zie je een spook?” “Zie je wel, ik wist het”, ze triomfeert en haalt er Lieven bij. Hij plaatst zijn handen op haar schouders. Ik merk nu zijn rouwnagels op. Hij buigt voorover naar het scherm. “Deze foto maakt die overname inderdaad gemakkelijk, Kirsten!” Hij knikt me goedkeurend toe. “Het ging je niet om het Lindeboek, de herinneringen, onze vriendschap?” Ze blijft voor zich uitstaren, niet in mijn ogen.  Ik draai me tenslotte om. Op de dressoir zie ik een kader staan. Er zitten zwartgeblakerde bladzijden in. “Dat is wat overblijft van mijn Lindeboek Korneel. Ik heb de herinneringen in mijn hoofd, maar ik kon ze niet meer doorbladeren. Nu kan ik dit terug doen, dankjewel.” “Je bent misschien gelukkig met deze levensfase, Kirsten, maar er weegt precies een last op je schouders.” Ik kijk Lieven aan. “ Ja Korneel”, sust Lieven. “Wil jij peter worden van onze zoon? Linde wordt de meter. Kirsten wil het Lindeverbond verder zetten.” Een traan rolt over Kirstens wang, ze herhaalt de vraag, voegt “alsjeblieft” toe. Mijn laatste opmerking miste doel. Ik sla het laptopscherm neer en tik erop. “Bij nostalgie verbloemen de aangename herinneringen een periode uit je leven. Vandaag zal de vraag of ik peter wil worden, nostalgisch zijn.” Ik richt mijn blik terug tot Lieven. “Natuurlijk wil ik dat, Kirsten. Het is een eer. Ik haat het om louter als supporter in een tribune aan te moedigen. Ik wil deel uitmaken van het team.” “En wij hebben je liever als dichte buur, dan als verre vriend, Korneel.” “Zoals Daniël?” “.. Ah, je kent Daniël al”, we schateren. Tenslotte sta ik op en het tafellaken golft na. Ik bedank Kirsten, kus een goeie nacht, geef Lieven een stevige handdruk en wens hem een succesvolle overname toe. Kirsten opent de deur,“je mankt. Is dat nog steeds die blessure?” “Als ik te lang stilzit, gebeurt dat soms. Mijn lichaam wreekt de inspanningen uit het verleden. Maar ik vind het niet erg, ik hou van volleybal.”

KLAAS
0 0

Marjolijntje

Toen de rechter het vonnis velde – levenslange opsluiting – kon ik maar aan een iemand denken: mijn dertienjarige buurmeisje. Marjolijntje heette ze. Snoezig ding. Wanneer de zon nog maar kwam piepen ravotte ze op straat; touwtjespringen met haar vriendinnetjes, waterballonnengevecht houden met haar vriendjes. Wanneer ze alleen was, tekende ze op het asfalt vakjes en figuurtjes om hinkstapsprong te spelen. En wanneer ze écht alleen was, stelde ze zich voor dat die vakjes en figuurtjes een landingsplaats voor ufo's waren. Dan legde ze er bloemen naast ter verwelkoming van de marsmannetjes. Ze blies belletjes en smeekte om snoep. Ze speelde soms te enthousiast en wanneer ze viel, kleefde mama een pleister op haar gehavende knie, samen met een kusje. In haar ogen zag je een dartel universum van geurig geluk dat steeds in bloei stond.   Haar familie hield van haar, ik hield van haar, de buurt hield van haar. Ruben hield niet van haar en maakte haar zwanger op haar dertiende.   Haar mama stond wenend aan mijn deur; gebroken, verscheurd, wondermooi als altijd. Ze begreep niet hoe het zover had kunnen komen. Ze had haar dochter toch goed opgevoed? 'Die Ruben kan het goed uitleggen en Marjolijntje weet niet goed wat ze gedaan heeft.' Ik kon haar niet vertellen dat Marjolijntje waarschijnlijk heel goed wist wat ze gedaan had, dus ik antwoordde, 'Jongens zijn testosteron op die leeftijd. Geile klootzakjes.' Ik verzocht haar binnen te komen om verder te praten, maar dat wou ze niet. 'Geen tweede keer', zei ze.   De hele buurt sprak er schande over. Tienerzwangerschappen zijn voor marginale sletjes zonder vaderfiguur. Gepolijste karaktertjes zoals ons Marjolijntje doen niet mee aan die viezigheid, dachten ze. Marjolijntje kreeg geen snoep meer. Marginale sletjes halen hun lekkers wel ergens anders. De eerste drie maanden van haar zwangerschap was ze nergens te zien. Werd ze binnengehouden omdat mama de buurt niet wou opzadelen met plaatsvervangende schaamte? Of waren er complicaties? Ik moest het weten. Ik belde aan. Ze was alleen thuis. 'Dag meneer, kom je naar mijn dikke ballon kijken?' Ze droeg een kort T-shirtje dat net haar borstjes bedekte. Onder die borstjes een platte buik met in het midden een navel waaruit een navelstreng tevoorschijn kwam. Aan het uiteinde van die navelstreng zat een ballon bevestigd; een dikke zwevende ballon waarin een foetus groeide. Het was bizar en afzichtelijk en kinderlijk mooi. Ze liet me binnen. Wanneer we door de lage deuropening naar de woonkamer liepen, moest ze haar navelstreng vasthouden en het ballonnetje wat naar beneden trekken. Een moederkloek beschermt altijd.   We gingen zitten. Een ongemakkelijke stilte volgde, een stilte die ze vulde met koffie voor haar gast. Ik wou haar vragen waarom ze die Ruben met zijn vuile poten had toegelaten, maar dat antwoord was niet moeilijk te raden en ik wou niet dat ze me een dommerik vond die met een belerend vingertje in het ijle zwaaide. Ik vroeg dan maar, 'Wordt het een jongen of een meisje?' 'Dat zullen we binnen een maand zelf kunnen zien. Mijn ballonnetje is doorschijnend, of had u dat nog niet gezien, meneer?' Intelligent ding. Net als haar moeder. Natuurlijk had ik gezien dat haar ballonnetje doorzichtig was. Die smalltalk was niets voor haar. Voor mij ook niet trouwens, anders zou ze mijn poging tot niet gemerkt hebben. 'Ben je gelukkig?' 'Ja! Ruben wil er ook voor zorgen. Met twee lukt het ons wel. Met drie eigenlijk. Mama gaat ook haar best doen. Denk ik.' Ik dronk mijn koffie op, wenste haar het beste met de zwangerschap, aaide over haar ballonnetje hoewel het ding dat erin groeide me lelijk aankeek en vertrok. Kon ik haar zeggen dat Ruben er niet voor zou zorgen, dat ze er uiteindelijk alleen voor zou staan, net als haar moeder?   Twee maanden daarna zag ik haar opnieuw buitenspelen, opnieuw figuurtjes op het asfalt tekenen, opnieuw de marsmannetjes begroeten. Alleen ging het hinkstapspringen wat trager, lomer. De foetus was flink gegroeid; het ballonnetje leek op ontploffen te staan. Wanneer de andere kinderen in de straat erover wouden wrijven, trok ze haar navelstreng naar beneden en hield het ballonnetje tegen haar linkerwang. De ouders van de buurt riepen hun kroost naar binnen: 'Laat ze maar met rust of jullie groeien ook een ballon!' Marjolijntje stond alleen op straat. Ze hield haar navelstreng goed vast, want er was een sterke wind opgestoken die met haar ballonnetje dartel danste.   Toen ze acht maanden zwanger was, zat Marjolijntje in mijn keuken te wenen en haar zondvloed aan tranen erodeerden de keukentafel. Rubens moeder had ontkend dat haar zoon Marjolijntje zwanger had gemaakt. Een vaderschapstest was uit den boze; geen verantwoordelijkheid die halfslachtig kon opgenomen worden. Ze kon geen woord uitbrengen en ik stak een sigaret op. 'Marjolijntje toch. Het komt allemaal goed. Je zal er niet alleen voor staan. Je moeder zal er ook voor zorgen en ik wil helpen. Wat denk je?' Maar het zou niet goed komen en ze zou er wel alleen voor staan. Opnieuw moest ik liegen tegen een zwanger meisje, maar deze keer viel het me zwaarder. Het ongeboren kind in haar ballonnetje mocht niet hetzelfde meemaken als de moeder. Ik trok van mijn sigaret, keek ernaar terwijl de rook zich rond mijn vinger krulde. Ik trok opnieuw. Ik keek naar het ballonnetje. Mijn handen jeukten, Marjolijntje huilde. Ik trok voor de laatste keer. Marjolijntje was te druk bezig met haar verdriet om te zien wat ik deed.   Paf.   Een ballonnetje is niet sterker dan het uiteinde van een brandende sigaret.   De tijd maakt zigzaggende hinkstapsprongen op de gevangenisvloer. Als babymoordenaar kun je niet op het begrip van verkrachters en overvallers rekenen en de isoleercel in mijn hoofd begint langzaamaan vorm te krijgen: een ballon waarin mijn hersenen drijven en waarvan ik hoop dat hij ooit door Marjolijntje wordt vastgehouden.   Ik zie een baby op een bedje van ballonschilfers liggen, sigaret in het kleine handje. Het staart me aan en ik staar terug. Het krijtje in mijn hand weegt loodzwaar. 'Doe maar, laat de ufo's landen', lijkt de baby te denken. Ik buk me en teken een figuur op de vloer terwijl het geluid van spelende kinderen door de kamer dartelt. Het is Marjolijntje die ik teken. De baby staat op, komt naast mij staan, trekt van de sigaret, ik kleur Marjolijntje in, het trekt voor de laatste keer van de sigaret, Marjolijntje komt tot leven...   Paf.

Michaël Verest
49 0

Roest

Roest   Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Haar rusteloze dag kwam tot stilstand als een hardloper die na zijn laatste sprint abrupt stopt om zijn hartslag te controleren. Tik tik tik Het idee dat het cadeau een tikkende tijdbom symboliseerde, verwierp ze al snel als te voorspelbaar en dramatisch.  Nee, haar leven was al cliché genoeg: na zeven jaar huwelijk was de liefde met Jacob versleten als het roest op een trouwe fiets die aan vervanging toe is. Het idee dat hij ‘de ware’ was, gleed na een passionele start van hun relatie over in de gedachte ‘dat liefde een werkwoord is’ tot een berustende ‘het belangrijkste is dat we allebei gezond zijn’.  Ze stonden al te lang roerloos met hun liefde tussen hun vermoeide lijven gedrukt; in slaap gewiegd door de kabbelende gewoontes van alledag. Ze wou hem niet verliezen. Of wou ze vooral haar geloof in de eeuwige liefde niet opgeven? Haar besluiteloosheid smeekte om een duw in de rug. Maar in welke richting?   De komst van minnaar Maurice was een tijdelijke zijsprong die zich langzaamaan tot hoofdweg profileerde. Wat begon als een kortstondige zoektocht naar vuur, werd al snel een alles verschroeiende brand. Als ze ’s nachts rug tegen rug  aan Jacob kleefde, zag ze zichzelf dikwijls op een strand liggen. Alle strandgangers waren na zonsondergang naar huis gegaan en zij ligt alleen naar het rusteloze water te staren. De eerste golf die aanspoelt, is zo hoog dat ze de rest van de zee niet kan zien. De eerste golf is haar passie voor Maurice, de zee haar liefde voor Jacob.   Overdag voelde ze de achterdocht van Jacob groeien. Dat ze weeral moest overwerken werd steeds met een ironische blik onthaald. Dat ze twee dorpen verder een nieuwe, overheerlijke bakker had ontdekt, leek slechts zijn paranoia te versterken. Hoe lang was dit houdbaar? Hoe lang kon ze deze granaat voor zich uit blijven trappen? Haar liefde voor Jacob was als het rode strikje rond het cadeau: het hield alles hardnekkig samen, maar bij voldoende twijfel zou het knappen en zou de lege doos van hun relatie kaal achterblijven.   Ze flirtte een ogenblik met de gedachte om het geschenk uit het raam te gooien, maar haar nieuwsgierigheid overwon. Het cadeau moest wel van hem zijn, want hij had de enige andere huissleutel. Misschien wou hij hun liefde nieuw leven inblazen door haar met dit geschenk te heroveren? Hopelijk eist hij eindelijk kordaat zijn plaats op. Of was dit cadeau gewoon een sarcastische grap? Een middelvinger naar haar bedrog? Ze trok het papier weg en vond een tweede doos met een zwart lintje. Rillend rukte ze ook dit papier open en voor de tweede keer vandaag kwam de tijd tot stilstand. Ze begreep het niet. Een brood naast een chocoladetaartje? Het brood leek al een paar dagen oud, het taartje was duidelijk vers. Rond het taartje zat een tweede rode lint, rond het brood een zwart. Toen ze onder het brood keek, vond ze wat ze zocht: een briefje in Jacob’s geschrift met -hopelijk- een verklaring.   Liefste,   Het is heel simpel: ik ben het brood. Ik ben het die de kruimels van je leven tot een geheel maakt. Ik heb je de laatste tijd te gemakkelijk het cement aangereikt waarmee je de muur rond jezelf hebt gebouwd. Ik wil die samen met jouw hulp afbreken. Mijn liefde voor jou is standvastig, hardnekkig, doorwinterd. Reken op me, bouw op me. Elke ochtend ben ik er weer. Schat, ik wil je niet kwijt. Je bent mijn beleg ;-) Hij is het taartje: kortstondig plezier, met kans op kiespijn. Waarschijnlijk heel lekker, maar het houdt je niet in leven… Ik begrijp dat het tussen ons van passie naar passief is gegaan, maar nu moet je kiezen. Wordt het brood of taart?   De chocolade op haar lippen was het laatste wat ze van Maurice zou proeven.        

Joachim Stoop
28 0

Duin

Duin   ‘T’is toch altijd spannend om eerst het water te horen vooraleer je er een glimp van opvangt, vind je niet. Nog even klimmen en we zien haar.’ Met overdreven dichtstem voeg ik eraan toe: ‘de zee: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt.’ Haar reactie had ik wel verwacht: ‘Eumm, ik denk dat je dit al eens eerder hebt gezegd. Of nee: geschreven.’ Ironisch genoeg reageer ik voor de honderdste keer met hetzelfde: ‘Moet dan alles wat er gezegd wordt uniek zijn? Alsof alleen eenmalige dingen waardevol zijn.’  Het fronsen van haar wenkbrauwen is even prominent als haar ingehouden lach. Ik vervolg dan maar: ‘Jij vraagt me toch zelf zo vaak om te herhalen waarom en hoeveel ik van je hou.’ Terwijl de zon in haar blonde haren met schakeringen van geel en goud speelt, antwoordt ze: ‘Maar dat is net iets wat telkens anders kan. Je liefde blijft hetzelfde, maar hoe jij je er op elk moment bij voelt en hoe je het onverwoordbare in woorden giet, is toch telkens nieuw.’  Mijn hart mist een slag. We komen dichterbij. Ik heb dit zo goed voorbereid; heb hier al honderden keren gewandeld in mijn gedachten en toch ben ik nerveus. Alsof haar antwoord me nog zou kunnen verrassen. Alsof één plus één opeens toch nog iets totaal anders dan twee zou blijken. We wandelen verder over het strand, laten voetstappen achter die door getijden stapsgewijs zullen wegebben. Ik draag de picknickmand, zij het lakentje en de camera. We hervallen in een zalige stilte opgeluisterd met een harmonica van golven, een zoute bries en het genot van niks te hoeven zeggen. Vogels beheren de lucht en ongetwijfeld zwemmen vissen als keizers onder de blauwgrijze spiegel van de zee. Maar wij zijn landdieren. Wij voelen ons opperbest als we met onze voeten paden kunnen creëren die nooit eerder zijn gevormd. Zo bewandelen we deze aardbol begeesterd en bezield. Wat ons gisteren en morgen aan volledige vrijheid doet ontberen, zijn krachten groter dan wijzelf: maatschappij, tegenslag, onomkeerbaarheid. Maar wij tweeën, op dit moment, zijn vrij. Het liefst wil ik dat we terugkeren en dezelfde wandeling meteen opnieuw doen, maar dan in elkaars voetstappen. Gewoon omdat het kan. Dit idee spoelt me terug naar de eigenlijke reden van deze wandeling. Wat ik het liefst wil, is heel mijn liefde, hartstocht en overtuiging bundelen tot één klein geheel. Ik wens mijn gevoelens voor haar, voor ons, te smelten tot één uniek symbool: een schelp of smaragd of een metafoor als deze:   Liefde is een tweezit die in tijd en ruimte opschuift om de juiste mensen op te vangen en hen dan toefluistert: ‘maak het je gemakkelijk en geniet van de rit. Eerst zetelen, dan pas nestelen. Als je het goed doet, leven jullie samen dubbel zo lang.’   We zitten naast elkaar op ons lakentje op de hoogste duin, met ogen en doelen in dezelfde richting en beider hart als kompas. Vol emotie kijk ik nog een laatste keer naar de zee en spreek tot mijn geliefde in een stem die probeert zware woorden licht te doen klinken: ‘De tijd is rijp om lentes als bruggen over komende winters te slaan.’ Pas dan wend ik mijn blik naar haar verwonderd gezicht, waar het altijd warm is, waar zij vol van leven, alle zonnestralen en deze vraag opvangt:

Joachim Stoop
8 0

De buitenlander

Tijdens de treinrit besefte Mont dat dit wel eens de laatste keer kon zijn. Met vrouw en tienerdochters naar de zoo. Dergelijke voorstellen zouden voortaan stoten op puberale pruilsessies achter gebarricadeerde deuren. Van hun dochters, uiteraard. In de treinzetels achter hem en zijn vrouw blaften twee mannenpubers hun vroegtijdig seksuele ervaringen heen en weer. Vermoedelijk waren ze opgevoed door ouders die elk product van hun nageslacht inkaderen, en hadden ze als kind nooit eens een goede tik gehad. Hij kon hun ongestrafte puisten haast proeven in de weeë lucht van deze zaterdagochtendtrein. Terwijl zijn dochters gedachteloos de tekst van een vrouwonterend lied meelipten, las zijn vrouw een boek dat hijzelf als seksistisch zou bestempelen. Eventjes raakte ze zachtjes zijn been aan. Dat kalmeerde hem. Plots voelde de dromerige zon erg aangenaam op zijn koude huid. Hopelijk, als hij maar een goede vader speelde, kwam alles gewoon goed. ______________ Zelfs de wc van de zoo rook naar dierenmest. Met de tickets in zijn vers opgetrokken achterzak stapte hij naar buiten, maar zijn gezin was nergens te bespeuren. Een grijzige angst begon onder zijn sternum te knellen. Zijn familie kwijt, net als twintig jaar geleden, toen hij werd getroffen door kleurenblindheid. Toen hij Polly leerde kennen. Ongerust liep de kale man, begin veertig, ooit blond-rossig, tussen de andere bezoekers waarvan iedereen een gezond grijze haardos had. Primaten… geef haar een park vol dieren en ze kiest diegenen uit die het meest op onze soort lijken. ‘Daar ben je,’ lachte Polly. ‘Ona en Shau zijn bij de reptielen, in de Dahakatuin.’ Mont lachte flauw terug. ‘Had je nu echt niet op me kunnen wachten, ik heb-’ Polly praatte over zijn zin heen. Zoals vele mensen in dit land. Alsof hij niet bestond. ‘De meisjes konden niet wachten om de zwammen te bezichtigen, seizoen van de Marasmius Oreades, weet je nog? En bovendien- denk je dat die aapjes in hun kooi daar wachten op elke aapje dat achterblijft?’ zei ze minachtend. Mont had geleerd zijn repliek te laten wegsijpelen. Enkele chimpansees kwamen naar het venster toe en keken nieuwsgierig naar het veertigjarige koppel. Mont wees: ‘Je bedoelt die copulerende primaten daar?’ Ze tuitte haar lippen en raakte zacht Monts arm aan. Hij voelde zich plots uitgelaten. Polly legde even het bandje in haar haren terug goed. ‘Je blijft ze primaten noemen. Alsof je dat erg belangrijk vindt.’ ‘Als er één soort is naar wie ik juist wil verwijzen, is het wel die waar wij het dichtst bij staan als mens.’ ‘Wij?’ vroeg Polly ironisch en ze stapte dicht tegen Mont aan en ademende warm in zijn oor. ‘Zeg dan eens, hoe lijken “wij” dan op die aapjes?’ Ze was zo dichtbij dat hij maar één soort voorbeeld kon geven. ‘Wel, om ruzies op te lossen gebruiken ze seks…’ ‘Net zoals wij, schat.’ Ze duwde haar heupen hard tegen hem aan. Plots galmden de stemmen van hun dochters. ‘Kijk, ze vechten!’ Het copulerende koppel was opgebroken door een andere belanghebbende die nu zijn rechten liet gelden met ontblote tanden en bruut geweld. Dit zou volk trekken. Mensen houden van brood en spelen. Maar de andere bezoekers liepen nauwelijks geïnteresseerd door. Wel kwam er een opzichter met een geweer, die zonder aarzelen met loden munitie de primaat doodschoot die zonet nog aan het copuleren was geweest. Het vrouwtje krijste en was duidelijk overstuur. Polly knikte en zei belerend tegen haar kinderen. ‘Dit is wat er gebeurt als een aapje niet meer in de groep past. De andere aapjes bijten hem dood. Maar soms kunnen de aapjes het zelf niet oplossen, en voert iemand anders de straf uit.’ Shau zag er bleekjes uit en was aan het wenen. ‘Maar het zijn primaten, net als wij! Wat die opzichter deed was toch niet menselijk, papa?’ Meteen beet Ona: ‘Het zijn maar beesten, toch?’ Mont troostte Shau in zijn armen en kreeg daarop een nijpende blik van zijn vrouw. Het deed haar, heel eventjes, ouder lijken dan twintig jaar geleden. _________________________ De week erop broeiden de spanningen thuis in een nest van hete angels. De tirades van zijn tienerfeeksen waren onaangenaam, maar verbleekten bij de doodgezwegen wonde die etterde in het hart van het gezin. Ze waren gestopt met praten en negeerden elkaars gezicht. Polly mijdde elke aanraking, en elke avond ging ze het huis uit, stilzwijgend, naar mannen of vrouwen die hij misschien kende, zoals wel vaker gebeurde. Maar deze week merkte hij een geur op als ze thuiskwam. De geur van andere mannen. Het was intussen een week na het bezoek aan de zoo. Shau en Ona waren gaan paardrijden. Polly nam haar jas al om het huis te ontvluchten, maar deze keer hield Mont haar tegen. ‘Polly, we moeten praten. Heb- heb jij seks met iemand anders?’ ‘Ja,’ zei ze droog. ‘Natuurlijk.’ Mont voelde een drukgolf, plat in zijn gezicht. Hij moest gaan zitten. ‘Zeg dat dit niet waar is.’ ‘Natuurlijk is dit waar.’ ‘Maar je bent mijn vrouw… een fysieke affaire?!’ ‘Mont, mijn aapje, je ontbloot je tanden weer.’ Zijn handen tot witte vuisten gebald. ‘Hoe lang?’ ‘Al altijd. Maar de laatste week, meer,’ zei ze dit keer fronsend. ‘Mont, ik weet niet wat ik moet zeggen, je had nooit zo lang mogen blijven. Ik dacht dat je je zou kunnen aanpassen aan onze cultuur. Heb jij me dan nooit fysiek bedrogen, Mont? Zelfs niet één keer?’ Ze zei het haast smekend. Mont zat er geslagen bij. Polly schudde haar hoofd. ‘Je zal je moeten aanpassen, Mont. Ik wil niet langer met een aapje getrouwd zijn.’ ___________________________________________ Met dichtgenepen billen en in zijn hand de losse leiband van zijn trouwe hond die verderop in het veld zijn gevoeg deed, keek Mont omhoog naar de sterren op deze donkere avond. Toen hij ze vroeger met zijn grootvader had bestudeerd, stonden die sterren nog anders. Het was erg lang geleden dat hij zijn familie nog had gezien en de herinneringen aan hen waren meestal vaag. Langs het wegje in dit veld was het zwart door het gebrek aan licht, waardoor de warme schijnsels van de vreemd gebouwde huizen rondom het veld nog aantrekkelijker leken. Volgens Polly speelde ook in die huizen iedereen het spel mee. Wees elkaar trouw met anderen. Ze had het hem nu voor het eerst duidelijk uitgelegd. En Polly had gelijk. Toen ze hem het huwelijkscontract had laten nalezen eerder die avond, had ze gewezen op de kleine lettertjes ergens onderaan.                   *Echtgenoten zijn uitsluitend trouw aan elkaar door fysiek verbonden te zijn met anderen. Al die warme lichten brandden blijkbaar niet alleen voor de bewoners, maar ook voor mogelijke bezoekers. En of er nog zo’n mensen als hij waren, was hij zo stom geweest te vragen. Er waren er zeker, had ze gezegd, maar de meesten bleven niet in onze cultuur. Het leek haast waarschuwend, hoe ze had gefluisterd: “Sommigen gedroegen zich als aapjes en gingen snel weg. Anderen… wilden niet weg, maar moesten toch weg”. Het was één van die cryptische omschrijvingen waar hij stilaan aan gewend geraakt was sinds hij naar Polly’s streek was verhuisd. Maar gemakkelijk was het nog steeds niet. Hij wandelde naar de straat toe en riep zijn hond, wiens natte vacht vettig aanvoelde als hij erover wreef. Enkele voorbijgangers keken nieuwsgierig naar het beestje. Hier had niemand een hond, en het was de trouw van het beestje wat hij erg gemist had in het begin, na de verhuis naar dit land. Hij glimlachte bij de herinnering, toen Polly hem had meegenomen toen ze was gaan paardrijden in het bos. Mont had hem een naam willen geven, maar volgens Polly had het al één: Hont. Niemand op straat, in deze natte streek die rook naar bos en paarden, waar de huizen hun licht uitnodigend naar buiten toe brandden. Hont stopte bij de volgende voortuin om de zoveelste druppel uit zijn lijf te persen. En beetje bij beetje, ontspande Mont zijn nijpende billen. _____________________________________________________ Terwijl de taxushagen hem giftig leken toe te wuiven op de oprit, snokte Mont aan de leiband om duidelijk te maken dat het wandelen gedaan was. De trouw van Hont gaf hem een machtig gevoel. Het was de soort relatie die hij gemakkelijk kon vatten. Zijn huis baadde in het warme licht. Uitnodigend, maar blijkbaar niet alleen voor hem. Hij deed de deur open en stootte tegen Polly. ‘Je bent niet weg?’ mompelde hij verrast. Hij duwde zich langs zijn vrouw, maakte de hond los, en vulde een bakje met water. Hij schonk zichzelf ook iets in. ‘Waar zijn Shau en Ona?’ ‘Nog aan de stallen.’ Ze kwam naar hem toe en raakte hem aan. De eerste keer in een week. Hij voelde zich plots opgelucht. ‘Mont… ik kan er toch ook niet aan doen dat je niet op de hoogte was… ik dacht dat je in jouw land geleerd had over de Mab en haar wetten.’ ‘Hoe kunnen mensen een andere cultuur leren als er zoveel zaken van die cultuur verzwegen worden? Geografie hebben we geleerd, en taal. Maar dit? Dit… overspel? Nee.’ ‘Al twintig jaar ben je hier, en niemand heeft je ooit signalen gegeven om te…?’ vroeg Polly. Mont zei beschaamd: ‘Ja, dat wel, maar ik heb nooit… seks gehad met hen. Jij bent de enige… Ik weet het niet meer. Zeg het me dan, Polly, wat kan ik doen?’ ‘Wil je bij je gezin blijven?’ vroeg ze en ze aaide zijn nek. Hij knikte. Plots greep ze zijn kruis hard vast en zei verbeten: ‘Doe dan wat er in je huwelijkscontract staat.’ __________________________________________________________________________ Elf maanden later hadden Monts pogingen om zijn huwelijk na te leven hem in de rechtzaal doen belanden. Die was niet zo pompeus en met goud belegd als hij zich had voorgesteld. De plantentekeningen in het behang op de muren, grijze tongen met grijze vogels, grijze paarden met grijsgehaarde ruiters, toverden de macht van de zaal eerder in een mistig bos. Hij keek naar achteren en zag hoe de zaal uit haar voegen barstte van de toeschouwers. Als een aapje in de zoo, onder hun vizier. Polly zat er ook. Hij wuifde flauwtjes naar haar, maar kreeg enkel een opgetrokken mondhoek terug. De middenste van de elf rechters droeg een grijze pruik met oude oren door. Zijn neus was paarsgeaderd. ‘Beklaagde, u mag rechtstaan.’ Hij keek met gespitste ogen over zijn bril heen. ‘Schuldig aan actieve weigering van deelname in taken van een getrouwd gemeenschapslid. Pleit?’ Monts advocaat sprak geconditioneerd: ‘Schuldig met inbegrip van jarenlange onwetendheid inzake impliciete wetgeving van deelname aan overspel. De verdediging vraagt behoud huwelijk.’ De rechter keek naar zijn vrouwelijke collega links van hem. Zij sprak met kenmerkend schrille stem: ‘Er is een tweede klacht. Openbare aanklager pleit schuldig aan fraude. Voor illegale poging tot schijnoverspel, vragen wij, als voorbeeld voor de maatschappij, levenslang!’ Mont fluisterde gespannen: ‘Meester, wat is dit? Zie je wel dat ik niet had mogen bekennen! Ik wil niet naar de gevangenis!’ De meester bedaarde Mont, rechtte zijn rug en sprak: ‘Omdat de beklaagde geen eerdere feiten heeft gepleegd, vragen wij een alternatieve straf, meneer de rechter.’ De ijzige vrouw brak in schelden uit en richtte zich naar de rechters. ‘U ziet het toch? De schande aan de Mab is te groot. Als levenslang niet kan, is verbanning het enige mogelijke alternatief.’ Maar enkele rechters mompelden dat dit inderdaad de beklaagde zijn eerste feit was. De rechter met de paarsgeaderde neus wendde zich tot Mont: ‘Illegale activiteiten, meneer… dat is niet niks. Wat deed u dan in die zaak van slechte reputatie?’ Mont zuchtte. ‘Ik wilde mijn huwelijk redden.’ De schrille stem daverde door de zaal: ‘Uw huwelijk redden, meneer, doet u door te doen wat in de Mab staat geschreven op zo’n impliciete manier dat wij dit niet letterlijk kunnen citeren, en wat niemand in deze zaal met ook maar de minste citering mag uitdragen, op straffe van verbanning! Maar neen, meneer deed dat niet! Neen, meneer ging naar een zaak van slechte reputatie!’ Mont porde zijn meester in de zij en die verdedigde: ‘M-mijn client, waarde rechter, heeft wel pogingen ondernomen om zich aan te passen aan de in zijn ogen vreemde impliciete regels van onze cultuur. Ik citeer mijn client als ik zeg dat er voor hem plots een nieuwe deur openging.’ Goedkeurend knikje van Mont. ‘Mevrouw de aanklager, mijn client heeft voor hem tegennatuurlijke pogingen ondernomen, in overleg met zijn vrouw, om het huwelijkscontract na te leven.’ De mannelijke rechter las goedkeurend voor: ‘Pogingen met buurvrouwen, klanten, vriendinnen en familie van vrouw, collega’s,… Dat lijkt er al meer op. Meneer, over hoeveel vrouwen gaat het hier?’ Schoorvoetend zei Mont: ‘Net geen elf, maar ik kon nooit fysiek… begrijpt u dan echt niet…? Mijn vrouw is… is mijn ware liefde! En zij zal ook altijd mijn enige fysieke liefde zijn.’ De meester trok zijn schouders op en siste. ‘Mont, wat had ik gezegd, geen liefdesverklaringen!’ Geroep en geschreeuw in de zaal. Rumoer. De banken kletsten hun hout op de stenen vloeren. De deuren zwaaiden dicht. De rechter sloeg meermaals met zijn hamer tot orde. De schande was te veel geworden voor sommigen in de zaal en zij hadden de zoo verlaten. De rechter wuifde flauwtjes met zijn hamer. ‘Mag ik u vragen, meneer, dergelijke ziekmakende verklaringen niet meer te herhalen of ik kan uw veiligheid niet garanderen.’ De openbare aanklager kwam tussen. ‘Wat de beklaagde durft te zeggen, gaat in tegen het hart van onze maatschappij. Als mensen hun liefde niet meer delen, als bijen slechts één bloem bestuiven, dan wordt fauna én flora ziek.’ Mont keek smachtend naar de zaal. Waar zijn vrouw eerder zat, was nu een leegte. Ook voor haar moet de publieke verklaring te veel geweest zijn. Mont besefte nu dat hij zijn laatste kans had verspeeld. Weer die schrille stem. ‘Meneer! Kijk me aan als ik tegen u spreek. Waarom ging u naar die illegale zaak? Antwoord!’ Mont zuchtte. ‘Omdat ik nooit overspel zal kunnen plegen, mevrouw. En het enige dat me kon helpen waren de diensten van die onderneming. Ik kocht…’ Voorzichtig keek hij in de zaal achter zich. Dit zou stof doen oplaaien. ‘Ik kocht geruchten van overspel zonder het echt te plegen.’ Hout op steen. Hamer in het rond. Dichtgegooide deuren. Een advocaat die driest nee schudde. En uiteindelijk, een vonnis door grijze pruiken. ‘Verbannen! Met ingang van morgen, bent u verplicht onze wereld te verlaten binnen de termijn van zeven zonsondergangen. U gaat in culturele quarantaine totdat het eerste schip vertrekt.’ Een zachte knik van een geslagen man. ‘Ik hoop u hier nooit meer terug te zien. Tot nooit, meneer.’ De hamer dreunde neer als de slag van een geweer. __________________________________________________________________________________ Nadat hij de praktische zaken met de balie had geregeld, was hij onder toezicht van een wethouder van de Mab naar huis gekeerd om kort afscheid te nemen van zijn gezin en om Hont op te halen. Zijn vrouw had hem kil begroet met zijn twee dochters in haar armen. Ona had hem niet sneller dag kunnen zeggen, alsof hij een zieke primaat was die geliquideerd moest worden. Maar Shau wou met hem meegaan. Een lichtpunt. Zijn hele leven en gezin achterlaten, het leek te moeilijk. En toen Polly meteen had toegestemd met Shaus vertrek, besefte Mont dat zij haar spullen al had gepakt. Nog nooit had hij zo snel afscheid genomen in zijn eigen huis. Daarop had de wethouder Mont en Shau naar de haven begeleid, waar ze in culturele quarantaine zouden verblijven tot het eerste schip. Twee maanden zou de zeereis duren, doorheen golven en verpletterende afstand. De eerste dagen waren moeilijk geweest. Hij had zijn vrouw en Ona enorm gemist, maar was dankbaar dat Shau mee was gekomen, ook al weende ze veel in het begin. Hij voelde zich dan ook schuldig, omdat hij haar had geamputeerd van het netwerk waarin zij zich met haar ziel geweven voelde als een paddestoel in het bos. Maar hoe langer hij wegvaarde van het eiland, hoe moeilijker hij het had, niet met het gemis, maar met het herinneren waarom, en zelfs wat, hij miste. Het leek alsof hij jaren onder een donkere wolk had geleefd en dat hij nu pas kon nadenken dankzij de vloed aan frisse zeelucht. Over zijn scheepsgenoten had hij zich aanvankelijk zorgen gemaakt: gevangenen, gehandicapten, zwervers, rasechte criminelen, waaghalzen, extremisten van allerlei, … Maar vreemd genoeg, en dit kwam misschien doordat hij een nieuwe uitweg zocht voor zijn hart vol doelloze liefde, leek het wel alsof hij deze mensen beter begreep. Ze waren allemaal gevangenen hier. Lotgenoten. Verbannen. Het was een groot schip, en toen hij op een keer met Hont over het dek liep, werd hij aangesproken door enkele mensen uit zijn vaderland die al jaren geen hond meer hadden gezien. Eindelijk kon hij zijn taal terug spreken, met de vertrouwde gebaren uit zijn moedercultuur. Met een week vertraging kwamen ze uiteindelijk aan op de bestemming waarover in Polly’s cultuur werd gesproken met rillingen in stem en rug. Een plaats waar een samenleving was ontstaan zonder het wakend oog van rechters met pruiken en wetboeken van de Mab. Maar lang zouden ze er niet blijven. Na enkele weken reisde hij door naar zijn geboorteland, samen met de mensen van zijn moedercultuur die hij had leren kennen op het schip. _________________________________________________________________________________________________________________ Een jaar later bevond Mont zich terug in zijn geboorteland en had hij er zo’n succesvolle winkel gestart dat verschillende families in het dorp hem nu huwelijksvoorstellen deden. Zo zat Mont enkele maanden later in het raadshuis. Vandaag zou hij trouwen volgens de regels van zijn cultuur. Zoals het hoort. Normaal. Maar voor hij het huwelijkscontract tekende, las hij deze keer aandachtig de kleine letters.                   *De man zal trouw zijn aan zijn partner, door trouw te zijn aan zeven vrouwen, waarvan hij slechts met één fysiek verbonden is. Tevreden gaf Mont de pen door, aan zijn zeven nieuwe vrouwen.              

Han Hartmoed
0 0

Allesverterend

Tussen mijn halfgesloten oogleden door keek ik naar hen. In de tuin was mijn schoonvader druk in de weer met zijn geliefde barbecue, houtskool en aanmaakblokjes, een glas wijn binnen handbereik. Mijn schoonmoeder riep hem vanuit haar hangmat goedbedoelde aanmoedigingen toe, maar hij werd er alleen maar zenuwachtig en prikkelbaar van. Het gebruikelijke tafereel. Straks kwam het gevloek, misschien heel even ruzie. Maar de uitkomst stond vast: mijn schoonvader die met geheven glas de retorische vraag stelde of er iets heerlijker was dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon. Mijn vrouw Valerie trok er zich niets van aan. Zij lag op de stoel naast me, verzonken in een Aspe, haar derde van de week. Op mij lette niemand. Ze dachten dat ik sliep, en dat vond ik uitstekend zo. Ik lette erop dat ik zo min mogelijk met mijn hoofd bewoog. Mijn ogen zaten verscholen achter mijn zonnebril-met-spiegelglazen. In mijn schoot lag Kundera's 'Onsterfelijkheid', opengeslagen met de rug naar boven, zodat ik ook daar niet verraden kon worden. En intussen keek ik. Of beter: ik gluurde. Ik gluurde en genoot.Ik kwam al jaren mee met de familie naar hun zomerhuisje in de Luberon. Tien dagen in de eerste helft van augustus, elk jaar opnieuw. Een goedmoedige routine, waar we telkens tegen op zagen ('Volgend jaar moeten we toch echt een keer ergens anders naar toe, gewoon met ons twee') maar ook weer heimelijk van genoten.Vorige zomer nam ook Charlotte voor het eerst een vriendje mee. Lander was zes jaar ouder dan zij, en dus maar nipt vijf jaar jonger dan ikzelf. En vanaf was Charlotte ineens niet mijn kleine, onschuldige schoonzusje meer, en werd alles anders.De manier waarop Charlotte zich in, om en langs het zwembad bewoog was haast niet te vatten in woorden. Het water golfde nauwelijks terwijl ze baantjes trok – haar duiksprong was van een volmaakte elegantie. Ook op het droge verloor ze niets van haar gratie. Zoals ze daar op haar strandstoel lag, een been gestrekt en een lichtjes opgetrokken, leek ze zo weggeplukt van de cover van Sports Illustrated. Een vrouw van net 20, met een lijf met – alle objectiviteit in acht genomen – de welhaast perfecte verhoudingen.Charlotte was het type vrouw dat zich haast ergerlijk bewust was van haar schoonheid. Ze gebruikte die ongegeneerd om van alles van anderen - mannen - gedaan te krijgen. Lander was de eerste die haar langer dan enkele weken de zijne mocht noemen, maar hij was dan ook niet de eerste de beste; hij had het afgetrainde lichaam van een atleet, en op de koop toe ook een flink stel hersens. In enkele jaren tijd had hij zich aan de Antwerpse balie opgeworpen als dé strafpleiter van de volgende generatie. Geen wonder dat Charlotte wel perspectieven in hem zag.Eigenlijk was alles als vanzelf gegaan. Ik had het niet opgezocht, of toch niet echt. Goed, ik was – inderdaad niet geheel toevallig – de badkamer binnengegaan, net toen de douche stopte met lopen. Maar dat was een instinctieve reactie geweest, een ingeving van het moment. Ik beschouwde het als niet meer dan een duwtje in de rug van het lot, een trigger die iets versneld in gang had gezet dat ook anders even goed onvermijdelijk was geweest. Nadien was elke sturing overbodig geweest.Die enkele minuten in de badkamer betekenden voor mij een omwenteling, een Gestaltswitch. Ik had in de tekening waarin ik al die jaren een eend zag plots een konijn ontwaard, en kon me ineens ook niet meer voorstellen dat ik er ooit nog een eend in zou zien. Het werd een vakantie van gestolen momenten, van angst om betrapt te worden en van euforie om niet te betrapt te zijn, van verwarring en tegelijkertijd onmiskenbare helderheid. Alles was anders, en ik wilde nooit meer terug.Weer thuis gingen we gewoon verder, namen lange lunchpauzes waarin niet gegeten werd, brachten elkaar bezoekjes als we wisten dat onze wederhelften niet in de buurt waren. Tijdens het kerstfeest dat we traditioneel met de hele familie in het ouderlijke huis vierden, verdwenen we tussen kalkoen en dessert naar Charlottes tienerkamer. Jarenlang werd ik er, als vriendje van grote zus, angstvallig geweerd. Niets dat er toen op wees dat daar, tussen de posters van boysbands en de pluchen beren, die warme gulzige lippen me naar een schitterende kleine dood zouden leiden, terwijl beneden mijn vrouw geduldig de sterke verhalen van haar nonkels en de klaagzangen van haar tantes doorstond.'Is er iets beter dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon?'.  Zichtbaar voldaan zat mijn schoonvader onderuit gezakt aan de feestdis die hij, de pater familias, de jager voor zijn nageslacht bereid had. Een laatste avondmaal voor deze vakantie, straks vertrokken hij en zijn vrouw weer naar België, 's nachts om de file te vermijden. Een mens zou van minder emotioneel worden. Vader stond op en bracht, met licht trillende stem, een toost uit op zijn grote geluk. Zijn dochters grinnikten om hun vader – je merkte toch dat de man een dagje ouder werd – en gaven hem een knuffel.Picture perfect. Maar niet voor mij. Voor mij stond er te veel volk op het plaatje. Over de tafel heen zocht ik naar de enige ogen die er voor mij nog toe deden. Ik kreeg een schalkse blik terug, maar dat volstond niet. Niet meer. Voor mij was het geen spelletje meer. Ik wilde ervoor gaan, in alle openheid en eerlijkheid. Maar ik wist dat het niet vanzelf zou gaan. Het lot had opnieuw een duwtje nodig, een heel kleintje maar, en daar ging ik voor zorgen. Morgen was het game over.We wuifden pa en ma uit. Eens de Toyota Carina uit het zicht verdwenen was, werden alle remmen losgegooid. Het volume van de muziek ging de hoogte in, in snel tempo werden enkele flessen wijn soldaat gemaakt. Ik zorgde dat de glazen gevuld bleven maar zelf dronk ik hooguit twee glazen. De meisjes wilden dansen. Valerie trok Lander recht; Charlotte drukte zich tegen mij aan, vol overgave en zonder een greintje gêne. Haar been schuurde tegen mijn kruis, ik voelde haar tepels door haar topje heen in mijn borstkas prikken. Bijna raakten onze gezichten elkaar. Ik keek haar recht in de ogen. Zonder knipperen keek ze terug. Zij leidde. Nu nog. Morgen zou het anders zijn, maar daar had ze geen idee van.Middernacht. Tijd voor stap 1.'Lander, wat denk je? Toertje met de mountainbike morgenochtend? Acht uur vertrekken?'Charlotte keek me smalend aan.'Wat is 't, broerke? Moet je je mannelijkheid bewijzen? Wel nog wat vroeg voor een midlife crisis hoor.'Ik negeerde haar, bleef naar haar vriendje kijken: 'Wel? Je ziet het toch wel zitten?'.'Allez, zoet, 't is vakantie, doe niet zo ongezellig, we slapen gewoon uit morgen'.Dat was Valerie. Ze legde sussend een hand op mijn arm. Met een ruk trok ik hem weg.Lander twijfelde. Zomaar weigeren zou hij nooit doen, dat wist ik zeker, hij wilde zich niet laten kennen.'Ja tuurlijk. Maar iets later dan misschien, zo vroeg vertrekken is toch nergens voor nodig?''Halfnegen dan. Anders begint de zon te fel te branden voor we goed en wel vertrokken zijn.''Deal.'In zijn ogen die kwajongensblik.'Ik neem je zo hard te grazen morgen, kerel.'Hufter... we zouden het nog wel eens zien, wie wie te grazen nam.Slapen lukte niet echt, maar daar maakte ik me niet druk om. Geduldig wachtte ik tot de ochtend aanbrak. Om klokslag acht uur schoof ik uit bed. Ik keek naar Valerie. Het was niet meteen een flatterend zicht: ze snurkte, mond halfopen, een sliertje kwijl liep naar haar kussen. Ze was verzonken in een diepe, van alcohol doordrenkte, haast comateuze slaap. De eerste uren kreeg zelfs een aardbeving haar nog niet wakker, daar was ik van overtuigd. Ik boog me naar haar toe en drukte een kus op haar voorhoofd.Ik ging naar de keuken en begon spek met eieren te bakken. Intussen bladerde ik door L'Equipe van eergisteren. Weerom was de trui van Nibali niet in gevaar gekomen.Lander was om halfnegen stipt beneden. Geen seconde te vroeg, ook niet te laat. Ik had niet anders verwacht. Hij werkte in enkele happen zijn omelet naar binnen. Het beest.'Zeg, die meiden zijn nog ver heen hoor. We kunnen net zo goed hier, op ons gemak...'Ik onderbrak hem. Nee, dat konden we niet. Niet vandaag. Not part of the plan.'Eerst fietsen maatje. Laat maar eens zien wat je kan.'Het eerste uur was afzien. Gezien Landers alcoholverbruik van de dag voordien had ik verwacht dat een fikse kater hem parten zou spelen en ik hem makkelijk de baas zou kunnen. Maar hij bewees opnieuw het ongelooflijke recuperatievermogen eigen aan de jeugd en ging als een wildeman tekeer. Zeker toen de weg begon de stijgen zag ik sterretjes. Het was een stevig bergje, niet heel lang maar behoorlijke steil. Ik hield mijn blik strak gericht op Landers benen, die gestaag, soepel en tegen een verschroeiend tempo omwentelingen bleven maken. Zelf reed ik op een veel grotere versnelling, en ik moest uit alle macht op de pedalen stampen om Lander bij te houden. Ik voelde de verzuring toeslaan, mijn kuiten stonden op barsten. De top van het colletje kwam niets te vroeg. Lander hield de benen stil en keek over zijn schouder. Hij stak zijn duim omhoog en nam zijn drinkbus uit zijn houder. Voor mij was dat het sein om al mijn krachten bijeen te rapen. Ik ging op de pedalen staan en met enkele flinke lendenrukken reed ik Lander voorbij. Ik probeerde mijn ademhaling zo goed en zo kwaad als het kon onder controle te houden en terwijl ik passeerde, riep hem toe: 'Je dacht toch niet dat je me kwijt was?'. Dat was het kantelpunt. Vanaf hier nam ik de overhand. Lander mocht dan wel jonger, atletischer en krachtiger zijn dan ik, als het aankwam op stuurvaardigheid was ik zijn meerdere. En vanaf hier kwam het aan op stuurvaardigheid, durf en stuurvaardigheid. Die wetenschap joeg de adrenaline door mijn aderen, en ik sneed vol risico de eerste bochten aan. In de rechte stukken trapte ik nog bij, om de snelheid zo hoog als mogelijk op te drijven. Op geen enkel moment keek ik achterom. Dat was ook niet nodig; Lander was een competitiebeest, een echte winnaar, en ik wist dat hij tot het uiterste zou gaan om me te volgen, net als ik tijdens de beklimming. Ik concentreerde me volledig op de weg, elke inschattingsfout kon hier fatale gevolgen hebben. Een tegenligger trouwens ook, maar hier was haast geen verkeer, en daar rekende ik dan maar op. Toen we bijna weer in de vallei waren, hield ik voor de eerste keer in. Toen ik onder mijn oksel doorkeek, zag ik dat Lander enkele tientallen meters achterop lag. Ik wachtte tot hij nét dicht genoeg kwam om me te horen en riep hem toen toe: 'Bij de volgende bocht gaan wij rechtdoor!'. Rechtdoor, dat was een smal pad dat steil naar beneden het bos in liep.Zonder een antwoord af te wachten stortte ik me naar beneden. 'What the fuck??', hoorde ik Lander roepen, maar onmiddellijk daarna hoorde ik de takjes onder zijn wielen kraken. Hoe verder we het bos in gingen, hoe stiller het achter me werd. Ik wist echter dat hij niet zou opgeven en keek niet meer om tot ik beneden kwam, aan een meertje. Dit was perfect. Hier kwam geen mens, niemand zou ons storen, hier kon je een moord plegen met enkel merels, lijsters en een zeldzame wielewaal als getuige. Ik plantte mijn fiets tegen een boom, en wachtte, de armen gekruist tot Lander ook beneden kwam. Het duurde vijf volle minuten, heel even was daar de twijfel – was hij misschien gevallen, of had hij er dan toch de brui aan gegeven en was hij teruggekeerd?Maar eindelijk was hij daar. Uitgeput liet hij zich vallen. Daar lag hij dan, op zijn rug in het gras naast zijn fiets, ongecontroleerd hijgend, hyperventilerend haast, een vogel voor de kat. Een gevallen Apollo, even goddelijk als hulpeloos. Ik boog me over hem heen. Zijn ribbenkast ging vervaarlijk te keer, hij leek niet meer bij volle bewustzijn. Ik scheurde zijn shirt open om hem lucht te geven. Ik drukte mijn lippen op de zijne en streelde zijn gladde, gepolijste borstkas. Ik trok zijn broek naar beneden, haalde dat zeemvel van tussen zijn kruis, masseerde zijn geteisterde ballen. Hij kreunde. Langzaam kwam hij weer tot leven, mijn atleet, mijn Eros, mijn alles. Weldra zouden we voor altijd samen zijn, zonder verdere bemoeienissen.Ergens rinkelde een gsm. Tegen deze tijd hadden L'Equipe en het fornuis wellicht hun krachten verenigd en de rest van het werk gedaan. Allesverterend.

Lennaert Leo
0 0

Kort verhaal

“Hou het kort”, klinkt het tussen zijn tanden. Ze herkent die toon, heeft ’m al vaker gehoord dan haar lief is. Hij moet intussen weten wat dat timbre met haar doet. Hij moet het al gezien hebben, aan haar handen, die steevast beginnen te trillen bij de aanzet van zijn harde k. Hij moet het al gevoeld hebben, aan de sfeer, die na zijn gebod niet meer te snijden is maar botweg inslaat op al wat nog gezegd en verzwegen wordt. “Hou het kort.” Alsof ze niet weet wat haar te doen staat. Alsof ze een lege doos is, niets meer en misschien wel minder, tot zijn bevel haar inhoud geeft. Zo vol van zichzelf, zoals hij daar zit, met zijn voeten in de lucht en de ellebogen ver uit elkaar, leunend op de steunen van haar beste lederen stoel. Hoe belangrijk waant hij zich wel, dat hij zo tot haar spreekt zonder zich tot haar te richten. Alsof ze niet beseft dat hij allang niet meer komt voor haar en haar schone ogen. Hij kon de zijne nochtans niet van haar afhouden, destijds. Ze herinnert het zich nog goed, die allereerste keer: de deur zwaaide open en ze was verloren. Donder, bliksem en hagelstenen sloegen tegelijk in, voor zover dat kan, langs beide kanten, met een kracht die niet te vatten viel. Ze waren allebei op slag stekeblind, misschien niet van liefde maar op zijn minst van laveloze adoratie. Hoewel ze tijdens hun ontmoetingen nooit echt alleen waren geweest – altijd schuifelde er wel een of ander sujet voorbij – zodra het zwart van hun pupillen versmolt, verschoven de wereld en al wat er los en vast aan zat naar de achtergrond. Keer op keer had hij haar handen verwelkomd op zijn gezicht, als een wees op zoek naar warmte. En elke keer weer zag zij hoe week hij werd, als boenwas tussen haar vingers. Hoe zij ook uithaalde, hij liet het zich welgevallen, doordrongen van het verlangen om het afscheid zo lang mogelijk uit te stellen. Niets kon hem wekken uit zijn hypnotische staat van zijn, alleen de ritmische tikjes van haar vingertoppen op zijn gezicht brachten hem min of meer tot de orde van de dag. Zo was het lange tijd gegaan en hij had van elke minuut genoten. Zij ook, zonder meer. Tot die ene dag, toen ze hem in een moment van onoplettendheid kwetste. Zo diep, dat ze een onuitwisbare indruk achterliet op zijn ziel. Bloed. Zweet. Nog net geen tranen. Toen ging het licht aan en was het uit met de pret. Blinde adoratie werd overbelichte ontreddering en hij trok zich terug, in zichzelf, in paniek, met de vinger op de wonde. Sindsdien heeft ze hem nooit meer gezien, of toch niet echt. Hij is nog wel aanwezig, zit nog wel eens in haar beste lederen stoel, maar hij verwelkomt haar handen niet meer. Nooit voelt hij nog als boenwas tussen haar vingers, hoogstens als een homp klei met een versteende binnenkant. “Hou het kort.” Hij zegt het zonder haar aan te kijken. Is hij bang om andermaal te verdrinken in het zwart van haar ogen? Als de dood om nog dieper gekwetst te worden? Sluit hij zich daarom af voor het voelen en het leven? Het kan haar eerlijk gezegd geen zak schelen. Zonder verpinken zet ze hem het mes op de keel. Hij schrikt en slikt en voelt het vlijmscherpe lemmet meedeinen op zijn adamsappel. De spanning hakt erin en zij begint eraan, vakkundig, met halen van hooguit enkele centimeters. Ze houdt het mes in een hoek van maximaal 30 graden en haalt nog een paar keer uit, op strategische plaatsen, volledig volgens plan. Met verbeten gezicht maar verbazend losse pols doet ze wat moet, voor haar gemoed en zijn geweten. Er komen geen woorden aan te pas, geen blikken en geen blozen, amper een straaltje bloed. En dan is het voorbij. De wereld lost niet langer op in de hitte van hun verlangen, zoals toen, maar kijkt ijskoud toe en draait gewoon door, als een echte aardkloot. Ze neemt een koude handdoek en aluin om het bloed te stelpen. Hij kermt, maar de aftershave maakt veel goed. “Kort genoeg?” klinkt het tussen haar tanden. Hij wrijft met beide handen over zijn gladgeschoren kin en knikt naar zijn spiegelbeeld terwijl hij haar ogen vermijdt: “Net op tijd.”

a little bit of soap
54 1

De minnaar

Hij had het al zo vreemd gevonden dat ze plots weer contact met hem zocht. Twee jaar gaapten tussen hun laatste ontmoeting en hun afspraak nu. Toen waren ze netjes opgekleed en droegen ze een uit Engeland overgewaaid hoofddeksel voor afgestudeerden. De foto die die avond genomen was van de hele groep, hing lekker ouderwets afgedrukt op glanzend papier in zijn kamer aan de muur, om even of langer een blik op te werpen als hij zuchtend en vloekend naar een studieboek of een taak zat te staren. Natuurlijk was de hele groep overbodig op die foto, alleen zij trok keer op keer zijn aandacht. Waarom ze juist nu een bericht naar hem had gestuurd, zou wel duidelijk worden, besloot hij toen hij voor de spiegel de kraag van zijn hemd rechtzette. Na hun afstuderen had hij zijn vergeefse pogingen om met haar af te spreken nog even voortgezet. Die verliepen volgens het vaste scenario: elke keer was haar reactie heel enthousiast, tot hij enkele data voorstelde. Dan bleek ze opeens nooit te kunnen. Maar het zou er nog wel van komen, hoor. Uiteraard was hij te vroeg op de plaats van afspraak. Elke halve minuut keek hij op zijn horloge en zag massa’s mensen voorbijkomen. Zij was er niet bij. Stipt vijf minuten na het afgesproken tijdstip kwam ze daar aangestapt. Nog steeds even gracieus, een sigaret tussen haar vingers als een dwaallichtje in de nacht. Ze haalde haar vrije hand even nonchalant door haar krullende haren voor hij haar zonder woorden op haar wang kuste. Ze namen plaats aan een tafel waarop een inspiratieloze kelner net een kaarsje had geplaatst waarvan de vlam bij elke windvlaag opflakkerde en dreigde te doven. Nog altijd had ze geen woord gezegd. Hij probeerde het gesprek op gang te brengen. Nochtans was zij nu de vragende partij geweest, die maar bleef aandringen om eens samen iets te gaan drinken. Tijdens hun schooljaren was zij het geweest die vertelde en hij die luisterde. Gesprekken die hem hoop gaven: dat ze hem uitkoos als vertrouwenspersoon om al haar kleine en minder kleine zorgen bij te ventileren, betekende misschien wel dat ze iets meer voor hem voelde. Als een geduldige geliefde had hij dus al die jaren gewacht. Zelfs nu was hij nog altijd even geduldig, ook al bloedde elk onderwerp dat hij aansneed dood. Dan keek zij plots weg, staarde in de verte of antwoordde gewoon niet op zijn vraag. Stil vergezelde hij haar door de schaars verlichte straten naar de parkeergarage aan de rand van de stad waar haar auto stond. Vlak voor ze wilde instappen om weer naar huis te rijden, zoende ze hem vol op de lippen. ‘Ik dacht dat je een relatie had?’ Ze knikte kort. ‘Dan begrijp ik je nog minder.’ Ze zuchtte en keek hem aan met doffe ogen, alsof haar relatie te saai was voor woorden. Hij probeerde zich een beeld te vormen van haar vriend, gebaseerd op alle foto’s die hij gezien had waarop zij met haar geliefde pronkte. ‘Zet er dan een punt achter.’ Ze streek met haar zachte hand over zijn slordig geschoren kin. De parkeergarage was verlaten, het enige geluid dat ze hoorden was het gezoem van de schaarse lampen. Opnieuw zoende ze hem, minutenlang. Toen ze wat later uit het zicht verdween met haar autootje, bleef hij nog lang tegen het muurtje leunen in de doodstille parkeergarage, starend naar de betonnen vloer, denkend aan al die pogingen die hij toen had ondernomen om haar geliefde te worden. Nu was hij haar minnaar.

Felix Sandon
0 0

Het sprookje van de Slapende Tiran

Er was eens lang, lang, héél lang geleden, echt al zo lang geleden dat niemand nog wist hoelang geleden het nu precies was. Nu ja, veel doet het er eigenlijk niet toe. Maar laten we voor de historische correctheid van dit verzonnen verhaal ervan uitgaan dat het zich afspeelde na de tijd dat de dieren konden praten en voor de tijd dat robots de wereld overnamen. Met die tijdsperiode in het achterhoofd was er eens heel lang geleden en hier heel ver vandaan ... Hoe ver precies is moeilijk te achterhalen, alle relevante geografische informatie is verloren gegaan tijdens de grote, fictieve bibliotheekbrand. Wel speelt het zich met quasi zekerheid af op onze planeet, of op zijn minst in ons zonnestelsel, enfin toch zeker in onze melkweg. Dus, er was eens relatief lang geleden en hier betrekkelijk ver vandaan een klein, naamloos en voor de rest totaal onbelangrijk koninkrijkje. Het was er vaak koud, vooral in de winter. In de zomer daarentegen, was het er doorgaans warm - omdat de zon dan dikwijls scheen. Het regende er ook regelmatig, dat kon echt van alles zijn: kleine miezerige druppels, van die grote spetters die in kleine spatjes op de grond uit elkaar spatten, reusachtige ijsbollen, pijpenstelen, bakstenen en oude wijven. Sommige dagen van het jaar kon het er enorm hard waaien. Op andere dagen waaide het dan weer matig tot vrij krachtig uit noordoostzuidwestelijke richting en op nog andere was er soms helemaal geen wind. Dit op het eerste gezicht alledaags en zelfs doordeweeks koninkrijk stond onder het alslapend oog van een tirannieke dictator, bijgenaamd de Slapende Tiran. De Slapende Tiran was een arrogante, egoïstische, luie, machtsgeile, niet al te snuggere, onhygiënische, sadistische stinkerd. Hij had dan ook een broertje dood aan hygiëne - maar dit terzijde, dit speelde zich af lang voor de gebeurtenissen van dit verhaal. De autoritaire alleenheerser heeft altijd gevonden dat persoonlijke lichaamsverzorging iets is voor het gepeupel, niet voor zij die blauw bloed door hun aderen hebben stromen. Uit al zijn lichaamsopeningen walmde een stank die, volgens bepaalde verloren gegane bronnen uit die tijd, onmenselijk was. De voltallige populatie was het erover eens dat ze liever dagenlang vastzitten middenin een enorme berg verse mest onder een verschroeiend hete zon, dan ook maar enkele seconden blootgesteld moeten worden aan zijn persoonlijk aroma. Het was niet alleen zijn onevenaarbare lichaamsgeur die een onvergetelijke indruk naliet. Zijn scheten stonken zodanig dat de omringende rijken geïnvesteerd hadden in reusachtige geurfilters. Daarnaast was hij minstens even berucht om zijn boeren die ze twee koninkrijken en één keizerrijk verder konden horen en ruiken. Die hadden het koninkrijk (lees: de bevolking) al talloze boetes wegens geluidsoverlast en geurhinder gekost. Niet alleen de buurlanden hadden al geruime tijd problemen met hem, ook zijn eigen familie is niet gespaard gebleven van door hem veroorzaakte tragedies. Zijn eigen broertje, zoals eerder vermeld, kon die stank niet meer aan en stierf ten langen leste van pure walging. Zijn oudere zus - en troonopvolger - had hij laten vermoorden, nadat hij eerder zelf een paar onsuccesvolle pogingen had ondernomen. Zijn moeder, de koningin, had hem daarom - dat wordt tenminste vermoed - uit het koninkrijk verbannen. In zijn afwezigheid floreerde het koninkrijk als nooit tevoren. Er heerste vrede, voorspoed en bovenal, mensen waren gelukkig. Maar een oude wijsheid hing in dat koninkrijk als het zwaard van Damocles boven de hoofden van de bevolking: ‘Mooie liedjes duren niet lang’. En zoals algemeen bekend is, bevatten oude wijsheden vaak een grote kern van waarheid, anders waren het vergeten verzinsels of fictieve fabeltjes. Ook hier is het niet anders. Net op het moment dat iedereen vergeten was dat hij bestond, dook hij zomaar uit het niets terug op. En niet op kousenvoeten langs de achterdeur, maar in vol ornaat langs de grote stadspoort. Ondanks een hevig stil protest van de bevolking, verwelkomde de koningin hem met open armen en een volledig aan hem opgedragen eetfestijn. Net als elke moeder zat ze vol naïeve goedgelovigheid over de bedoelingen van haar zoon en wou ze hem een tweede kans geven. Het overgrote deel van de bevolking had geen enkel probleem met tweede kansen, zelfs zeven maal zeventig maal indien nodig, maar die had hij lang geleden al opgebruikt. Volgens de laatste berekening stond de teller op tweeduizend driehonderdvijfennegentig. Maar uit respect voor de koningin - of was het uit pure lamlendige luiheid? - besloten ze hem een tweeduizend driehonderdzesennegentigste kans te geven. Misschien dat het nog wel zou meevallen, dachten ze, hoopten ze. Wel, dat viel dik tegen: hij eigende zich het paleis toe, stootte zijn moeder met een dikke, houten stok van de troon en ontsloeg iedereen die er werkte. Zijn moeder degradeerde hij tot hoofd van de huishouding, wat er in de praktijk op neerkwam dat ze zijn was en plas moest doen, koken, het hele paleis inclusief de kasteeltuin onderhouden, … en dit alles onbetaald, zodat hij de hele dag kon doen waar hij echt goed in was: in zijn bed liggen stinken en snurken. Zijn paleis liet hij bewaken door een reusachtige, vliegende, vuurspuwende draak. Dit was gemakkelijker, productiever en vooral goedkoper dan eender welk leger. Tijdens de regeerperiode van de Slapende Tiran werden rechten vervangen door plichten, mensen onderdrukt en iedereen leefde in constante angst. De meesten onder hen waren enorm verzwakt door ondervoeding. De bevolking hield nauwelijks genoeg over om hun eigen gezinnen te voeden. Vier vijfden van hun oogst moesten ze afgegeven als voedsel voor de draak. Weigerden ze, dan kwam het vuurspuwende monster persoonlijk langs en zette hun huizen in vuur en vlam. Maar ergens in dat koninkrijk was er een kleine groep moedige verzetsstrijders die het vertikten om zich neer te leggen bij het dictatoriale bewind van die tirannieke despoot. Ze spraken af in verlaten huizen of in afgelegen grotten diep in het bos. Die keer die belangrijk is voor ons verhaal, ontmoetten ze elkaar in een klein hutje ergens in het midden van een groot, dicht bebost woud aan de rand van het koninkrijk. Omdat de samenzweerders liever anoniem wilden blijven, hadden ze allemaal hun kap diep over hun hoofd getrokken, behalve één, hij was zijn mantel vergeten. Om toch onherkenbaar te zijn had hij een lap stof toegenaaid, er drie gaten in geknipt en die op zijn hoofd gezet. Om onnodige complexiteit te vermijden, noem ik hen Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina. Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina zaten aan een klein, rond houten tafeltje in het schijnsel van vijf dikke kaarsen. Anna-Helena-Jozefina, de secretaris van het genootschap, haalde perkament, een ganzenveer en een inktpotje boven en plaatste dit alles nauwkeurig voor haar op tafel. De geheime vergadering kon beginnen, ze waren er helemaal klaar voor.  "Waar waren we gekomen?" vroeg andere Jos aan zijn collega-samenzweerders. Alle hoofden draaiden in de richting van Anna-Helena-Jozefina. Ze rolde het perkament open en las het twee volle seconden zorgvuldig door. "We hadden een naam gekozen", zei ze. "Juist, ja", zei Ludovic. "De Complotterende Conspiratoren." "Ligt dat er niet wat dik op?" vroeg Jos. Iedereen aan tafel zuchtte. "Niet opnieuw, hé," verzuchtte Marie, "die discussie hebben we vorige keer al gevoerd. En afgesloten." "We noemen onszelf niet De Koene Kanaries", zei Perafina. "Wat is daar mis mee?" vroeg Jos. Het klinkt goed en het is grappig?" "Het is niet grappig," zei Ludovic, "maar belachelijk." "En De Complotterende Conspiratoren niet?" "Het vat goed samen wie we zijn en wat we doen." "Iets té goed, volgens mij." Anna-Helena-Jozefina slaakte een diepe zucht. "Wat denken jullie dan van De Complotterende Kanaries? Het vertelt wat we doen, maar het blijft luchtig." De anderen haalden hun schouders op. "Dat is dan geregeld", zei ze en paste het officiële document aan. "Oké, het volgende punt op de agenda is …" "Een naam bedenken," onderbrak Jos haar, "voor het plan." "Zouden we dan niet eerst een plan bedenken?" opperde Perafina. "Als je het per se zo wilt doen", mompelde Jos. Hij kruiste zijn armen en leunde naar achteren. "Iemand een idee?" vroeg Anna-Helena-Jozefina en keek iedereen één voor één aan, Jos had zijn blik afgewend en staarde vol geveinsde interesse naar het plafond. "We ontvoeren hem." "Hoe raken we ongezien het kasteel binnen?" "We graven een tunnel." "Dat duurt eeuwen. En hoe wil je dat ongezien doen? Een berg aarde die er vroeger niet was, valt wel wat op, niet?" "Hij komt niet buiten. Hij zou het nooit merken." "Maar die draak wel. Ze roostert ons levend." "Dan graven we nog een put. We kunnen daar de aarde in gooien." "Briljant", reageerde Jos die zich tot dan toe afzijdig had gehouden. "En waar blijven we dan met de aarde van die tweede put? Wacht, niets zeggen, laat me raden, dan graven we nog een put", voegde hij er sarcastisch aan toe. "Ah, niet aan gedacht", zei Ludovic. "Rustig, rustig, allemaal", zei Anna-Helena-Jozefina. "Dit is zinloos. Zo komen we nergens. Laten we beginnen bij het begin." De hele nacht vergaderden ze verder. Op het einde hadden ze zo goed als iets dat in de verste verte enigszins ietwat op een plan leek. Jos en Anna-Helena-Jozefina zouden de draak afleiden en vangen. De vier anderen zouden het kasteel binnendringen, de dictatoriale dwingeland overmeesteren en de grens overbrengen om hem daar ergens vast te binden. Het moment van actie was eindelijk aangebroken. Hier hadden ze lang naar uitgekeken. Om de tijd tussen het bedenken en het uitvoeren ervan te doden, correspondeerden ze in geheimzinnige codetaal over een gepaste naam voor het plan, daar waren ze tijdens de vergadering nog niet aan toegekomen. Na veel heen en weer gediscussieer kozen ze voor 'De Ontvoering Van Een Notoir Ellendige Tiran En Luiwammes' ofwel ‘Plan DOVENETEL’. Nachtenlang hadden ze met z’n allen lakens verzameld, de kostuums gemaakt en kilo's en kilo's koekjes gebakken. Iedereen was uitgeput. Marie had daarom voorgesteld alles uit te stellen, maar daar wilden de anderen niets van weten. Die nacht was het ideale moment en anders moesten ze al die zelfgebakken koekjes weggooien. Om welke dag het precies gaat, is doorheen de tijd onduidelijk geworden. Laat ons er gemakshalve van uitgaan dat het een woensdag was. Woensdagen zijn nu eenmaal mooie dagen om een coup te plegen. Dus, die woensdagnacht was heel het koninkrijk verzonken in een diepe slaap, of toch bijna heel het koninkrijk. Onze zes helden natuurlijk niet, anders zou het hier al gedaan zijn en wie wil er nu een verhaal met een anticlimax? In de hoogste torenkamer van het paleis sliep de ex-koningin, dus zolang onze heldhaftige opstandelingen niet te veel lawaai maakten, vormde zij geen enkel obstakel. De tiran zelf sliep helemaal alleen in een kingsize bed in het midden van de troonzaal. Terwijl Jos en Anna-Helena-Jozefina de draak afleidden, drongen de vier anderen het kasteel binnen. Daar lag hij, zoals verwacht, te snurken in zijn bed. Hun adem stokte in hun keel, hij was nog afstotelijker dan ze zich herinnerden. Zijn haar hing in vettige slierten langs zijn gezicht dat vol stond met etterige puisten die eruitzagen alsof ze ieder moment konden ontploffen. Zijn tanden, of wat ervan overschoot, hadden een vieze geelbruine kleur. Zijn eetpatroon van het voorbije decennium kon via de etensrestjes tussen zijn tanden, volledig gereconstrueerd worden. Maar het ergste was die stank, die niet te harden, zurige, penetrante geur die het hele kasteel vervulde. Ze haalden een mondmasker boven en bonden die voor hun neus. Dit hielp echter voor geen meter. De Slapende Tiran had helemaal niets gemerkt, hij ronkte gewoon verder. Ze slopen naar hem toe en verdoofden hem met, waarschijnlijk, iets verdovends. Zijn armen en benen bonden ze vast. Ze wikkelden hem in een honderdtal dekens die ze hadden meegenomen (in de hoop de stank wat te dempen), maar niet alvorens ze dikke handschoenen hadden aangetrokken (je kan niet voorzichtig genoeg zijn). Samen met de intussen gevangengenomen draak sleepten ze hem de grens over, diep het bos in. Hoe de draak precies gevangen werd, zou ons veel te ver leiden (maar met deze trefwoorden kun je het verhaal voor jezelf reconstrueren: drakenkostuums - afleidingsmanoeuvre – twintig kilo verdovende koekjes – een vlindernetje – driemaal nationaal lassokampioene). Ze bonden hen vast aan de grootste en dikste boom die er te vinden was. Perafina en Ludovic waren ooit nog bij de scouts geweest en wisten dus alles van knopen leggen. De Complotterende Kanaries highfiveden elkaar enthousiast om het succes van 'Plan DOVENETEL' te vieren. Ze zwaaiden als afscheid een laatste maal naar de nog steeds in lakens gehulde, slapende Slapende Tiran en de grollende, rookuitblazende draak en huppelden arm-in-arm gelukkig en opgelucht terug naar huis. Eind goed, al goed en iedereen leefde nog lang en gelukkig. Oh, excuseer me, dit is het foute einde. Dit is de afloop van een ander verhaal, eentje waarvan ik nu even niet op de titel kan komen. Deze eindigt ietsjes anders. Na een paar dagen - twee om precies te zijn - wist de draak zich uiteindelijk te bevrijden. Volledig uitgehongerd at ze de koning, met lakens en al, op, vloog terug naar het koninkrijk, maar werd onderweg misselijk en spuwde alles onder. Het hele rijk werd bedolven onder drakenkots. Sommigen verdronken, anderen stikten erin. Niemand overleefde het. Iedereen was bijgevolg dood. Of toch bijna iedereen. De draak leefde gelukkig nog. En enkele vogeltjes, allez toch dat ene die in de lucht vloog tijdens de braakselvloedgolf. De draak en het vogeltje leefden nog lang - voor zover dat mogelijk is volgens hun natuurlijk levensverwachtingspatroon uiteraard - en gelukkig ... Daar ga ik tenminste van uit, want eigenlijk weet ik niet of draken en vogels daartoe in staat zijn. Nu ja, voor dit verhaal doet het er niet echt meer toe. De draak en het vogeltje kregen vele kindjes (hoe die eruit zagen wil ik me liever niet voorstellen), ze leefden ongeveer vijf procent langer dan hun voorspelde, gemiddelde levensduur en waren, voor zover men weet, gelukkig. Zo eindigt alles dan toch nog goed.

Jenna
0 0

Vrouw zakt door perron

De scherpe pijn in haar staartbeen verdringt gedurende een paar seconden alles. Ava houdt haar rechterhand in een kom rond de plek van waaruit de pijn haar hele lichaam rondstraalt en pas als ze de hevigheid voelt afnemen, ziet ze zichzelf in een halfdonkere ruimte zitten en komt de angst opzetten.   Ze voelt aan de wand, het is vochtige aarde, en ze kijkt in de grote opening boven haar hoofd waardoor het vroege ochtendlicht naar binnen valt.   Het duurt niet lang eer ze zich herinnert dat ze even ervoor op het perron stond en heen en weer wandelde omdat het fris was en de trein naar Kortrijk op zich liet wachten. Dan waren de betontegels onder haar voeten weggeschoven. Ze was letterlijk in de grond gezakt.   De put is diep en wijd. Ava begrijpt niets van zoveel ruimte onder de grond en doet ook verder geen moeite om te begrijpen. Ze probeert te denken aan iets dat haar hieruit kan helpen. Ze vraagt zich af of ze iemand gezien heeft op een van de andere perrons en –nog belangrijker- of iemand haar gezien heeft.   Dan komt de angst opnieuw, nu snel en onbeheerst en ze begint te roepen. Het geluid van haar stem wordt gedempt door de zachte wanden. Ze probeert het nog eens en wat harder en ze denkt aan akelige dromen waarin ze om hulp roept, maar geen geluid uit haar keel krijgt. Meestal werd ze dan wakker geschud door Myriam want die hoorde haar wel kreunen. Myriam. Gek dat ze er nu pas aan denkt dat ze iemand kan bellen.   Maar moet het Myriam zijn? Hoe moet ze uitleggen wat ze om zes uur ’s morgens in het station van Mechelen doet? Wat kan Myriam doen behalve de hulpdiensten bellen? Zou ze zich naar hier haasten? Kan ze niet beter zelf de politie bellen? Wat is het nummer? 100? 101?   Ze vindt haar mobiele telefoon onderaan in haar tas en haalt hem bevend boven. Net als ze het met nummer 100 wil proberen, hoort ze een stem. Als ze naar boven kijkt, ziet ze een hoofd over de rand hangen. De man is blijkbaar op zijn buik gaan liggen.   ‘Is daar iemand?’ vraagt hij overbodig, want er is nu al zoveel licht dat hij haar wel moet zien zitten. ‘Ja ja’, roept Ava beverig. Ze voelt plots tranen en snot en ze zoekt naar een zakdoek terwijl ze ‘Ja ja, help mij’ blijft herhalen.   Er komt een tweede hoofd bij. ‘Bent u gewond?’ vraagt hij.   ‘Ja, nee, een beetje,’ roept Ava terug. Ze tast naar haar staartbeen en voelt dan pas de pijn in haar pols en iets prikken aan haar oor en haar lip. Er komen donkere vlekken op haar zakdoek.   Ze dringt nieuwe tranen terug, ze slikt en slikt en dwingt zichzelf tot een droog gesprek met de mannen die haar kunnen redden.   ‘Bent u van het station?’ vraagt ze. ‘Bent u gekwetst?’ vraagt de man opnieuw. Hun vragen overstemmen elkaar.   Het is lastig naar boven kijken, ze houdt haar hoofd een paar tellen naar beneden. Als ze weer naar boven kijkt, hangt er een derde hoofd over de rand.   Het is een vrouw. ‘Mevrouw,' zegt ze ‘er is hulp op komst.’ ‘Bent u gekwetst? Hebt u pijn? Waar hebt u pijn?’   Antwoorden kost moeite. ‘Mijn rug, onderaan, en mijn pols.’   ‘Kunt u rechtstaan?’   Ava schudt het hoofd. Ze wil het niet eens proberen.   De twee andere hoofden verdwijnen.   ‘Er is hulp onderweg,’ zegt het vrouwenhoofd weer. Dan verdwijnt ze ook.   Het geluid van de ambulance lijkt nog ver weg als het al stopt. Na een tijdje komen nieuwe hoofden kijken.   ‘Te diep en te gevaarlijk,’ zegt het ene hoofd, ‘bel het klimteam.’   ‘Mevrouw, er is hulp op komst, 'roept de man nu ook weer naar beneden, ‘wij kunnen u hier niet uithalen, het klimteam is opgeroepen.’   Het is wachten, de pijn in haar rug die minder hevig is, en de pijn in haar pols verdragen. Wachten en op de tanden bijten, en proberen om wat comfortabeler te gaan zitten.   Dan komt de vraag weer op of ze Myriam zal bellen. Ze tikt het nummer in, maar bedenkt zich.   Myriam zal de brief pas vanavond vinden. Ze kan net zo goed niets doen en de dingen laten verlopen zoals ze gepland waren. Met vertraging, want ze had nu op de trein moeten zitten, al uren ver verwijderd van het leven met Myriam.   Ze had een Noord-Franse stad op het oog, Lille of misschien Rouen. Ze zou er een paar dagen op hotel gaan en er werk zoeken. Vandaag zal het niet meer lukken. Ze zullen haar naar een ziekenhuis brengen. Ava ziet zichzelf al in een wit bed liggen. Het Sint-Maartenziekenhuis is het dichtste bij.   Als zij Myriam niet belt, zou ze het op een andere manier te weten komen?   ***   In het ziekenhuis vragen ze voor de derde keer of ze iemand moeten bellen.   ‘Nee, nee, alstublieft niet.’   Het is allemaal niet zo erg. Een gekneusd staartbeen, een verstuikte pols, hechtingen in haar lip, haar wenkbrauw en haar oor. Voor de zekerheid kan ze beter een nachtje blijven.   De pijn is te verdragen, alles is gezalfd, omzwachteld, gehecht of bepleisterd. Het bed ligt fijn, er brandt licht op de gang, de belknop is binnen bereik.   Slapen is alles wat ze kan en wil doen. Slapen.   En morgen vertrekt ze gewoon opnieuw. De grootste hindernis, heeft ze gehad. (Naar een bericht in De Standaard op 26/08/2014)

Christine Van den Hove
19 2

De begraven trofee

In zijn burcht aan de rivier liep de graaf druk gebarend door de grote zaal, met in zijn kielzog een minder fraai geklede man. ‘En dit is de mooiste trofee aan mijn muur. Prachtig, niet? De laatste eenhoorn. Afgemaakt met een schot in het hart. Gevaarlijke beesten, hoor! Ik hield me op in het struikgewas, en besloop het rustig, maar plots, alsof het een kwelgeest had gezien, stevende het op me af. Maar zoals u ziet, heb ik gelukkig de nodige ervaring om een dergelijk gevaar met efficiëntie af te handelen.’ De graaf likte zijn lippen. De man aan wie deze jachttrofee getoond werd, zei: ‘Meneer de graaf is een ervaren schutter, en het ontgaat me dan ook waarom hij de hulp inroept van een jager als ik?’ ‘Heer jager, een man van mijn statuut kent vele verzoeken. Ik vraag u niet een dier te schieten, maar eerder doe ik beroep op uw diensten van… hoe u dat ook noemt, magiebehoud?’ ‘Bedoelt u dat we de magische krachten van een natuurgebied onderhouden?’ ‘Exact! Er is maar één bos in mijn graafschap waar de zeer zeldzame en waardevolle Pixivium Magillus -of in de volksmond Levensbes- kan groeien. Die bes is u welbekend neem ik aan?’ ‘De Levensbes.’ prevelde de jager vol ontzag, ‘Die ken ik enkel uit een kindervers: Eet Levensbes bij volle mane, dat uw leven trager tane. Lijck de mannekes van bos en aarde, met dyzend jare lange baarde. Maar opgepast, zijt hen geen last, of…’ De graaf onderbrak hem. ‘Een kindervers, maar naburige baronnen en hertogen zijn in een wedloop om de bes in grote getale te kweken, want allen willen zij net als ik, hun leven verlengen. Maar de geschikte grond is schaars, en zoals zowel de naam van de bes als het vers ons vertelt, wordt die grond meestal bewoond door wezens die sommigen kabouters noemen maar eigenlijk regelrechte kwelgeesten zijn. Er wordt gezegd dat zij hun toverkracht geven aan de grond zodat de Levensbes kan groeien, maar tegelijkertijd bouwen zij die vruchtbare grond vol en is er geen ruimte meer voor bessenstruiken… dus… Heer jager, ik wil de zeldzame Levensbes laten bloeien in onze streek en verzoek daarom dat u het bos van Kyrie ontruimt van kwelgeesten.’ De jager sperde zijn ogen in ongeloof. ‘Meneer de graaf, het bos van Kyrie bevat de oudst gekende nederzettingen van het kaboutervolk. Zonder dat bos…’ ‘Uw bezwaren zijn eervol, maar acht u het welzijn van uw familie niet even belangrijk? Het hele bos vol bessen, meer dan een graaf kan wensen. Ik zou delen met de mensen die me hielpen, heer jager.’ ‘Maar de magie in de grond… zal de magie niet verdwijnen zonder kabouters?’ ‘Als dat het geval is vinden we dan wel weer een oplossing. Wat we weten van de kwelgeesten die u kabouters noemt, is dat één, ze toverkracht bezitten, en twee, ze zich onzichtbaar kunnen maken voor mensen, en dan vooral voor mensen die met minder goede bedoelingen hun grond betreden. Daarom dat ik een man met een goed hart vraag de klus te klaren.’ De graaf nam de jager mee naar een andere kamer, en toen ze voorbij een grote lege muur liepen zei hij: ‘Aan die muur wil ik zo snel mogelijk een grimbeer hebben hangen.’ Hij grinnikte. ‘Toen ik diezelfde zin zei tegen de gravin dacht ze dat ik een schilderij wilde kopen.’ De graaf haalde uit een verborgen kast een loden kist, en toen hij die opendeed werd de hele kamer gehuld in een gouden sprankelgloed. ‘Dit, heer jager, is waar het om gaat, de zaden van de Levensbes.’ De jager mocht de kist even in zijn handen nemen en werd bevangen door de magische gloed. De graaf nam de kist meteen terug en klapte het deksel dicht. ‘Wat… wilt u dan doen, meneer de graaf?’ De graaf stapte naar een raam en keek naar de rivier die langs de burcht liep. ‘Mijn vriend de baron van Westland kwam tot een akkoord met de kwelgeesten van zijn land. De bessen zouden over de nederzettingen groeien en zouden ook verzorgd en geplukt worden door de plaatselijke kwelgeesten… maar de eerste volle maan brak aan, en de baron wilde zijn oogst, maar de kwelgeesten hielden alles voor zich en werden sterker en sterker met het eten van de bessen. Het kostte de baron uiteindelijk het leven van honderden ridders en soldaten voordat hij uiteindelijk het hele bos liet platbranden en omwoelen. Maar dat omwoelen kost tijd, en rendement.’ De jager schuifelde ongemakkelijk. ‘Meneer de graaf, als u me het toelaat te zeggen, mijn vrouw kent, net als vele andere dorpelingen, kabouters uit dat bos. Ze helpen ons, en doen ons nooit kwaad.’ ‘En met een bos vol Levensbessen in dit graafschap zullen de dorpelingen langer leven, nooit meer honger lijden en gelukkiger zijn. En bent u ooit al een kwelgeest tegengekomen die niets vroeg in ruil voor zijn dienst? Wel, de Levensbes groeit en blijft groeien, het hele jaar lang, in dienst van de mens.’ De jager dacht aan de kinderen die hij had zien teloorgaan aan de honger, en aan zijn zwangere vrouw, en met pijn in het hart, bood hij zijn diensten aan. Hij zou eerst vallen moeten zetten, om de vluchtende kwelgeesten te grijpen. Ze moesten allemaal dood, want het waren beesten die altijd weer hun weg naar hun eerste huis terug zochten, ook al werden ze aan de andere kant van de wereld gezet. Dan het bos in gaan, en de truffelzwijnen loslaten op de paddestoelenpest, want voor zwijnen waren de kwelgeesten niet onzichtbaar. En alles wat zichtbaar uit de huisjes kwam: afschieten, maar niet in het hoofd, want de pinnemutsen moest de jager bijhouden. Trofee en speelgoed voor de dochter van de graaf. Zwaar beladen met een gruwelijke opdracht ging de jager naar huis. En zijn gemoed woog zo door dat geen enkele rimpel in zijn gezicht nog kon lachen. Met verstomde blik kwam hij het huis binnen. Meteen vroeg zijn vrouw hem wat er mis was, en wenend biechtte hij alles op. En ze smeekte hem, om de opdracht niet uit te voeren. ‘Mannetje,’ zei ze met zijn koosnaam, ‘schiet niet op alles wat beweegt. Wat hebben die kabouters jou kwaad gedaan?’ ‘Als zij weg zijn, zullen wij en onze kinderen gezond zijn.’ ‘Er gaat niets veranderen, mannetje, doe de graaf een plezier en hij vraagt er geld voor. Ziekte en dood kunnen niet worden overwonnen met een magische bes. Ellende en wreedheid komen dra in de plaats.’ De dag daarop ging de vrouw naar het bos van Kyrie om de kabouters te waarschuwen zodat zij een verdediging konden bouwen. Zij bedankten haar vurig en gingen meteen aan het werk. Een week later werd de jager terug ontboden bij de graaf. Hij werd ontvangen in dezelfde zaal waar hij de eerste keer werd onthaald, en werd meteen geleid naar de nieuwste aanwinst van de graaf: het hoofd van een zeldzaam dier dat nu een muur als lichaam had. ‘Vertel me, jager, is het bos ontdaan van de paddestoelenpest?’ ‘Geen stip meer te bekennen, meneer de graaf,’ zei de jager zenuwachtig. De graaf kwam wat dichter tegen de jager staan en onderzocht diens gezicht. ‘Er is iets met jou, jager, ik weet niet juist wat, maar soms denk ik dat ik je niet kan vertrouwen.’ Plots draaide de graaf zich om en riep met een bulderende stem: ‘Zadel mijn paard!’ En wendde zich dan tot de jager: ‘Ik ga het bos controleren, en jij komt mee.’ De graaf en de jager kwamen aan het bos van Kyrie, en gingen te voet verder door de dichte begroeiing. Na een tijdje merkte de graaf tevreden op dat er nog geen zicht was van kwelgeesten of hun nederzettingen. Ze waren nu diep in het bos toen plots de jager wees naar een grote bruine gestalte in de verte. ‘Meneer de graaf, ginds, een grimbeer!’ De graaf zei opgewonden maar ingehouden stil: ‘Is het er een? Die heb ik nog nooit geschoten! En ik die dacht dat mijn vriend de baron de laatste had! Wees stil, jager. We sluipen dichterbij, want hij staat nog zo ver dat ik hem niet goed zie.’ De beide mannen kropen voorzichtig door het struikgewas en beslopen de grimbeer. En terwijl de graaf zijn zinnen zette op het hoofd van een nieuwe prooi, beslopen wel duizenden kwelgeesten gevoelloos zijn lijf. De graaf siste nog, ‘Ik zie hem niet meer, ben je zeker dat het geen boom is?’ Maar zijn graat van rug tot nek krioelde al van de naderende dood en duizenden prikken later, lag de graaf met open ogen stil op zijn buik in het bos van Kyrie, en daar zou de grond hem ook verteren. Met hoofd en al, want de trofeeën van een kwelgeest hangen niet pronkend aan een muur. Zij rotten in de grond en vergaan in het niets.                

Han Hartmoed
0 0

Sinds Birte

Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes witbrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.             Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?                         Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.               ‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.             Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.             Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.               Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.               In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.             ‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.             ‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’               Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.                    ‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.               Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.             ‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’             ‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.             Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.               Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.               ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.             ‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.             ‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’             ‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.             ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.               Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.               Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.             Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.             ‘Waren jullie ... was zij je vriendin? Ik bedoel ...’             Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.             ‘We waren getrouwd,’ zeg ik.             Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.             ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.             ‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man ...’             ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.               Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?               Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.             ‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’             Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.               Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.             ‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’             ‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’             Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.             ‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’                 Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.             ‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’               Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.               Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.             ‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.             We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.             ‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.   ***               Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.               Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.   ***               Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’               ‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.             ‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.               ‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.               ‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?               Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.               ‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.   ***               Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.             ‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’             We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.   ***   Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.   De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.              

Christine Van den Hove
14 0