Zoeken

De Crémant dik verdiend

Strijdlust in de Vogezen –Verslag van een driedaagse op 27,28 en 29 augustus 2011     De CREMANT dik verdiend     Het echte vertrek is zoals gewoonlijk voorzien aan de Mussepi in Katelijne. Fred heeft deze keer nog theoretisch examen van de scheidsrechterlijke kunsten en laat omstreeks 11.30h weten dat hij pas rond de klok van enen zal arriveren. Nerveus rij ik richting Berlaar waar Luc mij reeds opwacht en zijn blauwe DIAMANT naast mijn rode SPEZIALIZED op de fietsendrager achteraan mijn Peugeot 5008 monteert. We hebben nog even de tijd en halen in LIER nog een allergiepilletje op in de wetenschap dat wij veteranen zijn, die niet alleen vechten tegen verouderde spieren maar ook tegen kleine kwaaltjes. We stomen nu richting Katelijne en aangekomen doet Fred de deur open. Hij ploft zich op de enige beschikbare zetel achteraan en weg zijn we want het is nu 13.15h en we moeten ons in de buurt van Gérardmer aanmelden voor 19.00h om zondag rustig de start te kunnen nemen. We voorzien 460 km om tot daar te komen en omdat we geen enkele lange stop nemen arriveren we ook aan het bekende meer rond 18.00h, maar we moeten nu wel de plek vinden waar laatkomers zich nog kunnen aanmelden want de inschrijving werd eerder via het web gedaan.  Luc zit aan het stuur en we zien reeds borden van de organisatie met daarop “DEPART” en “ARRIVEE” maar de plaats van afspraak vinden dat is andere koek. Na wat ronddwalen vragen we een “oudere plaatselijke schone” om raad en wijst ons de weg naar het zogenaamde OCDVL, wat blijkbaar gans boven op een steil stuk voorbij de aankomstreep gevestigd is. Daar worden we vriendelijk ontvangen en krijg ik mijn eerder toegezonden bankcheque ongeschonden terug en betaal als compensatie in contanten het inschrijvingsgeld. Tevens leveren we onze medische attesten af als blijk van fysieke paraatheid. We hadden in feite nog een verkenning voorzien van de Col de la Schlucht maar gezien we tegen de klok van zeven lopen besluiten we hotel LA GRANDE CASCADE op te zoeken. Daar parkeren we onze auto in de lager gelegen parkeergarage waar ook onze fietsen veilig staan, maar we laten ze onberoerd op de fietsendrager want de garage gaat met het vallen van de avond  gewoon dicht. Het geeft een goed gevoel terug te komen naar een plek waar ik samen met Luc in 2005 drie dagen verbleef en een memorabele tocht langs de Route des Cretes maakte.    We hebben een kamer geboekt voor drie, kwestie van sfeerschepping, maar ook om geldverspilling tegen te gaan. Het tweepersoonsbed is opgemaakt voor de ‘leader of the pack’ en er zijn nog twee eenpersoonsbedden voorzien die Luc en Fred innemen. Er zit niets anders op dan het avondmaal te nuttigen in het restaurant van het hotel wat de hotelbaas het ‘restaurant panoramique’ noemt want het geeft uit op een wondermooi natuurspektakel.  Om krachten op te doen voor de dag die komt kiezen we allen voor een “entrecote maitre d’hotel”, maar de fritten laat ondergetekende in de keuken, want ofschoon wij deze keer opteren voor 90 km i.p.v. de lange en slopende “Ballons Vosgiens” van 155 km heeft onze ervaring geleerd een dergelijke opdracht vooral niet te onderschatten want deze keer willen we in één ruk naar de eindstreep rijden en dit binnen de voorziene tijdslimiet. Een toetje kan er nog wel bij want tenslotte worden er morgen duizenden calorieën verbrand; daarom bestellen we ook alle drie een ijsdessert en hou het zelf bij drie bollen met verse slagroom. Luc en Fred dronken tijdens de maaltijd een Pelforth Brune; ikzelf beperk mij tot een glas Pinot Noir, waar ik van hoopte goed te slapen, maar dat valt tegen want het grote bed wat blijkbaar voor mij gereserveerd was lag niet al te best en tijdens de nacht werd ik diverse keren wakker, maar vanaf ik het prille zonlicht door de rolluiken zie gluren verlang ik naar de fiets. Het ontbijt staat voor de ‘coureurs’ klaar in een aparte ruimte naast het eigenlijke restaurant, heel eenvoudig omdat het officiële ontbijt pas start om acht uur en dat is wat laat om het voedsel nog fatsoenlijk te verteren voor de start. Ondanks de slechte nacht maak ik mij met spoed klaar om rustig te kunnen ontbijten maar dat verloopt wat chaotisch want de warme drank dient getapt te worden in een aanpalend zaaltje, niet uit een vat maar wel uit een koffiezetapparaat waarin alles chemisch geprepareerd wordt. Uit voorzichtigheid neem ik een chocolademelk en eet ik kleine croissantjes en koffiekoekjes, alsook een yoghurtje. Luc gaat mij min of meer achterna en terwijl we ontbijten komen een heer en dame het hotel binnen om het echte ontbijt voor de andere gasten te prepareren; ze trekken de rolluiken op en het is nu duidelijk dat we in tegenstelling tot de regenachtige dag van gisteren een zonnige dag krijgen. Terwijl we ons intussen klaarmaken op kamer 8 van de eerste verdieping eet onze begeleider samen met de andere gasten in de gelagzaal. Wij trekken voor het eerst op een officiële wedstrijd het nieuwe wit-blauwe nogal koele plunje aan van de wielerclub, geassorteerd met zwarte broek. Zoals gewoonlijk masseer ik mijn benen met natuurlijke Kneipp-olie, wat ook tegen de koude beschermt want aan de start zal de temperatuur niet veel hoger zijn dan 10 graden. Als uitrusting draag ik net zoals Luc een truitje met korte mouwen maar met daarboven een windstopper zonder mouwen, kwestie van  makkelijk te kunnen anticiperen op temperaturen incl. de wind in de afdalingen. Het is nu circa kwart na acht en de temperatuur stijgt niet alleen buiten maar ook bij de veteranen van dienst. Zo vertrekken we met Fred aan het stuur voor een tochtje van 16 km tot aan het einde van het Gérardmer, waar we op een parking van een chique hotel ons posteren om gewoon uit te pakken, d.w.z. voor het eerst onze fietsen van de drager te halen en de banden onder zware spanning te zetten. Luc doet niet mee want heeft deze oefening thuis reeds voorgedaan. Ik vul ook mijn twee witte drinkbussen op het asphalt en stel gelukkig na minder dan 5 seconden vast dat er een wesp in een bus zit en giet de overtollige sportdrank meteen leeg. Ik neem dan maar een ander blikje dat ik verdeel over de twee witte drinkbussen en verleng de drank met water van het merk SPA; niet uit Hollandse gierigheid of schaarste wel omdat het dan beter te verteren is op de fiets. We rijden nu in zacht tempo naar de startplaats een kilometer verderop en schuiven gewoon aan bij de massa vertrekkers (naar schatting 600 à 700). We zien meteen naast ons een lokaal TV-station een interview afnemen van een voor ons onbekende deelnemer, een categorie waar wij ook toebehoren. Om precies 09.00h gaat de meute van start en het is dringen om te kunnen starten; het zal circa 2 minuten duren vooraleer de nummers 875 en 876 van start kunnen gaan. We zitten nog maar tweehonderd meter op onze fiets of Fred, die het  gepresteerd heeft om op een standbeeld te klimmen wuift ons  officieel uit. Wat we zeker weten is dat we tot aan de top van de eerste col geen auto zullen zien want het parcours is tot daar hermetisch afgesloten. De eerste kilometers halen we nog snelheden boven dertig per uur maar naarmate de klim nadert wordt het lastiger en dunt het peloton uit. Na zo’n zes en een halve kilometer begint de feitelijke klim van de Col de la Schlucht, een stevige col van tweede categorie in de TOUR, die in de gelijknamige Ronde voor het laatst werd beklommen in 2009, toen de aankomst in Colmar lag. Toen kwam de Spanjaard Ruben Perez daar als eerste boven voor Chavanel en Haussler, drie renners die ontsnapt waren uit het peleton. Nu vatten Luc en ondergetekende de klim aan en ik probeer de eerste kilometer op een iets grotere versnelling bergop te rijden maar dit negen kilometer volhouden zal moeilijk zijn, vandaar schakel ik terug naar 30X24, Luc heeft zich nu inmiddels op kop gezet maar het is voor ons beiden moeilijk om in het klimritme te komen; de ademhaling is nog niet afgestemd op de inspanning. Luc vraagt dan ook na vier kilometer om over te nemen wat ik ook doe als ‘co-equipier’. Ik ben niet in staat zoals Luc om constant een snelheid van 12 km per uur aan te houden maar het fluctueert eerder tussen 10 en 14. We rijden op de SCHLUCHT onder de bomen want de rotsen zijn hier volledig bedekt met groen en we rijden gans de beklimming met de rotsen aan de linkerkant en het dal, dat reeds in de zon ligt aan de rechterkant, het zicht is ook uitzonderlijk mooi maar daarvan kunnen wij moeilijk genieten nu. We horen nu nog alleen de versnellingsapparaten van de fietsen en de al of niet harmonieuze ademhaling van de renners want de col is helemaal afgesloten voor het verkeer. We bevinden ons uiteraard in de staart van het peloton waar het niet druk meer is. Plots zie ik het bord “La Roche du diable” en dit geeft moed, niet alleen vanwege het panoramisch zicht wat historisch is omdat het rijpad daar als het ware uit de rots gehouwen is maar ook vanwege het feit dat het nu minder steil is en we dus het tempo kunnen verhogen. De eerste klim zit er virtueel bijna op en laat Luc even voorbij rijden om Fred te kunnen bellen die niet rechts van de baan te zien was waar de rotsroute de eerste keer een weg kruist. Blijkbaar was hij opgehouden door de Gendarmerie en hij komt dan ook een minuut later dan verwacht ons voorbij gestormd. We draaien nu rechtsaf de “Route des Crêtes” op voor een zwerftocht van 22 km want het is afwisselend klimmen en dalen want de Col du Markstein ligt op circa dezelfde hoogte dan de Col de la Schlucht. Het tempo varieert dan ook meestal tussen 15 en 50 km per uur. Deze interval oefening kost wel veel krachten ; daarom stoppen we na een paar kilometer verder bij onze gids, die zelf dit decor vorig jaar omdoopte tot een Bijbels landschap. Het is de gelegenheid om samen met Luc de tocht verder te zetten want een gat dicht rijden van 100 meter op dit parcours is voor een veteraan niet zo evident. Ikzelf maak een plas en neem twee slokken van een colaatje om wat extra suikers in te slaan. Het blijft ondanks de zon aan de horizon toch relatief koud op deze hoogte en dat voel ik aan mijn oude spieren. Niet de spieren maar mijn linkerknie heeft blijkbaar last van de koude maar de wedstrijd is volop aan de gang en Luc dicteert weer het tempo ofschoon we af en toe naast mekaar rijden op wat men meestal vals plat meent te noemen. Ondanks het voortdurend schakelen hebben we de indruk dat we terrein winnen op de tegenstand. We merken dat ook op onze fietscomputer dat we goed  binnen ons tijdschema zitten en dat geeft ons moed. We trekken uit enthousiasme het tempo nog op als we in de verte de top van de Grand Ballon zien, waarvan Le Markstein het voorgeborchte is.  Na precies 1 uur en 52 minuten arriveren we samen aan de bevoorrading op Le Markstein, we pikken een schijfje appelsien en een koekje mee en zetten de rit verder; na enkele honderden meters merk dat mijn valhelm nog bij Fred in de auto ligt, maar die komt er na enkele seconden aan, zodat ik de afdaling richting Kruth kan verder zetten. Ik rij nu Luc voorbij want afdalen blijft een gevaarlijke sport en afstand houden is hier de boodschap. In een recht lang stuk geef ik nog wat extra trapkracht en mijn boordcomputer zal achteraf dan ook 68,9 aangeven als topsnelheid; meer dan zeventig per uur is hier moeilijk vanwege de minder steile afdaling. De organisatie en beveiliging van deze “cyclo” zit goed want gans beneden gekomen staat er een horde ordehandhavers klaar om mij de richting aan te geven; ik draai rustig rechts af en milder het tempo in afwachting dat Luc er zo aankomt. Na driekwartminuut is het zover; Luc komt eraan gesneld en we rijden rustig richting  Wildenstein, een voor ons beiden uiterst bekend oord. De zon is er nu helemaal en net voorbij het meest rudimentaire hotel uit de streek begint de klim. Ik heb mijn windstopper nog aan maar deze staat nu open want Luc neemt een egaal tempo van 11 per uur aan wat vrij veel is want het gaat om een zeer homogene klim van boven de 6% op een uitstekend wegdek. Na de aanloop komen we kilometerpaal 13 tegen, waar we net boven de 700 meter zitten of nog bijna 300 hoogtemeters te gaan. De mooi opeenvolgende haarspeldbochten maken van deze col de parel van de Vogezen, zoals collega’s professionele schrijvers deze col noemen. We zitten gezwind in het tempo dat steeds door Luc gelijkmatig wordt aangehouden maar ikzelf drink van de tweede bus want de eerste,is ondanks aanvulling bij de bevoorradingspost op Le Markstein inmiddels leeg.  Nog 100 meter roept Fred, die deze keer ons langs de weg aanmoedigt, maar hij bedoeld hoogtemeters, wat toch nog circa  twee kilometer betekent; bijna tegelijkertijd gaan de flitsen van de camera’s aan want de organisatie heeft ervoor gezorgd dat alle belangrijke momenten worden vastgelegd op de digitale plaat. We trappen nu nog een fractie harder want in tegenstelling tot vorig jaar is de spreekwoordelijke kaars nog  niet uit op de Bramont; de top is na het bord van 950m in zicht en Luc neemt symbolisch als eerste de top en duikt daarna de drie kilometer steile afdaling in want de andere kant is nog steiler en dat voel je goed, het gaat nu boven de 60 per uur zonder één pedaalstoot en beneden draaien we rechts richting Col des Feignes wat een lang stuk rechte weg is wat langzaam bergop loopt. Onderweg geef ik mij windstopper aan Fred en zet de achtervolging in op Luc, waarin ik ook slaag maar de linkerknie voelt alsmaar pijnlijker aan terwijl ik contradictorisch genoeg de vermoeidheid in de benen niet voel. Met de tweede bevoorrading van de dag in zicht laat ik Luc even rijden en rij rustig naar Fred, die ons aldaar op wacht. Ik vul mijn bus, deze keer met onversneden sportwater en rij samen met Luc weer weg. Na tweehonderd meter komen we feitelijk op de top van de col en nu dalen we af op een brede baan richting Lac de Lispach, waar een oase van rust heerst omdat het gewoon in een natuurgebied gelegen is; deze rust wordt onderbroken door een groep van tierende tienermeisjes die ons luidkeels aanmoedigen, wat een mens altijd goed doet. Van enthousiasme trap ik wat harder en zit ik Luc opnieuw op de hielen. Ik veronderstelde onder het bruggetje na het meer rechtdoor te kunnen rijden maar dat was mis gedacht want we moeten rechtsaf waar plots een steile klim voor ons opduikt. Luc heeft zelfs de indruk dat er stukken inzitten van dicht tegen 20%; het lijkt in ieder geval zo en spreek af met mijn trouwe ploegmaat dat we ieder ons eigen tempo rijden want de aankomst ligt nu op minder dan 10 kilometer van ons verwijderd. Ik wil mijn pijnlijke knie absoluut sparen en rij nu dus op mijn kleinste versnelling naar boven. De warmte begint nu meer en meer zich van ons meester te maken en gelukkig heb ik nog wat drank op overschot en laat vooral mijn rechterknie het werk doen. Ik merk nu dat we op het laatste stuk van de Col du Grosse Pierre zijn aanbeland, een lange brede weg, die zal leiden tot de laatste top van de dag, die op 955 meter ligt. Ik wurm mij letterlijk naar boven want de pijn in de knie is nu nauwelijks te harden, maar de aankomst is in zicht dus zet ik door, zelfs in de gevaarlijke afdaling, die wordt afgebroken door een horde veiligheidsmensen, want in plaats van naar beneden te rijden tot aan het eigenlijke meer moeten we rechtsaf draaien richting hoger gelegen aankomst. Nog enkele pijnlijke bulten en dan zie ik de rechte lijn voor mij, de eerste keer ooit dat ik de aankomststrook nader en na een kort spurtje met aanmoedigingen van Fred onder de opgetrokken boog doorkom. Ik val Fred in de armen en zie Luc terug, die er een tijdritje bergop van gemaakt heeft want hij is 5 minuten voor mij afgeklokt.  Een prachtige prestatie van deze doorzetter, die dat illustreert door de wil om met de fiets naar het hotel te willen rijden. We blazen eerst wat uit en schuiven aan voor de maaltijd, aangeboden ten behoeve van de overlevers van de BALLONS VOSGIENS 2011. We hebben Fred, zoals het hoort ook ingeschreven voor de sportmaaltijd en schuiven aan in een lange rij, maar de organisatie is behoorlijk goed want ook dit onderdeel hebben ze onder de knie. We krijgen een voorgerecht met groenten en uiteraard als hoofdschotel “spaghetti bolognese” en ook nog een dessertje in de vorm van een stuk appeltaart. De sfeer zit er goed in; we eten rustig en geamuseerd de borden leeg en genieten van het vakantiesfeertje wat er hangt. We hadden s’ochtends afgesproken samen met de fiets naar het hotel te rijden, zo’n 18 kilometer ver, maar met mijn  knieperikelen geef ik forfait. We stappen samen naar mijn Peugeot, waar Fred het stuur neemt en rustig afdaalt richting Gérardmer. We zijn dus benieuwd of Luc het meer reeds voorbij is; maar dat blijkt een zware onderschatting van Luc zijn conditie want net voor we rechts afdraaien richting Le Tholy, zo’n zes kilometer van het hotel passeren we Luc; hij heeft ons dus wel een neus gezet. Daarmee is het sportief onderdeel van ons verblijf in de Vogezen afgelopen, maar we moeten ons nog wel verfrissen vooraleer we het burgerleven induiken. We nemen één voor één een verfrissende douche en ik merk dan ook dat mijn benen toch te lijden hebben gehad onder de zon. Maar het doet deugd en van vermoeidheid is nauwelijks sprake. We rijden dan ook een uurtje later zonder onze fietsen richting Gérardmer, waar het bovendien kermis is. We drinken enkele glazen bier op een terras in de Rue Francois Mittérand en de straatnaam geeft duidelijk aan dat de staatsman geboren was in 1916 en op 80-jarige leeftijd overleden in 1996. We wandelen zoals het goede Vlamingen past over de “Kermesse” en ook daar zien we kramen met snoepgoed, schieten op ballontjes, viskramen die ik zelfs voor geen EURO zou overnemen en oh ja botsautootjes voor de allerkleinsten. We besluiten nog een glas te drinken in LA BRESSE, het meest bekende skioord in de Vogezen. Daar drinken we op de hoek in een groot etablissement dat sinds mijn laatste passage met Monique een andere naam gekregen heeft buiten op het terras nog een glas, positief terugkijkend op de dag die voorbij is. We passeren bij het terugkomen nog de laatste 5 kilometer van het parcours. S’anderendaags passeren we de eerste Col van de sportzondag nogmaals, maar dan met de auto want via de Col de la Schlucht rijden we richting Soulzmatt, een dorp waar zowel Luc als ondergetekende goede herinneringen aan hebben. Reeds in 2004 tekenden de toen nog iets jongere veteranen voor de eerste keer present in La Vallée NOBLE, het meest respectabele hotel uit het zuiden van de 175km lange ROUTE DU VIN. Toen reeds hadden wij kennis gemaakt met het dorp en zijn wijnbouwers. Net voor en na onze tocht over de GRAND BALLON hadden wij toen het CHATEAU WAGENBOURG bezocht en voor de eerste keer hun PINOT GRIS geproefd. De dame des huizes, die intussen bijna een vriendin van de familie geworden is was toen ook al present om de honneurs waar te nemen en dat werd ook digitaal vastgelegd. Maar nu arriveren wij na bijna een uur rondzwerven tussen Vogezen en Elzascols aan het beruchte kasteel waar de familie KLEIN sinds 1610 wijn produceert. We drukken de dame des huizes uiteraard vriendelijk de hand maar verzoeken meteen, maar niet zonder enige aandrang vanwege de commerciële slagkracht te starten met de degustatie van de CREMANT D’ALSACE 2009.  De aangetrouwde dame, want haar man is de afstammeling van het vermaarde geslacht drinkt samen met de driemusketiers uit Vlaanderen mee en wij beschouwen het als de spirituele bekroning van deze driedaagse. Maar we besluiten toch nog een aantal specialiteiten zoals de MUSCADET en de GEWURZTRAMINER te proeven, zodat de eigenaar van de ‘voiture’ nog wat extra aankopen doet voor zichzelf en een goede vriend uit Reet.  Met een gezamenlijke foto nemen we afscheid van de kasteeleigenaars tot volgend jaar. Maar wanneer we komen hangt af van de conditie van het veteranenvolk.        Eddy Lambrechts Lier, 18 September 2011 COPYRIGHT GCV LAMBRECHTS

Eduard Lambrechts
0 0

Bom Dia

In Portugal, Italië of Spanje stap ik onder een stralende zon in het vliegtuig en in ons land stap ik er onder de ‘drache nationale’  weer uit. Het waren de woorden van een bevriend zakenman die er aan toevoegde dat het tijd werd  om een beslissing te nemen.  Met wat de fiscus hem hier afhandig maakte kon hij in Portugal een riante villa kopen. Een tijdje later voegde hij de daad bij het woord. Om ter plaatse naar een geschikt onderkomen op zoek te gaan, huurde hij in de winterperiode een vakantieverblijf. Het optrekje was een enorme villa met een zevental kamers en badkamers en een zwembad.  Inbegrepen in de huurprijs  was ook een bediende die er dagelijks kookte en de was en de plas deed. Wij kregen al snel een aanbod dat wij niet konden weigeren om met  onze twee dochters enkele weken het gure decemberweer in ons landje te ontvluchten. Ter plekke begeleidden wij onze vrienden soms bij hun zoektocht naar een geschikte woonst.  Het was de periode dat vele Engelse grootgrondbezitters en eigenaars de biezen namen na de politieke omwenteling in het land.  Gewiekste advocaten, een soort surrogaat-notarissen, verkochten er eigendommen  tegen tien keer de prijs die je zou betalen als je rechtstreeks van de eigenaar kocht. Maar er was dus die Portugese ‘ajuda doméstica’, die naast het opdekken van de bedden en het schrobben van de badkamers en vloeren , ons ook dagelijks deed genieten van haar kookkunst. Erg verfijnd was die niet, want ze had voor een langere periode een soort tomatensaus bereid, die elke dag opnieuw werd geserveerd.  Maar er  was ook dagelijks verse vis.  Overheerlijk, het leek wel of die rechtstreeks vanuit de zee in haar keuken was aangespoeld. Als deze lieve ‘faxineira’  toekwam  en wij aan de ontbijttafel zaten klonk er steeds een luide begroeting: ‘Bom dia’. Af en toe hoorden wij hoe ze tijdens het werk liedjes zong.  Ze legde uit wat ‘saudades’ betekent , het Portugese begrip  voor heimwee of zielesmart, die zo prachtig vertolkt wordt in de fado, de nationale zangkunst of  het levenslied. Wanneer wij al een tijdje terug  waren in het druilige vaderland vroeg onze jongste dochter: ‘Hoe zou het nog met Bomdia zijn?’  Dan bleek  dat ze dacht dat het de naam was van de Portugese mevrouw die de kook en plas deed. Nadien hadden we  zelf een aantal werksters en huishoudhulpen van Braziliaanse afkomst die wij tot hun groot jolijt, steevast Bomdia noemden.   Een van hen zong ook regelmatig tijdens het werk maar het voorstel om een cd met fado’s op te leggen  wimpelde ze af. “ Veel te triestig”, zei ze: “deze Bomdia zingt liever de Samba!”   

Vic de Bourg
9 1

7 zekerheden die elke vliegreis een hel maken

Ik maakte onlangs nog eens de cruciale fout om mij een half etmaal lang vrijwillig te laten opsluiten in een ijzeren cabine waarin de scheten van 200 vervelende mensen nijdig door de lucht snijden. Wanneer je zo om de halve minuut geconfronteerd wordt met de luchtvervuiling in vliegtuigen, besef je wel dat die Greta Thunberg meer is dan een schoolmoe trollenkind dat pas op haar 40ste ontmaagd zal worden door een zelfgeteelde courgette in haar stoffige vagonder te duwen. Soit, excuses genoeg om mij te verlagen tot het summum der clickbait: een lijstjesartikel. Laten we samen negeren dat zowel jij als ik ver boven dit type geschreven rioolentertainment staan, want hier zijn ze: de 7 kankers die op geen enkele vliegreis ontbreken. 1. JE BUUR DIE ZICH LAM ZUIPT MET GRATIS GIN-TONIC Je bent blij want je vertrekt op reis, iedereen is netjes gaan zitten en het lijkt erop dat je buurman níét stinkt, géén behoefte heeft om je de komende 12 uur beter te leren kennen en géén machtsspelletjes speelt om de armleuning. Voor wie nog nooit gevlogen heeft: dit is even zeldzaam als de Lotto winnen op een dag dat het niet regent in België en de banken al meer dan twee maand de rente op de spaarrekening niet hebben verlaagd. Maar terwijl je dat denkt, komen de stewardessen en die ene zwarte, gay steward met een beperking – drie quota in één klap – langs om te vragen wat je wil drinken. Je buurman checkt of gin-tonic gratis is en begint zo aan het plezantste vliegavontuur van z’n leven. 7 gin tonics, 1,5 Ben Stiller-film en 5 toiletbezoeken later heeft die klootzak niet alleen de armleuning, maar ook je kussen, dekentje en linkerschouder ingepalmd. 2. NET NIET KNAPPE STEWARDESSEN DIE ELK KWARTIER LANGSKOMEN Het is duidelijk: tijdens de eerste les op de vliegtuigschool leren ze dat je je passagiers nooit langer dan 15 minuten aan een stuk gerust mag laten. Kijk, ik zit hier een halve dag vast, laat me dan alsjeblief die tijd benutten door zo veel mogelijk films te kijken op een crappy scherm, dat één keer op drie reageert op mijn aanraking, en geluid enkel in mono afspeelt door m’n koptelefoon van 400 euro. ‘Gaan we niet laten gebeuren,’ denkt het luchtpersoneel. Een film kijken op het vliegtuig is als een blockbuster zien op VIER, waarbij de 11 reclameblokken vervangen worden door dames die gemaquilleerd zijn als drag queens en komen vragen of je in de laatste 5 minuten wél dorst hebt gekregen. En, wat je het liefst wilt: de gewone maaltijd die naar stront smaakt of de vegetarische maaltijd die naar stront smaakt. Wat ons naadloos bij het volgende punt brengt. 3. RANZIG VLIEGTUIGETEN Snack hier, lunch daar … Ik zal wel te dom zijn om te beseffen dat je met het uurverschil eigenlijk twee dagen mist en daarom 6 keer eten moet krijgen tijdens je vlucht. Allemaal sympathiek dat dit gratis inbegrepen is in mijn vliegticket van 1.000 euro, natuurlijk. Maar moet dat eten ook echt zo’n degoutante, vormeloze berg kak zijn? Om nog te zwijgen van die zure stank die al door het hele vliegtuig trekt wanneer ze die shit aan het microgolven zijn. De eerste maaltijd zijn eieren, champignons, brood en confituur. Ik zweer het je dat ik geblinddoekt niet had kunnen zeggen wat wat was. Tegen de tijd dat ik eindelijk door de korst van m'n – volgens mij – broodje raak, heb ik ongewild al 3 plastic messen door het vliegruim gekatapulteerd. Om na de eerste beet al dat eten in nog vuilere versie terug te ruiken wanneer de lucht in die bagger al door het darmkanaal van de eerst bediende passagiers is gereisd. Geloof me, de term ‘vliegend schijt’ is een unicum in de Nederlandse taal omdat hij zowel de vliegtuigmaaltijd op zich, als dat wat meteen volgt na het eten ervan beschrijft. 4. DE HUILENDE BABY Dat alles speelt zich af terwijl op de achtergrond een baby, die eruitziet als een obees weerwolfjong met psoriasis, al vanaf de eerste minuut door alle noise cancelling headphones heen de longen uit z’n borstkas krijst. Ik bestel ondertussen ook een gin-tonic en stop de stewardess 20 euro toe om ‘m rechtstreeks in de open bek van dat monsterkind te gieten. Vastbinden in het onderkoelde bagageruim, eruitgooien zonder parachute of door de vliegtuigmotor blenderen? Ik weet niet wat we het best doen met ouders die beslissen om de vlucht voor iedereen te verpesten, gewoon omdat ze het niet konden laten zich voort te planten én zichzelf een reis te gunnen. Wanneer papa met kind op de arm voor de 79ste keer passeert en met een halve glimlach om wat begrip vraagt, gebaar ik met m’n vierde plastic mes over m’n keel. En zoals het altijd gaat, zal die volgepapte schilferwolf een kwartier voor we landen ineens op wonderbaarlijke wijze z’n muil houden. 5. HET ZETELDILEMMA Maaltijd één van zes is nog geen 30 seconden afgeruimd of het is zover. De fucker voor je legt z’n stoel zó plat dat hij een hoofdmassage verwacht te krijgen. Voor je goed doorhebt wat er gebeurt, hangt er een pluk dik zwart krulhaar op 5 cm van je neus en zit je vastgeklemd tussen je stoel en je tafeltje, terwijl je knieën hardnekkig proberen niet binnenstebuiten te plooien. De beenruimte die er om te beginnen al niet was, is er nu nog nieter. Bijgevolg sta je voor het dilemma: doe je je achterbuur dominogewijs hetzelfde aan en word je de eikel die je verafschuwt of wacht je tot je buur voor je slaapt en sla je hem dan zo hard op zijn oor dat z’n zetel automatisch terug vooruit springt en hij de komende uren gedesoriënteerd blijft zitten, te angstig om nog iets anders te doen dan ademen. Naast me merk ik dat mijn vrouw voor een derde optie gekozen heeft die bestaat uit om de 5 minuten tegen de stoel boksen, vergezeld van een ‘wat the fuck?’, ‘godverdomme!’ en ’echt waar, mongool!’. 6. VLIEGTUIGMODUS Het is 2019. Er bestaan auto’s die zonder chauffeur van hun parking naar ons toe kunnen rijden. Ik betaal mijn boodschappen in één seconde met mijn horloge. Twee minuten voor ik thuiskom gaan de lichten aan, springt de verwarming op en begint de radio te spelen. Het is dan ook niet bizar dat ik op 10.000 meter hoogte kan googelen, youtuben en instagrammen alsof ik op een familiefeest zit. Het probleem is dat dit niet zo is. Want als je niet binnen de 200 milliseconden na het aan boord gaan connectie hebt gemaakt met de wifi, raak je er sowieso niet meer op. Met een beetje geluk, slaag je er toch in en kan je 10 minuten naar je scherm staren terwijl de startpagina van de vliegmaatschappij vol duty free, maar onbetaalbare vliegtuigwinkelbrol geladen wordt. Gelieve hier rekening mee te houden voor je een nier afstaat om 250 megabyte data te krijgen. En wat is dat trouwens met die vliegtuigmodus? Waarom moet ik al mijn technologie uitzetten? Heeft er al ooit iemand een vliegtuig laten neerstorten door nog snel de obligate ‘ik ben weg, fuckers!’-foto op Instagram te posten? De helft van de passagiers vergeet dit, de andere helft doet dit gewoon niet, en de andere helft wil wel, maar is te achterlijk om te weten waar ze dat juist doen. De vierde helft leest dit en vraagt zich terecht af in hoeveel helften je dingen eigenlijk kan verdelen. 7. HET APPLAUS We zouden hem bijna vergeten. Die ene idioot die zo onder de indruk is dat hij begint te klappen omdat de piloot ons levend heeft weten te houden tot na de landing. Maar waarom het daarbij laten? Want onze bestuurder heeft per slot van rekening het uiterste minimum van z’n takenpakket goed afgerond. Klim uit je stoel en geef die man een staande ovatie. Overlaad ‘m met slipjes en gsm-nummers! Als je maar lang genoeg ‘we want more’ blijft roepen met de hele cabine, doet hij misschien nog een extra rondje met een looping of twee. En vergeet zeker de fooi niet, want naar ik heb horen zeggen flirt het loon van piloten met de minimumgrens. Maar goed, wie klappen wil, kan klappen krijgen. Ik zal de eerste zijn om de handjes op mekaar te zetten voor wie die applausmeester vanuit het gangpad tot een overgare vliegtuigmaaltijd mept. Dat alles terwijl er van enthousiasme een lauwe ruft uit m’n achteruitgang glipt en zich samenvoegt bij de rest van de dichte scheetmist in het ruim. In de volgende editie: 57 redenen waarom ik ervan hou om als een terrorist behandeld te worden aan de Amerikaanse grenscontrole.

Hans Verhaegen
55 1