Zoeken

Is er daar nog iemand in leven? Titanic, een essay over de Atlantische Oceaan. Romantiek in een postmoderne wereld.

http://www.imdb.com/title/tt0120338/quotes https://plato.stanford.edu/entries/postmodernism/#6   Toen Titanic in 1912, op een bitterkoude lentenacht, voor het eerst zijn neus letterlijk aan het venster stak, moet dit voor de aanwezige toeschouwers redelijk postmodernistisch hebben geleken (rekening houdend met de beperkingen van mijn menselijk voorstellingsvermogen). Hun schip van (westerse) dromen, eerst naar de bovenlucht en vervolgens (toen het soortelijk gewicht van diezelfde dromen ondraagbaar werd) ten gronde gericht. Het merendeel van diezelfde toeschouwers dreven echter, in hun redelijk comfortabele reddingsbootjes, vanzelf terug naar hun modernistische welvaartssamenleving. Meer nog, de morgen zag er voor hen nog veel Amerikaanser en rooskleuriger uit. Voor de meer betrokken acteurs moet het werkelijk een andere ervaring zijn geweest. Of zagen zij de werkelijkheid dermate onder hun voeten weggetrokken dat het ook voor hun een droom werd? Een droom waaruit sommigen nooit meer wakker zouden worden? Of was de dood in dit geval een beter vooruitzicht dan het proberen overleven? Waarom bleven zovelen onder hen dan vergeefs spartelen? Hadden ze ooit anders gedaan? Was de ervaring voor de toeschouwers dan wel zo geruststellend? Zagen ook zij hun vertrouwde wereldbeeld niet even als een warme sprei van hun tengere ledematen weggetrokken? Of was het net een aanvaring met een veel grotere maar ontkenbare waarheid? Een waarheid die ze net iets minder makkelijk zouden wegknipperen? Of een bevestiging van hun overmacht? Als zelfs een ijsberg hun niet kon overwinnen? Waarom was de Titaan dan net gezonken? En waarom zonk hij net in 1997 opnieuw?  Welke dromen werden toen als een ijsschots verbrijzeld? Welke dromen werden toen net weer in volle glorie onthaald als het schip zelf meer dan tachtig jaar geleden? Waarom duikt de mens naar zijn verleden? Omdat het hem blijft vervelen of omdat hij nood heeft aan een herwaardering van zijn leven? We onderzoeken het aan de hand van quotes uit de betreffende blockbuster. Robert Hitchins: You don't understand. If we go back, they'll swamp the boat, they'll pull us right down, I'm tellin' you! Molly Brown: Knock it off. You're scaring me. C'mon girls! Grab an oar, let's go! Robert Hitchins: Are you out of your mind? We're in the middle of the North Atlantic! Now do you people want to live, or do you want to die? Molly Brown: I don't understand a one of you. What's the matter with ya? It's your men out there! There's plenty o' room for more! Robert Hitchins: And there'll be one less on this boat, if you don't shut that hole in your face! Kierkegaard beschrijft de moderne samenleving als een netwerk van sociale relaties waarin individuen worden geordend in een abstracte verschijning, “het publiek”. Individuen echter, oppert Kierkegaard, kunnen nooit worden verenigd in een werkelijke gebeurtenis. In die zin is de samenleving een verwerkelijking van abstract denken geworden, verenigd door een kunstmatig medium sprekend voor iedereen en niemand. We kunnen het ons enkel proberen voor te stellen. Vele jaren later wijst Titanic ons nog steeds op de beperkingen van dat vermogen. Evenveel jaren later, verscheurt het ons echter niet meer. Titanic was een vreselijke gebeurtenis. Zelfs over de onrechtvaardigheid ervan, lijken rijk en arm het vandaag eens. We zijn het kunstmatig medium geworden. Maar wat als er vandaag wederom een Titanic zinkt? Zal hij dan nog tot iemand spreken? Vermoedelijk wel. Hij zal tot ons spreken als in een reddingsbootje op meer dan veilige afstand, als een blockbuster in de bioscoop. De beperking van ons voorstellingsvermogen is dat we onze beperkingen niet kunnen voorstellen. Onze geest is een Europa geworden, schijnbaar onbegrensd, en later een oceaan, een werkelijk niemandsland dat evenzeer wordt onderverdeeld. Voor Marx, anderzijds, verliezen voorwerpen hun werkelijke waarde door hun ruilwaarde. Dit is de ontwerkelijking. Een voorwerp vergaat het dus als zout water: het heeft geen werkelijke waarde, maar wordt “geabsorbeerd in het netwerk van sociale relaties”. Hierdoor “verliest het zijn identiteit”, ‘verwatert’ het. Nietzsche merkt op dat het onderscheid tussen de werkelijke en de schijnbare wereld verloren is.  Enkel Dionysus, de God van de huivering, kan de vervreemding van de natuur doorbreken. Wetenschap is gegrond in bevroren Apolloniaanse voorstellingen. Maar wat als de natuur op zich evenzeer een ijsberg wordt? De Titanic was, meer dan een aanvaring tussen de voorstellingen van de geest en de schijnbaar huiveringwekkende natuur, de innerlijke verscheuring van ons schip van dromen. Niet zozeer onze voorstellingen waren bevroren, maar de natuur waarin we ons verkeerden. Dat maakte de natuur die nacht dermate huiveringwekkend. Ze wees ons, in haar wetmatigheid, op de beperkingen van ons eigen redeneer- en voorstellingsvermogen. De natuur had, ook vele jaren na de geboorte van de mens, nog steeds gelijk. Het schip van dromen stierf een schreeuwachtige dood op de Atlantische Oceaan. Of was het toch een menselijke fout? Wat huiveringwekkender is, is dat de natuur die nacht zo min nodig had om zo genadeloos te straffen. Dat is exact het menselijk leven, met een dermate kleine foutenmarge. Sommigen echter, lijken hieraan keer op keer te ontkomen, “en het zijn niet toevallig steeds dezelfde”. Dat is wat rijkdom oplevert, de beperking van de foutenmarge. Maar in elk geval worden er anderen voor geslachtofferd. Mensen(!) spartelden tot ter dood omdat anderen meer op hun dek zouden kunnen paraderen. De waarheid van Titanic bleef dat op het schip van dromen, een minderheid kan overleven. Old Rose: It was the ship of dreams to everyone else. To me it was a slave ship, taking me back to America in chains. Outwardly, I was everything a well brought up girl should be. Inside, I was screaming. Ook arbeiders ervaren deze ontwerkelijking, oppert Marx, omdat de voorwerpen product zijn van hun arbeid. Ze verliezen hun natuur in het verwerkelijken van zichzelf. Dit is het moment om Titanic even achter ons te laten en niet vergeefs het verleden proberen op te duiken. Arbeiders en moderne slaven zagen inderdaad ergens ver weg van huis hun werk en/of leven verloren gaan, terwijl het merendeel hun moderne meesters deze slag zou overleven. Maar was het echter nooit hun werk geweest? Ik ben overtuigd van wel. Laten we van Titanic vooral géén reddingsbootje maken! Wederom worden we gewezen op onze beperkingen (maar evenzeer op de mogelijkheden hiervan). De moderne arbeider is meer dan een timmerman. Hij is een prachtvoorbeeld van gezamenlijke kracht. Titanic werd niet gebouwd door een verzameling van moderne slaven, maar door één vakman, de moderne arbeider. Zelfs de grootste systeemdenkers maakten de menselijke fout de samenleving als een Antiek profeet met een ijsberg te bedreigen en ze vervolgens achteruit te laten keren. Daarom is dit meer dan verkoperspraat, in een samenleving waar ruilwaarde heerst, speelt de arme evenzeer poker, maar worden winnen en/ of verliezen een even tastbaar iets. Onderwerp je overtuigingen dus nooit aan hun ruilwaarde voor (on)rechtvaardigheid. (On)rechtvaardigheid wordt, zoals de ruilwaarde, door de rijken bepaald. Zoek evenmin naar een vertrouwd wereldbeeld op bitterkoude lentenacht. Verlaat deze wereld als een vuurpijl die die lucht inschiet. Als je schip van dromen zinkt en ieder reddingsbootje je achterlaat, spartel dan niet verder in zelfmedelijden, maar bestijg het zinkende schip en spring op het juiste moment. Schenk je laatste hoop aan de vrouw van je dromen en sterf. Maak van een willekeurig moment dat van jou. Overheers de wetmatigheid van de natuur door je overlevingsdrang op een stuk hout aan te bieden. Wat ben je echter met een Jezusmoraal als je letterlijk crepeert van de koude? Jezus had toch het vooruitzicht op een net iets warmere hemel? Op dergelijk moment is die moraal het enige wat je hebt. En wat dan gezegd van Rose? Waarom moest die rijke trut dan wel overleven? Rose: I love you, Jack. Jack: Don't you do that, don't say your good-byes. Not yet, do you understand me? Rose: I'm so cold. Jack: Listen, Rose. You're gonna get out of here, you're gonna go on and you're gonna make lots of babies, and you're gonna watch them grow. You're gonna die an old... an old lady warm in her bed, not here, not this night. Not like this, do you understand me? Rose: I can't feel my body. Jack: Winning that ticket, Rose, was the best thing that ever happened to me... it brought me to you. And I'm thankful for that, Rose. I'm thankful. You must do me this honor. Promise me you'll survive. That you won't give up, no matter what happens, no matter how hopeless. Promise me now, Rose, and never let go of that promise. Rose: I promise. Jack: Never let go. Rose: I'll never let go, Jack. I'll never let go. I promise. Jack stierf een gelukkig man. Al was het maar bij één iemand (en dan nog wel de vrouw van zijn dromen) en die verduivelde Molly Brown gebleven, heeft zijn onrechtvaardigheid iemand overtuiging gegeven. Niet in ruilwaarde, Rose zou hem en zijn dood heugen voor haar nog lange leven, maar wel evenveel als Rose hemzelf teruggaf. Zij had hem namelijk hoop gegeven, toen hij haar voor het eerst zag, en nu meer dan ooit. Dat was op zich al een revolutie voor een anders zo vertrouwd wereldbeeld. Toen Titanic in 1997 wederom zonk, gebeurde dit om dezelfde reden. Er was nood aan hoop. Deze keer, echter, was de wereld niet verscheurd, maar verbrijzeld. Waarom kon de liefde, en ik spreek het woord voor de eerste keer uit, dit lijmen? Voelde de mens zich in 1997 zo verloren dat hij de liefde als laatste hoop zag? Ik ben overtuigd van wel, en nog steeds. Gelukkig dreigt niet voor iedereen de verdrinkingsdood. Vandaag worden de ijsbergen echter gesmolten. Wat gebeurd er met de wereld als hij verandert in zout water, in niemandsland? Zal dan er dan nog een held zijn die zijn overlevingskansen slachtoffert voor een andermans welvaart? Het gebeurt dagelijks. Het gebeurt evenzeer dat mensen hier over de rand van haar westerse schip van dromen willen klimmen. Rose wou zich slachtofferen voor de hypocrisie. Jack wou haar belonen voor haar overmoed. Als toeschouwer van Titanic voel ik mij minder eenzaam als drenkeling in deze oceaan van mensen. Niet iedereen staat echter met zijn rug tegen de muur zoals Rose. Niet iedereen heeft de hand van Jack nodig om terug over de rand te klimmen. Evenmin staat voor iedereen van ons een reddingsbootje klaar. Het zal eerder een cruiseschip zijn. Waarom voelen we ons dan drenkeling? Omdat we het verleden opduiken tot we niet meer boven water zullen komen. Liefde is werkelijk, daar moet geen schip voor zinken.

Robijn Bodijn
33 0

Hoofddoek bij de politie... een andere opinie

In het virulente opiniestuk « Geen hoofddoek bij de politie ? Eerst maar eens die blinddoek afzetten” in De Morgen van 22 mei 2017 wijst Yasmien Naciri op irritante manier en met polariserende vinger op het zoveelste hoofddoekendebat in België (nummer 384 by the way), op de neutrale positie van de overheid en dat uiteindelijk uitdraait op het nutteloze 385ste hoofddoekendebat.   In het stukje staan voor mijn vrijzinnige en vrije ogen veel tegenstrijdigheden, ongemakkelijke onwaardigheden en her en der merk ik een zorgwekkend gebrek aan kennis van de wetgeving, of zelfs wat er in het verleden van het Belgische volk geleefd heeft; misschien ook gebrek aan empathie voor de maatschappij waarin zij leeft – wat an sich in het échte debat niet telt -, met als resultaat een populistisch aaneenrijgen van ingebeelde jacht-op-moslim, valse waarheden en een onbeduidend opjagen van zij tegen ons.   Doorheen het gezeur van het opiniestuk heeft Naciri wel een punt waar ze allicht achterstaat maar dat lees je niet in haar column, nl. dat het artikel 9 van het EVRM (Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) duidelijk de fundamenten van godsdienstvrijheid uittekent en waar ik zelf als vrije en vrijzinnige burger volledig achter sta. In Artikel 9 staat o.a. geschreven dat de overheid gedwongen wordt tot een a-religieuze houding en dat op zich godsdienst – en bij uitbreiding religie – een irrelevante factor bij het uitoefenen van haar taken is. Zo zien we ook dat de Europese Grondwet geen melding maakt van de katholieke roots van Europa.   Religie is macht. En waar macht is, mag ook tegenmacht (contre pouvoir) zijn, whether you like it or not.   Het opiniestuk valt verder wat in gemakzucht door kritiek op Theo Francken (NV-A). Zucht. Naciri spreekt van een probleem maar dat is pure polarisatie want er is geen probleem. En hoewel wetgeving altijd in beweging is, en zeker niet written in stone is, niets wat ik lees kan iets bijbrengen om ook maar iets te veranderen. Het Calimero-gehalte in de column, het aloude gezeur over, - hè hè weer die hoofddoek – brengt niets nieuws aan het debat terwijl Naciri perfect weet dat het niet over hoofddoeken in se gaat maar over religieuze symbolen. Religieuze symboliek brengt immers sterke boodschappen over en beroert een volk. Symboliek vertelt niet zo neutrale verhalen aan mensen. Symboliek kan tellen. Symboliek geldt daar waar macht niet sterk genoeg is.   Ik kom iedere dag in contact met moslims en moslima’s, evenzeer met mensen die een ander geloof dan geen geloof belijden. Het was ooit anders : ik heb gewerkt in een wijkgezondheidscentrum waar voor mijn aanwerving aan een bijna totaal gesluierde moslima gevraagd werd of het geen probleem zou zijn om met mij in één ruimte te werken. Gelukkig mocht ik er zijn. Een andere gesluierde collega  weigerde me de hand te schudden en daar ben ik toen heel fel van geschrokken omdat de hand van iemand schudden iets menselijks is, iets van de maatschappij is. Deze symboliek maakte me duidelijk dat ik vies was.   In een blogstuk schrijf ik dat ik bang ben. Ik maak me zorgen over de nieuwe wereldorde, over hoe met alle gemak gemakzuchtig en destructief leiderschap vandaag gehanteerd, bespeeld en gepromoot wordt; ik ben bezorgd over het plat populisme dat scoort bij de mensen. Tussen Trump, Macron en De Wever vermeld ik ook Naciri omdat haar bijdrage geen enkel constructief debat opstart, omdat het ook de moslims en de moslima’s die ik ken afschildert als individuen die neutraliteit van de overheid niet zouden respecteren, de Belgen niet zouden waarderen. Het stukje stelt mijns inziens moslims en moslima’s in een slecht daglicht. Ach, het zijn gekende marketing truckjes, toch?   We leven in pure populistische tijden. Populisten geven vrijkaarten aan mensen met slechte bedoelingen en simplistische opvattingen, aan kritiekloze losers en zwart-wit denkers. Wanneer Fatima – maar ook Rita als moslima of devote christene maar dat lees je niet bij Naciri… - met hoofddoek of kruisje (lees : religieus symbool) zichzelf boven de neutraliteit zet waar haar openbare functie voor staat en zij bijvoorbeeld weigert een hand te schudden of samen te werken met een man, dan heb ik een probleem met die overheid die zij uitstraalt. Omdat de symboliek in religieuze uiterlijke tekenen ook macht vertoont vanuit een door God gegeven dogma. En dat de schending van de scheiding der Machten daar ligt.   Het merendeel van de Belgen heeft geen probleem met de islam. Voor de Belgen hoort de islam thuis in hetzelfde huisje van het katholicisme, een religie die hun zielen jaren lang geteisterd heeft. De Belgen lopen nog met de wonden die de nonnen en de paters hebben toegebracht en daar heb je echt geen processen voor nodig om dit in onze maatschappij te voelen. De Belgen willen geen religie als macht meer, de Belgen willen godsdienst als een sublieme en persoonlijke belevenis waar het goed wonen is voor de ziel. Naciri mag eens leren de dingen in historisch perspectief te schrijven, eens werkelijk te kijken waar de Belgen vandaan komen. Kijk naar hun ziel, kijk naar hun verleden, niet naar hun geschiedenis dat je leest in de boeken. Luister naar de Belgen, luister naar hun gebrokenheid, naar hun godsvrees en luister naar hun verwoeste levens. Misschien moet je zelf eens de blinddoek afdoen. En tenslotte, voor wat het waard is, Vrouwe Justitia draagt nét juist die blinddoek om ook jou te beschermen.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
22 0

Allemaal een beetje Hillary

Er bestond geen twijfel over: ze zou winnen. Ik ging dus met een gerust gemoed slapen op dinsdag acht november. Hillary Clinton zou samen met haar Bill weer naar het Witte Huis trekken. De ochtend nadien werd ik wakker in een andere wereld. Ik die dacht dat ik in het breeddenkende Westen leefde, werd ineens geconfronteerd met het feit dat mijn buurman daar wel eens anders over zou durven denken. Aan de reacties op Trumps overwinning op sociale media te zien, was ik niet de enige die een wake up call van jewelste kreeg. De in mij langzaam ingedommelde voor ruimdenkendheid strevende mens, schoot bruusk wakker. Eerlijk is eerlijk, als blanke hetero heb ik relatief weinig last van discriminatie. Wat ik dan wél weer ben, is een vrouw. Erger nog: ik ben een zelfstandige vrouw. Zo eentje die opkomt voor haarzelf. Grab me by the pussy and your balls will be just a good memory. Jawel dames en heren, ik behoor tot de feministen van mijn tijd. Een groep waar Trump en, helaas zo blijkt, heel wat andere mannen het nog steeds moeilijk mee hebben. Soms zijn ze er erg openlijk over, maar nog vaker zit hun seksisme onderhuids. Zo gebeurt het vaak dat een vrouw die zichzelf in eerste instantie niet als feministe beschouwde, er uiteindelijk toch één wordt. Ik ben best een kritische ziel. Als vrouw in deze maatschappij, is dat niet altijd een pluspunt. Begin jaren tachtig werd ik geboren. In die tijd leerde Madonna meisjes ‘to express yourself’. Madge was meteen mijn idool. De impact van de pracht en praal van tutu’s en schitterende oorbellen op de kleine Ans waren groot. Bijgevolg stond ik op als kind in een veel te groot onderhemdje met de paternoster van mijn tante nonneke van ‘Like a prayer’ te doen. De toon was gezet. In de jaren ’90 werd werd er nog een schep bovenop gedaan. De muziekwereld vuurde een fenomeen genaamd ‘The Spice Girls’ op ons meisjes af. Dit was ook meteen het startschot van de ‘Girlpower’. Na het rebelse feminisme dat ik al van Madonna had meegekregen, werd nu de boodschap van onafhankelijkheid voor de tweede keer door mijn puberale strot geramd. Slikken deed ik het maar al te graag. Ik kleurde mijn haar rood zoals Ginger Spice en liep rond in kledij waar Gwen Stefani alleen maar met een goedkeurende blik naar had gekeken mocht ze mij ooit in het echte leven zijn tegengekomen.Dat ik op mijn achttiende met een scriptie over ‘feminisme’ afstudeerde aan het middelbaar, is dan ook geen al te grote verrassing. Maar wat is dat nu net, dat feminisme? Wel eigenlijk is het heel simpel:  “Feminism is the radical notion that women are people” (red. Cheris Kramarae – Paula Treichler)Vrouwen zijn dus mensen, net zoals ook mannen dat zijn. Natuurlijk zijn er verschillen en heeft deze soort mens haar sterke en zwakke punten. Dat hoeft niet per se te betekenen dat het ene geslacht de meerdere is van het andere. En dan ben je een dertiger en staat de grootste staat ter wereld op het punt een vrouw aan het hoofd te krijgen. Eindelijk.Toch gebeurt het dan nét niet en word je wakker in een maatschappij waar het glazen plafond van gewapend glas blijkt te zijn. Het wordt je ineens duidelijk dat het niet voor iedereen normaal is dat Peter en Rik gaan trouwen. Je beseft dat Sumaya elke dag met de vraag worstelt of ze nu wel of niet een hoofddoek mag of in andere gevallen moet dragen. Je komt tot de constatatie dat niet iedereen denkt zoals jij denkt en dat die ‘iedereen’ dichter bij je staat dan dan je had gedacht.Laat ons dus alsjeblief niet op onze lauweren rusten en denken dat de strijd voor verdraagzaamheid reeds gestreden is. Het recht voor iedereen om gewoon te mogen ‘zijn’ moet je blijven verdedigen, elke dag opnieuw.

Ans DB
0 0

Als het even kon, zou het mogen.

If the greatest thing (we’ll ever 'learn') is to love, and to be loved (in return), there must be a space, a platform, a medium, a dimension where ‘love’ and ‘the greatest thing’ can be defined and take place, independently from the lover or the loved one, in order to avoid a conflict of interest. Evenwicht is dan (“dus”) niet ‘het geluk’, evenwicht is het middel, de tool, het werktuig, de methode.. Als er dan toch een ‘moeten’ aan te pas moet komen, MOET (i) het individu (psychologie, emotie) vrij zijn om lief te hebben (recht) en (ii) onvoorwaardelijk – kansen tot - liefde krijgen ('plicht') van de maatschappij (constructie, ratio) waarin ze opgroeit. (iii) De wisselwerking tussen beide partijen, de ruimte (planeet, mensheid, spirit) waarin deze wisselwerking kan plaatsvinden, moet inclusief zijn, of ze kan (‘zal’) niet zijn. Als al wat ons wordt aangeleerd (taal, geschiedenis, etiquette, leven, denken) (a) anders had kunnen zijn, (b) alomvattend, specifiek en ‘waar’ of ‘legaal’ als ze is, of ‘legitiem’ als ze bevonden wordt, en (c) categoriek dreigt te zijn en een gespecialiseerde vorm aanneemt, dan is het compromis, wordt het conformeren aan "het" grijze (of "het" specifieke) des te moeilijker. Als dit compromis plaatsvindt in (‘door’) de maatschappij, dan komt het individu bedrogen uit, en omgekeerd. Waar zowel de één als de ander zich kan vinden in het statische, het onbeweeglijke, de status quo, het gekende, ligt het risico eveneens in het zodanig beweeglijk zijn dat beiden zich kunnen vergissen of zich verliezen in het vicieuze, het abstracte, het oneindige. Één zijn in onze verschillen is niet verschillen in ("onze") eenheid. Belangrijker nog dan het “zijn” (en de fundamentele elementen die haar kenmerken en bepalen) van soit het individu, soit het collectief, lijkt me die ruimte van interactie, die hersteld dient te worden opdat de geest open kan zijn, het collectief regeneratief, en weerom vice versa. De sleutel tot communicatie, de voorwaarde tot “safe” spaces, de noodzaak van zelfkritiek, en de roep om “vrijheid” in de breedste zin of interpretatie van het woord […] vragen om een ‘concept’ dat (in al haar coherentie en verbondenheid) zowel los van mij als van de rest staat. Investeren in een plaats (abstract en concreet) waar permanente invraagstelling (toegelaten) kan (worden) - zonder ‘schade’ te berokkenen aan het geheel en het ‘zelf’ - is dan ook cruciaal.

Pseudoniem
0 0

Relaas over de superioriteit van het Westen. In de depressiviteit.

Het leven is anders hier. Meer verantwoordelijkheden. Op de lange termijn. Je hebt minder het gevoel van groot nut te zijn omdat je minder snel je problemen overwint. Je krijgt minder vaak resultaten geboekt en je krijgt al even minder schouderklopjes op de weg er naartoe. Je kijkt mensen minder in de ogen en er is zo’n afstand die zelfs op fysiek vlak is waar te nemen, die fameuze beschermende bubbel van privacy, om elke mens. De lach-en op mensen hun gezicht zijn niet echt hier, het is een kopie, van iets wat ze op de televisie geleerd hebben. Ik voel me dom, als ik met hen in conversatie treedt, die mensen. Ik voel me dom, omdat ik niet meer met ratio alleen redeneer. En zelfs die wetenschap die broedt op kennis, feiten en objectiviteitstheorieën in de hiërarchie der dwazen is niet het enige wat scheelt. Er scheelt veel hier, in deze maatschappij, in deze superieure, Westerse, domme, inherent zieke en veeleer arrogante maatschappij. Ik ben zo boos dat ik het niet eerder zag. Ik neem me dat kwalijk. Ik draag een deel van dat arrogante in me, en ik wil het uit mijn lichaam krijgen. Wat wij eten, wat wij inademen, wat wij van stress met ons meedragen, hoe wij elkaar aanspreken, hoe wij eigenlijk geen zak om elkaar geven of hoe we er althans weinig aan doen om dat te veranderen: hoe we weinig als collectief om elkaar kunnen geven. Het is zoveel en in zoveel kleins, het zit in onze gezichtsuitdrukkingen, waarom tonen wij niet? Er is geen licht. Donker is het hier. De straten zijn anders. Grauw, blauw is echt verleden, leven er hier gelukkigen? Ik zie ze nooit, zij, zij die stralen, zij lopen niet op straat. Ze zijn er niet, of ze stralen op een ander. De straatlampen zijn stuk, de universiteiten, zij blinken, maar zij hebben geen karakter, zij schijnen niet. De zwervers op straat spreken zelfs in de wartaal der verloren kuddedieren, maar zij denken, zij zien de wereld voor wat het is, niet ingepakt in die versierde kerktoren met zo’n zilveren schotel die je in slaap sust en valse dromen doet najagen. Ik klaag je aan, Westen. Je hebt het helemaal mis.

Pseudoniem
0 1

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

kunstzin

Ik ben in de verkeerde tijd geboren, zoveel is zeker. Er is vandaag nauwelijks nog plaats voor kunst. Mensen weten niet meer wat kunst is of waar het toe dient.  Wat ze er nog van weten ontlenen ze aan de persona op tv of in de kranten, die zich op dat moment de rol van entertainer toe-eigenen. Al naargelang hoe grappig of excentriek of gewoon ze overkomen, wordt hun status van kunstenaar meer of minder voor waar aangenomen. Maar we hadden het over kunst.Tja, wat IS kunst? Laten we voor het gemak even inzoomen op literatuur, gezien dat toch de branche is waar ik beweer iets van af te weten. Wat is literatuur? De zoektocht naar een goede definitie houdt me al geruime tijd bezig. Hoewel ikzelf duidelijk aanvoel wat wel en wat geen literatuur is, vraagt een vertaling naar woorden om een scherp afgelijnde definitie. Het lijkt een haast onmogelijke opgave. Ik vertrek toch even vanuit mijn gevoel. Wanneer ik literatuur lees, échte literatuur, word ik meegevoerd naar een parallel universum, hetzelfde universum waarin ik me bevind als ik zelf schrijf. En daarmee wil ik niet gezegd hebben dat alles wat ik schrijf literatuur is, zeer zeker niet. Maar goed, het is dus een bepaalde beleving die ik ervaar, en ik realiseer me dat die naar alle waarschijnlijkheid heel persoonlijk is. Vandaar dus de nood aan een definitie, die voor iedereen zou kunnen opgaan.Velen denken overigens dat literatuur gelijk staat aan non-fictie. Laten we alvast bepalen dat dát niet klopt. Er is fictie en non-fictie, en binnen non-fictie bestaan verschillende opdelingen, zoals daar zijn detective, science fiction, fantasy, horror, en dus ook literatuur. Ik zou een hele reeks schrijvers kunnen opnoemen die voor mij meer dan representatief zijn en alle verdere pogingen tot definiëring overbodig zouden maken, maar ik begrijp dat dat nog steeds een te persoonlijke benadering zou zijn. Dus. Literatuur is. Een vorm van non-fictie die niet als doel heeft de lezer te entertainen. Een vorm van non-fictie die een verhaallijn en personages gebruikt om een subtiele, doch duidelijk filosofische boodschap mee te geven: ongeacht afkomst, geslacht, leeftijd, seksuele voorkeuren of deelname aan spannende avonturen zijn we allemaal denkende en voelende wezens, die beseffen dat het leven zowel mooi als lelijk als compleet zinloos is. Dat het leven is wat we ervan maken, met onze gedachten, gevoelens of acties. Dat depressie de natuurlijke staat van zijn is, zolang we niet doelbewust op zoek gaan naar de schoonheid in kleine en grote dingen. Het zoeken naar en ervaren van schoonheid is de kunst. IS kunst. En zo is de cirkel rond. Kunst – het zoeken en vinden van schoonheid – is precies datgene wat we allemaal nodig hebben om meer te doen dan louter over-leven. Kunst is het ware voedsel om te kunnen LEVEN.(Noem me naïef, maar mijns inziens is het antwoord op alle burnouts en andere ratrace-fenomenen van deze slavenmaatschappij, KUNST. En tijd, uiteraard. Maar dat is weer een ander verhaal.)

LL Rigby
8 0

de stad stroomt over

Een vriendin van me was onlangs op bezoek. Een vriendin uit een ver verleden, uit de verre stille kempen. Ergens halverwege de avond merkte ze op dat ze zelf nooit in een stad zou willen wonen. Of zou ‘hoeven’ te wonen, verduidelijkte ze. Een stad is namelijk constant in beweging, heeft zoveel te bieden, er heersen zoveel stromingen, dat enkel wie op zoek is naar nieuwe dingen er iets aan heeft. Zijzelf was niet bepaald op zoek naar nieuwe dingen. Haar leven was vol en perfect genoeg zoals het was. Het zette me aan het denken. Is het zo dat mensen die in een stad wonen een absolute en onverwoestbare nood hebben aan verandering? Zijn ze misschien onrustiger? Natuurlijk is het zo dat in de stad het aanbod van ideeën en tendensen overweldigend is. Van mode tot cultuur en kunst, ze slaan er je mee om de oren. En overal waar je komt waait een andere wind. Het geweldige is dat al die winden tegelijk waaien en dat je er kan uitpikken wat je boeit en de rest laat je aan je voorbijgaan. Dan stel ik me ook de vraag of zonder die constante beweging het leven saai zou zijn. Alleszins is het in deze tijden en in onze stad het ‘niet op zoek zijn’ bijna iets uncool, ondenkbaar. De stad aan de stroom stroomt over van innovatie, ‘anders-zijn’ is misschien wel het subtiele levensdoel van de stad en haar inwoners. Nieuwe concepten in kunst, vintage kleding, multiculturele evenementen. Het is altijd wat anders. En dat is naar alle waarschijnlijkheid de reden waarom mensen in een stad willen wonen. Maar ik denk dat die drang naar verandering zwaar overschat wordt, want uiteindelijk is het niet meer dan een zoektocht naar datgene waar we ons goed bij voelen, waar we bij kunnen thuiskomen. In die zin zijn we niet op zoek naar verandering, maar naar standvastigheid. We zoeken in al die beweging gewoon naar een plaats waar we ons kunnen stilhouden. En als we die plaats gevonden hebben, nemen we het pakketje vernieuwingen en stromingen die we ons eigen gemaakt hebben op de rug… en verhuizen we naar de kempen!  

LL Rigby
0 0

pyrrus

Vliegen zijn intelligenter dan muggen. Een ietwat onnozele observatie misschien, maar toch. Ze blijken enorm slim met hun energie om te gaan  en vooral uit te blinken in idiotie. Hoewel muggen op dat laatste punt ook behoorlijk hoog scoren, laat hun elegantie uiteindelijk te wensen over. De onbeschaamde doordouwersmentaliteit van de muggen maakt hen tot zielige wannabes, daarmee de meer stoïcijnse vliegen een zekere zege bezorgend.   Nadat ik de ventilator aanzet in de hoop beide soorten van mijn lijf te houden observeer ik wat gebeurt.   De mug vliegt vliegensvlug weg van de vervelende windhoos en verschalkt zich net buiten het blaasbereik, zij het slechts voor enkele seconden. Want, optimistisch als de mug is, vliegt ze bij het draaien van de lucht weer mijn richting uit, om daar aangekomen te beseffen dat de turbine haar alweer van de andere kant nadert. (ZIJ, ja. Steekmuggen zijn vrouwelijk, ze hebben de eiwitten nodig voor hun eiers, ha!)  Vleugelslag na vleugelslag herhaalt ze de beweging, als een onvermoeibare sisyphus. Geen bloed wordt geprikt, geen ander slachtoffer gevonden op deze korte wederkerige trektocht. Onder het motto ‘de aanhouder wint’ gaat ze zonder probleem uren door, tot ik uiteindelijk de ventilator uitzet en gezwind in mijn bed onder het muskietennet duik, waar zij vervolgens de hele nacht tegen aan blijft tikken, opgejaagd door de geur van bloed, niet te stuiten door de zinloosheid van de actie. Ik mag hopen dat ze op zijn minst tegen de ochtend tot inkeer komt en zichzelf moedwillig uit de vicieuze cirkel losscheurt, om op zoek te gaan naar misschien minder lekker maar wel beschikbaar bloed.   De vlieg vertoont een heel ander patroon, dat echter ook van geduld, maar vooral moed getuigt. Wanneer het blazen begint houdt de vlieg een minuut of wat flink stand en wurmt zich in kronkels om toch maar telkens tegen mijn hoofd of armen te kunnen ketsen. Wat daar het doel van moge zijn ontgaat me volkomen, de uitdrukking ‘een lastige vlieg’ staat in ieder geval niet voor niets; er valt voor de vlieg niks bij me te rapen, geen bloed, geen morzel voedsel, geen vertier. Na een paar zwiepende luchtstromen beraadt hij  zich (Ja HIJ. Het zou ook een zij kunnen zijn, maar ach, for the sake of contrast…) en gaat op zoek naar een veilig onderkomen om ongestoord nutteloos te kunnen zijn. De muur, de hoek van de zetel, mijn teen, aha! de ventilator zelf! Je moet er maar opkomen én er de ballen voor hebben, geef toe. Als een echte quichote vecht hij dapper tegen de windmolen en begeeft hij zich zonder angst naar het oog van de storm. Op de rand van het plastic rooster, dat genadeloos heen en weer blijft zwiepen vindt hij rust en een zekere ontspanning. In alle kalmte laat hij zich in een zentoestand wiegen. Wanneer de ventilator straks stopt – want stoppen moet die onvermijdelijk eens – zal hij barstensvol energie op zijn doel afvliegen (mij) om dan, eindelijk, in al zijn windstilheid, mij het leven weer zuur te maken van de zetel hélemaal tot aan het bed.

LL Rigby
1 0
Tip

overschat en overroepen

Ik las onlangs ergens dat 1 op 10 Nederlanders graag een boek zou willen schrijven (en uitbrengen uiteraard). Ik weet niet hoe het met de cijfers voor België zit maar vermoedelijk zijn die van een zelfde strekking. Hoe moet een mens dan in alle ernst schrijver willen zijn? Hoe moet je je onderscheiden? Veel komt tegenwoordig – noodgedwongen – aan op zelfmarketing, tenzij je er natuurlijk op rekent gewoon een genie te zijn en ‘bij toeval’ ontdekt te worden door een uitgever, maar laat ons wel wezen, dat is zonder directe contacten eigenlijk quasi ondenkbaar. Zelfmarketing dus, een blog, facebookposts, aansluiting bij groepen over lezen, literatuur en schrijven, en maar hopen dat je er op een of andere manier uitspringt, of op den duur zoveel volgers verzamelt dat de literaire wereld je wel au serieux moét nemen. Hoe dan ook, al dat ge’kijk-eens-naar-mij-en-hoe-goed-ik-wel-ben is enorm vermoeiend en bovendien een serieuze aanval op je zelfrespect. Ik heb constant het gevoel dat ik te hard probeer en net daardoor nooit serieus zal worden genomen door een sector die misschien wel zwaar overschat want vooral erg gesloten en elitair is? En toch blijf ik proberen. Ik neem deel aan verhalen- en gedichtenwedstrijden, haal hier en daar een keer een longlist, won een keer derde plaats, niet slecht, maar ook niet bijzonder. Een kennis met kennis van zaken zei me dat het overigens niet per definitie de winnaars zijn van dat soort wedstrijden die vanzelfsprekend een kans maken op succes, misschien een beetje zoals het parcours van winnaars van talentenjachten vaak ondergeschikt blijkt aan dat van de runners-ups (is daar een goed Nederlands woord voor? want ik ben zeg maar all for taalbehoud en zo). Ik stuur mijn schrijfsels ook graag in naar de meer serieuze literaire en culturele tijdschriften, maar krijg daar voornamelijk het deksel op de neus. Niet lang genoeg, niet kort genoeg, niet literair genoeg, kortom niet goed genoeg. Ik zie ook wel dat wat vandaag als literatuur de wereld rondgaat anders is dan wat ik schrijf (of is dat weer defensieve bescheidenheid?), maar of het daarom minderwaardig is, is maar zeer de vraag. Misschien een keer een schrijfcursus volgen, is een vaak gehoord advies. Tjaaa. Om eerlijk te zijn zou mijn grootste motivatie daarvoor een opportunistische zijn – namelijk dat dat ‘wereldje’ erg klein en ons-kent-ons is. En wanneer je dan in het oog springt van de docenten, dat je makkelijk kan worden doorgeschoven aan hun achterban en zo is de bal aan het rollen, mogelijkerwijs. Maar laat ik nu een dubbel gevoel hebben over dat soort toelaatbaar nepotisme. Natuurlijk zou ik ergens willen dat ik persoonlijk bevriend was met een Tom Lanoye, een Annelies Verbeke of een Griet Op de Beeck, en dat die uit vriendschap en respect voor mijn talent (want dat heb ik, wordt mij ook meermaals verteld) hun contacten inzetten en me op die manier een duwtje kunnen geven. En aan de andere kant wil ik het godverdomme gewoon zélf doen en verdienen. Maar dan moet ik dus opboksen tegen de overige twee miljoen (pakweg, mijn snelle berekening van 10 procent Vlamingen+Nederlanders) doodgewone burgers die ook bijzonder genoeg willen zijn om hun verhaal of boek gepubliceerd te krijgen. Geen conclusies aan het eind van dit betoog. Enkel de pijnlijke waarheid: dat het verdomd moeilijk is om in jezelf te blijven geloven terwijl je jezelf ziet verloochenen door goedkope zelfpromotiestunts op facebook en watnog, om toch maar gezien, gehoord en vooral gelezen te worden. De beste oplossing lijkt me eenvoudigweg een opening vinden in het space/time continuüm en ‘Midnight in Paris’-gewijs vijftig jaar teruggaan in de tijd en de eerlijke strijd aangaan, vanuit de mogelijke illusie dat het toen allemaal makkelijker was, beter, puurder, weetikveel. Schrijven, ploeteren, uitwisselen met andere kunstenaars en een plekje bemachtigen aan het firmament van Nederlandstalige schrijvers. Als ik heel eerlijk ben weet ik ook wel dat ik me nooit had kunnen meten met de Daisnes, Couperussen,  Timmermansen, Clausen en zo verder. Maar misschien nog net met de Walschappen of Lampo’s?  (bescheidenheid is een overroepen kwaliteit) In de grond komt het er op neer dat je altijd in jezelf moet blijven geloven en moet blijven werken om je doel te bereiken, maar dat er vaak (té vaak?) momenten zijn waarop je eigen innerlijke stemmetje dat van de zogenaamde kenners met veel overtuiging echoot: niet goed genoeg, ga wat anders doen. De vraag is of je als schrijver recht hebt van bestaan op basis van je talent en het geloof in jezelf, of enkel en alleen op basis van de kredietwaardigheid die je wordt verschaft door een onafgelijnd en mogelijk overschat maar zeer reëel instituut, zijnde de ‘literaire sector’.   (Ik hoop stiekem maar gewoon dat het waar is dat de aanhouder wint en dat ik uiteindelijk moge worden geaccepteerd, gedécouvreerd, gewaardeerd, geromantiseerd, gesavoureerd, genepotiseerd en op welke manier dan ook: gepubliceerd. Zie je, ik probeer gewoon te hard.)

LL Rigby
35 0

grenzeloos

Dit land is magisch. Niet omwille van de stranden en groene heuvels, niet omwille van de bescheiden maar warme mensen, niet omwille van de heerlijke geur van wilde bloemen, rozemarijn en lavendel, niet omwille van de lucht, die de avondhemel in alle kleuren van de regenboog tooit. Hoewel. Misschien is het precies de lucht die alles anders doet ademen en bewegen en zo de magie doet ontstaan. Op de meest onverwachte momenten, in de meest verdoken hoekjes wacht de magie hier op je. De magie van een ontmoeting die voorbestemd lijkt te zijn. De magie van een plek om te wonen die op het eerste gezicht maar matig voldoet aan de noden, en uiteindelijk de exacte belichaming is van het onbestemde droombeeld van een jarenlange zoektocht. De magie van een kikker, die er ondanks zijn ingebouwde sociale matrix voor kiest om in zijn eentje in jouw badkamerkast te komen wonen, zodat je elkaar iedere ochtend vrolijk goedemorgen kan toekwaken.  De magie van wanneer je denkt dat het niet meer mooier kan, er nóg een cadeautje voor je voeten valt. Je voelt je zo goed dat je zelfs met plezier mijmert over vroegere tijden, vroegere landen, vroegere mensen. Je dwaalt af naar de herinnering van het vertrek. Uiteraard dacht je bij het afscheid, het uitzwaaien en omhelzen en loslaten, dat daar, tussen al die mensen en dingen en contexten, ook je demonen stonden. Je zag hun grijns wel – vanuit je ooghoek – maar schoof het beeld achteloos terzijde. Je gooide je rugzak over een schouder, draaide je om en vertrok. Naar je lotsbestemming. Je wist dat de reis lang kon duren, maar dat baarde je geen zorgen, ze zeggen immers dat de reis belangrijker is dan het doel. Maar oh, kijk daar, je bereikte het doel! Je wist dat het bestond, je geloofde dat het moest bestaan, maar was niet zeker of je er in dit leven nog zou komen. En je kwam er. En nu ben je er. En na inrichten en afstoffen en uitpakken en installeren en meermaals op je knieën de goden danken dat je je bestemming zo snel mocht bereiken en dat het mooier en beter is dan je had kunnen dromen, na dit alles volgt de stilte. Wondermooie stilte, slechts af en toe onderbroken door wat gekwaak. Een stilte die, zuiver als ze is, langzaam maar zeker toch op je gemoed begint te werken. Een stilte die vragen lijkt toe te roepen. Een stilte die je slapeloze nachten bezorgt, van niet-begrijpen, van verwarring.  Je vraagt je af waar het nog schort, wat je tekort komt. Je vindt een heleboel antwoorden van pragmatische aard, maar kijkt dan rond in je paradijs en glimlacht bij het zien van de bloemen, de vogels, de bomen en de haast fluorescerende hemel en bedenkt dat er niets wezenlijks is om ongelukkig over te zijn. En dan plots zie je ze. Achter de grootste boom, de boom die je schaduw en troost biedt, de boom die met je spreekt als er niemand anders in de buurt is, precies achter die boom komen de hoofden van je demonen tevoorschijn, met dezelfde grijns op hun gezicht als bij het afscheid. En je beseft: er was nooit een afscheid, er was nooit een vertrek, een reis, een zoektocht, een vinden , een aankomst, een bestemming. Je was altijd precies waar je was: onderweg. De kikker en de wetenschap te zijn waar je moet zijn bieden troost voor de diepe eenzaamheid die je overvalt. Wanneer je beseft dat je ook hier, in het paradijs, de strijd met je eigen demonen moet aangaan, alleen. Over welke grens je ook je tent opslaat, hoeveel kilometers je ook laat tussen wat was en wat moet zijn, hoeveel beter de parameters van temperatuur – menselijk en andersoortig – ook zijn, de strijd met jezelf is grenzeloos. Pas als je de moed hebt om, op welk terrein dan ook, het gevecht aan te gaan, is de bestemming in zicht. Toegegeven, een beetje magie kan helpen.

LL Rigby
0 0
Tip

Duivenpaleizen ten val

Als ge geluk hebt, wordt ge geboren in een tijd die bij u past. Een tijd als een soepel extra velletje, eentje zonder plaats te veel. Een tijd die u in uw waarde laat, u u laat zijn.   //   Gij, gij paste perfect in uwen tijd. Gewoon doen wat opgedragen, volgen, geen existentiële vragen of roekeloos gedrag, geen verre reizen of ontdekken van nieuwigheden.  Gij, uw constante huppelen achter de bazen, zoals uw kefferke thuis.  Geen ambitie, 45 jaar en hoogstens 5 dagen ziek, achter de band versleten. Moeder de vrouw had het eten ’s avonds gereed. Uw kinderen, noodzakelijk kwaad door God bepaald. Eén passie: uw duiven. Voor hen week alles. Uw grote geluk, uw goeroeloze meditatie, yoga, saunabeurt, enzomeer.   Gij, vervuld van liefde voor uw gevleugelde vrienden.   Uw vrouw, de kinderen, zij moesten het met elkaar beredderen. Zij hebben u nooit gekend, ge kende uzelf niet. Uw duiven, de enigen. De enigen die u steeds weer met groots enthousiasme verwelkomden.   Ge werd te oud, uw duiven moest ge laten gaan. Wat later waard gij zelf eraan.     //   In onze tuin kijken we recht op de ruïne, de stenen versie van uw stijlloos luxueus tuinhuis, de duivenrange, uw stille paleis, uw enige thuis. Het ligt er triestig bij. En toch, telkens we uw kleine paleis kruisen, komt er een warme gloed ons tegemoet.  Uw ziel bleef daar, uw liefde bleef steken. Onze kinderen bewonderen dat megalomane kasteel, plek van dierenverafgoding, zouden graag deelgenomen hebben aan de sport.  Te jong om te beseffen. Het vallen van de duiven.    De tijden zijn veranderd. Duiven in verval. Uw beste duif vloog zich te pletter tegen onze ruit. Het moet een voorteken geweest zijn. De blik in uw ogen toen ik ze verward terugbracht, was hartverscheurend. Ge wist het toen al, ik wist het, wij wisten dit toen al.   Duiven in verval. Niet alleen in onze achtertuin.   Kent gij nog jonge viriele mannen aan huis gekluisterd?   Mannen die het mountainbiken, skiën, snowboarden, hitchhiken, raften enzomeer laten staan voor hun tweevoetige vrienden thuis? Mannen die genieten van het stille oppervlakkige duivenleven, van het stront schrapen, de blauwe stofjas?  Mannen die de stilte claimen als hun duiven vallen, omdat zij zelf verlangen naar dat prikkelloze bestaan? Mannen die het gezinsleven zonder schaamte aan hun vrouw of man overlaten, wiens thuis een klein hok groot is, wiens grootste liefde minstens 10-koppig en 20-potig is?   Ik ken er geen een.   //   Wat doen dan al die mannen, voor het duivenmelken bestemd, vandaag?  

M A R T H E
86 8

Schrijvers & tovenaars

Er waren eens… krachtige tovenaars die koninkrijken konden sturen met hun gave. Waarom toverden zij zo graag? Omdat het hun ding was.   Toverkracht is aangeboren, ziet u. Niet alle tovenaars weten dat ze het in zich hebben. Ze komen er vaak ‘per ongeluk’ bij uit. Verlangen ze als kind met elke vezel van hun wezen ergens naar, dan gebeurt het als bij toverslag. De meesten denken de eerste keer natuurlijk dat het toeval is. Dus bij wijze van test, proberen ze het nog eens. En dan lukt het weer. Zo ontdekken ze dat ze de macht hebben om hun leven en dat van de mensen rondom hen aangenamer te maken.   Met enkele attributen, zoals een boek, nemen ze ons mee naar werelden waar de prachtigste verhalen zich afspelen. Daar blijft het niet bij. Wie gelooft in de krachten van een tovenaar, kan hem vragen om dromen uit te doen komen. Nog lang en gelukkig leven met die ene droomprins(es), het wordt gefikst in een vingerknip.   Tovenaars en schrijvers zijn trouwens van dezelfde magische afkomst. De eerste tovenaar en de eerste schrijver werden in dezelfde familie geboren. Ze hebben elkaar nodig om te overleven. Want wat zouden tovenaars zijn zonder schrijvers?   Zonder schrijvers zouden we Merlijn noch Harry Potter kennen. Op hun beurt schenken zij schrijvers inspiratie. Het is de magie die hun vingers doet jeuken. De werelden van woorden die in hun hoofden ontstaan, smeken om sierlijk op papier vereeuwigd te worden. En stiekem hopen de schrijvers dat ze daarmee ook zichzelf onsterfelijk kunnen maken.

S. Gielis
13 0

Advocaat van Sprookjesslechteriken

 “En ze leven nog lang en gelukkig…” Een slotzin waarmee u allen bekend bent. Het einde van het sprookje, het einde van de slag, het einde van slechte tijden…  Tenminste dat is wat u wenst te geloven. Mijn cliënten, u allen bekend als een jaloerse, boze stiefmoeder, een klein behulpzaam duiveltje of een boosaardige tweeling weigeren om nog langer in de schaduw van hun verlies te vertoeven. Het wordt tijd dat hun kant van het verhaal ook wordt verteld. Ook zij hebben recht op een definitieve en een eerlijke slotzin.   Mij eerste cliënt: de boze stiefmoeder van prinses Sneeuwwitje. U bent allemaal vertrouwd met het overbekende sprookje. Een jaloerse feeks vergiftigt de prachtige prinses, Sneeuwwitje, maar zij wordt gered door een echte liefdeskus. De boze stiefmoeder vindt haar einde in een gruwelijke storm waarbij ze per ongeluk van een klif valt.    Helaas moet ik u melden dat u bent voorgelogen. Het echte sprookje verliep heel anders.   Op de bruiloft van Sneeuwwitje en Charming werd de verslagen stiefmoeder op gruwelijke wijze gestraft. Zij moest dansen voor de bruid en bruidegom met roodgloeiende, ijzeren schoenen aan haar voeten tot ze er dood en verminkt bij neerviel.   Mijn vraag is: waren de intenties van de stiefmoeder wel zo vals als wij willen geloven? In het originele sprookje was Sneeuwwitje slechts veertien - in sommige versies slechts zeven! – jaar oud toen ze in de giftige appel beet. Een jong meisje dat bij zeven oude, vrijgezelle mannen verbleef! Is het dan niet beter om in een diepe slaap te vallen, in de wetenschap dat je enkel terug je ogen zal openen na een kus van je ware liefde.   Hierbij zou ik graag prinses Sneeuwwitje en prins Charming willen beschuldigen van vervalsing, kinderhuwelijk, martelpraktijken en moord.     Mijn tweede cliënt wordt vaak beschreven als een duivel, maar hij wenst aangesproken te worden met zijn naam: Repelsteeltje. Het verhaal is u waarschijnlijk bekend. Een beeldschone molenaarsdochter moet voor de koning hooi tot goud spinnen. Repelsteeltje schiet haar tegen betaling gedurende drie nachten ter hulp, maar op de derde nacht heeft de arme molenaarsdochter niets meer te bieden. De oplossing? Haar eerstgeboren kind zou van Repelsteeltje zijn, maar eenmaal de molenaarsdochter is getrouwd en haar eerste kind op de wereld zet, is ze niet meer bereid om het af te staan. Repelsteeltje geeft haar nog een kans: drie dagen om zijn naam te raden.   We weten allemaal hoe dit sprookje eindigt en, laat ons eerlijk zijn, dit is geen terechte afloop! Vindt u het maar normaal dat de nu koninklijke molenaarsdochter weigert om een afspraak na te komen terwijl Repelsteeltje in feite verantwoordelijk is voor haar rijkdom?   Hierbij beschuldig ik de molenaarsdochter van bedrog en discriminatie naar dwergen toe.     Mijn twee laatste cliënten zijn de stiefzusters van de wondermooie Assepoester. Eerst en vooral wil ik uw aandacht vestigen op de eeuwige discriminatie van aangetrouwde familie. Eenmaal het woord stiefmoeder of stiefzuster valt, worden zij afgeschreven als gewetenloze valse feeksen, maar is dat wel zo? Mag ik er u ook op wijzen dat deze ooit aristocratische familie leefde in tijden waar rijkdom en status de enige houvast bleken en waar trouwen met welgestelde families vaak de enige oplossing was om jouw familie van de ondergang te redden. Dit is precies waar de stiefmoeder naar streefde toen ze hertrouwde met  Assepoesters welgestelde vader. Dat deze wanhopige moeder alle hoop verliest na het overlijden van haar tweede echtgenoot en daarmee opnieuw in armoede terecht komt, is niet zo onbegrijpelijk.   Haar nu twee jongvolwassen dochters nemen echter het roer over. Wanneer de koning een bal aankondigt met als bedoeling een vrouw te vinden voor zijn zoon, grijpen zij hun kans om hun moeder alsnog een mooie toekomst te bieden.   Helaas wordt deze goedhartigheid vaak vergeten bij het aanzien van Assepoesters glanzende jurk en glazen schoentjes, maar als u een kritische blik werpt op het originele verhaal dan zal u hopelijk andere conclusies trekken. In hun wanhoop besloten de twee dochters hun eigen tenen en hielen af te snijden om toch in het glazen schoentje te passen.   Uiteindelijk was het toch Assepoester die wegreed met haar prins op het witte paard en de verminkte tweeling eenzaam achterliet. Bij wijze van straf om hun verraad pikten witte duiven de ogen van de zussen uit. De ooit beeldschone zussen eindigden als blinde, verminkte bedelaars op straat.   Alhoewel prinses Assepoester en haar prins Charming hier simpelweg de dans ontspringen, wil ik u toch wijzen op de onrechtvaardigheid in deze verhalen. Sprookjes zouden bestaan om ons moraal bij te brengen, maar bewegen zich soepel tussen de mazen van het net van goed en kwaad. Daarom smeek ik u als kritische moderne mens om voorbij deze zwart-witte sluier te kijken. Werp eens een blik op het verhaal van de slechterik. De bezorgde stiefmoeder die haar enige dochter wou beschermen, het behulpzame dwergje met toverkracht dat zomaar aan de deur wordt gezet en de wanhopige tweeling die er alles voor over heeft om hun familie een goed leven te schenken. Willen wij de wereld echt moraal bijbrengen, dan bekijkt u beter beide kanten van het verhaal, beide kanten van de medaille, want beide kanten glinsteren net zo hard in het licht van de waarheid.       Bedankt voor uw aandacht.   AN: Dit was orgineel mijn mondeling Nederlands examen 2015, de opdracht: een speech. Bij deze zou ik mij willen excuseren als ik uw kindertijd nu volledig naar de knoppen heb gewerkt! 

Rumpelstiltskin
21 0