Zoeken

Het leven is een ei

Dat de zonnebril van de man niet stuk is, klopt ergens wel, het is immers een pilotenmodel. Maar dat de man rechtkrabbelt aan de voet van de wolkenkrabber, dat hij zelfs geen schram heeft opgelopen, is fysisch onmogelijk. Hij is het middelpunt van een kleine volkstoeloop, mensen die hem bezorgd of verbaasd aanstaren. ‘Mijnheer,’ begint een vrouw. De man negeert haar, hij negeert al die mensen. Wat zou hij hen meer kunnen vertellen dan dat hij een totale sukkel is? Over een balustrade kruipen en zich de diepte instorten, hoe moeilijk kan het zijn? ‘Mijnheer,’ probeert ze nog eens, ze grijpt zijn arm. Hij rukt zich los. ‘Bent u echt oké? Moet ik een ambulance telefoneren?’ Nee schudt hij, nee, vooral niet. De vrouw dringt niet meer aan, ze zet een stap opzij. Andere omstaanders schuifelen wat achteruit. Er gaat een rilling door de man heen wanneer hij merkt dat ze plaats maken voor een pinguïn. Het is een kleine pinguïn met bemoeizuchtige kraaloogjes. ‘Jij daar,’ de pinguïn steekt zijn borst vooruit, ‘jij bent pretentieus.’ Er klinkt gemompel in het groepje omheen de man. De pinguïn kijkt in het rond en wappert met zijn vleugel. De omstaanders verspreiden zich prompt. De man blijft alleen met de pinguïn achter. De pinguïn schraapt zijn keel. ‘Het is heel eenvoudig: ik zwem en ik loop. Zo is het bedoeld en zo handel ik, op vliegen zal je mij nooit betrappen. Jij als mens dient je net zo te gedragen. Uiteraard loop je beter dan ik, maar dat wordt gecompenseerd door jouw mindere zwemkwaliteiten.’ ‘Ik wilde enkel zelfmoord plegen,’ zegt de man. ‘Wie zich van een toren stort om zelfmoord te plegen, vliegt niet. Jij bent ongedeerd, jij hebt dus gevlogen.’ De pinguïn kijkt de man diep in de ogen. ‘Ik zit strop. Ik moest gewoonweg springen.’ ‘Vliegen.’ Er volgt een ongemakkelijke stilte. ‘Ik wil dood, echt,’ herneemt de man. ‘U moet me geloven. De baas had me bij zich…’ ‘Waaraan doet een ei je denken?’ blokt de pinguïn het betoog van de man af. ‘Een ei?’ Verrast hapt de man naar adem. De pinguïn knikt bemoedigend. ‘Ik weet niet,’ vervolgt de man. ‘Een ei wordt uitgebroed en er komt een vogeltje uit. Dat pikt het ei eerst stuk natuurlijk. Of is het de moedervogel die dat doet?’ ‘Het leven is een ei. Daar zou het woord ei je aan moeten doen denken.’ Hij blikt zelfvoldaan in het rond, maar er zijn geen toeschouwers. Voorbijgangers haasten zich langsheen het duo en besteden er nadrukkelijk geen aandacht aan. ‘Dus geen moedervogel,’ mompelt de man, hij speelt peinzend met zijn zonnebril. ‘Als het leven een ei is, dan is het feit dat ik nog leef een teken?’ De pinguïn reageert niet, staart hem geconcentreerd aan. De man haalt diep adem. ‘Dus ben ik eigenlijk opnieuw geboren?’ Hij knikt nu plots overtuigd. ‘U, mijnheer de pinguïn, bent een soort boodschapper die mij een herkansing brengt. Ik mag nog niet dood. Mijn problemen moet ik aanpakken, dat is wat ik moet doen, ja? Ertegenaan gaan. Iedereen heeft wel eens een slechte dag op kantoor, iedereen verliest wel eens zijn job.’ De pinguïn schudt ontkennend het hoofd. ‘Ik herhaal, het leven is een ei. Jij hebt mij onsterfelijk belachelijk gemaakt en dat pik ik niet.’ ‘Dat was niet mijn bedoeling, echt niet. Ik ben u net heel dankbaar omdat u mij doet inzien dat ik fout zat, dat alles nog zin heeft. Ik moet er nog verder over nadenken, natuurlijk. Maar ik voel hoop, echte hoop. U beledigen wilde ik niet, helemaal niet. Sorry daarvoor.’ ‘Een eenvoudig excuus volstaat niet om deze schande uit te wissen. Dat begrijp je toch?’ ‘Ja, dat hangt van u af natuurlijk, hoe u genoegdoening wenst te krijgen. Ik ben bereid daar ver in te gaan omdat u hier mijn leven redt, met uw inzichten.’ De man steekt een sigaret op. ‘Je had niet mogen vliegen.’ ‘Ik weet het, ik weet het. En toch heeft het een positief gevolg. Ik leef nog.’ ‘Je had dat echt niet mogen doen.’ De man geniet van zijn sigaret, de eerste van zijn nieuwe leven. Het lachen met pinguïns is bij wet verboden, maar gewoonlijk eindigt dit soort zaken met een minnelijke schikking. ‘Het is dus duidelijk wat er moet gebeuren,’ neemt de pinguïn een plots besluit. De man tikt wat asse op de grond. ‘We moeten alles overdoen met de logische gevolgen ditmaal.’ De pinguïn knijpt zijn oogjes samen. ‘U bedoelt…’ De man trekt bleek weg en laat zijn sigaret vallen. ‘Nee, dat kan niet. Ik wil niet meer dood. Ik ben net opnieuw beginnen leven. Dankzij u.’ ‘Uw besognes laten me koud, het leven is immers een ei. Volg me maar.’ Zonder op of om te kijken, waggelt de pinguïn naar de ingang van de kantoortoren. De man blijft staan. Hij is niet van plan opnieuw te springen, echt niet. Aan de toegangsdeur draait de pinguïn zich om, keert terug op zijn stappen. ‘Je hebt geen keuze,’ insisteert hij, ‘dat besef je toch?’ De man blijft koppig staan. De pinguïn schenkt hem een vernietigende blik, waarna hij zich naar een politieman haast die even verderop staat. Er ontspint zich een geanimeerde discussie waarbij ze uitvoerig naar de man en de toren gebaren. De man wacht op wat komen gaat, vluchten heeft geen zin. Hij hoopt dat de politieman hem van die vervelende pinguïn zal verlossen, dat hij de zaak van mens tot mens zal willen regelen. Even later wenkt de politieman hem. ‘Mijnheer, lachen met pinguïns is verboden. Dat weet u toch?’ ‘Maar ik wilde…’ ‘Vliegen! Stel u voor,’ de politieman pauzeert, slikt zijn ergernis weg. ‘Wat deze pinguïn u als genoegdoening vraagt is bijgevolg niet onredelijk. Ik zal u naar boven begeleiden.’ Hij legt zijn hand dwingend op de arm van de man en samen verdwijnen ze in de kantoortoren. De pinguïn blijft beneden. Hij wacht. Enkele minuten later stort de man te pletter op het voetpad. De pinguïn knikt goedkeurend, raapt de zonnebril op en waggelt weg.

Luc Geeraert
17 0

Avontuur

"Ga je mee op avontuur?",  vraag ik. "Ik weet nog niet waarheen. Kom, pak je jas en stap in."   Ik geniet van de rit met jou naast me. Kijkend naar de voorbij trekkende velden, de bomen, de koeien in de wei. We hoeven niet te praten. Gewoon samen onderweg zijn is het mooiste wat er is.   Er staat een man te liften in de regen.  Ik stop, zonder me af te vragen of dat wel verstandig is.  "Waar ga je naartoe?", vraag ik, terwijl hij op de achterbank kruipt. "Naar de zee," zegt hij. "Ik heet Maarten." Wij stellen ons ook voor. Daarna is het weer stil. De lucht klaart op. Het grijs verandert snel in fel groen, nu de zon de weilanden en de bomen weer verlicht.   "Waar aan de kust moet je zijn Maarten?",  vraag ik onze passagier. "Maakt eigenlijk niet zo veel uit", zegt hij. "Ik wil een eind op het strand gaan wandelen. Dat doe ik graag." We besluiten naar Zierikzee te rijden en zetten Maarten bij de duinen af.   We parkeren de auto even verderop. "Soep en friet", antwoord je me als ik vraag waar je trek in hebt. We stappen een brasserie binnen waarvan we vermoeden dat ze dat wel op het menu hebben staan. De ober komt onze bestelling opnemen. Hij ziet er wat slonzig uit. Hij heeft lang, vettig haar en een snor. Het wordt tomatensoep met patat speciaal. En een biertje natuurlijk.   Je ziet er prachtig uit met je natte haar en de zwarte vegen rond je ogen door de uitgelopen mascara. Nu je hier zo tegenover mij zit, realiseer ik me opeens hoe zielsveel ik van je houd. Tranen wellen in me op. Die stomme ruzies ook altijd. Konden we maar altijd zo rustig en stil van elkaars gezelschap genieten.   Ik betaal. Jij gaat vlug nog even naar de wc.  "Kom, laten we naar huis gaan", zeg ik als je terugkomt . Je kijkt een beetje verbaasd. "Maar we gingen toch op avontuur?" "Dat is ook zo", antwoord ik, "maar daarvoor hoeven we toch niet ver te reizen?"   Ik start de auto, maak mijn gordel vast en wil wegrijden. Je vraagt me om nog even te wachten.  Maarten loopt enigszins verloren langs de auto. Hij lijkt iets kwijt te zijn. Ik draai het raampje open en vraag of we hem ergens mee kunnen helpen. Verschrikt kijkt hij op, maar zodra hij ons herkent verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. "Ik ben op zoek", zegt hij, "maar ik weet niet naar wat". "Ik begrijp het", zeg ik en vraag of we hem naar huis kunnen brengen. Hij stapt in en we rijden terug in de richting waaruit we gekomen zijn.   We zijn al een tijdje onderweg wanneer Maarten ons ineens vraagt waarom we zo verdrietig zijn. Ik heb niet meteen een antwoord klaar, maar jij zegt spontaan: "we zijn ons zelf een beetje kwijt. We zijn bang voor de toekomst." "Ik snap wat je bedoelt", zegt Maarten. "Dat overkomt ons allemaal. Maar uiteindelijk komt alles weer goed."   "Zet me hier maar af", zegt hij wanneer we het bord passeren dat de volgende uitrit aankondigt. "Dit lijkt me een interessante plek."   We nemen afscheid en vervolgen onze weg naar huis. Ik parkeer de auto in de garage, terwijl jij alvast naar boven gaat. "Wil je ook thee?" vraag je als ik de woonkamer binnenloop. "Ja graag", zeg ik en houd je een tijdje stevig tegen me aangedrukt. De ketel fluit. Buiten begint het te schemeren. In mijn hoofd is het al behoorlijk opgeklaard.

hoos
0 0

Der Königstiger

“Als je in de modelbouw een uitdaging zoekt moet je bij de boten zijn. Vaartuigen met alles erop en eraan: Masten, zeilen, vaandels, touwwerk, kanonnen. Dan heb je waar voor je geld. Houten schepen met tuigage, dat is voor mij het einde. Meer dan plastieken. Hoewel er daar ook mooie te vinden zijn. Als je maanden aan zo’n fregat geplakt, gesneden, geschaafd, gezaagd, geknoopt, genaaid en geverfd hebt, als je dat hoopje hout, koord, stof en koperwerk tussen je vingers ziet groeien tot een gedetailleerde replica van een historische viermaster, dan heb je pas iets waardevols geconstrueerd. Bij ons thuis kregen die kunstwerken een ereplaats op de schouw van de salon of op de buffetkast van de eetplaats. Ik kon er uren naar kijken naar die boten. Ze konden zo wegvaren, de oceaan over naar Amerika of Indië of naar streken waar nog geen mens geweest was. De scherpe boeg klievend door de baren en een wit schuimend spoor trekkend in een azuurblauwe zee. Net echt, maar dan in het klein. Een tank vind ik maar niks, een tank is een tank nietwaar. Als je er één gezien hebt heb je ze allemaal gezien. En het is niet mooi, zie je al een gepantserd voertuig naast een porseleinen vaas op het dressoir in de eetkamer staan? De Mayflower integendeel, of de Prince, of de San Mateo, of de Friesland, daar wordt naar gekeken. Dat zijn stukken die direct de aandacht trekken van je bezoekers. Maar pantsers? Dan nog liever een vliegtuig denk ik dan. De Concorde, of de nieuwe Airbus van Tamiya, prachtig model, mooi gedetailleerd maar niet goedkoop. Het is dan ook Tamiya, dan spreek je over kwaliteit en dat heeft zijn prijs. Een collectie tanks in een vitrinekast, dat zou nog kunnen. Als je het als een historisch overzicht beschouwt tenminste. Maar dan nog. Geef mij toch maar houten klippers waarbij ik kan wegdromen over deinende zeeën, piraten en bruingebrande matrozen.” Ik heb het begrepen. In deze zaak voor modelbouwbenodigdheden zal ik op niet op veel begrip kunnen rekenen voor mijn fascinatie voor brommende vuurspuwende ijzeren gedrochten. Terwijl de winkelierster vanachter haar geïmproviseerde rommelige toonbank voortratelt over de charme van de houten modelbouw wurm ik me tussen de overvolle tot aan het plafond met nieuwe en oude bouwdozen volgestouwde rekken verder het winkeltje in. Ze zijn er allemaal, en dikwijls in verschillende uitvoeringen, de Sherman’s, Panthers, Tigers, Churchill’s, T-34’s, Leopard’s, Merkava’s en consorten. In de schijnbare wanorde gaat een logica schuil. Wereldoorlog I, Wereldoorlog II, de tanks van na 1945 en pantsers die een rol gespeeld hebben in Golfoorlog één en twee en tijdens de Irakoorlog. De pantsers bekleden drie muren van de winkelruimte. Dwars in het lokaal staan schappen met vliegtuigen. Aan de straatkant, net achter het uitstalraam, prijken de schepen en de auto’s. Achter de toonbank, naast de deur naar een keukentje, liggen benodigdheden voor de modelbouwer in vuilwitte ijzeren rekjes. Verfpotjes, spuitbussen, lijmtubes, messen, zagen, tangen, boren, penselen, afplakband en koperbeslag om de maquettes tot in het detail af te werken. Wat niet in de overvolle bakjes in metaaldraad kan en waarvoor ook geen plaats meer vrij is om ze ergens aan op te hangen staat op de grond in kartonnen dozen of in plastieken bakken. In een hoek vind ik in een bruine doos met vochtvlekken wat ik zoek: Obersturmbannführer Joachim Peiper van de Schwere SS-PanzerAbteilung 501. Althans zijn door Dragon vervaardigde vaalgrijze plastieken lichaamsdelen op schaal 1/16, inclusief zijn favoriete Roth-Handle sigaret nonchalant geklemd tussen midden- en wijsvinger van de gehandschoende linkerhand. Als ik hem met zorg en oog voor het detail beschilder is hij bruikbaar om naast een Panzerkampfwagen VI Königstiger post te vatten. Het verhaal dat ik na de dood van mijn vader tussen zijn paperassen vond, schiet me te binnen als ik de op het deksel van de doos geschilderde Joachim bestudeer. In een avontuurlijke bui was papa voor het uitbreken van de oorlog naar Duitsland getrokken om er aan de universiteit geschiedenis te studeren. Bij het begin van de vijandelijkheden was hij niet naar België teruggekeerd. Toen de Duitsers inzagen dat ze op een nederlaag afstevenden werd hij van de universiteitsbanken geplukt. Hij kreeg het bevel zich in te lijven bij Hitlers troepen om de oprukkende Russen een halt toe te roepen maar vluchtte naar België. De verloren zoon werd niet met open armen ontvangen en belandde in een cel. Een militaire rechtbank hechtte weinig geloof aan zijn bewering dat de Duitsers hem al die jaren gevangen gehouden hadden. Een hele tijd na zijn vrijlating probeerde hij de oorlogsperiode van zich af te schrijven. Verhalen over mensen die hij in het Reich had leren kennen, Otto Hilpert onder andere. Samen met zowat achthonderd lotgenoten was soldaat Hilpert zijn bloeddorstige hoofdman jankend achternagerend door de ondergesneeuwde Ardense bossen. Terug naar de Heimat, op de loop voor de oprukkende yankees. Alles achterlatend wat te zwaar was om te dragen. De door brandstoftekort en een gebrekkige terreinkennis geïmmobiliseerde pantserwagens incluis. Hij is niet moeten verschijnen voor het tribunaal bij het Dachauproces in 1946. Een over het hoofd geziene kleine garnaal. Niemand zal ooit weten of ook hij als een waanzinnige door een modderig patattenveld in Baugnez baggerde om gevangen genomen Amerikanen een kogel door het hoofd te jagen. Had hij in Noord-Italië meegeholpen aan het oppakken van joden en de wrede, uit wraaklust ingegeven, executie van weerloze boeren? Naar zijn aandeel in het bloedspoor dat SS Obersturmbannführer Joachim Peiper doorheen Europa trok kan ik enkel gissen. Otto Hilpert was lader in Panzer 339. Hij nam op bevel van de tankcommandant de obussen en granaten uit de rekken in de buik van het monster en duwde ze in het 88 mm Lang 71 kanon. Toen ze weer eens opgehouden werden omdat de wegen naar het strijdtoneel dichtgeslibd waren met vijandige en bevriende colonnes had hij, om de tijd te doden, al zijn creativiteit aangesproken en met een stuk krijt een boodschap gekrabbeld op het gebogen, koperen oppervlak van een obus. Een anatomisch totaal fout getekend doodshoofd en de woorden “with love”. Otto had zo zijn gevoel voor humor. Hij werd door de commandant betrapt bij zijn artistieke bezigheid en kreeg, in de plaats van enige aanmoediging of blijk van waardering, ongenadig op zijn kop. Op de koop toe moest hij een preek over de gevaren van het prutsen met springstof aanhoren en werd hem gesuggereerd overplaatsing te vragen naar de "Hanswursten” van de Luftwaffe die, volgens zijn chef, toch tijd zat hadden voor zo’n kinderachtige “Spielereien". Als SS-Panzerschütze was Otto de minste van de vijfkoppige Tiger-bemanning. De anderen waren minstens Rotterführer. Hij stuurde niet, koos geen doelwitten uit, verzorgde geen radioverbindingen en vuurde het kanon geen enkele keer af. Hij was een simpel magazijniertje wroetend in de, door een zwak peertje beschenen, enge donkere binnenruimte van een vervaarlijk grommend tuig dat dreigend door het landschap kroop en iedereen die het tegenkwam de stuipen op het lijf joeg. Hilpert werd niet geboren als een verwaarloosbaar stuk kanonnenvoer. Dat is hij pas geworden toen een waanzinnig staatshoofd hem nodig had bij een macaber spel. Voor de aanvang van de oorlog was Otto de belangrijkste mens op aarde. Toch voor zijn geliefde. Want Otto was verliefd en het onderwerp van zijn hartstocht was al even stapel op hem. In het idyllische boerendorp waar hij het levenslicht zag, ergens tussen Trier en Mainz, zouden ze niets van hun passie begrepen hebben. De bruinhemden al zeker niet. Zijn lief was dan ook geen blonde, blozende troela. Ze droegen beiden de Führer een warm hart toe, maar dat was niet voldoende om hun liefde aanvaardbaar te maken voor de goegemeente. Elkaar zien en liefhebben gebeurde daarom in het geheim, in de betrekkelijke anonimiteit van de stad, na valavond, in verlaten stegen, op een bank in een park of in een verscholen kroeg. Plaatsen waar ze veilig waren voor de Gestapo en de Kripo. Dat moest ook wel want op een zachte lentenacht hadden die een verliefd stel op heterdaad betrapt tussen de bloeiende rododendronstruiken van het stadspark. ’s Morgens bengelden die twee aan een overhangende dikke tak van een lindeboom, de broek hangend op de enkels en een afgebroken bezemsteel in hun witte kont. Otto had romantischere perspectieven voor ogen als hij over hun relatie dagdroomde. Dan ging het over trouwen en kinderen, over een huisje in het Schwarzwald, over een goede baan bij Volkswagen of Mercedes waar hij auto’s zou bouwen voor de burgers van de nieuwe wereldorde. Na gedane arbeid zou hij huiswaarts keren om van zijn vrijheid te genieten in de armen van zijn hartendiefje. Dat alles zat er niet onmiddellijk aan te komen, zeker niet toen de brief in de bus viel die hem aanmaande zijn militair verlof te onderbreken en zich te melden bij het 2de SS-pantserkorps. De daarop volgende odyssee zou hem eerst naar Rusland en later naar Italië, België, Hongarije en Oostenrijk leiden. Was er bij de herovering van Kharkov nog sprake van enige glorie dan was die bij de slag om de Ardennen in de omgeving van het winterse La Gleize omgeslagen in doffe ellende en pijnlijke vernedering. Weg hoop op een zonnige toekomst. De bevoorrading vanuit Duitsland liep zo mank dat Otto geen brieven meer ontving van het thuisfront waar zijn beminde het Reich diende door dwangarbeiders ontstekingsmechanismen voor granaten te laten fabriceren. Hij zou hem niet meer terugzien zijn teerbeminde Helmut. Enkele maanden na zijn vlucht uit België werd Otto ingezet in Hongarije om een Sovjetbruggenhoofd te vernietigen. Na de chaotische terugtrekking naar Oostenrijk vernam hij dat het lichaam van zijn Schatz vanonder het puin van het platgebombardeerde Pforzheim gehaald was. Hij durfde er in iemands gezelschap geen traan om te laten, bang als hij was dat het openbaren van zijn geaardheid hem met een opgespelde roze driehoek in een concentratiekamp van het agoniserende Derde Rijk zou doen belanden. Helmut was dood en Otto gaf zich met andere overblijvers van de Leibstandarte-SS Adolf Hitler over aan de Amerikanen. Liever gevangen genomen worden door die decadente bende dan in handen te vallen van de Russische barbaren, al was dat een beslissing van zijn wapenmakkers die hij, zoals het hem eigen was, volgzaam achternaliep. Zijn geheim was door Britse Avro Lancaster bommenwerpers voor eeuwig veilig gesteld, een zekerheid die hem nooit zielenrust zou brengen. Angst weerhield Otto ervan ook maar iets aan zijn huichelachtigheid te veranderen en Gretchen, met wie hij vier jaar later trouwde, zal nooit geweten hebben aan wie hij dacht toen hij de tweeling Claus en Dietmar bij haar verwekte. Ik rommel nog wat in de verfrekken, speurend naar feldgrau voor Joachims uniform.“Droegen die van de SS-panzers geen zwart?” vraag ik me luidop af.“Aan het begin van de oorlog wel, later grijs.” klinkt het vanachter de toonbank.“Echt?” De evolutie van de SS-mode kan mij niet echt schelen maar ik koop voor alle zekerheid een potje zwart en een potje middle grey nr. 43 van Revell. De kleur van het uniform, dat op de Dragondoos afgebeeld wordt, is ondefinieerbaar, iets tussen zwart, grijs en donkergroen. Om die vieze tint na te bootsen zullen er kleuren gemengd moeten worden, vermoed ik. Peiper wordt met zijn verfpotjes respectloos in een gerecupereerde groentezak gedropt.“Een gevernist houten voetstuk om hem op te plaatsen kunt ge afzonderlijk kopen. Ik heb ze juist binnen, zo goed als gratis, twee euro per stuk“.Een piëddestalleke voor die schurk? Dat zou erover zijn. Ik ga met plaaster, zand en verf een bloederige, modderige ondergrond fabriceren. Daar kan hij met zijn botten in gaan staan, meer iets voor hem me dunkt.“Die zeilschepen waar ik het over had. Als ge wilt zal ik een doos voor u openmaken dan kunt ge zien hoe gedetailleerd dat allemaal is.”“Neen, dank u, een andere keer misschien.” Ik mompel het terwijl ik de over de dorpel krassende winkeldeur achter mij dichttrek. De gezellige sfeer van de de modelbouwzaak uit een verloren epoque maakt plaats voor de kilte van de straat. Het lawaai en de drukte van voorbij razende auto's en gehaaste voorbijgangers slaan mij om de oren. In mijn handtas weerklinkt een ergerlijk elektronisch deuntje. De gsm sleurt me onverbiddelijk naar het heden. Otto vliegt terug naar een achterkamer van mijn brein waar hij, samen met andere spoken, onrustig kan ronddwalen, tevergeefs zoekend naar rust en sereniteit.

Nancy Del Fuego-Costales
0 0

De knoop (aflevering 1)

Marleen kijkt naar de grond, de schouders opgetrokken en de paraplu dicht tegen haar aan. Er staan veel plassen in het slecht onderhouden voetpad. Zo hard regende het nog niet toen ze vertrok. Het feestje gisteren speelt in haar hoofd en haar darmen, en Jonas, haar tweede kind, was al vroeg op geweest. Hij had, zoals hij wel meer deed wanneer hij een moeilijke dag aankondigde, geroffeld op hun lakens. Niet hard, maar het zachte tikken op haar buik had de slapende massa alcohol en slecht eten weer aan het werk gezet - terwijl ze zo had gehoopt dat die ongemerkt uit haar zou glijden, straks. Haar eerste geluid van de dag was dan ook een boer, die haar mond met zuur vulde. Normaal was ze één en al geest, maar daar leek deze ochtend weinig van over gebleven. Ze wou haar ogen weer sluiten, maar merkte dat ze die nog niet open had, en het kloppen in haar keel verried een te snel hartritme. Vaag herinnerde ze zich iets over haar man, Rik. En over Stefan. Een bus spat haar nat, en ze zucht. Thuis blijven was geen oplossing geweest, niet met een Jonas in overdrive, en ze is van dienst in de boekhandel. Verantwoordelijkheden zijn niet licht. Ze opent de drie sloten van de voordeur. In het halfduister van de winkel zijn de boeken nog niets dan vorm, stapels. De geur van papier is sterker zo, wanneer de adem van de schrijvers ontbreekt en de boeken anoniem zijn. Ze blijft even in het midden van de winkel staan, en aait een exemplaar van een stapel die ze gisteren heeft neergelegd. '25', van Jamal Ouariachi. Seks verkoopt. Maar de lichten moeten aan, de koffie gezet, de kassa opgestart. Bij de laatste verbouwing heeft ze haar zin gekregen. Vooraan is alles wit, met boeken op tafels, de omslag open en bloot. Het nodigt de mensen uit om toe te tasten, gretig en gulzig. Bijna niemand laat zich nog verleiden door een mysterieuze rug in een rek. De boeken daar lijken in eeuwige winterslaap, en ze prijst zich gelukkig telkens wanneer er toch iemand met zijn vingers langs glijdt, en een exemplaar wakker kust. Achteraan, op de donkere verdieping met de koopjes, alles door elkaar, komt bijna niemand. Zij loopt er elke avond na het afsluiten even langs, kijken of ze nog leven. Haar telefoon geeft een klikje wanneer de eerste klant de deur opent. Nou ja, klant. Het is Harry, die komt elke zaterdag de kranten lezen in de winkel. Niet om te weten te komen wat er in de wereld gebeurt, maar om er commentaar op te geven. Het berichtje is van Rik. Of zij weet of er een paar reserveveters voor Jonas' voetbalschoenen in huis zijn. Het voetballen van Jonas is iets van Rik. Hij leurt met het talent van de jongen langs alle grotere voetbalclubs van de streek. Gaat supporteren wanneer hij speelt, geeft goede raad aan coaches en ieder die het wil horen, en kijkt met het joch naar elke voetbalwedstrijd op tv. De analyses duren bijna even lang als de wedstrijd zelf. Gelukkig staat het voetbal tv-toestel op zolder. Nee, antwoordt ze naar waarheid. Dat weet ik niet, Rik. Maar de club heeft er ongetwijfeld wel in voorraad. Dat ze oplossingen moet aandragen voor elk groot en klein probleem van Rik is ze gewend. De eerste keer dat ze hem uitkleedde had ze de knoop van zijn broek los getrokken. Haast, nervositeit, lust, dat weet ze niet meer. Tussen het kussen door had hij haar gesmeekt die knoop er weer aan te zetten, straks. Ze had gelachen, en haar handen in de open broek gestoken, maar hij meende het. Dat merkte ze aan zijn tong. Natuurlijk, fluisterde ze, natuurlijk laat ik je niet gaan voor je weer heel bent. Ze was niet goed in het vastnaaien van knopen, en toen hij een paar weken later weer los kwam, had ze hem aan een veter gehangen. Het is mijn knoop nu, zei ze tegen Rik, die keek hoe de knoop tussen haar borsten bengelde. De knoop maakt deel uit van hun leven. Ze draagt hem bijna altijd. Tijdens haar zwangerschappen was hij stil en nietig, en één keer, tijdens de bevalling van Jonas, knapte de veter bij diens eerste schreeuw. De knoop gleed in het bakje met de nageboorte, waar de vroedvrouw hem met tegenzin weer tussenuit haalde. 'Er zijn ook dit jaar weer geen stoute kinderen in Vlaanderen!' Harry kijkt op van zijn krant. 'De zwarte pieten zullen met lege zakken terug naar Spanje moeten. Een hele last minder voor Slechtweervandaag, dat wel, maar in het echte leven zijn die Moorse kaliefen niet zo simpel te verschalken. De kinderen laten ze nog zo, maar onze jongeren bederven ze met hun perfide godsdienst. Die kopen dan zelf wel hun ticket naar de strijd, om van daaruit te roepen hoe slecht wij wel zijn!' De dreiging van islamextremisme is Harry's stokpaardje de laatste maanden, al vormen ebola en de regering Michel wel sterke concurrentie. Het einde der tijden is in elk geval nakend. Marleen herinnert zich nog hoe hij de kelder van de boekhandel wou gebruiken als schuiloord, op 31 december 1999. 'Dat hele verhaal om van die zwarte pieten witte pieten te maken is een valstrik. Snap je dat niet, Marleen? Het is hen te doen om ons een schuldgevoel aan te praten wanneer we opkomen voor onze tradities! Ze nemen het hier gewoon over!' En dat onder het mom van politieke correctheid, jaja, dat kan Marleen zo ook aanvullen. 'Nog een koffie, Harry?' Hoe bang ook voor het voortbestaan van de maatschappij, Harry begrijpt de suggestie en staat zuchtend recht. 'Hoe gaat het met jullie supertalent, Marleen?' Ook die vraag behoort tot het vaste patroon. 'Slecht'. Dit antwoord is nieuw. Ze ordert de kranten en wandelt weg met Harry's koffiekopje. 'Hij blijft veters breken, en uitschuiven. Net zijn vader.'

Dirk Van Boxem
0 0

Verandering 1: Kabels

Wat dacht James Ensor toen hij zijn oude dame met maskers schilderde? Ik vraag me af wat er eerst was: de vrouw of de maskers. De oude dame, die bij nader inzien helemaal niet zo oud is maar eerder een veertiger – die diepe lijnen in het voorhoofd en rond de lippen lijken wat kunstmatig, alsof er later aan toegevoegd – staat pal in het centrum van het doek. Zij was er dus waarschijnlijk eerst. Maar waarom de maskers? Wat gaat er door het hoofd van een schilder de minuten voor hij het penseel in verf doopt en dingen begint te schilderen die ogenschijnlijk niets met het centrale gegeven, in dit geval een ‘oude’ vrouw, te maken hebben? Kwamen de maskers uit een droom of een verre herinnering? Misschien sloop er iets uit het penseel wat hij net daarvoor nog had gezien. Hoe komt iets uit een penseel op een doek? Hoe komt ooit iets ergens uit? Mijn laptop is opengeklapt, zover ben ik. Maar er gebeurt nu al een hele tijd niets op het scherm, tenzij ik het knipperen van de tekstcursor als een gebeurtenis beschouw. Het zou mij beter uitkomen als ik iets anders kon doen. Schilderen, om maar iets te zeggen. Voor een canvas staan, dat zou ik nu het allerliefst willen. Want een doek heeft randen, het is beperkt in de ruimte. Schrijven deint altijd uit. De mogelijkheden zijn schier eindeloos en dat brengt mij in ademnood en houdt de cursor gevangen, knipperend als een vuurtoren. Schilderen is anders. Overzichtelijker. Ik zou een portret kunnen schilderen van een oude - of jonge, of iets daartussen - vrouw. Zonder dat ik daar opeens, als mijn gedachten verschoven, een berg van kon maken of de gieren die daar boven wieken of het speeksel dat van hun snavels drupt als ze zich op hun aas storten of de angst die daarvoor bezit had genomen van het dier dat uiteindelijk een kadaver werd of de vraag of angst ook emoties impliceert. De act van het schilderen bergt de beperking in zich. En beperking is op dit moment een noodzakelijke voorwaarde om wat dan ook te doen. Mijn gedachten vonken blauw, groen en rood tegen de wanden van mijn hoofd. En tegelijkertijd ligt het, ondanks al dat geweld, zo voor de hand alles onder de schedelpan te houden. Het hoofd is ook zo gebogen, bijna vastgeklonken op de schouders, de pezen aangespannen als stalen kabels van een brug over een Duitse rivier. Schrijven is bedrieglijk. Vaak beeld ik me in dat mijn gedachten zich moeiteloos over hersenbanen voortbewegen, naar een blinkende buitenwereld. Maar meestal rollen ze over de band, tussen twee opslagplaatsen in. Er gaat niets buiten, er is niets veranderd. Het procedé is zelfs verraderlijk rustgevend. Nee, dan schilderen. De schouders hangen sereen laag, de ruggengraat staat trots als een vlaggenstok, het hoofd is vrij, de armen zwaaien met wijde bewegingen over het canvas. De vingers toetsen dansend, strelend de verf op het doek. Misschien is het een goed idee een groot blad papier te gebruiken, rechtstaand voor een lezenaar. Ik zou daarvoor een vette zwarte stift kunnen kiezen, en een zwierig handschrift. Ik zou de lussen naar boven en naar beneden met grote uithalen in het papier kerven zodat de inkt door de poriën op het houten blad loopt. Ik zou de inkt in de nerven van het hout zijn weg zien zoeken. Dat zou een verandering zijn. Alleszins heb ik daarvoor een muts nodig, van dikke groene wol, met luchtige steken.

Jools
0 0

Oord van verderf

Luttele minuten voor Steve aan de grens van de wetteloosheid komt, trekt hij zijn handschoenen wat strakker aan. Hij bijt op zijn onderlip en haalt diep adem. Zijn vader had hem gewaarschuwd voor dit oord van verderf, verrotting en vrijbuiterij. Maar hij moet er door. Nu zijn vrouw hoogzwanger is, moet hij van z’n spul af. Steve nadert de stofwolk die er eeuwig lijkt te hangen, als een dikke mist die ook zijn gedachten vertroebelt. Hij maant zich aan om gefocust te blijven en haalt een verkreukt papiertje uit de binnenzak van zijn leren jacket. Er staat in zijn eigen hanenpoten een citaat op geschreven dat hij als mantra bovenhaalt telkens hij het moeilijk heeft. Gesterkt door de boodschap, verleden heb je, toekomst moet je maken, legt hij de laatste meters af. Er is geen weg meer terug. Steve komt aan de grens. Hij schraapt zijn pijnlijk droge keel wanneer een gespierde latino traag maar vastberaden op hem afstapt. Er schuilt achterdocht tussen de plooien van zijn frons, en een cigarillo bengelt tussen zijn dunne lippen. De tattoos die zijn gespierde armen versieren, vertakken als een klimop tot aan zijn nek. De man vraagt kortaf:‘Wat heb je bij?’ Niet in staat om een woord uit te brengen, wijst Steve aarzelend naar z’n spul. De man blijft Steve strak aankijken, knikt bevestigend en zegt dan:‘Op ‘t einde van de straat aan je linkerkant.’ Die horde hebben we alvast genomen, denkt Steve opgelucht. Pas nu hoort hij de muziek die luid over deze puinhoop loeit. “There will be no next time” roept de zanger, wat hem op deze plek de stuipen op het lijf jaagt. Hij veegt met de rug van zijn gehandschoende hand de doemscenario’s van zijn bezwete voorhoofd en gaat strijdvaardig verder. “Keep cool, keep cool, keep cool”, mompelt Steve, terwijl hij zijn wagen aan de kant van de weg parkeert. Op het moment dat hij zijn spul uit de wagen neemt, roept een man met rode bandana om het hoofd hem toe vanop de afgesproken plek.‘Hey, wacht eens even! Zit je wagen vol?’‘Ja, waarom?’, vraagt Steve op zijn qui-vive.‘Ik ga je een dienst bewijzen’, zegt de man.‘Een dienst bewijzen?’, antwoordt Steve van zijn à propos gebracht. ‘Ja, en dat zal nodig zijn, geloof me. Ik zou niet zomaar over ‘t straat lopen met dat spul. Het is hier een nerveuse bedoeling en dan gebeuren er weleens ongelukken. Je wil niet weten wat ik hier allemaal al heb meegemaakt. Luister, parkeer je wagen maar aan de achterkant van de container. En als iemand je komt lastigvallen, dan zeg je maar dat de Fille zijn zegen heeft gegeven. Oké?’ ‘Oké. Merci, Fille’, antwoordt Steve, overdonderd door een vriendelijkheid die hij deze plek nooit had toegeëigend. Hij besluit zijn vooroordelen over het containerpark samen met het steenpuin weg te kieperen. Tijd om de kinderkamer af te werken. Tijd om toekomst te maken.

Antony Samson
4 1

Verontrustende veronderstellingen

Er volgde een nieuwsflash.  Beiden lieten hun veronderstellingen varen. Hun ondertussen oppervlakkige stilte, maakte plaats voor bombastische paniek.  Amsterdam, verschillende aanslagen op het ondergrondse metronetwerk. Totale chaos.  "Neeneenee,..., Ties en Rinus zijn daar!" //// Moris Ik trok snel mijn pak aan, als ik nu vertrok, konden we nog samen koken. Vroeger was dit voor haar het summum van een gezellig gezin; haar 3 zonen in de keuken, zij die de tafel aankleedde -in de breedste zin van het woord- en papa die zijn befaamde sausjes bereidde. vroeger was precies 7 jaar geleden.  Onderweg merkte ik dat ik toch werk moest maken van die opleiding, de Triumph geraakte steeds moeilijker op gang. Als ik niet elke keer weer bij Roger wil aankloppen, zal ik de zaterdagen vanaf september moeten vrijhouden. De lucht zag roze. "Sinterklaas is koekskes aan het bakken", zou ze straks zeker vermelden. "Van generatie op generatie, dat zijn van die gezellige dingen die ge door moet geven." De rolluiken waren al naar beneden, het zal knus zijn binnen. "Ge zijt vroeg. Ik had toch gezegd dat ik mijne plan wel zou trekken? Ge moet uw eigen leven toch niet opzij zetten voor uw mama?" Dit was haar manier om te zeggen dat ze blij was om me te zien, maar ambetant om wat nooit weer kwam. "We gaan er een gezellige avond van maken" Ok, ik had meer zin om nog eens naar Gent te trekken, om er nog eens het nachtleven in te duiken, maar als oudste komt dat plichtbewuste toch regelmatig terug opduiken. "Komt ge koken?" Ze keek in mijn motortassen, ze keek er naar uit. Ik zou haar deze middag nog eens terugzenden in de tijd. De afwezigheid van papa, Ties en Rinus zou ik compenseren door een danske op tafel met haar. "Papa genoot daar altijd zo van" Ze wilde hem levend houden, liet hem nog altijd overal aan deelnemen, toch moest ze er mee stoppen. Maar vanavond mocht het, vanavond was het ok. "Zorgt gij voor de tafel? 'T worden mosselen." Haar lievelingskost, ze moest af en toe kunnen genieten, het leek alsof ze zonder leefde sinds toen. // "Het heeft gesmaakt, zet ge u nog efkes mee in de zetel?" Tv was voor haar de rode draad, een houvast waaraan met wasknijpers levensgebeurtenissen vastgepind werden. Een waslijn die ervoor zorgde dat alles uiteindelijk terug fris en luchtig aanvoelde. Dat alles terug dragelijk werd.  Alleen vandaag zorgde die tv voor zwaarte. //// Jeanne Ik zet nog wat theelichtjes klaar. Hij genoot daar altijd zo van. Voor Moris vertegenwoordigen theelichtjes geborgenheid, ze geven hem houvast. Hij zou achter een uurtje wel hier zijn als zijn motor het onderweg niet weer begaf. Het herkenbare geklop op de rolluiken. Moris is daar. "Ge zijt vroeg. Ik had toch gezegd dat ik mijne plan wel zou trekken? Ge moet uw eigen leven toch niet opzij zetten voor uw mama?" Hij zou beter op zoek gaan naar een vriendin. Ik wil mijn kleinkinderen nog zien opgroeien. Het tij mag nu toch stilletjes aan beginnen keren. "We gaan er een gezellige avond van maken" Ik zal seffens Irma toch maar sms'en. Jammer van dat avondje uit. Maar zijn motortassen zitten vol, hij komt koken, herinneringen ophalen. Nostalgie als rode draad. Als mama moet je dan mee in die nostalgie, zonen moeten gesoigneerd worden. "Papa genoot daar altijd zo van" "Zorgt gij voor de tafel? 'T worden mosselen." Ok, Jeanne, hij komt voor "het totaalpakket mama", 't is uwe zoon, hij heeft u vanavond nodig...  // "Het heeft gesmaakt, zet ge u nog efkes mee in de zetel?" Ik kan hem toch nu nog niet naar huis sturen... //// Er volgde een nieuwsflash. 

M A R T H E
0 0
Tip

Het huis van vertrouwen

Bavo installeert zich met dampende koffie aan zijn bureau. Door het raam ziet hij Charlotte nog net achter de witte haag verdwijnen. Het wordt al licht. ‘Zo’, denkt Bavo, ‘de eerste echte thuiswerkdag is een feit.’ Het heeft lang genoeg geduurd voordat de vakbonden en het bedrijf op één lijn stonden over thuiswerk. Tijdens een proefproject in de zomer heeft Bavo van collega's geruchten gehoord over inbreuken op de privacy. De indianenverhalen gingen over valse koeriers en spyware via de camera op de laptop. Natuurlijk konden de heethoofden niets bewijzen, zelf heeft hij ook niks gemerkt. Maar gelukkig is er nu eindelijk weer voldoende vertrouwen om echt van start te gaan. Bavo nipt van zijn koffie en tuurt naar de uitgestrekte winterse tuin. Dan klapt hij z'n laptop open. Acht uur, hij is klaar voor de wondere wereld van het boekhouden. Charlotte heeft nog geprobeerd om hem op te zadelen met een lijst taakjes 'want je zit toch thuis’. Maar Bavo heeft haar kordaat duidelijk gemaakt dat thuiswerken nog altijd werken is, niet prutsen. Hij logt aan, opent het boekhoudprogramma en begraaft zich al snel in een stroom facturen. Wanneer hij een uurtje op dreef is, valt de stilte hem plots op. Hij rekt zich krakend uit en kijkt naar buiten. Intussen schijnt er een melkzonnetje over de sneeuw. Kristallen glinsteren op de dunne twijgjes van de struiken en de ranke takken van een meterslange rij druivelaars buigen onder een laagje poedersneeuw. Netjes opgeknoopt en ingeknot staan ze te wachten op de volgende zomer. Bavo trekt een wenkbrauw op. Net achter de rij wijnstokken groeit iets ongewoons, ongeveer daar waar het vijvertje lag dat zijn zoon deze zomer heeft dichtgegooid. De plant heeft dezelfde hoogte als de wijnstokken maar is veel dikker. Platter ook. Vreemd. Plichtsbewust kijkt Bavo opnieuw naar zijn scherm om een factuurnummer in te geven, maar onwillekeurig drijft zijn blik weer naar buiten. Wat is dat vreemde dikke ding tussen de wijnstokken? Wanneer hij de schuifdeur opent komt de krakend koude lucht hem meteen tegemoet. Zijn adem vormt wolkjes terwijl hij moeizaam enkele meters door de diepe sneeuw waadt. Van hieruit lijkt het ding op een groot uitgevallen grijze meetlat, dik en plat, van onbestemd materiaal. Bavo aarzelt. Hij heeft nog een goede vijf meter te gaan, maar beslist rillend om te keren want de sneeuw smelt tegen zijn enkels en straaltjes ijswater lopen in zijn pantoffels tot op zijn warme blote huid. In de keuken trekt Bavo de natte pantoffels uit. Hij haalt boven dikke sokken en trekt ze hoog op zodat ze goed blijven zitten in zijn sneeuwlaarzen. Nadat hij een dikke fleece trui over zijn hoofd heeft getrokken, beent hij gehaast tot helemaal achteraan in de tuin. Bavo inspecteert het vreemde voorwerp. Het is een lange metalen staaf, helemaal afgeplat. Hij geeft er een ruk aan, de lat voelt als een bevroren lemmet. Hoewel het ding muurvast in de bodem zit, lijkt het wel beweeglijk, bijna flexibel. Bavo omklemt het metaal, zet zich schrap en probeert het los te wrikken, maar een pijnscheut schiet door zijn verkleumde vingers. Gefrustreerd loopt hij terug om wanten, een schop en een houweel te halen. De vrieslucht doet zijn neus lopen terwijl hij driftig de sneeuw rond de basis van de lat weghaalt. Minutenlang probeert hij met het materiaal een inkeping te maken om de lat uit te graven, maar de bovenste laag is steenhard bevroren. ‘Dedju’, vloekt Bavo. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik heb zwaarder materiaal nodig’. Weer binnen is de keukenvloer herschapen tot een poel van vuile gesmolten sneeuw. Terwijl Bavo z'n laarzen uitschopt, kijkt hij door het keukenraam. De lat staat parmantig in de tuin, als een uitroepteken. Bavo snuit zijn neus, neemt zijn gsm en belt Luc, zijn broer en aannemer op rust. Niet veel later parkeert de witte bestelwagen van Luc voor het huis. Samen lopen ze zwijgend de tuin in. Luc bekijkt de lat aandachtig en geeft er een snok aan. ‘Die zit muurvast. Je hebt zwaarder materiaal nodig,’ stelt hij vast. Bavo knikt. ‘Ik heb in de camionette wel wat gerief, maar je hebt een bobcat nodig’, gaat hij verder. Luc kijkt bedachtzaam naar de grond, ‘Volgens mij zit het vast aan iets groters.’ ‘Ja, dat dacht ik ook al’, mompelt Bavo. ‘Wat doen we?’ ‘Luister,’ beslist Luc, ‘stap in, we halen er direct één van bij Daniëls. Ik heb daar nog ’t een en ‘t ander tegoed.’ De bobcat wordt een uur later via de straat achteraan de tuin geleverd. De mannen van Daniëls rijden het toestel tot vlakbij de lat, en vertrekken. Luc klopt goedkeurend op de bobcat, ‘Bavo, jongen, ik moet ervandoor. Tegels gaan plaatsen in de badkamer van ons An. Succes ermee.’ ‘Ja, merci nog’, stamelt Bavo, terwijl Luc naar het tuinhek loopt. Bavo bestudeert een poosje hulpeloos de dure machine. Net voor Luc in zijn bestelwagen stapt, draait hij zich om. Door de ijle vrieslucht roept hij: ‘Als het niet lukt met die bobcat, ken ik wel een paar Polen. Ik sms je hun nummer.’ Nadat Luc vertrokken is, klimt Bavo op de bobcat. Het is stil in de tuin. De sneeuw is platgetrapt en de bobcat staat te glimmen in de zon, net als de lat. Bavo haalt diep adem, start de machine en begint voorzichtig te graven. Al snel blijkt de grond lang niet zo hard bevroren als hij had gedacht, enkel de eerste paar centimeters zijn lastig. Het gaat vlotter dan met de schop maar toch werkt hij langzaam en voorzichtig. Wanneer hij een put van een goede kubieke meter heeft blootgelegd, en niets bijzonders tegenkomt behalve nog meer lat, stoot hij plots op een hard voorwerp met een bolle vorm. Net op dat moment stopt een groene bestelwagen aan de haag. Bavo zet de motor van de bobcat uit en knijpt zijn ogen dicht tegen zon. Hij ontwaart aan het hek een grote, brede man in overall. ‘Bonjour monsieur, je suis Marek. Je suis appelé par votre frère. Ça avance?’ ‘Oui, oui, ça va’, antwoordt hij. ‘Je viens de toucher quelque chose.’ ‘Vous permettez? ‘ gebaart Marek naar de bobcat. Hij neemt plaats en schraapt met gevoel voor precisie nog een laag weg. ‘Aidez-moi avec votre pioche, il y des parties plus délicates, l'objet a des courbes.’ Zo werken de mannen twee uur om het ding minutieus bloot te leggen, enkel onderbroken door een kleine pauze met twee pilsjes en boterhammen met kaas. Tot Bavo’s verbijstering blijkt de lat een wiek te zijn. De wiek zit vast aan een intacte helikopter, die, neus vooruit, in de grond geboord zit. Geen modelbouw, maar een kleine versie van een echte helikopter. Eerder het formaat voor een eend of eventueel voor een kleine zwaan, als gevogelte helikopters zou besturen. Bavo trekt zijn modderige handschoenen uit en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Wat doet die helikopter hier? Hij springt in de put, hurkt neer en poetst met zijn mouw de modder van de glazen zijkant die al bloot ligt om naar binnen te kijken. Waanzin. Er is geen zitje, dus het moet een onbemand toestel zijn, en de meest moderne technologie is aan boord. Uitgesloten dat dit toestel al lang onder de grond zit. Zou zijn zoon hem hier begraven hebben? Maar waarom? Of is het ding misschien maanden geleden gecrashed tot diep in de vijver en hebben ze al die tijd niks gemerkt? ‘Meneer?’ klinkt het plots scherp. Bavo kijkt omhoog. De zon schijnt nog steeds genadeloos in zijn ogen. Hij heft zijn hand boven zijn ogen om iets te zien en ontwaart het silhouet van een agent. Er staat een politiewagen geparkeerd achter de camionette van Marek en die laatste is plots nergens meer te bespeuren. ‘Wat is hier de bedoeling van?’, snauwt de agent. ‘Heeft u een vergunning om die helikopter te begraven?’ ‘We begraven hem niet,...’ pruttelt Bavo, die onhandig uit de kuil probeert te kruipen, uitglijdt en dan maar blijft staan. ‘Uw buren hebben ons opgebeld, u mag die grond niet zomaar verzetten,’ stelt de agent ongeduldig, ‘daar zijn vergunningen voor nodig. Ik zal een PV moeten opmaken. Ik stuur iemand om stalen te nemen want als er benzine in de ondergrond is gelekt, hangt u.’ Bavo opent zijn mond, maar de man is hem voor: ‘En kom straks op het bureau de eigendomsbewijzen van die helikopter maar eens voorleggen.’ Met een korte ruk draait de agent zich om en verdwijnt naar zijn wagen. Het draait Bavo voor zijn ogen, hij leunt een paar minuten tegen de rand van de kuil, starend naar de grond tot hij Marek hoort en opkijkt. ‘Est-ce-que vous voulez qu’on continue monsieur?’ vraagt die twijfelend, ‘Il y a quand-même encore quelques heures de travail. Surtout vu le temps qu’il fait.’ Veiligheidshalve voegt hij er nog snel aan toe: ‘Et c’est 16 euros l’heure, monsieur, au noir’. Bavo schudt het hoofd en mompelt: ‘Non non, merci, ça suffit, vous pouvez partir’. Als een lastige tiener geeft hij een trap tegen de helikopter. Binnenin klikt en zoemt er plots iets. Nieuwsgierig komt Bavo wat dichterbij. Hij ziet zichzelf in het bolle reflecterende glas staren naar een rood lichtje dat aanspringt, gevolgd door een flits. Gealarmeerd klautert Bavo uit de kuil en rent naar het huis. In de keuken schopt hij zijn laarzen uit op de natte vloer en zoekt houvast bij de tafel. Daar vindt hij zijn gsm met drie gemiste oproepen en een sms van Charlotte om te vragen of hij 'toch niet even tijd heeft om de was in te steken'. Hij stopt de gsm in zijn broek en loopt naar het bureau waar hij zijn ingeslapen computer onzacht tot de orde tokkelt. Het scherm licht op, hij logt in. Meteen verschijnt bovenaan zijn mailbox een pas binnengekomen bericht. Het bericht heeft als onderwerp 'betrapt' en als afzender 'drone 2'. Trillend opent Bavo de bijlage. Hij ziet zichzelf met onderzoekende blik en op de achtergrond de felle zon en de omtrekken van een bobcat.  

Tine Tytgat
27 2

Egeltje wil een voetbalploeg

Egeltje is op vakantie bij oma. Hij wil voetballen. ‘Leuk,’ zegt oma, ‘Kom maar op.’ Ze krijten een goal op het muurtje. Oma trapt de bal en Egeltje trapt terug. Maar Egeltje wil niet meer trappen tegen een muur. Hij wil een wedstrijd spelen met een echte voetbalploeg. Elf spelers in hetzelfde truitje. ‘Kom,’ zegt oma, ‘we halen de rode was van de draad. Je mag alle truitjes gebruiken voor jouw ploeg. We gaan samen op zoek naar spelers.’   Oma en Egeltje lopen met de grote zak vol voetbaltruitjes naar buurman Hond. ‘Hond, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Hond. ‘Maar oma, hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Hond kan toch niet in mijn voetbalploeg. Spelers moeten bij elkaar horen en hij lijkt niet op mij. Hij is wit en ik ben bruin.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie zijn allebei sterke jongens, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar,’ zegt Egeltje, ‘Hond, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Hond en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Met z’n drieën lopen ze naar het mandje van mevrouw Poes. ‘Poes, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Poes ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Poes past niet in onze ploeg. Wij zijn jongens, en zij is een meisje.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle drie snelle pootjes om te dribbelen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Poes, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Poes en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de hoge boom. ‘Specht, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Specht. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Onze hele ploeg heeft snelle pootjes om te dribbelen, maar Specht trippelt traag en wil liever vliegen.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle vier knappe hoofdjes om de bal te koppen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Specht, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Specht en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.     Samen lopen ze naar het kippenhok. ‘Haan, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Haan. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Iedereen van onze ploeg heeft een knap hoofdje om de bal te koppen, maar Haan heeft een hanekam. Hij kan niet koppen.’ ‘Misschien,’ zei oma, ‘maar jullie hebben alle vijf luide stemmen om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Haan, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Haan en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar het holletje in de hooiberg. ‘Muis, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Muis. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Wij hebben allemaal een luide stem om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, maar Muis heeft een stil piepstemmetje.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘Maar jullie kunnen alle zes verschillende dingen. Zo kunnen jullie de tegenstander verrassen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Muis, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Muis en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de konijnenpijp. ‘Dag konijntjes, komen jullie in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zeggen de konijntjes. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘In onze ploeg kan iedereen iets anders om de tegenstander te verrassen, maar de drie konijntjes kunnen hetzelfde!’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar als wij alle tien een rood truitje aanhebben, zijn we samen een sterk team, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘Konijntjes, willen jullie nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ juichen ze en Egeltje geeft hen drie voetbaltruitjes.     Met z’n allen lopen ze naar de olifant. ‘Dag Olifant, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma.         ‘Graag,’ zegt Olifant. ‘Hoe kan dat?’ zegt Egeltje, ‘Wij hebben alle tien een rood truitje aan omdat we in de beste ploeg zitten, maar Olifant past niet in zo’n klein rood truitje.’ Olifant denkt even na. ‘Dat is waar,’ zegt Olifant, ‘Maar ik heb een grote blauwe voetbaltrui. Ik kan de keeper zijn, dan vul ik het hele doel en dat is toch ook belangrijk? ‘Wat een geweldig idee,’ zegt Egeltje.   De wedstrijd begint. ‘Hup de roden, allemaal samen!’ juicht opa, ‘We worden wereldkampioen! Muis trapt af, de konijntjes dribbelen en Egeltje geeft een pas naar Hond. Oma legt aan, Specht kopt, en Poes schiet op doel. ‘Goal!’, kraait Haan. En Olifant? Die doet een dutje in het doel.

Tine Tytgat
0 0

Het lastige kleinemansventje

Kabouters worden almaar driester. Je zou het ook vermetel of vrijpostig kunnen noemen, maar dat zou te lichtzinnig klinken. Neen, de kabouter die ik tegen het kleine lijf liep was eerder roekeloos, eerder baldadig maar niet totaal onbesuisd of onbezonnen. Ik had hem tezamen met een hoop bladeren in de groene container gegooid en toen ik met een volgende lading boomafval toekwam kroop hij net vanonder het laatste blad vandaan. Hij keek omhoog en verwachtte dat de karrenvracht hem volledig zou bedekken. Maar hoe klein hij ook was, ik had hem gezien. “Oef” was het eerste wat hij zei en het klonk nogal bekkig.“Goed dat je mij die tweede keer wel hebt gezien” zei hij vervolgens en dit klonk dan weer stout en zelfs verwijtend, “wat een geluk dat ik zacht viel in deze bladerenmassa” voegde hij er nog aan toe.Hij wreef de zweetdruppels van zijn voorhoofd met de pompon van zijn rode muts.“Had je mij zojuist niet gezien dan?” bleef hij grof en onbeschaamd doorgaan.“Of heb je misschien nog nooit een kabouter gezien?” was zijn laatste onbeschofte vraag, die mij duidelijk vrank en impertinent overkwam. Ik moest nog bekomen van deze eerste ontmoeting met een dwergachtige sprookjesfiguur.“Ik had je inderdaad niet opgemerkt die eerste keer” antwoordde ik onderdanig, op het kruiperige af.“Maar daar in de afvalcontainer had ik je direct gezien” klonk ik daarna al iets minder slaafs.“Sorry, ik wilde je niet oneerbiedig behandelen” deed ik me dan weer slijmerig voor. “Het is al goed. Haal me hier maar uit die smurrie” wou hij toen astrant kwijt.Het onhebbelijke persoontje begon op mijn zenuwen te werken.“Je mag wel iets vriendelijker zijn. Een beetje prettiger in de omgang. Als je je niet pijn hebt gedaan, dan mag je heus wel eens aimabeler uit de hoek komen” was mijn kijk op de zaak die ik probeerde te verwoorden op een beschaafde en goedhartige manier.“Aimabel, aimabel” knorde het lastige kleinemansventje.Mijn geduld begon op te geraken en ik vroeg hem op een meer onverschrokken wijze:“Voor mij is het simpel, vlerkerig kereltje. Je vraagt me respectvol je hier uit deze bak te vissen ofwel laat ik je hier een nachtje slapen: je bedje is gespreid en je kan nog een dik bladerendekbed over je heen krijgen”.Mijn manhaftige woorden hadden effect gesorteerd.“Excuseer jongeman voor mijn onbeschaamd gedrag en mijn vrijmoedige woorden. Ik heb dit zeker niet zo brutaal bedoeld. Dit overkomt me op een wat ongelukkig moment, weet je. Ik zocht net wat eikels onder die dikke boom daar, want mijn vrouwtje is ziek en ik wilde haar beter maken met eikelsiroop en net op het moment dat ik een dikke eikel wilde oprapen, vloog ik door de lucht en belandde in deze bak. Door deze tegenslag ben ik zelf een beetje een eikel geworden, denk ik” zuchtte het kleine mannetje en hij sloeg zijn hoofdje deemoedig naar beneden.“Van eikelsiroop heb ik nog nooit gehoord” moest ik lachen, “maar kan misschien een beetje glühwein helpen? Ik doe een beetje in een speelgoedflesje van de kinderen”.“Bedankt meneer en nogmaals mijn nederige verontschuldigingen voor mijn onstuimige en boude handelswijze. Mijn vrouwtje zal u zeer dankbaar zijn voor uw medicijn.”Het waren zijn laatste welgemanierde en warmhartige woorden.Hij liep door het hoge gras. De sprieten reikten tot aan zijn broeksriem. Het mini-flesje met rode inhoud torende overal boven uit. Aan de dikke boom keerde hij zich om, keek naar mij en stak met zijn beide armpjes zijn reuzenfles omhoog. Ik wuifde even en glimlachte.

Marc M. Aerts
0 0

Lilliputternamaakgrasmatjes

“How do you like your eggs prepared?” vroeg Bill, de uitbater van B & B The White House in Lahinch aan de Atlantische kust van Ierland. Jaja, er wachtte ons een flink ontbijt. Miel nam de full option, op zijn Iers dus: spiegelei met worst en ham. Jan en ik kozen voor een gewone sunny side up. Hadden we gezondigd zoals onze reisgenoot, dan zou het een te grote aanval geweest zijn op ons al te hoge cholesterolgehalte. Miel had daar lak aan. Maar Jan blijkbaar even later ook, toen ik zag hoe hij de smeuïge Ierse boter driedubbeldik op zijn toast smeerde, tussendoor al slurpend aan zijn hot chocolate milk. Miel en ik namen een ganse koffiepot voor onze rekening.  De voorkamer waar we ons ontbijt naar binnen smikkelden was een toonvoorbeeld van kitscherige decoratie. Elke kast, bijzettafel of schouw puilde uit van kleurige, porseleinen beeldjes en golftrofeeën. Gedurende de rest van de week zouden we inderdaad merken dat Ierland heel wat greens telde en dat deze sport het elitaire al lang overstegen was. Onze ouwe getrouwe Bill kon er blijkbaar wel wat van; vandaar de menigvuldige ornamenten met minigolfballen, dito clubs en lilliputternamaakgrasmatjes. Ziezo, onze magen waren méér dan gevuld en onze valiezen opnieuw ingeladen. We waren klaar voor een nieuwe ontdekking. Het was mooi weer geworden. Het voelde een beetje frisjes aan, maar het was nog vroeg en het zeebriesje deed zijn best om eventuele houtenkoprestanten weg te blazen. Kom Ierland, verbaas ons!

Marc M. Aerts
0 0

Veertig tinten groen

“Schuun hè” zei een Oostvlaming die achter mij in het vliegtuig zat. We keken door hetzelfde venstertje naar buiten. Het was inderdaad prachtig. Een enorm lappendeken strekte zich onder ons uit. Als ik vroeger in één of andere toeristische brochure een beschrijving las van dit groene eiland of ik hoorde een reiziger zijn relaas doen over zoveel verschillende tinten groen die Ierland tentoonspreidde, dan dacht ik, als een ongelovige Thomas, dit moet ik eerst zelf zien, met mijn eigen ogen. Men had echter niet overdreven. Het Keltenland, dat zijn natuurschoon diep onder ons prijsgaf, was immens mooi. Of die ongelovige Thomas later heilig werd verklaard weet ik niet meer, maar hij moest maar eens in de leer gaan bij zijn kompaan Saint Patrick, de patroonheilige van dit gezegende land. Hij zou vlug geloven. Ik neuriede "I’m a believer", een vrolijk melodietje, gecomponeerd door een toen nog jonge Neil Diamond, en naar de top van de Amerikaanse charts gezongen door de Monkees, een miezerig Amerikaans afkooksel van de Beatles.   Eerder die dag checkte ik in op Zaventem en spendeerde een uurtje in de vertrekhal waar een Vlaamse schone met lange blonde vlecht flaneerde. Zij stal de show en menig mannenhart. Toch zeker het mijne. Vreemd dat op dit soort vergrijp nog geen langdurige gevangenisstraf staat. Als dit kwaliteitsvolle lichaamsgehalte zich ook zou etaleren in mijn land van bestemming, dan zat het goed. Prinses Rapunzel - je weet wel: het sprookje van het prinsesje met haar lange vlecht, opgesloten in de hoge slottoren - zag ik niet meer terug. Zij vertrok met haar - wat dacht je - belachelijke vriendje en met de noorderzon naar het zuiden. Neen, voor mij geen idiote strandvakantie. Ik ging mijn cultuur verrijken in Ierland. Het land met wel veertig tinten groen.

Marc M. Aerts
0 0

Het rijk voor mij alleen!

Hier heb ik echt naar uitgekeken: heerlijk de hele avond het rijk voor mij alleen! Hoe zal ik dat eens gaan vullen... Zou zoveel willen doen, dat ik wel een weekje voor mezelf kan gebruiken. Met  een hapje en drankje voor de buis of aan de schrijf, bezig met de website of gewoon lekker lezen? Telefoon en tablet aan de kant. Druk even de tv aan, languit op de bank met een kopje thee...   Als ik verkleumd wakker word in het donker, is er inmiddels op tv een dame allerlei telefoonnummers aan het aanprijzen en is mijn thee koud. Langzaam wordt de rest van mij wakker en besef ik waar ik ben en dat mijn avondje voorbij is. Want zo te voelen is de verwarming al even uit. Dat is lekker dan! Voordat ik er van ga balen, knip ik een lampje aan. Twee uur! Dan dringt het tot me door: waarom is hij nog niet thuis? Hij zou het toch niet laat maken? Ach het is vast gezellig en zo heel laat is het ook nog niet.   Ik verhuis naar mijn bed en verwacht eigenlijk ieder moment dat hij thuis komt.  Pfff verwachten duurt lang! Zeker weer de tijd vergeten of misschien wel een lekke band? Moet hij zijn telefoon maar mee nemen. Waarom heb ik nu uitgerekend de laatste man zonder horloge en zonder whatsapp? Wat als er wel wat gebeurt?   Zo kan ik toch niet slapen,  dus maar weer naar beneden. Thee herkansing. Zinloos kijk ik uit het raam of hij er al aan komt, alsof het dan sneller gaat. Wat als er echt iets gebeurd is en hij ergens op straat ligt.  Gevallen of in elkaar geslagen? Wie moet ik nou bellen als hij helemaal niet thuis komt? Volgende keer moet hij echt z'n telefoon mee nemen. Straks belt het ziekenhuis... Wat moeten de kinderen zonder vader? En ik zonder mijn man? Krijg er een knoop van in mijn buik.   Dan hoor ik de sleutel in het slot en  "Hé, ben je nog wakker?". "Ja ik kon niet slapen,  heb je het leuk gehad?"   Langzaam verdwijnt de knoop weer. Het is kwart over twee,  ik ga slapen...

Liselotte Schippers
12 0