Zoeken

Een dag uit het bestaan van Kalypta

Vrijdag 13 juni 2014 Het hele restaurant verstijfde toen hij binnenkwam. Hij zag er dan ook angstaanjagend uit. Een gloeiend rood litteken liep van zijn haarkruin over zijn helblauwe oog tot in zijn nek, waar zijn dikke zwarte haren waren samengebonden met een felrood lint. Hij droeg een bruinleren mouwloos hemd, zodat de drakentatoeages die over zijn gebruinde biceps slingerden duidelijk opvielen. Eronder droeg hij een pikzwarte pofbroek die eindigde in zware leren laarzen. Maar dat was niet waar iedereen naar staarde. Om zijn middel spande een brede donkerbruine riem waar een verscheidenheid aan messen instak. En aan zijn linkerheup hing een lus waarin een zwaard stak dat zo breed en krom was dat het er levensgevaarlijk uitzag. De blauwe ogen van de man flitsten over alle inzittenden en toen liep hij op zijn dooie gemak naar een leeg tafeltje voor twee en plofte neer op de stoel, zijn ogen op de deur gericht. Het duurde even voor de mensen zich weer herinnerden hoe te ademen. Een ober die plots besefte dat hij dienst had, ging met knikkende knieën naar de man toe en vroeg met trillende stem: ‘Wilt… wilt u iets drinken, meneer?’ Hij kreeg een onderzoekende blik terug waar hij zich duidelijk ongemakkelijk onder voelde, want hij deinsde achteruit. ‘Bier,’ zei de man met een zware raspende stem. De ober knikte en maakte zich uit de voeten. Geen van de aanwezigen durfde te bewegen. De enkeling die het toch waagde zijn vork op te nemen omdat zijn hongerige maag en het dampende gerecht voor hem hem moed gaven, liet die kletterend weer vallen na een oplettende blik van de man. Zelfs toen hij zijn bier gekregen had, bleef hij alles en iedereen in de gaten houden. De spanning was te om snijden en even scherp als het zwaard van de man. Toen ontsnapte er een verschrikte kreet aan een vrouw die bij het raam zat. Iedereen keek naar haar, en naar een klein meisje dat met grote ogen naar de man toe schuifelde. ‘Noortje, kom terug,’ smeekte de vrouw, maar niemand durfde een vin te verroeren om het kind te onderscheppen. Ze sloop nieuwsgierig, maar behoedzaam dichterbij tot ze vlakbij de grote man stond. Ze nam hem op van kop tot teen en vroeg toen met een fijn iel stemmetje: ‘Ben jij een piraat?’ Iedereen hield zijn adem in. De man draaide langzaam zijn hoofd tot zijn felle ogen op het kind vielen en zei met barse stem: ‘Nee.’ Het meisje schrok, maar bleef toch staan. ‘Welles,’ zei ze. De man zette met een klap zijn glas op tafel. Hier en daar klonk een gesmoorde kreet of kreun. Hij bracht zijn gezicht tot vlakbij het meisje. ‘Waarom?’ vroeg hij. Ze wees met trillende vinger naar het litteken. ‘En de tekeningen.’ Ze wees naar zijn armen. ‘En je zwaard.’ De man keek het meisje lang aan, leunde toen achterover en zijn mondhoeken plooiden in een grijns. Het litteken trok scheef mee, wat zijn gezicht er niet mooier op maakte. Er klonk een algemene zucht van opluchting. ‘Geen zwaard,’ zei hij, ‘zwaarden zijn recht. Dit is een Skmitar.’ ‘Smitaar?’ ‘Skmitar.’ ‘Mag ik kijken?’ Dat was de druppel voor haar moeder, die het bestierf van de zenuwen. Ze stond bruusk recht en zei met scherpe stem: ‘Nora Verbiest, kom nu onmiddellijk hier!’ Het meisje keek verbaasd om, alsof ze uit een droom ontwaakte. ‘Niet boos zijn, mama,’ zei ze ontwapenend, ‘ik wil alleen maar die sminkar zien.’ Haar moeder wilde antwoorden, maar zweeg geschrokken toen de man zijn kromzwaard met een vlotte beweging uit de schede haalde. Hij legde het op het tafeltje en Noortje kroop op de andere stoel om beter te kunnen kijken.  Ze liet haar kleine vingers over het koele staal glijden en voelde voorzichtig aan de scherpe randen. Haar ogen glinsterden toen ze opkeek naar de man. ‘Jij bent geen piraat,’ zei ze. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Wat dan wel?’ ‘Wachter.’ ‘Wachter?’ Ze dacht na. ‘Op wie wacht je dan?’ De man grijnsde opnieuw, maar keek het kind toen heel oplettend aan, zijn wenkbrauwen gefronst. Hij boog naar haar toe en fluisterde in haar oor: ‘Op jou.’ Noortje schoot geschrokken recht en wat er toen gebeurde, deed menig mond openvallen van verbazing. De donkere man stond op en knielde voor het meisje dat op de stoel stond. ‘Ik ben uw dienaar,’ zei hij plechtig. ‘Mijn Skmitar en mijn leven zijn de uwe, vrouwe Kalypta.’

Lyne Uytterhoeven
38 0

Vertrokken en vertrekken

Mijn auto betrad voorzichtig de kiezels van de oprijlaan, en we naderden Château La Canorgue. Ik parkeerde links onder de oude platanen en merkte op dat ik niet alleen was. Er stonden nog twee auto’s, één met Zwitserse en één met Franse nummerplaat. Ik ging de poort binnen en stond op een kleine binnenplaats. Rechts was er een deur die toegang verschafte tot la chambre de dégustation. Ik duwde het houten ding open en betrad het heiligdom. Dadelijk kwam ik oog in oog te staan met een jong Amerikaans koppel. Zij waren het met die huurauto met Frans kentekenbewijs. Het andere, wat oudere paar moest dan wel uit Zwitserland komen. Een mooie, voorname Franse dame trachtte de Amerikaanse jeugd op weg te helpen. De vrouwelijke kant van the American couple was de polyglotte, want zij deed al het vertaalwerk. Het waren hooguit mid-twintigers en ze zagen er uit als zijnde van (be-)goede huize. Hij vroeg telkens aan de kasteelvrouwe een bepaalde wijn te mogen proeven. De gastvrouw gaf tekst en uitleg in het Frans en de Amerikaanse vertaalde het voor haar boyfriend. Neen, getrouwd waren ze vast niet. Ik had de indruk dat hij het ganse wijnarsenaal wilde leegdrinken om daarna – zonder iets te kopen – goed beschonken verder te reizen met zijn vriendinnetje/tolk als chauffeur natuurlijk. Vrouwen kunnen nu eenmaal multitasken. Bij de pientere gastvrouw begon het te dagen en ze wendde zich tot mij. Ik vroeg de Viognier - mijn ontdekking van de avond ervoor - te mogen proeven. Geen probleem uiteraard. Hij was exquis. Tevens zag ik dat ze ook hun Chardonnay en hun rode wijn aanboden, dus vroeg ik ook die andere witte eens te mogen degusteren. Ook deze was voortreffelijk en had hetzelfde prijskaartje. Ik vertelde de châtelaine dat ik haar superbe wijn in een naburig hotelletje had gedronken en dit leek haar wel te bevallen. Ondertussen keek ik even rond in het wat wanordelijke maar gezellige kamertje. Ook de Zwitsers waren met hun proeverij gestart. Ze zagen er niet direct erg happy uit, maar ja die Zwitsers zijn meestal ook zo gereserveerd en ook niet echt vriendelijk te noemen. Anders was het gesteld met de Engelsman die kwam binnenwaaien. Hij hoefde helemaal niet te proeven. Hij wilde enkel zijn voorraad aanvullen. “Ik kom hier meermaals per jaar sinds ik mij hier in de buurt een mas heb gekocht. Hun wijn is uitstekend” verduidelijkte hij aan the American rookie en gaf hem een knipoogje. L’Americano bleef maar uitleg vragen en evenveel drinken. Ik wist genoeg en bestelde vier kartons Viognier. In een wip had de kasteelvrouw mijn bestelling klaar en ze deed er comme cadeau een fles Chardonnay bovenop. Een vrouw die haar wereld kent, dacht ik bij mezelf. Ik betaalde en laadde het bacchusvocht in mijn auto. De koffer, die ik vergroot had door de achterbank weg te kantelen, zat goed vol: een gedemonteerde mountainbike, een bijpassende valhelm, een voetpomp, een schilderij uit een galerie in Gordes, een pas gekochte windgong uit Maussanne, nog wat snuisterijen en dan de Viognier. De vlotte Engelsman kocht zes kartons rode wijn en weer was hij naar zijn Provençaalse woonstee vertrokken. De Zwitsers verlieten het kasteel. De man droeg een karton. Ze stapten in hun auto en vertrokken. Nog voor ik alles had ingeladen was het jonge koppeltje ook buitengekomen. “Het kost te veel om de wijn in Amerika te krijgen” zei het broekventje verontschuldigend tegen de vriendelijke kasteelvrouw. Ze trachtte geen spier te vertrekken.   Ik belandde, via een smalle zandweg, aan de achterzijde van het landgoed waar een vriendelijke man me begroette. Hij leek me wel de kasteelheer, weliswaar niet gekleed in fluweel en brokaat maar in een eenvoudige overall. Enkel op die manier kan je deze delicate wijn maken. Nog een nacht verbleef ik in deze heerlijke landstreek om dan naar huis te vertrekken.

Marc M. Aerts
0 0

Twee Amerikanen in Bonnieux

Mei 2000. Ik stuurde mijn autootje naar Bonnieux, een bergdorpje in de Provence dat geroemd wordt als één van de mooiste in Frankrijk. Het jaar voordien was het slechts een tijdelijke stopplaats geweest en nu wilde ik de kennismaking eens overdoen. Het stratenplan stond nog in mijn geheugen gegrift dus moest het de vorige keer toch indruk gemaakt hebben. Ik had nog enkele ansichtkaartjes van mijn vorig vakantieadres in een postbus te stoppen en toen ik deze had gevonden lachte een terrasje me toe. “Cela fait trois euros cinquante” zei het dienstertje tegen het Amerikaanse koppel tegenover me. De man betaalde met een briefje van twintig. “Hoeveel was het?” vroeg de vrouw aan haar echtgenoot. Hij zei niks en haalde zijn schouders op. “The waitress said it was three euros and fifty. Trois euros cinquante” vertrouwde ik, enigszins stout, de Amerikaanse toe. “Oh, thank you,” zei ze vriendelijk maar wat verbouwereerd. Ik bleef vrijpostig: ”That’s the advantage of being Belgian, we speak any language”. Ik geef toe, ik overdreef een beetje, maar ja ik was ver van thuis en niemand, buiten het Amerikaanse koppel, hoorde mij dat zeggen. “Is that so?” vroeg ze zich wel degelijk af.Ik kon er niet aan weerstaan om ééntalige Amerikanen eventjes te wijzen op onze polyglotte opvoeding in het kleine België. “Have you ever been to America?” had ze graag geweten. Ik knikte. “Wij wonen in Washington,” zei ze, “it’s a beautiful city”. Dat wilde ik graag geloven. “Nu gaan we naar Ménerbes waar deze schrijver heeft gewoond” en ze wees naar het boek op tafel ‘A year in Provence’. “Is Peter Mayle dan verhuisd?” vroeg ik. “Jaja,” zei ze.“Waarschijnlijk kreeg hij teveel bezoek van uw landgenoten” repliceerde ik op een alweer stoute manier. Maar mijn boude uitspraak viel in goede aarde en het koppel kon erom lachen alhoewel ik ze ervan verdacht mij in hun hoofd als brutale vlegel te verwensen. Wijselijk verborg ik mijn verlegenheid dat ook ik, zoals zovele Amerikanen, Engelsen, Hollanders en ga zo maar door, deze streek pas echt had leren kennen door de boeken van deze gewezen Engelse reclameman. Maand na maand beschreef hij in zijn befaamde roman de lotgevallen van hem en zijn vrouw tijdens de eeuwigdurende opknapbeurt van hun lieflijke Provençaalse woonstee. Tijdens het lezen van het boek kreeg je algauw zin om je wagen, de trein of een vliegtuig te nemen hier naartoe. Ik toch. “Enjoy your stay here,” zei haar echtgenoot en rechtte zijn rug. De dame uit Washington stond ook op en knikte instemmend. Ik bedankte ze en wenste hen hetzelfde toe. Ze begonnen aan hun volgende kleine trip. Dat hadden ze dan van de Europeanen geleerd. Zij maakten niet dezelfde fout als de meeste van hun landgenoten met hun: ‘if it’s Tuesday, this must be Belgium; if it’s Thursday this must be Rome …’

Marc M. Aerts
0 0
Tip

Het raadsel

In de verte klinkt een sirene. Brandweer, of politie, of een ambulance. Hij weet dat je ze kunt onderscheiden – twee- of drietonige hoorn, zoiets was het – maar hem lukt het nooit. Hij weet zoveel niet. Meer niet dan wel. Ja, onbenullige zaken, die onthoudt hij. Dingen waar je niks aan hebt. Dat een gemiddeld struisvogelei anderhalve kilogram weegt. En de hoofdstad van Burundi is Bujumbura. Maar waar Burundi ligt, dat weet hij dan weer niet. Gelukkig denkt hij daar nu niet aan, anders moest hij dat eerst opzoeken voor hij ook maar iets anders zou kunnen ondernemen. Soms zit hij uren achter zijn computer, op zoek naar wetenswaardigheden. Dat is heel vermoeiend, maar alleen zijn eetlust kan hem dwingen om te stoppen: de honger naar voedsel is sterker dan die naar kennis. Achter zijn computer eet hij niet, vanwege de kruimels in het toetsenbord. Daarna doet hij zijn jas aan, voor een lange wandeling. Die eindigt steevast in een onooglijk café, met sanseveria’s op de vensterbanken. Het is een café voor oude mensen. De gemiddelde leeftijd van de drie overige vaste klanten schat hij op vijfenzeventig jaar. Hij heeft daar als twintigjarige niets te zoeken, maar iedereen is aan hem gewend geraakt en ze hebben ook wel gezien dat hij geen normale jongere is. Een jongen van twintig die urenlang achter de vrouwentongen gaat zitten, een vergeeld kladblok op het Perzisch kleedje voor zich. Een jongen die zich inbeeldt dat hij schrijver is, maar nog geen letter heeft geschreven. En dat waarschijnlijk nooit zal doen. De barjuffrouw brengt hem ongevraagd elk half uur een kop slappe koffie. Die drinkt hij in gedachten verzonken, zonder melk en suiker, maar hij roert er wel altijd in, soms wel vijf minuten lang. Het lepeltje klingelt vrolijk tegen het hotelporselein. Het komt voor dat hij pas stopt met roeren als één van de klanten heeft gevraagd of de bodem er soms uit moet. Volgens de barjuffrouw is er weer ergens fik. Ze beweegt zich met een hollende tred naar het raam, tilt de geplooide vitrage wat omhoog – meer uit gewoonte dan uit noodzaak, want met haar één meter vijftig kijkt ze er zo onderdoor – en poetst met haar wijsvinger twee kijkgaatjes in de beslagen ruit. Ja, er is ergens fik. Ze zag de rode brandweerauto nog net de brug over razen. De oude mannen interesseert het niks. Zolang het café niet in lichterlaaie staat is er niets aan de hand. De jongen kijkt wel met haar mee, maar zijn ogen staan zo apathisch dat ze ook van hem geen bijval kan verwachten. Ze blijft nog even staan kijken, naar de grauwe straat, de grijze lucht en holt dan in slow motion terug naar de toog. Na vier koppen koffie houdt hij het voor gezien. Hij schuift het kladblok in de binnenzak van zijn jas, betaalt gepast en vertrekt. ’s Avonds kijkt hij naar quizzen op de televisie. Meestal kan hij vrijwel alle vragen beantwoorden, soms is hij zelfs beter dan de superspecialisten die alles weten van Marilyn Monroe, de architecten van de Amsterdamse school, de bisamrat, of de Vlaamse primitieven. Daarna volgt hij de actualiteitenrubrieken en de praatprogramma’s waarin politici, bekende Nederlanders en deskundigen discussiëren met verveeld kijkende presentatoren. Boeken leest hij niet. Dat kost te veel tijd en het ontmoedigt. Na het late journaal gaat hij naar bed, het kladblok paraat op zijn nachtkastje. De volgende dag zit hij weer bij het raam, op zijn vaste plek. De barjuffrouw vindt hem veel te jong voor een vaste plek. Ze moet er niet aan denken dat hij daar de komende vijftig jaar nog zit. Niet dat ze van plan is om zelf nog zolang te werken, maar het gaat om het principe. Voor het eerst spreekt ze hem aan. Ze vraagt hem of hij ooit wel eens iets opschrijft, in dat kladblok van hem, of hij soms schrijver is. De jongen legt zijn smalle hand op het vergeelde papier, alsof hij een obscene tekening probeert te verbergen. Hij heeft het kladblok zomaar bij zich, voor het geval hem iets te binnenschiet. De barjuffrouw heeft iets venijnigs in haar mond klaarliggen, maar ze bedenkt zich en perst haar violette lippen op elkaar. Als alternatief grijpt ze de balpen van het persje en maakt razendsnel een krabbel op het inferieure papier. De jongen moet raden wat het is. Bijna geschokt staart hij naar twee concentrische cirkels in het midden van een rechte streep. Het lijkt of hij gaat huilen. De barjuffrouw tilt onverschillig de vitrage omhoog, vraagt of hij al een idee heeft. ‘Het is een Mexicaan in een kano, van bovenaf gezien,’ zegt hij. ‘Een Mexicaan met een sombrero.’ ‘Gefeliciteerd,’ zegt ze tegen de beslagen ruit en tegen de mannen bij het biljart: ‘En Pierre, wat heeft hij gewonnen?’ ‘Een geheel verzorgde voetreis naar Rome op eigen kosten,’ zegt een man met blauwe vingers. Pomerans, denkt de jongen, het topje van een keu heet pomerans. Iedereen lacht schor. De barjuffrouw grinnikt een triest geluid en laat hem alleen bij het raam. Een dag later komt hij niet langs en de week erna ook niet. De barjuffrouw kan er niet echt mee zitten. Hij was niet bepaald een big spender en echt gezellig kon je hem ook niet noemen. Wat haar wel een beetje dwarszit, is dat zijn wegblijven waarschijnlijk het direct gevolg is van haar gekras in zijn smetteloze kladblok. Het voelt alsof ze hem heeft weggejaagd. Ook één van de oude mannen is het opgevallen dat de jongen er niet meer is, maar het blijft bij een gemompelde constatering van de lege stoel bij het raam. De jongen maakt nog steeds lange wandelingen, maar hij vermijdt het café. In plaats daarvan pauzeert hij op een bank in het park. Als het regent of het te koud is, loopt hij zonder te rusten direct naar huis. Het kladblok heeft hij weggegooid. Hij heeft geen nieuwe gekocht, want dat heeft geen zin. Alles is toch al geschreven.

Grand Foulard
78 0

Nagellak

Ze verschiet.  De tv aan, betrapt.  Tv uit. Sigarettenpeuk weg, geurkaarsen voorzichtig aan. Kauwgum? Op. Ze stak de bijna uitgekauwde kauwgum die bij het thuiskomen op haar onderleggertje van haar glas terechtgekomen was, terug in haar mond. Zat toch nog wat smaak in. Ze ambieert ambitie, want ambitie hoort, toch als ze wil beantwoorden aan het profiel dat ze voor zichzelf vooropgesteld heeft.  Als ze wil dat anderen haar zo zien, dat anderen haar graag zien.   //   "Ja nee, kom maar binnen,... Wacht ik doe open."   Ze liep met halfgelakte nagels verward de trappen af, maar zorgde ervoor dat hij in niets zou merken dat ze niet volledig de vrouw was die hij tot nu toe dacht dat ze was.  "Ik heb nog eens nagedacht over wat ge vorige week poneerde op café, ik geloof dat ik toch die man kan zijn." Zei hij zonder op te merken wat er nu in haar moest omgaan.   "Vanwaar die ommekeer?" Probeerde ze dapper "Gij gaat nooit worden wie ge zoudt moeten geworden zijn. Gij gaat nooit leven naar uwe blauwdruk, naar wat eruit komt als ge zat zijt..."   Ze voelde dat haar woorden niet de woorden waren die ervoor zouden zorgen dat ze zou bekomen wat ze wilde, maar de omkadering om wel die woorden te vinden was ver zoek...   Haar nagels waren nog steeds niet helemaal droog, ze moest oppassen dat haar nieuwe jeans, de muur, of de voordeur zodadelijk niet volhingen. Haar frigo zat vol zaken die ze zogezegd nooit zou kopen, bio was afwezig, hoe lang geleden was ze nog bij die boer geweest voor seizoensgroenten en de bakskes noedels stonden nog op het salontafeltje. Toch hadden haar woorden een ander effect dan datgene wat ze had gehoopt -zachte zinderende seks afgewisseld met filosofische gesprekken eindigend in een evenwichtige relatie volgens haar normen- of verwacht -hij die zwijgend zou vertrekken, voorgoed.   "Komaan, ik ben niet helemaal tot hier gekomen om zonder meer te horen dat ik nooit zal worden wat eruit komt als ik zat ben?" Hij zag er opeens zo echt uit, zijn ogen waren gefocust, hij kwam met een doel.  "Ok, misschien kan ik niet mee in uw nieuwe manier van leven, misschien moet ik het materialisme laten varen, maar daarom heb ik u toch net nodig. Zie het als een kans om iemand te bekeren."  Zijn lip krulde, hij zou nu overgaan naar de lossere babbel. "Wij hebben elkaar toch nodig?"   Zij wilde meer, iemand om naar op te kijken, iemand die haar zou inspireren, een goeroe -maar dan onzweverig en knap- een man die zonder meer weet waarom hij hier is; om de wereld samen met haar te verbeteren. Maar elke keer trapte ze weer in de val, bij hem, bij anderen, bij zichzelf.  Zij was op dit moment diegene die zij hem verweet te zijn... God weet hoe ze haar eigen blauwdruk ooit nog terug zou vinden.   "Wij hebben elkaar nu misschien nodig, maar moeten wij elkaar nodig hebben?  Geen deftige reden om er samen voor te gaan lijkt mij". Klote, een veeg nagellak kwam tegen haar jeans. "Is nodig hebben dan niet genoeg?" "meent ge die vraag?" "ik heb uw nodig of nood aan u, beter zo?" "nood aan mij?" "Moeten we weer die toer op, laat het los Isolde" "U loslaten zult ge bedoelen.   // Plots zaten zijn handen in haar haar.  Dit was eigenlijk onverwacht interessant, omdat hij meestal zonder meer een volger was. "Uw handen zitten in mijn haar" benoemde ze snel, omdat benoemen het enige was wat haar nu nog even de houvast gaf die ze nodig had.   //   Haar haren tussen de noedels, zijn lijf zalig warm.  Eindelijk binnenin.

M A R T H E
0 0
Tip

Binnengluren

‘Wil je even kijken?’   Hij kijkt me aan met grote vragende ogen, glimmend van trots. Onbevangenheid, dat is misschien nog wat ik het meeste mis. Blij zijn om het hier en nu, zonder zorgen om de toekomst of bitterheid door het verleden. Hij kan het nog, ik zie het aan zijn open lach. Maar vast niet lang meer, want het valt me op hoe groot hij wordt. En hoezeer hij op mij lijkt. Ze zeggen dat al lang, mijn moeder, mijn tantes. Ik vond het altijd onzin, maar nu zie ik dat ze gelijk hebben: hij lijkt op mij, heel erg zelfs. Ik lach en buig me naar hem toe, natuurlijk wil ik kijken. Hij geeft me de schoendoos en wijst me de uitsnijding aan, in het midden bovenaan: ‘Hier moet je door kijken.’    Ik verwacht me aan dino’s, of ridders, een maanlandschap vol kraters en buitenaardse wezens. Maar ik schrik wanneer ik in de kijkdoos gluur. Ik herken mijn eigen woonkamer, nagebouwd tot in het kleinste detail. Alles staat er zoals het er al jaren staat: de tafel in het midden met de zes stoelen, de televisie, de sofa, de kamerplant in de hoek, het dressoir compleet met de twee Ming vazen, het aquarium met de guppy’s en de zebravisjes. Op de sofa zitten een man en een vrouw, zijn hand op haar dij. De vrouw herken ik, wie de man is weet ik niet. Ik weet alleen dat ik het niet ben. Aan het deksel van de schoendoos heeft hij een jongen geplakt, hoofd naar beneden. Een zweem van surrealisme in de anders zo perfecte kopie.   ‘Het is prachtig, ik herken het helemaal. Je hebt er vast lang aan gewerkt?’ Hij knikt. ‘Heb je mij gezien?’ ‘De jongen aan het plafond? Waarom heb je jezelf zo erin geplakt?’ ‘Omdat ik altijd gek doe, toch? Gek doen is grappig.’ Ik glimlach. ‘Dat is het zeker, er wordt te weinig gelachen in het leven.’ Ik aarzel even maar zeg het dan toch: ‘Het is een mooi tafereel. Mama ziet er ook gelukkig uit.’ Zijn gezicht betrekt, zijn ogen kijken langs me heen. ‘Ze huilt ook vaak. Niet alles is wat het lijkt, papa.’ Ik schrik, van wat hij zegt maar nog meer van hoe hij het zegt. Tot zover de onbevangenheid. Negen is hij, en toch voel ik me plots het kind.   De hele tijd heb ik hun ogen door het glas op mijn rug voelen prikken. Nu gaat de deur open. ‘Het bezoekuur zit er op, meneer Leo. Neemt u afscheid van uw zoon?’

Lennaert Leo
13 1

Aangevuurd

De avondklok luidde en weergalmde door het ventilatiesysteem zodat het zich verspreidde door alle kamers. Het einde van de dag voor de meeste onder ons. Ik hoorde vanuit de meisjeskamer de grote metalen achterdeuren openen. De jongens die al een week bezig waren met een gat voor een tweede zwembad te graven kwamen binnen en begaven zich naar onze slaapzaal. Alle Doorzichtigen hadden een dun matje gekregen, een van de enige dingen die we mochten bezitten. Op mijn eerste avond toen ik de slaapzaal binnen kwam zag ik dat helemaal achterin de zaal de matjes lagen. Telkens een paar matjes op elkaar. De jongens en de meisjes, zonder speciale bevoegdheden kwamen die avond als eerste de zaal binnen. Het zweet droop van de jongens hun gezicht terwijl het ijskoud was in de sobere, bakstenen zaal. Het enige beetje blauwachtig licht kwam uit een raam waardoor de maan scheen. De jongens ploften neer op de matjes en namen allen een meisje onder de arm die zich dicht tegen hun lichamen drukten. Pas na een tijdje begreep ik dat we de matjes aan de jongens gaven omdat zij het het hardst te verduren kregen en dat het tijdens de winter te koud was om alleen te slapen. Alle Doorzichtigen die mochten gaan slapen waren de gangen uit en Kia die uit haar bed was gekropen vroeg me voor de duizendste keer om te vertellen waar ze naartoe gingen nadat we voor hun hadden gewerkt. Haar bruine ogen glansden van nieuwsgierigheid, maar haar broer had mij verboden iets over de maatschappij in de villa’s te vertellen. Ze wist dat zij boven alle slaven stond en dat we daarom Doorzichtigen werden genoemd. Omdat we niet als mens beschouwd werden, gewoon gebruikt om hun klusjes op te knappen. “Hup, terug in je bed”, gebood ik haar. Ze trok een pruillip maar draaide zich toch om. Ze legde zich op haar bed en wachtte tot ik de deken over haar zou trekken. Ze was een lief meisje met geen slechte bedoelingen ook al kon ze zo genieten van de aandacht die ik haar moest geven. Ik probeerde de roze deken zo goed mogelijk over haar heen te krijgen. Dit ging veel gemakkelijker toen ik mijn linkeronderarm nog had. “Slaapt Audrey al?” fluisterde ze. Ik liep naar de andere kant van de kamer waar het hemelbed van haar jongere zusje stond. Het bruine krullende haar van haar zusje was het enige dat nog boven haar deken stak. Ik knikte naar Kia. “Ga maar gauw slapen”, zei ik. Terwijl zij indommelde, keek ik door het raam naar de volle maan die licht wierp over de bossen naast de tuin. De maan trok mijn bloed aan en fluisterde me in dat ik naar buiten moest gaan. Ik schoof het gordijn voor het raam, en moest meteen toegeven aan de drang. Mijn voeten begeleidden me naar de gang zonder erover na te denken. Op de gang was alles stil. Ik sloot de deur stilletjes achter me en wandelde de gang in. Hij was de hele nacht verlicht en liep door de hele bovenverdieping met een grote marmeren trap bekleed met rood tapijt in het midden. ‘Waar ga je naartoe?’ Ik schrok en draaide me abrupt om. Pilo keek me kalm aan en liet zijn blik even hangen bij mijn geamputeerde linkerarm. Hij herstelde zich snel en glimlachte naar mij, maar een bleef een droevige kronkel in zijn lippen. ‘Het was het waard.’ prevelde ik met mijn blik strak op de grond gericht. Ik voelde zijn fronsende blik op mijn hoofd gericht. Wat?” vroeg hij. “De arm. Het was het waard. Je weet wel, toen ik bij jou…” ik bloosde, zijn blik nog steeds op mij gericht. “Nee, ze namen te veel”, zei Pilo met een diepe stem terwijl  hij voorzichtig het littekenweefsel aanraakte. Een tinteling raasde door mijn hele lichaam. Mijn hele leven al leefde ik volledig volgens de regels die de meesters ons oplegden. Die ene keer dat ik me liet gaan en iets deed wat ikzelf wou, werd ik gestraft. Ik wist wat ze zouden doen als ik met hem gezien zou worden, met de jongste zoon van de domeinmeester die getrouwd is en een zoontje heeft. “Kom even mee naar mijn kamer”, sprak hij zacht. Nu keek ik hem wel aan. Zijn helderblauwe ogen priemden zich in de mijne. Ik was de eerste die opzij keek. De maan schitterde door de talloze ramen en herinnerde me aan de drang. Ik schudde mijn hoofd. “Ik moet gaan.” Ik draaide me om en liep de trap af naar buiten, de bossen in. De seconde nadat het maanlicht over me scheen, voelde ik de energie door mijn lichaam schieten. Ik viel op mijn knieën terwijl de energie zich vanuit mijn kruinchakra verspreidde langs mijn keel naar mijn vingertoppen en zich ontfermde over mijn andere, geamputeerde arm. De energie maakte zijn weg door het littekenweefsel en het voelde alsof het nieuw weefsel aanmaakte. Ondertussen kroop de energie verder naar mijn tenen en gaf de geamputeerde stompjes en stoot waardoor er nieuw weefsel zich ontplooide. Ik pufte nog een tijdje na de laatste energiestoot uit. Mijn huid had een ivoorkleurige glans en mijn linkeronderarm, die de domeinbeulen hadden afgehakt als straf, scheen hersteld. Mijn huid leek verlengd en vergroeid in een handschoen die helemaal van boven mijn elleboog tot over mijn vingers ging, waar helemaal geen beenderen, bloed of vlees meer zaten. Ik stond op en voelde hoe mijn geest verdrongen werd uit mijn lichaam. Mijn bloedlijn stond me toe me te kunnen herstellen ten tijde van de volle maan , maar dat was enkel en alleen omdat mijn moeder me bloed had toegediend van een vrouw met de gave. Vroeger stroomde er gewoon bloed van een slaaf door mijn aderen. Maar mijn moeder werd bang toen ze me naar een andere afdeling in de villa brachten en droeg in een nacht wat bloed van de vrouw over aan mij zodat ik de gave overkreeg. Ik wist dat ze het goed had bedoeld, maar telkens wanneer de volle maan boven me uit torende waren de gedachten van die vrouw en de mijne onscheidbaar. Ik voelde haar verdriet, kon kijken in haar verleden ,wist haar bedoelingen, maar zat vast in de huls van mijn lichaam. Ze gebruikte mij als haar marionet om wraak te nemen op de dood van haar jongste dochter die door de domeinheer was verkracht en daarna vermoord. Lopend naar een van de geheime achterdeuren van de villa, besloot ik/zij dat ik eerst langs de keuken moest. Deze zat helemaal aan de andere kant van het gebouw dus versnelde ik mijn pas. De keuken bestond uit ijzeren kasten, ijzeren tafels en ijzeren fornuizen en was helemaal verlaten. Ik begon te zoeken door de lades van de kasten, rammelde door het bestek en vond uiteindelijk een vlijmscherp mes achterin de afwasmachines. Het mes had een lemmet dat bedekt was met zwart leder en waarvan de rand juist geslepen was. Ik voelde het gewicht ervan in mijn handpalm en vertrok gewapend naar de vertrekken van de mensen in de villa. Hoe dichter ik bij de slaapvertrekken kwam, hoe ondraaglijker haar verdriet werd, hoe harder ik haar zin naar wraak kon proeven. Aangevuurd door haar verlangen sloop ik, met het mes in mijn hand, een kamer binnen waarin zij me stuurde. Een man zat voorovergebogen over zijn bureau. Door het licht van de bureaulamp kon ik enkel zijn silhouet zien. De ziel van de vrouw liet me met beide handen het mes oprichten en stapte op de man af. Hij schrok op van het geluid en draaide zich met een ruk om. Zijn helderblauwe ogen schoten open van verbazing. Mijn ziel werd wakker geschud bij het zien van Pilo. Het was logisch, de vrouw wou de domeinheer kwellen op dezelfde manier als zij gekweld was. Door het vermoorden van het jongste kind. Pilo stond op en liep op me af.  

Myrte VC
0 0

Vanilleherinneringen

    Ik kijk naar zijn handen. Ik wantrouw ze. Iedere dag. Telkens weer. Wat gaan ze nu weer doen? Zachtjes strelen de vingers over mijn broze huid. Een zakdoek passeert nu en dan langs mijn gezicht, deppen de tranen die uit mijn ogen rollen. Een druppel vocht drupt uit mijn neus en wordt door dezelfde zakdoek gedroogd. En dan vang ik de geur op. Vanille… Vanille?? Vanille!!   Twaalf ben ik. Een heel bedeesd jong meisje van twaalf. Geen dag jonger, geen dag ouder. Ik ben jarig vandaag… In de keuken geurt het naar gebak met vanille. De warme geur verspreidt zich tot in de woonkamer. Van daaruit loer ik naar moeke in haar rood met wit geruite schort. Mijn moeke, de liefste van de wereld. “Madeline, breng je een stukje naar meneer pastoor?” Vluchtig steekt ze wat cake in haar mond. Haar blonde krullen schommelen zachtjes. Haar ogen schitteren. Haar lippen dansen. Mijn moeke is mooi, zelfs in haar schort. Ik ga iedere zondag naar de kerk. Moeke in haar mooiste mantelpakje, vake in zijn beste kostuum – waarbij aan de vest een knoop ontbreekt – en ik er tussenin… “Nou Madeline, breng meneer pastoor maar een stukje.” Ze stopt een pakketje in mijn handen en kust mijn wang. Haar huid is zacht. “Voorzichtig onderweg, Madeline.” Haar vingers strijken door mijn haar en dan ben ik huppelend weg.   Meneer pastoor lust graag gebak. Meneer pastoor lust alles, zei moeke lachend. Het is de eerste keer dat ik alleen naar hem toe ga.   Vanille! De herinneringen dringen zich op. Ze ontpoppen zich vliegensvlug, teisteren de rustige kabbeling van gedachten in mijn hoofd. Nooit vergeet ik het. Het staat in mijn verschrompelende hersenen geprent en ik ken het scenario zoals een priester zijn bijbel kent. Of zou moeten kennen! Paniek slaat toe en als een onbezonnen gek begin ik de handen die mijn gezicht aanraken, weg te duwen. Ik probeer woorden te formuleren en hoor enkel en alleen de krassende klanken uit mijn mond. Ik voel hoe het speeksel langs mijn kin druipt, hoe de handen opnieuw de zakdoek in mijn gezicht brengen. Snappen ze het dan niet? Vanille! Vanille! Met gebalde vuist, waarvan de knokkels met bijna doorzichtig vel overtrokken zijn, sla ik in zijn gezicht. Sla ik waar ik hem raken kan. Geschrokken verdwijnen de handen, met het hele lijf eraan, uit mijn kamer.   Ik sta op de toppen van mijn tenen om bij de bel te kunnen van het hoge herenhuis. Met in de ene hand het pakketje vanilletaart en de andere nog gestrekt, gaat de deur onmiddellijk open. Ik val bijna voorover maar kan nog net mijn evenwicht bewaren. “Welkom, mijn kind! Wat brengt jou hier?” Meneer pastoor ziet het pakje, neemt het meteen over en grijnst: “Dat ruikt naar vanille! Heerlijk! …En jij wordt al een flinke meid, hé, Madeline?” Hij knijpt zachtjes in mijn wang. Ik heb het niet graag. “Ja, meneer pastoor!” Moeke heeft me geleerd om heel beleefd te zijn tegen de volwassenen, ook als ik hen niet leuk vind. De pastoor neemt het pakje, opent het en houdt het tegen zijn grote neus. “Ah, heerlijk!” Hij kraakt een stuk af en propt het gulzig in zijn mond. Dan nog één erbij. Zijn wangen staan zo bol dat ik bang ben dat ze zullen openbarsten…   “Kom Madeleine!” ’t Is Madeline, weten ze dat nu nog niet? Twee paar handen knijpen mijn armen vast, terwijl een derde paar iets in mijn mond wil brengen. Ik pers mijn lippen op elkaar. Misschien willen ze mij vergiftigen? Misschien maken ze me wel dood? “Vooruit Madeleine! Doe je mond open! We hebben ‘een borreltje’ voor jou! Vooruit, doe die mond open!” Uit alle macht probeer ik me uit hun greep te worstelen. Maar tegen één man en twee vrouwen ben ik niet opgewassen. Ik, een bejaarde vrouw van achtentachtig, kan niet anders dan het onderspit delven. Met immens verdriet laat ik het waterachtige goedje mijn keelgat binnenglijden. “Goed zo, Madeleine! Daar word je straks rustig van.”   “Kom binnen, Madeline.” “Euh, moeke heeft gezegd dat ik de cake moest brengen en dan terug naar huis… Ik ben jarig vandaag…” “Ach, zo, je bent jarig? Twaalf geworden, Madeline?” Bedeesd knik ik en staar naar de gepolijste schoenen van meneer pastoor. Ze blinken. Misschien kan ik me er wel in spiegelen? “Als je twaalf bent, dan moet je de liefde van god leren kennen, meisje. Je moeke begrijpt dat wel…kom maar eventjes binnen.” Zijn stem dwingt mij. Nog steeds met gebogen hoofd zet ik voet voor voet over de drempel. Meteen voel ik een harig tapijt onder mijn voetzolen. Meneer pastoor slaat de deur achter me dicht. Het is donker in de hal. Te donker. In de schemering zie ik een hoge zetel. Meneer pastoor gaat erin zitten en trekt me op zijn schoot. “Zo gaat dat met meisjes van twaalf, Madeline. God heeft hen speciaal uitverkoren om zijn liefde te betuigen…” Ik snap die woorden niet. Zijn gezicht komt dichterbij, zijn adem ruikt naar vanille. Ik trek me achteruit. “Kom kom, Madeline, niet zo verlegen…” Zijn dikke vingers glijden over het stukje huid tussen mijn lange witte sokken en mijn blauwe plooirokje. De worstjes, zo zien zijn vingers eruit, klimmen onder mijn rokje, kruipen mijn slipje binnen. Ik ben bang. Dit hoort niet. Niemand heeft me er ooit iets over gezegd, maar dit hoort niet…Ik kan hier niet blijven en probeer van zijn schoot af te komen. Het lukt niet. “Ik moet naar huis…” fluister ik. “Hmm. Straks, Madeline. Straks…” Zijn stem klinkt hees. Zijn andere hand grijpt in het pakje vanillecake….   “Moeder! Moeder! Help mij! Kom mij toch helpen, asjeblieft! Moeder waar ben je? Help me dan! Mooooeeeeder!!!!” Hij komt de kamer binnen. Ik heb hem niet nodig. Ik heb moeke nodig… “Madeleine, hou nu toch eens op! Je maakt iedereen onrustig! Je woont hier niet alleen, hoor! We hebben nog zesentwintig andere bewoners! Heus, je bent echt niet de enige…” “Mooooeeeder!!!!” “Verdomme, Madeleine! Je moeder is allang dood!” Hoofdschuddend trekt hij de deur achter zich dicht. Ik zit terug alleen…en toch niet…   Hij propt de vanillecake in mijn mond. “Proef eens, Madeline. Lekker, niet?” Dan drukt hij zijn vlezige lippen op de mijne, duwt zijn tong in mijn mond. Ik hap naar adem en verslik me bijna in de cake. Overal ruik ik vanille, smaak ik vanille. Mijn maag keert zich om. Mijn hoofd duizelt. Ik voel zijn vingers bewegen in mijn slipje. Opeens zet hij me terug op de grond. Ik geloof niet dat ik ervan af ben. Ik krijg gelijk. De pastoor heft zijn zwarte kleed op. Poseert trots zijn blote onderlichaam. Mijn ogen ontdekken een enorm gezwollen ding. Mijn hart klopt in mijn keel…Wat stelt dit voor? De angst vreet aan mijn lijf. Ik heb het koud. Dit is helemaal niet meer normaal… “Wees maar niet bang, Madeline, dat is de liefde van god…” Hij drukt me op mijn schouders naar beneden, legt me neer op het harige tapijt. Meneer pastoor schuift mijn rokje omhoog en mijn slipje naar beneden en duwt dat enorme ding tussen mijn benen. Zijn zwarte gewaad bedekt een deel van mijn gezicht. Hij kreunt. Ik schreeuw het uit. “Het doet pijn!” Hij luistert niet. Het kind in mij bloedt langzaam dood…   “Moeke,” prevel ik. Moeke antwoordt niet. Ik ben alleen. Helemaal alleen in deze vreemde kamer. In mijn hoofd tuimelen de herinneringen door elkaar.   “Ik lust geen vanilletaart! Ik wil geen vanillewafeltjes! Ik moet geen vanille-ijs!   Mijn oogleden voelen zwaar. Mijn hoofd ook. Het borreltje, denk ik. Met mijn gerimpelde handen veeg ik de tranen weg die over mijn wangen stromen.   Het kind in mij sterft wederom een vanilledood…  

R Ryckoort
44 0

S.N.O.B.O.

9.10 u. Nog drie minuten. Ik haalde het kaartje uit mijn zak. Voor de tweeëndertigste keer bekeek ik het adres, dat ik inmiddels uit mijn hoofd kende. De straat klopte, het nummer ook. Boven de deur hing in afgebladerde goudkleurige letters ‘S.N.O.B.O.’, een naam die overeen kwam met de naam op het kaartje dat ik nog steeds in mijn hand klemde. Ik ijsbeerde en probeerde mezelf te overtuigen dat ik hier goed aan deed. Wat had ik te verliezen? 9.11 u. Nog twee minuten. Een kleine week geleden reageerde ik op een advertentie in de streekkrant: “Ben jij ondernemend en dynamisch? Hou je van uitdagingen? Ben je flexibel en denk je ‘outside the box’? Dan ben jij de M/V/of-iets-anders die we zoeken! Stuur je kandidatuur vandaag nog op.” Hoewel de advertentie noch specifieke vereisten noch een duidelijke functieomschrijving vermeldde, waagde ik het erop. Het voorbije jaar had ik honderdentwaalf sollicitatiebrieven verstuurd, waarvan de helft nooit beantwoord werd. Van de andere helft kreeg ik een beleefde brief terug waarin stond dat ze op dit moment geen vacatures hadden, maar dat ze mij zouden contacteren indien een gepaste functie vrijkwam. Een afwijzing meer of minder maakte me dan ook niets meer uit. Enkele dagen later ontving ik al een antwoord. Toen ik de bruine enveloppe opende, was ik voorbereid op de standaard afwijzingsbrief die ik inmiddels woord voor woord kon citeren. Tot mijn verbazing werd ik uitgenodigd voor een gesprek. 9.12 u. Nog één minuut. Ik bekeek het gebouw waar ik voor stond. Het deed me denken aan het cafeetje waar mijn sollicitatiegesprek had plaatsgevonden. Het was een onopvallend, smal pand op de hoek van een ietwat groezelige steeg waar ik in normale omstandigheden geen aandacht aan zou besteden. Ergens in een hoekje van dat cafeetje zat ik met mevrouw Boons aan een petieterig, rond tafeltje. Ze was helemaal niet geïnteresseerd in mijn capaciteiten of vorige werkervaringen. Ze stelde vooral gerichte vragen in de trant van ‘Wat als er, tijdens de werkuren, twee kabouters je vragen mee te gaan op zoek naar het einde van de regenboog? Ga je mee of niet? En indien je meegaat, wat zou je doen met jouw deel van de goudstukken?’ Toen mevrouw Boons uitgevraagd was, stak ze haar hand naar me uit. “Proficiat,” zei ze, “je hebt de job.” Verbaasd schudde ik haar hand. Ze stond recht, gaf me haar kaartje en zei: “Ik verwacht je maandag stipt om 9.13 u.” Nog voor ik iets kon zeggen, had ze zich omgedraaid en hinkelde ze het café uit.  9.13 u. Het was tijd. Ik opende de deur. Klingelingeling. “Mooi op tijd,” klonk het toen de deur achter me in het slot viel, “daar hou ik van, euh, wat was de naam ook weer?” “Billie,” zei ik. “Wel, Billie, welkom in S.N.O.B.O.” De winkel was vanbinnen groter dan je zou verwachten als je het langs de buitenkant zag. Deze stond vol met hoge rekken en kleine tafeltjes in alle mogelijke formaten en kleuren. “Vanaf vandaag wordt dit jouw territorium”, zei mevrouw Boons en wees rondom zich. “Zoals je ziet, verkopen we hier allerhande curiositeiten, van zeldzame boekexemplaren tot ongewone snoepjes tot eeuwenoude juwelen tot exotische kruidenextracten. Alles is alfabetisch gerangschikt. Hou het zo, dan vind je alles altijd gemakkelijk terug. Jouw taak simpel: je verkoopt alles wat je hier ziet en je vult de stock aan. Het maakt niet uit met wat, zolang het maar interessant is. Ik kom af en toe langs om alles eens na te kijken. Hierin,” ze duwde een dikke map in mijn handen, “zit alles wat je moet weten in verband met de openingsuren, contacten, budgetten, … Kortom, als je iets moet weten, vind je het daar wel in. Nog vragen?” Voor ik ook effectief iets kon vragen, sprak ze zelf opnieuw. “Goed zo. Alles wijst zichzelf uiteindelijk wel uit. Dit is je contract,” ze gooide een bundeltje papieren in mijn richting, “teken het en zend het op. Het adres staat op deze enveloppe.” Ze gaf me de enveloppe, het adres was er netjes opgeschreven en in de rechterbovenhoek hing al een postzegel. “De winkel opent over zeven en een halve minuut. Veel succes”, zei ze nog. Ze draaide zich om en hink-stap-sprong de winkel uit. 9. 28 u. Tijd om open te doen. Ik draaide het bordje aan de deur om zodat er nu ‘open’ stond in plaats van ‘gesloten’. Onmiddellijk, alsof er iemand op de wacht had gestaan, klonk de bel. Een man met een lange regenjas, bijpassende hoed en zwarte zonnebril strompelde binnen. Hij vroeg honderdentwee gram gedroogde zeepeperalgen. Mijn eerste klant. Ik was tegelijkertijd enthousiast, zenuwachtig en lichtjes in paniek. Zeepeperalgen, zeepeperalgen, waar zou ik die vinden? Bij de ‘Z’ waarschijnlijk. Ik liep de hele winkel door tot aan de ‘Z’. Zandsteenkoekjes, zatte goudvissen, zebrastrepen, aha hier, gevonden, tussen het zeekaravaan en de zinkmolentjes. Ik nam de grote glazen pot van het rek, hij woog zwaarder dan ik verwachtte, en hinkte ermee terug naar de toonbank. Ik zocht een plastic zakje. Ik trok de lades één voor één open, het leek alsof de toonbank alleen maar uit lades bestond. Eindelijk trok ik er één open waar er in zat wat ik zocht. “Honderdentwee gram was het, hé, meneer?” vroeg ik. De man knikte. "Mag het ietsje minder zijn?" De man knikte. “Ik heb jou hier nog nooit gezien”, zei hij. “Dit is mijn eerste werkdag. En eigenlijk ben jij mijn eerste klant.” De man reageerde nauwelijks.  “Dat is dan één zilveren zeepje en drie bronzen bijltjes, alsjeblief”, zei ik. Hij betaalde en toen hij weg was, zag ik dat zijn enorme, dikke, glibberige staart een slijmspoor had nagelaten. Ik zuchtte. Nog maar één klant gehad en ik kon al beginnen dweilen. 11.08 u. Klingelingeling. Ik zigzagde van tussen de rekken – die ik in de tussentijd aan het verkennen was – naar de toonbank. “Wat doe jij hier?” vroeg ik verbaasd toen ik de ‘nieuwe klant’ herkende. “Wat een vriendelijk ontvangst, zeg”, zei Triverius. “Ontvang jij iedereen zo? Of enkel je vrienden?” Triverius is één van mijn huisgenoten. Van nature was ze een panda, maar zij vond dat diezelfde natuur een grote fout had gemaakt. Ze zag er langs de buitenkant niet uit hoe ze zich vanbinnen voelde, als een zebra. Daarom beschilderde ze haar vacht met zwart-witte strepen. “Nee, natuurlijk niet”, zei ik. “Wat vind je ervan?" "Ziet er tof uit", zei ze terwijl ze rondkeek. "Wat kom je eigenlijk doen?" vroeg ik. "Je steunen op je eerste werkdag", zei Triverius. "Echt?" vroeg ik sceptisch. "Natuurlijk", zei ze met gespeelde verontwaardiging. "En Faro? Slaapt die nog?" vroeg ik. Triverius knikte. Faro is een andere huisgenoot en tevens mijn beste vriend sinds, sinds altijd eigenlijk al. Hij werkte op dat moment als nachtwaker in een ijssalon. Hoelang dat nog zou duren, wisten we toen nog niet. Zijn vorige job als snoepverkoper was hij al na anderhalve dag kwijtgespeeld. In plaats van de snoep te verkopen, bouwde hij er kastelen, ridders en snoepspuwende draken mee die niemand dan mocht aanraken. "En Carioca?" vroeg ik. "Die zit op het dak te mediteren. Hij wil niet gestoord worden." Carioca was mijn derde huisgenoot. Hij was sjamaan van opleiding, maar zat nu in een periode dat hij niet goed wist wat hij wou doen. Daarom hield hij zich de laatste tijd vaak bezig met mediteren, dan kon hij beter nadenken. "Dus eigenlijk kom je langs omdat je je thuis verveelt?" "Zo kun je het ook stellen, ja." "Dan heb je geluk. Ik ben daarjuist iets tegengekomen dat perfect zou zijn voor jou.” Ik kronkelde terug naar de ‘Z’ en zocht de rol met ‘zebrastrepen’. “Wat denk je hiervan?” vroeg ik. “Dat zou echt goed van pas komen”, reageerde ze enthousiast. “Hoeveel denk je nodig te hebben?” “Zo’n twintig vierkante meter zal wel voldoende zijn.” “Dat is dan vijf zilveren zeepjes en twee bronzen bijltjes.” “Amai, dat is ook niet goedkoop. Kan je er geen vriendenprijsje van maken?” “Dat kan ik echt niet maken, het is mijn eerste werkdag. En daarbij, denk aan al de verf die je nu gaat uitsparen.” Klingelingeling. Een nieuwe klant sprong naar de toonbank. Ondanks zijn zwanennek torende hij er nauwelijks boven uit. Dat had veel te maken met het feit dat die nek balanceerde op een geel-bruin gestreept kattenlijfje waar twee kikkerbilletjes onder uit piepten. “Je bestelling ligt klaar”, zei hij met een verbazend diepe, hese stem. “Welke bestelling?” vroeg ik. Hij negeerde mijn vraag compleet. “Je kan ze op dit adres komen halen.” Hij gaf me een dubbelgevouwen A8’tje. Ik leunde naar voren om het aan te nemen. “Ik zal het straks, tijdens de middag komen ophalen. Dan is de winkel toch gesloten.” “Ik zal het doorgeven”, zei de koerier en hopte terug naar buiten. 11.59 u. Ik draaide het bordje ‘open’ terug om naar 'gesloten'. Mijn eerste halve werkdag zat er al op. Al bij al was alles goed meegevallen. “Moet je echt nu gaan?” vroeg Triverius. “Ik had gehoopt dat we samen iets konden gaan eten over.” “Ik moet wel. Het is een bestelling voor de winkel”, zei ik. “En daarbij, het is niet ver. Volgens dat briefje is het in deze straat. Het zal wel niet zo lang duren.” “Ik ga mee”, zei Triverius. “Ik kan je helpen dragen.” “Klinkt goed”, zei ik. Ik had helemaal geen idee hoe groot of hoe zwaar die bestelling zou zijn. "En dan gaan we erna snel iets gaan eten." 12.07 u. We stonden voor de deur. Er hing een briefje op: Gelieve bestellingen achteraan af te halen. We gingen langs achteren en kwamen terecht in een enorm magazijn. Een kangoeroe met een oranje, papieren hoed en paarse strik huppelde ons tegemoet. “Euh,” begon ik aarzelend, “ik kom een bestelling ophalen.” “Naam?” vroeg de kangoeroe. “Billie”, zei ik. Ze nam een klembord uit haar buidel en overliep een lijst. “Die bestelling staat wel niet op mijn naam”, zei ik. De kangoeroe zuchtte. “Op wiens naam dan wel?” vroeg ze. “S.N.O.B.O. Of misschien Boons”, zei ik. “Mevrouw Boons?” vroeg de kangoeroe. Ik knikte. “Ah, ben jij de nieuwe?” Ik knikte opnieuw. “Aangenaam, ik ben Akila.” Ze stak haar poot uit. “Adriaen!” brulde ze. Een oudere man met felgekleurde hanenkam kwam aansloffen op schoenen die minstens maat 48,7 moesten zijn. “De bestelling voor mevrouw Boons”, zei Akila. De oudere man schuifelde weer weg. “Hoelang werk je er al?” vroeg ze toen Adriaen uit het zicht verdwenen was. “Vandaag is mijn eerste dag”, zei ik. Ze bekeek me van top tot teen. “Succes”, zei ze. “Dank je”, zei ik. “Tot nu toe is alles vlot verlopen. De rest zal ook wel meevallen.” “Misschien. Ik hoop dat je het langer volhoudt dan de anderen.” “Hoezo?” vroeg Triverius. “Wel,” zei Akila en ze dacht eventjes na, “eentje is het na een uur afgestapt omdat hij bijna werd opgegeten door een verzameling kikvorsschorpioenen. Een ander had een gaslek veroorzaakt en heeft het niet overleefd. En je directe voorganger is verloren gelopen in het doolhof dat achter de winkel ligt. Allez, dat denken we toch. We hebben hem nooit meer teruggezien.” Ondertussen kwam Adriaen terug met drie kartonnen dozen “Hoeveel weegt het?” vroeg Akila aan Adriaen. “Drie kilo tweehonderdzevenenvijftig en een half.” “Dat zijn dan drie opdrachten”, zei Akila tegen me. “Hoe bedoel je?” vroeg ik niet-begrijpend. “Zoals ik het zeg. Je bestelling kost drie opdrachten. Jij voert die uit en dan kan je je dozen meenemen.” “Dat gaat toch niet te lang duren?” “Wees gerust. Het zijn drie kortjes. Klaar voor opdracht één?” Ik knikte. Akila gaf me een groot blad groen papier. “Hier”, zei ze. “Maak er een mooie hoed van.” Dat was niet zo moeilijk. In één, twee, drie had ik dat blad papier omgevormd tot een prachtig hoofddeksel. Akila nam het aan, keurde het grondig, gooide haar oranje hoed weg en zette de nieuwe op haar hoofd. “Opdracht één heb je volbracht”, zei Akila. De tweede opdracht luidde als volgt: ‘Zing van achter naar voren Altijd is Kortjakje ziek terwijl je op en neer springt op één been en je armen in de lucht houdt.' Dat klonk gemakkelijker dan het was. Ik ben drie keer opnieuw moeten beginnen. "De derde en laatste opdracht is," zei Akila, "sta langer stil dan die lantaarnpaal." “Welke lantaarnpaal?” vroeg ik. “Die daar.” Akila wees naar een paal die enkele meters verder in een hoek stond. “Dat meen je niet? Dat duurt eeuwen.” “Je kan de bestelling ook hier laten.” “Nee nee, ’t is al goed.” Ik positioneerde me zo comfortabel mogelijk en bleef stil staan. Ik bleef staan en bleef staan om daarna nog wat langer onbeweeglijk stil te staan. Ik begon kramp te krijgen in mijn rechterkuit en mijn neus begon te kriebelen. Na wat wel een eeuwigheid leek, moest de lantaarnpaal niezen. Wat een geluk voor mij. “Voilà, de betaling is in orde”, zei Akila. “Tot de volgende keer.” 18.13 u. Ik kwam thuis en een geweldige geur drong mijn neusgaten binnen. "Het ruikt heerlijk", zei ik. “Het is je lievelings,” zei Faro, “gebakken spruitvogelfilet.” “Mmm”, likkebaarde ik. “Het is bijna klaar”, zei hij. “Triverius,” riep hij, “dek jij eens de tafel.” “Wat denk je ervan?” vroeg Triverius toen ze de keuken binnenparadeerde. “Het staat je prachtig”, zei ik. Ze had de lap zebrastrepen die ik haar had verkocht, omgetoverd tot een prachtig pak. “Hoe was je eerste werkdag eigenlijk?” vroeg Faro. “Nog bestellingen moeten afhalen?” “Nee, gelukkig niet”, zei ik. “Nog veel verkocht deze namiddag?” vroeg Triverius. “Dat viel mee. Enkele giftige reuzenpaddenstoelen, een paar doorgespoelde goudvissen en wat zure zoethoutstokjes”, zei ik. “Zit Carioca nog altijd op het dak?” Triverius schudde haar hoofd. “Hij zit nu in de kastanjeboom.” “Moeten we hem niet gaan zeggen dat het eten klaar is?” vroeg ik. “Hij wou absoluut niet gestoord worden”, zei Triverius. “En daarbij, als hij honger krijgt, zal hij wel naar beneden komen.” “We kunnen aan tafel”, zei Faro. Eindelijk. Ik scheurde van de honger.

Jenna
0 0

Moeders en dochters!

  Het laatste gesprek tussen moeder en dochter had Maria diep gekwetst. Toen ik haar daarnet ontmoette, liep haar gemoed vol. -”Voor die dochter van ons hebben wij alles gedaan”, was haar stelling. “We hebben haar al drie keer terug op haar poten gezet plus tot driemaal toe een nieuw huis voor haar gebouwd!” Conny bleek een eigenwijs meidje geweest te zijn: haar studies had ze afgebroken op achttienjarige leeftijd. Een jaar later kwam ze thuis zeggen dat ze ging trouwen. Geen enkel argument: te jong, geen job, geen inkomen, kon haar van idee doen veranderen. “Ze trouwde met grote sier, we schonken haar een perceel bouwgrond naast ons huis, bouwden daarop een bungalow. Vooraleer deze echter voltooid raakte, liep het huwelijk al op de klippen”, ging Maria verder. “Wat we niet wisten was, dat ze die bouwgrond in de huwelijksgemeenschap had ingebracht. Dus werd de ruwbouw verkocht en wij waren onze grond kwijt. Conny kwam terug bij ons inwonen. Gelukkig had ze inmiddels vast werk gevonden…” Maria’s stem stokte, want ook met haar jobs had Conny gejongleerd. “Ik kan niet meer tellen hoe dikwijls die al van werk veranderd is”, snikte Maria. “Dat heeft ze toch niet bij ons gezien: Mon heeft heel zijn leven op dezelfde fabriek gewerkt en ik heb twintig jaar gediend bij dezelfde dokter.” De tranen rolden over haar wagen en deze anders zo sterke en robuuste vrouw zien wenen, beroerde ook mij. Ik bood haar een zakdoek aan. - “Ze heeft zich toch blijkbaar steeds verbeterd, Maria”, trachtte ik te troosten. “Conny werkt nu toch als PR-dame voor een groot bedrijf, verdient blijkbaar goed en ziet er steeds schitterend uit.” - “Ja, maar kan zij nu eens niet tevreden zijn met wat ze heeft: moet dat steeds wat anders zijn? Ze blijft maar op zoek naar een betere job, naar een betere partij. Wat de job betreft, daar kan ik mij niet over uitspreken”, zei Maria. “Ik ken die hele PR-wereld niet maar wat de mannen betreft … Na haar huwelijk ging ze vrij vlug samenwonen met Bob en geraakte ze zwanger. Ze kochten samen een grond in een nieuwbouwwijk en weerom hielpen we haar met de bouw van dat huis, zowel daadwerkelijk als financieel. Joerie was nog geen drie, toen ze Bob verliet. Ze waren uit elkaar gegroeid, was de uitleg. Natuurlijk, Bob bleef gewoon de werkman, die hij altijd geweest was maar onze Conny vertoefde inmiddels in VIP-tenten, bij VIP-mensen en Bob was niet goed genoeg meer! Bob kocht het huis in en Conny bouwde een derde nieuwbouw en weerom was het papa, die vloerde en voegde, waren het papa en mama, die schilderden en boenden. Het kind was blijkbaar een struikelblok om vlug terug een relatie te beginnen, zeker met een of andere VIP-man. Ze kwam af met een ingenieur, een zakenman, een piloot maar de enige die bleef was die magazijnier met zijn drie kinderen!” - “Je klinkt verbitterd, Maria”, merkte ik op. Mon, haar man, was er komen bijstaan en had het laatste van het gesprek gehoord. Hij schudde zuchtend zijn hoofd. - “Ze geraakt er niet over!” zei hij. -“Jij dan wel?” snauwde Maria hem toe. “Vind jij het dan niet erg, na al wat we voor haar gedaan hebben, dat ze ons buitensmijt, het slot verandert en dat we ook nog eens onze kleinzoon kwijt zijn.” - “Vooral dat laatste vind ik inderdaad erg”, zei Mon. “De rest zal mettertijd wel goed komen.” - “Ja, als het weer eens afgeraakt met Stef, dan zullen we weer de goeden zijn, dan mogen we weer opvangen, troosten en bijschieten.” - “Jij wilt je dochter niet delen!” riep Mon kwaad en hij stapte op zijn auto af. Maria liep rood aan. Het was duidelijk dat ze kwaad was, maar misschien zat er wel waarheid in wat Mon zei, misschien was dat wel moeilijk voor elke ouder. - “Ik had er best vrede kunnen mee nemen als onze Conny op een normale leeftijd was getrouwd met een normale man en een normaal huisgezin had gesticht …”, begon Maria, maar ik onderbrak haar. - “Wat is normaal, Maria? Wij dachten dat loyaal zijn aan onze baas een meerwaarde was. De jeugd zegt nu dat we kansen hebben gemist. Wij dachten dat de ideale toekomst: huisje, tuintje, kindje was maar onze jeugd wil haar talenten benutten, wil carrière maken, wil een eigen leven. Wij trouwden voor het leven maar jonge mensen willen niet berusten in een situatie, die hun geen voldoening meer schenkt. Wij vinden dat de jeugd van tegenwoordig het allemaal zo anders doet, maar zouden onze ouders dat ook niet van ons gedacht hebben?”     - “Mijn ouders hadden negen kinderen en alleen vader bracht geld in het laatje. Wij hadden zoveel kansen niet en wij moesten zeker niet op geldelijke steun van onze ouders rekenen, nadat we het huis uit waren. Van je veertien jaar gaan werken, je loon afgeven tot je trouwde en nadien je plan trekken: zo ging dat bij ons vroeger.”       - “Vroeger is voorbij, Maria, tijden veranderen”, zei ik.                 Ze zuchtte, snoot haar neus en ging naar haar man toe, die daar al een tijdje teken stond te doen dat hij ging vertrekken. En ik … ik kon niets anders doen dan hen het beste wensen.

Hope
0 0

De wolkendame

Haar naam klinkt als de naam van een lieflijke vrouw. Als een engel die te mooi is voor de aarde. Zo één met lange, blonde haren en een porseleinen gezichtje. Zo één met een lang, wolkenwit kleedje en een gouden harp waar goddelijke klanken uit komen. De wolkendame, een prachtige verschijning voor een prachtige naam. Alleen was ze alles behalve een prachtige verschijning. De wolkendame dankt haar naam aan haar omvangrijke lichaam. Haar buik golft onder haar bebloemde kleed en doet me altijd denken aan wolkjes. Ik stel me voor dat de wolkjes net als springkastelen zijn en ik van de ene naar de andere kan springen en zo meters hoog in de lucht kan vliegen. Ik denk dat als ik op de buik van de wolkendame land, ik hoger vlieg dan de huizen in onze straat. Jammer genoeg mag ik het niet proberen van mama. Op het bolle lijf van de vrouw zit een even bol hoofd dat ik met moeite kan zien als ik te dicht bij haar sta. Aan haar bol zitten grijze krullen en snorharen vastgeplakt. Op de punt van haar neus staat er een brilletje dat veel te klein is voor haar grote hoofd. Haar wangen zijn naar beneden getrokken, al weet ik niet door wie. Het moet wel fijn zijn om eens aan haar wangen te hangen. Jammer genoeg mag ik dat ook niet van mama. Ik mag ook niets. In plaats van handen heeft ze ronde aanhangsels met dikke worstjes aan. Vreemd dat de hond zich nooit vergist, hij eet graag worstjes. Haar achterwerk heeft wat weg van het Himalaya-gebergte waar ik op school over heb geleerd, alleen mag je die niet beklimmen. Enkele keren per jaar komt ze op bezoek, dan neemt ze een hele doos ranzige koekjes mee die ze één voor één in mijn mond propt. Dat ik vel over been ben, zegt ze dan, en of ik wel genoeg te eten krijg? Jongens moeten tenslotte heel hard groeien, in lengte en breedte! Geen enkele vrouw verkiest een mager ventje boven een echte, stevige man. Dat zijn niet de grootste zorgen voor een vijfjarige, zegt mama dan. Pas maar op, anders wordt die jongen van jou maar een schraal mannetje, preekt ze met haar vinger dreigend naar mama. Met grote ogen bekijk ik het tafereel dat zich voor mij afspeelt, zouden ze vergeten zijn dat ik hier zit? Misschien moet ik eens op en neer wippen op mijn stoeltje, of eens wuiven met mijn hand, of heel hard roepen: ‘Hallo, ik ben hier!’ maar ik besluit geen van allen te doen. Hoe het met de buurvrouw ging, want ze ging toch bijna bevallen van haar derde kind? Goed, zei mama, en dat ze al een heel mooi buikje had! Ja oma, bijna net zo dik als jouw buik, draag ik er vrolijk aan bij. Oei, een donderwolk.

Shelly Wagemans
15 0

De onzichtbare rugzak

“Met de jongen met de sproeten mag je nooit verkering hebben. Ooit had ik verkering met hem en hij gaf mij een lelijke tekening met roze pony’s en regenbogen. Je kan beter zorgen dat die grote daar je vriendje wordt, hij geeft schattige knuffelberen aan zijn vriendinnetjes. Je moet vriendin worden met dat blonde meisje daar, op haar verjaardagsfeestje zijn er wel drie verschillende springkastelen! En zie je die dikke jongen daar? Ga nooit naast hem zitten in de klas, hij stinkt erger dan zweetvoeten!” Het is vandaag mijn eerste dag op deze school. Het is altijd wennen, al die nieuwe gezichten. Een groep meisjes heeft zich reeds over mij ontfermd. Ze hebben mij al veel geleerd vandaag. Zoveel regels om te onthouden. Mijn ogen vallen op een meisje met een bolle rug, ze staat alleen aan de rand van de speelplaats. Wat vreemd, ik heb oma’s en opa’s gezien met zo een gekromde rug, maar nog nooit een jong meisje. Het moet erg zijn om zo rond te lopen. Het meisje naast me, ik geloof dat ze Bianca heet, geeft me een stomp in mijn zij. “Kijk niet te lang naar haar, zo meteen valt ze je aan!” Ze kijkt naar het meisje vanuit haar ooghoek en bukt zich dan over mij. “Niemand heeft haar ooit een woord horen zeggen. Ik heb gehoord dat ze als kind haar tong afgebeten heeft. Niemand praat met haar. Je kan maar best uit haar buurt blijven.” De andere meisjes knikken instemmend. “Wat een geluk dat je ons hebt, wie weet was je er anders heen gegaan!” Ik draai mijn hoofd naar het eenzame meisje. Wat moet ze zich alleen voelen. Mijn groepje vriendinnen proest het uit als een knappe jongen onze richting uitkijkt. Ik keer me terug naar de groep en meng me in het gegiechel en gefluister.   “De plateaus plaats je hier op de kar, daarna ga je met de vod over de lege tafel en droog je hem af met een handdoek. Als je klaar bent, zet je de kar maar in de keuken, goed?” Zonder te wachten op een antwoord geeft meester Tom een schouderklopje en stapt hij van me weg. Verward kijk ik naar de plateaus op de tafel. Wat met de kannen water en kartonnen melk die erop staan? Moeten die ook op de kar? Ik krab met mijn vingers in mijn haar terwijl ik naar de tafels staar. Ik hoor de deur openklappen en een geslenter mijn richting uitkomen. Het meisje met de bolle rug neemt de kannen en de melk en zet ze zwijgend onderaan de kar. Ik besef dat ik het meisje aanstaar en wend mijn blik snel af. Ze schuift een vod en een handdoek naar me toe op de tafel voor ons. Ondertussen zit ik al enkele weken op deze school, deze week is het mijn beurt om de refter op te ruimen. Ik kom tot het besef dat ik na die eerste dag school het meisje compleet uit het oog ben verloren. Ik voel mijn wangen branden, ik hoop dat ze het niet merkt. Het meisje zet alles in dezelfde volgorde op de kar. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Daarna gaat ze naar de volgende tafel en doet ze hetzelfde, ze lijkt wel een machine. Zwijgend begin ik de tafels af te vegen. De volgende dag staan we weer stilzwijgend naast elkaar. Zij zet alles op de kar. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Ik veeg de tafels schoon. De stilte geeft me een knagend gevoel in mijn buik, alsof ik hem moet verbreken. Ik schraap mijn keel. “Wat is je naam?” breng ik met een kleine stem uit. Het meisje blijft stilstaan voor enkele seconden en zet dan haar taak verder. Kan water, karton melk, tassen, bestek en plateaus. Ik zucht en ga met een handdoek over een tafel. “Het is dus waar dat je niet kan praten,” ik heb al meteen spijt van mijn woorden. Het meisje kijkt met een vragende blik naar mij, ik voel mijn wangen weer branden. Ze slaat haar ogen naar beneden en mompelt: “Laura.” Mijn maag keert zich helemaal om. Wat stom van me, ik had beter niets gezegd. We ontwijken elkaars blik voor de rest van de tijd. Als alles klaar is gaat zij naar haar eenzame eiland en ik naar mijn giechelende meisjeswereld.   “Luna,” zeg ik terwijl we op donderdag de refter weer opruimen, “dat is mijn naam. Sorry voor gisteren.” Laura haalt kort haar schouders op. Het lijkt alsof de volgende minuten wel uren duren. De conciërge zwaait de deur van de refter open en komt met een grote kar binnen. Hij knikt rustig naar ons en zet zijn weg verder naar de keuken.  Als hij aan de bar komt valt in de stilte een oorverdovend geluid. Het hoofd van de conciërge blaast helemaal op en slaat rood uit. Hij haast zich met snelle, korte stapjes weg naar de klapdeur van de keuken. Laura en ik kijken elkaar aan en barsten in lachen uit. “Oh, wat een stank!” schater ik uit terwijl ik met mijn hand de geur probeer weg te zwaaien. “Zeg dat wel,” grinnikt Laura. “Een vuurtje erachter en je had nogal een spektakel gezien!”   Het ijs is eindelijk gebroken. Ik vertel haar over de vele verhuizen van mijn ouders waardoor ik steeds van school moet veranderen, dat ik dat niet fijn vind en dat ik elke keer weer afscheid moet nemen van mijn vrienden. Zij vertelt mij dat ze niet mag  veranderen van school, dat ze graag een nieuwe start zou willen nemen met nieuwe mensen maar dat ze hier vast zit. Dat ik niet liever zou willen dan op dezelfde school te blijven, zeg ik dan. “Mag ik iets vragen?” vraag ik twijfelachtig. “Ik bedoel het niet slecht, maar waarom loop je zo gebogen?” Ze schudt haar hoofd. “Het komt door die gigantische rugzak,” zucht ze. “Welke rugzak?” ik kijk fronsend naar haar maar zie niets dat op een rugzak wijst, enkel haar gekromde rug. “De meeste mensen zien het niet, je moet het willen zien. Kijk maar eens heel goed.” Ik vraag me af of ik haar gek moet verklaren of niet. Ik knijp mijn ogen samen en staar Laura aan. Ja, ze is absoluut gek. Natuurlijk geen rugzak te zien. Dan zie ik de omtrekken van een meterhoge rugzak scherper worden totdat uiteindelijk een gigantische, bruine rugzak te zien is. Ik leun met grote ogen naar achter. Laura trekt haar mondhoeken voorzichtig omhoog. “Je ziet hem nu wel, hé? Iedereen heeft een rugzak, kijk maar bij jou.” Ik ga met mijn handen naar mijn schouders en voel twee riemen. Hoe kan dat? Ik voel een klein gewicht aan mijn rug, de mijne is veel lichter als die van haar. “Wat zit er dan in?” “Dingen die je altijd meedraagt. Erge dingen die zijn gebeurd en die je nooit meer los kunt laten. Die draag je dan heel je leven mee, je hebt geen andere keuze.” Ze kijkt met vochtige ogen naar de vloer. “Ik heb hem al proberen af te doen, heel de rugzak in de vuilbak te gooien, te verbranden zelfs, maar niets helpt.” “Wat erg,” breng ik uit met een zachte stem, “ik wou dat ik iets kon doen voor je, dat moet verschrikkelijk zijn.” Laura glimlacht naar me, haar blik bedankt me. Na een korte stilte vraag ik: “Kan je laten zien wat erin zit?” “Ja, dat gaat wel,” ze neemt haar rugzak van haar rug, haar gebogen rug verdwijnt meteen als ze hem af doet. Als eerste neemt ze er een versleten teddybeer uit. “Als mama en papa riepen naar elkaar, huilde ik altijd uit bij hem,” fluistert ze met een trillende stem. Daarna een kleine, leren koffer. “Toen mijn mama en papa gingen scheiden, moest ik elke week heen en weer met deze koffer.” Dan neemt ze er een leren riem uit. “Hier sloeg papa mijn mama mee, en later ook mij,” Laura haar ogen worden doffer bij elk voorwerp dat ze eruit haalt. Ik wrijf met mijn hand over haar arm, niet goed wetend wat ik anders kan doen. Ik kijk naar de rugzak en dan naar het meisje. “Zal ik het volgende eruit nemen?” Ze blijft voor zich uit staren. Ik reik voorzichtig met mijn hand naar de rugzak en grabbel erin. Ik voel iets duns, maar ontzettend zwaars. Met al mijn kracht trek ik het eruit en vind ik een brief. Hij moet enkele kilo’s zwaar zijn. Ze neemt de brief van me en kijkt hem met lege ogen aan. “Dit is het laatste dat mijn moeder heeft achter gelaten, daarna heb ik haar nooit meer gezien.” Hulpeloos kijk ik haar aan. Kon ik maar iets doen, zeg ik duizend keer in mijn hoofd. Ik kijk naar de gigantische rugzak. Mijn gezicht klaart op, ik doe mijn eigen rugzak af en trek hem open. Dan sta ik op en ga naar de spullen die Laura heeft neergelegd. “Wat ga je doen?” vraagt ze met ogen vol vraagtekens. Zonder te antwoorden stop ik Laura’s spullen één voor één in mijn rugzak. De teddybeer, de koffer, de leren riem en de brief. Ik sluit mijn rugzak en gesp hem op mijn rug. “Zo.” Ze kijkt me net aan alsof ze een spook heeft gezien. “Wat doe je nu?!” “Als we het samen dragen, is het toch minder zwaar. Mijn rugzak is dan misschien iets zwaarder, maar die van jou is lichter. Probeer maar eens.” Laura neemt haar zak op haar rug. Na een paar seconden beseft ze dat ze gewoon recht staat, zonder gebogen rug. Ze loopt enkele meters en weer terug. Geen bejaardenloopje meer. Ze ziet er abnormaal normaal uit zo, met die brede glimlach op haar gezicht.   Sinds die dag dragen Laura en ik samen onze rugzak.

Shelly Wagemans
17 1

Strabismus

Bruin brood mocht dan wel gezond zijn, maar dat had Valère genoeg moeten eten in de oorlog, tussen het schuilen voor de bommen door.   Nu waren hij en Mariette al lang op pensioen en woonden ze op de vierde verdieping van een chique appartementsblok, waar het leek alsof ze elke dag aan zee waren. Zo was haast alles op een kilometer afstand en vlogen er zelfs meeuwen. Maar zonder de dagtoeristen, dure zeetongen of gezonde jodium. En geen zee, natuurlijk.   De ligging van hun hoekappartement gaf hun veel bekijks. Er waren de mensen van het café, de steenweg met interessant verkeer, de stoet van schoolgaande kinderen, en het plein waar elke maand een groot evenement plaatsvond.   Terwijl Mariette de restanten van een zonsopgang aanschouwde, omhelsde Valère haar. In de hoekramen zag hij twee oude mensen staan. Veel ouder dan hij zich voelde. Hij nam haar handen vast. Ouderdomsvlekken. Streelde haar zachte oude vel. Rimpels. Lang kon hij haar niet vastnemen. Dat deed pijn.   ‘Daar,’ zei Mariette, ‘kan je het zien? Ons oude huis.’   Een jaar geleden hadden ze nog in een villa gewoond. Met een tuin. Maar Valères slechter wordende gezondheid had hen gedwongen doen verhuizen naar wat hij als hun laatste halte beschouwde. Althans de zijne. Was dit het dan?   De kerk konden ze niet zien vanuit hun appartement, maar hij begon er meer en meer aan te denken. Hij maakte zich ongerust dat niet alles in orde zou zijn op zijn begrafenis. Dat er mensen te laat zouden zijn, dat…   ‘Kom, Valère, het is tijd om te winkelen.’ Mariette nam haar zakdoek, dipte die op haar tong, en veegde zijn mondhoeken proper. ‘Je hebt daar nog wat soldatenkoek hangen,’ zei ze vastberaden. Die gewoonte van haar was begonnen in de tijd dat ze nog jonge kinderen hadden. Nadat die hadden leren eten had ze haar opvoeding verder gezet op Valère. En nu deed ze het vele keren per dag, want het dik speeksel dat zich ophoopte in zijn mondhoeken vond ze wansmakelijk.     Eenmaal in de wagen, reden ze de parking uit zonder blikschade, wat Valère normaal optimistisch stemde. Maar niet vandaag, want dat onbehaaglijk gevoel van de laatste tijd bekroop hem weer.   Zijn vrouw reed niet meer met de auto sinds ze dertig jaar geleden eens gebotst was. Zou ze het ondertussen verleerd zijn?   ‘We moeten voortmaken,’ zei zij, ‘want straks komt de oudste van ons Pascale de computer maken.’   Dat maakte Valère nog zenuwachtiger. ‘Hoeveel tijd hebben we dan om te winkelen?’   ‘Een uur.’   ‘Maar, bel hem dan dat we nog maar net vertrokken zijn naar de winkel. Een uur… Mariette, dat is te kort.’ Hij hapte naar adem.   ‘Doe dan voort,’ zuchtte ze.   Iets later kwamen ze aan bij de winkel die eigenlijk erg dichtbij was, maar toch te ver om de boodschappen te voet naar huis te dragen.   Bij het uitstappen stootte Valère weeral zijn hoofd. Hij vloekte, en voelde aan de bult die al jaren was overgroeid door een grote gebarsten korst.   Tot enkele weken geleden spraken ze nog af met een bevriend koppel aan de winkel om een koffie te drinken in het café ernaast. Maar de man was nu dood. Voor diens begrafenis had de weduwe, Irma, gevraagd kleurrijk gekleed te komen. Dat had Valère geweigerd uit principe, maar Mariette had hem ertoe verplicht.   Mariette leek zijn gedachten te lezen. Plots zei ze: ‘We zouden nog eens moeten afspreken met Irma. Ze zit veel alleen de laatste tijd.’   Valère gromde. Hij had met Irma doen, maar het zat hem nog altijd dwars. Een onnozelaar in een kanariegeel kostuum. Op een begrafenis! Hij had verdomme zijn been stijf moeten houden!   Er was slecht weer op komst. Voorzichtig stapten ze naar de schuifdeuren. Vorig jaar was hier nog een vriendin van hen gevallen. De heupoperatie had haar op slag tien jaar ouder gemaakt.   De manier waarop Mariette een winkel binnenkwam deed Valère altijd denken aan de kippenren van zijn vader zaliger. Kop naar voor en achter. Loshangend nekvel. En kakelen.   Nadat ze nog eens met haar zakdoek langs zijn mond had geveegd, ging ze naar de beenhouwer. Dat betekende dat Valère een kar moest nemen om dan bij haar te gaan wachten. Als een onnozelaar.   Al jaar en dag kwam hij in deze winkel, maar de jeugdige bediende aan het rek met karren had hij nog nooit gezien. Die zei: ‘Meneer, kan ik u helpen?’   Valère knikte eens nors terug, wilde een kar nemen, maar die blokkeerde even.   De bediende kwam dichterbij en riep nu in zijn oor. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Valère was geïrriteerd, maar wist niet wat zeggen. Hij vond het steeds moeilijker om te praten tegen nieuwe mensen.   De bediende kwam nog wat dichter en legde begripvol een hand op Valères schouder. ‘Kan ik u helpen, meneer?’   Maar Valère voelde zich getutoyeerd. Hij schudde kwaad zijn hoofd en zijn oude schoolmeesterstem haalde de bovenhand: ‘Het lukt, dank u!’ Hij rukte de kar los en duwde die rakelings voorbij de bediende.   Hij voelde zich opgejaagd. Zijn hart klopte luid en onregelmatig in zijn borst. Hij sloeg in paniek en begon te trillen. En plots… zag hij alles wazig.   Wankelend, steunend op zijn kar, schuifelde hij naar de beenhouwer. ‘Mariette,…’ lispelde hij.   Maar die was druk aan het kakelen.   ‘Heb je het gehoord van Gilbert?’   ‘Ja. In zijn slaap.’   ‘Dat is nog een schone dood.’   ‘Mariette!’   Toen die zich eindelijk omdraaide, slaakte ze een gil. ‘Valère!’   Ze hadden nog nooit zo snel gewinkeld. En de hele tijd had hij niet mogen opkijken van zijn vrouw. Zij had de kar gereden. Zij had betaald. En toen ze bij de auto waren gearriveerd, had zij ook alle boodschappen ingeladen. Allemaal erg ongewoon, maar de ernst begon hem pas te dagen toen zij haar hand had uitgestoken. ‘Sleutels.’   ‘Je hebt al dertig jaar niet meer gereden,’ kreunde hij.   ‘Jaja, sleutels.’   Hij was niet graag passagier. ‘Wat scheelt er met me, Mariette? Ik ben echt niet goed.’   Ze fronste bezorgd.   Eenmaal op het appartement had hij niet de typische ziekenverzorging gekregen. Geen thee, geen pijnstiller, geen lieve woorden.   Mariette stapte uit de slaapkamer met haar maquillagespiegel. Ze aarzelde even, maar hield die dan toch voor Valères gezicht.   En toen zag dat hij scheel keek. Als een otter. Twee keer.   Mariette nam de telefoon.   ‘Wacht!’ zei Valère, ‘wat ga je doen?’   ‘De dokter bellen, tiens. Je kijkt scheel als een onnozelaar. Dat is toch niet normaal?’   Hij zei koppig: ‘Ik ga niet in die wachtzaal zitten.’ Maar Mariette was al aan het bellen.   Ze legde af en zei: ‘Vanavond hebben we een afspraak.’   ‘Maar…’   En ze gaf hem een zonnebril.   ‘Voor straks?’   Ze lachte krampachtig. ‘Zet hem nu ook al maar op. Werkelijk, het is geen zicht.’     Hoe ouder je wordt, hoe meer je naar de dokter zou moeten gaan. Maar elke keer dat je gaat, kan die nog minder doen dan de vorige keer. Daarom at Valère elke dag een appel om gezond te blijven. En een soldatenkoek.   Hij wist dat hij een ondraaglijk humeur had vertoond de laatste weken. Iedereen had ervan moeten lusten. Zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen, schoonfamilie, … Zelfs zijn vrienden wilden niet meer met hem kaarten.   ‘Ogen open!’ zei Mariette streng. Een nieuwe dag en weer druppels in zijn ogen, zodat hij niet dubbel zou zien.   Mariette fronste, pakte haar zakdoek en wreef zijn mondhoeken schoon.   ‘Nee!’ zei hij plots en hij sloeg haar hand weg.   ‘Valère!’ riep Mariette geschrokken.   ‘Ik ben geen gehandicapte! Stop met me zo te behandelen!’   ‘Kalm, Valère, …of-’   ‘Of wat? Of ik ga nog scheler kijken? Veel scheler dan dit kan het nochtans niet. Verdomme.’   Hij stapte naar de hoek van het appartement tussen de twee vensters en keek naar het begin van een miezerige ochtend. Hij hoorde Mariette naar de keuken stappen en met gerief beginnen rommelen.   Zijn vrouw had auto gereden, klussen gedaan, … Alles wat zijn pensioen nog betekenis had gegeven de voorbije jaren was uit zijn handen ontnomen.   En hij was dingen gaan vermijden uit schaamte. Zo was hij al weken niet meer mee gaan winkelen.   Mariette kwam uit de keuken en haalde diep adem. ‘We moeten naar de winkel,’ zei ze gerepeteerd.   Het woord viel als een bom.   Even wachtte ze nog, maar zuchtte dan, en nam de autosleutels al van de haak. Ze leek zo kwetsbaar.   ‘Wacht…, Mariette…’ zie Valère, en hij stapte naar haar toe, wreef over haar zachte handen, en nam de sleutels. ‘Laat mij gaan. De dokter zegt dat ik het kan.’   Haar gezicht klaarde op. ‘Hier is het lijstje.’   Hij winkelde niet graag alleen, maar deze keer stond er veel op het spel.     Moe van de autorit, maar tevreden van de overwinning, was de winkel donker met zijn zonnebril. Hij nam een kar en negeerde de jonge bediende die in de buurt stond.   Ze hadden de laatste weken blijkbaar de opstelling van de rayons en de producten gewijzigd. Verdomme, dacht hij, niet nu.   Iets later zat hij nog maar in de helft van zijn lijst en was hij al uitgeput. Hij zocht naar de soldatenkoeken, maar die leken wel verstopt tussen een massa andere merken. Overdaad. In mijn tijd waren soldatenkoeken nog genoeg.   Hij deed zijn ogen dicht om de gonzende hoofdpijn te sussen, en probeerde de juiste koeken te vinden door de verpakking te betasten. Gebukt en gehurkt. Zijn hele lichaam deed nu pijn.   ‘Meneer?’ vroeg plots een fijn stemmetje. ‘Kan ik u helpen?’   Hij deed zijn ogen open en zag een lief meisje van zo’n tien jaar. Voor de eerste keer in weken deed hij zijn zonnebril af.   Dat deed het meisje vrolijk hardop lachen. En ze stopte niet.   Eerst voelde hij zich beschaamd. Maar haar lach was zo aanstekelijk dat al snel de tranen uit zijn ogen stroomden. De pijn ebde weg.   ‘Ik zoek soldatenkoeken,’ zei Valère na een tijdje.   Prompt pakte het meisje een doos koeken uit het rek en gaf die aan hem. ‘Ziezo!’ En ze dartelde weg.   ‘Bedankt,’ fluisterde hij na.   En thuis zou hij merken dat het geen soldatenkoeken waren, maar zachtere koeken met een zoete smaak, en een kinderachtig beertje op de verpakking. Maar hij zou die opeten met smaak.   En erna zou Mariette zijn mondhoeken mogen afvegen.      

Han Hartmoed
0 0

Positief reisadvies voor India

Positief reisadvies voor India:  DE TIEN GEBODEN 1. Gij zult niet opvallen   Neem (liefst onbewust) een aantal van de plaatselijke gewoonten over, kwestie van te integreren, dus camoufleren, dus minder op te vallen. In India betekent dat ondermeer:  - met je hoofd bijna nee schudden (alsof je zou tonen "allez dan, tis goe voor ene keer") wanneer je eigenlijk gewoon 'ja' bedoelt. - bij het drinken van een fles water giet je het water in je mond zonder de opening van de fles met je lippen aan te raken. - je voedsel zo vaak mogelijk met je handen opeten (NVDR: Joachim bedoelt eigenlijk één hand en alsjeblieft je rechter) 2. Loof de Heer (maakt niet uit welke) Vraagt iemand naar je religie? Kies er gewoon 1 uit: Christen, Moslim of desnoods Jehova, maar begin niet te lullen over atheïsme. Het is alsof je het Belgisch federaal systeem zou proberen uitleggen aan een Chinees in het Duits.  3. Vermijd overbodige ongemakken Ga je voor een lange busrit? Laat dan op je GSM een herinnering, genaamd 'rugzak', 15 minuten voor de geplande aankomsttijd afgaan om het bewuste voorwerp zeker niet te vergeten. Gaat de man in de zetel voor je even weg voor een plaspauze, draai dan ongemerkt zijn zetel wat naar voren, kwestie van wat meer beenruimte te scheppen voor jezelf. 4. Verwacht steeds het onverwachte Zelfs als je denkt in alle rust op het strand te liggen kan je wakker worden met een aap op je gezicht, een schijtende (doch nog steeds heilige) koe naast je, en mogelijk passeren er een paar zatte locals die lachend (!) een zeil versleuren met daarop open en bloot de lijken van 2 pas verdronken Indiërs. Dat er 5 minuten later een andere zatlap trots een 2de duim aan zijn rechterhand komt tonen, maakt de onvoorspelbaarheid alleen maar groter. 5. Gij zult nooit onder je bed kijken   Zoek nooit naar ongewenste levensvormen in je kamer. Wat niet weet, niet deert. 6. Wees nooit bevreesd   Voel je niet te snel bedreigd! Zelfs niet als je alleen in een afgelegen automaat geld afhaalt en er 15 Indiers binnenglippen om je hand te schudden, mee te kijken naar het computerscherm en vooral te profiteren van de gratis airco.   7. Wees geeeeeeeeedddddddddduuuuuuuuullllllllllllllllllllllllllddddddddddddiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiggggggggg en adem door je mond   Met een beetje pech sta je met je zweetsleffers en bagage 4 uur aan een stuk recht in een belachelijk volle trein. Met een beetje extra pech word je verdrukt richting een 170cm lage doorgang en sta je het langste uur van je leven in de deuropening van de wereldwijd gerenommeerde, door Unesco beschermde Indische treintoiletten. Nadat je beseft dat een uur je adem inhouden net iets te lang is, word je spontaan jaloers op de 2 zwarte, geurwerende tenten naast je en de moslima's die zich eronder verschuilen. Allah Akbar! Hun man gunde hen zelfs geen oogluikje! Ik kook vanbinnen, maar zie het oogluikend aan (komaan, deze woordspeling schreef zichzelf).    8. Wees mild ten opzichte van schrijffouten De lieve Indiers bedoelen het immers beter dan het klinkt: - French Fried (nee, ze willen echt geen Fransman frituren) - Chess omelet ( de Gary Kasparov onder de eieren) - T-shirt van Iran Maiden (de bekende Perzische Heavy Metalband) - Jackem Stood (rechtstreeks overgeschreven van mijn paspoort en geef toe: het klinkt beter dan het origineel) 9. Gij zult ten allen tijden flexibel zijn   Het moet gezegd: India is hemel en hel, slow motion en fast forward EN dit volgens mij meest diverse land ter wereld (qua cultuur, religie, hiërarchie en natuur) is tevens zowel middeleeuws als hypermodern                               kreupele naast straatkind naast mangoboer naast IT-specialist                     krot naast shopping center                                                                                                                                                                        Gladiator naast The Matrix                                                                                                  en ik ertussen als kameleon. Als je denkt tegen meer dan de helft van bovenstaande geboden te zullen zondigen... 10. Blijf hier weg en geniet ten volle van Belgie

Joachim Stoop
0 0

versmeltende chemie

Er waren eens 2 cellen, Cella en Menno, die opbotsten tegen mekaar. Chemie van op het eerste moment. Menno vraagt aan Cella: ' Zullen we de uitdaging aangaan? ' waarop ze antwoordt: ' Het is afhankelijk van waar je de uitdaging legt.' Toch de fysieke aantrekking was zo sterk dat beiden verblind werden door de chemie. De membramen van Cella en Menno raakten mekaar en pats ... de versmelting der cellen was een feit. Cella:  Aantrekking is als een magneet. Maar wat trekt ons zo aan aan mekaar? We kennen mekaar niet eens. 'Het zal jouw schoonheid zijn' , zegt Menno. Cella: Maar dan is de vraag hoelang ik jouw uitdaging blijf? Als wij als 2 cellen uitgroeien tot een luchtbel, spat ie vroeg of laat uiteen. Menno: Zo ver zal het nooit komen.  Cella: Of wat als je vroeg of laat, wanneer je een niveautje hoger gaat, de uitdaging dreigt te verliezen? Als er dan iemand van ons 2 niet ontwaakt, is voordat je het weet, de tegenpartij 'gone with the wind' .... opgezogen door een andere voorbijzoevende magneet. Menno: Dan zal ik jouw duwen tot in de uiterste holle zijde van jouw cel, zodat er een lichtje gaat branden. Als je er dan voor open staat, is er een mogelijkheid samen uit te groeien tot een verrijkende parel. Een parel zo verrijkt, dat hij ondanks de aantrekkingskrachten van de voorbijzoevende magneten, toch niet gaat zweven en met de voetjes op de grond blijft. Want onthou: perfect zal het nooit zijn. Dat is een utopie. Een evenwicht vinden is al een kunst op zichzelf. Het feit dat je voortdurend in beweging bent, zal er nooit een constant evenwicht zijn.

melissa
0 1

Concha's kinderen

Heeft de trein naar Prades vertraging of heeft ze hem gemist vandaag? Concha kijkt eerst naar de stationsklok, dan naar het elektronisch bord en besluit dan dat hij te laat is. In ieder geval later dan gewoonlijk. Op het perron staat niemand aan wie ze het kan vragen, behalve de twee jongetjes die net als zij elke woensdag de trein nemen en bij de tweede halte, in Saint-Feliu-d’Avall, al uitstappen. Het lijkt niet erg praktisch om aan hen te vragen of ze soms weten of de trein vertraging heeft, maar ze gaat toch dichterbij staan. Ze willen immers op dezelfde trein en er is duidelijk iets niet in orde.   Nu verschijnen er rode cijfers naast het vertrekuur op het elektronisch bord. ‘Hij heeft acht minuten vertraging,’ zegt de oudste jongen half tegen zichzelf, half tegen haar. Ze knikt. Er is iets vreemds aan de jongen. Iets dat haar nieuwsgierigheid wekt en haar tegelijk op afstand houdt. Het zijn de flipflops, denkt ze eerst. Het zijn slippers met goudkleurige bandjes, een maat te groot. Misschien zijn ze van zijn moeder, denkt Concha en in gedachten ziet ze een vrouw die haar kind goudkleurige slippers doet aantrekken omdat hij de trein moet halen en hij zijn sandalen niet vindt. Het zijn die kleren ook, dat gebloemde hemd op een geruite short. En dat gezicht van die jongen. Het zijn de tanden. Nu ziet ze het. Hij heeft erg grote tanden.   De jongen glimlacht naar haar. Aan zijn gestalte schat ze hem een jaar of tien. Maar dat gezicht, die oplettende ogen, hij lijkt ouder. Het broertje -zou het zijn broertje wel zijn?- ziet er heel anders uit. Een bleek gezichtje, grote donkere ogen, lange wimpers. Een kind dat nog een kind is. Hij komt naast haar staan en pakt haar hand. Het handje plakt. Ze wil het van zich afschudden maar doet het niet.    ‘Oma,’ zegt het kind. Ze schrikt. Zie ik er zo oud uit? Ze probeert het handje los te laten, maar het houdt stevig vast. Het broertje komt ertussen.  ‘Laat los, Audric! Dat is oma niet. Oma is dood.’ Hij kijkt haar verontschuldigend aan. De trein dendert het station binnen. Acht minuten geleden waren ze nog vreemden voor elkaar. Nu stappen ze op, met hun drietjes. De oudste voorop, dan Concha met Audric aan haar hand.   ***   Voor de kinderen maakt de richting niet uit. Concha zit graag met de rug naar Perpignan en het gezicht naar Prades. Weg van haar werk in het rusthuis waar ze al vierentwintig jaar de vloeren dweilt en de badkamers poetst. Op weg naar haar appartement in Prades, met het gezellige terrasje achteraan en de smalle keuken waar ze vanavond fideuà zal koken voor haar zoon Enrique.             Ze kan nu niet denken aan Enrique en aan wat ze nog moet kopen voor het avondeten -zure room niet vergeten- want de kleinste klimt op haar knieën. Hij knijpt in haar been tijdens het klimmen en het doet pijn, maar nu ze weet dat hun oma dood is, kan ze het niet over haar hart krijgen om hem meteen van haar schoot te tillen. Audric zoekt een plekje dat lijkt op het plekje van oma, ergens in het midden van haar dijen, zodat hij stevig zit en zijn hoofd tegen haar schouder kan leggen zonder om te vallen. Concha’s handen willen hem helpen, hem tegen haar lichaam trekken, maar ze laat haar handen op de zitbank rusten.   Ze vraagt aan de oudste jongen hoe hij heet. De trein zoeft en de wagon rammelt, daarom komt hij naast haar staan.  ‘Fabien,’ zegt hij in haar oor. Fabien en Audric. Ze vragen haar niet hoe ze heet. Voor Audric is ze ‘oma’.   ‘Ben jij een oma?’ vraagt Fabien. Ze schudt haar hoofd. Ze liegt. Ze weet meteen dat ze liegt, ze was het niet vergeten, maar het is te laat, ze heeft haar hoofd geschud. ‘We moeten eruit in Saint-Féliu,’ zegt Fabien. ‘Wonen jullie daar?’ vraagt ze, om iets te vragen, om iets te zeggen, om niet meer te moeten liegen.  ‘Mama woont daar,’ zegt Fabien, ‘en papa woont in Perpignan’. ‘En wij wonen in de trein.’ Hij lacht zijn grote tanden bloot om zijn eigen grapje. Hij blijft naast haar staan in het gangpad, de voeten gespreid om zijn evenwicht te bewaren. Als de trein schommelt, houdt hij zich even vast aan de rugleuning van de bank waarop ze zit. Maar als hij in evenwicht is, houdt hij de handen in zijn zijde. Nog iets wat hem ouder doet lijken, alsof hij gehaast is om bij de grote mensen te horen.   Concha voelt zich ingepalmd, overmeesterd. Ze is te verbaasd om te denken en nog vragen te stellen. Fabien vertelt, de handen op de heupen, over mama’s huis met een tuin en een notelaar, waar ze straks noten zullen rapen -de afgelopen dagen zullen er weer veel gevallen zijn- en waar ze zullen wachten op mama, in de tuin of bij de buurvrouw soms. Audric ligt nog steeds tegen haar schouder. Een handje -niet het kleverige- dwaalt rond haar hoofd, voelt aan haar oorbel en aan de clip in haar haar. De kam komt wat los. Straks, als ze uitgestapt zijn, zal ze haar kapsel wel weer in orde maken   ***   In Saint-Féliu staan ze te zwaaien. Ze blijven zwaaien tot de trein zuchtend optrekt. Concha zwaait tot ze kramp in haar arm krijgt, tot ze uit het zicht zijn.   Waar was ze gebleven? Bij Enrique die vanavond komt eten en de fideuà die ze voor hem zal koken. De inktvis ligt al in de koelkast, vermicelli heeft ze altijd in huis. Witte wijn en zure room moet ze nog halen. Enrique zal haar ophalen en ze zullen samen boodschappen doen. Ze zal zich weer ergeren aan zijn sloomheid. Van wie heeft hij dat? Ze kan zich nauwelijks zijn vader herinneren. Hij was al weg voor zijn zoon geboren werd. Als Enrique nu eens een vrouw vond, een fijne jonge vrouw, een schoondochter. Ze zouden nog kinderen kunnen krijgen. Enrique en de schoondochter die ze in gedachten heeft, ze probeert het zich voor te stellen, maar het werkt niet. Enrique en een vrouw. Het zou een wonder zijn. En dus onmogelijk.   Bijna even onmogelijk als zelf nog kinderen krijgen. Er komen geen kinderen meer. Ook al liegt ze dat ze geen oma is, ze heeft er de leeftijd voor. Ook al ziet ze er jong uit, draagt ze jeans en sneakers, verft ze haar haar donkerrood en draagt ze grote zilveren ringen in haar oren. Ze is oma.   Ciri kent haar oma niet. Ze weet misschien niet eens van haar bestaan. En Concha weet alleen dat ze Ciri heet -aan de naam is ze gewoon geraakt- en dat ze nu negen is. Zou ze vragen stellen aan Blanca, haar mama?   ‘Heb jij een mama? Heb ik dan een oma? Waar is ze dan?’ Ze legt haar moeder op de rooster tot Blanca zwicht en zelfs inziet dat het gedaan moet zijn met die onzin. Dat zij, Blanca en Ciri, samen oma Concha zullen opzoeken. Ze woont nog steeds in dat kleine flatje in Prades. Ze zal niet verhuizen, want ze hoopt dat Blanca op een dag aan de deur zal staan. Ze zullen elkaar om de hals vallen en om vergeving vragen. Wie moet wie vergeven? Ze weten het al niet meer. Ze zullen lachen en huilen, zoals je dat soms op de televisie ziet.   Concha kijkt niet meer naar dat soort programma’s. Ze kent haar dochter. Haar koppigheid. Ze weet niet meer hoe het begonnen was, maar wel nog de woorden. Hoe gewond ze zich had gevoeld. Hoe waar het was dat ze Blanca teveel alleen had gelaten. Dat ze niet had nagedacht over wat met een meisje kan gebeuren, een kind nog. Dat ze soms bij een minnaar was gebleven in de hoop dat hij bij haar en haar zwijgzame zoon en opstandige dochter zou komen wonen. Was ze daarom slecht? Verdiende ze dat woord? Dat woord dat ze zelf nooit zou gebruiken?   De trein vertraagt en maakt een bocht. Tussen Vinça en Marquixanes komt de Canigou in zicht. Hij is grijsbruin en zwart aan de top, het is nog te vroeg voor de eerste kraag sneeuw. Ze houdt van de Canigou, van zijn massieve aanwezigheid, zoals iedereen die hier woont ervan houdt. Hij is troost en belofte voor al wie dat soms nodig heeft. Soms kijkt ze minutenlang naar de bergen vanop haar terrasje en denkt aan het land dat daarachter ligt. Ze is nooit meer de grens overgestoken. Spanje is te groot, waar moest ze beginnen zoeken?   ***   Enrique staat bij het hekje waar hij al die jaren elke woensdag staat. Nadat Blanca vertrokken was, werd het snel een gewoonte. In het begin hadden ze het nog dikwijls over Blanca gehad. Waarom toch? Waarom zo plots? Waarom was ze zo kwaad? Wat had ze misdaan? Waarom zonder adres, zonder telefoonnummer achter te laten? Enrique had geen antwoorden. Hij luisterde en knikte of schudde zijn hoofd. Hij klaagde niet. Hij zei nooit : ik ben er ook nog, mama. Hij zei dat niemand in de streek zo‘n lekkere zarzuela kon maken als zij. Ze deed haar best. Ze wou dat hij bleef komen.   Hij blijft komen. Het is een gewoonte. Nee, het is meer dan een gewoonte, het is trouw. Trouw, dat is het woord dat bij Enrique past. Sloom, maar trouw. En dan hoopt ze weer heel even dat hij iemand vindt die van hem houdt. Een vrouw, of toch iemand.   Zoals hij daar staat, de handen in de zakken. De rust, de kalmte die hij meebrengt als hij in haar richting komt en haar op beide wangen kust. Ze slaat haar armen om zijn nek.  ‘Hijo mío,’ fluistert ze. Hij maakt zich glimlachend los uit haar omhelzing en zegt dat ze laat is.    ‘De trein had al vertraging in Perpignan,’ zegt ze, ‘dat is nog nooit gebeurd. Deze niet.’   Ze ziet weer de rode cijfers op het bord, ze denkt aan de warme adem van Fabien in haar oor, ze voelt nog wat plakkerigheid in haar hand. En ze weet zelf niet zo goed wat haar zo blij maakt.  

Christine Van den Hove
7 0

Ismet Kaplan

1“Hoe is je naam?” vroeg de oude man.“Ik heet Kaplan meneer. Ismet Kaplan.”De grijsaard speelde zijn rol goed in café Klein-Azië.“Waar ben je geboren?” ging hij verder.“Ik ben hier in Gent geboren meneer en hier in de Sleepstraat opgegroeid maar mijn ouders zijn allebei afkomstig van Demre in Turkije?”“Haha en waar ligt dat?”“Niet ver van Kemer, meneer, vele Belgen kennen dat van hun zomervakantie” zei Ismet.“Dat klopt jongen. Ik ken dat ook. Zing nu het liedje maar, je weet wel, dat van Moriaantje”De jonge kerel begon te kwelen: “Moriaantje, zo zwart als roet, ging eens wandelen zonder hoed. En het zonneke scheen op z’n bolleke en hij droeg geen parasolleke”.“Goed zo, ik heb jouw adres, ik laat je nog iets weten.”“Merci meneer”. En weg was Ismet. De oude man met zijn witte baard begon tijdig aan zijn voorbereidingen. De scholen waren gesloten en het grote verlof nog maar pas aangebroken. Al sinds half twee die middag was de ene na de andere jonge Turk bij hem langs geweest om te solliciteren voor de job van Zwarte Piet. Nochtans had de aankondiging, geschreven op een schamel a-viertje, slechts enkele dagen aan het raam gehangen. Maar ja, het was een succes en pas na vijven ging de laatste Zwarte-Piet-in-spe naar buiten. “Zeg Jules” zei de ouwe, “dat koppel van de stoffenwinkel hier tegenover, zouden die voor een prijsje ook geen jutezakken voor mij kunnen stikken? Want ik ga er veel nodig hebben dit jaar.”“Ik zal het ons Irma eens laten vragen’ zei de waard, “ze moet morgen toch langs gaan want ze heeft twee nieuwe gordijnen laten maken”.“Zeg, en nog iets, kent gij een goedkope invoerder van appelsienen en mandarijntjes? Het fruit is toch zo duur in de Colruyt tegenwoordig. Het contract voor de chocolade letters en het jongensspeelgoed is gelukkig al in orde. Maar elk jaar opnieuw is er misère met dat speelgoed voor de meisjes. Ik weet niet hoe dat komt, maar het is zo.”Jules stak zijn tengere schouders even omhoog en mompelde wat.De oude met zijn tabbaard deed zijn met gouddraad doorstikte kazuifel aan en sloeg een donkerrode cape om. Dan zette hij zijn roodwitte mijter op.“Jules, vraagt ge eens aan Irma of ze even op het café wil letten, dan kan jij me helpen met het bestijgen van mijn paard Slecht Weer Vandaag.”“Het is inderdaad slecht weer vandaag” moest de kastelein toegeven. Hij hielp de oude maar kwieke man op zijn witte schimmel. De ganse dag was het drukkend heet geweest en nu volgde het onvermijdelijke onweer. Er was geen mens op straat te bespeuren. Jules stak hem nog vlug zijn lange staf toe. Dan vertrok het paard in galop. Even dacht Jules dat hij iemand hoorde neuriën “Zie de maan schijnt door de bomen…” 2Ismet was een hele goede Piet. De beste Piet. De Opperpiet. Zoals hij op de muren en daken kon klimmen. Niemand deed hem dat na.“Beste jongen, beste Ismet, vanaf nu noem ik je Nicodemus, mijn Opperpiet. Vind je dat goed?” zei de oude met zijn witte baard.“Natuurlijk, meneer, dank u wel.”“Om het te vieren gaan we naar Fréke Patéke, hier om de hoek. Hij maakt de beste moorkoppen van West-Europa.”“Wat zijn moorkoppen, meneer?”“Weet je dat niet jongen? Een moorkop is een ronde soes gevuld met slagroom. Bovenop is het geglazuurd met chocolade. Fréke doet er altijd een extra toef slagroom op en een partje mandarijn of een stukje ananas. Loopt het water al niet uit je mond? Trouwens, je moet me ook niet meer meneren, zeg maar gewoon Sinterklaas. Zoals iedereen.”Twee moorkoppen en een grote kop koffie met een scheutje jenever gingen er lekker In bij Sinterklaas. Ismet hield het bij warme chocolademelk. Die moorkoppen zag hij niet zitten. Ze deden hem te zeer denken aan zijn jonger, nogal mollig, broertje.“We gaan seffens naar de stoffenwinkel tegenover Klein-Azië om je een echt Pietenpak aan te meten. Weet je wel hoe zo’n pak eruit ziet, Nicodemus?”Het deed de oude goed om zijn nieuwe helper Nicodemus te noemen. Hij had er al vele gehad. Allemaal opperbeste Opperpieten. Maar ja, hij, de enige echte Sinterklaas had het eeuwige leven, maar de pieten niet. Daarom moest hij regelmatig nieuwe zwarte Pieten ronselen, zoals hij dat afgelopen zomer in de buurt van de Gentse Sleepstraat gedaan had. Ondertussen waren we al november. Gisteren had het voor de eerste keer gesneeuwd en het naamfeest van Sinterklaas kwam al erg dichtbij.“Ik zal je eens vertellen hoe een echt Opperpietenpak eruit ziet maar we gaan dat doen bij Jules in het café. Ik in de fauteuil en jij op een stoel aan de andere kant van de houtkachel. Er is niks zo gezellig als een knetterend vuur met een goeie trappist in de ene hand en een havanasigaar in de andere. Ik heb vorig jaar die sigaren voor mijn Sinterklaas gehad van mijn pieten. Tof hè, dat ze zo aan je denken. Gij rookt geen sigaren zeker, Nicodemus? Eerder een waterpijp of zo?”“Ik rook helemaal niet, Sinterklaas. Ze zeggen dat dat slecht is voor uw gezondheid. Maar dat zal u wel weten,hè?”Die ‘u’ stond de oude man wel aan. Ismet was zo beleefd en vriendelijk. Jaja, hij verdiende het om vanaf nu als Nicodemus door het leven te gaan. Zijn vroegere Opperpiet had Sinterklaas in Spanje achtergelaten. Hij was te oud geworden, te stram en te grijs. Hij woonde nu op de bovenverdieping van de Andalusische haciënda die Sinterklaas meer dan vijfhonderd jaar geleden had laten metselen door enkele ‚moorkoppen’, die ook het Alhambra gebouwd hadden. Als Sinterklaas zou terugkeren uit de Lage Landen, dan zou hij wel voor de oude man zorgen.“Ha Jules, voor mij een donkere Westmalle en voor Nicodemus, jaja, je hoort het goed, voor mijn nieuwe Nicodemus, een muntthee met extra veel suiker.”“Goed Sinterklaas en een sigaartje zeker?”. Jules was blij dat zijn vriend weer in het land was. Het was van juli geleden dat hij hem nog gezien had.“Deze nacht gaan we oefenen, hè Nicodemus, op de besneeuwde daken. Schol, we klinken op een goede afloop, niet een goede afgang hè.” De oude man schaterde het uit. Hij had er wel zin in.Drie trappisten en evenveel munttheetjes later gingen ze op weg in de donkerte van de nacht: Sinterklaas hoog gezeten op Slecht Weer Vandaag en Nicodemus met een juten zak over zijn rechterschouder.Irma en Jules gingen slapen. Ze hadden maar twee klanten gehad die avond. Hun andere stamgasten hadden het allemaal laten afweten omwille van het gure weer. Bar koud was het en het sneeuwde zoals aan de Noordpool in putje winter.Een uur en een sneeuwvacht van tien centimeter later hoorde je Sinterklaas roepen: “Allez Nicodemus, gaat het niet?”“Jawel, Sinterklaas, het gaat wel maar het valt soms ook, als u begrijpt wat ik bedoel? De daken zijn wel erg glad en de zak is ook zeer zwaar, maar voor de rest hoort u mij niet klagen hoor.”“U, u” herhaalde Sinterklaas goedkeurend en binnensmonds. Zijn Opperpiet bleef zelfs supervriendelijk in deze moeilijke omstandigheden.Plotseling werd Ismet opgeschrikt door een brandweerwagen en een politiecombi. De goedheiligman was met zijn schimmel al enkele dagen verder. Een agent riep:“Kom onmiddellijk naar onder of wij komen naar boven.”Ismet, behendig als hij was, was op een wip beneden.“Wat deed je daarboven op die daken met die gekke kleren aan je lijf? Zeg me eerst eens: hoe is je naam.”“Nicodemus, meneer de agent.”“Jaja manneke en dan ben ik Sinterklaas zeker” proestte de politieman het uit.“Nee, Sinterklaas is gindsboven. Ik kon hem niet volgen. Hij heeft tenslotte een paard en het is Slecht Weer Vandaag.”“Ja, dat het vandaag slecht weer is, dat moet ge mij niet zeggen hè Nico.”De twee tuurden naar boven en zagen niets. Nicodemus dacht nochtans dat hij in de hoge verte paardenhoeven hoorde kletteren.“Kom jij maar eens mee naar het politiebureau, dan mag je het daar nog eens gaan uitleggen.”Ismet voelde zich even geen Nicodemus meer.Hij werd uit voorzorg die nacht opgesloten in een cel. Ismet kon er niet mee lachen en beukten met zijn beide handen op de deur.“Daar wordt aan de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt …” 3De kindjes in de Kongostraat vanaf huisnummer 15 keken zeer beteuterd de volgende morgen. Het suikerklontje en de wortel die ze de avond ervoor voorzichtig in hun schoentjes hadden gedeponeerd lagen er nog steeds onaangeroerd. Waren ze dan stout geweest? Of werd Sinterklaas wat vergeetachtig?“Waar is Nicodemus toch?” vroeg Sinterklaas zich af. Waar kon hij terecht zo vroeg op de morgen? De politie misschien. Ja, de arm der wet, die zou hem wel kunnen helpen. Hij parkeerde zijn witte schimmel aan de Antonius Triestlaan waar het algemeen politiecentrum gevestigd was. Hij voelde zich ook een beetje triest, want hij was halverwege de nacht zijn Opperpiet kwijtgespeeld. Hoe dat was kunnen gebeuren begreep hij nog altijd niet.Toen hij binnenging werd niet dadelijk aandacht aan hem besteed. Ze waren hier in Gent al straffere zaken tegengekomen. Uiteindelijk sprak een vriendelijke dame hem aan.“U zoekt iets of iemand, meneer?”“Ja juffrouw, ik zoek mijn helper Nicodemus. Ik ben hem namelijk vannacht kwijtgeraakt”.“En heeft hij ook een achternaam, die vriend van u?” vroeg de agente ietwat ongelovig.“Tja, zijn vroegere naam was Kaplan, Ismet Kaplan. Een goeie jongen hoor. Ik heb zelden zo’n goede Opperpiet gehad als hij.” Sinterklaas keek een beetje vertederd toen hij dat zei.“Ah, nu begrijp ik het” zei de agente, “had hij een hemelsblauw kostuum aan, met een pofbroek en zwarte kousen?”“Ja en hij droeg op zijn hoofd een blauwe pet met een pauwenveer” voegde de oude man met de witte baard eraan toe. ‚Dat moet Ismet zijn, mijn nieuwe Nicodemus. Wat een geluk dat u hem gevonden heeft. Is alles goed met hem? Hij is toch niet van het dak gevallen daar in de Kongostraat? Het was er zeer glad. Hij heeft zich toch niet bezeerd? Waar is hij?” informeerde een bezorgde Sinterklaas.“Alles is goed met hem, meneer. Maar we hadden hem uit voorzorg opgesloten omdat we niet goed wisten of hij wel de waarheid sprak. Zingt hij altijd Sinterklaasliedjes?”“Jaja, dat kan hij als de beste. Ik heb ze hem allemaal aangeleerd uit mijn grote Sinterklaasliedjestekstenenmuzieknotenboek”.“Ik zou uw vriend kunnen vrijlaten, meneer, maar vermits wij hem vannacht hebben moeten verbaliseren omwille van straatlawaai en een buurtbewoner ons daarop heeft gewezen, dien ik wel een borg te vragen van 110 euro.”“Dat is geen probleem, juffrouw” zei Sinterklaas rustig. Hij nam zijn juten zak en haalde er een buidel uit. “Hier heb je een zak gevuld met gouden dukaten, misschien zit er ook nog een apennootje tussen of wat marsepein. En zie, hier is ook nog een chocoladen zwarte piet voor alle moeite die je gedaan hebt. Lijkt hij niet wat op Nicodemus? Gaat u hem nu vlug halen want het begint slecht weer te worden. Hoor, de wind waait door de bomen.” 4Ismet verscheen in de deuropening.“Ha Nicodemus, kom eens hier bij Sinterklaas, kapoentje dat je bent.” Hij klopte Ismet vriendelijk op de schouder. “Je hebt me even doen schrikken. Ik kan je echt niet meer missen. Sinterklaas wordt echt wel oud, weet je. Vorig jaar was ik nog maar duizendzevenhonderdtweeëndertig, maar nu is daar weer een heel jaar bijgekomen.”Hij richtte zich even terug tot de agente: “Heb je misschien ook kinderen en hebben ze hun schoen gezet gisterenavond?’“Ja, ik heb twee kinderen, een jongetje van vijf, Dimitri, en een meisje van drie, Jinte. Ze waren erg teleurgesteld vanmorgen toen ze geen snoepjes vonden. Ik vond het ook wel erg voor hen. Bent u de echte Sinterklaas?”“Hoezo, zijn er dan ook andere? Onechte? Trouwens, waar wonen jullie dan wel?” vroeg de oude man zich af.“In de Kongostraat nummer 21, Sinterklaas”.“Ben je even daarvoor gevallen Nicodemus?”“Ja, ik ben door de politie naar beneden geroepen op het dak van nummer 13” zei Ismet.“Dan begrijp ik het” zei de Sint, “daarom hebben Dimi en Jinte geen cadeautjes gekregen.”Hij greep alweer in zijn juten zak en haalde er een brandweerauto uit en een barbiepop met een politieuniform.“Dat zal hen wel blij maken, hoop ik” zei Sinterklaas.“Daar ben ik zeker van” lachte de agente, “ik zal hen veel te vertellen hebben.”Sinterklaas en Nicodemus namen afscheid. Ismet mocht achter de oude man op de schimmel zitten en ze gingen op een drafje richting haven. Ondertussen moest Sinterklaas iets bekennen aan Ismet: “Weet je Nicodemus” zei hij, “Ik ben duizendzevenhonderddrieëndertig jaar geleden geboren in Myra, en weet je hoe die stad nu heet: Demre, de stad waar je ouders vandaan komen. Is dat geen toeval? Ik zou zo bijna je betbetbetbetbetbetbetbetbetbetbetovergrootvader kunnen zijn. Maar eigenlijk ook niet hè, want tenslotte ben ik bisschop.”Toen ze toekwamen in Portus Ganda sloeg Sinterklaas zijn arm om zijn helper en zei:“Het grote werk gaat nu beginnen Nicodemus”.Ze zagen in de verte een rookpluim en de oude man zong vrolijk:“Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan”.

Marc M. Aerts
0 0

Samira

Ik moet je een verhaal vertellen over een jonge vrouw. Ze was niet knap of beroemd en ik kende haar nauwelijks, maar ze had Iets. Iets ondefinieerbaars. Iets waardoor mannen hun hoofd omdraaiden als ze voorbij gewandeld kwam. Iets waardoor ze zelfs vergaten te fluiten. Iets waardoor gesprekken stokten en woorden onuitgesproken in kelen bleven steken wanneer zij in de buurt was. Niet veel vrouwen hebben dat ongrijpbare, haast goddelijke Iets. Het is even begerenswaardig als alles wat net buiten handbereik ligt van een kind dat vastgesnoerd zit in zijn buggy.Ze heette Samira. En mijn eerdere bewering dat ze niet knap zou zijn, is wat ik misschien liever had gewild. Ze was bloedmooi! Haar schoonheid was van zo’n aard dat ze met één enkele oogopslag ieder mannenhart op hol kon doen slaan. Menig vrouwenhart stond dan ook even stil bij het aanschouwen van het effect dat Samira op hun partner had. Zelfs de zonsondergang verbleekte naast haar. Gelukkig was ze niet perfect. Perfectie zou afbreuk doen aan wie ze was. Velen verbergen zich voor de ware felheid van het licht achter de sluier die angst heet. Zij kende geen angst, durfde de wereld recht in de ogen te kijken tot het de wereld zelf was die zijn blik neersloeg. Bij sommigen wakkerde ze begeerte aan. Passie en pure lust. Alleen naar haar kijken, leek al een zedenmisdrijf. Anderen verbitterden in afgunst bij enkel het horen van haar naam. ‘Samira’ werkte sneller dan slangengif naar het jaloerse hart. Er waren er die haar durf benijdden en wensten dat ze een fractie bezaten van haar zorgeloos en ietwat onbezonnen gedrag. Dat ze gewoon erg egoïstisch was, lag dichter bij de waarheid. Ze had een rijke fantasie en schuwde een leugen niet als dat voor haar beter uitkwam. Hierbij ontzag ze niets of niemand, ze plaatste zichzelf altijd op de voorgrond. Voor je verder leest, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat je op de duur niet meer zal weten waar de oprechtheid stopt en het verzinsel begint. Zelfs ik raakte helemaal verstrengeld met verzonnen waarheden en onware leugens. Het woord oprechtheid is misschien niet helemaal op zijn plaats, want Samira was altijd oprecht. Dat was nu net het probleem: ze was ziek. Ze geloofde haar eigen leugens. Deze zelfgecreëerde wereld van beuzelarijen was haar realiteit. Doordat mensen zich blind staarden op haar uiterlijk en door de charme waarmee ze elk verhaal boeiend en met het grootste gemak bracht, is nooit iemand op de gedachte gekomen om de echtheid van haar vertelsels te onderzoeken. Omdat mijn relatie met haar nogal innig was, merkte ik na een tijd dat er in haar puzzel vaak stukjes ontbraken. Het was pas na een jaar dat ik er de vinger op kon leggen. Als ik haar erop wees dat er zelfs een medische term voor haar aandoening bestond, dan wuifde ze dit al lachend weg. Niemand kon haar in een hokje steken. De pseudologia fantastica werd onder de mat geveegd bij het andere vuil en er werd nooit meer over gepraat. Samira’s zeefdrukkerij van diepe indrukken draaide op volle toeren zonder beperkte oplage. Mijn ontmoeting met haar was er één van louter toeval. Of misschien ook niet. Bij haar wist je dat nooit zeker. Ik heb net mijn avondje vertier met een paar maten betaald aan de kroegbaas. Op het moment dat ik mijn ribfluwelen jas van de kapstok haal, zwaait de deur van de kroeg met een klingelend geluid open. Een vrouw waait even fris als het zomers avondbriesje naar binnen. Haar zwarte haren glanzen als rivierwater in de nacht. Haar lichaam maakt de strakke jeans die ze draagt tot een verheven kledingstuk en met een stem van warme melk met honing zegt ze iets. Ik vang slechts flarden op. Het is een haast onmogelijke opdracht om me te concentreren op haar woorden die zinnen vormen, want dat betekent dat ik een einde moet maken aan mijn onbeschoft staren. Ik ben haar net beginnen uitkleden met mijn ogen wanneer ze me bij de arm neemt. Als een mak lam volg ik haar naar buiten. ‘Auto’ en ‘startproblemen’ zijn de enige woorden die ik meen opgepikt te hebben. Het kan evengoed wat anders zijn. Mijn geest is beneveld en niet enkel door de Duvels die ik gedronken heb. Ze heeft nog steeds mijn arm vast. Haar ranke hand ligt licht als een engelenvleugel op mijn naakte huid. Zo zou een engelenvleugel toch moeten zijn. Plots vind ik mijn woorden terug. Ze komen nog niet in een samenhangende volgorde naar buiten, maar de klank van mijn eigen stem geeft me opnieuw wat houvast.    ‘Pro-problemen… wie ben… euhm… waar…’ Ik schraap mijn keel en doe een stap opzij. Het verlies van haar aanraking doet een lichte huivering door mijn ruggenmerg trekken, ik kom weer tot mezelf. Terwijl ik mijn jas aantrek, vraag ik waar haar wagen staat en wat juist het probleem is. Ze loopt voor me en toont haar ‘auto’ die achter de hoek geparkeerd staat. Ik doe wat waarschijnlijk iedereen doet wiens blik dit vehikel kruist: breed glimlachen. Hoe kan je ook anders wanneer je voor iets staat dat veel weg heeft van een Flintstone-mobiel die een flower power make-over heeft ondergaan? De felgekleurde bloemen op de lila 2PK staren me uitdagend aan. Ik lik de flauwe opmerking die op mijn lippen ligt, met één beweging van mijn tong weg.     ‘Ik was aan het rijden op de autosnelweg toen mijn snelheid plots begon af te nemen. De eerstvolgende afrit ben ik er afgereden en ik heb me nog net aan de kant kunnen zetten. Toen was het helemaal gedaan.’ Ze opent de motorkap en buigt voorover. ‘Een tijd geleden heb ik hetzelfde gehad en toen was één van de bougies losgeschoten.’Ik ben me erg bewust van de aangename tinteling die zich in mijn kruis voltrekt. Snel knoop ik mijn driekwarts jas dicht, die nauwelijks lang genoeg blijkt om de opkomende zwelling aan het zicht te onttrekken. Nergens op haar welgevormde achterste zie ik lijntjes van ondergoed afgetekend. Zou ze een string dragen? Met moeite wrik ik mijn ogen los van dit oh zo heerlijke en begeerlijke lichaamsdeel. Met een schok zie ik dat ze met een vragende blik naar me kijkt. Ik heb blijkbaar weer iets gemist. De hitte stijgt naar boven en ik voel dat mijn wangen in brand staan. Er is onmiddellijke actie vereist.    ‘Ga jij achter het stuur zitten en op mijn teken mag je de auto starten. Ik zal eens kijken of ik hem aan de praat krijg.’    ‘Haar.’    ‘Pardon?’    ‘Mijn auto is vrouwelijk. Ik dacht dat dàt wel duidelijk is.’ Ze stapt langs de bestuurderskant in en klapt het raampje naar boven.Glimlachend duik ik onder de motorkap. Ik krab in mijn haar. Waarschijnlijk weet zij er meer van dan ik. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik zie vier zekeringen en een heleboel draadjes, iets dat de motor zou kunnen zijn en dikke dampkapbuizen die naar de achterkant leiden en waarschijnlijk dienst doen als verwarming. Het ziet er allemaal heel erg rudimentair uit, om niet te zeggen primitief. Omdat ik niet weet waar ik moet beginnen, doe ik teken dat ze de motor mag starten, misschien dat dan de onbestaande garagist diep in mij toch naar boven komt. Terwijl ze de sleutel in het contact omdraait, slaat de motor aan met een diep ronkend geluid alsof er honderd katten liggen te snorren. Verbouwereerd staar ik ernaar. Terwijl de motor stationair draait, slaat het portier dicht en nog voor ik iets kan zeggen, hangt ze rond mijn nek. Haar kus op mijn wang brandt in mijn hart. Ook ik ronk.    ‘Wat was nu het probleem? Hoe heb je het opgelost?’ roept ze enthousiast uit terwijl ze me weer loslaat.    ‘Euh, een draadje naar de alternator hing los’, lieg ik. Ik weet zelfs niet waar dat ding zich bevindt. Gelukkig vraagt ze het me niet.    ‘Godzijdank! Ik dacht hier de nacht te moeten doorbrengen. Kom, stap in, dan rijden we naar mij.’Met gefronste wenkbrauwen kijk ik haar aan, een vragende blik in mijn ogen.    ‘Ik wil je bedanken voor je moeite. Ik heb thuis nog lekkere kruidenthee staan. Koffie drink ik niet. Allez, hop, ik vraag het slechts één keer.’Ik laat het me ook maar één keer zeggen. Zonder verdere aarzeling stap ik in. Terwijl we rijden, bedenk ik dat dit wel de raarste avond uit mijn leven is. ‘Ik weet niet eens je naam’, onderbreek ik haar monoloog. Sinds we vertrokken zijn, heeft zij de hele tijd het woord gevoerd. Ik genoot van het warm timbre van haar stem. Omdat ik geen einde wilde maken aan de ononderbroken woordenwaterval, heb ik haar laten praten.    ‘Samira’, antwoordt ze.Ik hoor haar naam als het gefluister op een zuchtje wind, als een nauwelijks waarneembare streling, licht en luchtig in mijn hart.    ‘Samira’, herhaal ik. Ik proef de letters in mijn mond. De klank van haar naam blijft kleven op mijn lippen en barst uiteen op mijn smaakpapillen in een zoet palet van duizend en een ongekende en veelbelovende aroma’s.    ‘En jij?’    ‘…Gregory.’ Bij de ‘o’ schiet mijn stem uit. Ik klink even onzeker als een puber die net de baard in de keel heeft gekregen.Ik probeer te luisteren naar wat ze zegt, hoor enkel warme klanken. Ik knik glimlachend als ik denk dat ze bevestiging vraagt, niet wetende wat ze zojuist tegen me zei. Knikken is altijd goed. Ik vertrouw mijn eigen stem niet. Uit angst dat mijn tong dingen zal zeggen die ik denk. Dingen ik met haar zou willen doen. Dus zwijg ik. En glimlach. Ik had me geen zorgen hoeven maken. De voordeur zit nauwelijks in het slot of ze duwt me met mijn rug tegen de muur. De wereld draait om ons heen om abrupt te stoppen als haar zinnelijke lippen de mijne aanraken. Zacht en verrukkelijk trekt ze met een langgerokken kus mijn hele ziel naar buiten. Met één hand rukt ze aan mijn haar, de andere tast in mijn kruis. Ik gooi mijn jas op de grond zonder me van haar lippen los te maken. We zijn nog steeds niet verder geraakt dan de gang. Ze duwt me ruw op een stoel die daar staat, schopt haar jeans en string op de grond en gaat op me zitten. Mijn broek hangt op mijn enkels. Ze berijdt me als een wilde furie. Ik bijt door haar bloesje heen, ik trek hard aan haar ravenzwarte haren, zet mijn vingers in het zachte vlees van haar billen en beweeg mijn heupen in hetzelfde ritme als dat van haar. Mijn borst gaat hevig op en neer tegen haar nog steeds bedekte borstjes. Ik voel haar longen zwoegen als ze samen met mij hijgt. Haar nagels trekken sporen door mijn T-shirt heen dat nu tegen mijn rug plakt van het zweet. Haar kreunen explodeert in een luide gil van extase en op datzelfde moment splijt ik open als een rijpe zaaddoos en geef al mijn gedachten, al mijn verdriet en vreugde, al mijn lusten en mijn lasten bloot.    ‘Thee?’, vraagt ze, nog nahijgend. We schieten allebei in de lach.     ‘Waarom koos je mij uit in het café?’, vraag ik haar terwijl we onze kleren schikken.    ‘Jij leek me de beste partij om nageslacht mee te produceren’, zegt ze heel serieus. Mijn hart staat samen met de tijd even stil. Haar luide, hartelijke lach vult plots de lege ruimte.    ‘Je had je gezicht moeten zien’, hikt ze nog na. ‘Je stond toevallig vlak naast de deur en ik vond de rode kleur van de jas in je handen zo mooi. Scharlaken.’ Een jaar later zijn we getrouwd. Als ik ooit ergens beweerd zou hebben dat ik haar nauwelijks kende, is dat zeker niet gelogen. Zelfs na zeven jaar was elke dag opnieuw een verrassing. Vermoeiend? Ja. Maar nooit saai. Er zijn momenten dat ik er terug naar verlang, mij resten enkel nog de herinneringen. Gelukkig heeft de tijd de scherpe randjes eraf gepolijst, want ze zijn niet altijd even mooi. Die vervlogen gedachten zijn als aangebrande melk op de bodem van mijn ziel. Ze zijn zo hard aangekoekt dat enkel vloeibare soda ze er nog afkrijgt. Zij was mijn soda. Zij was zo aanwezig, dat ik geen herinneringen nodig had. Nu heb ik geen soda meer en blijft het verleden aan mijn bodem kleven. Ik verlang naar rust, blijf mezelf kwellen door verkoolde resten los te peuteren tot mijn nagels helemaal kapot zijn van het krabben aan vroeger. Ik sta voor haar droomhuis met de makelaar. Na twee maanden zeuren heb ik toegegeven, ons appartementje is echt wel te klein aan het worden voor onszelf, onze uitdijende inboedel en twee katten. Ik vind het huis te groot, zij vindt het perfect voor als we aan gezinsuitbreiding zouden beginnen. Omdat ze niet aandringt, ga ik daar niet verder op in. Iets verzwijgen is niet hetzelfde als liegen en ik wil haar niet kwijt aan een onvervulde kinderwens. Mijn keel knijpt samen aan enkel de gedachte zonder haar. Haar hele bestaan drijft op een poel van verzinsels, dus zal zo één geheim de zaak ook niet maken, toch? Het huis kan ik haar niet weigeren als ze mij aankijkt met die speciale jij-bent-van-mij-en-voor-jou-doe-ik-alles-als-je-dit-huis-voor-me-koopt-blik? Al naargelang de situatie kan het laatste deel anders worden ingezet. Ik ben de contrabas waarvan zij de snaren bespeelt. Geniaal als een volleerd musicus heeft ze nog geen valse noot geproduceerd. Hier sta ik dus. Al twintig minuten. De makelaar begint ongeduldig te worden.    ‘We kunnen misschien alvast naar binnen gaan, in afwachting dat uw vrouw komt.’    ‘Als u het niet erg vindt, dan blijf ik liever buiten wachten, ik zou graag samen met haar naar binnen gaan. Ik ben er zeker van dat ze er zo meteen aankomt.’ Zo zeker ben ik daar niet van. Na nog eens vijftien minuten geeft de makelaar er de brui aan.     ‘Sorry, ik heb ook andere klanten die aan het wachten zijn. Mocht u alsnog geïnteresseerd zijn, belt u me dan.’Een uur later zeg ik het droomhuis vaarwel en ga naar huis. Zonder droomvrouw.    ‘Je gelooft nooit wat ik heb meegemaakt!’, roept ze vanuit de woonkamer als ze mij hoort binnenkomen. Nee, inderdaad niet.     ‘Ik ben benieuwd wat er zo belangrijk was dat je je huis ervoor hebt laten schieten.’ Met gekruiste armen sta ik voor haar. Ik ben niet kwaad, hoogstens wat geïrriteerd.    ‘Ik heb een kind omvergereden.’ Ze zegt het haast triomfantelijk.    ‘Wàt heb je gedaan?!’    ‘Ik kon pas om één uur weg op het werk en fietste nogal stevig door. In de verte zag ik twee jochies spelen, ze renden achter elkaar zonder acht te slaan op het verkeer. Op het moment dat ik ze wilde passeren, dook één van hen onder mijn fiets, ondanks het feit dat ik de hele tijd aan het bellen was. Van ontwijken was geen sprake meer, dus reed ik erover. Met een misselijkmakend gekraak hoorde ik iets versplinteren. Ik stopte en zette mijn fiets aan de kant om te gaan kijken hoe het met het jochie was. Achter een dubbele kinderkoets zag ik hun moeder aan komen hollen. Het was vreselijk Greg!’Ik ga naast haar in de zetel zitten. Afwezig streelt ze de kat op haar schoot en met haar blik naar binnen gericht, gaat ze verder.    ‘Dat mens kwam in alle staten naar me toe en begon me in het Hebreeuws uit te schelden. Ik kon nog net haar handtas ontwijken. Proberen uit te leggen dat het een ongeluk was, lukte niet erg. Zij gooide zich op mij en krabde haast mijn ogen uit. Om me te verweren, greep ik haar haar vast dat tot mijn grote schrik meegaf. Ik had een pruik in mijn handen. Ik zweer het Greg! Het was sterker dan mezelf, ik heb me daar bijna een ongeluk gelachen. Ik kon er echt niks aan doen.’    ‘En het kind?’, help ik haar herinneren.    ‘Ah, ja. Dat had niks. Een paar schrammen en builen en zijn bril was helemaal versplinterd. Toen hij na een paar minuten van de schrik bekomen was, rende hij alweer achter zijn broertje aan. Die joodse dame beet zich echter in me vast als een wildklem. Ze eiste dat ik contant zou betalen voor de geleden morele en lichamelijke schade van haar zoon. En voor de bril. Ik beet haar toe dat ik het roekeloos gedrag van haar zoon niet wenste te belonen en dat mijn verzekering de bril zou vergoeden. Het heeft een tijdje geduurd eer ik haar kon overtuigen dat niet ík, maar haar kind een gevaar op de weg was.’    ‘Je had op zijn minst kunnen verwittigen, zodat ik en de makelaar wisten of Mevrouw Samira ons nog het genoegen zou schenken om zichzelf tevoorschijn te toveren!’    ‘Ik ben net thuis en nog aan het bekomen. Ik kon je trouwens niet bellen, want ik was mijn gsm hier vergeten. Bovendien zal dat huis niet gaan lopen, want het staat al drie maanden te koop omdat de vraagprijs veel te hoog is.’ Ze zet met een druk op de afstandsbediening de televisie op en geeft daarmee aan dat ons gesprek is afgelopen. Enkele dagen later is het huis van ons. Ik vraag niet hoe Samira het voor elkaar gekregen heeft. Na een kort onderonsje met de eigenaar, heeft die ons bod aanvaardt. De deur knalt dicht. Bonkende voetstappen op de trap. Weer een deur die luid dichtslaat. Denderende stappen boven mijn hoofd. Niets meer. Ik hol naar boven.     ‘Samira? Alles ok?’    ‘Mannen zijn klootzakken!’    ‘Bedankt, hé.’ Ze draait zich om en ik schrik van haar gezicht. ‘Wie heeft dat gedaan? Dat ik die klootzak eens een lesje leer!’    ‘Rustig, schat. Ik kan mijn mannetje wel staan. Ik heb alles onder controle.’ Ze betast voorzichtig haar opgezwollen oog. Het zit half dicht en de huid er rond ziet er blauwgrijs uit.    ‘Wil je dan vertellen wat er gebeurd is, wie heeft je zo toegetakeld? Waar is dit gebeurd? Je bent voor de rest toch in orde?’ Ze zucht.     ‘Ik was langs de Schelde aan het fietsen, richting fietserstunnel toen er plotseling iemand naast mij kwam rijden. Het was een gast was die ik kende, Jan. Hij zat in dezelfde school als ik, een jaar hoger. We geraakten aan de praat en net voor de tunnel gooide hij zijn fiets voor de mijne. Ik moest keihard in de remmen gaan en begreep totaal niet waar hij naartoe wilde. Dacht eerst nog dat het een grapje was. Het werd me pas duidelijk toen hij me bij mijn arm greep en me van mijn fiets wilde trekken.’ Ze slikt duidelijk hoorbaar. Ik knik haar bemoedigend toe.    ‘Hij riep me toe ‘dat hij me eens zou laten voelen wat ik had gemist op school’. In paniek tastte ik naar het busje traangas in mijn jaszak. Omdat ik weerstand bood, sloeg hij me recht op mijn oog.’ Onwillekeurig gaat haar hand opnieuw naar de zwelling. Haar amberkleurige ogen staan vol met tranen. Tranen van woede, weet ik.    ‘Ik duizelde van de impact van de slag, de adrenaline hield me overeind. In een impuls heb ik recht in zijn gezicht gespoten. Hij sloeg dubbel op de grond en riep dat zijn ogen eruit brandden. De woorden ‘hoer’ en ‘vuile teef’ achtervolgden me vanuit de verte, want ik ben als een gek mijn fiets opgesprongen en huiswaarts gereden.’    ‘Oh, lieve schat toch!’ Ik neem haar in mijn armen en voel hoe ze zich ontspant.    ‘Ben je al aangifte gaan doen bij de politie?’, vraag ik in haar haar. Ze verstart en maakt zich los uit mijn omhelzing.    ‘Ben je gek?! Wat moet ik dan zeggen? Ja, inspecteur, hij wilde me verkrachten denk ik. De reden? Hij was de Don Juan van de school en heeft het nooit kunnen verkroppen dat hij mij niet heeft kunnen krijgen. Als enige. De anderen gingen allemaal plat voor hem. Hoe ik hem heb kunnen afschudden? Euhm, door traangas te gebruiken. Ja, schat, dat is inderdaad een supergoed idee! Dan krijg ik een proces verbaal aan mijn been voor verboden wapendracht en kan ik mijn busje afgeven. Wie gaat me volgende keer dan beschermen als een gek me wilt aanranden? Ik kan moeilijk met een bodyguard rondlopen, hé.’Nog voor mijn lippen een woord kunnen vormen, gaat ze verder.    ‘Ik ben in orde. De dokter heeft me heel volgende week thuis geschreven. Zó kan ik uiteraard niet gaan werken.’    ‘Ah, was dat niet die week dat je baas je verlof geweigerd had? Dat komt dan uiteindelijk toch goed uit.’Haar ogen schieten vuur.     ‘Wat bedoel je daar nu weer mee? Denk je dat ik voor mijn plezier zo rondloop?’    ‘Kalmeer eens. Ik bedoel gewoon wat ik zeg. Je hoeft je niet aangevallen te voelen.’ Ze draait zich abrupt om en loopt naar haar hobbykamer. Ik hoor haar de sleutel omdraaien. Zo sluit ze me een tijdje buiten. Niet enkel uit die kamer, ook uit haar hart. Voor enkele uren toch. Daarna zal ze niet sorry komen zeggen, dat doet ze nooit. Nog nooit heeft ze een duimbreed toegegeven, hoewel ze soms durft zeggen dat ze van mening is veranderd. Ze zal gewoon doen alsof er niets is voorgevallen. Net zo hard als ze mij kan verwonden, kan ze mij ook weer eindeloos liefhebben. Haar Tuin van Eden is mijn rustpunt. Ik heb haar lief zoals een man een vrouw nog nooit heeft liefgehad, ondanks het feit dat ik vermoed dat ze lacht als ik bloed en dat ze enkel interesse veinst als het in haar eigen voordeel kan uitdraaien. Hiervoor ben ik bereid om alle schuld op mij te nemen, want zij zal altijd dé vrouw zijn voor mij. Als je vindt dat dit melig klinkt, dan heb je haar nog nooit ontmoet. Ik moet haar met veel mannen delen. Gelukkig heb ik de exclusiviteit over haar lichaam. Ze schiet me de hoogte in waar haar euforie me licht in het hoofd maakt en zo dronken als een bende olifanten die aan een gistende jeneverbesstruik heeft gezeten. Om even later de afgrond in te duiken met de snelheid van een slechtvalk die achter een prooi aanzit. Dan suis ik achter haar aan om te voorkomen dat ze beneden te pletter stort. De tijd tussen deze twee uiterste punten van haar benjisprong kan een fractie van een seconde bedragen. Soms is het een sprong in slow motion en zitten er enkele weken tussen. Dat zijn voor mij dan weken waarin ik alles van haar gedaan krijg of weken waarin ik haar niet kan bereiken en ze gewoon haar eigen zin doet. Zo is ze. Het is een vermoeiende bezigheid, getrouwd zijn met haar. Maar alleszins geen dode streep op een hartmonitor.     ‘Gre-eg?’    ‘Ja, liefje.’ Ik kijk half op uit de krant. Zij zit aan de salontafel op haar laptop te tokkelen.    ‘Wat vind jij een mooie meisjesnaam?’    ‘Hoe bedoel je?’ Ik leg de krant neer en kijk verontrust haar kant uit.    ‘Wel, stel dat ik zwanger zou zijn en dat het een meisje is, dan mag jij uiteraard mee de naam kiezen.’ Ze kijkt me uitdagend aan. Ik ben vrijwel zeker dat ze niet zwanger is en kijk haar met opgetrokken wenkbrauwen aan.    ‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen?’    ‘Ik zou graag kinderen willen, Greg. Niet over een paar jaar. Nu!’Deze discussie hebben we de laatste tijd wel vaker. Ik zucht.    ‘Ik niet. Het gaat niet. Nu niet en over een paar jaar ook niet.’    ‘Wat bedoel je met ‘Het gaat niet’? Wil je niet?’    ‘Ik… euh… ik… wil je gewoon voor mij alleen.’ Dit is slechts een halve waarheid. Als ik het haar vertel, ben ik haar kwijt.     ‘Egoïst!’ Het tokkelen wordt luider.    ‘Ik heb totaal geen behoefte aan blèrende jong rond mijn benen. Als je je echt wilt voortplanten, dan zoek je maar iemand anders!’    ‘Misschien doe ik dat ook wel!’, roept ze boos terwijl ze naar buiten dendert en de deur met een knal dichtsmijt. Vroeg of laat zal ik het haar toch moeten vertellen.     ‘Zin in dessert?’ Aan de ondeugende lichtjes in haar ogen weet ik dat ze niet gewoon een zoet afsluitertje bedoelt om onze smaakpapillen te bevredigen. Of net wel. Ze opent de deur van de diepvries en haalt er vanilleroomijs uit. Ik leg de handdoek weg en laat de rest van de vaat staan wanneer ze met ontbloot bovenlijf op de keukentafel gaat liggen. Haar tepels worden hard wanneer ze het ijskoude goedje in mislukte bolletjes tussen haar borsten en op haar buik lepelt. Ik volg het onderste ijsbergje met mijn ogen naar haar navel en lik het op voordat de warmte van haar lichaam het doet smelten. Ik ben niet snel genoeg, ik wil alles proeven en niet enkel ijs, laat me afleiden door haar zinnelijke vormen. Kleine crèmekleurige straaltjes lopen kleverig langs haar taille naar beneden en druppen op de tafel. Haar zout op mijn lippen prikkelt me. Ik rits haar broek open en trek die langzaam uit. Met mijn tanden pak ik het bovenste randje van haar kanten slipje beet en trek dit naar beneden.    ‘Wees je een beetje voorzichtig, tijger?’    ‘Altijd toch, Sam.’    ‘Doe nu maar extra voorzichtig.’Ik stop met mijn broek uit te trekken.     ‘Hoe bedoel je? Heb ik je gisteren pijn gedaan?’    ‘Nee, dat is het niet,…’ ze laat een weloverwogen stilte vallen ‘ik ben zwanger.’Ik trek mijn broek terug aan, knoop hem dicht en zet de doos ijs terug in de diepvries samen met mijn geilheid.Ik bekijk haar: een stuk vlees dat op tafel ligt, klaar om geconsumeerd te worden. Hoe heb ik zo blind kunnen zijn? Meewarig schud ik mijn hoofd en met opeengeklemde kaken loop ik de trap op.     ‘Schatje!’ hoor ik haar smekend vanachter de gesloten keukendeur roepen.Als ik nu mijn mond opentrek, dan is het geheid ruzie en sta ik niet in voor mezelf. Ik kies dus voor de tweede slechtste oplossing: ik haal mijn motor uit de garage en ga rijden. Ongecontroleerd en veel te snel scheur ik door de bochten. De nacht breng ik door bij mijn ouders. Mijn gsm zet ik af. Drie dagen later kom ik terug thuis. De kilte van onze burcht van leugens omarmt me. Ik hoor haar in de slaapkamer rondstommelen en schuif mijn bewijs onder de deur. Wat later staat ze voor me in mijn bureau. Ik kijk strak naar mijn zwarte computerscherm en doe net of ik haar niet zie.    ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Hysterisch duwt ze het papier onder mijn neus. Ik kijk haar aan met alle kalmte die ik kan opbrengen.    ‘Dat document is het bewijs dat die embryo niet van mij kan zijn. Ik ben gesteriliseerd.’ Ze trekt wit weg en voor de eerste keer sinds ik haar ken, heeft ze niet meteen een pasklaar antwoord. Ze staart me aan met grote ogen waarin langzaam het besef doordringt.    ‘Je denkt dat ik je heb bedrogen.’ Ze zegt het langzaam, alsof de zwaarte van het laatste woord daarmee gebroken kan worden. Met haar hand bedekt ze beverig haar trillende lippen. Ik zie de tranen dansen op haar onderste wimpers. Net voor ze vallen, keert ze mij de rug toe.     ‘Nooit zal ik jou bedriegen.’ Haar stem klinkt gesmoord en iets in haar toon zegt me dat ze de waarheid spreekt. Hierover wel. Zacht trekt ze de deur achter zich dicht. Een hele week lang vermijden we behendig elk contact. Ik word specialist in het ontwijken van haar blik. De ochtend van de zevende dag na haar aankondiging vind ik een artikel op mijn toetsenbord. Er zijn een aantal dingen met fluostift aangeduid. Ik kan eruit opmaken dat zwangerschap na sterilisatie van de man mogelijk is. Bij één op vijfduizend vijfhonderd herstelt de ingreep zich spontaan, ook wel rekanalisatie genoemd. Diezelfde avond verbreekt ze het stilzwijgen.    ‘Ik zou het graag houden.’    ‘Mijn sterilisatie heb ik met een bepaalde reden laten uitvoeren. Ik heb geen zin in gezinsuitbreiding.’    ‘Kan je het niet zien als een teken dat het zo moet zijn?’ Ze klinkt haast wanhopig. Ik wil niet dat ons huwelijk strandt op de komst van een baby. Een kind dat ik niet wil. Ik ben niet van plan een duimbreed toe te geven, wel wil ik weten waar ik sta.    ‘Hoever ben je?’     ‘Acht weken volgens de predictor stick. Die heb ik al weggegooid’, voegt ze er snel aan toe.    ‘Zullen we een afspraak maken met de gynaecoloog? Dan kunnen we daar rustig onze opties bespreken. Kan je deze week ergens?’    ‘Ik ga morgen al naar dokter Van Praet. Ik wilde niet te lang wachten. Je mag gerust mee, hoor. Graag zelfs.’Ik zucht.     ‘Liefje, je weet dat ik morgen die belangrijke vergadering heb. Die ligt al weken vast. Kan je geen andere dag kiezen?’    ‘Was ik vergeten. Het kon enkel zo snel omdat er iemand had afgebeld. Anders had ik nog twee weken moeten wachten.’Ze belooft me dat we volgende keer zeker samen zullen gaan. Nadat zij is gaan slapen, kap ik in de kelder onze vuilniszak leeg. Tot mijn grote verbazing vind ik inderdaad de zwangerschapstest. Het testvenster is echter net zo min roze als een doodgeboren baby. Ik ruim het vuil op en steek de stick achterin de lade van mijn secretaire.     ‘Alles is goed met ons, bedankt dat je het vraagt.’    ‘Ik heb een rotdag op het werk gehad en zou graag eerst mijn jas uittrekken, dankjewel.’Blijkbaar stelt haar baby het goed. Het maakt Samira niet zo veel uit dat het geslacht nog niet te zien is. En ja, ze is stellig overtuigd het te houden. Als ik wil, kan ik volgende maand mee.De volgende dag bel ik Dr. Van Praet. Samira is nooit bij haar of haar collega’s geweest. Er is geen andere gynaecoloog met dezelfde naam in de buurt, nee. Onderwerp baby afgesloten. Voorlopig toch. De maand die hierop volgt lijkt ons leven weer zijn gewone gangetje te gaan. We omzeilen het B-woord terwijl Samira’s onzichtbare waarheid tussen ons in groeit, samen met zich opbouwende spanning. Ik vraag me af hoelang ze dit zal volhouden. Na een lange werkdag kom ik thuis. Ik hang mijn jas aan de kapstok en knip het licht aan.    ‘Wat zit je hier in het donker te doen? Ik schrik me rot!’De manier waarop ze in de zetel zit – met haar armen rond haar opgetrokken benen en haar hoofd tussen de knieën – doet me zachter praten. Ik gooi mijn tas op de grond en loop naar haar toe. Ze snikt met luide halen en schommelt met haar lichaam heen en weer. Het spanningsveld tussen ons is eindelijk gebroken wanneer ik haar in mijn armen wieg. Ik sus haar en vraag wat er is. Ze kijkt me aan. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen, haar wangen roodbevlekt. Ze neemt niet eens de moeite om het snot dat bijna haar bovenlip raakt, af te vegen. Haar haren zitten in de waren. Ik hou van haar.    ‘Ik heb deze ochtend het kind verloren’, fluistert ze hees. Haar stem kan nauwelijks de woorden dragen. Onsamenhangend vertelt ze iets over krampen, haar baby in het toilet en een vruchtje dat niet in orde bleek. Ze legt haar hoofd tegen mijn borst en schokt zonder geluid te maken. Ik streel zwijgend haar haren en haar rug. Zo zitten we daar de hele avond. Wanneer ze is gestopt met huilen en zwaar tegen me aanleunt, maak ik me los en til haar de trap op, naar bed. Voorzichtig trek ik haar kleren uit. Nadat ik haar heb ondergestopt, geef ik een kus op haar voorhoofd dat heet aanvoelt.    ‘Ik kom zo bij je liggen, liefje’, fluister ik.Op kousenvoeten loop ik naar beneden. Ik tast diep in de lade van mijn secretaire. Ik schud langzaam mijn hoofd. Voor de tweede keer belandt de predictor stick bij het vuil. Ik vraag me af hoe vaak ze eigenlijk tegen me liegt. Sommige van haar verzinsels heb ik na een tijd wel door. Ze fabriceert ze in zo’n hoog tempo dat de ene leugen nog niet over haar lippen is gerold, of de ander ligt al klaar. Meestal zijn het futiliteiten en vaak ga ik er in mee. Deze geveinsde zwangerschap heeft wel enorme proporties aangenomen. Ik voel haar gloeien over haar hele lichaam als ik tegen haar aan kom liggen. In het midden van de nacht roept ze me wakker.    ‘Gregory, ze komen achter me aan!’ In het zwakke schijnsel van het display van de wekkerradio zie ik zweetdruppels parelen op haar voorhoofd. Met verwijde pupillen ijlt ze zonder zich bewust te zijn van mij. Ze vertelt verwarde verhalen over een Joodse vrouw met een dubbele kinderwagen die de achtervolging inzet, haar mond met vlijmscherp gevijlde tanden vervaarlijk grotesk open- en dichtklappend. Ik hoor flarden zinnen waaruit ik kan opmaken dat Jan van haar school haar uiteindelijk dan toch heeft ingehaald, in de fietsertunnel. Zijn ogen zijn twee ingebrande gaten. Een baby zit haar achterna, een slagersmes in de handjes. Ze kan hem niet afschudden, hij is met een navelstreng aan haar verbonden. In de stilte tussen Jan en de baby vraag ik me af of ik toch niet beter de dokter van wacht laat komen. Maar ik wil haar geen moment alleen laten nu ze me nodig heeft, dus trek ik haar nog dichter tegen me aan. Tijdens haar onrustige stiltes slaap ik al wakend, als ze in verwarde dromen spreekt dan luister en waak ik, wachtend op haar ontwaken. Drie decennia opgebouwde leugens nemen wraak op haar, ze raakt erin verstrikt. Er zijn verzinsels bij waarop ik mijn leven heb gebouwd. Het maakt me niet uit. Ik ben nu hier, bij haar. Dit koortsdelirium duurt enkele uren voort, ze blijft dingen herhalen, alles wordt hoe langer, hoe onsamenhangender. Dan houdt het plots op. Ik word wakker door de felheid en de warmte van de zonnegloed op mijn gezicht. Stofdeeltjes dansen in de stralen die zich doorheen de niet volledig gesloten gordijnen priemen. Ik houd Samira nog steeds stevig tegen me aangedrukt. Ze voelt koud aan. She can kill with a smile, she can wound with her eyes. And she can ruin your faith with her casual lies… ‘Deze man is hier nu al een paar jaar. Sinds de dood van zijn vrouw zingt hij steeds hetzelfde liedje. Tijdens heldere momenten die uren of zelfs dagen kunnen duren, vertelt hij honderduit over zijn Samira. Luister op zo’n moment geduldig naar hem, maar laat je niet beetnemen. Zijn wereld is de onze niet. Als je hem klaarmaakt voor de nacht, vergeet hem dan zeker niet vast te binden, anders begint hij rond te dolen. De laatste keer dat een stagiaire had nagelaten dit te doen, hebben we hem pas de volgende middag terug gevonden. Hij zat in zijn ondergoed in het park. Gewoon op een bankje wat voor zich uit te staren.’ …and she’ll promise you more than the Garden of Eden, then she'll carelessly cut you and laugh while you're bleeding. But she’s always a woman to me.

dwaallichtje
0 0