Zoeken

Hoe vaak keert hun brand weer terug?

Toen ik nog klein was hebben we een keer schoorsteenbrand gehad. Wat ik me er van kan herinneren is dat we vanuit het slaapkamerraam van mijn vaders tante, die bij ons in de straat woonde, toekeken hoe de verschillende brandweer- en politieauto's in de straat verschenen. We zagen hoe de hele buurt zich verzamelde en dat zíj wél konden zien wat er bij ons thuis gebeurde. Een buurjongen stond er nog bij te lachen ook! Het was echt niet grappig! Zelf heb ik maar één klein steekvlammetje mogen zien, toen werden we direct naar mijn vaders tante, tante Cor, geloosd.   Gevolgen waren enorm: oud en nieuw werd nu niet bij ons thuis gevierd, maar bij Tante An. En op mijn slaapkamer was de brandweer, zo lomp in mijn kinderogen, zonder pardon over rood crêpepapier gelopen. Het was van de kerstversiering voor mijn ramen. Dat ik het zelf had laten slingeren telde niet mee. Het was mijn kamer. Met vanaf toen voor altijd rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking.   Natuurlijk belangrijker, waren we allemaal ongedeerd en is ons huis niet tot op de grond afgebrand. Brand effectief geblust! Mijn moeder probeerde het eerst met een washandje, maar de brandweer bluste uiteindelijk toch beter. Behalve dan dat ze geen rekening hielden met het rode crêpepapier...   Uiteraard heb ik hier niets aan overgehouden. Behalve elke keer als ik bewust een brandweer hoor. Dan ben ik even thuis. Rijdt hij naar mijn huis? Is er iemand thuis? Dan gaat de gedachte weer en hobbel ik gewoon verder in het ritme van de dag.   Als ik dan denk aan al die 'écht' getraumatiseerde mensen, door wat dan ook en waar dan ook. Waar het veel verder gaat dan alleen maar rood crêpepapier. Hoe vaak keert hun brand weer terug? Kunnen zij gewoon weer verder hobbelen in het ritme van de dag?   Niet dat je kan kiezen, maar dan ben ik blij met en dankbaar voor mijn rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking!  

Liselotte Schippers
0 0

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0

Vlieden

‘Jouw beurt,’ siste hij. Hij duwde de vogel tegen mijn arm en wees naar het rode licht. ‘Je hebt exact anderhalve minuut, ik heb het getimed.’ Verfomfaaid kwam de vogel in mijn handen terecht. De dunne vleugels plakten aan mijn vingers. Het touwtje zat al meteen verstrikt. Onderweg naar hier had hij het me voorgedaan. In zijn ene hand had hij de vogel opgeplooid. De wijsvinger van zijn andere hand had hij door het lusje gehaakt. ‘Hop!’, deed hij, en liet de vogel vallen. Net boven de grond klapten de vleugels open. De vogel maakte een sierlijke bocht. ‘En dan laat je hem zweven, op ooghoogte van de chauffeurs. Zo,’ hij liet de vogel langs de jasmijnstruiken zeilen. Er speelde een glimlach rond zijn snor. Ik moest denken aan mijn kleine broer die sinds kort met alles wat hij vond de vlucht van vliegtuigen nabootste.‘Tussen de warme wagens gaat dat beter. Thermiek.’ zei hij. ‘En stel jezelf voor dat de auto’s vol kinderen zitten. Dat helpt.’ ‘Echt waar,’ zei hij toen hij mijn blik zag,’als ik aan jullie denk, verkoop ik meer.’ Ik was geen kind meer. Wou ik hem zeggen. Ik kon mijn eigen boontjes doppen. Dat had Yusuf mij gezegd. Ik geloofde Yusuf.   Als een troep dampende paarden stonden de auto’s voor het rode licht. De zon blikkerde op het chroom. ‘En dan mag je nog van geluk spreken dat het niet regent,’ had hij vanmorgen gezegd toen hij me hierheen sleurde. ‘Dan zouden we toch geen vogels verkopen,’ wou ik nog zeggen. Maar ik had gezwegen. Dan zouden we paraplu’s verkopen. Niet mijn vader. Die verkocht wat van de vrachtwagen viel. Maar die spullen buitelden meestal met een goede reden van de vrachtwagen. Dat beweerde Yusuf. En die kon het weten. De kleine superette die hij op een straathoek in de sjieke wijk openhield, had hij ‘Corner’ genoemd. In de rekken lagen producten van Amerikaanse import die tegenaan vervaldatum liepen. Hij verkocht ze duur aan de expats uit de buurt. Blij als een kind was mijn vader toen hij gisterenavond met de zak vol vogels thuiskwam. Honderd vogels, op de kop af. ‘Stel je voor dat we per vogel twee dinar kunnen krijgen. En aan de dikke bakken vragen we natuurlijk wat meer,’ had hij naar me geknipoogd. ‘Ik heb Yusuf beloofd...,’ begon ik. ‘Kratten versleuren,’ snoof hij, 'Yusuf profiteert van je. Hij geeft je een peulschil. Jij bent een verkoper, net als je vader. Jij komt met mij mee.’   Ik hield de vogel zo ver mogelijk van me af. Het plastieken oog stond star en vol verwijt. In mijn handen was de vogel een dode mus. Het zweet brak mij uit. ‘Trek je mooiste hemd aan, een verkoper moet er goed voorkomen.’ Voor de aanschaf van de rode gympen onder zijn afgebleekte jeans had hij een maand geld opzij gezet. Ze stonden hem niet. ‘Komaan!’, brulde hij, ‘Nu! Straks gaan ze weer rijden!’ In de smalle schaduw van het verkeerslicht was hij bezig een nieuwe vogel uit de zak te pellen. Ik keek naar de auto’s. Ze keken niet terug. Je kon niet zien wie er in zat tot je met je neus tegen de raampjes stond. Klant is koning. Dit waren geen klanten. ‘Blijven kijken,’ had mijn vader gezegd, ’in de ogen, ook als ze al met hun hoofd geschud hebben. Met die ogen van jou kan je dingen in beweging brengen, jongen.’   Aan de overkant van de straat sijpelden de mannen uit de moskee. Ze gingen alle richtingen uit. Drie straten verder was Yusuf nu de metalen rolluiken omhoog aan het duwen. Ik kon het kriepen bijna tot hier horen. Het bordje tegen de deur werd op ‘Open’ gedraaid.   De auto’s begonnen te grommen. Het licht ging op groen. Ik sprong van het trottoir en laveerde tussen de optrekkende auto’s. Vleugels. Het was een wonder dat ik ongeschonden aan de overkant kwam. Onder een steen op het trottoir legde ik een briefje van vijf dinar. De vogel nam ik mee. Voor mijn kleine broer.

Marjanne Sevenant
0 0

Stout

    Toen mijn kleine zus werd geboren, zorgde mijn oma voor me, met roodbehuilde ogen en een handtas volgestopt met chocola. Dat weet ik nog goed, want voorheen kreeg ik nooit chocola. ‘Ik wil geen zus,’ zei ik, toen ik de nieuwe baby na een maand te zien kreeg. Met haar dikke buik en haar stokkenbeentjes leek ze op een diepvrieskip. ‘Ze huilt bijna nooit,’ zei mijn moeder aan de tantes die rond het bedje stonden. ‘Dat was met Jonas wel anders. Hij kon hele dagen huilen!’ Ik stak mijn tong uit naar de snertkip die niet huilen wilde. ‘Ik haat baby’s,’ riep ik, toen Silke voor het eerst haar lipjes vertrok in een scheve grijns. ‘Ik wil geen meisje,’ pruilde ik, de eerste keer dat de peuter mijn vinger greep. ‘Meisjes zijn stom en flauw.’ Ik kneep haar hand, ze begon zacht te huilen, met korte stootjes. Ik zag wel dat Silke geen watje was. Als ze viel, gaf ze geen kik, terwijl ik bij het minste schrammetje begon te brullen. Ik zag wel dat ze lief was. Ze knuffelde alle mensen, of ze hen nu kende of niet. In haar ogen, amper een spleet, danste altijd een glimp van plezier. Silke mocht zich niet vermoeien. Ze had een aangeboren hartziekte, iets wat wel vaker voorkwam bij haar afwijking. Silke sloeg de hele dag naar ingebeelde vliegen. Ze maakte mijn speelgoed kapot en beet vaak in mijn arm of been. Als ik huilde, kwam ze bovenop me liggen en streelde en kuste me. Toen ze zes was, ging ze naar een aangepaste school. Samen met moeder wachtte ze buiten op haar bus. Mama kamde nog eens over Silke’s stugge haar, dat alle kanten oppiekte, ging nog eens met een zakdoek over de kwijldraad op haar kin. Terwijl ik mijn boekentas op mijn fiets riemde, stapte Silke op de bus. ‘Dag Jonas, dag, dag, dag!’ ‘s Avonds werd ze thuis afgezet. ‘Mama?’ was het eerste wat ze riep. Daarna galmde haar schaterlach in de gang. Trots toonde ze wat ze op school had geleerd. Ze kon haar naam schrijven, ijverig en geconcentreerd, het puntje van haar tong uit haar mond. Ze leerde tellen. De verrukking spatte uit de kleine ogen. Ze hield van het licht. Overal in huis zocht ze de lichtste plekjes op. Als het mooi weer was, liep ze naar buiten. Plukte madeliefjes en margrieten. Het meest hield ze van paardenbloemen. Als die uitgebloeid waren, klemde ze de stengels van de pluisbollen in haar vuist, blies uit alle macht, haar ogen stijf dichtgeknepen. ‘Wensen, wensen.’ Het lukte haar nooit om in één keer alle pluisjes weg te blazen, er bleven altijd wel een paar wensparachuutjes achter. Ze snoepte graag, ik liet haar hele voorraden lekkers voor ons jatten en bewaarde alles in een doos onder mijn bed. ‘Het is ons geheim,’ zei ik haar, ‘ons Voor Altijd Geheim.’ Ze schaterde, huiverend van het verboden genot. Ze zei nooit veel, humde vaak in zichzelf. Ze was acht toen ze voor een operatie naar het ziekenhuis moest. ‘s Avonds hoorde ik het tuinhekje niet opengaan. Er klonk geen schaterlach in de gang. Niemand vloog rond mijn nek. Op school vroeg de meester me wat er scheelde, of ik ziek was. Ik vertelde het hem. ‘Het spastje is ziek!’ riep de jongen die naast me zat. ’s Avonds schopte ik hem van zijn fiets. Na veertien dagen mocht ik mee naar het ziekenhuis. Mijn zus lag wit in het witte bed, haar roze, dun geworden konijn in haar vuist gekneld. ‘Je mag vlugvlug weer naar huis,’ fluisterde ik, ‘zeven keer vlug’. Ik gaf haar tikjes op haar wangen: zeven keer, dat bracht geluk. Ze kwam terug naar huis met een berg medicijnen en een groot litteken op haar borst. Ze lag op de bank, speelde met haar roze konijn. Op de grond lag de nieuwe, hagelwitte knuffel die ze van oma had gekregen. ‘Had je pijn in het ziekenhuis, zus, moest je huilen?’ ‘Erg pijn, nie huilen.’ Ze humde verder tegen het roze konijn: ‘Overgegeefd. Een snee, een spuitje.’   Silke vond het geweldig toen ik verpleegkunde ging studeren. ‘De zieken geneest!’ straalde ze. Ik ging op kamers wonen, maar op vrijdagnamiddag kwam ik thuis. Met haar 1 m 40 en 80 kg bewoog Silke zich altijd traag en bedachtzaam. Maar op vrijdagavond haastten de dikke voetjes zich over onze oprijlaan, en viel ze me schaterend rond de nek. In vijf minuten tijd hoorde ik soms evenveel lachen als in de voorbije week. Het meest opvallende aan mensen met het syndroom van Down, leerde ik in de les genetica, waren hun specifieke ogen en neus, hun kleine, mollige handen met de vreemde handlijnen en de korte, stompe vingers. Hun huid was droog en schilferend. Meisjes menstrueerden vaak al vanaf hun negende. Het hele rijtje klopte, maar het had niets met Silke te maken. Een bus bracht haar nu elke dag naar een beschutte werkplaats. Ik werkte ondertussen op een afdeling voor intensieve zorgen. Silke was vaak ziek. Op een nacht had ze hoge koorts. Ik overlegde met de huisdokter en gaf haar een inspuiting. ‘Stout!’ riep ze. ‘Jonas stout!’ Ze probeerde in mijn been te bijten. ‘Het is voorbij, zusje, ik ben weer lieflief, zeven keer lief!’ Ze kuste me, wreef met een voorzichtige vinger over mijn been. ‘Jij mag ons bruidsmeisje zijn!’ beloofde ik haar op een dag. ‘Je krijgt een bruidsmeisjesjurk! Welke kleur wil je het liefst? Blauw?’ ‘Nie blauw, roze, roze, roze. Mama ook roze.’ Ze kreeg een zalmkleurige jurk met pofmouwen. Het werd de mooiste dag van haar leven. Ze gaf ons de ringen aan, haar tong hing van inspanning uit haar mond. Ze hielp me om ballonnen op te blazen voor de kinderen. Ze gierde het uit als er een op knappen stond. ‘Stop,’ riep ze, ‘stop lucht! Ontploft!’ Twee jaar later hield ze onze pasgeboren baby in de armen. Opeens ontblootte ze haar zware borsten, de baby sabbelde eraan. Silke keek naar me, een diepe rimpel boven haar neus. ‘Een Voor-Altijd-Geheim.’ ‘Ja?’ ‘Geen baby’s voor Silke.’ Ik pakte haar in mijn armen. De denkrimpel verdween.   Op haar twintigste lag ze wekenlang op intensieve zorgen, in leven gehouden door apparaten en slangetjes. Mijn ouders durfden haar niet aan te raken. Toen ze tenslotte terug zelfstandig begon te ademen, verhuisde ze naar een speciale verzorgingsinstelling in de stad. Ze werd op een streng dieet gezet. ‘Silke eten hebben?’ Ze zocht voortdurend naar iets lekkers in moeders handtas en in mijn jaszak. Er bleven steeds minder stukjes Silke over. De uitdrukking verdween uit haar gezicht. Ze verloor haar lach, haar Silke lach. Onze ouders stierven kort na elkaar. ‘Zorg dat ze geen sukkelaar wordt,’ waren de laatste woorden van mijn moeder. Ieder weekend bleef ik mijn zus bezoeken in het verzorgingstehuis. Ze lag er hele dagen te woelen, trok lakens en dekens over haar hoofd, pulkte haar luier open. Het ooit roze konijn hield ze in haar vuist geklemd. Vaak ijlde ze. ‘Mama?’ ‘Nee, ik ben het, Jonas, je broer.’ ‘Jonas.’ En even later: ‘Mama?’ In onze kelder vond ik nog een paar potjes jam die mijn moeder had gemaakt. ‘Lekker,’ zei ik en stak Silke een volle theelepel toe. ‘Doe je mond open, zus, hij is van mama!’ Ze griste het potje uit mijn handen en smeet het kapot op de grond. Op een dag gaf ik een kus op haar arm. ‘Dag, dag, dag, zeven keer dag.’ Ze lachte, vreemd en huiveringwekkend, als het hinniken van een paard. Een geluid dat geleidelijk overging in een klaaglijk geschrei. ‘Silke nie alleen laten.’ Ik drukte mijn gezicht tegen haar roze hoofdhuid. ‘Geen denken aan,’ zei ik.   Een week voor haar dertigste verjaardag werd ze opnieuw in allerijl naar het ziekenhuis gebracht. Ze lag weer aan een beademingstoestel. Haar ogen waren open. Ik zocht het leven erin, ik vond niets. Soms geeuwde ze. ‘Reflexen,’ zei de verpleger, ‘niks om je aan vast te klampen.’ Ik keek naar de vreemde vrouw in het witte ziekenhuishemd. Haar haar hing verward om haar hoofd, haar mond stond open, een straaltje speeksel liep op het kussen. Tijdens mijn studies had ik over palliatieve zorgen gehoord. Ik sprak erover met de dokter. ‘Dat is hier niet aan de orde,’ meende hij. Zijn woorden ploften als een stomp in mijn maag. ‘Het is genoeg geweest. Ik werk ook op intensieve zorgen. Maar er zijn grenzen. Leven heeft alleen zin als het iets met leven te maken heeft. Jullie moeten niet verlengen wat er niet meer is.’ De dokter zei dat ik me vergiste. Dat Silke wel degelijk leefde, en dat het nooit in hem of in zijn collega’s zou opkomen om mijn zus op te geven, te meer omdat ze zoveel moeite hadden gedaan om haar te redden. ‘Dit noem ik geen leven, dokter.’ ‘De vitale organen werken, meneer. Als ze ooit weer beter wordt, kan ze zelfs terug naar een verzorgingstehuis, een ander wellicht, aangepast aan de behoeften van de patiënt.’ Bijna elke dag nam ik de lift naar de tweede verdieping. Als de liftdeuren open gleden, hoorde ik het beademingsapparaat: Silke’s kamerdeur stond op een kier. Op een keer kwam een Afrikaanse werkster in een groene schort en met een emmer wit sop naar me toe. Ze leunde op haar poetsmop: ‘So’ n sukkelaar!’ Met grote, donkere ogen knikte ze naar Silke’s kamer.   Het is lente, een late middag. Ik doe de deur van haar kamer achter me dicht, de hitte valt klam op me neer. Zoals altijd ligt Silke naar het licht gekeerd, naar de lichte lentedag: haar lichaam, haar hoofd, haar armen en handen naar het raam. Lucht wordt gepompt. In en uit. In en uit. Iets is groot als een ballon. Iets wacht tot het knapt. Er mag geen lucht meer bij. Ik maak het beademingsapparaat en het ziekenhuishemd los, pak de roze bruidsmeisjesjurk uit mijn tas en drapeer hem over haar heen. ‘Zou je graag bij mama zijn?’ fluister ik. ‘Kom maar bij mij, we gaan naar haar toe.’ Ze hangt zwaar in mijn armen. Ik streel haar hoofd, het grijzende haar is zijdezacht in haar nek. ‘Nog heel even, dan komt mama,’ fluister ik. ‘Ze zal ook in het roze zijn. Dag, dag, dag lieve zus van mij. Ben ik stout? Nee, dit keer is het geen spuitje. Toe, zeg eens, vind je me nu weer stout?’   Ik sta op en kijk door het raam. Massa’s gele paardenbloemen keren zich naar het licht. Sommigen zijn al veranderd in witte pluisbollen. In wachtende wensparachutes.                              

Martine Wolfaert
0 0

Een perfecte weersvoorspeller

    “Jef,” stelt de gorilla zich voor, terwijl hij de hand van Frans op hartelijke wijze fijnknijpt. Wat heb jij, buurman?” “Ik? Prostaat.” “Prostaat?! Ik ook! Snap jij dat nou? Al die jaren hebben we geen prostaat gehad. En nu blijken we er plots één te hebben!    Tien dagen liggen ze naast elkaar in het ziekenhuiskamertje. Frans is gepensioneerd tuinier. Hij is klein en gezet, zijn gezicht blinkt als een rode appel en zijn ogen hebben altijd praatjes. Tien jaar geleden werd zijn linkeronderbeen geamputeerd. Op die plek zit nu een perfecte weersvoorspeller: jeuk aan zijn linker grote teen betekent regen, pijnscheuten verwittigen storm. Jef rookt stiekem sigaretten in bed terwijl hij verhalen vertelt over zijn leven op zee. Vanaf zijn veertiende reisde hij rond de wereld. Nu is hij 70 en hoort nog steeds de lokroep van de zee. Zijn haar en baard zijn spierwit en de zee en de lucht hebben een spoor van ruwe tederheid in zijn gelaat gekerfd. Of er wel eens een vrouw was in zijn leven? O jawel! Maar hij vergat haar naam op het moment dat het schip vertrok. Hij hield meer van het water. Van de zee die tweemaal per dag haar orgasme beleeft op de donkere zandlijn. Na hun ontslag uit het ziekenhuis wandelen ze vaak samen aan zee. Ze kijken naar de vissersboten die hun wijd gespreide netten als vleugels langzaam aan lieren in zee laten zakken. Ze kijken naar de golven die langs het water een rand van wit schuim achter laten. “Hoor toch die meeuwen” zegt Jef telkens opnieuw. Voor Frans krijgt de zee een nieuw geluid: dat van mekkerend meeuwengekrijs. Op zondag, terwijl het hele dorp nog slaapt, maken zij wandelingen in het groene bos. Frans voelt feilloos aan zijn linkervoet of ze regenkledij moeten voorzien. Ze kijken naar vechtende mussen, naar het spel van de merels in de notenboom. “Moet je zien”, zegt Frans, “een boomklever!” Voor Jef krijgt het bos een nieuwe gezicht: dat van boomklevers, spechten en roodborstjes. Frans moet vaak plassen. “De operatie heeft niet veel verbeterd aan mijn ‘ouwemannenkwaal’”, zegt hij. “Och ja, het hoort bij de leeftijd”. Zonder dit probleem had hij Jef nooit leren kennen. Hij moet er niet aan denken.    De tijd verstrijkt. Ze kennen elkaar al meer dan vijf jaar. Frans is vaak moe. Een knagende rugpijn laat hem nooit met rust. Na een berg onderzoeken gaat hij naar de dokter voor de uitslagen. “Uw prostaatkanker is te ver uitgezaaid”, zegt de witte doktersjas. “De behandeling die ik u voorstel is palliatief, daarmee bedoel ik dat…” “Hoelang nog, dokter?” “Enkele weken. Hooguit zes.” Traag wandelt Frans terug. De straten zijn grauw, de huizen staren hem aan. Thuis roert hij lang in zijn koffie, zwart als een rouwgewaad. Hij neemt de telefoon. Jef komt. Hij ziet Frans op de bank onder de appelboom, naast de groenbemoste engel met kapotte vleugels. Stil gaat Jef naast Frans zitten. Voor het eerst sinds ze elkaar kennen, misschien wel voor het eerst in zijn leven, weet Jef niets te zeggen. Hij vergeet zelfs een nieuwe sigaret op te steken. De appelboom is zwaar van rijpend fruit. Er is nog zoveel wat Frans wil zien en doen. Dingen als een zeldzame vogel zien, een ijsvogel, wie weet. Lopen aan het strand met de zon in zijn rug. Voor de honderdste keer luisteren naar de belevenissen van Jef op zee. Samen een fris biertje drinken. Gewoon in leven zijn: elk uur, elke dag. Hoe kon geluk ooit vanzelfsprekend zijn? Een maand later stappen ze door de tuin van Frans. Bij elke plant en boom vertelt Frans hij ze gesnoeid moeten worden Met geoefende bewegingen knijpt hij verwelkte bloemresten weg. Rondom hen ligt de grond bezaaid met afgevallen appels.   Een dor blad tuimelt van tak naar tak in een kalende boom. Enkele laatste rozen bloeien donkerrood: nog zeven dagen? Nog tien?    Dezelfde avond zitten ze in de zetel bij Frans thuis. Jef heeft een fles champagne meegebracht. “We bewaren hem voor een speciale gelegenheid” zegt Frans. Daarna schuift hij heen en weer in de sofa . “Ik word niet beter, Jef”, fluistert hij, “ik ga dood”. Jef inhaleert de rook van zijn sigaret en ziet het grauwe gelaat van Frans. “Vertel me over de zee”, vraagt Frans. Jef bromt verhalen, zonder kop of staart. Zijn warme stem omhult Frans. Ze drinken en roken. Roken en drinken. Praten hoeft niet meer: alles is gezegd. Ze luisteren naar het sissen van de vlammen in de open haard. Ze heffen klinksgewijs de glazen. De tv staat op, ze kijken niet. Om drie uur ‘s nachts zet Frans hem uit, het zwarte oog kijkt verbaasd de kamer in. De vijfde fles is leeg, de asbak vol. Plots valt Frans suizebollend voorover, hij hapt naar adem, zijn ogen groot en zijn gelaat asgrauw. “Het kan elk moment gedaan zijn”. Mijn God, niet hier, niet nu, bidt Jef. Frans grijpt de hand van Jef. Hij wijst naar de tekst op het lege sigarettenpakje: ‘roken is dodelijk’. “Het is waar”, hikt hij met een alcoholboer.      Twee dagen later krijgt Frans onmiddellijk een eenpersoonskamer in het ziekenhuis. Zijn beenprothese staat werkloos naast zijn bed. Jef vertelt hem onophoudelijk verhalen. Opeens hijst Frans zich moeizaam overeind. “Geef me wat te drinken” vraagt hij. Jef loopt, nee, hij rent de vijf straten naar huis en weer terug. Frans straalt als hij de champagne ziet. Jef helpt hem rechtop en houdt hem het plastic bekertje met de champagne voor. “Het is goed dat u hem water geeft,” knikt de verpleegster, “maar geeft u hem vooral kleine slokjes opdat hij zich niet verslikt.” Samen met ‘Prévoteau-Perrier’ verlaat Frans het leven en zijn vriend.   In het grijze ochtendlicht wandelt Jef naar het huis van Frans. Hij gaat er zitten op de bank onder de appelboom. Bij de buren slaat de deur dicht, een auto start. Jef dut in. Twee uur later wordt hij wakker. Dan ziet hij hem, achteraan op het gazon: de merel met één poot.      

Martine Wolfaert
0 0

Het gehoor blijft het langst bewaard

                        Er is weinig volk op straat, iedereen zit warm binnen aan feestelijk gedekte tafels. 'Weet je zeker dat jij vanavond bij moeder wil waken,' vroeg mijn broer. Ik wist het zeker. Laat de anderen maar feesten, ik heb niets te vieren. Als ik kon, sloeg ik kerstavond gewoon over. Ik heb een hekel aan deze dag want hij brengt me regelrecht naar drie jaar geleden. Iedereen meent te weten wat er toen gebeurde, maar er is niemand die het werkelijk weet. En zo zal het ook blijven: dit geheim neem ik mee in mijn graf.   Drie jaar geleden dus. Erna en Werner nodigden me uit om bij hen kerstavond te vieren. Hun kinderen waren opgetogen: ‘Met Betty is het altijd feest!’ juichten ze. En feest werd het. ‘Een echte Perrier jouët brut, zei Werner plechtig. ‘Speciaal in onze wijnkelder bewaard voor vanavond!’ Glimlachend hield ik mijn glas onder de fles, niemand zag mijn handen trillen, niemand hoorde mijn hart bonzen. Dat ik mezelf plechtig beloofd had te stoppen duwde ik hardnekkig weg. Het was kerstavond, feest van vreugde en vrede, niet van schaamte en spijt. De wijn maakte me met één slok warm en blij, ik verdiende het, afkicken kon later. Bert en Joren, een tweeling van negen, speelden kerstliederen op een dwarsfluit en de vijfjarige Helena begeleidde hen met een kwart viooltje. Het was zo mooi dat iedereen er tranen van in de ogen kreeg. Mijn dessert was nog niet op of de kinderen trokken me al van mijn stoel. Ze hadden zelf een kerstspel bedacht, iedereen moest zich daarbij verkleden als engel. De tweeling ging zelf aan de slag en ik hielp Helena: ik knipte zilveren engelenvleugels en sloeg een wit lakentje rond haar middel. Met haar blonde krullen, blauwe ogen en lichtroze sproeten was ze eigenlijk altijd een engel. ‘Braaf zijn en goed luisteren naar Betty,’ riepen Werner en Erna toen ze vertrokken. De engelen, verdiept in hun spel, keken amper op. Ik knipoogde naar mijn vrienden: ‘geniet maar, geen zorgen!’ Ze kusten me dankbaar ‘tot straks.' (‘Heerlijk zoals Betty met de kinderen omgaat, jammer dat ze zelf nooit…' Iets dergelijks zouden ze steevast tegen elkaar zeggen in de auto.) Het was de vijfde Kerst dat ze me vroegen om op de kinderen te letten, ik vond het niet erg, alles was beter dan in mijn eentje voor de tv zitten. ‘Jij moet je ook verkleden, Betty!’ ‘Natuurlijk!’ Ik zette een gouden kroontje op mijn hoofd, vouwde mijn handen en trok een vroom gezicht, de kinderen joelden van pret. Af en toe keek ik naar de lege fles op tafel, mijn mond en keel waren droog, ik snakte naar nog een glas wijn. Werner en Erna zouden het vast niet erg vinden als ik een nieuwe fles voor mezelf opentrok. ‘Waar is de kelder?’ vroeg ik aan Bert. ‘O, je haalt chips voor ons?' antwoordde hij. ‘Yes, chips!’ riep het engelenkoor. 'Even wachten, ik ben zo terug,' glimlachte ik. Met Betty is het altijd feest. In de kelder vond ik wijn en een halfvolle fles wodka, ik schroefde de dop eraf en zette de fles aan mijn mond. ‘Betty?' Ik draaide me om, Helena stond in het deurgat boven de keldertrap. Haar goudblonde krullen schitterden in het ganglicht. 'Kom je terug, Betty?' Het kind klom naar beneden. Toen gebeurde het. Ze struikelde over het laken. Een luide schreeuw, een bons. Helena 's hoofd smakte tegen de betonnen keldervloer. Doodstil bleef ze liggen, haar benen in een vreemde hoek. Een straaltje bloed sijpelde uit haar open mond, haar roze sproeten staken fel af tegen haar witte gezicht. In de woonkamer boven ons lachte de tweeling. In de kelder was het bladstil. Seconden leken eeuwig te duren. Alsjeblieft, God, bad ik, als het goed komt met haar, zal ik nooit nog een druppel drinken. Wekenlang lag Helena in het ziekenhuis. 'Ze heeft geluk,' zegden de dokters, 'het had nog erger gekund.' Mijn gebed is niet verhoord maar mijn belofte heb ik gehouden: geen druppel alcohol heb ik nog aangeraakt. Liters water drink ik nu, maar de smaak van schaamte en spijt krijg ik niet weggespoeld. Helena verblijft in een tehuis voor gehandicapte kinderen, alleen in de weekends is ze bij haar ouders en broers. Elke zondag, weer of geen weer, wandel ik met haar, een porseleinen pop in een rolstoel. Haar gezicht is nog mooier geworden, maar haar blauwe ogen, koud als water, kennen niets of niemand meer. Betty en Werner nodigen me vaak uit maar ik ga nooit meer bij hen naar binnen. 'Jou treft geen enkele schuld, het had net zo goed bij de ouders kunnen gebeuren,' zeggen de mensen me vaak. Alleen mijn moeder zegt dat niet. Sinds de fatale avond kijkt ze me vaak vragend aan, alsof ze in mijn hoofd naar binnen wil. Vermoedt ze iets? ‘Moeders begrijpen en zien altijd alles,' zei ze toen ik klein was. Op mijn achtste roetsjte ik langs de stam van een eik naar beneden. Maandenlang staarden mensen op straat naar de gekartelde streep in mijn gezicht. Kinderen wezen naar me: 'Net een rits!' Ik verstopte me achter een sjaal. Mijn moeder was de enige die verder dan het litteken keek. 'Mag ik eraan komen?’ vroeg ze op een dag. Voorzichtig trok ze de sjaal weg. Haar vingertoppen waren zacht en warm. 'Er is iets wat je nooit mag vergeten,’ zei ze toen. 'Mama's houden van hun kinderen, hoe die er ook uitzien en wat ze ook doen. Beloof dat je het altijd zult onthouden!' Ik vergat het al vlug. Maar mijn moeder niet. 'Weet je het nog van je litteken?' vroeg ze me tien jaar geleden. Het was in de periode dat ik twijfelde aan mezelf nadat mijn man me had bedrogen. 'Weet je het nog, Betty?' herhaalde ze een tijd geleden. Ze keek naar me met haar donkere, bijna zwarte ogen. Ik wist dat ze zag wat iedereen zag: dat ik in drie jaar tijd twintig jaar ouder was geworden. Niet huilen, dacht ik. Als ik huil ben ik verloren. Ik draaide me om en slikte de tranen weg. Ach, mijn moeder, zacht en smeuïg als boter. De schuld die ik draag is zo groot dat geen enkele moeder ze ooit kan vergeven.   Ik kom aan bij het hospice. Ik moet me vermannen, aan iets anders denken. Ik plak een glimlach op en loop door de gang voorbij een kerstboom met prachtige, gehaakte engelen. Moeder ligt in bed, de lamp tekent een zacht licht om de trekken van haar gezicht. Haar ogen staren in de verte. Haar borst gaat heel licht op en neer. Ik ga zitten op een stoel dicht bij haar en steun mijn gezicht in mijn handen. Ik hoor de stilte suizen. Een warme hand op mijn schouder: een verpleegster met een brede lach en een kop koffie. ‘Het is niet gemakkelijk hé, mevrouw, en dat op kerstavond.' ‘Zou mijn moeder me nog horen?’ ‘Wie weet... Het gehoor blijft naar het schijnt het langst bewaard.' Ze buigt zich naar mijn moeder toe. 'Uw dochter is hier, mevrouw. Als u me hoort, knijpt u dan eens in mijn hand?' 'Geen reactie,' zucht de verpleegster. 'Ik laat u, maar ik kom regelmatig eens kijken en u mag me altijd bellen hoor.' Ik knik, mijn keel zit dicht. Ik kijk door het raam: zie een zwart gat met mijn moeder in bed en mezelf op de rand ervan. 'Mama,' fluister ik. ‘Mama.’ Niet huilen. Als ik huil ben ik verloren. En dan gebeurt het. Ik huil zoals ik nog nooit gehuild heb, mijn gezicht verstopt in moeders laken, mijn hand in die van haar. In één gulp komt mijn hele geheim eruit. ‘Mijn schuld, mama,' snik ik, 'mijn schuld.’ Een zacht kneepje in mijn hand. Moeders vingers zoeken mijn gezicht, betasten bevend het litteken op mijn voorhoofd. Haar vingertoppen zijn zacht en warm.      

Martine Wolfaert
0 0

Een lichtblauw mantelpakje

      Daar gaat ze: de grijze mantel dichtgeknoopt tot in de hals, de rieten boodschappenmand in haar hand. Haar pas is licht en snel, altijd is ze op weg om voor iemand te zorgen. Liza: 72 jaar, mollig, goedig, rozig. De ogen vriendelijk en opvallend blauw, de witte haren in een knotje. Ze is geliefd in het flatgebouw waar ze woont: ze is de altijd beschikbare oppas voor de peuter op nummer twee. Het hondje van nummer drie wordt het liefst door haar uitgelaten en elke week gaat ze langs op het gelijkvloers bij de oude weduwe met de snor. Samen met haar man woont Liza op nummer één, een sombere flat met zware meubels en futloze gordijnen. Ze wonen er bijna 50 jaar. Kinderen hebben ze niet: Jos is tegen kinderen. Jos, 80 jaar, is klein, keurig, krenterig. Winter en zomer draagt hij een donkergroene trui. De enige uitspatting die hij zich veroorlooft, is de haarolie waarmee hij zijn 30 overgebleven haarslierten naast elkaar tegen zijn voorhoofd plakt. Vroeger werkte hij als militair. Zijn bevelen knallen nog steeds de lucht in: 'Drink niet, rook niet, snoep niet. Gebruik geen schmink. Verspil geen geld.' Zijn groene ogen schieten voortdurend heen en weer, opzoek naaronvolkomenheden. Hij noemt Liza nooit bij haar naam; 'Vrouw!' klinkt het de hele dag, 'Kom hier, vrouw!'Liza verdraagt zuchtend zijn humeur en norse buien. Ze haalt het niet in haar hoofd om haar man tegen te spreken. Maar ze is een nonchalant en vergeetachtig type. Wanneer ze zijn eten brengt bijvoorbeeld, vergeet ze altijd wel iets: de zoetjes, de peper, de melk. Altijd opnieuw, alsof ze het met opzet doet.   Sinds zijn hartinfarct, acht jaar geleden, ligt Jos voortdurend op de sofa, speurend naar gesprongen adertjes, bevende handen en alle tekenen van een dreigend nieuw infarct. Hij heeft nu ook een tic: een klein spiertje in de hoek van zijn rechteroog trekt samen, zodat het lijkt of hij knipoogt. Maar wie Jos Devernier kent, weet dat deze man zelden knipoogt. Zijn dieet (streng vet- en zoutarm) neemt hij op stipte tijden. Om 12 u exact moet zijn toast klaar zijn: lichtgeel, bros en warm.   Sinds een jaar gaat Liza af en toe op uitstap met de weduwe van het gelijkvloers. Als ze Jos vertelt over deze ‘reisjes voor 65 plussers’ kijkt hij haar smalend aan : '65 plus’ doet hem aan het vetgehalte van kaas denken. Jos houdt niet van reizen. Zijn koffer zou vast aan flarden gesneden worden door de douane, op zoek naar heroïne. Eten in een restaurant zou onvergeeflijk vet zijn, het schokken van de bus zou hem een onregelmatig hartritme bezorgen. Maar Liza geniet van de reisjes, ze kijkt ernaar uit als een kind naar Sinterklaas.   Ook de 80 jarige weduwnaar van nummer acht reist mee, verrassend goed te been en knap in zijn gesteven pak. Het ontgaat Liza niet hoezeer de man telkens zijn best doet om een plaatsje naast haar aan tafel te bemachtigen. Hoe hij haar telkens verrast begroet, haar jas aanneemt en een stoel voor haar bijschuift. De goedmoedige ogen achter zijn kleine bril lachen uitnodigend. Hij spreekt haar naam eerbiedig en smaakvol uit, de klemtoon op de ‘z’. 'Of ze gehuwd is' vraagt hij haar op een keer. 'Ik ben alleen,' glimlacht ze breed. Ze schrikt van haar eigen antwoord. 'Noemt u mij maar Juul,' antwoordt hij. Ze proeft zijn naam voorzichtig in haar mond, om en om als een likeurbonbon. Haar wangen gloeien. Hij legt zijn brede handen zachtjes op haar schouder. De warmte blijft de hele avond in haar huid gegrift. Op een koude winteravond, de keuken netjes opgeruimd, snuffelt Liza in de folder ‘Daguitstappen met de bus voor 65 plus’. Haar ogen schitteren. Gretig kleurt ze bolletjes naast haar keuzes. Met zijn kleine afkeurende ogen houdt Jos haar opmerkzaam in de gaten. Het is al de zevende keer in twee jaar tijd dat Liza een busreis maakt. Uitspattingen die hij niet langer kan dulden. Bovendien wordt Liza steeds meer vergeetachtig en nonchalant. Jos draait zich naar haar toe. 'Het is welletjes geweest met die reizen. Je stopt ermee, vrouw.' Hij praat vlug, speeksel druipt op zijn kin. Het spiertje naast zijn oog trekt als bezeten. Liza wordt spierwit. Hakkelt dat hij dit niet kan menen. Jos wordt paars. Dan herinnert hij zich de waarschuwing van de dokter dat hij zich vooral niet mag opwinden. Zijn gezicht en de discussie sluiten zich. Hij draait zich om naar de tv. 'Ik wil mijn thee,' zegt hij.   Er knapt iets in Liza's hoofd. Als bij een te strak gespannen vioolsnaar. Er tekent zich een grimmige trek om haar mond. De hele avond staart ze naar het gefronste voorhoofd met de geoliede haarslierten, dat uitsteekt boven de krant. De volgende weken verandert de uitdrukking van Liza ’s rozige gezicht. Het goedige en twijfelachtige maakt plaats voor een merkwaardige resoluutheid. Haar ogen schitteren, haar stem heeft een nieuwe, vastberaden klank. Ze gaat steeds vaker op uitstap. ‘s Morgens staat ze vroeg op en zet een vetvrije maaltijd klaar voor Jos. ’s Avonds ligt ze als een dichtgeklapte strandstoel naast hem in bed. Haar gedachten zijn bij Juul, bij de bloem in het knoopsgat van zijn vest, bij de tastende vinger op haar gezicht. Jos probeert de uitspattingen van zijn vrouw tegen te houden. Vergeefs. Steeds vaker drukt hij op zijn borst om het onrustige jagen te kalmeren.   Twee maanden later, de lente hangt al in de lucht, krijgt Liza een brief. Ze herkent onmiddellijk het zorgvuldige handschrift. Ze haast zich naar de slaapkamer, weg van Jos, van zijn priemende blik. De slaapkamer is koud, maar Liza gloeit. “Lieve Liza, Mijn oude hart kan niet wachten om u weer te ontmoeten. Mijn leven zonder u was een passage tussen haakjes, een wachttijd in zwart-wit. Ik popel ernaar om de kleurenfilm van mijn leven eindelijk met u te beginnen.” Er zit een grote vogel in haar lijf, een die alle kanten uit wil. Liza dwingt zichzelf tot stilzitten, tot rustig ademhalen. Met voorzichtige vingers steekt ze de brief terug in de envelop en verstopt hem onderin haar nachtkastje. Enkele dagen later krijgt ze een uitnodiging van Juul. Hij wordt 80 jaar en hoopt dat hij zijn verjaardag samen met haar kan vieren. Haar ogen zijn vochtig en dromerig. Ze pakt haar rieten boodschappenmand en roept naar de sofa: 'Ik ga naar de winkel. Ik blijf lang weg want ik moet ook het hondje van…' 'Wacht!' roept Jos verschrikt. Hij kijkt om zich heen of hij het nodige binnen handbereik heeft. Of Liza weer niets vergeten is, waardoor hij – alweer - hulpeloos aan zijn lot is overgelaten. Hij controleert zijn pillen, zijn zakdoeken, het flesje eau de cologne, de thermos kruidenthee. Hij kijkt na of zijn draagbare telefoon voldoende geladen is. Het kaartje met de telefoonnummer van de huisdokter en van het ziekenhuis zet hij goed leesbaar tegen zijn fles haarolie. Als hij zeker is dat alles op het tafeltje naast de sofa ligt, zucht hij: 'Ga maar. Koop ook maagzout. En voor de derde keer, vrouw, koop rattenvergif. Ik hoor de muizen knagen.'   Buiten is het koud en guur. Liza voelt het niet. ‘Juul’ waait de wind rond haar knotje. ‘Juul’ stroomt het bloed in haar benen. In een chique dameszaak past ze een duur mantelpakje. 'Lichtblauw – precies de kleur van uw ogen,' moedigt de verkoopster haar aan. Liza lacht: haar toekomst is van het puurste blauw. Ze koopt alles wat ze nodig heeft, deze keer vergeet ze niets. Ze kiest make-up en parfum. In de delicatessenwinkel vraagt ze goede wijn en dure pralines. Ze gaat naar de kapper en zegt aan het meisje dat ze iets heel anders wil. Een tikje buiten adem komt ze terug thuis. Met kleine kroezende krullen en met haar rieten mand afgeladen vol. Jos ziet haar, zijn ogen worden groot als schotels. Zijn beker kruidenthee valt om. Hij hapt naar woorden en naar lucht. Hij begint een uiteenzetting over zinloze uitspattingen. Zijn knokkels om de sofaleuning zien wit. Tenslotte zwijgt hij. Oorverdovend.   Liza trekt zich terug in de keuken. Ze bekijkt zichzelf af en toe goedkeurend in de spiegel en warmt neuriënd een vetarme maaltijd op voor Jos. Om 18 u stipt brengt ze het dienblad naar zijn sofa. Glimlachend kijkt ze toe hoe hij eet. Deze keer is ze niets, maar dan ook niets vergeten. Als zijn bord leeg is, verschijnen er zweetdruppels op het witte voorhoofd van Jos. Zijn neusvleugels, van nature al breed, staan wijd open als bij een prairiepaard. Twee riviertjes stromen langs zijn vogelnekje naar de kraag van zijn donkergroene trui. Zijn armen klauwen doelloos in de lucht. 'Zet de verwarming lager, vrouw,' hijgt hij. Ze doet wat hij vraagt. Drukt daarna een kus op één van zijn 30 haarslierten. 'Tot ziens,' fluistert ze. Zijn mond opent zich om te protesteren. Vergeefs.   Ze kijkt nog één keer in de spiegel. Met een zweem van parfum om zich heen stapt ze daarna in de lift. Zweeft glimlachend naar nummer acht.        

Martine Wolfaert
11 0

ik ben te veel verdriet

                             'Kijk, de vuurtoren staat er weer,' wijst een jongen van mijn klas naar mijn oma. Alle kinderen lachen. Behalve ik. Ik ren naar de poort. 'Ik wil niet dat je hier op me wacht,' zeg ik. 'Hoezo?' Oma's mond valt open, een gat zonder tanden. Ze duwt haar rode hoedje naar achteren. Haar jas is knalgeel, haar rok oranje. 'Je kunt beter een eind verder op me wachten.' Ze lacht luid, haar rimpels bewegen: het lijkt wel de zee als het regent. Ze heeft rouge op en heel veel lipstick. Een paar kinderen wijzen naar ons en trekken gekke bekken. Oma zwaait met haar stok en steekt haar tong naar hen uit. 'Pas maar op,' roept ze, 'want als de klok twaalf slaat, blijft je gezicht zo staan.' 'Kom,' knipoogt ze naar mij. Ik knipper terug met mijn twee ogen, ik kan niet knipogen. We wandelen naast elkaar naar huis en komen voorbij 'Zonnedauw'. Er staan bankjes op het gras, onder de bomen en bij de bloemenperken. De zon schijnt, de banken zitten vol met oude mensen. Zoals elke dag gooit oma haar stok op de grond. 'Moet je kijken wat ik nog kan,' roept ze. Ze buigt zich voorover, haar hoedje valt op de grond. Ze pakt haar kuiten vast. Een paar voorbijgangers staan bewonderend stil. Oma komt weer rechtop. ‘Niks voor mij, hoor, Zonnedauw!' De mensen klappen lachend in hun handen.   's Nachts glip ik zo stil ik kan uit bed. Op blote voeten mijn slaapkamer uit, de woonkamer in. Ik klim op een stoel en pak de envelop van de kast. Daarna sluip ik terug naar mijn kamer, en verstop de envelop onder de bak met playmobiel: mijn geheime plek.   De volgende middag, aan tafel: Mama: 'Het gaat opnieuw slechter met oma. Ik ben bang dat haar medicijnen niet meer helpen. En hoe ze er tegenwoordig bij loopt, dat kan toch niet langer! Het gebeurt ook steeds vaker dat ze me niet meer herkent. En hoe het in haar keuken gesteld is, niet te geloven! In haar besteklade lag een blok kaas en in haar ijskast lag de afstandsbediening van de tv.' Mama schept nog wat puree op papa's bord. 'En dan het gevaar voor brand,' moppert ze, 'ik mag er niet aan denken. Oma was vanmorgen weer helemaal vergeten dat ze water voor koffie had opgezet.' Papa: 'Ik hoop dat de directeur ons vlug antwoordt. En dat er plaats is in Zonnedauw.' Ik: 'Het is niet eerlijk, mama, je weet hoe eng oma het daar vindt.' 'Jij blijft er tussenuit, Mathijs, je bent nog veel te klein!' 'Ik ben bijna tien!' 'Kom, eet nog wat.' Mama schept mijn bord opnieuw vol en praat gewoon verder. Wat denkt ze wel, dat ik klein blijf? Het eten is keivies, ik stampvoet naar boven en gooi keihard de deur van mijn kamer dicht. 's Avonds komt mama op de rand van mijn bed zitten. Ik trek mijn dons met wilde dieren over mijn hoofd. 'Sorry, Mathijs, het zijn die vapeurs. Ik ben zo moe: twee keer per dag naar oma. Ik red het niet meer zonder hulp. Oma zal het vlug gewend zijn in Zonnedauw, heus.' Ik lig doodstil. 'Slaap je?' vraagt mama na een tijdje. 'Ja,' zeg ik. Ze geeft een kus op het nijlpaard en gaat naar beneden. Ik stap uit bed en ga op mijn knieën op de vensterbank zitten. Wel duizend sterren aan de hemel. Ik hoop dat er een valt, dat ze alle duizend vallen. Oma zal het vlug gewend zijn, ze zal het vlug gewend zijn, vlug gewend zijn. Ik zeg het de hele tijd tegen mezelf. Het helpt niet.   's Avonds google ik op "vapeur": "Damp, wasem, stoom. Opstijgingen (naar het hoofd) bij vrouwen." Mama staat aan de strijkplank, de zon schijnt naar binnen. Ze heeft rode vlekken in haar hals, het zweet stroomt van haar voorhoofd: vapeurs. Ze fluistert tegen papa. Iets over haar buik. Ik mag het natuurlijk weer niet horen, ik ben weer te klein.   De volgende dag speel ik een potje ganzenbord met oma. Als ik even niet kijk, verzet ze de pionnen zodat ze wint. Ze heeft water opgezet voor thee. 'Heb je je gitaar meegebracht, Mathijs?' Natuurlijk, ik pak altijd mijn gitaar mee. Oma is mijn grootste fan. 'Stop eindelijk eens met die jengelmuziek,' zucht mama vaak. Oma zegt dat nooit. Ik speel en zing voor haar, keihard, want ze is een beetje doof. Ze klapt in haar handen van plezier. 'Och,' zegt ze, terwijl ze een traan wegveegt, 'mijn grootmoeder kon ook zo mooi zingen, weet je nog, Mathijs?' Opeens komt er een dikke walm mist in de woonkamer. Ik hol naar de keuken. Het keteltje is droog gekookt.   'Dat is toch vreemd,' zegt mama 's avonds tegen papa. 'De directeur had de brief met mijn aanvraag niet ontvangen.' Ik loop vlug weg: vapeurs. Maar dan krijg ik een ongelooflijk goed plan. Of ik voor mijn huiswerk op de computer mag, vraag ik aan mama. Ze vindt het goed.   Beste meneer de directeur, U moet zeker niet bellen als u deze brief hebt gelezen, want dat weet ik al, want het was namenlijk mijn eigen besluit. Met vele groeten, Mevrouw Daems   Ik pak de envelop die ik onder mijn playmobielbak had verstopt, schrijf het adres van Zonnedauw over en post mijn brief.   Omdat niemand daarna nog wat over Zonnedauw zegt, denk ik dat mijn plan gelukt is. Maar dan, twee weken later, zegt mama dat oma de volgende dag verhuist want dat het water haar tot aan de lippen staat. Ze liegt, ik zie helemaal geen water. Arme oma. Ik ren naar mijn bed. Mijn bloed gonst in mijn oren, mijn hart bonkt en in mijn borst zit een dikke ballon. Ik ga in hongerstaking.   Na twaalf uur en tweeënveertig minuten hongerstaking (het kleine stukje pizza en het minipotje vanillepudding niet meegeteld) roept papa me.   Hij lacht, maar alleen met zijn mond. Hij trekt me op zijn schoot: 'Wat word je zwaar, grote knul!' Hij legt me uit dat oma's hersentumor opnieuw aan het groeien is. Dat ze echt hulp nodig heeft. 'Ik ga mama helpen met inpakken,' zegt hij dan. Hij lacht niet, zelfs niet alleen met zijn mond. Eindelijk mag ik iets weten. Eindelijk ben ik groot genoeg. Ik knipper met mijn ogen, dat helpt om niet te huilen. Ik vraag een koek: mijn hongerstaking is voorbij.   Voor huiswerk moeten we een stom opstel maken. Over wat we willen worden later. Er zoemt een bij in mijn kamer. Op een keer toen ik klein was, stond ik met mijn blote voeten bovenop een wesp. Hij stak me twee keer achter elkaar. Oma sloeg hem met haar stok in tweeën en zoog het gif uit mijn voet. Oma krijgt mijn gelukssleutelhanger. Ik kreeg hem cadeau toen ik negen werd. Binnenkort word ik tien. Over vier maanden, drie weken en vijf dagen. De papa van Seppe uit mijn klas heeft ook hersenkanker. Hij krijgt medicijnen die de kankercellen doden. Maar die heeft oma al gehad. "Geen vergif meer in mijn lijf," zegt ze,"geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt." Oma is zo kaal als een meloen. Ik ben teveel verdriet voor een opstel, schrijf ik in mijn schrift.   De volgende dag krijg ik mijn opstel terug. Het is verdriet hebben, niet verdriet zijn, heeft meester Sam verbeterd. Hij weet er niks van, meester Sam.   Acht dagen later. De directeur van Zonnedauw is een keigrote meneer met een keidikke neus. In zijn neusgaten zitten twee kleine muisjes. Ik sta in de gang en hoor hem praten tegen een mevrouw in een witte schort: 'Dankzij de goede mantelzorg kon mevrouw Van Laer zo lang thuis blijven.' Wat zou dat zijn, mantelzorg? Hij klopt vriendelijk op mijn schouder. 'Ik heb gehoord dat jij haar beste verzorger was?' Ik kijk naar zijn neusmuizen en knik blij. 'Ik denk eraan om eens naar je klas te komen. Om de kinderen uitleg te geven over mantelzorg. Jij bent een supervoorbeeld.' Ik trek blozend mijn gitaar wat dichter tegen me aan. 'Zo is het. Als deze jonge man op bezoek komt, loopt mevrouw Van Laer zingend door de gang, dan lacht ze tegen iedereen die voorbij komt. Want deze muzikant speelt gitaar voor haar.' De mevrouw in de witte schort kijkt met grote ogen naar mij. Ik zwel van trots.   Als hij naar mijn klas komt, de directeur, zal ik mijn blauwe mantel aantrekken. Zodat alle kinderen begrijpen dat ik de mantelverzorger ben. 'Mathijs bereikt mirakels, een echte mantelverzorger,' zal hij zeggen. Ze zullen nogal opkijken als ze dat horen, ze zullen allemaal achterover vallen, met hun achterste op de grond en hun mond wijd open. En als de klok dan juist twaalf slaat, dan blijft hun gezicht voor altijd zo staan.                                           

Martine Wolfaert
0 0

De eerste keer

We waren zeker niet de stoerste jongens uit de klas. Die hielden hun jas aan onder biologie, ook al was het al lang lente. En ook al zei Verhoog dat ze die uit moesten doen en aan de kapstok buiten het lokaal moesten ophangen. Ze vertikten het gewoon en dat zouden wij drieën niet durven.           Frits had het pakje gestolen van zijn oudere zus. Heel makkelijk. Haar tas lag half open op de keukentafel, vanmorgen toen hij beneden kwam. Alles kon je zien: borstel, portemonnee, losse pasjes, armbanden, tampons. En maar liefst drie pakjes sigaretten. Hij had een nog niet aangebroken gepakt. ‘Dan weet ze niet meer of ze die al had of niet,’ zei hij en keek ons vanonder zijn zware hoornen bril heel intelligent aan. Ja, de slimsten van de klas, dat waren we zeker wel.           Ik stelde voor iets hoger in het portiek te gaan staan, zodat we wat minder zouden opvallen. De kleine pauze was net begonnen en we hadden nog ongeveer 19 minuten. Frits haalde het pakje uit zijn kontzak, scheurde routineus het plastic omhulsel in één vlotte beweging eraf en opende het aluminium folie. Waarna het begeerde rookgenot zich in al haar heerlijkheid aan ons openbaarde.           ‘Roken tijdens de zwangerschap is slecht voor uw baby,’ las ik, terwijl Frits Stef en mij het roodwitte pakje voorhield. Hij trilde een beetje met zijn hand, of verbeeldde ik me dat maar? Niemand van ons had ooit nog gerookt, hadden we elkaar opgebiecht vanmorgen voor schooltijd in de fietsenstalling, toen Frits vertelde dat hij een pakje sigaretten bij zich had. ‘Marlboro,’ had hij erbij gezegd. Alsof dat er toe deed als je voor de eerste keer ging roken.            Rookte mijn moeder tijdens mijn zwangerschap? Dat ze vroeger rookte, wist ik van oude foto’s, waar ze vrolijk op stond met in haar ene hand een sjekkie en in haar andere een fles bier. Ook slecht tijdens de zwangerschap. Zo’n beetje álles was slecht tijdens de zwangerschap. ‘Behalve neuken,’ zei mijn vader iedere verjaardag weer als het ter sprake kwam, ‘want het kind is al in de maak.’ En dan lachte hij zo geil dat ik van schaamte de kamer uitliep.           Ik had moeite er één uit het pakje te krijgen. Frits werd ongeduldig en schudde met zijn hand, juist toen het lukte. De sigaret knakte.           ‘Godverdomme, lul,’ zei hij. Ik haalde ‘m er uit en keek beteuterd naar de twee tabakstompjes. ‘Had dan gezegd dat je zonder filter rookt,’ lachte Stef en trok zonder mankeren een héle sigaret uit het pakje. ‘Geeft niks man, nu is het makkelijker delen, zes elk.’ Stef is een goeie gozer. Alleen met Frits was het bonje geworden, zeker weten. Ik gooide de gebroken sigaret uit het portiek. Het doosje lucifers had Frits van naast het gasfornuis meegenomen. Na vijf of zes mislukte pogingen brandde er eindelijk één en namen wij voorzichtig de eerste trek. Onwennig hield ik de bruine filter stoer tussen duim en middelvinger, zoals Sierksma van Frans hem altijd vast had. Wij aan de vervoegingen van fumer en hij de daad bij het woord voegend aan het open raam achter zijn bureau. Hij leek op Sean Connery toen James Bond nog mocht roken. We hoestten ons door de eerste heen en schoten de filter van de trap. Frits stak meteen zijn tweede op. Waarom weet ik niet precies, maar hij had de sigaretten gelijk allemaal maar uitgedeeld en het lege pakje terug in zijn kontzak gestopt. Stef en ik begonnen gelijktijdig aan onze tweede. Hoewel het geen wedstrijd was, werd het dat wel.             ‘We hebben nog 8 minuten,’ zei ik na mijn derde te hebben uitgedrukt tegen de ruwe bakstenen zijmuur. Ik lag inmiddels op kop.           ‘Jij inhaleert niet,’ zei Frits streng, terwijl de rook uit zijn neusgaten kwam. ‘Zo kan ik het ook.’ Hij keek op mij neer.   ‘Voelen jullie niks?’ zei Stef. Ik keek naar zijn bleke gezicht vol puisten. Zijn haar alsof hij het nooit kamde. Zijn bril -een kindermontuur nog- veel te strak tegen zijn gezicht. Hij zweette, zoals altijd. Daarom droeg hij ook een trui, zomer en winter, dan zag je de natte okselplekken niet zo, wist ik. Zijn windjack had hij tussen de verveloze trapleuning gepropt. Ik zag druppeltjes op zijn neus. Hij ging zitten. Frits stak zijn vierde op. Het portiek stond blauw van de rook. Op de stoep onderaan de trap lagen de peuken, sommige rolden verder, omdat de wind er even vat op had.           Toen gebeurde het. Stef kwakte ineens met zijn kop tegen de muur. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij. Hij hing helemaal scheef. Bij zijn slaap stroomde bloed.           ‘Jezus, Stef!’ riep ik en keek naar Frits. Die rookte stug door. Hoewel hij pas halverwege was, stak hij met de gloeipunt al de volgende aan en gooide de vierde nog brandend naar beneden. ‘We moeten opschieten,’ zei hij, ‘we hebben proefwerk wiskunde.’ En trok verwoed aan zijn vijfde. Het leek of Stef niet meer bestond voor hem. Nadat hij zijn vijfde had weggeschoten, haastte hij zich de portiektrap af. Ook ik gooide mijn vierde van de trap, maar meer om mijn handen vrij te hebben voor Stef die er voor blei bij zat. ‘Stef,’ zei ik en kwam met mijn gezicht vlak voor het zijne. ‘Stef!’ Ik pakte met mijn hand zijn pokdalige wangen en schudde zijn gezicht wild heen en weer. Langzaam opende hij zijn lodderige ogen. ‘Ik voel me niet goed,’ zei hij nogmaals en sloot opnieuw zijn ogen. Ik ging naast hem zitten, sloeg mijn arm om hem heen en probeerde hem zoveel mogelijk rechtop te krijgen. Depte met een vieze tissue voorzichtig het bloedspoor van zijn gezicht. Beneden rolde Frits’ zesde sigaret over de stoep. Nog helemaal gaaf. Ook het verkreukelde pakje had hij uit zijn kontzak gehaald en lag onderaan de portiektrap. ‘Ik breng je naar huis, Stef,’ sprak ik bemoedigend, ‘maak je geen zorgen, man. Stef knikkebolde. Op mijn horloge zag ik dat de kleine pauze inmiddels voorbij was.

Dirk Straaijer
79 1

Venetiaans Blond

GIANLUCA   ‘Voor mij de duif alstublieft,’ zei de man. Gianluca zuchtte en gaf met uitgestreken gezicht zijn standaard antwoord: ‘In principe serveren we dat niet meneer, maar tegen een kleine meerprijs ga ik dadelijk op pad om speciaal voor u een topexemplaar te strikken. Met uw goeddunken zal mijn vader het dier hoogstpersoonlijk slachten en vervolgens met veel zorg en op aloude wijze voor u bereiden.’ De laatste tijd kreeg hij het mopje wel vaker te horen, van een zelfgenoegzame toerist die er zijn vrienden mee wilde entertainen of, zo mogelijk nog erger, indruk wilde maken op zijn date. Maar deze keer klopte dat plaatje niet.    De man kwam van hier, indien niet uit Venetië dan zeker uit Italië - toch was hij op zijn ongemak. Hij zweette zich te pletter. Zijn pak was te strak voor zijn lijf. Zijn handen waren groot en ruw. Gianluca vermoedde dat hij zich beter voelde op pakweg een scheepswerf dan in een restaurant. Hij wilde het liefst onzichtbaar zijn.   Zij daarentegen deed hoofden draaien. Een klassieke schoonheid was ze niet, en ook niet meer piepjong. Gianluca schatte haar begin de veertig, hooguit tien jaar jonger dan de man tegenover haar. Maar ze zoog blikken naar zich toe, en leek dat ook gewoon te zijn. Haar huid was wit, spierwit, haar ogen felgroen. Verder was ze rood – haar jurk, haar schoenen, haar lippen, haar haren. Ze intrigeerde. Wie was ze? En vooral, wat deed ze met hem?     HÉLÈNE   Hij deed zijn best, dat was het niet. Hij maakte zelfs dezelfde grap als toen. Het deed haar hart even opspringen, dat hij dat nog wist. Maar tegelijk was het pijnlijk. Toen deed hij het vol branie; nu bestierf hij het van de zenuwen. Verder hadden elkaar ze niets, maar dan ook niets te vertellen. Toen was hij een boefje, een ‘ladro di biciclette’, hij was vurig, veelbelovend, vol verwachtingen. Hij had haar meegetroond, zij, middelbare schoolmeisje op Italië-reis, haar helpen ontsnappen uit het hotel, haar de stad laten zien zoals hij, die er was opgegroeid ze zag. Die nacht had langer geduurd dan de rest van de reis. Ze gingen contact houden, dat hadden ze gezworen. Dertig jaar later had ze hem teruggevonden. Op Facebook. Hij was oud geworden, dikker, kaler, vader. Maar in zijn ogen had ze dezelfde schittering gezien als toen. Dacht ze. Hij had dadelijk willen afspreken. Nu zag ze in zijn ogen bitter weinig. Hij zei niet veel, als hij iets zei geraakte hij niet uit zijn woorden. Ze vroeg zich af wat hij zijn vrouw had verteld. Tot zover de belofte. Maar anderzijds, ook zij stond doen op de drempel van een leven vol mogelijkheden. Had zij de verwachtingen wel ingelost?     BEPPE   Beppe kwam nog maar zelden uit zijn keuken. Hoewel ze maar enkele honderden meters verwijderd waren van de toeristische trekpleisters van de stad, werd het restaurant tot voor enkele jaren hoofdzakelijk bezocht door Venetianen. Tot het in een hippe reisgids werd aangeprezen als ‘verborgen parel in het hartje van het authentieke Cannaregio’. De toeristen kwamen, maar veel vaste klanten bleven weg. Beppe verdiende goed, maar voelde zich niet langer thuis in zijn eigen zaak. ‘Papa?’ Zijn zoon Gianluca stond achter hem. ‘Probleem. Tafel 6 kan niet betalen. Ze willen afwassen, zeggen ze.’ ‘Toeristen?’ Gianluca knikte.   Beppe beende de keuken uit, recht naar de tafel van zijn weerspannige gasten, zijn hoofd rood en zichtbaar geagiteerd. ‘Mevrouw,’ stak hij van wal, ‘dit is een eenvoudig restaurant, maar dat wil niet zeggen dat wij geen respect verdienen. Wij bereiden met de grootste zorg…’. Zijn stem stokte. Hij keek, recht in die bezwerende, helgroene ogen en zweeg.     ‘U bént hier al geweest,’ zei hij uiteindelijk. ‘Lang geleden, maar ik herinner me u.’ De vrouw knikte. ‘Dat is zo.’ ‘U hebt toen ook de afwas gedaan. U was jong, heel jong nog…’ ‘Zeventien, op reis hier met de school. Ik was uit het hotel ontsnapt met een jongen van hier. Maar we hadden geen geld, helemaal niks.’   Beppe keek even opzij, naar de man. ‘Wilt u daarom opnieuw… Maar waarom?’ De vrouw zuchtte. ‘Waarom kijken mensen graag naar foto’s uit hun kindertijd? Waarom blijven ze hun hele leven luisteren naar muziek uit hun jonge jaren? Waarom zoeken ze contact met uit het oog verloren vrienden?’ Hij knikte. Alle boosheid was uit hem verdwenen. Het leek alsof een soort van weemoed hem overviel. ‘Ik hoop dat u er iets aan heeft…’ De vrouw haalde haar schouders op. ‘Ach, u weet vast ook wel hoe het gaat met zulke dingen. Ja, ik voelde me weer zoals toen, heel even, maar even snel is daar het besef dat het nooit meer terugkomt. Ik had het kunnen weten.’ Beppe zweeg. ‘U mag… als u dat wilt, mag u komen afwassen…’ ‘Laten we dat maar achterwege laten dit keer. Brengt u me gewoon de rekening maar.’ Ze richtte zich tot de man. ‘Je kunt beter gaan nu. Sorry dat ik je hierin heb meegesleept.’   Beppe draaide zich om naar zijn zoon. ‘Gianluca, breng je mevrouw de rekening? En een amaretto. Van het huis.’ Hij keek weer naar de vrouw. Ze had haar ogen neergeslagen, maar hij meende een traan te zien op haar linkerwang. ‘Weet u, mevrouw, het restaurant is best wel veel veranderd sinds u hier laatst was. Als u wilt, kunt u uw amaretto bij ons in de keuken komen drinken. Ik heb achterin nog foto’s liggen van toen.’ Ze keek op en knikte dankbaar.

Lennaert Leo
0 0

De eindejaarsreis - Barcelona

Het witte kleed viel perfect langs haar smalle lichaam. Het satijn voelde heerlijk. De blonde lange krullen waren opgespeld. April moest toegeven, dat het beeld dat ze in de spiegel zag, perfect was. ‘Ben je er klaar voor?’ vroeg haar beste vriend. April knikte zelfverzekerd. Binnen een half uurtje zou ze officieel echtgenoot zijn van de man van haar dromen.   Ze had er eerst over moeten nadenken. Bij nader inzien was het misschien toch niet zo een goed idee geweest. De geur van nagellak bleef in de veel te kleine bus hangen. April hoorde hoe de studenten zeurde over de vreselijke geur. Maar zoals in vele gevallen, kon het haar niet veel schelen. Haar beste vriend, Rob, moest erom lachen. ‘Wie laat er nu nagellak drogen onder de airco van de bus?’. April haalde haar schouder op. ‘Een snelle, makkelijke oplossing. Bovendien’ begon ze haar verdediging. ‘Heb ik iets te doen op deze eindeloos lange rit’. De leerlingen van de Duffelse school waren onderweg naar hun eindejaarsreis, met richting Barcelona. Het gezeur over de nagellak geur begon te minderen. April staarde voor zich uit. Ze kruiste met een blik van hem. Hij keek haar doordringend aan. Enkele seconden en toen draaide hij zich terug naar voren. Eikel, dacht ze bij zichzelf. Louis was één van de populairdere jongens op school. Hij zat in een andere studierichting. April haatte hem. Ze kende hem dan niet persoonlijk, maar de jongen had zo een verschrikkelijke air rond zich. Alsof hij zich echt de meest perfecte jongen van de school vond. Na zestien uren rijden hield de bus halt aan een klein, maar gezellig hotelletje aan de kustlijn. De school organiseerde uitstappen, maar had de laatstejaars ook vrije tijd beloofd. April en Rob besloten met enkele klasgenoten een barretje te bezoeken. De Spaanse barmannen vonden het fantastisch toeristen over de vloer te krijgen in het midden van mei. Buiten de leerlingen was de bar vrij leeg. Hoe meer cocktails de studenten dronken, hoe meer ze de bar overnamen. Enkele stonden achter de bar zelf cocktails te bereiden, anderen stelde een Belgische playlist op en het grootste deel van de bezoekers stonden op tafels te dansen. De volgende morgen was het stil op de bus. De leerlingen reden naar één of ander saai museum. Het museum was misschien niet zo saai geweest als April de afgelopen nacht niet zoveel had gedronken. Toch wel, dacht ze. April en Rob zaten op de stoeprand naast het museum. Vanavond keerde ze terug en het zou nog beter worden. ‘Je ziet er net zo slecht uit als al die andere leerlingen gisteren in de bus’ hoorde April naast zich. O god, Louis zette zich naast haar en stak een sigaret op. April keek hem niet begrijpend aan. ‘Je aanslag op de bus, met de nagellak geur’ verklaarde hij zijn beschuldiging. April negeerde hem. ‘Niets gewoon’ concludeerde Louis. ‘Als je net zoveel als me had gedronken zou je er net zo belabberd uitzien’ wist April. Hij blies de rook uit. ‘Ik zou er na een nachtje uit niet zo uitzien als jij’. April keek op. ‘Dit klinkt als een uitdaging’ zei ze. Diezelfde avond herhaalde Aprils klas de uitstap naar de bar. Na enkele drankjes stond de dansvloer vol. Enkele klasgenoten hadden andere studenten uitgenodigd, dus de barmannen waren nog enthousiaster als gisteren. Ze deelde gratis drankjes uit. April danste met Rob toen ze Louis aan de zijkant zag staan. Hij lachte uitdagend. Laat de weddenschap beginnen, dacht April toen ze naar hem liep. Ze liepen schommelend het hotel binnen. ‘Ik zie je morgen’ wist April enkel uit te brengen. ‘Wacht!’ riep Louis. ‘Ik heb je gsm – nummer nog niet’. April lachte. ‘Dacht je die zomaar te krijgen dan?’ en ze sloot de kamerdeur. De laatste dag in Barcelona zouden ze als afsluiter gaan kijken naar een show van fonteinen. ‘Jij en Louis’ zei Rob. ‘Ach, neem het niet te serieus’ verzekerde April haar beste vriend. ‘Alsof Louis ooit goed in relaties zou zijn’.   Nu stonden ze hier. In een romantische, kleine kerk. Vandaag zou het gebeuren. De muziek begon te spelen. ‘Ik ben zo blij voor je’ zei Rob en hij nam April in zijn armen. De deuren gingen open en April zag hem vooraan aan het altaar staan. Louis, haar Louis. Iedereen stond recht van de houten banken. Veel van hen hadden nooit gedacht dat zij hier zou staan, althans niet met Louis. Tijdens het laatste jaar van het middelbaar hadden velen tussen hen willen komen. Vaak met leugens, vaak met roddels, maar geen enkele poging was gelukt. Ik verdien het om hier te staan, wist April. Louis ogen waren vochtig. Hij bracht de gouden ring rond haar vinger. Zij deed hetzelfde bij hem. ‘Wie had dit ooit gedacht?’ fluisterde Louis. ‘U mag nu de bruid kussen’ . ‘Lang leven Barcelona’ zeiden April en Louis in koor. De relatie die ze hadden gestart in het laatste jaar van het middelbaar, werd bevestigd met een liefdevolle kus. Hun eerste kus, als man en vrouw.

Ana - lena
11 0

route 77

Route 77 Bij elke ergernisopstoot keek Joan opzij. Van een lifter vroeg zij alleen maar een verhaal. Ze leende graag feiten en gedachten. Als tijdelijke schokbreker. David noemde hij zich. Geen zinnig woord kwam er nog uit. Al van toen hij moeizaam was ingestapt hing hij half uit het raam. Helaas maar half, schoot het nu door haar hoofd. Bijna een uur lang zag ze in de cabine alleen dat verrimpelde onderdeel, waar ze totaal geen behoefte aan had. En de hele tijd neuriede die David hetzelfde brokje. Geraakte dat dan niet helemaal uitgebraakt? Het was nauwelijks meer dan ritmisch gonzen richting maan. En dan nog in zo'n warrig taaltje. Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away Qu'est-ce que c'est fa fa fa fa fa fa fa fa fa far better Run run run run run run run away. Voor ze vertrok had ze gesakkerd dat de radio en de CB niet hersteld waren. Nu kon ze er wel stevig om vloeken. Ja, dat kon ze. Met janken was ze definitief gestopt toen haar laatste pakje sigaretten leeg was. Tien dagen na de crash waarbij zij haar vader verloor. In zijn vrachtwagen, in zijn spoor reed zij. Zijn foto hing nu op haar plaats aan het dashboard. Ze schudde de foto en het gonzen uit haar gedachten. De tik tegen zijn schouder was harder dan ze bedoeld had. Het achterhoofd van David maakte een doffe smak tegen de camion toen hij recht schrok. Dan toch niet zo hol, glimlachte ze binnensmonds. Waar wil je naartoe, vroeg ze verontschuldigend. En geen flauwe plezante antwoord, dat je een leven lang hebt gedroomd van 's nachts door het raam van een zware vrachtwagen te hangen, deed ze grappig streng. Hij wreef over zijn kalende kruin. Greep dan naar zijn snor en zijn tanden. Vals of echt. Het antwoord was een wrang mompelen. Over lucht nodig. En over niet met een jonge vrouw in zo'n kleine ruimte. Met meer levervlek dan handen voor zijn ogen klonk zijn stem krachtig. Zijn oom was de beeldhouwer Gutzon Borglum. David wou naar South Dakota, naar The Needles. Naar de granieten kop van Abraham Lincoln. Uit zijn gerafelde ransel haalde hij een goed onderhouden steenbeitel. Hij toonde haar de initialen: G.B. stond in het heft. Het oude hakijzer gleed zenuwachtig van zijn linker naar zijn krampachtige rechterhand. Joan voelde zich klam aan het stuur plakken. Ook een grote vrachtwagen heeft maar een kleine cabine.

hybris
0 0

Bloedrode rozen

Ik leef van scène tot scène. Als op een filmset wordt elke beweging, elk woord geregisseerd. Alles staat vast, geen enkele verrassing. Ik weet alles. Vast verwerven zit ieder leven in het tapijt van de tijd. Geen enkele draad of weving ontgaat me. Hoewel het in functie is van mijn bestaan, mijn doel, mijn reden, verschroeit het de passie, de drijfveer om te bestaan. De schitterende kaars in deze somberheid is zij. Ik wacht haar op vandaag, zoals iedere week. Ik zorg dat ze me niet ziet. Ze ziet me nooit. Het spel der liefde wil ik niet met haar spelen. De pijn van mijn oude liefde ommuurt mijn verlangens, beschermend tegen de mogelijke herhaling van het oude verlies. Ze komt aangewandeld in een bordeaux, wollen trui welke open is van haar nek tot haar navel. Haar sleutels steekt ze weg in haar strakke jeans. Ze loopt een bank binnen waar reeds zes mensen voor haar te wachten staan aan de balie. Ikzelf, ik zit in mijn lange versleten regenjas op een bank aan de andere kant van de straat. De wind zit zo dat, toen ze even vertraagde om de deur te openen, haar parfum mijn verlangens voor haar streelde. Het moment doet me nu alles even vergeten. Alleen zij bestaat nog. Het gevoel laat me voelen zoals de mens die ik wil zijn, maar niet kan zijn. Bewonderend staar ik haar aan verlangend naar haar, haar huid, haar handen. Wanneer zij nu wacht leef ik in de tijd die ik anders wachtend zou doorbrengen. Maar de tijd van wachten is echt voorbij, want het onmogelijke gebeurt. Iemand breekt mijn zicht. Dit klopt niet. Het tapijt van de tijd is veranderd. Dit is een fout. Een man met een Halloweenmasker loopt de bank binnen. Hij trekt een revolver. Neen, dit kan echt niet! Er is geknoeid met de verwevenheid van alles. Zij staat daar. Ik moet iets doen. Ik sta recht en loop de straat over en de bank binnen. De man draait zich om. ‘Welke zot loopt een bank in met een gewapend man?’ schreeuwt hij uit. ‘Geen enkele, verstrooidheid en onoplettendheid hebben me hiertoe geleid’, lieg ik. De man stapt naar achteren en richt zijn wapen op de eerste vrouw voor de balie en schiet. Het bloed aan haar dij kleurt de witte rozen op haar jurk bloedrood. De kleur is afgestemd op haar gekrijs. Ze zal niet sterven. Het doel van de man is niet duidelijk. Maar ik moet hem stoppen voor hij haar, mijn schittering, misschien iets aandoet. Ik stap recht op hem af. Hij richt zijn revolver naar mij toe en schiet. De kogel vertraagt mijn tred even, maar hij stopt me niet. Ik pak de loop en draai hem met veel kracht naar de gemaskerde toe. Ik hoop dat hij zelf zijn trekker zal overhalen. Echter doet hij het niet. De angst in zijn ogen worden niet verhuld door het masker. Ik haal zelf de trekker over. Eén schot, één leven, hij sterft. De man valt. Mijn buik staat druipend onder het bloed. Mijn gedachten verzwakken. Het bloed zit nu ook over mijn handen. Mijn knieën verzwakken. Mijn harde val klinkt dof in mijn oren. Wanneer ik op de grond liggend naar de verte staar, komt mijn schittering mijn pijn verzachten. ‘Sshht, niet sterven’, beveelt ze me zacht met bange, betraande ogen. Met mijn bebloede rechterhand leg ik een verloren, verhullende, blonde haarlok achter haar oren. ‘Vandaag heb ik meer geleefd dan ik in een lange tijd heb gedaan. En sterven zal ik toch niet. Dat kan ik niet.’ Ik verlies het bewustzijn. Het fout gewoven leven heeft me naar een tuin van rust gebracht. Het einde van een scène en het begin van een nieuwe.

Wouter Vandezande
7 0

Canada

Inleiding   Op 11 oktober 1926 vertrok de Pennland II van rederij de Red Star Line aan de Rijnkaai in Antwerpen.  De reis ging  via Southampton naar Halifax in Canada. De om en bij twee duizend passagiers waren emigranten uit België, Duitsland, Oostenrijk, maar vooral uit Oost-Europa, Rusland, Polen en Hongarije. Onder de kleine honderd Vlamingen bevonden zich mijn grootouders die afkomstig waren van Kortrijk. In Canada vestigden ze zich in de township Sandwich nabij Windsor, een stad in het zuidwesten van de provincieOntario. In augustus 1931 kwamen ze voorgoed terug met mijn moeder, die toen negen maand oud was. Dit boek is geïnspireerd op wat mijn familie vertelde en op de getuigenissen van emigranten die ik vond in de talrijke bronnen die ik raadpleegde. Het verhaal is fictief. Mocht iemand zich herkennen in een van de personages, dan berust dit op toeval. Bertha laat de knopendoos in haar jaszak glijden. Ze kent de deukjes in het deksel. Blindelings vinden haar vingers de gezichten van het verkleurde koningspaar. Haar duim streelt langs de versleten gouden krullen. De kromme pootjes onderaan haken in de voering van haar jas. Plots voelt Bertha een kneepje in haar arm en ze ontwaakt uit haar dagdroom. Ze staat werkelijk aan de reling van een gigantisch schip. Naast haar neuriet Flor een vrolijk deuntje. Enthousiast als een kind wijst hij naar de matrozen die de loopbrug ophalen. Ze kijkt op naar zijn knap gezicht, zijn sterke hoekige kin, zijn metaalblauwe ogen. Haar man. Tien dagen geleden zijn ze getrouwd. Flor strijkt langs de rand van zijn nieuwe hoed en geeft haar een knipoog. Hij stuurt zijn fraaiste glimlach naar de wal en brengt een groet uit die veel weg heeft van een militair saluut. ‘Bertje,’ lacht hij, ‘eindelijk.’ ‘Ja,’ zucht Bertha. ‘Schat, je moet blij zijn vandaag. We zetten de eerste stap in ons groot avontuur. Er wacht ons een fantastische toekomst aan de overkant van de oceaan.’ ‘Als jij het zegt.’ ‘Ik ben er zeker van. Je weet toch wat nonkel Gust geschreven heeft. Hij woont daar nu vijf jaar en hij rijdt al met een automobiel.’ Bertha knikt dapper, maar heimelijk twijfelt ze aan de eerlijkheid van nonkel Gust. Misschien is hij een praatjesmaker, net als Flor’s stiefmoeder?  Bertha wil Flor graag geloven en ze forceert een glimlach. Ze legt een arm om zijn middel, maar tegelijk omklemt ze met haar rechterhand de blikken knopendoos in haar zak. Mama’s afscheidsgeschenk.   Moeder Stiene staat op de kade. Een nietig vrouwtje in de deinende mensenzee. Tussen de achterblijvers die glimlachen of huilen, knijpt zij haar mond stijf dicht in een rechte streep. Wellicht kan ze niet beslissen wat het beste is, denkt Bertha. Nooit eerder vertrok een van haar kinderen. Vader Kamiel is er niet. Hij kon geen dag verletten in de fabriek. Een typische uitleg, vindt Bertha. Wat hij niet goedkeurt, negeert hij. Zo is hij altijd geweest. Van haar broers en zussen nam ze gisteren afscheid. Er vloeiden tranen en er werden beloftes gedaan. Ze zouden schrijven. Lange brieven over alle lief en leed. De zakdoeken op de Antwerpse Rijnkaai wapperen. Ze klapwieken als witte duiven die nooit leerden vliegen. ‘Ga dan, ‘lijken ze te zeggen, ‘vertrek nu maar. De lucht is vrij en de zee is kalm.’ Familie en vrienden roepen voor de laatste keer de namen van hun geliefden en wuiven, wuiven. Bertha ziet dat de zakdoek van mama Stiene stil hangt in de lucht. Als een vlagje dat halfstok hangt, halfweg tussen vreugde en droefheid. Een doordringende stoomfluitkondigt de afvaart aan. Tot driemaal toe, hees en angstaanjagend luid. Bertha houdt haar handen voor haar oren. Er komt beweging in het schip. Zijn kolossale romp trilt en een gegrom stijgt op uit zijn ingewanden. De Pennland schudt zich vrij met een lichte deining. De passagiers houden even hun adem in. Het schip komt los van de kade. Er klinkt een uitgelaten gejoel. Ze vertrekken. Naar Canada. Het is 11 oktober 1926.   ***   Bertha ziet Antwerpen vervagen. De kade wordt een grijze vlek met één witte stip, daar  waar ze de zakdoek van mama vermoedt. Ze blijft ernaar staren, durft haar ogen niet te sluiten omdat ze bang is het beeld voorgoed te verliezen. De Pennland wordt de haven uit geloodst door twee sleepboten. Langzaam vorderen ze in de richting van de zee. Het water is niet blauw, zoals Bertha altijd dacht, maar eerder bruin. Als een vieze soep waar schuim op drijft. Ze huivert en denkt aan de drenkelingen van de Titanic, het luxeschip dat zonk omdat het tegen een ijsberg aanbotste. Bertha was een jaar of tien toen dit gebeurde. Ze herinnert zich nog de artikels in de krant. Het moet verschrikkelijk geweest zijn, al die dode mensen in het water. Flor verzekerde haar dat dit nooit kan gebeuren met hun schip, omdat het gebouwd is volgens de modernste technieken. De enorme schoorstenen van het schip stoten zwarte rook uit. Roetdeeltjes dwarrelen neer over de reizigers. Bertha duikt in elkaar wanneer een vlucht meeuwen over het dek scheert. Een zwerm late trekvogels vat de reis aan naar het zuiden. Op dat vlak zijn beesten slimmer dan mensen, denkt ze. Ze wisselen van land  naargelang de seizoenen, maar altijd met het vooruitzicht te zullen terugkeren. Een voorrecht en een lot tegelijk. Ze vraagt zich af of zij Antwerpen ooit zal terugzien. De geluiden van de stad zijn verstomd. Bertha hoort enkel het  klotsen van de golven en de meeuwen die krijsend rondcirkelen. Ook mama Stiene’s stem is dun geworden. Haar laatste woorden blijven als een zwakke echo in Bertha’s hoofd hangen: ‘God zegene en beware u.’ Ze buigt zich over de reling om een laatste glimp op te vangen van de stad. Antwerpen schuift traag weg achter de eerste bocht in de stroom. De Schelde, leerde ze op school, is de deur van Vlaanderen naar de wereld. Wat er aan de overkant van de oceaan ligt, weet Bertha niet. Ze was dertien jaar, toen vader Kamiel op een middag voor de schoolpoort stond. ‘Kom mee, Bertha.’ ‘Waar gaan we naartoe?’ ‘Naar de fabriek.’ ‘Wat? Waarom?’ ‘Het wordt tijd dat je geld verdient. Je bent de oudste.’ ‘Maar papa, deze namiddag vertelt Soeur Remi over de Noordzee en…’  ‘Genoeg, Bertha.' Hij keek haar nors aan, met de blik die geen tegenspraak duldt. Op haar klompen klepperde ze gedwee verder en had moeite om hem bij te houden. Dit gebeurde enkele maanden voor de leerplicht tot veertien jaar werd ingevoerd. Bertha keerde niet meer terug naar de klas en leerde de weefgetouwen bedienen. Ze dacht niet meer aan stromen en zeeën. Een brutale fluitstoot is het signaal dat de Pennland het havengebied verlaat. Bertha’s vingers hebben zich krampachtig om de metalen reling geklemd. Met enige moeite wringt ze zich los. Ze draait zich om en zoekt Flor. Hij staat midden op het dek, druk gesticulerend in gesprek met een officier. Hij wenkt haar. Bertha doet een stap voorwaarts, maar staakt onmiddellijk het voornemen naar hem toe te gaan. Ontzet stelt ze vast dat de plankenvloer beweegt. Niet hevig, maar toch voldoende om haar duizelig te maken. Lieve God, denkt ze, hoe zal het zijn als we in volle zee varen? Angstig keert ze terug naar haar plekje bij de reling.       Het schip vaart nu midden op de stroom. Bertha ziet hoe de Schelde steeds breder wordt. Daarmee vergroot ook de deining. Bertha plant haar voeten stevig neer. Zo’n dertig centimeter uit elkaar, zodat ze in evenwicht blijft. Verder schijnt niemand zich de beweging van het schip aan te trekken. Er komt een rust over de passagiers. De meesten zoeken hun kajuit op, sommigen gaan op de grond zitten en nemen wat eten uit hun knapzak. Anderen, de bangeriken vermoedt Bertha, blijven net als zij bij de reling staan. Bertha haalt de knopendoos uit haar jaszak. Ze opent het deksel en schudt de knopen zachtjes dooreen. Ze glijden tinkelend over elkaar. Dat ben ik, denkt Bertha, het parelmoeren knoopje. Wit en glad gepolijst. Vandaag vertrek ik naar Canada. En dat is mama, de donkerblauwe knoop bekleed met zacht fluweel die in een hoekje gedrumd wordt. Straks neemt ze de trein terug naar huis. Zie ik je ooit terug, mama? Bertha wil niet toegeven aan de tranen die haar zicht vertroebelen en ze duwt haar neus in een zakdoek. *** Bertha gaat zitten op het dek en drapeert haar jas over haar benen want het wordt frisser. Onder de jas draagt ze haar trouwjurk. Ze voelt zich onwennig in het zwarte satijn. ‘Kan ik niet beter een gewone rok en bloeze aantrekken?’ vroeg ze aan mama toen ze samen haar spullen inpakten. ‘Neen kind, je vertrekt naar de Nieuwe Wereld en dat doe je best in je mooiste kleren. Het is belangrijk een goede indruk te maken op de mensen ginder.’ Gisteren vond ze dat mama gelijk had, nu is ze daar niet meer zo zeker van. De wind rukt aan Bertha’s krullen. Ze waaieren uit in een donkerbruin aureool. Veilig op de grond tegen de reling aangedrukt, durft ze nu wat rond te kijken. Hier en daar staan of zitten groepjes passagiers. Overal liggen tassen, valiezen en uitpuilende zakken. Ze ziet bonte hoofddoeken, met pluimen versierde hoeden en over de planken slepende rokken. Petten met lederen kleppen en astrakan mutsen, jassen van geitenvellen en klederdrachten die ze niet kan thuisbrengen. Die ochtend zag ze in het station van Antwerpen in het zwart geklede mannen met lange pijpenkrullen. Joden, zei iemand en hij haalde daarbij smalend zijn neus op. Ze begreep het niet. Naast hun perron had de trein uit Keulen een allegaartje van Oost-Europeanen aangevoerd. Polen, Russen en Hongaren met afgetrapte schoenen en smerige laarzen. Hun kleren waren met lappen versteld. In geknoopte lakens sjouwden ze hun bezittingen mee op hun rug. Bertha las de vermoeidheid en ontbering in hun donkere ogen. De kinderen klampten zich angstig vast aan hun moeders. Ze hoorde dat velen al weken onderweg waren. De hele stoet van emigranten had zich in beweging gezet onder de stalen koepel van het station. Het helse rumoer werd nu en dan overstemd door een holle stem uit een luidspreker. Onderaan de marmeren trappen werden ze in de grote hal aangeklampt door geldwisselaars. ‘Niet op ingaan,’ zei Flor en hij spoorde haar en mama aan snel naar de uitgang te gaan. ‘Nonkel Gust heeft zich hier laten rollen toen hij naar Canada vertrok.’ De tocht ging verder door het centrum van Antwerpen in de richting van de kaaien. Onderweg sloten honderden landverhuizers zich bij de groep aan. De meesten hadden de nacht doorgebracht in een van de talrijke migrantenhotels. Aan de Rijnkaai zagen ze hun schip liggen. Als een reusachtig monster werd het gevoed met een constante stroom van goederen en levenswaren. Ze waren er stil van geworden. Uit Bertha’s jas stijgt een zwakke geur op. Dit is trouwens het aroma dat om alle emigranten en hun bagage hangt. Het is afkomstig van het goedje waarmee hun kleren gedesinfecteerd werden. In het gebouw van de Red Star Line aan de Rijnkaai, hadden ze in lange rijen hun beurt afgewacht. In de ontsmettingsruimte moesten ze hun bagage achterlaten. Enorme stoomketels stonden langs de muur opgesteld. Mannen en vrouwen werden vervolgens in aparte lijnen verder geleid. De moeders hielden de kleinste kinderen bij zich. De wasbeurt en controle was enkel voor de passagiers van de derde klasse, waartoe ook Flor en Bertha behoorden. Ze kwamen in een lange gang ondersteund door cementen palen, met aan de rechterkant een twintigtal granieten douchecabines. Toen zij aan de beurt was, kleedde Bertha zich uit en stak haar kleren in een zak met een nummer op. 1253. Haar paspoort legde ze op een apart plankje. Juwelen droeg ze niet en haar trouwring hield ze toch liever om.  Bertha zag hoe het personeel van de rederij de zakken met kleren ophaalde. Ze liet zich vertellen dat ze besproeid werden met ontsmettingsmiddelen, benzeen en azijn. Daarna werd alles in grote drukketels onder stoom gesteriliseerd. Glimlachend dacht Bertha aan de princessenbonen en augurkjes die moeder Stiene oplegde. Net als de andere emigranten zeepte Bertha zich grondig in met het stuk zeep dat ze kregen. Nog nooit eerder had ze een douche genomen. Voorzichtig stak ze haar rechterbeen vooruit en voelde het hete water. Ze hoorde meisjes giechelend plenzen en dat gaf haar moed. Ze liet de straal kletsend op haar schouderbladen neerkomen. De douche duurde wel een uur. Net zo langs als nodig was om de kleren te desinfecteren. Bertha haalde opgelucht adem toen ze zag dat haar jurk geen noemenswaardige schade had opgelopen. Schoon en van alle mogelijk bacillen verlost, schoof ze aan bij de dokter op de eerste verdieping. Een verpleegster verplichtte de vrouwen zich tot hun middel uit te kleden. Bertha voelde zich daar ongemakkelijk bij. Sommige vrouwen werden heel zenuwachtig en begonnen zelfs te huilen.  Een Canadese arts met een puntbaardje beluisterde Bertha’s longen en hart en klopte op haar ruggengraat. Hij scheen met een lichtje in haar ogen. Er volgde een goedkeurend knikje en hij drukte een stempel op haar medische kaart. ‘Nekst,’ verstond Bertha en ze realiseerde zich dat het de eerste keer was dat ze Engels hoorde. Toen Bertha opgelucht het kabinet verliet zag ze hoe een krijsende vrouw en een kleine jongen onder zachte dwang naar buiten geleid werden. ‘Alstublief dokter!’ schreeuwde de vrouw hysterisch. ‘Ik kan mijn zoontje van tien hier toch niet alleen achterlaten.’ ‘Uw zoon heeft een ooginfectie, mevrouw. Het spijt me,’ zei de dokter droogweg. De moeder klemde de jongen tegen zich aan. ‘Kunt u geen uitzondering maken? Alstublief! Ik smeek u dokter.’ De dokter schudde zijn hoofd. ‘Instructies van Canada.’ Voor veel migranten betekende zo’n afkeuring het einde van hun droom. Onherroepelijk werden ze terug gestuurd. Eén stempel te weinig en een familie werd uiteengerukt. Bertha kreeg nog kippenvel als ze dacht aan het hartverscheurende tafereel. Enkele kinderen spelen aan dek een hinkelspelletje. Ze zingen er een versje bij. Bertha begrijpt niets van hun taal, maar herkent er het liedje in dat zij en haar zussen ook zongen toen ze speelden op de binnenkoer van hun beluik. ***

Mieke Vandromme
0 0

De toeschouwer

Wat voorovergebogen zit hij op de koude tegels. Zijn schouders hangen vooruit, zijn hoofd wat scheef op zijn nek. De enige beweging die hij maakt is het ongecontroleerd en onregelmatig tikken met zijn hand op de vloer naast zich. Achter hem klinkt kindermuziek op een tv waarnaar niet wordt gekeken. Hij staart peinzend de andere kant op. Aan zijn gezicht is niet af te lezen waaraan hij denkt. De dag die voorbij is, de maaltijd die moet komen... Zijn linkerschoen ligt rechts, buiten handbereik, nat door zijn speeksel. Hij draagt een broek vol vlekken met afgesleten stof aan de knieën. Zijn shirt is te groot, zijn mouwloze vest erover tot boven dichtgeknoopt. Tussen zijn benen liggen de sleutels die hij net liet vallen. Hij grijpt die sleutels met zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter zijn lichaam ondersteunt. Hij krijgt zijn vingers niet onder controle en wanneer hij zijn hand met een ruk opheft schuift de sleutelring van zijn wijsvinger weer de grond op met een schelle plof. Opnieuw. Hij grijpt -met al zijn vingers nu- en heeft beet met ringvinger en pink. Wanneer hij de sleutelring van de grond opheft herhaalt zich op vijf centimeter hoogte het scenario. Zijn blik is vastberaden nu, alle aandacht gaat naar het metaal op de vloer voor hem. Hij haalt uit, grijpt, triomfeert. De sleutels worden op zijn uitgestrekte been gelegd. Even blijven ze daar, balancerend, tot ze er aan de andere kant weer afschuiven. Ze houden nog even zijn aandacht vast, maar hij lijkt zijn focus nu te verplaatsen naar een voorwerp dat verder ligt. Hij draait zijn hoofd om beter te kijken en toont zo de sporen die vingernagels achterlieten in zijn gezicht. Hij wil opstaan. Zijn hand grijpt de rand van de zetel naast zich en traag brengt hij zijn gewicht naar zijn rechterbil. Hij grijpt ook met zijn tweede hand de zetel vast en trekt zich langzaam, voorzichtig, op tot op zijn knieën. Twijfelend, onstabiel plaatst hij zijn eerst voet plat op de grond, zijn tweede volgt, de zetel biedt nog steeds ondersteuning, maar hij draait zich om, zijn blik in de richting van het voorwerp dat verder op de grond ligt. Zijn handen laten los en hangen naast zijn lichaam, hij steunt met zijn bil tegen de zetel. Hij zet een voet in de juiste richting, stabiliseert en laat een tweede volgen. Zijn evenwicht lijkt gevonden, maar na een derde onzekere stap op de rand van zijn voet gaat het mis. Hij valt voorover maar kan zijn armen niet tijdig plaatsen waardoor zijn neus de grond raakt. Een schreeuw volgt en tranen van frustratie. Hij zet zijn ellebogen. De tenen in de voet mét schoen vinden de grond en razendsnel drukt hij zich af. In geen tijd bereikt hij de gsm en drukt zich op tot op hij op zijn knieën zit. Hij slaat met een hand naar de gekleurde knoppen. Willekeurig, want de cijfers kan hij niet plaatsen. Er klinken mechanische tonen, dan is het weer stil. Een schaterlach. Hij grijpt opnieuw, maar zijn tere hand kan het toestel niet houden. Ook de telefoon valt hard op de stenen grond. Vanop zijn knieën zet hij zijn handen voor zich en duwt zijn voeten en kuiten recht totdat hij als een vreemde brug op de vloer staat. Als een trage acrobaat laat hij zijn handen los en richt zijn lichaam op. Een stap, twee stappen, drie stappen. En hij laat zich vallen. Vooruit, in mijn armen. Weer die schaterlach. Wat doet hij dat goed. Mijn ventje wordt een jaar volgende week.

Carolyn Krekels
3 0

Treinenbrij

Treinenbrij   Een ochtend zoals alle anderen. Of toch weer niet. Noodgedwongen kan ik die dag geen beroep doen op m’n vierwielige motorische vriend. Als alternatief kies ik voor de beleving van een ‘comfortabele’ treincoupé.   En daar zit je dan, te midden van honderden pendelende lotgenoten. Gezellig en comfortabel is het niet echt. Eerder het gevoel van een sardientje in een blikje; zonder de zonnebloemolie gelukkig. Ik mis m’n eigen comfortzone, “het geluid” van Q-Music op de autoradio, het feit ook van niet ongemerkt in m’n neus te kunnen peuteren.   Verrassend hoe dan plots een bekende kop naast mij komt zitten. Een collega-filerijder die anders, net als ik, het asfalt van de E19 noodgedwongen aan een minutieus onderzoek onderwerpt; bij voorkeur ergens ter hoogte van Mechelen-Noord. “Hé, leuk om jou ook eens niet van je achterkant te leren kennen”, grapt de man mij toe. “Jij moet mijn filetrotserende kompaan zijn, elke ochtend tussen Leuven en Antwerpen” repliceer ik, hem daarbij de hand schuddend. “Klopt”, zegt m’n gesprekspartner, “mijn vrouw had vandaag de auto nodig, vandaar dat ik maar eens het openbaar vervoer probeer”. “De mijne moest op groot onderhoud; euh… niet m’n vrouw… de wagen bedoel ik”, stamel ik voor me uit. “Vandaar ook mijn keuze voor de trein”.   Na een onderhoudende koetjes-en-kalfjesconversatie sporen we Antwerpen-station binnen. Bijna ongemerkt vervolgen we daarna, samen verderstappend, onze weg doorheen een paar drukke straten van de Antwerpse metropool. “Zeg, waar werk jij eigenlijk?” vraagt m’n compagnon de route. “Wel daar”, wijs ik met m’n vinger in de richting van een reusachtige architecturale creatie, “bij die Telecom-mastodont”. “Je meent het niet”, lacht m’n wandelende metgezel. “Dan zijn wij verdorie collega’s!”   En zo stapten we samen de draaideur van onze werkgever binnen. Twee mensen die een gezamenlijke treinreis nodig hadden om uiteindelijk tot het besef te komen dat ze werkmakkers zijn. Dat heb je met die mammoetmaatschappijen en hun ontelbare subafdelingen. En hun ideaal van groot, grootser, grootst. Collega’s worden pionnetjes op een dambord; een dambord zo groot als een voetbalveld.   Diezelfde avond stonden we bij het invallen van de duisternis terug op het perron te wachten op een trein die ons huiswaarts zou rijden. Tot een mechanisch klinkende stem door de luidsprekers galmde met het bericht: “als gevolg van een spontane actie van het spoorwegpersoneel, moeten wij onze reizigers spijtig genoeg meedelen dat alle treinverkeer opgeschort is tot 06u00 morgenvroeg. Wij hopen op uw begrip en wensen u desondanks nog een prettige avond”.   Waarop mijn collega en ikzelf vertwijfeld naar het stationsbuffet slenterden en er twee pintjes bestelden. Tussen een paar slokken door belde m’n maat zijn vrouw, om haar van deze transportproblemen op de hoogte te brengen. Mevrouw zou meteen de auto inspringen met bestemming Antwerpen en daar twee ‘treinreizigers-voor-één-dag’ uit hun lijden komen verlossen.   Een treinreis: mogelijke bron van nieuw sociaal contact. Af en toe, misschien, is de trein ook een heel klein beetje reizen. Maar vaak, te vaak, reist men… helemaal niet.  

Danny Wouters
0 0

FONS

       Met een welgemikte vingerknip vliegt zijn sigaret tussen de rondpikkende duiven. Even stuiven ze verschrikt op, maar ze kunnen hun nieuwsgierigheid niet bedwingen. De stoutste pikt herhaaldelijk naar de peuk, maar de rook die in haar oogjes kringelt, doet haar telkens weer terugdeinzen. De vrouw die naast hem op de bank zit, beloont hem met een vuile blik, schudt nog wat kruimels uit de verfrommelde broodzak en probeert met wat luide kusjesgeluiden de aandacht van die grijze pleinbeesten af te dwingen. Hij schat haar zo rond de zestig. Ze doet hem aan zijn eigen moeder denken. Even oud, even dik en even onnozel, vindt hij.   Fons moet aan de tijd denken dat hij met haar de eendjes ging voederen in het stadspark. Vroeger, ja, dan kon dat nog. Andere tijden en zo. Hij mocht toen zelfs – zoals de meeste andere kinderen uit zijn klas – een hamstertje houden. Hij was amper acht jaar oud maar verzorgde zijn lief diertje goed. Het was een aanhankelijk beestje: terwijl hij zijn huiswerk maakte, zat Mieke altijd op zijn schouder, tegen zijn hals aangevleid. Die belangeloze vriendschap kwam echter bruusk ten einde bij het begin van de volgende paasvakantie wanneer zijn moeder zei: ‘Fonske,’ want zo heette hij toen nog, ‘jij mag morgen voor een weekje naar Blankenberge bij tante Maria en nonkel Jef. Maar je moet wel Mieke haar vrijheid teruggeven, want ik kan er niet voor zorgen en jij kunt ze ook niet meenemen naar zee. Laat dat ratje’ – ja, dat had ze echt zo gezegd! – ‘maar los in de tuin van de villa op het einde van de straat.’ ‘En die poezen dan? Zullen die Mieke niet opeten?’ ‘Maar nee Fonske, Mieke is vinnig en zal zich wel snel ingraven; en trouwens, katten lusten geen hamsters,’ had zijn moeder troostend gezegd. Even herbeleeft Fons hoe hij toen met Mieke in zijn hand, veilig onder zijn jas tegen zijn hart gekneld, naar de villa snelde. Hij herinnert zich nog levendig hoe hij het diertje nog een dikke zoen op het hoofdje gaf, om het dan, met zijn arm tot aan de schouder door het tuinhek, zo ver hij kon de tuin in te zwieren. Mieke kwam op haar pootjes in het gras terecht, keek schichtig om zich heen, dribbelde wat besluiteloos rond om uiteindelijk iets verderop onder een struik te verdwijnen. Hij bleef nog ruim een kwartier aan het hek staan, maar Mieke kwam niet meer te voorschijn. Fons weet nog dat hij voor het eerst echt verdriet voelde. En schuld. En onmacht. Daarna rende hij als een gek naar huis, denderde boos de trap op en lag urenlang op bed te snikken. Hij is het nooit vergeten. Hij heeft het haar nooit vergeven.   ‘Wettegaddatvoeieren van die vieze rotbeesten strafbaar is, madammeke?’ zegt Fons terwijl hij moeizaam zijn vette lijf omhoog dwingt. ‘Da kan tweehonderd vijftig euro kosten als ze dat zien!’, voegt hij er zuchtend aan toe. Zonder zich verder om het venijnige commentaar te bekommeren, loopt hij dwars door de luid protesterende kudde roekoekende ziekteverwekkers en slentert verder de Groenplaats over, richting post­gebouw. Bij de sokkel van Pieter Paul zitten twee gasten luid te lallen met een Cara-pils in de hand. Aan hun voeten liggen een grote zwarte en een schurftige bruine hond tussen de verkreukelde bierblikjes. Fons staat even stil, steekt een nieuwe sigaret op en bedenkt dat hij eigenlijk ook wel van dieren houdt, hoewel hij er zelf geen meer heeft. Een kat, zo’n eigenwijs, onbetrouwbaar beest, neen da’s niks voor hem, maar hij heeft wel ooit een hond gehad, Bullshit, een lieve en aanhankelijke zwarte straathond. Maar die is reeds na twee maanden weggelopen. Nooit meer teruggezien. Vorig jaar dan maar een aquarium: vissen kunnen niet lopen, blaffen niet en bijten niets kapot. Guppen zijn gemakkelijk te houden en te kweken vertelde de verkoper. Eén mannetje en vier wijfjes, want het is zoiets als een haan en kippen. Het is een genetisch experiment geworden. Een namaakbiotoop waarin kindjes met kindjes, zoontjes met moeders, vaders met kleinkinderen en achterkleindochters met overgrootvaders naar hartenlust vadertje en moedertje konden spelen. Dat deze halsstarrigheid inteelde tot kromme ruggen, bizarre kleuren en lichaamsverhoudingen en hier en daar zelfs tot ontbrekende vinnen en ogen, hoeft niemand te verbazen. Een goede maand geleden brak er een ziekte uit in dit overbevolkte tropische genenlab, met een massale vissterfte tot gevolg. Gisteren heeft hij bij wijze van galgenmaal, verse levende tubifex – een trosje wriemelende wormpjes, net levende rijstmie, maar dan zwart – gekocht. Het was een waardig afscheidsdiner voor de zesentwintig overblijvende gedrochtjes. Gisterenavond nog gaf hij hen de vrijheid terug en spoelde het toilet door.   Bij de kiosk aangekomen peutert Fons een laatste kromme sigaret uit zijn verkreukeld pakje Gauloises en gaat op de hoogste trede van de toegangstrap zitten. Zijn aansteker laat het afweten. Hij loopt het trapje weer af en vraagt een vuurtje aan een taxichauffeur die iets verderop naast zijn vehikel staat te roken. De vrouw die net een friet uit een puntzak grist kijkt even op als hij voorbij komt. Zonder erbij na te denken zegt hij: ‘mm, lekker he?’     De rosse deerne reikt hem het pak aan: ‘eentje proeven?’       Hij kijkt haar aan, neemt een frietje uit het pak, geeft haar nog een knipoog en gaat terug op het trapje zitten. Dat smaakt. Fons kijkt over de Groenplaats hoe de kathedraaltoren in de late lentezon met schaduwen speelt en trekt peinzend aan zijn sigaret. Dan laat hij de rook zachtjes uit zijn mond ontsnappen en ademt hem weer langs zijn neus in en mijmert: ‘Godverdomme, wat een waanzinnige dag is dit toch!’   ***   Alphonse Knaepkens werd die ochtend wakker met de gedachte ‘vandaag is de eerste dag van de rest van mijn leven!’ Hij had ergens gelezen dat iemand dit eerder had gedacht en daardoor zijn leven anders was gaan invullen. Dat leek hem wel wat. Hij was ten slotte bijna veertig en het werd hoogtijd om uit de spiraal van uitzichtloze moedeloosheid te kruipen. Met gulzige goesting probeerde hij om zijn ouwe ‘ik’ nieuw leven in te blazen. Hij begon met de volgorde van zijn ontwaakritueel om te gooien. Eerst spoelde hij de slaap en de ochtenderectie weg onder de warme douche en pas daarna ging hij op de pot zitten om jawel, zittend te plassen in plaats van die eerste moedwillige ochtendstraal het porselein in te mikken. Daarna zette hij koffie, ontbeet en poetste dan pas zijn tanden. Opgewekt stapte hij dan de kouwe grauwe ochtendmist in, op weg naar de snoepfabriek. Aan de halte van lijn 7 nam hij de tram. Hij vond een vrije zitplaats naast een meer dan volslanke vrouw met grote blonde krullen en bolle roze kaken. Wel ja, vrij… Haar zitvlak vulde meer dan de helft van de bank en zijn billen waren zeker niet smaller. Hij perste zich naast haar. Hij voelde de warmte van haar volle dijen doorheen de stof van zijn flanellen joggingbroek en een zoete gloed in zijn onderbuik. Fons overwon zijn verlegenheid en zei bijna fluisterend: ‘Sorry mammezelleke, ’t is hier wat krap hé!’ ‘Ik vind dat niet erg hoor, da’s lekker warm!’ antwoordde ze glimlachend. Hij keek recht in haar bruine ogen en haar bolle lippen waren zo ongelooflijk dichtbij, dat een opkomende angst elke volgende stap in de weg stond. Een paar haltes verder verwarde ze hem nog meer toen ze met hese stem in zijn oor fluisterde: ‘Mijn naam is Rosie en ik neem elke dag deze tram. Misschien tot nog eens?’ De aarzelend aangebrachte zwarte schmink rond haar zaadvragende ogen wekte bij Fons een gevoel van ongebreidelde wellust op, maar zoals steeds, stopte hij dat snel heel ver weg. Hij glimlachte ietwat verlegen. De Fons zat op zijn hoge stoel te staren naar de ‘Purple Parade’, zoals hij dat smalend benoemde en vroeg zich voor het eerst af wat hij hier in feite zat te doen. De lopende band kwam uit de muur links van hem. Aan zijn rechterhand verdween die weer in een metalen bak tegen een andere muur. Rijen purperen tjoepkes passeerden de godganse dag de revue. De cuberdons kwamen uit het ‘démoulage’-atelier ernaast en met een soort speciale kam zette hij de mauve kegels netjes in rijen van acht, mooi uitgelijnd, anders liep de verpakkingsmachine vast. Dat was zijn welomschreven taak. Hele dagen lang. Al bijna twintig jaar lang zag hij die frambozenneuzen op de band voorbijschuiven. Ik heb het echt wel gehad, nu!, dacht hij verveeld. Hij overliep zijn eerste stappen in het arbeidscircuit. Zijn moeder vertelde hem op zijn veertiende dat zijn vader – die hij overigens nooit zag – de laatste tijd geen alimentatie meer betaalde. Hij zou daarom mee voor het huishouden zorgen, op school zitten kost alleen maar geld en dat hebben we niet. Hij kon meteen op leercontract beginnen bij de bakkerij om de hoek en kneedde daar een paar jaar deegklompen tot broden totdat de bloem hem een zware allergie bezorgde. De baas vond dat hij Fonske met die etterende puisten op zijn armen maar beter ver van zijn brood kon houden en besloot om zijn leercontract stop te zetten. Fonske vond dan werk als metsersgast, hij was al zestien toen, totdat hij op een dag met een pak bakstenen boven op een stelling zijn evenwicht verloor en zich nog maar net aan een metalen balk kon vastklampen. Terwijl hij daar twee verdiepingen hoog aan een reling zat te bengelen, volgden de bakstenen de wetten van Newton en kwamen terecht midden in een kinderwagen met een jankende tweeling die daar net voorbij geduwd werd. Fonske kon zich met moeite terug op de stelling hijsen, de tweeling zou eeuwig zwijgen en hij zat weer zonder baan.         En nog eens acht cuberdons en nog eens acht en nog … Met een glimlach herinnert hij zich hoe hij kort daarna - als aanstormende twintiger - roadie was geweest van The Pigs, een Antwerpse punkgroep. Dát was nog eens een prachtige tijd! Fonzie - zoals ze hem daar toen noemden, naar Happy Days, die Amerikaanse successerie met Henry Winkler en Ron Howard - moest de vrachtwagen met geluidsapparatuur mee helpen uitladen. Tijdens de concerten zelf had hij verder weinig om handen en zo kwam het dat hij gretig hapte als de bakvisgroupies met hem aanpapten. Omdat hij degene was die de aandacht kreeg en zelf niet de eerste stap moest zetten, beleefde hij gouden tijden. De giecheltrienen hadden er alles voor over om straks mee backstage te kunnen: hij kon in hun borsten en billen knijpen, zijn handen bezochten al hun geheime plekjes, ze lieten zich in de bloezen kijken, eentje deed hem zelfs binnen achter de geluidstoren terwijl de bassen in zijn nieren beukten. Maar er waren strenge instructies: hij mocht de kleedkamers niet in en mocht niemand doorlaten achter het podium. Nadat de vrachtwagen weer ingeladen was, waren de groupies weg, waarschijnlijk met de bassist of de geluidsman. Vijf maanden lang, een heuse wereldtournee, dwars doorheen het Vlaamse land! Fonzie voelde zich onwaarschijnlijk belangrijk. En dan splitte de groep, alle optredens werden afgezegd en Fonzie werd weer gewoon de Fons… ‘Alphonse! Je bent aan het slapen, man!’ Nu hoorde hij het alarm ook. Biep, biep, biep…  ‘Ja, sorry’ mompelde hij, ‘ik was er even niet bij met mijn gedachten.’ Het was Gilberte, de preutse toezichtster, die hem berispte omdat zijn aandacht verslapt was en hij de machine gevoed had met een paar slordige rijen rotcuberdons. Ook vorige week was dat meermaals gebeurd.        ‘Beschouw dit maar als een serieuze reprimande, Knaepkens!’ Hij kon er zijn aandacht niet meer bij houden. Het was op de duur zo afstompend en zenuwslopend, hij had er gewoon zijn buik van vol, hij kon ze niet meer zien die cuberdinges. ‘Reken maar dat dit de laatste verwittiging was; ik kan je slordigheid niet langer accepteren!’, beet ze nog na met haar bekakt Noord-Hollands accent. Nu werd het Fons echt teveel, hij voelde het bloed opstuwen in zijn slapen, een koude tinteling verlamde zijn handen, hij probeerde nog de volgende rij purperneuzen vlak voor de metalen ingang uit te lijnen, maar te laat: de volgende lading mauvelingen drongen zich ondertussen ook al op waardoor het hele verpakkingsproces in de soep draaide. De machine biepte driemaal en de lopende band viel stil. ‘Godverdomme, stom wijf,’ brulde hij, ‘ge maakt me orendul!’ Met een breed gebaar veegde hij alle cuberdons van de band, stond recht en riep ‘ik ben het kots, kotsbeu! Hier, doe het zelf!’ Hij gaf zijn stoel een ferme duw waardoor die omverviel, draaide zich om en liep naar buiten. Hij hoorde het spichtige scharminkel nog krassend krijsen dat hij niet meer hoefde terug te komen en dat hij morgen ‘zijn sjevier’ mocht ophalen. Opgewonden bleef hij even op stoep staan, zijn lederen jas in de hand. Het was bijna elf uur en zijn werkdag zat er al op, …en zijn baan ook! Hij merkte hoe opgelucht hij zich eigenlijk voelde. Eindelijk!   Fons was al kuierend het park aan de Brilschans ingewandeld en zat daar wat op een bank aan de vijver. Hij keek hoe eendjes opgeschrikt werden door een dartele uitzinnig blaffende hond. Hij stak een Gauloises op en zoog de rook diep in zijn longen. Met een diepe zucht blies hij de rook uit in de helderblauwe lucht en genoot van de warmte van de zon op zijn gezicht. Hij zou morgen of zo wel wat rond horen voor ander werk, maar vandaag zou hij nog wat genieten van zijn vrijheid, zie. Zijn moeder woonde wat verderop aan de Groenen Hoek. Hij zag haar eigenlijk niet zo graag, maar het was toch al sinds Kerstmis geleden dat hij daar nog geweest was. Fons woonde nog bij zijn moeder toen hij negentien jaar geleden bij de confiserie werd aangenomen. Het was uit gewoonte en het was goedkoop. Hij had geen vrienden, ging niet uit, maakte moeilijk contact met anderen en al zeker niet met meisjes. Niet dat hij bang was, maar hij vond zichzelf niet interessant genoeg. Hij gaf haar de helft van zijn loon voor ‘kost en inwoon’ en bracht regelmatig afdankertjes mee van de snoeperij zoals scheefgezakte cuberdons en verslenste chocolade­pralines. Na een paar jaar werd ze ontslagen en ging stempelen want ze had uitgeteld dat ze met de inbreng van Fons ruim genoeg hadden om rond te komen. Ze kwam nog amper buiten en ze snoepte de godganse dag. ‘s Middags had ze haar eerste glas rode port al binnen. Ze was moddervet geworden en haar gebit was verrot gesnoept. Ze zat de hele dag lang vormeloos uitgezakt naar onbenullige programma’s op televisie te staren. Fons was vijfentwintig toen hij haar op een dag aankondigde dat hij alleen ging wonen. Zijn moeder had toen een hele scene gemaakt, dat ze alweer verlaten werd, eerst de vader nu de zoon, ‘alle venten zijn egoïsten, vuile smeerlappen zijn het’ riep ze hem nog na terwijl hij de deur achter zich toesmeet met de bedoeling nooit meer terug te komen. Het was een vlucht, een opluchting maar toch ook weer een leegte. Maar ergernis slijt. En elke maand stortte Fons de helft van zijn loon en van zijn vakantiegeld en van zijn eindejaarspremie op haar rekening. Zonder mededeling. Ze spraken er nooit over wanneer hij af en toe, een paar keer per jaar toch wel, bij haar aanbelde, want zijn sleutel had hij bij wijze van afscheid, plechtig in het rioolputje voor haar deur laten vallen. Hij bracht dan telkens een grote doos met afgedankt snoepsel voor haar mee. Ze spraken weinig, de televisie stond luid te achtergronden en ze dronken een porto of twee. Hij hield zijn jas aan tot hij na een tijdje enigszins afwezig ‘zo, ik stap maar weer eens op’ zei, opstond en de deur achter zich in het slot liet vallen, zachtjes.   Fons belde na enig aarzelen aan bij zijn moeder. Het was haast drie uur. Zijn leven stond op een belangrijk kruispunt, dat wist hij gewoon.      De overgordijnen waren dicht. De lente werd deskundig buitengehouden. Met korte passen schuifelde hij somber achter zijn moeder aan, door de gang, tot aan de eetkamer. De muffe kamer rook naar oud kattenzand en verbruikte lucht. Met een diepe zucht plofte hij neer op zijn stoel. Nijdig schopte hij de kat weg die zich zeurend aan zijn voeten nestelde. Op de tafel waaraan hij jarenlang zijn huiswerk had gemaakt, stond een halve fles rode porto, een uitpuilende asbak en een vaas met stoffige witte zijden rozen. Hij haalde zijn pakje Gauloises uit zijn zak en peuterde er een sigaret uit. Hij klopte op tafel de tabak vast en stak ze op. Het kleine vlammetje vertelde hem dat zijn aansteker bijna leeg was, hij moest dringend een andere kopen, net zoals sigaretten, trouwens. Zijn moeder zette twee glazen op tafel - een portoglas voor hem en een groot wijnglas voor haar - en kwam tegenover hem zitten. Ze schonk beide glazen tot aan de rand vol met porto. ‘Flessengeluk’ zei ze.­            Hij vertelde hoe hij twintig jaar lang een paar duizend cuberdons per dag had zien voorbijschuiven. Dat waren verdorie twintigmaalvijfmaaltweeënvijftigmaaltweeduizend cuberdons, meer dan tien miljoen mauve tjoepen, schrikkeljaren niet meegerekend. En iedere dag dezelfde weg naar de snoeperij, en ’s avonds diezelfde weg weer terug. Maar nu niet meer. Die tijd was voorbij. De lappenkat sprong op de stoel naast hem en mauwde om aandacht. Hij wuifde ze weg, hij haatte katten. De televisie stond zoals gewoonlijk veel te luid. Hij moest ook steeds luider spreken, zijn moeder hoorde niet zo best meer. Hij nipte aan zijn glas en stak nog een Gauloises op. Ze had hem bijna apathisch laten uitspreken, maar besefte dat zij haar geruststellend maandelijks inkomen en de zoethouders kwijt was. Ze steunde moeizaam recht, in haar ene hand de lege fles porto, met de andere hand haar gewicht opduwend en dan gebeurde alles razend snel: haar mollige hand schoof samen met het tafelkleed van de rand, ze verloor het evenwicht, de fles maakte een boog door de kamer, ze probeerde nog houvast te vinden aan de tafelrand maar tolde molenwiekend om haar as. Ze viel languit achterover met een droge krak tegen de omvergevallen stoel. Zijn moeder lag daar wezenloos op de harde keukenvloer. Ze keek haar zoon aan met opengesperde angstige ogen, de mond vertrokken in een pijnlijke grimas. Fons keek verveeld op en stond langzaam recht. Ze wees naar haar heup en kreunde: ‘Bel den 100 manneke, ik denk dat er iets gebroken is!’. De rotkat wou weer geaaid worden.        Een kwartier later was de ziekenwagen daar. Het kostte de ambulanciers heel wat moeite om zijn moeder op de brancard te krijgen, het bleek uiterst pijnlijk te zijn en haar gewicht hielp niet mee. Fons bleef alleen achter.      ***  In de keuken staat een volle fles rode porto. Hij schuift de gordijnen open en zet het raam in de kipstand. Hij schenkt zijn glas vol en steekt een Gauloises op. Vervolgens laat hij zich vergenoegd in 'haar' zetel vallen. De televisie heeft hij al eerder uitgezet. De kat springt op zijn schoot en miauwt. Hij legt zijn hand op haar kopje en ze begint zachtjes te ronken. Hij laat zijn hand wat zakken en masseert haar nek, net achter de oortjes. Het beest ronkt nog harder. Zijn hand zakt nog iets en hij voelt de halswervels tussen zijn duim en wijsvinger. Het is een mager scharminkel. Zo zit hij daar een poosje, hij laat zijn gedachten de vrije loop. Ten slotte doet hij zijn sigaret uit en staat recht terwijl hij de kattin met één hand tegen zijn borst houdt. Hij loopt rustig door de keuken naar het achterhuis waar de badkamer is. Dan staat hij stil voor de wastafel, kijkt naar zichzelf in de spiegel en glimlacht. Hij plaatst de rubber stop in de wasbak en draait de kraan open. Het beest verkrampt bij het zien van het water, maar hij draait zich om en sust haar meteen door nog wat te aaien en achter de oortjes te krabben. De wasbak is nu bijna vol en achter zijn rug draait hij de kraan dicht om meteen het aaien te hervatten. Zachtjes hervat hij zijn massage, eerst achter de oortjes daarna rond het tengere nekje. Het komt er nu op aan om snel, resoluut en feilloos te handelen. Zoals steeds, heeft hij zijn lederen jekker aangehouden en dat zou nu goed van pas komen. Hij draait zich om, kijkt nog even naar zijn spiegelbeeld, voelt met zijn vingers de halswervels en met zijn duim het strottenhoofdje. Rustig maakt hij een vuist. Hoe harder hij knijpt, hoe meer het beest begint te spartelen. Hij knijpt nu uit alle macht en duwt met een snelle beweging haar kop in het water. De kat klauwt tevergeefs in het rond, hij geeft geen krimp en blijft hard knijpend met zijn hand onder water. De klauwen haken in het leer, het water spat in het rond, hij zou dat straks wel allemaal opruimen, straks nadat hij het kreng in een vuilzak zal gestoken hebben. Minutenlang staart hij naar de spiegel.     Het spartelen wordt minder heftig, het weerbarstige beest verslapt en het ruikt plots heel erg naar stront.   Hij doet het natte lijkje in een plastic Lidl zak, knoopt die dicht en steekt hem in een andere en zwaardere Carrefour zak . Dan ruimt hij de wasplaats netjes op, wast de lege glazen en leegt de asbak. Daarna zet Fons het raam in het achterhuis op een kier, zodat het zou lijken of het poesje ontsnapt was en misschien een nieuwe thuis gevonden had in een paradijselijke tuin van een villa, wat verder in de straat…   Alphonse Knaepkens trekt de deur zachtjes achter zich dicht, wandelt terug naar de Brilschans en laat daar de Carrefour zak in een vuilnismand vallen. Dan loopt hij het park uit tot aan de Grote Steenweg waar hij de tram naar het centrum neemt. Hij stapt af aan de Groenplaats en slentert het plein over, zijn versleten joggingschoenen achteloos op de kasseien potend, zijn te grote grijze bevuilde joggingbroek rimpelend bij elke aarzelende stap. Met de blik op oneindig slentert hij tot aan de zitbank voor taverne Rubenshof. Hij plant zich voor de enige vrije zitplaats en laat zich met een zware zucht neerzijgen tussen een liefkozend koppeltje en een oudere vrouw. Door het flanel van zijn broek zie je het vet op zijn billen nog even lillend natrillen. Hij haalt een gekreukt pakje sigaretten uit zijn zak, vist er moeizaam met zijn gezwollen vingers een sigaret uit, en merkt dat zijn aansteker nu echt wel bijna leeg is. Hij vult zijn longen met rook, houdt even de adem op en laat vergenoegd de rook tussen zijn lippen ontsnappen. Wat verder pikken een aantal duiven naar wat broodkruimels...

Guy Lejeune
0 0

Potentie

Een meisje met een hoofddoek stapte op en balanceerde met haar rugzak in het gangpad. ‘Mag ik hem onder de zetels schuiven?’ vroeg ze. Ik tilde mijn voeten op, zij schoof. Toen ze ging zitten mengde haar frisse buitengeur zich met het stof uit de zetels. Ze haalde een rolletje muntjes uit haar zak en bood het mij aan, ‘Ik ben Sara.’   Stef had mij naar het busstation gebracht. Hij vroeg hij of ik echt naar dat congres moest. Ik zei van wel. ‘Ik ga je missen,’ zei hij, ‘ En van de knappe mannen op de bus afblijven.’ Als Stef op zakenreis is, slaap ik in een T-shirt dat nog ruikt naar zijn parfum. Ik vraag mij af wat hij vanavond doet. ‘Maak je geen zorgen,’ glimlachte ik, ‘het zijn gewoonlijk reptielen met een tatoeage en een moeraslucht.’   Omdat ik nooit helemaal zeker ben van mijn adem, pakte ik een muntje aan. Ik vermoed dat Sara onze vriendschap daarmee als geopend beschouwde want binnen de kortste keren wist ik dat ze net zoals ik nog geen maand geleden getrouwd was en dat ze haar man achterna reisde naar Montpellier.   Ik vertelde niet dat ik ben op weg was naar mijn achilleshiel. Sinds ons Erasmusjaar in Madrid stuurden we elkaar plagerige mailtjes. Heel af en toe lukte het om hem te bezoeken. Dan was het vuurwerk in pasteltinten. We aten aan wiebelende tafeltjes op een binnenplaast waar kleurrijke lampionnen in een plataan hingen. Instagram met een retro filter.   Ik pleit onweerstaanbare drang. Als ik bij hem ben, ben ik een andere versie van mezelf. Maar achilleshiel of niet, ik had hem niet op ons trouwfeest moeten vragen. Hij gaf ons een eikenhouten miniatuur van een eik en ging heel vroeg weg. Sindsdien was het anders. Ik wou hem zien.   Tijdens een nachtelijke stop dronken we thee en aten croissants. Wie af en toe knikt lijkt empathisch, dus ik zat het hele verhaal van Sara’s huwelijksfeest uit. Ze proefde het woord ‘echtgenoot’ en gebruikte het in elke zin, alsof ze het wilde testen. Hoewel het triest wegrestaurant was, merkten we aan de de croissants dat we vlakbij Parijs waren. In België bakken ze iets dat er nog vaag op lijkt, in Nederland is het een kwestie van volksgezondheid om op afstand te blijven. Nadat we de laatste schilfers hadden opgepikt met een vochtige wijsvinger, wachtten we op elkaar bij de stinkende toiletten.   ‘We willen binnenkort aan kindjes beginnen,' glunderde Sara terwijl ze haar handen droogde, 'Ik heb een zwangerschapstest gekocht om hem cadeau te doen.’ Ze fatsoeneerde haar lippen met een bordeaux lippenstift en haalde een flesje parfum uit haar handtas. De geur van chloor en urine waren al tastbaar in de bunker waarin de toiletten zatern, maar toen Sara haar parfum verstoof, kreeg ik het benauwd. In twee grote gulpen kwamen mijn thee en croissant er weer uit, over mijn voeten en op de vloer. ‘Shit,’ riep Sara, ‘Mijn god.’ Ik was zelf verbaasd en stapte langs de plas naar de wasbak. Sara deinsde zachtjes achteruit. Ik spoelde mijn mond, droogde hem en depte mijn schoenen zo goed mogelijk droog met papieren handdoekjes. Als een ballonnetje dat ontplofte in mijn hoofd, daagde het mij terwijl ik het zei, ‘Ik denk dat ik zwanger ben.’ ‘O,’ zei Sara, ‘Proficiat. Heb je al getest?’ Ik schudde van niet. Alsof we beste vriendinnen waren, zocht ze in haar handtas en gaf mij haar zwangerschapstest. Er zaten smalle roze en blauwe lintjes rond. Ze wees naar een hokje, ‘Hup, testen!’   Op ons trouwfeest kregen we een kleine eik uit eik. Ik vond dat triest toen. Eik kan bijna alles worden, waarom moet hij dan weer eik worden? Een klein eikje dan nog. Ik nam mijn telefoon, zocht zijn naam en schreef: ‘Kom ons halen, we zijn in Parijs.’

Tine Tytgat
0 0

Ver

Lourmarin: het bleef een lieflijk gezicht. Ik parkeerde dicht bij het kasteel en begaf mij eerst naar café Gaby. Het terras nodigde mij aanlokkelijk uit. Veel plaats was er niet meer. Het kleine dorp trok vele toeristen aan en er waren maar een beperkt aantal zitplaatsen te begeven. Ik behoorde tot de happy few en was niet van plan het eerstvolgende uur mijn zuurverdiende zitje af te staan. Het was altijd amusant het komen en gaan van de wandelaars te bekijken. Meestal was het ook grappig, zoals met die sjieke Amerikaanse dame die geen weg wist met haar dure huur-Mercedes-Benz (ik dacht aan het gelijknamige liedje van Chuck Berry). Mevrouwtje was blijkbaar gewend te parkeren zoals in haar thuishaven met zijn oversized parkings bestemd voor oversized limousines en dat lukte hier natuurlijk niet in dit piepkleine dorpje. Ik bestelde aan de garçon, die er eerder uitzag als een overjaarse gigolo, een frisse pint en une tarte aux poireau. Het heerlijk blonde gerstenat deed deugd, nadat ik de zon zolang gekoesterd had, en was op een wip opgedronken. Toen kwam het eenvoudige, maar lekkere preitaartje en dus vroeg ik ook maar een begeleidend glaasje witte wijn. Ik kreeg het terstond. Het was boordevol, zodat ik er eerst een slokje uit moest puren zonder het vast te nemen. Zonde om er maar een ietsje van te verspillen, dacht ik. Na mijn kleine lunch en een volgende blanc de blanc, strekte ik weer de benen om een bezoekje te brengen aan een mooie geschenkenwinkel. Het was nog steeds dezelfde oudere, deftige Franse dame die haar boetiek uitbaatte. Ik snuisterde wat rond, toen een grote, slanke jongedame met kort zwart haar, gekleed in een lange zwarte zomerjurk, kwam binnengestapt. De dames kenden elkaar en spraken over koetjes en kalfjes. Wel viel mij op dat de mademoiselle een opvallend, buitenlands accent had, dat ik niet direct kon thuiswijzen. Ze verdween opnieuw en een opgetutte en platinablonde Amerikaanse kwam binnen, vroeg wat uitleg omtrent een zilveren theeservies en verdween weer. Ik naderde de kassa en zei tegen de bazin dat ik hier vorig jaar nog geweest was en een fotokader had gekocht. We hadden toen nog een levendig gesprek gevoerd. “Ik dacht, toen u binnenkwam, dat ik u al eens ontmoet had,” zei ze. Ze verwees naar de vorige bezoekster: “Het krioelt hier van de Amerikanen,” merkte ze op, “en ze drijven de prijs van het onroerend goed naar onwerkelijke hoogtes.” Dat had ik inderdaad gemerkt als je in de vitrines keek van de vastgoedmakelaars. Een miljoen euro’s waren niet moeilijk kwijt te geraken. Ik nam afscheid van de vriendelijke dame en begaf mij naar de kunstgalerij die er tegenover gelegen was. Ik staarde onmiddellijk in de donkerbruine kijkers van la jeune femme en noir. Zij was het dus die de galerij uitbaatte. Twee kunstenaars stelden tentoon: een beeldhouwer en een schilder. Le sculpteur maakte enig mooie, menselijke figuren in brons. Ware het niet dat ze zeer prijzig waren, dan had ik graag zo eentje een plaatsje in mijn living willen bezorgen. Le peinteur was Daniel Brousse en zijn werken waren echte parels van de aquarelkunst. Dat heeft natuurlijk zijn prijs. De originelen waren voor mijn beurs onbetaalbaar, maar je kon er ook reproducties, met beperkte oplage, van kopen. En vermits ik nog een open plek op mijn livingmuur op te vullen had, was ik vlug bereid een relatief kleine som neer te tellen. De mooie dame pakte het ‘zicht over Lourmarin’ mooi in, en ze vroeg me waar ik vandaan kwam. “België,” antwoordde ik. “Dat was één van de mogelijkheden waar ik rekening mee hield,” lachte ze me gul toe. Er ontstond een klein brandje binnen in mezelf en ik dacht: pour un flirt avec toi, je ferais n’importe quoi, pour un flirt avec toi. Zij was, je gelooft het of niet, van Alaska. Na een vakantie in de Provence had ze besloten zich hier te vestigen en een galerie d’art te openen. Van het noordelijke Alaska (véél noordelijker kan bijna niet) naar dit zuiderse land moest toch een hele stap betekend hebben. “Maar daar heb ik totaal geen moeite mee gehad,” lachte ze breed uit.Met zo’n smile kom je natuurlijk ver. En ze kwam van ver.Ik was tijdens deze vakantie vele Amerikanen tegen gekomen. Zij was veruit de aantrekkelijkste. By far.

Marc M. Aerts
0 0