Zoeken

De Koenemansprong

‘Zo lag ik in mijn bed over hem te denken, en ik trachtte mij zijn intieme leven, zijn kamerbestaan, dat wij niet kenden, zijn zwerftochten, die wij niet meemaakten, voor ogen te stellen. En onderwijl was ik eigenlijk helemaal vergeten, dat hij dicht bij mij was.’ 'Twee proeven genomen op Jos van der Haerden' (F. Bordewijk) Zeker! Wij, mak tot bed veroordeelde fenomenen, ondergingen lijdzaam 't avondlijk Bezoek en het ermee gepaard gaande ritueel van de Sprong. Doch, waren we anders beter af geweest? Zonder de Sprong was er in dat duffe slaaphol van ons toch maar doorgeslapen als voorheen. Op 't moment dat deze dan had kunnen plaatsvinden, zouden we slechts voor de zoveelste keer der lopende dag snurkerig de lijven gewenteld hebben onder de dekens. Het moe zijn van het moe zijn. De lamme slaap van 't overdag, 't zonlicht geweerd door zware donkere gordijnen, overgaand in die van de avond en de nacht … Louter voor de vorm tiktakten de wekkertjes op onze nachtkastjes dol door, want onze levensdagen waren absoluut leeg. Er lag niks in 't verschiet. Niks stond er ons te wachten of gebeuren. We lagen in onze beddenbakken naast elkaar maar wat onfris achterover te liggen … Ja, een end weg te suffen lagen we, draaiend en kerend van de ene zij op de andere en weer terug en zo moesten we af en toe wel 'n paar tellen uitkijken op het lege, willoze, nietszeggende gelaat van de Ander. De slaap van de nacht diende slechts die van de dag te vervangen. Uitzichtloos. Doodlopend. Donker. En in die donkerte vonden vingers tevree hunne weg heen neuzen, navels, aarzen, oksels en zoetzuur – zweterige tenen – een non-stopfestijn van groezelig krabben, peuteren en pulken. Tussen de maaltijden van acht uur 's ochtends, twaalf uur 's middags en zes uur 's avonds was ons beider bestaan vacuüm getrokken. We hadden niks zinnigs te zeggen en er was niks, nog op de gehele aardbol niet, dat ons tot iets kon bewegen. Plat lagen wij, gewoonweg ongelooflijk geweldig weergaloos fenomenaal plat. Horizontaal geparkeerd. De vreugdeloos doods verstrijkende minuten aaneenrijgend tot uren, tot die uren dagen werden en die dagen weken en die weken maanden en die maanden jaren. Morbide klagerig, somber en sloom trad onze Bezoeker binnen. Met zijn deurhoge, magere lijf en z'n asgrauwe gelaat leek hij wel een vampier uit een film. Het “Goedenavond samen!” dat 'm roestig diep uit de keel scheurde, klonk bovendien alsof ergens moeizaam een zerk werd verschoven. Eerst werd ik benaderd; wellevend werd er over mijn bed heen gebogen en een hand gereikt die als een vreemd, zacht, warm weekdier in en uit de mijne gleed. Vervolgens, af van deze beleefdheidsplichtpleging, werd er naar de andere stee gezwalkt. Dat andere hoopje ellende scheen 'm namelijk nét iets meer te boeien – wat de reden ervoor ook ware. Echter, daar zo tegenaan stond hij er eerst wat ongemakkelijk gelijk een boom geplant … Het Moment van de Sprong naderde, daar mocht geen twijfel over bestaan. Doch hoeveel Sprongen er de voorafgaande dagen, avonden, wel niet uitgevoerd waren, de Sprong zelf scheen over de merkwaardige eigenschap te beschikken zich oneindig te kunnen hernieuwen. Telkens presenteerde deze zich als een uitdaging, een nakende duik in het duistere Onbekende; zolang ons Bezoek, ergens diep vanbinnen, de juiste stemming niet had weergevonden, zat hij vast. Gevangen in een beschamend naakte tijdsval, die hij trachtte te veraangenamen door met dat bedlegerig object te dialogeren. Zulks leidde tot een bizar kinderachtig rollenspelletje Bezoeker/Zieke, van a tot z door de Bezoekende Partij gedirigeerd – 'n klucht die zweemde naar leedvermaak. Maar al te gaarne, al te gretig, zag hij ons als uitzichtlozer gevallen dan zichzelf, tot in den treure te bed gevoederd. Die sfeer van ongeneeslijkheid beviel 'm, daar trok hij zich aan op, elke avond weer. Alles toch kits? Die twee feestneuzen lagen daar toch immer nog lam achterover gekieperd? En dat alles liep feitelijk aan de Sprong parallel; hij moest wel in onze kamer opdagen, om met het ene gegeven het andere in stand te houden. Wanneer hij tegen 't bed stilletjes over en weer begon te schommelen, bood de trance van de Sprong zich aan; 't hoofd verzonk, diep tussen de frêle schouderbladen, en aan weerszijden der gestalte begonnen twee ellenlange armen als vleugels traag op te klapperen. De logge vlerken ener intriest groot vogelbeest, misschien een ontheemde reiger of een verdwaalde gier … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman- Sprong!, huilde de wind net voor het opstijgen, als een wederkerende wanhoopsdaad waaraan niet mocht verzaakt.

Davy Van der Auwera
68 1

Zonnige dagen

De jongeman, in de trein gezeten, kijkt naar buiten en ziet het landschap voorbijtrekken. Alles ziet er triest uit. Het is al stof wat de klok slaat. Niet zozeer is het zelf te zien, als wel het effect ervan op het daglicht, een donkere filter over alles. Daglicht dat niet meer stralend is, zonlicht dat niet meer verblindend is. Het schijnsel van de fletse, oranje cirkel, met roze vegen, kan de dingen op afstand enkel nog in hun globale vorm laten zien. Het is alsof iemand naar Ikea is geweest, een bolvormige papieren lampenkap heeft gekocht, waarna hij of zij deze heeft platgetrapt, met inbegrip van de lamp, uit wroeging dan wat pastelkleuren erop heeft aangebracht en het ding op het firmament geplakt. Die roze vegen, wie weet nog welke kleuren we zien met al dat stof, zijn de afkoelende gebieden, de nog enigszins pruttelende mega-oceanen. Ooit zal het stof zo aangewassen zijn dat overal pluisjes dwarrelen, een eindeloze regen van pollen. Tegen die tijd zal al het leven op deze planeet meer dan waarschijnlijk weggevaagd zijn. In deze tijd, op dit moment, is er ook maar weinig leven in het passerende landschap. O zo verlaten, alleen hier en daar een beest. Een beest dat de jongeman trouwens nooit zal consumeren omdat het telkens weer het stof in, maar niet uitademt. Na bepaalde tijd vormt zich een brij in de longen. Een stroperige pap die het hele lijf van het beest vervuilt én reageert met de andere giftige resten, die via bijvoorbeeld grazen in het lijf zijn gekomen. Een beest kan, zijn toxische limiet bereikt, onverwacht de lucht in vliegen. Vee krijgt een steekkaart mee die de vermoedelijk resterende tijd tot explosie vermeldt: zoveel procent vlees, zoveel procent hormonen, zoveel procent lichaamsvreemde stoffen, licht gevaar op ontploffen binnen... BOEF! BOEF! Eén voor één gaan de koeien de lucht in, het landschap nog leger achterlatend dan het al is. Ook planten, bloemen en bomen zijn vergiftigd. Fris groen bestaat allang niet meer, alles mat donkergroen en vaal grijs-blauw. Wie hiervan eet, proeft niets sappig, maar kauwt eindeloos op taaie, vettige dingen. Daaruit lopen giftige sappen met de gekende gevolgen. BAF! Dat schaap is er geweest. Voor mensen zal het eender zijn. Alleen zullen zij in staat zijn om kunstmatig eten te maken, wat zij uiteraard voor zichzelf houden. De dieren worden aan hun lot overgelaten. Langzaamaan sterven ze uit. PAF! BOEF! BOEF! De explosie van hun gemeenschappelijke pikker wordt twee ossen fataal. PLOF! Een vroege vogel, aan het wandelen met zijn ex-hond. Het was een aardig dier, helaas. Niet te veel tranen verspillen, een nieuwe steekkaart uitzoeken en deze keer met langere houdbaarheidsdatum. Zouden er met 'niet goed geld terug'-garantie bestaan? Het afval van de ontplofte beesten wordt niet opgeruimd. Het valt niet op in het gesluierd zicht. De jongeman kijkt rond in de coupé. Mensen zien er slecht uit, asgrauw, de ene al wat meer dan de andere, afhankelijk van het aantal geblakerde punten op de huid. Oneindig veel partikels stof die als ontelbare lenzen werken en de weinige resterende energie uit het licht bundelen in hun kleine maar gemene brandpuntjes. Iedereen doorloopt er zo onnoemelijk veel per dag. De jongeman bekijkt zijn blote onderarm. Ook hij heeft er al van. De mensen hun ogen hebben een troebele kleur. Er is geen helder wit, geen gedetailleerde pupil. De giftige stoffen hebben zich ook daar in ingevreten. Wenen is het druppelen van toxisch water. Opgepast voor de blote lichaamsdelen én kleren! Mensen moeten dagelijks druppels in hun ogen doen om te neutraliseren. De jongeman sluit de zijne, hij is moe. Moe zijn is een moderne ziekte. Altijd maar moe, moe, moe. Omdat altijd maar moet, moet, moet. Geen tijd meer om stil te staan bij de waarde van iets. Gewoon aanvangen en als het kan afwerken. Het resultaat? Als het zover is zien we wel of het het gewenste is. De jongeman kijkt weer even op. Hij ziet de andere passagiers praten. De bewegingen der monden zijn hetzelfde gebleven maar de luidheid klopt niet, alles klinkt gedempt, zoals een feest bij de buren. De hogere frequenties worden nog amper gehoord. Alweer dat stof? De jongeman werpt een blik op de blote benen van het meisje dat tegenover hem zit. Dan kijkt hij op naar haar gezicht. Zij draagt een bruine zonnebril. Net als hij, al is de zijne een groene. De jongeman maakt zich klaar om tegen het meisje te beginnen praten want ze ziet er cool uit, en daarom neemt hij ook zijn oordopjes uit.

johan saenen
0 0

Orde van belang

‘Had ik niet geweten dat ik al dood was, ik zou het verlies van mijn leven hebben betreurd’ (Ota Dokan, 1486)   ’t Kan enkel het monster der stierlijke verveling geweest zijn dat me naar zijn voordeur leidde, of beter, waar ooit zijn voordeur was, want na al die jaren kon hij wel verhuisd zijn, of wat dan ook … In ieder geval, het eerste wat me opviel was dat de voetmat bij de inkom nog dezelfde was, en het wachten voor de deur maakte dat ik er mijn voeten wat vreemd mechanisch tegenaan begon te vegen. Mijn ogen volgden die bewegingen met zekere afstandelijkheid, alsof dat niet mijn eigen voeten waren daar beneden, maar die van een ander … In de verwilderd ogende, dik bebaarde man die dan de deur opende, herkende ik eerst mijn oude vriend niet – tenslotte, wij waren nog kinderen geweest toen we elkaar voor de laatste keer gezien hadden. Maar hij begroette me alsof hij me verwacht had, en gidste me doorheen het inkomhalletje naar het woonvertrek, waar op de livingtafel twee grote kartonnen dozen stonden. Eens mijn ogen gewend waren aan het aldaar heersende halfduister – gecreëerd door de aan beide zijden van het vertrek zowat driekwart neergelaten rolluiken – kon ik beter rondkijken en dingen onderscheiden. Overal, in alle hoeken, bleken vele dozen te staan opgestapeld. Op de vloer lagen een aantal leeg gevreten conservenblikken, en op het zeer smalle aanrecht bij het raam achterin, wist een grote koffiemok met een lepel in zijn zwaartepunt handig op de millimeter af te handhaven. Wat verder, in het keukentje, waar het lichter was, stond een koffiezetmachine hoog als een trots breedgeschouderde generaal, te midden een strijdvaardig leger van nog vele blikken conserven – de open geplooide metalen bovenzijden vervaarlijk als wapens gekarteld. Het geurde er zoals het geurt op plaatsen waar veel wordt gezweet en weinig verlucht. Het binnenkoertje, dat grensde aan het raam achterin, kon ik door het grotendeels neergelaten rolluik niet zien, maar ik stelde ‘t mij voor zoals ik het van zeer lang geleden kende. De zalig warme zomerdagen! Zo onder een wolkeloos blauwe hemel, samen met hem, spelend met autootjes en soldaatjes op een uitgespreide, zachte, dubbeldikke deken, terwijl zijn moeder ons verwende met limonade en heerlijk zoete zelfgebakken koekjes. In zijn verduisterde leefomgeving liep de bewoner op en af en heen en weer, waanzinnig druk voor zich uit pratend. De ene keer leek zijn uitleg tot mij gericht, dan weer scheen mijn aanwezigheid in het vertrek hem totaal te ontgaan. Voorts bediende hij zich om de haverklap van een absurd leraarachtig klinkend ‘zozeer jawel’. Een aparte, autoaffirmatieve, verbale tic die een onbedoeld komisch effect ressorteerde; ’t was de ongewone combinatie van onnozelheid en strengheid erin die het ‘m deed … Hij ging ten onder, dat was mij duidelijk. Ik was getuige van een krankzinnige hellevaart – die alzo toch een vreemdsoortig speels, guitig, komiek randje meekreeg. Soms stopte hij met praten, om in een wandspiegeltje te kijken en er zenuwachtig in zijn baard te plukken. Hierbij hoorde ik hem vreemde, grommende keelklanken produceren. En dan was ’t weer almaar de kamer op en af en heen en weer, en doordrammen geblazen! Dat mocht wel met een weide bocht om de tafel heen zijn, waarbij dan regelmatig zo’n gesneuveld blik een schop te verduren kreeg, zodat ze op den duur met z’n allen over de vloer konden rollen als in een door storm geteisterde kapiteinskajuit … Zijn nerveus ijsberende lichaam sprak mij de taal van een onzalige, die meende de gruwelijke last te moeten torsen van het besef van Alles, alle mogelijke dingen tegelijk, alle mogelijke wereldse geschiedenissen en toekomsten. Het was als een Te Veel, dat tezelfdertijd een Te Weinig was: dwaas, ledig en richtingloos zag ik hem ronddolen in een eng, zelfgeschapen universum.   Overvallen door een merkwaardig moment van luciditeit, walste hij het keukentje in om voor ons beiden koffie te zetten. Ik kwam ertoe me neer te zetten op een van de twee stoelen die hoorden bij de Tafel met de Dozen … Tussen die dozen, die het grootste deel van het tafelblad in beslag namen, zag ik op het vrije deel van het blad verscheidene donkerbruine cirkelrandjes van opgedroogde koffie, die onderling overlapten gelijk lukraak door mekaar gegooide ringen op een olympische vlag. Wat de inhoud van de dozen betrof, kon ik een alles-door-mekaar onderscheiden van reclamebladen en brieven en folders en streekkranten en zo meer. Het viel me ook op dat van alle kleine en grote enveloppen die ik kon zien, geen enkele was geopend. Zoals zij in de brievenbus hadden gezeten, door de afzender dichtgeplakt, zo waren zij in de dozen beland. Ik dacht nog: ‘De chaos in dit huis representeert de chaos in het hoofd van zijn bewoner – dus eigenlijk, ben ik niet in zijn huis maar in zijn hoofd terechtgekomen.’ Ik drukte mijn stoel wat lui achterover om, vanuit de hoek waar ik zat, een beter zicht te hebben op wat er in het keukentje gebeurde. Hij was in de weer met potten en liet water lopen en, wanneer hij lichtjes voorovergebogen voor de gootsteen stond, moest ik weer even denken aan zijn moedertje. Ik wist niet beter of het gehele leven van dat brave mensje had zich daar afgespeeld. DAAR. Bij die lavabo. Er Tegen. Er net Naast. Er – op zoek naar flesjes en potjes in de wat aftandse lage keukenkasten – krom gebukt Onder. Al wassend, plassend, kokend, soppend en schrobbend, had zij haar leven lang aan die plek gekluisterd gezeten. Was zij uiteindelijk gelukkig geweest – al was ’t maar een klein beetje? Het arme mens had zich altijd voor anderen weggecijferd, zoveel was zeker. Zo er een hemel bestond, dan had ze haar ticket erheen wel verdiend. Wanneer we samen om de tafel zaten met onze koffie, maakte ik er tijdens het drinken een spelletje van om de onderkant van mijn tas steeds exact te laten neerkomen op een der reeds ingedroogde kringetjes. Mijn confrater had andere dingen aan zijn hoofd. “Nu zal ik je vertellen waarom ik je heb laten komen”, zei hij. Ik wou eerst nog tegenwerpen dat daar niets van aan was, dat ik toch uit eigen beweging had aangebeld. Maar ik slikte deze woorden in voor ik ze kon uitspreken, daar ik begreep dat het niks zou opleveren van te twisten met een man die – dat was me toch al vrij duidelijk geworden – ontstegen was aan alle mogelijke realiteitszin. “Nu zal ik je vertellen waarom ik je heb laten komen”, herhaalde hij – als om mij de mogelijkheid te bieden het gewicht en de ernst van de uitlating ten volle in te zien. Haar lettergreep per lettergreep te kunnen herkauwen. “NU ZAL IK JE VERTELLEN WAAROM IK JE HEB LATEN KOMEN – zie je die twee dozen hier op tafel?” Hoe kon ik ze niet zien? Zij bepaalden de atmosfeer van de kamer. Als strenge scherprechters torenden zij boven ons uit – boven alles uit. Aan hun naargeestige zeggenschap, hun macht, kon men in zulk een van de buitenwereld afgeschermde tombe niet ontkomen … Hij ging voort. “Het gaat hem allemaal om de belangrijkheid van de Orde van Belang! In de linkse doos stapel ik de op het eerste zicht vrij onbelangrijk toekomende post en …” “… IN DE RECHTSE DOOS, DE OP HET EERSTE ZICHT VRIJ BELANGRIJK TOEKOMENDE POST!?” completeerde ik zijn zin. Als het ware om mezelf te overtuigen van het Belang, de relevantie, mijner aanwezigheid aldaar. Gelijk een klok wou ik mijn stem even horen weergalmen – maar aan wat voor realiteit werd zij getoetst? “ZOZEER JAWEL!” riep hij weder leraarachtig. Meer zelfs: gelijk hij daarbij euforisch recht veerde van zijn stoel, zette hij zijn betoog vanaf dat moment voort met het algehele voorkomen van een leraar. Een leermeester. De knokkels der handen, wijd aan weerszijden van het middel tegen het tafelblad witgedrukt, terwijl dan dat bovenlijf in een imposante boog over ‘t meubel heen, de Leerling zo dicht mogelijk poogt te benaderen. “Dus: de belangrijkheid van de Orde van Belang! Zozeer jawel. Wat staat er op de linkse doos geschreven!? Lees maar HARDOP en LUID!” beval hij - en natuurlijk, ik had kunnen weigeren. Met alle gemak van de wereld had ik op dat moment kunnen opstappen. Maar dat deed ik niet. Iets weerhield me … Welnu, nobel kan ik dit niet motiveren, net zoals er niks nobels ten grondslag had gelegen aan de reden van mijn visite; gelijk ik na vele jaren Zomaar eens aanbelde, uit verveling, zo bleef ik zitten en luisteren zonder daarom bewogen, of medelevend, te zijn. Het zou kunnen – en het is niet mooi van dit te moeten zeggen – maar het zou kunnen, dat het zicht op zijn gekwelde bestaan voor mij een leuk tijdverdrijf was. Iets dat de dag brak tussen een ochtend en een namiddag die zich al veel te lamlendig, slepend lang hadden ontvouwd en een vooravond, een avond, die ongetwijfeld eenzelfde lot ging beschoren zijn … Ik zat middenin HET gebeuren van mijn lopende dag, en dat hij er blijkbaar nog slechter aan toe was dan ikzelf, was voor mij een vorm van ontspanning. Dus ik las. Hardop, en luid. “ONBELANGRIJKE POST!” “Zozeer jawel! En wat staat er op de rechtse doos geschreven?” “BELANGRIJKE POST!” “Zozeer jawel!” Hij zette zich neer om, god mag weten waarom, dadelijk met de snelheid van een zwiepende katapult weer recht te veren. Pal boven onze hoofden brak de hemel woest in stukken, en het begon hard te regenen; als duizenden felle zweepslagjes geselden de regendruppels het rolluik aan de straatkant. Ik merkte hoe dit tempeest totaal aan hem voorbijging; zijn eigen verhaal scheen hem dermate te vervoeren, dat alles daarbuiten hem ontging. Ik keek van op mijn stoel nog eens het keukentje in, en zag zo moedertje lief daar weer gebogen over de afwas staan. Een dromerig rustpunt voor mijn ogen … “Zozeer jawel! Op de rechtse doos is geschreven: belangrijke post. Nu zit het hem zo, dat ik je heb laten komen om je te vragen mij te helpen bij een grootse, zelfs zeer grootse taak. Het dagdagelijks klasseren van allerhande papieren neemt veel tijd in beslag, zelfs zeer, zeer veel tijd. En je zou me dus moeten helpen, want VANAF MORGEN GA IK VAN START MET DE ULTIEME KLASSERING!” “Waaruit bestaat die dan wel?” vroeg ik eigenaardig voor de vorm, net of ik niet bij machte was me alsnog te onttrekken aan mijn deel van een lang vooraf vastgelegde dialoog … Ik lurkte nog eens van mijn koffie; het was een laatste, al wat lauwe slok, die ik even liet golven tussen tong en gehemelte alvorens door te slikken. “De ultieme klassering bestaat hieruit dat … Zie je al die dozen aan de kant? Om nog maar te zwijgen van die op tafel! Zozeer jawel! Maar natuurlijk, dat spreekt toch vanzelf, naar belangrijkheid en onbelangrijkheid zijn alle dozen in orde – echter: het probleem dat zich nu stelt, is van tweeërlei aard. Ten eerste, liggen in de dozen alle stukken wel goed, dat wil zeggen, min of meer belangrijk bij min of meer belangrijk, én min of meer onbelangrijk bij min of meer onbelangrijk – MAAR ’T HELE ZAAKJE ZIT HEM NU JUIST IN DAT ‘MIN OF MEER’!” Zijn enthousiasme begon te pieken, ‘t was fenomenaal! Ik zag hem al schuimbekkend tegen de grond gaan om daar stuipen te trekken in de cadans van de boven ons rollende donder. Te sterven, met een waanzinnig verwrongen lach op het gelaat en zo verdacht ik mezelf er heel even van dat alles, die gehele visite, die ganse vertoning, slechts te dromen. “… Nu dringt zich dus, per doos, een te maken klassement op van dien aard, dat in alle dozen waarop vermeld staat ‘BELANGRIJKE POST’, de allerbelangrijkste stukken helemaal bovenaan dienen te komen liggen, dan afnemend in belangrijkheid naar beneden, zodat op de bodem van elke doos die stukken komen te liggen die, naar orde van belangrijkheid, kunnen beschouwd worden als van alle in mindere of meerdere mate belangrijke stukken de minst belangrijke. Zozeer jawel! Eenzelfde logica wordt, gewis en zeker, gehanteerd wat betreft de dozen met de vermelding ‘ONBELANGRIJKE POST’: per doos, van alle in mindere of meerdere mate onbelangrijke poststukken, de toch nog belangrijkste bovenaan, zo dalend, met helemaal vanonder ’t papierwerk dat, naar orde van belangrijkheid, van alle min of meer onbelangrijke stukken, binnen die orde van belang, gezien mag worden als van alle min of meer onbelangrijke stukken het meest onbelangrijk.” Hij zweeg even, en een paar tellen lang wankelde hij op zijn benen als een bij de meet compleet uitgeputte marathonloper; dan herpakte hij zich, en vervolgde zijn relaas. Verder kon ik me niet van de wrange indruk ontdoen dat mijn aanwezigheid – hoe dwingend en dringend van aard ook – tegelijkertijd volledig betekenisloos was. “Bovendien”, vervolgde hij, “bovendien mag bij deze op te starten ultieme klassering niet uit het oog worden verloren, dat er elke ochtend opnieuw ook weer nieuwe poststukken zich zullen aandienen in het hiertoe in de voordeur aangebrachte brievenluik; nieuwe poststukken die – zozeer jawel! – op hun beurt de weg dienen te vinden in de richting ener juiste doos … Een arbeid, die het ganse plan der ultieme klassering komt te verstoren, bemoeilijken, daar de ultieme klassering er in wezen uit bestaat zich een weg te wroeten doorheen de reeds verzamelde voorraden. Een al uiterst moeilijke, zware taak op zich, die zich dan nog eens gekruist weet door een taak van een toch enigszins andere orde …” Alle hoeken en kanten bij elkaar gerekend, stonden er tientallen dozen. Hoe ging hij zich daar ooit doorheen werken? Voor zo’n man als hij, grenzeloos vertwijfeld, zou een compleet etmaal nog niet reiken om zelfs maar twee folders of omslagen onderling te rangorden in de geest van de bepalingen van ‘t door hemzelf uitgedokterde systeem. Hij was onderworpen aan een hels gekkenwerk, waar hij nog bij lengte van levensdagen niet onderuit kon komen – en hij wou mij er bij betrekken. Wat later was ik weer de straat op. Het had opgehouden met stormen en de horizont liet zich uitgeklaard bewonderen, terwijl een rozerode sluier het langzame vallen van de avond aankondigde. Tijdens ‘t naar huis toe stappen zette ik al mijn zintuigen aan het werk om te kunnen genieten van het wonder van zulk een herstelde, verfriste natuur. Maar dat scheen niet te willen lukken. Het was alsof ik langs alle straten, steegjes en pleinen achtervolgd werd door een donkere, huizenhoge gedaante die mij neerdrukte. Ik kwam thuis, plofte languit achterover in de zetel met mijn schoenen nog aan, greep naar de remote van de televisie en begon, bij het almaar verzwakkende daglicht, te zappen van kanaal naar kanaal. Kon ik maar op een uitzending stoten die me werkelijk boeide – kwestie van mijn zwaarmoedigheid wat te verlichten. Maar helaas! Een uur of wat later lag ik daar nog steeds lamgeslagen achterover met de schoenen aan. Zelfs maar me recht zetten om de veters los te maken was er te veel aan geweest … In de duisternis bleef die televisie, dat onecht lichtbaken, zijn dertig beelden per seconde flitsen, en buiten sloeg de torenklok van de kerk een eenzaam onbepaald aantal slagen, metalig nazinderend, die stonden voor een eenzaam onbepaald aantal uren. Het ware een zinloze daad geweest deze uren samen te voegen, op te tellen van slag naar slag, daar eender welke verkregen som – of dat nu acht of negen of tien of elf of twaalf was – me toch nooit iets meer duidelijk had kunnen maken over het wezen van het Eenzaam Onbepaald. Dat schuilde onvatbaar, onbenoembaar, ondenkbaar, onbestemd, in alle eenzaam onbepaalde delen afzonderlijk, en ging zich dus nooit laten Begrijpen in de vorm van een door optelling verkregen geheel getal. De verdere nacht bleef ik – als verstard, zonder echt te slapen – in de zetel liggen. Toch moeten er momenten geweest zijn dat ik half in slaap sukkelde, want enkele keren dacht ik van me recht te zetten, voorover te bukken om mijn voeten van die schoenen en sokken te verlossen, me vervolgens de trap op te begeven, zo richting slaapkamer en bed om er eindelijk deftig te kunnen rusten – om dan, met de ogen wijd open, vast te stellen dat ik nog steeds beneden in de zetel lag. Roerloos. Niet in staat dat proces van handelingen, waar de sluimer me toe had bewogen, uit te voeren in de wereld van het werkelijke. Een nieuwe dag, een nieuwe ochtend, diende zich aan. Ik slofte naar de voordeur, opende mijn brievenbus en haalde er een brief uit. De enveloppe draaide ik enkele minuten om en weer om – ijzig besluiteloos. Dan smeet ik hem in de huiskamer op tafel, ongeopend, en ik weet nog dat mijn lichaam zich vervolgens in de richting van de trap manoeuvreerde. Een trap, jawel, die ik finaal onweerlegbaar Echt zou opstappen, om me al even onweerlegbaar Echt te slapen te leggen in een bed dat ’s nachts slechts in oppervlakkige dromen had bestaan … Dit alles echter niet, zonder dat lichaam nog een laatste maal te laten terugkeren naar die tafel met die brief erop, er radeloos op starend, nog ongeveer een onmeetbare tijd lang.

Davy Van der Auwera
37 0

Koek en ei

Ook op de dag dat Lieven met zijn hoofd te pletter sloeg op de kasseien van het grootste plein van de stad, at hij een koek en een ei als ontbijt. Een kopje thee werd hem zoals elke ochtend aangereikt door Ellen, net op het moment dat hij het laatste stukje koek in zijn mond stak. Na de thee ongestoord te hebben opgedronken stond hij op van tafel en nam zijn rugzak die klaarstond in de hoek van de opgeruimde studentenkamer. Hij kuste Ellen, die opgewekt de afwas deed, hard op haar mond en verliet hun appartement. Hier sta ik nu, zegt hij tegen zichzelf. Dit is het moment, nu moet het gebeuren. Alles was volgens plan verlopen. Hij had de bus van 8.47 uur genomen en was uitgestapt in het centrum van de stad. Hij had 3 minuten gelopen naar café Spek en Eieren in de Kerkhofstraat. Daar had hij zich aan het afgesproken tafeltje gezet van waar hij zijn kameraden van het actiecomité een voor een zag binnenkomen. Eens voltallig liepen ze in peloton naar het plein. Lieven had eigenlijk nooit precies geweten waarom hij precies was aangeduid voor de opdracht. Maar zijn fierheid won het van zijn nieuwsgierigheid. Hij wou zijn kameraden niet teleurstellen. Met een zetje van twee kameraden klom hij vlot op het voetstuk van het standbeeld dat centraal op het plein stond. Vandaar klom hij solo verder tot op de gekruiste armen van het beeld waar hij plaats had om zijn rugzak neer te zetten. ‘Komaan Lieven, haast je. Straks staan die klootzakken hier.’ Lieven voelde zijn armen na de inspanning hevig beven terwijl hij de pot rode verf en de verfborstel uit zijn rugzak nam. Hij zocht naar een stabiele houding op het standbeeld en dat was een hele opdracht met zijn knikkende knieën en de hevige wind die zo hoog boven de begane grond vrij spel had. Hoogtevrees sloop zijn lichaam binnen als een onklopbaar virus. Hij zag een beeld van zichzelf als kleuter op een klimrek. Eerst triomfantelijk met beide handen in de lucht op de top. En dan die duw van dat gemene klasgenootje. Loeiende sirenes haalden hem uit zijn gedachten. Hij stak de verfborstel in de pot en deed waarvoor hij gekomen was. Hij begon het hoofd van het beeld met wilde halen te bekladden met verf. Tijdens het schilderen had hij een perfect uitzicht over het plein. De kerk in de steigers, de hoge appartementsgebouwen, de waaiende bomen, het gekrioel van winkelende mensjes. En plots zag hij haar. In de hoek van het plein, aan café De Post. Haar groene bloemetjesjurk zou hij uit de duizend herkennen. Ze had haar handen verstrengeld in vreemde handen. En haar mond bewoog akelig dicht bij een vreemde mond. Het zweet brak hem uit en hij moest moeite doen om zijn anders altijd regelmatige ademhaling te kalmeren. Lieven zag zijn hele toekomst in mekaar storten, als een slecht gebouwd kaartenhuisje. En de opdracht die kon hem nu gestolen worden. Ondertussen was het een drukte van jewelste geworden aan het standbeeld. Hij zag een brandweerwagen en een ladder die alsmaar verder uitschoof, in zijn richting. Blauwe en rode zwaailichten als discospots. Sirenes als de melodie van een bonkende technoschijf. Flitsen van fototoestellen als de onvermijdelijke stroboscoop. Lieven stond plots op het hoofd van het beeld. Hij was blijkbaar nog hoger geklommen, net zoals die ene dag op de kleuterschool. Een koor van mensen riep hem toe. Hij zag politie, brandweer en zijn kameraden. En Ellen die blijkbaar was toegesneld. Er zat paniek in haar ogen die hij nooit eerder had gezien. Hij zag haar opengesperde mond woorden uitschreeuwen maar hoe meer hij probeerde te luisteren, hoe minder hij ervan begreep. Hij hoorde enkel nog een vreemd soort geruis, een testbeeld tussen zijn oren. Er zat nog maar één gedachte in zijn hoofd. Neerstorten ga ik toch, dan kan ik het maar beter zo elegant mogelijk doen. Hij nam voor de laatste keer de borstel en schreef blindelings op de achterkant van het hoofd van het beeld. Dan gooide hij borstel, verfpot en rugzak naar beneden, gevolgd door zichzelf. Een vlucht van enkele seconden. Een harde landing. Het was een brandweerman die als eerste zijn laatste boodschap las op het beeld. Woorden die nu op toiletdeuren worden gekrast en op t-shirts worden geprint. Woorden die opduiken in folders van politieke partijen. “Alles koek en ei? Yeah right.“

igordaems
0 0

Noten kraken

Later zou Linda haar naam veranderen in Linde, maar toen ze zes was dacht ze daar nog niet aan. Ze vond de namen van haar zusjes en van sommige meisjes op school mooier, maar ze wist nog niet dat je daar zelf iets kan aan doen.   Ze had wel al een besef van de plaats die ze had tussen de mensen en dat het leek alsof zij de enige was die niet iemand naast zich had. Zo hadden haar oudere zusjes Annie en Rosie elkaar omdat ze een tweeling waren en haar jongere broertjes Jo en Jan ook want die waren amper een jaar na elkaar geboren. Bovendien waren ze jongens en dat hield hen samen. Haar ouders waren samen en haar grootouders ook.   Wat niemand wist, was dat Linda een zusje had dat Isabelle heette. Niemand kon Isabelle immers zien en dus ook niet hoe mooi en hoe lief ze was en dat ze lang bruin haar had en een lichtgele jurk met een wijde rok en witte linten droeg.   Isabelle ging overal mee, naar de lagere school aan de andere kant van de stad, naar de kruidenierswinkel naast hun huis om brood en kaas, en naar de poort een paar huizen verderop waar ze groenten en fruit verkochten. ’s Woensdags ging ze soms mee spelen bij een vriendinnetje wiens ouders een meubelwinkel hadden en waar ze als de ouders het niet zagen in de toonzalen gingen spelen.   Op zondag mocht ze mee eten bij oma en opa, en daarna in de tuin en de veranda spelen. Als het regende keken ze naar de kleine zwart-wit tv in een onhandige hoek van de kamer. Onhandig, omdat de deur naar de keuken uitgaf op die hoek en als opa binnen zou komen, zou hij als er een tekenfilm speelde, de uitknop indrukken. Opa vond tekenfilms onnatuurlijk en ongezond voor kinderen.   Op zo’n zondagmiddag zaten Linda en Isabelle samen op de bank naar de tv te kijken. De jongens zaten op de grond en de tweeling zat op een stoel aan de tafel. De meisjes hielden de deur in het oog waarachter druk gepraat werd. Meer dan druk, de stemmen van opa en van hun vader werden luider en gingen soms gelijk de hoogte in en dat bedierf een beetje het heimelijke plezier van het kijken naar Popeye the Sailorman. Het voordeel was dat ze de hele aflevering konden uitkijken en daarna nog naar een film over mensen in een grijs stoffig land, die een aap en een leeuw hadden.   Net toen de aap teruggevonden werd nadat hij gestolen was door een donkere halfnaakte man en hij zich rond het bovenlichaam van een blonde vrouw in een safaripak klampte, ging de deur naar de keuken open. In het deurgat stond mama met vijf wollen jasjes over haar arm en evenveel bivakmutsen. Achter haar was het stil.   Rosie zette de tv uit en de andere kinderen haalden hun jas op bij hun moeder en trokken hem aan. Alle knopen moesten dicht en oma en opa moesten gezoend worden eer ze naar buiten mochten. De bivakmutsen hoefden niet. Isabelle hoefde geen jas aan. Ze nam geen plaats in, met vijf en ook met zes, konden ze gemakkelijk op de achterbank van de Mercedes.   Linda mocht bij de deur zitten, want ze werd soms ziek in de auto. Als ze overgaf, werd haar vader boos en dat wou niemand, dus mocht ze altijd naast de deur zitten. Ze kon dan het raam naar beneden draaien als ze lucht nodig had of ze kon snel uitstappen als haar vader bij een gracht stopte waar ze kon overgeven.   Ze hoopte dat ze niet moest overgeven want ze hadden die middag kip met appelmoes en gebakken aardappelen gegeten en het was zoals altijd bij oma heel lekker geweest. Maar nog meer wenste ze dat het niet zou gebeuren omdat haar vader er ontstemd uitzag en ze niet wilde dat hij door haar misselijkheid echt boos zou worden. Ze hield haar lippen stijf op elkaar en ze kneep langs de ene kant in Isabelles hand en aan de andere kant in de handgreep van de autodeur en zo hield ze het vol tot ze bij hun huis aankwamen.   Hun huis was geen gewoon huis. Het was geen rijhuis zoals alle huizen verder in de straat en het was geen huis in een tuin zoals bij oma en opa. Het was een grote garage waar mensen kwamen om hun auto’s te laten repareren. Beneden was naast de grote hal waar de auto’s in- en uitreden een bureau en een kleine keuken, waar mama eten maakte en soms de klanten begroette. Boven was een donkere woonkamer, een badkamer en drie slaapkamers.   Papa reed met de auto tot vlak voor de grote poort en iedereen moest blijven zitten tot de poort openging. Alleen Linda mocht eruit omdat ze zo bleek zag. Ze ging bij het roostertje in de goot staan omdat ze niet zeker was of ze zou overgeven of niet. Isabelle bleef bij haar.   Ze stonden hand in hand in de koele vooravondlucht en Linda rilde. Ze keken naar de auto die door Papa naar binnen werd gereden en hoe hij moest zigzaggen tussen de auto’s van klanten die klaar stonden om morgen opgehaald te worden door hun eigenaars. Ze hoorden het schuren van metaal tegen metaal en dan hoe papa heel luid begon te vloeken en te roepen dat het mama’s schuld was dat hij tegen de auto van dokter Kestermans was gereden.   Linda boog zich over de goot en kokhalsde, maar er kwam niets uit.   Later zaten ze allemaal boven in de woonkamer. Er kwam alleen licht van een staande lamp en uit de tv. Buiten werd het al donker. Mama lag op de bank te huilen en papa keek naar de tv waar veel fietsers kromgebogen over hun stuur te zien waren en dan snelle auto’s die veel lawaai maakten en soms praatte er een nette meneer of een mooie mevrouw en af en toe zong iemand een liedje over rozen of liefde.   Omdat er geen plaats was op de bank zaten alle kinderen op een stoel rond de tafel en keken ze mee naar het oplichtende scherm en probeerden ze het snikken van mama niet te horen.   Op de tafel stond een schaal met okkernoten en twee notenkrakers. De ene notenkraker bestond uit twee dikke lepels die je tegen elkaar moest duwen tot de noot barstte. De andere had een huisje waar je de noot in moest stoppen en dan aan een schroef draaien tot de noot geen kant meer op kon en kraakte. Linda had als eerste de notenkraker met het huisje te pakken en begon te kraken. Jan keek eerst boos toe, maar nam dan de andere. Samen kraakten ze zwijgend noten en deelden ze uit aan Rosie, Annie, Isabelle en Jo, die ze stil opknabbelden terwijl ze naar Louis Neefs keken. Iedereen hield van Louis Neefs, maar niemand zei wat.   Ze dachten niet dat mama zin had in okkernoten, maar voor papa legde Linda een hoopje opzij. Toen ze er tien had, trok ze er ook de velletjes af. De twintig bleke helften legde ze eerst in twee rijtjes op tafel en daarna deed ze hen in een rond kaasdoosje waarin ze eerst wat watten had gelegd.   Ze bracht het doosje naar haar vader die nu in de relaxzetel zat. Hij zag er niet meer boos uit, hoewel ook niet echt ontspannen en lief, maar toch kalm genoeg zodat Linda hem het doosje durfde aanbieden. Hij zei dat ze een braaf meisje was, nam een halve noot en keek knabbelend verder naar het nieuws.   Na het nieuws kwam de weerman en daarna Het Manneken, wat iedereen heel grappig vond, behalve Linda en Isabelle die hem eng vonden. Daarna was het bedtijd, de kinderen zoenden hun vader en de vader liet zich zoenen terwijl hij naar het voetbal keek. Alleen Isabelle gaf hem geen zoen.   Daar lag Linda aan te denken, net voor ze in slaap viel. Dat Isabelle papa geen zoen had gegeven. Dat Isabelle niet van papa hield.  

Christine Van den Hove
0 0

Ledematenweegschaal

Tussen de wakke blaren plantte een trieste voet zich neer. De kuit rillend van inspanning. Een vochtige voet, hunkerend naar een handdoek en droge sokken.   In zijn armen de stukken van een zoon. Een zoon die hij nooit goed had gekend.   Als mensen beginnen schreeuwen en jij weet niet waarom.   Een tweede voet plantte zich neer, en twee knieën, geknikt door teveel aan volharding.   Doorheen de dikke flarden mist kon hij nauwelijks zien wat er in zijn handen lag.   Dat besef sijpelde koud door zijn ledematen.   Dagenlang al in deze bossen die hij dacht te kennen maar toch in verdwaalde.   Met zijn zoon in zijn handen, en zijn handen in zijn haar.   Afleiding is belangrijk, en de eerste dag had hij daar geen gebrek aan gehad. Zijn zoon had hem beschuldigd, met ogen vol angst, droog van paranoia, dat ze verdwaald waren door zijn schuld.   De jongen wist niet beter, hield de man zich toen voor. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje. En hij is zo snel moe.   Hij moet gedragen worden.   Paranoïde, droge ogen, het enige droge in deze vochtige vallei, hadden voor zijn afleiding gezorgd, en daar was hij nu dankbaar om, want afleiding is hetgeen een kostbaar goed zou worden.   Hij was meer dan een vader, hij was een man met trots in zijn leven, die macht had over anderen.    Hij beet op zijn kaken. Niet alleen omdat hij honger had, maar ook om die verdomde mist uit zijn mond te houden. Het gat van de tand die zijn zoon de eerste dag had uitgemept pikte als hij zijn mond opendeed.   Het is oorlog en we moeten vluchten of iedereen gaat eraan.   ‘Zie je wel,’ zou zijn wijlen moeder gezegd hebben moest ze niet jaren eerder in haar bed zijn gestorven. Met haar hoofd vol angst na een leven lang oorlog vrezen in vrede.   Maar nu was het zover. De aap in hem vluchtte terug naar waar ooit menselijkheid onstond miljoenen jaren geleden: de bossen. Maar dan in het verkeerde continent.   Zijn zoon woog terug even zwaar als toen hij drie jaar was. Zijn zoontje.   Hij kon niets zien in de witte massa voor hem, net als op skivakantie, en ook nu, kon hij elk ogenblik geen grond meer onder zijn voeten voelen. Geen zicht, geen smaak, enkel het ruisen van zijn adem door de mist, en het gevoel van zijn zoontje in zijn armen. Meer had hij nooit gewenst.    Zijn zoon was zwaar en oud geworden.   Zijn vrouw was zwaar en oud geworden.   Hij daarentegen, voelde zich hetzelfde, maar dan tussen oude mensen.   Zwaar, oud, en dood.   In de middeleeuwen zou hij gehandicapten en criminelen zijn tegengekomen in dit bos, maar nu enkel gestalten van geschaduwde bomen. Daar legde hij zijn zoon neer, die ooit zoveel kansen had gehad, maar nu een mens in stukken was.   Prachtig hoofd dat ooit naar hem had opgekeken, maar hem de laatste jaren had beledigd.   'Een tijdbom. Die jongen gaat nog eens ontploffen.'   Het hoofd moest vergaan maar het hart zou hij houden. Om hem te vergezellen door zijn tocht in de mist. Door het bos van de mensheid, op zoek naar resten goedheid.                      

Han Hartmoed
0 0

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0
Tip

Kippies zwemvest

Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit. ‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’ Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst.   Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd. Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht. ‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’ ‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe. Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.   Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.   De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten. Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.   Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.   Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij. ‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik. ‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’   Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.   Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming. Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien. ‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’ Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.   Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.   De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.   Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.   Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder. Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.   Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.   Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.        

Christine Van den Hove
108 8
Tip

Er waren geen wolven meer

Alles is veel verder dan het lijkt. Dat is het enige dat ik op dit moment, op deze plek zeker weet. Als ik naar het dal kijk, zie ik het huis. Er komt geen rook uit de schouw, ik heb de kachel uit laten gaan. In de kleine woonkamer staat mijn rugzak op de tafel, naar achter hellend, de riemen naar voren, klaar om gehesen te worden. In het zijzakje mijn ticket, een dure plaats op een snelle trein naar het noorden. Mijn verblijf hier was tijdelijk. De rust die ik had was luxe. Ginder wachten ze op mij. Het laatste uur dat ik nog had, wou ik buiten zijn, op de harde grond, tussen de koude bomen.   Als ik naar boven kijk, zie ik de kam met daarachter een helblauwe lucht. Bovenop de bergrug kun je de zee zien, zeker met dit weer. De lucht is er koud en zuiver. Alles is helder en lijkt bedrieglijk dichtbij. Maar achter de kam ligt nog een kam en daarachter nog een. Het kan niet, het mag niet. De top is te ver, er is geen tijd meer.   Nog een klein stukje. Ik trek mijn mouw over mijn pols, ik wil niet weten hoe snel de tijd gaat. Tot aan de eerste kam. Neen, tot aan die jonge eik. Daar kan ik even rusten en dan terugkeren. Het klimmen gaat goed. De paden zijn geëffend door de schapen en de geiten die voor de winter van de berg werden geleid. De zon verwarmt mijn rug. Ik heb geen water mee, ik moet terug. Ik moet terug.   De jonge eik is de laatste boom. Daarna zijn er enkel nog winterslapende struiken: heide, brem, tijm. Ik ga op een steen zitten en kijk naar het dal. Als ik nu snel naar beneden ga, haal ik het nog. Als ik omkijk, ben ik verloren.   Ik kijk om. Tegen de hogere helling ligt hier en daar sneeuw. Glinsterend. Ik voel mijn dorst. Ik trek aan mijn mouwen en ik klim verder. Wat sneeuw leek, is ijs. Ik breek een stukje af en laat het smelten op mijn tong.   Voor de rand van de kam zie ik een weg, waarvan ik weet dat hij langzaam naar het dorp daalt. Ik kan hem nemen, want ik heb tijd nu. Op de razendsnelle trein zal een plaats leeg blijven. Ik heb nu zoveel tijd dat ik de weg in oostelijke richting zou kunnen volgen, weg van het dorp, naar de kale vlakte waar wellicht een koude wind waait.   Er beweegt iets op de grijze helling. Een donkere stip die snel groter wordt en de vorm van een hond aanneemt. Een grote hond. Ik voel mijn hart, dat nog bonkt van het klimmen, groter worden. Het drukt tegen mijn keel en mijn schouders. Ik probeer traag te ademen en te verstillen, ik laat mijn armen hangen. Dieren vallen niet aan als je zelf niets doet, houd ik me voor.   De hond komt in zwenkende draf dichterbij. Op een dertigtal meter stopt hij. Hij kijkt naar mij en lijkt hetzelfde te denken als ik: als ik niet aanval, doet ze misschien niets. Ik kan nu zijn dikke grijsbruine pels zien. De stevige poten, de spitse snuit. Hond, denk ik, jij bent een wolf.   Ik voel aan mijn broekzakken. In mijn linkerzak mijn telefoon, rechts een plat fototoestel. Op de tast haal ik het eruit. Ik probeer zo traag mogelijk te bewegen. Terwijl ik mijn ogen op het dier gericht houd, breng ik het toestel voor mijn buik. Ik aarzel, bang dat hij een beweging maakt. Er is niets beangstigends aan hem. Ik weet zeker dat hij niet in mijn richting zal springen. Hij zal zelfs niet dichterbij komen. Zijn hele houding is erop gericht om rechtsomkeer te maken. Niet omdat hij bang is, maar omdat ik vreemd en onbelangrijk ben.   Ik zou hem willen zeggen dat het voor mij anders is. Hij is belangrijk, hij is prachtig. Ik zou hem graag van dichtbij willen zien, misschien wel aanraken. Ik zou graag een foto van jou willen nemen. Om straks thuis naar jou te kijken, om je niet te vergeten, om je aan anderen te laten zien.   Op de tast druk ik af. Nog terwijl ik de droge klik hoor, draait hij zich om. Hij loopt weg, in dezelfde ongehaaste draf waarin hij gekomen is. Ik vraag me af wie er het meest teleurgesteld is, hij of ik. Ik vervloek het fototoestel, ik vervloek mezelf.   Ik krijg het koud en draai me naar de zon. Ik moet een richting kiezen. Ik neem het brede pad naar het dorp. Mijn passen zijn snel en boos. Als ik vertraag, ebt mijn woede weg.   Na een half uur zie ik het eerste huis van het dorp. De rook komt dik uit de schouw en rafelt uit in de koude lucht. Ik loop wat vlugger de helling af want ik zie mijnheer Joch met een lege kruiwagen naar de achterkant van het huis gaan.   ‘Monsieur Joch!’ roep ik. Hij keert zich om. Het duurt een paar minuten eer hij mij herkent. Ik vergeef het hem. Hij is oud en hij leeft al een heel leven in dit onooglijke dorp, op de rand van de wereld.   ‘Ik heb een wolf gezien’, zeg ik. Het duurt weer even eer hij reageert. ‘Dat kan niet,’ zegt hij ‘er zijn geen wolven meer.’ Ik haal mijn fototoestel uit mijn zak en ik toon hem het scherm. Er is niet veel te zien: een wazige bruine vlek tegen een grijze achtergrond. Met wat goede wil kun je er het silhouet van een weglopende hond in zien. Mijnheer Joch schudt zijn hoofd. ‘Het kan niet’, zegt hij weer.   Hij kijkt naar de berg en ik zie hem denken, twijfelen.   ‘Juffrouw’, zegt hij dan, ‘doe dat weg.’ Hij wijst naar mijn fototoestel. ‘Doe dat weg en zeg het aan niemand.’ Hij legt een hand op mijn mouw. Zijn vingers klauwen zacht in mijn dikke trui. Zijn nagels zijn geel en lang.   Met knikkende knieën loop ik het dorp in. Het ruikt er naar houtvuur, er is niemand op straat. Het huis is nog niet helemaal afgekoeld. Ik steek de kachel aan en pak mijn rugzak uit.

Christine Van den Hove
49 1
Tip

De Vlucht

Suzan liep in haar eentje door Schiphol, in haar trouwjurk. Met woeste schokken trok ze haar koffer achter zich aan. Ze had geweigerd de jurk uit te doen; ze had erin geslapen. En nu ging ze op huwelijksreis. Alleen.   Bij de gate gekomen plofte ze neer op een vrij stoeltje tussen een oude dame en een veertiger met een bierbuikje dat zo bol stond dat het de allure had van een vergevorderde zwangerschap. De man bekeek haar van top tot teen en begon toen in het rond te spieden. Samenzweerderig liet hij zijn mond tot aan haar oor zakken. "Verborgen camera, right?" Suzan wierp hem een sarcastische blik toe. "Inderdaad. Verborgen camera. Snelle jongen ben jij." Hij grijnsde breed, spuugde in zijn handen, en gebruikte het speeksel om zijn weerbarstige haar in model te brengen.   Toch duurde het pas tot ze al een derde van de vlucht naar Bangkok afgelegd hadden voor Suzan doorkreeg dat ze een fout gemaakt had door in haar bruidsjurk in te schepen. Ze moest naar de wc. Van getrouwde vriendinnen had ze gehoord wat voor acrobatische kunsten die aan de dag hadden moeten leggen om in hun bruids-outfit hun blaas te legen –en dat was op restaurant geweest. Zij zou het voor elkaar moeten krijgen in een Airbus. Ze zuchtte, graaide al haar moed en haar onderrokken bij elkaar en sleepte zich door het nauwe gangpad naar de toiletten achteraan in het vliegtuig. Medepassagiers tikten elkaar op de schouder, pookten elkaar wakker, wezen haar heimelijk na. Een stewardess verscheen vanuit het niets voor de deur van de wc-cabine. Prachtige oosterse ogen, het pikzwarte haar strak naar achteren getrokken. De lippen perfect gestift in hetzelfde karmijnrood als haar sjaaltje. "Can I help you, Miss?" vroeg ze bezorgd. Suzan schudde koppig het hoofd. "I´ll be fine." Toen trok ze de deur open, wierp een blik in de sarcofaag die voor wc moest doorgaan, en richtte zich weer tot de stewardess. "If I´m not out in fifteen minutes, break the door open, please. And pull me out." De airhostess knikte ernstig. Suzan trok haar rokken zo hoog ze kon en lanceerde zich achterwaarts de krappe ruimte in. De deur werd langs buiten dichtgeduwd en Susan graaide blindelings langs de vele lagen satijn naar het slot dat ze, eens gevonden, dicht schoof. Overal was er tule en gebroken wit borduursel en kant. Ze voelde zich een meringue in een patisserie- doosje. En toch lukte het haar de jurk tot boven haar middel te stropen, haar minuscule onderbroekje te laten zakken (Huwelijksnacht! Aaaaargh! Niet aan denken!) en te plassen. Toen ze klaar was, maakte ze weer op de tast de deur open en haar jurk explodeerde als witte bloesem het gangpad in. Ze draaide zich nog even het toilet in om haar handen te wassen en grabbelde toen weer haar hele hebben en houden bij elkaar om de terugtocht aan te vatten. De stewardess keek haar opgelucht na.   Zodra Suzan tussen de stoelen verscheen, draaiden de hoofden van al haar medepassagiers zich naar haar om en brak er spontaan applaus uit. En zo schreed ze door het gangpad: vrolijk toegejuicht, glimlachend bewonderd, af en toe bemoedigend op haar arm getikt. Ze kon het niet helpen: op dat moment verliet de Wrok haar, samen met de Woede en de Vernedering. Voor ze het besefte ontspanden haar lippen in een glimlach. Het was dan niet het gangpad van de kerk, haar vader liep niet aan haar zijde en er stond geen toekomstige echtgenoot te wachten ergens ter hoogte van de cockpit waar dan een altaar had moeten staan, maar ze had het gevoel dat er haar al een jaar lang een enorme taart was beloofd die haar op het laatste moment ontzegd was, en dat ze nu tenminste met één vinger van de slagroom had mogen proeven.   Suzan ging weer op haar plaats zitten. Bedachtzaam pakte ze het flesje water dat op de onbezette stoel naast de hare lag, en woog het in haar hand.    Nog tien uur tot Bangkok.  

Kathleen Verbiest
244 6

Constant

Daar was haar wekelijkse donderdagavondgast. Het was stipt 7 uur.    „Ha Francine. Gij zijt Francine van de frituur. Ik ben Constant. Ik praat veel. Dat weet ge hè en dat zegt mijn moeder ook altijd en zij kan het weten want ik ben constant bij haar. Hihi, dat is een grapje hè. Mijn vader is dood. Al lang geleden. Mijn moeder zegt dat hij een mengeling was van Onze Lieve Heer en Sinterklaas. Dat heeft ze uit een liedje van Annie M.G. Schmidt, een Nederlandse mevrouw die boeken schrijft. Ze noemt haar AMG. Ik ben CMB. Constant Marc Beddegenoots. Dat is de schoonste familienaam van heel Vlaanderen zegt mijn moeder. Veel schoner dan Jansen of Peeters. Gij heet Peeters hè Francine. Francine Peeters. Francine van de frituur. Ik kan goed moppen vertellen. Kent ge die van dat Vlaams meisje die Miss België wilde worden en daarom een woordje Frans moest praten. Toen ze haar vroegen hoe ze heette en waar zij werkte, zei ze: „Je m’appelle Francine et je travaille dans une friteuse”. Hihi, dat zal wel heet geweest zijn. Ik spreek ook Frans. Ik kan al tot twintig tellen in het Frans. Meer is niet nodig, want ik heb toch nooit méér dan twintig euro op zak.” Francine wist dat ze niet dadelijk de frietjes van Constant moest bakken, noch de frikandellenworst special met currysaus. Het duurde altijd wel een kwartier eer Constant had gezegd wat er moest gezegd worden. „Moet ik uw frietjes inpakken, Constant?” „Jaja en de curryworst ook hè. De curryworst ook hè.” „Dat is dan 4 euro en 20 cent.” Constant had zoals altijd het geld al klaar en legde het op de toonbank. Dan stapte hij fluitend naar buiten. Wat als ik de prijs van de frietjes en de worst eens opsla, dacht Francine, dan zal ik dat toch eerst eens tegen zijn mama moeten vertellen. Een mengeling van Onze Lieve Heer en Sinterklaas. Ik heb Constant zijn vader toch gekend en die trok toch helemaal niet op Sinterklaas en zeker niet op Onze Lieve Heer. Die hadden alle twee een baard en Constant zijn vader toch niet. Tiens, daar moet ik nog eens over prakkeseren, dacht ze ook nog.   De volgende klant bood zich aan. „Ha Marcelleke, wat moet het zijn deze keer? Ne grote met pickles en een vleeskroket? Een verse lading frieten verdween in het dampende ossenwit. Je zag haar denken: Francine travaille dans une friteuse. Wat is daar mis mee?

Marc M. Aerts
0 0

Tante Magda

'Nu moet ik je toch eens iets vertellen over tante Magda’ zei mijn oudste schoonzus. Met deze openingszin wist ik waar haar betoog begon, maar in de verste verte kon ik vermoeden waar ze mij, aan de hand van haar verhaal, naartoe brengen zou. '‚Je weet wel tante Magda, de vrouw van uw nonkel Arthur zaliger. Tja, in feite was dat niet een echte oom van jou. Hij was de achterneef van bomma Julia, de eerste vrouw van uw grootvader aan moederskant. En je weet dat uw bompapa, zoals jij hem altijd noemde, nog heeft gevochten in de grote oorlog. Aswit was zijn gitzwarte haar geworden toen hij terugkwam van het front. Zoveel ellende had hij gezien en meegemaakt daar achter de IJzer. Zijn coiffeur François van kapsalon Remi in de Stationsstraat kan er van meepraten. Die mens had ook het een en ander meegemaakt tijdens zijn vlucht naar Frankrijk. Hij werd er opgepakt door een compagnie Duitse soldaten, die hem dan meevoerden naar Parijs, waar hij als tolk moest fungeren in de hoerenbuurt van Place Pigalle. Edith Piaf is daarna ontdekt geworden op de hoek van dat plein, toen ze daar haar eerste liedjes begon te kwelen. Kom, kwelen, ik vond dat ze wel mooi kon zingen, met zoveel passie en panache. Het was nochtans maar een kleintje, die Piaf, een echte kleine stadsmus. Die vogeltjes zijn er trouwens niet veel meer hier aan de kanten van Gent. Mijn broer August zegt dat er veel sijsjes in de plaats gekomen zijn, maar hij weet niet waarom. Maar ja, dat is bij zoveel zaken zo. Neem nu, al die mensen die zo gevoelig zijn aan de berkenpollen die tegenwoordig zo in de lucht vliegen. Sommigen kunnen daar tegen en anderen hoegenaamd niet. Daar zijn er die zich te pletter niezen en anderen hebben geen zakdoeken genoeg om hun ogen te deppen. Wel, bij tante Magda is dat ook zo. Dat niezen en dat deppen hé.’   Ik was weer een verhaal rijker.

Marc M. Aerts
5 0

De Kelder

André staat in de kelder en doet zorgvuldig zijn kleren uit zodat er geen kreuken in komen. Een man zoals hij kan niet met slordige kleren lesgeven. Hij plooit zijn broek, zijn hemd, zijn onderhemd, zijn onderbroek en kousen zorgvuldig op en legt ze exact in het midden van zijn bureau. Wanneer hij naakt voor de tafel staat hoort hij plots een schreeuw. Het is zijn moeder. Ze staat op de onderste tree van de trap.   Het was zaterdagochtend. Een vrije dag voor André. Vandaag hoefde hij geen theoretische bewijzen op het bord te schrijven. Vandaag zou hij zijn handen niet tien maal moeten wassen omdat vervelende krijt van zijn vingers te krijgen. Geen domme vragen van leerlingen die de schoonheid van wiskunde niet inzagen, geen collega’s die hem als een paardenstront zouden vermijden in de leraarskamer. Maar vooral: geen zeurende moeder vandaag. Op zaterdag bezocht ze altijd haar zus, die een appartement had in Nieuwpoort.   Ondanks zijn vijftig lentes woonde André nog steeds bij zijn moeder. Dat was handig. Als hij om 6u30 opstond stond zijn ontbijt al klaar. Zijn kleren hingen vers gewassen over de stoel. Zijn hemden, broeken, onderbroeken en onderlijfjes werden steeds op dezelfde manier geplooid. Wanneer hij ’s avonds om zes uur thuis kwam stond het eten op tafel. Zijn kamer werd drie maal per week gepoetst door zijn moeder. Op maandag, woensdag en vrijdag. Geen vrouw die beter voor hem zou kunnen zorgen dan zijn moeder.   De kelder had hij helemaal voor zich alleen. Die was verboden terrein voor moeder. Er stond een grote tafel in inox en ook zijn bureau was uit het koude inox vervaardigd. Het was een materie die hij makkelijk kon ontsmetten. Moeder vroeg nooit wat hij in die kelder deed. Ze wou hem dat ene stukje privacy niet ontnemen. Misschien zou ze dat wel gedaan hebben als ze wist dat in de bovenste schuif van zijn bureau een set messen lag, ook vervaardigd uit inox. Daarnaast lagen er ook heel wat rollen ducktape in.   Ook al was het zaterdagochtend, toch stond André stipt om 6u30 op. Zijn moeder was al druk in de weer in de ouderwetse keuken. Alles stamde nog uit de jaren zestig met uitzondering van de microgolfoven. De kasten waren geschilderd in pastelblauw. Het fornuis werkte nog op gas. Er stond een oude SMEG koelkast en een ronde ontbijttafel. Tegenwoordig zou er veel geld betaald worden voor een dergelijke keuken. Het ontbijt stond al op tafel. Zelfs in het weekend gunde André zijn moeder geen vrije dag. Het idee dat er geen ontbijt zou zijn om 6u30 deed het vele haar op zijn rug overeind komen. Elke dag moest hetzelfde ritme hebben. In de microgolf stond zijn avondeten al klaar. Hij moest enkel nog aan de knop draaien tot er 3:00 verscheen op het schermpje. Het was hutsepot met worst, typisch Vlaamse kost, hetzelfde als gisterenavond. Dat deerde hem niet, zolang er maar warm eten was.   Het was twintig voor zeven. Andrés handen werden klam en zijn benen gingen op en neer alsof hij de 100 meter sprint aan het lopen was. Het was twintig voor zeven en zijn moeder zat nog altijd aan tafel. Ze had de voordeur al vijf minuten geleden achter zich dicht moeten trekken. “Moeder, je zal je trein nog missen. Het is al twintig voor zeven.” De onrust in André stroomde nu ook naar zijn vingers, die als bezeten over de tafel tokkelden. “Sorry jongen. Ik moet de tijd uit het oog verloren zijn.” “Hoe kan je nu de tijd uit het oog verliezen?” “Dat gebeurt, jongen, dat gebeurt.” “Nee, dat gebeurt niet. Je verliest de tijd niet uit het oog. Het is ondertussen al achttien voor zeven. Dat betekent dat je zeven minuten geleden al richting voordeur moest stappen.” “Maak je niet zo druk, jongen” suste ze. “Als jij op tijd vertrok hoefde ik mij niet zo druk te maken.” André moest zichzelf aanmanen om rustig te ademen. Als hij nerveus werd kon hij niet stilzitten. Gevolg: kreuken in zijn kleren en dat betekende problemen. Een start van een slechte dag, en zaterdag mocht absoluut geen slechte dag worden. Het was de dag dat hij stoom kon afblazen. En de in de week opgebouwde spanning los te laten. Maar nu werd die alleen maar groter.   Tien minuten later, een eeuwigheid voor André, stond zijn moeder op en liep richting voordeur. Ze haalde haar bontjas van de kapstok en vertrok richting station. Eindelijk kon hij rustig ademhalen. Zijn kleren stonken naar het zweet. Andere kleren aandoen behoorde niet tot de opties. Dit waren zijn zaterdagkleren. Hij kon onmogelijk die van morgen al aandoen. Dit was zijn moeders schuld. Waarom deed ze hem dit aan? Het was nochtans simpel, gewoon het vaste stramien volgen.   De voorgesmeerde boterhammen op zijn bord bleven onaangeroerd. Zijn ontbijt was verpest. Hij kon de sneetjes brood met aardbeiconfituur en boerenboter net zo goed in de vuilnisbak smijten. Nochtans zat de hond met een smekende blik naar André te kijken. Moeder gaf hem wel eens een restje, maar hij nooit. Boterhammen zijn voor mensen bedoeld, niet voor honden. Nee, zij eten hondenbrokken, speciaal voor hen gemaakt in de fabriek. André zette zijn kop koffie op het aanrecht, het onderzetbordje ernaast, daar nog eens naast het bord en het mes legde hij verticaal op het bord. Een buitenstaander zou denken dat André dit deed met een meetlint. Alles stond even ver van elkaar, elke dag opnieuw.   Het was zeven uur. De computer mocht aan. André had een halfuur de tijd om het dagschema van Vrouw 57 uit het hoofd te leren. Om tien uur verliet ze haar huis. Vermoedelijk om naar de yogales te gaan, een populaire bezigheid voor alleenstaande jonge vrouwen. Waar zou een opgerold matje anders voor dienen. Om 10u20 kwam ze aan bij het centrum waar de vermoedelijke yogasessie doorging. Omstreeks 11u30 zou ze het gebouw verlaten en een sigaret roken, die ze na gemiddeld vijf minuten zal doofde door de peuk op de grond te smijten en er met de tip van haar schoen heen en weer over draaien. Daarna ging ze naar huis om een douche te nemen, want die zou meer dan welkom zijn na de vermoedelijke yogales. Het huis zou ze om 14u opnieuw verlaten om boodschappen te doen. Aan de hoeveelheid te zien die ze wekelijks meehad is ze vrijgezel. Niemand zal haar missen. ‘s Avonds ging ze op café met enkele vriendinnen. Altijd café Damberd. Een voorspelbare vrouw van rond de dertig. Zo had André ze graag.     Om de resterende tijd te doden zette André de televisie aan, een primitieve beeldbuis die zijn ouders in de jaren negentig nog gekocht hadden. In de meeste interieurs zou hij niet meer passen wegens te volumineus. Tegenwoordig waren televisies maar vijf cm dik. André zapte tot hij Cartoon Network gevonden had. Behoorlijk kinderachtig voor zijn leeftijd, maar dat kon hem niet deren. Hij was de tekenfilms nog altijd niet ontgroeid. Hij kon bij zijn moeder eeuwig kind blijven. De slechterik met zijn Duits accent verscheen op het beeldscherm. André wist nu al dat die gedoemd was tot mislukken. Hij vond hem wel grappig, voornamelijk vanwege het Duits accent. Alsof alle criminelen afstamden van de Duitsers, sinds Hitler zijn Anschluss begonnen was. Ook in dat opzicht leek de slechterik op Hitler. Hij was steeds gedoemd om te mislukken.   Het was tijd om te vertrekken. André nam zijn schoenen, die keurig naast de kapstok in de gang stonden. Hij schoof zijn voeten erin en strikte zijn veters tot de vier lussen even groot waren. Met zijn handen wreef hij even over zijn broek om zich ervan te vergewissen dat er geen kreuken in zaten. Hij nam zijn jas en maakte pas naar het huis van Vrouw 57. Hij kwam aan om vijf voor tien. Nog vijf minuten en de vrouw kwam buiten. Nog vijf minuten en hij mocht zijn eerste sigaret van de dag roken. Om niet verslaafd te worden had hij zichzelf op een dieet van drie sigaretten per dag gezet. De eerst om tien uur, de tweede om vier uur in de namiddag en de laatste om tien uur ‘s avonds. Het werkte bijzonder goed voor hem. Hij rookte nooit meer, hij rookte nooit minder. Iedere dag exact drie sigaretten.   Vrouw 57 verliet haar woning met het matje onder de arm, toen André net een sigaret opgestoken had. Het gaf hem de kans om een onopvallende houding aan te nemen. Hij was de man die een sigaret aan het roken was. André volgde haar vanop een afstand naar het sportcentrum. Vrouw 57 droeg een spannende broek in stretchstof en een wijde trui. Niet bepaald de meest sexy outfit, maar toch kon ze ermee wegkomen. Niet dat André op die manier aandacht had voor vrouwen. Nee, het enige wat hem kon schelen was hun burgerlijk status. Getrouwd. Samenwonend. Latrelatie. Knipperlichtrelatie. Vrijgezel. Enkel de laatste categorie kon op zijn interesse rekenen.   Eenmaal keek vrouw 57 achterom. Andrés hart stond even stil. Ze zou toch niet doorhebben dat hij haar aan het schaduwen was. Haar route verschilde niet van andere zaterdagen en dat stelde André gerust. Nu ze binnen was, had hij exact een uur voor de vrouw terug buiten zou komen. Hij haalde zijn sudokuboekje boven. De ideale manier om scherp van geest te blijven. Zijn record was 12 sudoku’s – allen van vijfsterren niveau – in een uur oplossen. Iedere keer probeerde hij het record te verbeteren, al was daar nog weinig ruimte voor over. Vijf minuten per sudoku was bijzonder snel. Hij startte aan de eerste sudoku. Vier minuten en twintig seconden. Een goede start Als hij zo verder ging zat het record er vandaag wel in, maar bij de derde sudoku ging het mis. Plots moest hij aan zijn moeder denken en de ergernis die ze ‘s ochtends bij hem opgeroepen had. De concentratie was weg, net als het record. Tegen zijn natuur in smeet hij het boekje weg in plaats van het uur te vol te maken. De drang om een sigaret te roken werd groot, maar hij durfde het lot niet verder te tarten.   De vermoedelijke yogasessie was gedaan. Vrouw 57 hield zich nog altijd getrouw aan haar schema. Ze rookte een sigaret en ging naar huis. André had nu even de tijd om naar huis te gaan en te eten. Eindelijk kon hij toe geven aan het protest dat zijn maag de hele ochtend al aan het voeren was. Ook de maag eist regelmaat en wil niet dat een ontbijt overgeslagen wordt. De boterhamen voor ’s middags waren al voorgesmeerd door zijn moeder. Crème paté. Een waarlijk feest voor André. Op weekdagen at hij afwisselend boterhammen met kaas of hesp. De zaterdag at hij er met crèmepaté en zondag met hoofdvlees en mosterd.   Stipt om veertien uur stond hij terug aan de huis van de vrouw. Hij volgde haar naar de Delhaize. Zijn auto, een blauwe Peugeot Partner, had hij al in het steegje geparkeerd. Zo zou hij haar te voet ongestoord kunnen volgen. Doelloos liep hij rond in de winkel. Andere mensen zouden uit schuldgevoel iets kopen, maar niet André. Hij had niets nodig en kocht dus niets. Eenvoudiger kon het leven niet zijn. Vrouw 57 verliet het grootwarenhuis met twee goedgevulde zakken, die protesteerden onder het gewicht. Het plastiek boog zwaar door, maar begaf het net niet. De vrouw sloeg het steegje in toen de linkse zak zwichtte door het gewicht. Alles viel op de grond. Gebroken eieren. Melk. Gerookte zalm. Witte wijn. Chips. Chocolade. Rucola. Pijnboompitten. André snelde haar te hulp. André zag zijn kans schoon en drukte een doek tegen haar mond toen ze de fles witte wijn opraapte.   Zo snel hij kon sleepte hij haar naar de auto. De aders in zijn hals barstten bijna uit hun voegen door de inspanning. Hij hoorde voetstappen zijn richting uitkomen. André kroop achter zijn stuur en vertrok terwijl de boodschappen nog over de grond verspreid lagen. Hij kon geen risico’s nemen. Zijn moeder zou het nooit overleven als hij ontmaskerd werd. De schande, ze zou het nooit te boven komen. Niemand was hem meer lief dan zijn moeder, die ondanks haar fouten zo goed voor hem was.   In nog geen tien minuten had hij de wagen met de vrouw in de koffer voor het huis geparkeerd. In gedachten zag hij het bloed al uit haar lichaam gutsen. Het zorgde voor rust in zijn hoofd. Hij dacht aan niets meer. Geen nood aan regelmaat. Niet de neiging om alles te moeten tellen. Nee, zijn hoofd was leeg. Toch wist hij uit ervaring dat dat gevoel maar van korte duur zou zijn. De spanning, de regelmaat en de frustratie zouden het snel weer overnemen van de rust. Wel zal alles weer van tevoren zijn en zou hij een nieuwe prooi moeten zoeken. André deed de garagepoort open en reed naar binnen. Hij had nog ongeveer vijftien minuten vooraleer vrouw 57 opnieuw wakker zou worden. Zo snel als hij kon droeg hij haar de kelder. Ze moest dood voor ze terug bij bewustzijn kon komen. André genoot niet van het zien van lijden. Iedere vrouw doodde hij met een vorm van respect. Behalve zijn eerste slachtoffer. Haar gezicht achtervolgde hem nog steeds in het donker van de nacht. Het was een lange lijdensweg geweest voor beiden. Een doodstrijd van tien minuten. Tien messteken had hij nodig gehad. Maar het gevoel van rust dat hem nadien overspoeld had, gaf hem de kracht om door te gaan. Sindsdien zorgde hij ervoor dat de vrouwen steeds verdoofd waren.   Hij legde de hulpeloze vrouw op de tafel. Uit voorzorg plakte hij haar vast met ducktape. Als ze dan toch bij bewustzijn zou komen, kon ze alvast niet meer weglopen. Nog vijf minuten had hij. André streek zijn vingers door haar haren. Aaide haar wangen. Kuste haar buik. Hij besefte dat hij dit nooit zou kunnen doen met een vrouw die niet tot de dood veroordeeld was. De laatste minuten van vrouw 57 waren aangebroken. André stapte naar achteren en deed zorgvuldig zijn kleren uit zodat er geen kreuken zouden inkomen.

Thomas Jacques
0 1

Problemen op zee

Dennis keek naar de zee, en hij zuchtte. Tijdens het schooljaar woonde Dennis in een huis met zijn ouders. Hij ging dan naar school zoals de andere kinderen in zijn dorp. Maar tijdens de schoolvakanties moest Dennis altijd naar zijn oma … zijn Piraten-oma op haar schip. “Verveel je je, jongen?” vroeg Peter. “Tja...” zei Dennis. “Wablieft?” vroeg Peter Peter was een knappe matroos. Een paar jaar geleden was hij tijdens een gevecht gewond geraakt aan zijn hoofd. Sindsdien hoorde hij niet zo goed meer.  Je moest altijd een beetje roepen als je tegen hem praatte. “IK MIS MIJN VRIENDEN!” zei Dennis. “Dat begrijp ik.” zei Peter. “IK WOU DAT IK KON VOETBALLEN!” zei Dennis. “Kom met mij mee het kanon kuisen,” zei Peter, “dan leer ik je straks verder banjo spelen.” Dat was leuker dan niks doen. “OKEE DAN!” riep Dennis.   In de stuurhut was oma met de stuurman aan het praten. De stuurman was een magere man met een snor. Zijn snor hing een beetje naar beneden, net als zijn broek die altijd afzakte. Oma's smartphone rinkelde. Tegenwoordig hadden alle piraten een gsm. Ze nam de telefoon op en zei: “Hallo, met oma.” “Dag mevrouw oma,” klonk er aan de andere kant van de lijn, “het is hier met Ronny. Ik heb een groot probleem. Misschien kan jij me helpen.” “Wat scheelt er, Ronny?” vroeg oma. “Mijn schip is vastgelopen op een zandbank bij de Krabberotsen, en nu krijg ik het niet meer vooruit of achteruit.” zuchtte Ronny. Ronny was ook een piraat. Oma kende hem al van vroeger op de Piratenschool. Nu had hij een eigen schip, en ging hij vaak op schattenjacht. “Ai Ronny, zit je schip helemaal vast? Dat klinkt niet goed...” zei oma. “Heb je al geprobeerd om met roeispanen uit de zandbank te roeien?” “Ja, maar dat is niet gelukt.” zei Ronny. “En heb je al geprobeerd om het schip los te duwen?” vroeg oma. “Ja dat ook al,” zuchtte Ronny, “maar dat lukt ook niet.” Oma dacht eventjes na. “Blijf waar je bent,” zei ze, “ik kom eraan.” “Oke,” zei Ronny, “bedankt.”   Oma had al een plannetje in haar hoofd. Ze vroeg aan de stuurman om snel naar de Krabbenrotsen te zeilen. Dan ging ze Peter zoeken. Ze vond hem samen met een vuile Dennis bij het grote propere kanon. “Ronny zijn schip zit vast in een zandbank.” zei oma. “Wablieft?” zei Peter. “RONNY ZIJN SCHIP ZIT VAST IN EEN ZANDBANK! WE GAAN HEM HELPEN! PETER, VERZAMEL ALLE MATROZEN OP HET DEK!” “Wat ga je doen, oma?” vroeg Dennis. Hij vond het niet leuk dat Ronny problemen had, maar vond het ook wel spannend. “Ik heb een plan...” zei oma.   Toen de matrozen op het dek verzameld waren, ging oma op een stoel staan en riep ze: “MATROZEN, DOE ALLEMAAL JULLIE KLEREN UIT!” De matrozen keken verbaasd. Ze deden hun hemden uit en hun broeken. Ook de lapjes die sommigen op hun hoofd droegen, deden ze uit. Oma had een tafeltje klaargezet met daarop haar naaimachine, en ze begon alle kleren aan elkaar te stikken. Dennis keek naar de blote billen van de matrozen, en hij moest lachen. Matrozen zien er toch minder stoer uit zonder kleren aan. Intussen waren ze dicht bij het schip van Ronny. Dat schip bewoog niet, zelfs niet op-en-neer met de golven. “Stop hier maar, stuurman!” zei oma. “Het wordt te ondiep. Laat een reddingsbootje in het water, dan roei ik met Peter naar Ronny." “Mag ik ook mee?” vroeg Dennis. “Ja natuurlijk schat.” zei oma. Ze roeiden naar het andere schip met de bundel kledingstukken in hun bootje. Ronny stond hen al op te wachten. “Bedankt om te komen, oma.” zei Ronny. “Ik weet echt niet hoe ik dit kan oplossen.” Oma klopte hem zachtjes op de schouder. Ze vroeg aan Ronny's matrozen om de bundel kledingstukken aan grote touwen vast te maken. “Trek nu zo hard jullie kunnen!” riep oma. De matrozen trokken met alle macht aan de touwen. De grote lap van broeken en piratenhemden ging omhoog langs de mast … en het schip bewoog! “Wat slim!” riep Ronny uit, “Oma, jij hebt de kledingstukken aan elkaar genaaid tot één groot zeil!” Oma glimlachte. Het schip kwam zachtjes los uit het zand, en vaarde naar het diepere water. Ronny was gered. “Oma, hoe kan ik je bedanken?” vroeg Ronny blij. “Geef al mijn matrozen maar een lekker warme kop chocolademelk” zei oma, “want ze staan al een halfuur in hun blootje en ze krijgen het koud.” Dennis kuste oma op haar wang. “Jij bent de coolste oma van de wereld!” zei hij.

tante Betje
0 0

Roes in Spanje

Het was hun eerste reis samen en meteen ook hun laatste. Als vier musketiers stonden ze te wachten op de bus richting Spanje. Bijna kon hun feesttrip, want daarvoor gingen ze naar Salou, niet doorgaan omwille van Louis. Hun ouders hadden enkele voorwaarden gesteld voor de reis , waaronder hun a-attest halen. Pieter-Jan, Michiel en Lise-Marie behaalden hun a-attest met glans, maar Louis was maar op het nippertje geslaagd. Dat Frans niet echt zijn ding was, had gebleken uit zijn schoolresultaten, die iedere maand in het rood verschenen waren op zijn rapport. Het had er niet bepaald rooskleurig uit gezien, maar Louis was hardnekkig in zichzelf blijven geloven. Meer dan terecht, want tegen ieders verwachting in had hij zijn a-attest behaald en stond nu, samen met zijn drie vrienden op de bus te wachten. Maanden hadden ze uitgekeken naar deze vakantie zonder ouderlijk toezicht. Allen hadden ze doorheen het jaar een studentenjob aangenomen om de kosten te kunnen dekken met uitzondering van Pieter-Jan. Zijn ouders waren niet slecht bedeeld waardoor hij alles in zijn schoot geworpen kreeg. Nooit hoefde hij zijn handen vuil te maken. De meeste jongeren zouden jaloers geweest zijn, maar niet Michiel, Louis en Lise-Marie. Ze gunden het hem. Al had dat eerder te maken met de vele traktaties van Pieter-Jan.   De bus kwam aangereden. De jongens kozen hun plaats strategisch in de rij om zo hun kans te vergroten om naast Lise-Marie op de bus te kunnen zitten. Ze mocht dan wel bij de vriendengroep horen, toch was ze een meisje en dus doelwit van de drie andere jongens. Ze voerden een onderlinge strijd om als eerste Lise-Marie op hun lijst van overwinningen te kunnen plaatsen. Als het van Lise-Marie afhing, zou ze nooit op één van hun lijstjes terechtkomen. Ze wou hun jarenlange vriendschap niet op de helling plaatsen voor een simpel avontuurtje. Daarbij zouden de twee verliezers op het diepst van hun ziel getrapt worden. Al wou ze eigenlijk, als ze eerlijk met zichzelf was, wel even de lakens met Pieter-Jan delen.   Lise-Marie stapte als eerste de bus op en knipoogde naar Pieter-Jan en de anderen. Ze hield ervan hen te plagen. De jongens keken elkaar een fractie van een seconde aan en spurtten de bus op. Ze had het weer eens slim gespeeld, dacht Pieter-Jan. Lise-Marie was op het midden van de achterbank gaan zitten, zodat niemand van de jongens haar alleen kon opeisen voor de acht uur durende busrit. “Kom jongens, er is hier plaats voor ons allemaal op de achterbank” riep Lise-Marie, terwijl ze opnieuw knipoogde. De ontgoocheling droop van hun gezicht. “Kom kom, geen pruillipjes, je weet toch dat hier de stoutste dingen gebeuren.” Iedereen schoten in de lach, ze wisten dat er gedurende de hele busrit niets zou gebeuren.   Louis liet zijn hand even over de binnenzak van zijn jas glijden om te kijken of het zakje XTC er nog steeds in zat. Ze zouden allemaal voor het eerste drugs nemen. Al was dat niet geheel correct. Ze hadden alle vier al cannabis gerookt, maar dat telde volgens hen niet mee. Men kon cannabis toch niet als drugs gaan beschouwen? Iedereen deed het en in Nederland was het legaal. Nu wilden ze echter meer. Alcohol en cannabis waren niet voldoende meer om goed te feesten. Ze wilden iets zwaarder, iets waardoor ze volledig los zouden gaan. Louis kende via via iemand die XTC pillen verkocht, de beste van de markt, als je de dealer mocht geloven.   Aanvankelijk had Lise-Marie het plan afgekeurd. Voor haar was cannabis meer dan voldoende. Ze had geen nood aan iets sterker en XTC was veel te gevaarlijk. Het waren hard drugs die voor ernstige verslavingen zorgden. Ze liet zich echter overtuigen door Michiel, die zijn bijnaam ‘de advocaat’ alle eer aandeed. De examens waren net gedaan. Ze hadden een bak bier gekocht en lagen luilekker in het gras terwijl de ene pint na de andere achterover gekapt werd. Louis bracht het idee nog eens naar boven want het was nu of nooit om de pillen te kopen. “Ik vind het nog steeds geen goed idee,” reageerde Lise-Marie meteen. Ze was bang dat het slecht zou aflopen. “Maak je maar niet al te veel zorgen” zei Michiel. “Ik heb alles opgezocht. Die pilletjes hebben geen geheimen meer voor mij.” “Geen zorgen maken? Ben jij dan niet bang dat je er verslaafd aan zult raken?” vroeg Lise-Marie aan Michiel, terwijl Pieter-Jan en Louis zich op de achtergrond hielden. Michiel moest glimlachen en hield zijn Jupiler in de lucht terwijl hij verkondigde dat de kans om verslaafd te raken aan alcohol vele malen groter was dan aan XTC. Lise-Marie fronste haar wenkbrauwen “Maar dat is toch onmogelijk? XTC is harddrugs. Hoe kan het dan minder verslavend zijn dan alcohol?”. “Die opsplitsing tussen hard- en softdrugs is absurd, Lise. Ik heb alles opgezocht en nu en dan eens zo’n pilletje kan geen kwaad.” Michiel raakte op dreef. Hij somde alle risico- beperkende tips op, zodat Lise-Marie geen bezwaar meer zou hebben. Natuurlijk wist hij dat er heel wat risico’s verbonden waren aan druggebruik, maar dat kon hij Lise-Marie niet vertellen. Lise-Marie kon haast niet geloven dat Michiel zoveel wist over drugs en zo werd zij als laatste toch overtuigd om het in Spanje eens te proberen.   De bus naderde de grensovergang tussen Frankrijk en Spanje. Louis begon hevig te transpireren. Hij had 12 XTC-pillen op zak. Het waren er niet bijzonder veel, maar nog altijd te veel, om onder de categorie bezit-voor-eigen-gebruik te vallen. Als ze hem zouden betrappen zou de reis al eindigen vooraleer ze goed en wel begonnen was. Pieter-Jan en Michiel hadden gezien dat Louis niet echt zijn koelbloedige zelve bleef, dus besloten ze hem af te leiden. Ze begonnen over auto’s te discussiëren en welke dan wel de mooiste was. Volgens Louis bestond daar geen twijfel over, de mooiste auto was een Porsche 911. Michiel vond dat een te klassieke keuze. Nee, hij vond de Audi A5 de mooiste. Het gepalaver van de jongens verveelde Lise-Marie. Ze verstond niet hoe jongens zo lang over auto’s konden praten. Ze nam haar Cosmopolitan en bladerde er doelloos in. Louis’ hart sloeg enkele slagen over wanneer ze voorbij de douane reden. Die bleek onbemand te zijn, dus kon hij eindelijk weer rustig ademhalen.   Na enkele uren kwamen de vier vrienden aan in hun hotel. Ze checkten in en zochten hun kamers op. Louis, Michiel en Pieter-Jan deelden een kamer en tot hun spijt had Lise-Marie een kamer voor zich alleen. Dit was de tweede en laatste voorwaarde die hun ouders aan deze reis stelden. Lise-Marie moest een aparte kamer hebben. Het zou een rustige avond worden. Ze wilden de volgende dag fris en monter zijn om te kunnen feesten zoals ze het in Spanje nog nooit hadden gezien. Twee cervezas voor het slapen gaan konden er wel nog vanaf. Het was tenslotte vakantie.   Pieter-Jan was als eerste op. In tegenstelling tot zijn vrienden, kon hij niet lang slapen. Zij verlieten zelden het bed voor twaalf uur, schooldagen niet meegerekend. Voor Pieter-Jan kwam dit goed uit, want zo kon hij iedere dag gaan hardlopen en hoefde hij zijn conditie niet te verwaarlozen. Nochtans was het voetbalseizoen afgelopen en kon hij nu even alle remmen los gooien, zoals al zijn ploegmaats deden. Ze kwamen vaak met enkele kilo’s extra op de eerste training aan. Dat wou Pieter-Jan voorkomen, dus trok hij zijn loopschoenen aan en vertrok richting strand.   Toen Pieter-Jan de hotelkamer terug binnenwandelde, openden Michiel en Louis moeizaam hun ogen. Het was tien uur, veel te vroeg om op te staan. Michiel draaide zich nog even om toen Pieter-Jan de gordijnen opendeed. “Maak jullie maar klaar om te ontbijten, we hebben nog een uur voor het ontbijtbuffet sluit.” Michiel gromde. Louis verliet zijn bed onmiddellijk. De gedachten aan het ontbijt deed het water in zijn mond komen. Hij zag het al voor zich, croissants, pistolets, gekookte eitjes en niet te vergeten vers gebakken spek. “Komaan Michiel, opstaan! Lise-Marie zal hier binnen vijf minuten zijn.” Meer moest Pieter-Jan niet zeggen. Michiel sprong uit zijn bed en liep onmiddellijk naar de douche. Lise-Marie was al in de kamer toen Michiel nonchalant in zijn boxershort de badkamer verliet. Er verscheen een brede glimlach op zijn gezicht. Hij haalde diep adem om zijn sixpack nog meer te accentueren. Lise-Marie kon haar ogen niet van Michiel houden. Je zag niet zo vaak een jongen met zo’n volmaakt lichaam. Pieter-Jan herhaalde nog even de planning van de dag. Ze zouden eerst ontbijten, waarna ze naar de winkel zouden gaan. Dan zouden ze naar het strand gaan om erna nog iets te eten en te feesten.   De vier vrienden kwamen aan op het strand. Het zand kraakte tussen hun tenen. Een van de fijnste lichamelijke sensaties volgens Lise-Marie. Ze zochten een plaatsje waar ze vier grote badlakens konden neerleggen om hun territorium af te lijnen, als waren ze dieren die hun nest afbakenden door te plassen op de omringende bomen. Louis liep te hijgen. De koelbox met het bier en het fruit begon door te wegen. Hij vond het stom dat de helft van de box gevuld was met fruit in plaats van bier, maar volgens Michiel was het van essentieel belang om voldoende vitamines te eten. Louis kon niet anders dan instemmen, want Lise-Marie wou alle risico’s zoveel mogelijk beperken, anders wou ze niet meedoen met hun plannetje. Uiteindelijk vonden ze een rustig plaatsje langs de rotsen. Lise-Marie haalde “Confessions of a Shopaholic’ uit terwijl de jongens een potje gingen voetballen. Ook al kon ze beter opschieten met jongens en hield ze er veel mannelijke hobby’s op na, toch was voetbal niet haar ding. Ze mocht haar vrouwelijke kant niet verwaarlozen. Het gat veroorzaakt door gebrek aan vriendinnen vulde ze op met chicklits.   Ze spendeerden hun volledige namiddag op het strand. Het onderwerp drugs werd zorgvuldig vermeden. Allemaal waren ze zenuwachtig voor de avond. Nu ze terug in het hotel waren om te eten en zich klaar te maken voor het feest konden ze er niet meer om heen. “Is het echt wel een goed idee om de pillen te nemen?” Lise-Marie was nog steeds niet overtuigd. “Je kan je nu toch niet meer terugtrekken Lise, ik gaf een fortuin uit aan deze pillen” zei Louis terwijl hij een stuk tonijn achter de kiezen werkte. “Maak je geen zorgen Lise, ik weet wat ik doe, er zal niets verkeerd lopen” suste Michiel. Ze bracht er niets meer tegenin. Ze wist dat ze de jongens niet meer op andere ideeën kon brengen. Het niet doen was niet echt een oplossing, dan zou ze pas echt het kneusje van de groep zijn.   Met een gevulde maag en hipster outfit begaven ze zich opnieuw naar het strand. De club waar ze gingen feesten lag aan de dijk, waardoor het strand de ideale plaats was om de XTC te nemen. De drugs zouden er rustig kunnen opkomen waardoor ze niet overspoeld zouden worden door het effect. Louis viste het zakje met pillen op, haalde er twee pilletjes uit en gaf iedereen een helft. Lise-Marie was plots niet de enige meer die twijfelde. De halve pil lag te trillen in Pieter-Jan zijn hand. Hij vroeg zich af welk effect XTC zou hebben op zijn conditie. Was het wel een goed idee om als sporter drugs te nemen? Terwijl de pil nog steeds in Pieter-Jan zijn bevende hand lag, slikte Michiel als eerste zijn halfje door, snel gevolgd door Louis. Lise-Marie, de grootste twijfelaar, had het halfje nog eerder doorgeslikt dan Pieter-Jan.   Een halfuur ging voorbij. Ze voelden zich nog steeds normaal. Er was iets wat Michiel over het hoofd had gezien. Het effect van de pillen werd vertraagd door hun stevige avondmaal. Iedereen was duidelijk op zijn gemak gesteld omdat een halve pil geen enkel effect teweeg bracht. De andere helft zou dus nooit voor een te sterk effect zorgen. Synchroon slikten ze allen de andere helft in en begaven zich richting nachtclub.   45 minuten waren verstreken en nog steeds kwam het effect niet op. Ze hadden al moeten staan malen met hun kaken zoals koeien gras eten. Hun t-shirt had nat moeten zijn van het zweet en hun pupillen zo groot dat er bijna geen kleur meer in hun ogen zat behalve zwart en wit. Op navolgen van Michiel dronken iedereen een Redbull-Wodka. Plots was het daar. Michiels hoofd ging van links naar rechts, terug naar links, naar boven. Zijn hoofd schoot alle kanten op. Hij wist niet waar eerst te kijken. Hij werd een vreemde spanning gewaar in zijn gezicht. Zijn voeten kon hij niet meer stil houden. Het was alsof hij John Travolta’s dansschoenen had aangetrokken. Louis werd plots zelfzeker en stapte op het mooiste meisje in de club af. Althans, hij vond ze de knapste.   “Michiel, Michiel, ik voel me niet goed. Alles draait godverdomme.” Pieter-Jan keek alle kanten op. Er waren te veel prikkels. Hij begreep ze niet. “Michiel, godverdomme wat gebeurt er met mij”. Het zweet droop van zijn gezicht en zijn ogen draaiden alle kanten op, dat Michiel het zelf even angstig vond. “Rustig Pieter-Jan, ge zijt aan het flashen, ga even naar buiten een frisse neus halen”. Pieter-Jan volgde onmiddellijk zijn raad op, al was het niet zo makkelijk om de uitgang te vinden. Zijn lichaam moest zich nog aanpassen aan de nieuwe stoffen die door zijn bloed raasden. Al snel werd het rustiger in zijn hoofd. Pieter-Jan ging opnieuw naar binnen en voelde een stroom muziek zijn kant opkomen zoals hij nog nooit eerder gevoeld had. Hij wandelde de liefdeswereld van de XTC binnen. Hij schaarde zich bij Michiel en danste alsof zijn leven er van afhing. Niemand lette echter op Lise-Marie. Niemand had opgemerkt dat het compleet fout ging met haar. Ze hing in de damestoiletten met haar hoofd boven de wc. Het braaksel bleef maar uit haar mond gulpen. Het laatste waar ze aan dacht voor ze buiten bewustzijn raakte, was dat ze nooit meer drugs zou nemen.   De drie jongens werden overmoedig. Van helder nadenken was geen sprake meer. Hun mond werd droog en dat verhielpen ze door het ene glas Vodka-Redbull na het andere binnen te kappen. Hun hart sloeg overuren. Michiel wist nochtans dat je de combinatie alcohol-XTC beter kon vermijden, maar alles was zo leuk dat hij liever niet nadacht. Hij liet het over zich komen zoals het zich opdrong. Hij keek naar Louis, die steeds opnieuw zijn lippen tuitte. Hij wisselde gekke bekken aan een snel tempo af. De deejay werkte naar een climax toe. De beats versnelden en kwamen steeds harder aan. De dansvloer reageerde als het perfecte publiek. Ze dansten, ze juichten en het drinktempo werd verhoogd.   Uit het niets verscheen Lise-Marie op de dansvloer. Ze was lijkbleek. Haar ogen gleden angstig over de enthousiaste massa. Een ander meisje had haar in de toiletten gevonden. Ze had haar naar het Rijk Der Levenden teruggebracht, door water in haar gezicht te plenzen. Lise-Marie stond dan wel weer op haar benen, ze voelde zich zeker niet goed. Ze wou het liefst terug gaan naar het hotel en in bed kruipen. De weg naar het hotel wist ze niet meer. Ze moest de jongens vinden. Wanneer ze bij de uitgang van het toilet kwam was daar ineens een fel licht. Een dreunende bas. Overal geluid. Voeten. Veel bewegende voeten. Hoofden. Alle hoofden keken naar haar. Iemand raakte haar aan. Ineens moest ze lachen. Alles zou in orde komen. Zonder dat ze het zelf merkte bewogen haar voeten op de maat van de muziek. Handen op haar heupen. Een knappe Spanjaard. Het goede gevoel dat zo-even aanwezig was, verdween opnieuw. De beats werden sneller, alsof ze automatisch uit een machinegeweer gevuurd waren. Alles begon rond Lise-Marie te draaien. Zweetdruppels van angst liepen over haar gezicht. Ze moest de jongens vinden. Ze kon dit niet meer volhouden. Zoveel prikkels. Zoveel licht. Zoveel mensen. Haar ogen gleden schichtig over de dansvloer. Ze liep ongecoördineerd van de ene kant van de club naar de andere. Hoe kon ze hen in hemelsnaam vinden? Haar gsm. Hij zat in haar zakken. Het lukte haar niet om de gsm te ontgrendelen. Haar handen beefden. Het scherm was wazig. Mensen liepen langs alle kanten tegen haar aan.   Lise-Marie werd steeds angstiger. Ze liep als opgejaagd wild rond op de dansvloer, bang om het fatale schot in de nek te voelen. Het leek uren te duren – in werkelijkheid 45 minuten – vooraleer ze Pieter-Jan en Michiel vond. “Michiel, ik wil hier weg.” Het zweet parelde op haar voorhoofd. Ze keek schichtig heen en weer. “Ben je gek? Het feest is nog maar begonnen”, hij kon zijn glimlach niet onderdrukken. “Ik wil naar het hotel. Nu!” “Komaan, dat meen je niet?” Lise-Marie begon te wenen. Hoe kon ze hem uitleggen dat alles fout liep? “Ik … ik kan niet meer. Alles duizelt.” “Doe niet zo flauw. Drink gewoon even een glas water en neem een hap frisse lucht.” “Asjeblieft, breng me naar het hotel.” Ze keek Michiel aan met een blik die zelfs bambi niet kon opzetten. “Godverdomme Michiel, je ziet zelf toch dat ze niet oké is.” Pieter-Jan besefte dat ze echt op was. Lise-Marie was lijkbleek. Stond te beven op haar benen. Haar ogen konden zich niet langer dat twee seconden op iets focussen. Naar het hotel gaan was de enige oplossing. “Aanstellers.” Michiel draaide zich om een danste verder. Pieter-Jan trok aan Michiels schouder om zijn aandacht terug te krijgen. “We brengen haar naar het hotel. Daarna kunnen we terugkomen en feesten.” “Het is al goed, je moet daarom nog niet zo hard aan mijn schouder trekken.” “Zoek jij even Louis? Hij kan beter meekomen, anders vinden we hem nooit meer terug.”   Pieter-Jan ging met Lise-Marie naar buiten, terwijl Michiel op zoek ging naar Louis. Lise-Marie sloeg haar arm rond Pieter-Jans nek om haar evenwicht niet te verliezen. Michiel vond Louis in de armen van een Spaans meisje. Ze kusten alsof het hun laatste kus ooit was. Michiel onderbrak hen en nam een morrende Louis mee naar buiten.   Op weg naar het hotel moest Lise-Marie ondersteund worden door Michiel en Pieter-Jan. Ze kon niet meer op haar eigen benen steunen. Ze wist niet hoe ze haar voeten voor elkaar moest zetten. Gezapig gleed ze terug in haar roes. Onverstaanbaar lispelde ze hoeveel ze wel niet hield van de jongens. Louis liep gefrustreerd achterop. Hij was zo geil als een stier, maar één die niet scoren zou. Vol van verlangen keek hij naar Lise-Marie. Zij was mooi. Hij kon haar verleiden deze avond. Nu, hij drugs genomen had durfde hij zijn kans te wagen. Een nieuwe vorm van zelfvertrouwen overschaduwde hem. De enige moeilijkheid was ervoor te zorgen dat hij alleen met haar kon zijn. Daar zou hij wel iets op vinden in het hotel.   Michiel en Pieter-Jan legden Lise-Marie op haar bed. Ze kon geen woord meer uitbrengen. Haar ogen bleven gesloten. Michiel kleedde haar uit, daar lag ze in haar ondergoed. De jongens konden hun ogen niet van haar afhouden. Pieter-Jan voelde zich gegeneerd en wendde zijn blik van haar af. Michiel boog zich over Lise-Marie en begon haar borsten te strelen. Eerst onschuldig. Dan steeds harder. Steeds dwingender. Louis voelde zijn penis verharden in zijn broek. Ook hij stond nu naast het bed. Hij liet zijn hand over haar andere borst glijden. Pieter-Jan wist niet wat hij zag. Hij wou hen stoppen. Hij wou roepen. Hij wou iets doen, maar hij ontvluchtte de kamer en rende naar het strand. Hij verdrong wat hij net gezien had en staarde in het niets. Was hij een lafaard? Misschien wel, maar hij deed op zijn minst niet mee.   Al snel vond Louis het niet voldoende om Lise-Marie’s borsten te strelen. Hij trok haar slipje uit. Ze spartelde niet tegen. Ze besefte niet wat haar overkwam. Lise-Marie bevond zicht ergens in het ijle tussen roes en werkelijkheid. Louis liet zijn vingers tussen het zachte warme vlees naar binnen glijden. Michiel twijfelde. Hij wist dat het fout was, maar had een onweerstaanbare drang naar meer. Lise-Marie kreunde. Hij interpreteerde het als een aanmoediging en knoopte zijn broek los. Louis’ vingers gleden nog steeds in en uit Lise-Marie terwijl hij met zijn vrije hand zijn eigen lid beroerde. Hij kreunde, steeds luider, het hoogtepunt diende zich bijna aan toen Michiel hem wegduwde. Ze spraken geen woord met elkaar. Ze vermeden elkaars ogen alsof ze bang waren om de perversheid in elkaar weerspiegeld te zien.   Michiel hees zich boven Lise-Marie en liet zijn penis met enige moeite in haar glijden. Een rilling ging langs zijn rug. Nog nooit had hij zoiets heerlijk gevoeld. Het was alsof hij het Nirwana bereikt had. Veel intenser dan het gelukzalige gevoel dat hij kreeg door XTC. Al zat de drugs er ook voor iets tussen natuurlijk. Het duurde slechts één minuut voor hij klaarkwam. Hij nam vlug zijn kleren en verliet de kamer. Louis bleef alleen achter in de kamer met Lise-Marie. Eindelijk kon hij alleen zijn ding doen en dat deed hij ook.   Het was vijf uur in de ochtend en nog steeds zat Pieter-Jan op het strand. Naar de hotelkamer durfde hij niet meer te gaan. Hun vriendschap zou voor eeuwig veranderen en dat wou hij nog niet onder ogen zien. Evenmin als de schaamte die hij voelde. Waarom had hij Lise-Marie niet beschermd tegen die klootzakken? Waarom was hij altijd bang voor confrontaties met anderen? Hij wou dat de wereld als een voetbalveld was. Alles was er zo eenvoudig. Daar was hij de man. Hij speelde als spelverdeler op de nummer tien. De scheidsrechter zorgde ervoor dat alles in goed banen verliep en strafte waar nodig. Michiel en Louis zouden beiden rood gekregen hebben met eeuwige schorsing tot gevolg.   Handen flitsten voor haar ogen. Ze kwamen van overal. Ze gleden over haar borsten. Ze gingen naar binnen. Ze had willen roepen, maar haar stem vond ze niet meer. Beetje bij beetje drongen de beelden van afgelopen avond zich aan Lise-Marie op. Tranen stroomden over haar gezicht. Een massa vragen welden in haar hoofd op. Waarom had ze niets kunnen doen? Waarom had ze hen niet kunnen stoppen? Een vies gevoel besloop haar. Hoe vaak ze in de douche ook over haar lichaam schrobde, het vieze gevoel wou maar niet weggaan. Vervloekte drugs, dacht ze. Waren de beelden echt? Waren de jongens echt tot zoiets in staat? Of was alles slechts een nachtmerrie? Ze rende naar het bed en smeet de lakens op de grond. Geen twijfel mogelijk. Er zaten vlekken verspreid over het hele bed. Haar hoofd stond op barsten. Opnieuw schoot de ene vraag na de andere door haar hoofd. Ze moest zich concentreren op wat er gebeurd was. Het laatste wat ze zich kon herinneren was het moment dat ze boven de wc-pot hing in de club. Daarna enkel losse beelden. Schuldgevoel. De drugs hadden ze nooit mogen nemen. Het was geen goed idee, zoveel was nu wel duidelijk.   Het werd stilaan druk op het strand waar Pieter-Jan nog altijd verweesd zat. Gelukkige gezinnen. Verliefde koppels. Koelboxen met lunch. Koelboxen met bier. Frisbees zweefden boven zijn hoofd. Ballen gingen van voet tot voet. De wereld kon hij niet stilzetten. Tussen het gejoel kon hij plots Michiel en Louis onderscheiden. Weggaan was het enige waar hij aan kon denken. Het hotel was veilig nu. Hij rende terug en stopte aan de kamer van Lise-Marie. Twijfelde. Liep door.   Hijgende figuren kwamen op Lise-Marie af. Het schuim stond op hun lippen. Over haar hele lichaam tastende handen. Kleren werden afgerukt. Ze wou om hulp schreeuwen, maar ze kon niet roepen door de draden die in haar lippen genaaid waren. Badend in het zweet werd Lise-Marie wakker. Afschuwelijke beelden bleven haar ook in haar dromen volgen. Een koude douche kon de nieuwe stroom aan herinneringen niet tegenhouden.Iets in haar mond. Een vieze smaak. Michiel op haar. Louis op haar. Plakkerige smurrie op haar borsten. Ze moest kokhalzen. Ze sprong uit de douche en rende naar het toilet. Er werd op de deur geklopt. Lise-Marie wou niet opendoen. Het idee iemand in de ogen te moeten kijken kon ze niet verdragen. Of erger iemand van de jongens in de ogen moeten kijken. Na enkele minuten ging ze voorzichtig door het kijkgat in de deur kijken. Er was niemand meer. Ze deed haar deur op een kiert. Er stond een plateau met eten voor haar voeten. Honger had ze niet, maar toch probeerde ze iets te eten.   Pieter-Jan lag al enkele uren in bed wanneer Michiel en Louis stomdronken de kamer binnen waggelden. De hele dag hadden ze op het strand gezeten alsof er niets aan de hand was, maar dat was slechts een pose. Ze durfden beiden de confrontatie met zichzelf niet aangaan. De drank was het enige wat rust in hun hoofd kon brengen. Louis wou nog een pil nemen. Het euforische gevoel terughalen, maar tot zijn spijt had Michiel de overige pillen in zee gesmeten. Niemand zou ze nog kunnen nemen, tenzij de vissen.   Ook al was het te laat, Pieter-Jan wou Lise-Marie helpen. Haar laten weten dat ze er niet alleen voor stond. Hij zou drie keer per dag een maaltijd voor haar deur plaatsen, net zoals hij gisteren gedaan had. Op het plateautje legde hij een kaartje met zijn naam erop. Zijn manier om sorry te zeggen. Meer kon hij niet. Hij klopte aan. Liep weg. Keek voorzichtig van om de hoek of de deur openging.   Lise-Marie haalde de plateau met eten binnen, waarvan ze enkel het potje yoghurt opat. Haar maag kon nog steeds niet veel eten verdragen. Ze zag het briefje met Pieter-Jans naam liggen. Het was nu dat ze voor het eerst aan hem dacht. Ze besefte nu pas dat Pieter-Jan niet voorkwam in de steeds terugkerende gedachten. Waarom kon ze zich niets van hem herinneren? Was hij niet in de kamer? Had hij niet mee gedaan met die perverse klootzakken? Lise-Marie dacht goed na. Pieter-Jan had haar op het bed gelegd, maar daarna kon ze niets van hem herinneren. Vond hij haar niet mooi genoeg om mee te doen met de anderen? Nee, dat was absurd.   Nog twee dagen en de reis was afgelopen. Lise-Marie had haar kamer nog steeds niet verlaten. Pieter-Jan bleef getrouw eten voor haar deur zetten. Hij durfde nog altijd niet aan te kloppen. De schaamte die hij voelde kon hij nog altijd niet overwinnen. Was hij maar tussengekomen, dan was dit alles niet gebeurd. Michiel en Louis waren enkel in het hotel om te slapen. Pieter-Jan was daar niet rouwig om, want hij had nog altijd geen idee wat hij zou moeten doen als ze echt voor elkaar stonden.   Deze keer zou ze Pieter-Jan niet zomaar laten weggaan na het kloppen, dacht Lise-Marie. Ze moest en zou hem spreken. Er waren vragen die beantwoord moesten worden. Ze wou hem zeggen dat ze dankbaar was dat hij voor haar zorgde. Door het kijkgat zag ze Pieter-Jan met een plateau door de gang naar haar kamer wandelen. Zodra de plateau de grond raakte, opende ze de deur en nam Pieter-Jan vast. Hij bleef stijf staan en wist zichzelf geen houding te geven. Zo stonden ze daar tien seconden. Waarom nam hij naar niet vast? Waarom deed hij niets? Er welde voor het eerst een boosheid in haar op. Ze liet Pieter-Jan los en deed de deur weer dicht. Tranen stroomden over haar gezicht. Waarom had hij de andere jongens niet tegengehouden? Hij kon alles stoppen. Was hij maar mondiger geweest. Daadkrachtiger.   De dag van de terugreis brak aan en nog steeds had Lise-Marie met niemand gesproken. Een keer had Pieter-Jan haar gezien, maar ze kon niets zeggen. Ze wou hem vastnemen en bedanken. Ze wou hem kussen. Dat wou ze allemaal, maar plots wou ze hem alleen maar slaan. Uiteindelijk had ze gewoon de deur dichtgedaan. Nu ze op de bus stapte besefte ze dat hij de schuldige niet was. Hij was de enige die de kracht had om de drang van de drugs te weerstaan. Ze dacht aan haar ouders. Alles moest normaal lijken voor de thuiskomst. Haar ouders mochten niets doorhebben. Ze kon niet bekennen dat ze drugs genomen had en zeker niet wat er gebeurd was. Ze zouden het niet aankunnen. Godverdomme, ze wist dat de drugs een slecht idee was. Ze wist het al die tijd en toch had ze toegegeven.   Op de bus nam Lise-Marie plaats naast Pieter-Jan. Haar hele lichaam trilde. Ze wou zijn hand vastnemen, geborgenheid voelen. Zijn hand bleef op haar dij liggen. Waarom was hij haar kamer niet binnengekomen toen haar deur op een kier stond? Het was een voorzichtige uitnodiging. Waarom durfde hij nooit risico’s te nemen? Waarom durfde hij nooit voor zichzelf of iemand anders opkomen? Alles kon zo gemakkelijk zijn. Alles was moeilijk. Niets was nog hetzelfde.   Louis en Michiel zaten verderop, hun blik naar beneden geslagen. Hun hart klopte in zesde versnelling. Ze waren bang. Zou Lise-Marie hen verraden? Zou ze klacht indienen bij de politie? Had ze bewijzen? Wat zou Pieter-Jan doen? Louis begon te zweten, net als tijdens de heenrit, alleen om ergere feiten deze keer.   Toen de bus stopte stonden hun ouders hen nietsvermoedend op te wachten. Pieter-Jan had de jongens net voor de aankomst gezegd dat ze niets te vrezen hadden, op vraag van Lise-Marie. “Kon ze dat niet eerder zeggen? Godverdomme, ik heb de hele rit in mijn broek zitten schijten voor niets?”. Het verwijt kwam eruit voor Louis het goed en wel besefte. ‘”Rustig Louis.” Michiel besefte dat ze geluk hadden . Hij was haar dankbaar. Tijdens het afstappen fluisterde hij “danku” in haar richting. Lise-Marie reageerde niet. Ze stapte af en gaf haar moeder een dikke knuffel. Allemaal vertelden ze verhalen die nooit plaats gevonden hadden. Lise-Marie verloor bijna de controle. Ze voelde de tranen opwellen. Haar moeder stond op het punt te vertrekken. Met een geveinsde glimlach zwaaide Lise-Marie naar Louis en Michiel. Toen liep ze naar Pieter-Jan, kust hem vol op de mond en verdween in de auto.  

Thomas Jacques
0 0

Omdat hij het is

Ik loop door de bijna verlaten stad. Gelukkig, ik ben er bijna. Ik vertraag mijn stap om wat bij te komen van het avontuur. De laatste trein naar Amsterdam en uitstappen op een bijna verlaten perron. Ik merk dat ik mijn adem inhoud. Gauw de hal nog door en dan de deur naar buiten. Er rijdt geen tram. Het gevoel in mijn buik alsof mijn darmen zich samenpersen wordt sterker. Jongleren op het Spui! Het lijkt wel een weddenschap van durf ik wel of durf ik niet. Ik hou van reizen. Ik hou van circus maar ik ben niet in het circus geboren zoals hij. We hebben enkel die vreemde passie gemeen. Het gooien van allerlei dingen in de lucht en dit combineren met praten over dingen in de wereld maar vooral over wat ons bezig houdt. Ik voel me weemoedig worden of is het verliefdheid? Een mengelmoes van verliefd zijn op het verleden en weten dat dit nooit meer terugkomt. Ik zie hem nu weer onverwacht voor de deur staan. De herkenning en meteen de klik en mijn ja zonder nadenken tegen de uitnodiging. Ik ga wat harder lopen op de muziek van de straatmuzikanten in de verte en zie hem zwaaien. We zijn precies hetzelfde. Het zweet loopt over mijn rug en staat op mijn voorhoofd. De schmink zal wel doorlopen. Achter mijn vermomming houdt de angst zich schuil en alle andere gevoelens. De koffer met ballen zeul ik voort en ik voel nog even of mijn hoedje goed zit. Het elastiekje om mijn kin knelt. De gele pruik met krullen jeukt verschrikkelijk. Hee hoor ik mezelf roepen en stap veertig jaar terug.

Nellie
0 0

Koffiekringen

Het moet inslaan als een bom, dacht Marc koortsachtig. In zijn witte overall, besmeurd met artistieke vegen olieverf, zat hij over het canvas gebogen dat hij twee weken geleden in Antwerpen had aangeschaft. De goegemeente moet gechoqueerd zijn, vervolgde Marc zijn gedachtegang, terwijl hij zijn penseel uit ponyhaar over het doek bewoog - op een paar centimeters erboven - in gedachten de grote lijnen van een toekomstig meesterwerk trekkend.   Hij likte hierbij aan het rechtertipje van zijn snor, dat af en toe in zijn mondhoek kroop. Hij wilde zijn tube Rembrandt cyaan pakken en een kort kwakje op zijn pallet uitsmeren, om het te mengen met wat kwikwit en de twee kleuren vervolgens met zijn plamuurmes open te smeren. Een sensuele ervaring, een beetje zoals lookboter maken, met je vingers door die hoeveboter ploegen, hemels! De gedachte een begin te maken aan het werk, er als het ware de conceptie, de coïtus van aan te vangen! Het zou Improvisatie nr. 1 heten (je moest toch ergens mee beginnen) en de conceptie vond plaats op de vibrerende broeierige kopertonen van de altsaxofoon van John Coltrane in het nummer Africa dat zijn vriend Dirk voor hem had overgetapet op cassette. Dirk was een echte jazzliefhebber en probeerde er ook zo uit te zien. Hij droeg een Amerikaanse vilthoed, een lange rode sjaal en een zwarte regenjas. Zijn snor was zorgvuldig bijgeknipt en zijn stoppelbaardje getrimd. Hier en daar scheen wel een beetje eczeem door, een zenuwaandoening te wijten aan de eeuwige financiële problemen van een jazzjournalist met een voorliefde voor single malt met buitensporige namen als Lafroaig, Glenmorangie en Bruichladdich. De metaalcassette van het merk TDK (een duidelijker geprononceerd hoog, enkel het allerbeste voor Coltrane) begon plots een langgerekte uithaal van Coltrane uit te rekken en kunstmatig te verhogen tot er een plop volgde, het geratel van een vastlopende cassettetape, geruis in de luidsprekers en daarna een droog gekraak, dat het einde van de geluidsgolven aankondigde.   Marc legde onverrichter zake de tube cyaan neer en voelde de inspiratie voor Improvisatie nr. 1 uit zijn vingers wegstromen, als water uit een gebroken fles. Had het een tintelend gevoel? Zat het er nog in vandaag? Zijn handen lagen op zijn knieën en de stof van zijn overall drukte op zijn handpalmen. Marc keek wazig voor zich uit en liet zich met een zucht van zijn barkruk zakken, op de betonnen vloer van het Kunsthuis.   Het Kunsthuis was een open atelier dat hij met zijn vriend Herbert twee maanden geleden had opgericht. Het was geen slechte plaats. Het had een loft in Soho of in Greenwich Village kunnen zijn: een oude opslagplaats op de eerste verdieping van een gewezen brouwerij, met gewelfde plafonds, gestut door drie rijen van telkens vijf gietijzeren pilaren, een ruwe betonnen vloer en witgekalkte bakstenen muren. Het enige minpunt was het tekort aan licht. De enige lichtbron was een houten doorgeefluik op het einde van de ruimte, maar dat was de helft van het jaar dicht wegens de kou. En de ligging. Lokeren was nu eenmaal geen New York. Geen bruisende kunstscene. Eerder een bruisende middenstand.   Binnenkort werd Marc er veertig. Wat had hij bereikt? Een paar schilderijtjes bij zijn familie op de muren en een halfbakken leventje in de slagerij. 'Voor de boter op de boterham,' had zijn vader gezegd. Tegen de tentoonstelling in de Kunstkring moest hij absoluut iets op doek hebben, zodat iedereen zag wat hij in zijn mars had.   Hij pikte opnieuw zijn penseel op en zette een voorzichtige streep op het canvas. Het licht van de tl-buis weerspiegelde in de natte verf en Marc kreeg het gevoel dat hij straks klaar zou zijn om een tweede streep te zetten. Het was nog niet helemaal duidelijk in welke kleur of welke vorm het uit zou gaan, maar het was een begin. Hij boog zich achterover en sloot zijn ogen tot dunne spleetjes om er hoogte van te krijgen.   Iets in de stijl van David Hockney zou wel mooi zijn. Een zwembad en een plons.   De geur van terpentijn en olieverf, scherp, vuil en romantisch, drong zijn neusgaten binnen.   Montparnasse! Misschien meer de weg op van een Karel Appel of een Alechinsky? Die deden het goed in hun streek. Wanneer hij 's avonds langs de Durme ging wandelen met zijn Ierse setter Mira, kon  hij het nooit laten binnen te kijken bij de villa's aan de waterkant. Zeker als ze grote terrasdeuren of muurbrede vensters hadden. In een witte villa had hij eens een Alechinsky opgemerkt, even breed als de muur. Een paneel vol witte slierten op een rode achtergrond, als een groot bord spaghetti, maar dan spaghetti die vierkante hoeken beschrijft, een spaghettilabirint. Daar had ik kunnen hangen, dacht Marc toen, en hij gooide een stok het jaagpad op en Mira ging erachter aan.   Marc pakte zijn gitaar op, een Fender Telecaster '57 Anniversary Edition die steeds naast hem op een staander stond en speelde een paar geïnverteerde akkoorden en bluesladdertjes. Zijn vingers pulkten aan de ijzerdraad van de snaren. Zijn vingerkussentjes wilde niet mee, de snaren leken er aan te plakken en de ijzerdraad wilde niet zingen, rinkelde enkel vals. Met afgrijzen zette hij de gitaar weg.   Alles was zo onecht vandaag. De flow was ongetwijfeld verdwenen.   'Met de poepers voor de Kunstkring?' klonk het van achter in het atelier. Dat was Walter, de gewezen bajesklant met artistieke ambities die zich als eerste kandidaat had gesteld toen Marc en Herbert in café het Karrewiel aan de plaatselijke cafégangers de opening van het Kunsthuis aankondigden. 'Ik ben een schilder, ' had Walter zich toen voorgesteld. Hij had vettig haar tot op zijn schouders, het hing in slierten van zijn gezicht. Ook had hij een walrussnor en mogelijk een ontwapenende glimlach, ware het niet dat zijn twee voortanden ontbraken. Hij zag er ook een beetje zielig uit en had de hele avond naar zijn Duvelglas zitten staren, gelukzalig en niet deelgenomen aan de verhitte discussie tussen Marc en Herbert over het reilen en zeilen van de moderne kunst, zoals ze wel vaker deden wanneer ze vijf pinten op hadden. Marc zei toen tegen Walter: 'Uitstekend, de huur is 1500 frank per maand, we zullen je een reservesleutel maken. De hoek aan de deur is van mij. Die aan de overkant van de deur van Herbert. Jij mag die aan het luik hebben.' Marc had er niet bijgezegd dat het in die hoek vreselijk tochtte, waardoor Walter al op de tweede dag van zijn verblijf snotterde en om de haverklap moest niezen.   'Kom eens kijken naar mijn schilderij,' zei Walter, die de hele tijd stilletjes in het schamele licht van een bureaulamp had zitten werken aan zijn inzending voor de Kunstkring. Marc ging achter Walter staan en keek naar het schilderij. Hij werd aangekeken door de kop van een snoek die zich verborg achter de algen, een kopie van een foto uit het tijdschrift Karper die met twee wasknijpers aan de schildersezel was vastgemaakt. In tegenstelling tot de foto keek de snoek echter scheel. Marc vroeg zich af welke mate van onkunde je moest bereiken om zoiets te presteren. 'Hm,' gromde hij neutraal. 'Wat vind je ervan?' vroeg Walter. Hij draaide zich om op zijn barkruk en keek vragend naar Marc, waarbij het gat waar ooit zijn voortanden hadden gezeten te voorschijn kwam. Walter keek een beetje scheel. Dat maakte dat iedereen medelijden met hem had. Hij was natuurlijk niet moeders mooiste. Maar ja, zoveel kunstenaars had je niet in Lokeren. Als ze dan ook nog eens adonissen moesten zijn ... 'Mooi. Ik denk dat je wel een kans maakt,' zei Marc. Walters gezicht lichtte op. 'Vind je dat?' Meteen daarna werd hij echter opnieuw somber en vroeg hij: 'Maar vind je niet dat er iets mis is met het oog? Volgens mij kijkt het de verkeerde kant op.'   Walter keek Marc argwanend aan. De manier waarop zijn ogen kleiner werden, leken toch dit gevoel uit te drukken. Marc werd een beetje bang. Je wist maar nooit met een gewezen bajesklant. 'Dat oog? ' Zei Marc, 'dus dat was niet de bedoeling?' 'Natuurlijk niet!' 'Daar valt gemakkelijk een mouw aan te passen,' zei Marc en pakte een van Walters goedkope schoolpenselen en het deksel van een mayonaisepot, dat Walter als palet gebruikte, en begon er wat kleuren in te mengen. 'Als je hier ...' en met een snelle en feilloze beweging tekende hij de iris van het vissenoog bij, 'en hier ...' en meteen paste hij ook de proportie van de kieuwen aan, '... een klein streepje zet.'   Walter zat er als verstomd bij. Hij krabde zijn achterhoofd en zei: 'Jij kunt er wat van, daar heb ik zeker nog tien jaar voor nodig. Die snoek is zo realistisch, net of hij me gaat bijten.'   Tien jaar, dacht Marc. Negen levens zouden nog niet voldoende zijn voor jou. Je houdt die kwast vast als een chimpansee.   'Maar waarom heb je zelf nog niks geschilderd? Je gaat toch meedoen aan de Kunstkring? Jij kunt dat winnen, met jouw talent!'   Wat maakt het allemaal uit, dacht Marc. Wat maak ik mezelf wijs?   'Bedankt dat je me een hart onder de riem wilt steken,' zei Marc tegen Walter. 'Om een goed kunstenaar te zijn, is echter meer nodig dan wat kneepjes onder de knie te hebben. Er is een verschil tussen deuren verven en schilderijen maken. Daarom bestaan er ook twee werkwoorden: verven en schilderen. Wat jij doet, dat is verven,' zei Marc, 'en wat ik doe, ja wat ik doe, dat is...' maar hier stokte Marc zijn stem. Was hij nu echt een schilder? Wat deed hij hier eigenlijk? Hij keek rondom zich. Dacht hij nu echt een oase in een woestijn te kunnen scheppen? Het tl-licht in het atelier scheen hem plots te schel in de ogen en dan was er nog dat domme schildersgerei dat hij zich had aangeschaft. Die setjes penselen, dat overmaatse palet, de verstelbare en plooibare schildersezel leken hem plots zo vals, zo onecht, zo aanmatigend, zo ... Voor hij er erg in had, gaf hij een gefrustreerde schop op de vuilnismand met lege bierblikjes, sigarettenpeuken, klokhuizen van appels en sinaasappelschillen. De projectielen volgen alle richtingen uit. De blikjes vlogen tegen de muur en de as van de peuken veroorzaakte een stofwolk die pas een minuut later ging liggen.   Herberts hoekje was afgeschermd met een paar witte lakens. Het was een soort niche waar hij zich afzonderde om aan kunst te doen. Marc had hem gezegd dat ze een loft hadden gekocht om samen aan kunst te doen, maar Herbert zei dat hij geen pottenkijkers nodig had terwijl hij schilderde en dat hij niet kon presteren wanneer hij er iemand over zijn schouders meekeek. Herbert was vandaag nog niet langsgekomen. Een half leeg blikje bier had de langste weg uit de vuilnismand (een kartonnen doos uit de Colruyt waar de pindanootjes en chips voor hun openingsfeest in hadden gezeten) afgelegd en een lelijke vlek gemaakt op een van Herberts lakens.   'Is Herbert bijna klaar met zijn inzending voor de Kunstkring?' vroeg Marc aan Walter. Marc had het Herbert zelf al een tijdje geleden willen vragen, maar het leek hem zodanig gênant te moeten toegeven dat een kunstenaar als hij, die boven alles staat en zeker boven regionale kunstorganisaties, zodanig begaan is met zijn deelname eraan.   'Ik denk het wel,' zei Walter. 'Zouden we eens een kijkje nemen?' vroeg Marc. 'Mij niet gelaten,' antwoordde Walter, die zijn handen aan zijn broek afveegde en van zijn barkruk kwam.   Ze deden de lakens open, gingen Herberts niche binnen en staken een spot aan. Overal, op de vloer, de drie wanden in de niche, waren grote vellen tekenpapier geplakt, allemaal bedekt met op het eerste gezicht toevallige patronen van koffiekringen.   'Vandaar die geur van koffie de voorbije weken!' riep Walter uit.   Marc stond er met open mond naar te kijken. Zo eenvoudig en ... zo kosmisch. Al die ringen, die uitvoering. Zo simpel: de koffie, de afdruk van de glazen koffiekan en het koffieapparaat dat in de hoek stond, samen met een pak dessertkoffie van Douwe Egberts ...   Walter begon te grinniken. 'Die kerel is rijp voor het gesticht.'   Marc keek hem boos aan. 'Je begrijpt er de ballen van,' zei hij.   Herbert liet lang op zich wachten. Marc zat op de trap van het Kunsthuis en had zeker al een half pakje sigaretten opgerookt. Walter was een uur geleden naar huis gegaan. Zijn snoek was af en morgen zou hij er een laagje vernis op zetten. Iedereen was klaar met zijn inzending voor de Kunstkring, behalve Marc. Hij had nog twee weken. Zelfs Herbert was er al klaar mee, dat vond Marc nog het sterkst van al.   Hij kwam ten eerste maar om de drie dagen naar het Kunsthuis, alhoewel hij beloofd had vaker te komen, en bleef nooit langer dan een half uur. 'Marc,' had hij in het begin gezegd, 'ik ben een kunstenaar, je hoeft daar niet aan te twijfelen, maar ik ben zot op de vrouwen. Ik zal er dus af en toe niet bij zijn. Maar als Marianne dat te weten komt, dan doe ik mezelf een ongeluk.'   Herbert kwam dus maar twee keer per week naar het Kunsthuis, na zijn werk als kleurterleider, trok zijn witte overall aan en verdween achter zijn lakens, waar hij vroeg hem niet te storen, want hij moest zich concentreren. Daarna klonk meestal het geluid van de percolator, een fluitende Herbert, en een half uur later verscheen Herbert opnieuw, ditmaal in een scherp outfit, een spannende jeans die zijn kloten in de verf zette en een oud jeansvestje. Meestal was hij daarna direct weg, af en toe dronk hij nog een pintje en maakte hij wat grapjes met Marc en Walter. Wanneer hij 's avonds terugkwam, wist niemand. Walter was 's avonds altijd vroeg weg, want hij was een visser (om zijn aangeboren agressie te kanaliseren) en stond elke ochtend om vijf uur op. Marc had zijn beenhouwerij en moest voor de dagelijkse voorbereiding ook vroeg uit de veren.   Marc keek op zijn horloge. Het was bijna middernacht. Hij had nooit vermoed dat Herbert zoiets in zijn mars had. Hij had gedacht dat Herbert een geilaard was die alleen maar blote vrouwen kon schilderen in allerlei standjes, het ene nog meer beschamend dan het andere, en dat hij daarom zijn stukje atelier afsloot met die lakens, omdat hij zich er eigenlijk om schaamde of dat hij niet wilde dat zijn vrouw Marianne die schilderijen te zien zou krijgen, mocht ze ooit op bezoek komen. Marc had er overigens nooit aan gedacht om zelf eens een piepje te nemen achter die lakens, zodanig was hij ervan overtuigd dat hij daar dezelfde leegte zou aantreffen als in Herberts obsessie met seks.   Maar was  dat wel zo? Ging hij wel naar die vrouwen? Ging hij niet mediteren, of nam hij geen lessen bij een mentor, een gevestigde moderne kunstenaar bijvoorbeeld, die hem tips gaf hoe hij zou kunnen epateren op de Kunstkring? Marc was er allemaal nog niet zo zeker van.   Eindelijk zag Marc Herbert komen aanwandelen, fluitend en in een opperbeste stemming. Het was een warme, zwoele avond, het was juni en overal hingen de geile geuren van bloesems en pollen en er stond een licht maar heet windje. Waarschijnlijk van Afrika, dacht Marc. Herbert had zijn tot op de draad versleten jeansvestje over zijn schouders geslagen. Zijn witte hemdje met korte mouwen schitterde in het licht van de straatlantaarns. Herbert liep op zijn dooie gemakje.   'Aan het nagenieten?' riep Marc naar Herbert. Herbert sprong op van het verschieten. 'Moet jij niet in je bedje liggen?' vroeg Herbert. 'Ik wil met je praten,' zei Marc. 'We hebben je inzending voor de Kunstkring gezien,' zei Marc terwijl ze samen de trap op liepen. 'Shit,' zei Herbert, 'nu val ik door de mand'. Hij hield stil op de trap, concentreerde zijn dronken blik op Marc en zette een ernstig gezicht. 'Kijk,' zei hij, 'ik kan het allemaal uitleggen. Ik ga door een moeilijke periode met Marianne en Tina is zo een heet ding, je zou eens moeten weten ... al mijn tijd en energie kruipen erin. Ik ben een uitgeperste citroen. Ik heb absoluut geen inspiratie. Eerst dacht ik dat het de aanwezigheid was van derden tijdens het creatieve proces, dus heb ik die lakens opgehangen, maar het zit dieper. Vol goede hoop had ik vijftig vellen tekenpapier gekocht. Ik kwam aan op het atelier, legde een vel tekenpapier op de grond, zette een pot koffie - de laatste tijd slaap ik zo weinig dat ik twee liter koffie per dag nodig heb om op mijn benen te blijven staan - en keek naar dat papier zonder iets te voelen. En vroeger zat ik vol ideeën! Ik dacht iets te doen in de stijl van Jackson Pollock, maar dan met de plakkaatverf die ik gratis krijg op de kleuterschool, maar er komt niks uit. Ik sta er zo stijf als een hark. Als mijn koffie dan klaar is, gebruik ik het papier als onderlegger. De volgende dag pak ik een nieuw vel en begin ik van nul af aan. Ik denk dat het prestatiestress is voor de Kunstkring. Sinds we dat atelier zijn begonnen, verwacht iedereen grootse prestaties van ons. De verwachtingen zijn te hoog gespannen.'   'Ja,' zei Marc, ze kunnen onze kloten kussen, die bende provincialen. Wij staan daarboven. Wij maken echte kunst.'

Nicolas Severyns
0 0