Zoeken

Geen blad voor de mond

Wees blij dat je Eva Vandenbos niet kent. Ze is afkomstig uit het Antwerpse. Een wondermooie dame, maar als ze gedronken heeft ... Wel, dan wordt ze heel brutaal en soms ongepast in haar communicatie. Achteraf heeft ze nooit spijt, wel een houten kop. Ach, eigenlijk is het gewoon een takkewijf uit Boom met een groot blad. Je kan haar overigens niet kennen. Om de simpele reden dat ze alleen in mijn hoofd bestaat. Echtgenotes vinden het meestal niet erg dat hun mannen over andere vrouwen fantaseren, zolang het niet te concreet wordt en vooral abstract en aldus onbereikbaar blijft.  Zo beschreef ik Eva als een ongelooflijk knappe vrouw met een voor mij ideaal lichaam. Ik nam daarbij geen blad voor de mond en terwijl ik haar belangrijkste lichaamsdelen minutieus en nog net niet likkebaardend beschreef, zag ik de blik van mijn wederhelft verwilderen. Opgejaagde agressiviteit, trillende neusvleugels, gebalde vuisten, kokend bloed, dat soort dingen. Tot ze doorhad dat het (weer maar eens) een excuus was om woordspelig te zijn, het de schuld van mijn verbeelding was en ik het ideaalbeeld eigenhandig aan diggelen sloeg door Eva's kwalijke eigenschappen onverbloemd te omschrijven.  Geen blad voor de mond nemen. Door intimi word ik er weleens van beticht. Ik doe het niet met opzet en vind het ook geen ernstig vergrijp, zeggen wat je denkt. Soms grof en kort door de bocht, dan weer complimenteus en 'lief', soms helder, dan chaotisch, soms plezierig, dan weer zwart. Maar wel eerlijk. Vrijuit zeggen wat je vindt hoeft lang niet altijd synoniem te zijn met iemand zonder omwegen vertellen wat hij allemaal fout heeft gedaan. De uitdrukking zelf heeft ook die dubbele connotatie. Is geen blad voor de mond nemen nu bot en tactloos, of net moedig, betrouwbaar en bijgevolg een toe te juichen eigenschap? En welk blad moet je niet voor de mond nemen, of net wel? Dat intrigeerde me, dus ging ik op onderzoek uit.  Volgens verschillende bronnen kan het zowel over een boomblad als over een blad papier gaan en bijna allemaal sleuren ze er de theaterwereld bij. Lang geleden, voor er maskers werden gebruikt, verscholen toneelspelers zich achter vijgenbladeren om stoute dingen te zeggen, bijvoorbeeld als ze onaangename waarheden benoemden of als ze de spot dreven met anderen. Zo konden ze niet herkend worden en bleven hun uitspraken zonder gevolgen. Wie geen blad voor de mond nam was niet bang voor kritiek. Een lefbek, geen lafbek.  Anderen gaan ervan uit dat de bladeren als afdekking dienden om bepaalde dingen niet te hoeven zeggen of om geluiden te dempen. Vreemd, maar niet onmogelijk. Weer anderen gooien de hele boombladtheorie aan de kant en hebben het over een blad papier. Als je opmerkingen van een blad papier afleest en dus 'een blad voor de mond neemt', heb je tijdens het schrijven van tevoren nagedacht over wat je wilde zeggen en hoe dat zou overkomen, waardoor je dus diplomatischer bent. Wie uit zijn hoofd spreekt, zal minder voorzichtig zijn.  Interessant allemaal, maar wat mij frappeert is vooral dat vijgenblad. Steeds weer dat vijgenblad. Het doet me eerlijk gezegd opnieuw denken aan Eva. Niet die van Boom of Aartselaar, maar die van het Aards Paradijs. Samen met Adam gebruikte ze vijgenbladeren om hun geslachtsdelen te bedekken. Maar stel nu dat Adam op een gegeven moment wel héél erg oprecht was, als je begrijpt wat ik bedoel, en Eva op dat moment geen blad voor de mond nam ...  Dat plaatst alles toch wel even in een andere context. Best wel leerzaam, dat etymologische gedoe. Hoe dieper je graaft, hoe dichter je bij de waarheid komt. 'De pijp aan Maarten geven', waar zou dat eigenlijk vandaan komen? 

Danny Vandenberk
10 0

Het Julesboek

Na de dood van haar geliefde schrijft Lief het verhaal van een liefde die niet mocht bestaan. Een boek over vasthouden, loslaten en de kunst om opnieuw te kijken. Enkele fragmentjes Ze plant het al weken, maar het lukt haar slechts vandaag. Ze opent het schrift dat ze Het Julesboek noemt. Het ligt geduldig te wachten. Ze wil schrijven, in de hoop dat het helpt. Misschien doet het dat niet. Maar ze verlangt ernaar om terug te gaan naar wat er was. Naar hem. Naar alles. Ze is moe. Onzeglijk moe. En toch, ze moet het doen. Waarom? Dat weet ze niet. Of misschien wel: omdat ze bang is dat het anders verdwijnt. Bang om verder te gaan zonder hem. Tweeënveertig jaar lang was hij er altijd, aan de andere kant van de telefoon, in haar dagen, in haar toekomst. Nu alleen nog in haar geheugen. Ze begint Het Julesboek met haar dierbaarste herinnering. Ze aarzelt, maar weet: dit is het juiste vertrekpunt. Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. Ze had het er moeilijk mee. De gedachte dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar dan. Toen ze hem vertelde dat ze dacht uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij: ‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’ Ze hoorde het in zijn stem: warm, breekbaar, oprecht. Ze schrijft het op, langzaam, want elke letter is heilig. Die ene zin is het mooiste wat hij haar heeft gezegd, en tegelijk de laatste uiting van genegenheid die ze van hem zal krijgen. Ze leest de zin opnieuw, fluistert hem in de hoop hem zo weer terug te roepen. ... Plots lawaai op straat – een claxon, stemmen die elkaar luid toeroepen – doet haar opschrikken uit haar gedachten en haar blik valt op zijn foto met de hond. Ze vond die foto, niet op zijn Facebookaccount dat zijn vrouw beheerde, maar op de LinkedInpagina van zijn bedrijf. Ze vermoedt dat hij die zelf heeft geplaatst, een beeld dat hij koos en koesterde. Waarschijnlijk is hij gemaakt net voor hij zijn hond, die aan kanker leed, liet inslapen. De straatgeluiden vervagen als zijn blik haar raakt: somber, door verdriet getekend. Het is geen pose, geen officiële weergave voor de buitenwereld, maar een weergave van de man die zij werkelijk kende. Veel meer dan de gladde foto op het rouwbericht toont dit beeld de ware Jules: ernstig, zwaarmoedig, en onmiskenbaar zichzelf. Hij kijkt haar aan. Alleen haar, alsof hij bij haar steun en troost zoekt voor de pijn.  Ze houdt van die foto. Misschien omdat hij niets verborg, geen rol speelde, maar zichtbaar, één laatste keer, zijn hond die hem dierbaar was, koesterde. ... Sinds ze het schrift begon te vullen, sluipt er langzaam vrede in haar. En dan, onverwacht, droomt ze voor het eerst sinds zijn dood over hem. Ze zijn in een station. Ze staan dicht bij elkaar, hand in hand. Hij vertrekt. Ze wil hem nog een kus geven, maar hij weigert, zonder verklaring, alleen die afwijzing. Hij verdwijnt in de mensenmassa, maar hun handen blijven verstrengeld. Als ze wakker wordt, is ze niet triest. Maar nu ze eraan terugdenkt, rollen de tranen over haar wangen. Hun verstrengelde handen voor een band die zelfs zijn dood niet kan verbreken. De geweigerde kus voor alles wat onuitgesproken is gebleven, voor het ongrijpbare en het treurige in hun relatie. Er is zoveel ongezegd, onbegrepen en onbevestigd gebleven. Zoals dat moment van afwijzing bij een afscheid, juist zoals in haar droom. Ze wilde hem omarmen, maar hij duwde haar resoluut weg, zonder uitleg. En zij, uit trots of uit gewoonte, stelde geen vragen. Hij gaf zelden uitleg. Misschien dacht hij dat zwijgen volstond, dat zij hem ook wel begreep. ‘Je intuïtie is goed.’ Maar dat was niet genoeg, niet altijd.

Hildegarde
0 0