Zoeken

Korneel ontdekt Nachtegaallaan 1a.

Uiteindelijk bel ik aan. Ademmist lost mijn ingehouden spanning op. Een panfluitmelodie verraadt een holle inkomsthal. De herfstkleuren op de deurmat verbergen de gastvrije boodschap. Ik steun eerst op mijn linkervoet, hel over naar mijn rechtervoet. Nee, vlug weer naar de linkervoet. Die enkel herinnert soms nog aan een verloren volleybalmatch. Grijpende handen naar het net bij het ineenzijgen op het veld, een fluitsignaal en een kampioenenviering aan de andere zijde… . Ondertussen lijk ik de nerven van de eikendeur te bestuderen. Zij tonen de grilligheid die bomen beleven. Zij herinneren aan de grens tussen wat was en is. Zou ik nogmaals aanbellen? Ik probeer  binnen te kijken langs het rechterraam. De gordijnen zijn dicht. Kan ik nu nog weg alsof er niets gebeurde? De drie stille jaren niet verbreken. Hoeveel tijd is er verspild aan geplande ontmoetingen die uiteindelijk niet hebben plaatsgevonden op deze aardbol? Laat staan aan ongeplande? Mijn hoofd vraagt door terwijl ik ijsbeer op het trottoir. Het lijkt me weer een aangename gedachte om het verleden te laten rusten. Misschien wel, maar dan moet ik nu weg. Als die deur nu opent... . Ik draai me gehaast om en merk dat de overbuur zijn gordijnen nog nawiegen. Een motorfietshelm stopt en deelt gedempt mee: “Ze zijn thuis, ik heb ze daarnet nog de boodschappen zien uitladen.” Het vizier gaat open, “Daniël." Hij steekt zijn hand uit. Ik schud “euh, Korneel” uit de mouw. “Jou ken ik niet, Oost-Vlaanderen?” “Hmm ja uit Kaprijke, het is mijn eerste keer in Meerhout” Een wolkbreuk en de motorfiets ronkt opnieuw. “Bel nog maar eens, ze zijn thuis hoor.” De verplichting drukt en de panfluit galmt al na. De gure wind slaat mijn sjaal kletsnat op mijn wang. Ik hoor gerommel en een licht klikt aan. Dit is het, dit … “Hallo?” De deur opent langzaam. “Zeg eens…” “Euhm ja, is Kirsten thuis? Ik kom voor haar.” De droge ruimte wenkt me en ik staak mijn pas wanneer mijn schouder tegen de nog opengaande deur aanduwt “ Sorry, maar die regen…” “... En wie ben jij?” Even groot zijn we. Merk ik op als we oog in oog staan. Hij draagt een koningsblauw kostuum. Ik buig me eens naar de rits van mijn softshell. “Korneel, ze had...” “Ach jij bent Korneel. Korneel! Spuugkameel! Heb je soms kaneel? Met Korneel alles okergeel! Welkom, welkom in Meerhout”, de deur gaapt nu warmte uit. Mijn schouder vangt de enthousiaste dreunen op. Hij kent het liedje, ons liedje… . Ik probeer beleefd mee te knikken en vriendelijk het gedrag van deze gastheer te interpreteren. “Ja Kirsten heeft veel over je verteld, erelid van het Lindeverbond, Pfff…”, een theatrale handenzwaai. “Deugnieten, kom verder, geef je jas! Die droog ik direct bij de verwarming.” In enkele seconden ben ik blijkbaar geliefd in Meerhout en hij kent het liedje. “Heb je het gemakkelijk gevonden?” “Nu ja, een GPS doet veel, slaafs volgen was de enige optie om hier te geraken.” “We hadden je niet meer verwacht. Kirsten stuurde je een brief en we kregen geen antwoord van jou.” “Linde heeft me overhaald toch te komen. Het is al drie jaar geleden. Ik heb getwijfeld om hier voor jullie deur te staan. Sorry hoor…, maar jij bent de vriend van Kirsten?” “Oei ja, ik heb me niet voorgesteld,... eerder de man, Lieven. Kom zet je aan tafel. Koffie? Een wafel? Kirsten maakt ze zelf, ze volgt de boeken top 10 nauwgezet op.  Natuurlijk de man…, “ Heb je ook wat melk?” Ik kruis mijn armen op tafel, “Kirsten is er niet?” “Jawel hoor, ze is bezig in de keuken.”  “Wat doe jij nu precies?”  “Bankbediende sinds twee jaar”, beken ik. “Ieder zijn job, de grote dromen jaag je niet meer na?” “Ze vertelt inderdaad veel... en hoe verspil jij de vrijheid voor wat centen?” Hij draait zich om voor hij de andere ruimte wil instappen. “Ik ben bedrijfsleider in bodemsaneringen. We zijn de grootste in de provincie. Maar de wereld staat echt niet stil, Korneel. De klant gedraagt zich veeleisender. De markt geraakt verzadigd. Dus moet je creatief zijn om de concurrentie voor te zijn. Ik kom nu net terug van een meeting. Ik ben al een halfjaar bezig met het overnemen van een andere vestiging, maar dat verloopt heel moeizaam... . “Ok, genoeg over mezelf. Ik ga Kirsten halen en koffie maken.” Eindelijk. Ik schuif mijn stoel wat achteruit en wikkel wat heen en weer. Wie is dit toch? Er klingelt plots metaal op de grond. Een mixer? Is dit wel een goed teken? Waarom stond Linde er op dat ik net op deze avond naar Meerhout zou afzakken? Dwaas... . Er komt snel hakkengetik mijn richting uit. Een rode jurk wordt beschermd door een roze schort met een witte ster. De roze, sierlijke woorden “sterrenchef” komen niet uit de lucht vallen. Er valt bruin haar over de schouders en de blauwe, stralende ogen herken ik uit alle herinneringen. “Jij hebt je haar gekleurd.” Ze plaatst de wafels op tafel. “Dan toch hier geraakt!”, haar hooggehouden leraressenarm roept me op het matje. “En jij bent getrouwd?” Ik plaats mijn handen in de zij. Ze verbergen het feit dat die onwetendheid op mijn heupen werkt. “jaaaaah!” Een uitgestrekte arm presenteert de ring, maar ik interpreteer het anders. Neem haar vast, begin haar in de lucht te draaien. Drie jaar cirkelt in tien seconden voorbij. Onze weerziensdans stopt. We nemen plaats tegenover elkaar aan tafel. “Je bent echt blij voor mij!” “Natuurlijk, ik ben dan ook de trouwste supporter van je levensloop. Ik blijf je steunen in al je daden, ook de ongekende.” “ Je weet toch...” “ ja, ja, jij wou ademruimte en liet mijn hart rusten. Je wou het echte leven starten zoals je het toen verwoordde. Dat is je gelukt, denk ik zo. Je woont mooi, je hebt een man. Je bent geworteld in Meerhout…” “Stom gestruikel met woorden, Korneel!” “... En daarbij ik ben niet naar hier gekomen om verklaringen te krijgen. Wat is gebeurd, is gebeurd.” “Ok, ok, zoals je wilt, je krijgt geen loze woorden. Maar je was boos. Je hebt niet geantwoord. Ik heb wel twintig keer aan Linde haar mouw getrokken. Vanwaar de twijfel? Wou je me echt niet meer zien?” “Het is niet de boosheid of woede, Kirsten. Die was er zeker in het begin, versta me niet verkeerd. Wij drieën waren familie, jarenlang. Niets of weinig van je horen, ik moest me echt schikken in die nieuwe rol. Ik begrijp nu pas dat het ook voor jou lastig was om zo weinig mogelijk contact te houden. Jouw brief heeft me verrast. Ik wist niet dat je zo nostalgisch was. De herinneringen die je beschreef, zo in detail, bijna levensecht. De voorbije weken heb ik meermaals ons verleden herbeleefd. Sommige dingen herinner ik me anders, of was ik al helemaal vergeten.” “Dankjewel, je beseft dat die hele periode voor mij belangrijk is geweest. Ook al wou ik resoluut veranderen. Ik mis jullie meer dan ik wil toegeven. Wat ik met jullie heb meegemaakt, glijdt nog elke dag door in de activiteiten die ik vandaag doe." “… En dat is net de reden waarom ik heb getwijfeld. De angst om wat je hebt veranderd te zien. Op ontdekkingstocht gaan naar de bekende die een vreemde begon te worden. Ik wou niet vaststellen dat ik inderdaad geen rol meer te spelen heb, enkel tot je verleden behoor.” Ze wrijft zacht over mijn handen, glimlacht. “Heb je jouw Lindeboek mee?” “Ja, neen,.. het is te zeggen ik heb de pagina’s ingescand met mijn smartphone. Ik kon ze toch ook gewoon doorsturen?” “Ik wou dat je ze persoonlijk kwam brengen. Mag ik ze nu zien?” Ik zoek mijn softshell. Haal mijn smartphone er uit en laat de afbeeldingen kopiëren  naar haar laptop. Een halfuur gaat voorbij, technologieklungel hoort er nu éénmaal bij. Ze bekijkt haastig de vele foto’s. Haar hand gaat naar haar mond, dan weer een gil of een kir. Ik kruis mijn voeten en geniet van dit schouwspel. Enkel Linde ontbreekt nog, bedenk ik me. Zij hield ons samen. Ik schrik op als Kirsten plots verwonderd blijft staren naar het scherm. “Wat is er, zie je een spook?” “Zie je wel, ik wist het”, ze triomfeert en haalt er Lieven bij. Hij plaatst zijn handen op haar schouders. Ik merk nu zijn rouwnagels op. Hij buigt voorover naar het scherm. “Deze foto maakt die overname inderdaad gemakkelijk, Kirsten!” Hij knikt me goedkeurend toe. “Het ging je niet om het Lindeboek, de herinneringen, onze vriendschap?” Ze blijft voor zich uitstaren, niet in mijn ogen.  Ik draai me tenslotte om. Op de dressoir zie ik een kader staan. Er zitten zwartgeblakerde bladzijden in. “Dat is wat overblijft van mijn Lindeboek Korneel. Ik heb de herinneringen in mijn hoofd, maar ik kon ze niet meer doorbladeren. Nu kan ik dit terug doen, dankjewel.” “Je bent misschien gelukkig met deze levensfase, Kirsten, maar er weegt precies een last op je schouders.” Ik kijk Lieven aan. “ Ja Korneel”, sust Lieven. “Wil jij peter worden van onze zoon? Linde wordt de meter. Kirsten wil het Lindeverbond verder zetten.” Een traan rolt over Kirstens wang, ze herhaalt de vraag, voegt “alsjeblieft” toe. Mijn laatste opmerking miste doel. Ik sla het laptopscherm neer en tik erop. “Bij nostalgie verbloemen de aangename herinneringen een periode uit je leven. Vandaag zal de vraag of ik peter wil worden, nostalgisch zijn.” Ik richt mijn blik terug tot Lieven. “Natuurlijk wil ik dat, Kirsten. Het is een eer. Ik haat het om louter als supporter in een tribune aan te moedigen. Ik wil deel uitmaken van het team.” “En wij hebben je liever als dichte buur, dan als verre vriend, Korneel.” “Zoals Daniël?” “.. Ah, je kent Daniël al”, we schateren. Tenslotte sta ik op en het tafellaken golft na. Ik bedank Kirsten, kus een goeie nacht, geef Lieven een stevige handdruk en wens hem een succesvolle overname toe. Kirsten opent de deur,“je mankt. Is dat nog steeds die blessure?” “Als ik te lang stilzit, gebeurt dat soms. Mijn lichaam wreekt de inspanningen uit het verleden. Maar ik vind het niet erg, ik hou van volleybal.”

KLAAS
0 0

Marjolijntje

Toen de rechter het vonnis velde – levenslange opsluiting – kon ik maar aan een iemand denken: mijn dertienjarige buurmeisje. Marjolijntje heette ze. Snoezig ding. Wanneer de zon nog maar kwam piepen ravotte ze op straat; touwtjespringen met haar vriendinnetjes, waterballonnengevecht houden met haar vriendjes. Wanneer ze alleen was, tekende ze op het asfalt vakjes en figuurtjes om hinkstapsprong te spelen. En wanneer ze écht alleen was, stelde ze zich voor dat die vakjes en figuurtjes een landingsplaats voor ufo's waren. Dan legde ze er bloemen naast ter verwelkoming van de marsmannetjes. Ze blies belletjes en smeekte om snoep. Ze speelde soms te enthousiast en wanneer ze viel, kleefde mama een pleister op haar gehavende knie, samen met een kusje. In haar ogen zag je een dartel universum van geurig geluk dat steeds in bloei stond.   Haar familie hield van haar, ik hield van haar, de buurt hield van haar. Ruben hield niet van haar en maakte haar zwanger op haar dertiende.   Haar mama stond wenend aan mijn deur; gebroken, verscheurd, wondermooi als altijd. Ze begreep niet hoe het zover had kunnen komen. Ze had haar dochter toch goed opgevoed? 'Die Ruben kan het goed uitleggen en Marjolijntje weet niet goed wat ze gedaan heeft.' Ik kon haar niet vertellen dat Marjolijntje waarschijnlijk heel goed wist wat ze gedaan had, dus ik antwoordde, 'Jongens zijn testosteron op die leeftijd. Geile klootzakjes.' Ik verzocht haar binnen te komen om verder te praten, maar dat wou ze niet. 'Geen tweede keer', zei ze.   De hele buurt sprak er schande over. Tienerzwangerschappen zijn voor marginale sletjes zonder vaderfiguur. Gepolijste karaktertjes zoals ons Marjolijntje doen niet mee aan die viezigheid, dachten ze. Marjolijntje kreeg geen snoep meer. Marginale sletjes halen hun lekkers wel ergens anders. De eerste drie maanden van haar zwangerschap was ze nergens te zien. Werd ze binnengehouden omdat mama de buurt niet wou opzadelen met plaatsvervangende schaamte? Of waren er complicaties? Ik moest het weten. Ik belde aan. Ze was alleen thuis. 'Dag meneer, kom je naar mijn dikke ballon kijken?' Ze droeg een kort T-shirtje dat net haar borstjes bedekte. Onder die borstjes een platte buik met in het midden een navel waaruit een navelstreng tevoorschijn kwam. Aan het uiteinde van die navelstreng zat een ballon bevestigd; een dikke zwevende ballon waarin een foetus groeide. Het was bizar en afzichtelijk en kinderlijk mooi. Ze liet me binnen. Wanneer we door de lage deuropening naar de woonkamer liepen, moest ze haar navelstreng vasthouden en het ballonnetje wat naar beneden trekken. Een moederkloek beschermt altijd.   We gingen zitten. Een ongemakkelijke stilte volgde, een stilte die ze vulde met koffie voor haar gast. Ik wou haar vragen waarom ze die Ruben met zijn vuile poten had toegelaten, maar dat antwoord was niet moeilijk te raden en ik wou niet dat ze me een dommerik vond die met een belerend vingertje in het ijle zwaaide. Ik vroeg dan maar, 'Wordt het een jongen of een meisje?' 'Dat zullen we binnen een maand zelf kunnen zien. Mijn ballonnetje is doorschijnend, of had u dat nog niet gezien, meneer?' Intelligent ding. Net als haar moeder. Natuurlijk had ik gezien dat haar ballonnetje doorzichtig was. Die smalltalk was niets voor haar. Voor mij ook niet trouwens, anders zou ze mijn poging tot niet gemerkt hebben. 'Ben je gelukkig?' 'Ja! Ruben wil er ook voor zorgen. Met twee lukt het ons wel. Met drie eigenlijk. Mama gaat ook haar best doen. Denk ik.' Ik dronk mijn koffie op, wenste haar het beste met de zwangerschap, aaide over haar ballonnetje hoewel het ding dat erin groeide me lelijk aankeek en vertrok. Kon ik haar zeggen dat Ruben er niet voor zou zorgen, dat ze er uiteindelijk alleen voor zou staan, net als haar moeder?   Twee maanden daarna zag ik haar opnieuw buitenspelen, opnieuw figuurtjes op het asfalt tekenen, opnieuw de marsmannetjes begroeten. Alleen ging het hinkstapspringen wat trager, lomer. De foetus was flink gegroeid; het ballonnetje leek op ontploffen te staan. Wanneer de andere kinderen in de straat erover wouden wrijven, trok ze haar navelstreng naar beneden en hield het ballonnetje tegen haar linkerwang. De ouders van de buurt riepen hun kroost naar binnen: 'Laat ze maar met rust of jullie groeien ook een ballon!' Marjolijntje stond alleen op straat. Ze hield haar navelstreng goed vast, want er was een sterke wind opgestoken die met haar ballonnetje dartel danste.   Toen ze acht maanden zwanger was, zat Marjolijntje in mijn keuken te wenen en haar zondvloed aan tranen erodeerden de keukentafel. Rubens moeder had ontkend dat haar zoon Marjolijntje zwanger had gemaakt. Een vaderschapstest was uit den boze; geen verantwoordelijkheid die halfslachtig kon opgenomen worden. Ze kon geen woord uitbrengen en ik stak een sigaret op. 'Marjolijntje toch. Het komt allemaal goed. Je zal er niet alleen voor staan. Je moeder zal er ook voor zorgen en ik wil helpen. Wat denk je?' Maar het zou niet goed komen en ze zou er wel alleen voor staan. Opnieuw moest ik liegen tegen een zwanger meisje, maar deze keer viel het me zwaarder. Het ongeboren kind in haar ballonnetje mocht niet hetzelfde meemaken als de moeder. Ik trok van mijn sigaret, keek ernaar terwijl de rook zich rond mijn vinger krulde. Ik trok opnieuw. Ik keek naar het ballonnetje. Mijn handen jeukten, Marjolijntje huilde. Ik trok voor de laatste keer. Marjolijntje was te druk bezig met haar verdriet om te zien wat ik deed.   Paf.   Een ballonnetje is niet sterker dan het uiteinde van een brandende sigaret.   De tijd maakt zigzaggende hinkstapsprongen op de gevangenisvloer. Als babymoordenaar kun je niet op het begrip van verkrachters en overvallers rekenen en de isoleercel in mijn hoofd begint langzaamaan vorm te krijgen: een ballon waarin mijn hersenen drijven en waarvan ik hoop dat hij ooit door Marjolijntje wordt vastgehouden.   Ik zie een baby op een bedje van ballonschilfers liggen, sigaret in het kleine handje. Het staart me aan en ik staar terug. Het krijtje in mijn hand weegt loodzwaar. 'Doe maar, laat de ufo's landen', lijkt de baby te denken. Ik buk me en teken een figuur op de vloer terwijl het geluid van spelende kinderen door de kamer dartelt. Het is Marjolijntje die ik teken. De baby staat op, komt naast mij staan, trekt van de sigaret, ik kleur Marjolijntje in, het trekt voor de laatste keer van de sigaret, Marjolijntje komt tot leven...   Paf.

Michaël Verest
49 0

Roest

Roest   Het cadeau lag op tafel, zorgvuldig ingepakt met een rood lint. Haar rusteloze dag kwam tot stilstand als een hardloper die na zijn laatste sprint abrupt stopt om zijn hartslag te controleren. Tik tik tik Het idee dat het cadeau een tikkende tijdbom symboliseerde, verwierp ze al snel als te voorspelbaar en dramatisch.  Nee, haar leven was al cliché genoeg: na zeven jaar huwelijk was de liefde met Jacob versleten als het roest op een trouwe fiets die aan vervanging toe is. Het idee dat hij ‘de ware’ was, gleed na een passionele start van hun relatie over in de gedachte ‘dat liefde een werkwoord is’ tot een berustende ‘het belangrijkste is dat we allebei gezond zijn’.  Ze stonden al te lang roerloos met hun liefde tussen hun vermoeide lijven gedrukt; in slaap gewiegd door de kabbelende gewoontes van alledag. Ze wou hem niet verliezen. Of wou ze vooral haar geloof in de eeuwige liefde niet opgeven? Haar besluiteloosheid smeekte om een duw in de rug. Maar in welke richting?   De komst van minnaar Maurice was een tijdelijke zijsprong die zich langzaamaan tot hoofdweg profileerde. Wat begon als een kortstondige zoektocht naar vuur, werd al snel een alles verschroeiende brand. Als ze ’s nachts rug tegen rug  aan Jacob kleefde, zag ze zichzelf dikwijls op een strand liggen. Alle strandgangers waren na zonsondergang naar huis gegaan en zij ligt alleen naar het rusteloze water te staren. De eerste golf die aanspoelt, is zo hoog dat ze de rest van de zee niet kan zien. De eerste golf is haar passie voor Maurice, de zee haar liefde voor Jacob.   Overdag voelde ze de achterdocht van Jacob groeien. Dat ze weeral moest overwerken werd steeds met een ironische blik onthaald. Dat ze twee dorpen verder een nieuwe, overheerlijke bakker had ontdekt, leek slechts zijn paranoia te versterken. Hoe lang was dit houdbaar? Hoe lang kon ze deze granaat voor zich uit blijven trappen? Haar liefde voor Jacob was als het rode strikje rond het cadeau: het hield alles hardnekkig samen, maar bij voldoende twijfel zou het knappen en zou de lege doos van hun relatie kaal achterblijven.   Ze flirtte een ogenblik met de gedachte om het geschenk uit het raam te gooien, maar haar nieuwsgierigheid overwon. Het cadeau moest wel van hem zijn, want hij had de enige andere huissleutel. Misschien wou hij hun liefde nieuw leven inblazen door haar met dit geschenk te heroveren? Hopelijk eist hij eindelijk kordaat zijn plaats op. Of was dit cadeau gewoon een sarcastische grap? Een middelvinger naar haar bedrog? Ze trok het papier weg en vond een tweede doos met een zwart lintje. Rillend rukte ze ook dit papier open en voor de tweede keer vandaag kwam de tijd tot stilstand. Ze begreep het niet. Een brood naast een chocoladetaartje? Het brood leek al een paar dagen oud, het taartje was duidelijk vers. Rond het taartje zat een tweede rode lint, rond het brood een zwart. Toen ze onder het brood keek, vond ze wat ze zocht: een briefje in Jacob’s geschrift met -hopelijk- een verklaring.   Liefste,   Het is heel simpel: ik ben het brood. Ik ben het die de kruimels van je leven tot een geheel maakt. Ik heb je de laatste tijd te gemakkelijk het cement aangereikt waarmee je de muur rond jezelf hebt gebouwd. Ik wil die samen met jouw hulp afbreken. Mijn liefde voor jou is standvastig, hardnekkig, doorwinterd. Reken op me, bouw op me. Elke ochtend ben ik er weer. Schat, ik wil je niet kwijt. Je bent mijn beleg ;-) Hij is het taartje: kortstondig plezier, met kans op kiespijn. Waarschijnlijk heel lekker, maar het houdt je niet in leven… Ik begrijp dat het tussen ons van passie naar passief is gegaan, maar nu moet je kiezen. Wordt het brood of taart?   De chocolade op haar lippen was het laatste wat ze van Maurice zou proeven.        

Joachim Stoop
28 0

Duin

Duin   ‘T’is toch altijd spannend om eerst het water te horen vooraleer je er een glimp van opvangt, vind je niet. Nog even klimmen en we zien haar.’ Met overdreven dichtstem voeg ik eraan toe: ‘de zee: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt.’ Haar reactie had ik wel verwacht: ‘Eumm, ik denk dat je dit al eens eerder hebt gezegd. Of nee: geschreven.’ Ironisch genoeg reageer ik voor de honderdste keer met hetzelfde: ‘Moet dan alles wat er gezegd wordt uniek zijn? Alsof alleen eenmalige dingen waardevol zijn.’  Het fronsen van haar wenkbrauwen is even prominent als haar ingehouden lach. Ik vervolg dan maar: ‘Jij vraagt me toch zelf zo vaak om te herhalen waarom en hoeveel ik van je hou.’ Terwijl de zon in haar blonde haren met schakeringen van geel en goud speelt, antwoordt ze: ‘Maar dat is net iets wat telkens anders kan. Je liefde blijft hetzelfde, maar hoe jij je er op elk moment bij voelt en hoe je het onverwoordbare in woorden giet, is toch telkens nieuw.’  Mijn hart mist een slag. We komen dichterbij. Ik heb dit zo goed voorbereid; heb hier al honderden keren gewandeld in mijn gedachten en toch ben ik nerveus. Alsof haar antwoord me nog zou kunnen verrassen. Alsof één plus één opeens toch nog iets totaal anders dan twee zou blijken. We wandelen verder over het strand, laten voetstappen achter die door getijden stapsgewijs zullen wegebben. Ik draag de picknickmand, zij het lakentje en de camera. We hervallen in een zalige stilte opgeluisterd met een harmonica van golven, een zoute bries en het genot van niks te hoeven zeggen. Vogels beheren de lucht en ongetwijfeld zwemmen vissen als keizers onder de blauwgrijze spiegel van de zee. Maar wij zijn landdieren. Wij voelen ons opperbest als we met onze voeten paden kunnen creëren die nooit eerder zijn gevormd. Zo bewandelen we deze aardbol begeesterd en bezield. Wat ons gisteren en morgen aan volledige vrijheid doet ontberen, zijn krachten groter dan wijzelf: maatschappij, tegenslag, onomkeerbaarheid. Maar wij tweeën, op dit moment, zijn vrij. Het liefst wil ik dat we terugkeren en dezelfde wandeling meteen opnieuw doen, maar dan in elkaars voetstappen. Gewoon omdat het kan. Dit idee spoelt me terug naar de eigenlijke reden van deze wandeling. Wat ik het liefst wil, is heel mijn liefde, hartstocht en overtuiging bundelen tot één klein geheel. Ik wens mijn gevoelens voor haar, voor ons, te smelten tot één uniek symbool: een schelp of smaragd of een metafoor als deze:   Liefde is een tweezit die in tijd en ruimte opschuift om de juiste mensen op te vangen en hen dan toefluistert: ‘maak het je gemakkelijk en geniet van de rit. Eerst zetelen, dan pas nestelen. Als je het goed doet, leven jullie samen dubbel zo lang.’   We zitten naast elkaar op ons lakentje op de hoogste duin, met ogen en doelen in dezelfde richting en beider hart als kompas. Vol emotie kijk ik nog een laatste keer naar de zee en spreek tot mijn geliefde in een stem die probeert zware woorden licht te doen klinken: ‘De tijd is rijp om lentes als bruggen over komende winters te slaan.’ Pas dan wend ik mijn blik naar haar verwonderd gezicht, waar het altijd warm is, waar zij vol van leven, alle zonnestralen en deze vraag opvangt:

Joachim Stoop
8 0

De buitenlander

Tijdens de treinrit besefte Mont dat dit wel eens de laatste keer kon zijn. Met vrouw en tienerdochters naar de zoo. Dergelijke voorstellen zouden voortaan stoten op puberale pruilsessies achter gebarricadeerde deuren. Van hun dochters, uiteraard. In de treinzetels achter hem en zijn vrouw blaften twee mannenpubers hun vroegtijdig seksuele ervaringen heen en weer. Vermoedelijk waren ze opgevoed door ouders die elk product van hun nageslacht inkaderen, en hadden ze als kind nooit eens een goede tik gehad. Hij kon hun ongestrafte puisten haast proeven in de weeë lucht van deze zaterdagochtendtrein. Terwijl zijn dochters gedachteloos de tekst van een vrouwonterend lied meelipten, las zijn vrouw een boek dat hijzelf als seksistisch zou bestempelen. Eventjes raakte ze zachtjes zijn been aan. Dat kalmeerde hem. Plots voelde de dromerige zon erg aangenaam op zijn koude huid. Hopelijk, als hij maar een goede vader speelde, kwam alles gewoon goed. ______________ Zelfs de wc van de zoo rook naar dierenmest. Met de tickets in zijn vers opgetrokken achterzak stapte hij naar buiten, maar zijn gezin was nergens te bespeuren. Een grijzige angst begon onder zijn sternum te knellen. Zijn familie kwijt, net als twintig jaar geleden, toen hij werd getroffen door kleurenblindheid. Toen hij Polly leerde kennen. Ongerust liep de kale man, begin veertig, ooit blond-rossig, tussen de andere bezoekers waarvan iedereen een gezond grijze haardos had. Primaten… geef haar een park vol dieren en ze kiest diegenen uit die het meest op onze soort lijken. ‘Daar ben je,’ lachte Polly. ‘Ona en Shau zijn bij de reptielen, in de Dahakatuin.’ Mont lachte flauw terug. ‘Had je nu echt niet op me kunnen wachten, ik heb-’ Polly praatte over zijn zin heen. Zoals vele mensen in dit land. Alsof hij niet bestond. ‘De meisjes konden niet wachten om de zwammen te bezichtigen, seizoen van de Marasmius Oreades, weet je nog? En bovendien- denk je dat die aapjes in hun kooi daar wachten op elke aapje dat achterblijft?’ zei ze minachtend. Mont had geleerd zijn repliek te laten wegsijpelen. Enkele chimpansees kwamen naar het venster toe en keken nieuwsgierig naar het veertigjarige koppel. Mont wees: ‘Je bedoelt die copulerende primaten daar?’ Ze tuitte haar lippen en raakte zacht Monts arm aan. Hij voelde zich plots uitgelaten. Polly legde even het bandje in haar haren terug goed. ‘Je blijft ze primaten noemen. Alsof je dat erg belangrijk vindt.’ ‘Als er één soort is naar wie ik juist wil verwijzen, is het wel die waar wij het dichtst bij staan als mens.’ ‘Wij?’ vroeg Polly ironisch en ze stapte dicht tegen Mont aan en ademende warm in zijn oor. ‘Zeg dan eens, hoe lijken “wij” dan op die aapjes?’ Ze was zo dichtbij dat hij maar één soort voorbeeld kon geven. ‘Wel, om ruzies op te lossen gebruiken ze seks…’ ‘Net zoals wij, schat.’ Ze duwde haar heupen hard tegen hem aan. Plots galmden de stemmen van hun dochters. ‘Kijk, ze vechten!’ Het copulerende koppel was opgebroken door een andere belanghebbende die nu zijn rechten liet gelden met ontblote tanden en bruut geweld. Dit zou volk trekken. Mensen houden van brood en spelen. Maar de andere bezoekers liepen nauwelijks geïnteresseerd door. Wel kwam er een opzichter met een geweer, die zonder aarzelen met loden munitie de primaat doodschoot die zonet nog aan het copuleren was geweest. Het vrouwtje krijste en was duidelijk overstuur. Polly knikte en zei belerend tegen haar kinderen. ‘Dit is wat er gebeurt als een aapje niet meer in de groep past. De andere aapjes bijten hem dood. Maar soms kunnen de aapjes het zelf niet oplossen, en voert iemand anders de straf uit.’ Shau zag er bleekjes uit en was aan het wenen. ‘Maar het zijn primaten, net als wij! Wat die opzichter deed was toch niet menselijk, papa?’ Meteen beet Ona: ‘Het zijn maar beesten, toch?’ Mont troostte Shau in zijn armen en kreeg daarop een nijpende blik van zijn vrouw. Het deed haar, heel eventjes, ouder lijken dan twintig jaar geleden. _________________________ De week erop broeiden de spanningen thuis in een nest van hete angels. De tirades van zijn tienerfeeksen waren onaangenaam, maar verbleekten bij de doodgezwegen wonde die etterde in het hart van het gezin. Ze waren gestopt met praten en negeerden elkaars gezicht. Polly mijdde elke aanraking, en elke avond ging ze het huis uit, stilzwijgend, naar mannen of vrouwen die hij misschien kende, zoals wel vaker gebeurde. Maar deze week merkte hij een geur op als ze thuiskwam. De geur van andere mannen. Het was intussen een week na het bezoek aan de zoo. Shau en Ona waren gaan paardrijden. Polly nam haar jas al om het huis te ontvluchten, maar deze keer hield Mont haar tegen. ‘Polly, we moeten praten. Heb- heb jij seks met iemand anders?’ ‘Ja,’ zei ze droog. ‘Natuurlijk.’ Mont voelde een drukgolf, plat in zijn gezicht. Hij moest gaan zitten. ‘Zeg dat dit niet waar is.’ ‘Natuurlijk is dit waar.’ ‘Maar je bent mijn vrouw… een fysieke affaire?!’ ‘Mont, mijn aapje, je ontbloot je tanden weer.’ Zijn handen tot witte vuisten gebald. ‘Hoe lang?’ ‘Al altijd. Maar de laatste week, meer,’ zei ze dit keer fronsend. ‘Mont, ik weet niet wat ik moet zeggen, je had nooit zo lang mogen blijven. Ik dacht dat je je zou kunnen aanpassen aan onze cultuur. Heb jij me dan nooit fysiek bedrogen, Mont? Zelfs niet één keer?’ Ze zei het haast smekend. Mont zat er geslagen bij. Polly schudde haar hoofd. ‘Je zal je moeten aanpassen, Mont. Ik wil niet langer met een aapje getrouwd zijn.’ ___________________________________________ Met dichtgenepen billen en in zijn hand de losse leiband van zijn trouwe hond die verderop in het veld zijn gevoeg deed, keek Mont omhoog naar de sterren op deze donkere avond. Toen hij ze vroeger met zijn grootvader had bestudeerd, stonden die sterren nog anders. Het was erg lang geleden dat hij zijn familie nog had gezien en de herinneringen aan hen waren meestal vaag. Langs het wegje in dit veld was het zwart door het gebrek aan licht, waardoor de warme schijnsels van de vreemd gebouwde huizen rondom het veld nog aantrekkelijker leken. Volgens Polly speelde ook in die huizen iedereen het spel mee. Wees elkaar trouw met anderen. Ze had het hem nu voor het eerst duidelijk uitgelegd. En Polly had gelijk. Toen ze hem het huwelijkscontract had laten nalezen eerder die avond, had ze gewezen op de kleine lettertjes ergens onderaan.                   *Echtgenoten zijn uitsluitend trouw aan elkaar door fysiek verbonden te zijn met anderen. Al die warme lichten brandden blijkbaar niet alleen voor de bewoners, maar ook voor mogelijke bezoekers. En of er nog zo’n mensen als hij waren, was hij zo stom geweest te vragen. Er waren er zeker, had ze gezegd, maar de meesten bleven niet in onze cultuur. Het leek haast waarschuwend, hoe ze had gefluisterd: “Sommigen gedroegen zich als aapjes en gingen snel weg. Anderen… wilden niet weg, maar moesten toch weg”. Het was één van die cryptische omschrijvingen waar hij stilaan aan gewend geraakt was sinds hij naar Polly’s streek was verhuisd. Maar gemakkelijk was het nog steeds niet. Hij wandelde naar de straat toe en riep zijn hond, wiens natte vacht vettig aanvoelde als hij erover wreef. Enkele voorbijgangers keken nieuwsgierig naar het beestje. Hier had niemand een hond, en het was de trouw van het beestje wat hij erg gemist had in het begin, na de verhuis naar dit land. Hij glimlachte bij de herinnering, toen Polly hem had meegenomen toen ze was gaan paardrijden in het bos. Mont had hem een naam willen geven, maar volgens Polly had het al één: Hont. Niemand op straat, in deze natte streek die rook naar bos en paarden, waar de huizen hun licht uitnodigend naar buiten toe brandden. Hont stopte bij de volgende voortuin om de zoveelste druppel uit zijn lijf te persen. En beetje bij beetje, ontspande Mont zijn nijpende billen. _____________________________________________________ Terwijl de taxushagen hem giftig leken toe te wuiven op de oprit, snokte Mont aan de leiband om duidelijk te maken dat het wandelen gedaan was. De trouw van Hont gaf hem een machtig gevoel. Het was de soort relatie die hij gemakkelijk kon vatten. Zijn huis baadde in het warme licht. Uitnodigend, maar blijkbaar niet alleen voor hem. Hij deed de deur open en stootte tegen Polly. ‘Je bent niet weg?’ mompelde hij verrast. Hij duwde zich langs zijn vrouw, maakte de hond los, en vulde een bakje met water. Hij schonk zichzelf ook iets in. ‘Waar zijn Shau en Ona?’ ‘Nog aan de stallen.’ Ze kwam naar hem toe en raakte hem aan. De eerste keer in een week. Hij voelde zich plots opgelucht. ‘Mont… ik kan er toch ook niet aan doen dat je niet op de hoogte was… ik dacht dat je in jouw land geleerd had over de Mab en haar wetten.’ ‘Hoe kunnen mensen een andere cultuur leren als er zoveel zaken van die cultuur verzwegen worden? Geografie hebben we geleerd, en taal. Maar dit? Dit… overspel? Nee.’ ‘Al twintig jaar ben je hier, en niemand heeft je ooit signalen gegeven om te…?’ vroeg Polly. Mont zei beschaamd: ‘Ja, dat wel, maar ik heb nooit… seks gehad met hen. Jij bent de enige… Ik weet het niet meer. Zeg het me dan, Polly, wat kan ik doen?’ ‘Wil je bij je gezin blijven?’ vroeg ze en ze aaide zijn nek. Hij knikte. Plots greep ze zijn kruis hard vast en zei verbeten: ‘Doe dan wat er in je huwelijkscontract staat.’ __________________________________________________________________________ Elf maanden later hadden Monts pogingen om zijn huwelijk na te leven hem in de rechtzaal doen belanden. Die was niet zo pompeus en met goud belegd als hij zich had voorgesteld. De plantentekeningen in het behang op de muren, grijze tongen met grijze vogels, grijze paarden met grijsgehaarde ruiters, toverden de macht van de zaal eerder in een mistig bos. Hij keek naar achteren en zag hoe de zaal uit haar voegen barstte van de toeschouwers. Als een aapje in de zoo, onder hun vizier. Polly zat er ook. Hij wuifde flauwtjes naar haar, maar kreeg enkel een opgetrokken mondhoek terug. De middenste van de elf rechters droeg een grijze pruik met oude oren door. Zijn neus was paarsgeaderd. ‘Beklaagde, u mag rechtstaan.’ Hij keek met gespitste ogen over zijn bril heen. ‘Schuldig aan actieve weigering van deelname in taken van een getrouwd gemeenschapslid. Pleit?’ Monts advocaat sprak geconditioneerd: ‘Schuldig met inbegrip van jarenlange onwetendheid inzake impliciete wetgeving van deelname aan overspel. De verdediging vraagt behoud huwelijk.’ De rechter keek naar zijn vrouwelijke collega links van hem. Zij sprak met kenmerkend schrille stem: ‘Er is een tweede klacht. Openbare aanklager pleit schuldig aan fraude. Voor illegale poging tot schijnoverspel, vragen wij, als voorbeeld voor de maatschappij, levenslang!’ Mont fluisterde gespannen: ‘Meester, wat is dit? Zie je wel dat ik niet had mogen bekennen! Ik wil niet naar de gevangenis!’ De meester bedaarde Mont, rechtte zijn rug en sprak: ‘Omdat de beklaagde geen eerdere feiten heeft gepleegd, vragen wij een alternatieve straf, meneer de rechter.’ De ijzige vrouw brak in schelden uit en richtte zich naar de rechters. ‘U ziet het toch? De schande aan de Mab is te groot. Als levenslang niet kan, is verbanning het enige mogelijke alternatief.’ Maar enkele rechters mompelden dat dit inderdaad de beklaagde zijn eerste feit was. De rechter met de paarsgeaderde neus wendde zich tot Mont: ‘Illegale activiteiten, meneer… dat is niet niks. Wat deed u dan in die zaak van slechte reputatie?’ Mont zuchtte. ‘Ik wilde mijn huwelijk redden.’ De schrille stem daverde door de zaal: ‘Uw huwelijk redden, meneer, doet u door te doen wat in de Mab staat geschreven op zo’n impliciete manier dat wij dit niet letterlijk kunnen citeren, en wat niemand in deze zaal met ook maar de minste citering mag uitdragen, op straffe van verbanning! Maar neen, meneer deed dat niet! Neen, meneer ging naar een zaak van slechte reputatie!’ Mont porde zijn meester in de zij en die verdedigde: ‘M-mijn client, waarde rechter, heeft wel pogingen ondernomen om zich aan te passen aan de in zijn ogen vreemde impliciete regels van onze cultuur. Ik citeer mijn client als ik zeg dat er voor hem plots een nieuwe deur openging.’ Goedkeurend knikje van Mont. ‘Mevrouw de aanklager, mijn client heeft voor hem tegennatuurlijke pogingen ondernomen, in overleg met zijn vrouw, om het huwelijkscontract na te leven.’ De mannelijke rechter las goedkeurend voor: ‘Pogingen met buurvrouwen, klanten, vriendinnen en familie van vrouw, collega’s,… Dat lijkt er al meer op. Meneer, over hoeveel vrouwen gaat het hier?’ Schoorvoetend zei Mont: ‘Net geen elf, maar ik kon nooit fysiek… begrijpt u dan echt niet…? Mijn vrouw is… is mijn ware liefde! En zij zal ook altijd mijn enige fysieke liefde zijn.’ De meester trok zijn schouders op en siste. ‘Mont, wat had ik gezegd, geen liefdesverklaringen!’ Geroep en geschreeuw in de zaal. Rumoer. De banken kletsten hun hout op de stenen vloeren. De deuren zwaaiden dicht. De rechter sloeg meermaals met zijn hamer tot orde. De schande was te veel geworden voor sommigen in de zaal en zij hadden de zoo verlaten. De rechter wuifde flauwtjes met zijn hamer. ‘Mag ik u vragen, meneer, dergelijke ziekmakende verklaringen niet meer te herhalen of ik kan uw veiligheid niet garanderen.’ De openbare aanklager kwam tussen. ‘Wat de beklaagde durft te zeggen, gaat in tegen het hart van onze maatschappij. Als mensen hun liefde niet meer delen, als bijen slechts één bloem bestuiven, dan wordt fauna én flora ziek.’ Mont keek smachtend naar de zaal. Waar zijn vrouw eerder zat, was nu een leegte. Ook voor haar moet de publieke verklaring te veel geweest zijn. Mont besefte nu dat hij zijn laatste kans had verspeeld. Weer die schrille stem. ‘Meneer! Kijk me aan als ik tegen u spreek. Waarom ging u naar die illegale zaak? Antwoord!’ Mont zuchtte. ‘Omdat ik nooit overspel zal kunnen plegen, mevrouw. En het enige dat me kon helpen waren de diensten van die onderneming. Ik kocht…’ Voorzichtig keek hij in de zaal achter zich. Dit zou stof doen oplaaien. ‘Ik kocht geruchten van overspel zonder het echt te plegen.’ Hout op steen. Hamer in het rond. Dichtgegooide deuren. Een advocaat die driest nee schudde. En uiteindelijk, een vonnis door grijze pruiken. ‘Verbannen! Met ingang van morgen, bent u verplicht onze wereld te verlaten binnen de termijn van zeven zonsondergangen. U gaat in culturele quarantaine totdat het eerste schip vertrekt.’ Een zachte knik van een geslagen man. ‘Ik hoop u hier nooit meer terug te zien. Tot nooit, meneer.’ De hamer dreunde neer als de slag van een geweer. __________________________________________________________________________________ Nadat hij de praktische zaken met de balie had geregeld, was hij onder toezicht van een wethouder van de Mab naar huis gekeerd om kort afscheid te nemen van zijn gezin en om Hont op te halen. Zijn vrouw had hem kil begroet met zijn twee dochters in haar armen. Ona had hem niet sneller dag kunnen zeggen, alsof hij een zieke primaat was die geliquideerd moest worden. Maar Shau wou met hem meegaan. Een lichtpunt. Zijn hele leven en gezin achterlaten, het leek te moeilijk. En toen Polly meteen had toegestemd met Shaus vertrek, besefte Mont dat zij haar spullen al had gepakt. Nog nooit had hij zo snel afscheid genomen in zijn eigen huis. Daarop had de wethouder Mont en Shau naar de haven begeleid, waar ze in culturele quarantaine zouden verblijven tot het eerste schip. Twee maanden zou de zeereis duren, doorheen golven en verpletterende afstand. De eerste dagen waren moeilijk geweest. Hij had zijn vrouw en Ona enorm gemist, maar was dankbaar dat Shau mee was gekomen, ook al weende ze veel in het begin. Hij voelde zich dan ook schuldig, omdat hij haar had geamputeerd van het netwerk waarin zij zich met haar ziel geweven voelde als een paddestoel in het bos. Maar hoe langer hij wegvaarde van het eiland, hoe moeilijker hij het had, niet met het gemis, maar met het herinneren waarom, en zelfs wat, hij miste. Het leek alsof hij jaren onder een donkere wolk had geleefd en dat hij nu pas kon nadenken dankzij de vloed aan frisse zeelucht. Over zijn scheepsgenoten had hij zich aanvankelijk zorgen gemaakt: gevangenen, gehandicapten, zwervers, rasechte criminelen, waaghalzen, extremisten van allerlei, … Maar vreemd genoeg, en dit kwam misschien doordat hij een nieuwe uitweg zocht voor zijn hart vol doelloze liefde, leek het wel alsof hij deze mensen beter begreep. Ze waren allemaal gevangenen hier. Lotgenoten. Verbannen. Het was een groot schip, en toen hij op een keer met Hont over het dek liep, werd hij aangesproken door enkele mensen uit zijn vaderland die al jaren geen hond meer hadden gezien. Eindelijk kon hij zijn taal terug spreken, met de vertrouwde gebaren uit zijn moedercultuur. Met een week vertraging kwamen ze uiteindelijk aan op de bestemming waarover in Polly’s cultuur werd gesproken met rillingen in stem en rug. Een plaats waar een samenleving was ontstaan zonder het wakend oog van rechters met pruiken en wetboeken van de Mab. Maar lang zouden ze er niet blijven. Na enkele weken reisde hij door naar zijn geboorteland, samen met de mensen van zijn moedercultuur die hij had leren kennen op het schip. _________________________________________________________________________________________________________________ Een jaar later bevond Mont zich terug in zijn geboorteland en had hij er zo’n succesvolle winkel gestart dat verschillende families in het dorp hem nu huwelijksvoorstellen deden. Zo zat Mont enkele maanden later in het raadshuis. Vandaag zou hij trouwen volgens de regels van zijn cultuur. Zoals het hoort. Normaal. Maar voor hij het huwelijkscontract tekende, las hij deze keer aandachtig de kleine letters.                   *De man zal trouw zijn aan zijn partner, door trouw te zijn aan zeven vrouwen, waarvan hij slechts met één fysiek verbonden is. Tevreden gaf Mont de pen door, aan zijn zeven nieuwe vrouwen.              

Han Hartmoed
0 0

Allesverterend

Tussen mijn halfgesloten oogleden door keek ik naar hen. In de tuin was mijn schoonvader druk in de weer met zijn geliefde barbecue, houtskool en aanmaakblokjes, een glas wijn binnen handbereik. Mijn schoonmoeder riep hem vanuit haar hangmat goedbedoelde aanmoedigingen toe, maar hij werd er alleen maar zenuwachtig en prikkelbaar van. Het gebruikelijke tafereel. Straks kwam het gevloek, misschien heel even ruzie. Maar de uitkomst stond vast: mijn schoonvader die met geheven glas de retorische vraag stelde of er iets heerlijker was dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon. Mijn vrouw Valerie trok er zich niets van aan. Zij lag op de stoel naast me, verzonken in een Aspe, haar derde van de week. Op mij lette niemand. Ze dachten dat ik sliep, en dat vond ik uitstekend zo. Ik lette erop dat ik zo min mogelijk met mijn hoofd bewoog. Mijn ogen zaten verscholen achter mijn zonnebril-met-spiegelglazen. In mijn schoot lag Kundera's 'Onsterfelijkheid', opengeslagen met de rug naar boven, zodat ik ook daar niet verraden kon worden. En intussen keek ik. Of beter: ik gluurde. Ik gluurde en genoot.Ik kwam al jaren mee met de familie naar hun zomerhuisje in de Luberon. Tien dagen in de eerste helft van augustus, elk jaar opnieuw. Een goedmoedige routine, waar we telkens tegen op zagen ('Volgend jaar moeten we toch echt een keer ergens anders naar toe, gewoon met ons twee') maar ook weer heimelijk van genoten.Vorige zomer nam ook Charlotte voor het eerst een vriendje mee. Lander was zes jaar ouder dan zij, en dus maar nipt vijf jaar jonger dan ikzelf. En vanaf was Charlotte ineens niet mijn kleine, onschuldige schoonzusje meer, en werd alles anders.De manier waarop Charlotte zich in, om en langs het zwembad bewoog was haast niet te vatten in woorden. Het water golfde nauwelijks terwijl ze baantjes trok – haar duiksprong was van een volmaakte elegantie. Ook op het droge verloor ze niets van haar gratie. Zoals ze daar op haar strandstoel lag, een been gestrekt en een lichtjes opgetrokken, leek ze zo weggeplukt van de cover van Sports Illustrated. Een vrouw van net 20, met een lijf met – alle objectiviteit in acht genomen – de welhaast perfecte verhoudingen.Charlotte was het type vrouw dat zich haast ergerlijk bewust was van haar schoonheid. Ze gebruikte die ongegeneerd om van alles van anderen - mannen - gedaan te krijgen. Lander was de eerste die haar langer dan enkele weken de zijne mocht noemen, maar hij was dan ook niet de eerste de beste; hij had het afgetrainde lichaam van een atleet, en op de koop toe ook een flink stel hersens. In enkele jaren tijd had hij zich aan de Antwerpse balie opgeworpen als dé strafpleiter van de volgende generatie. Geen wonder dat Charlotte wel perspectieven in hem zag.Eigenlijk was alles als vanzelf gegaan. Ik had het niet opgezocht, of toch niet echt. Goed, ik was – inderdaad niet geheel toevallig – de badkamer binnengegaan, net toen de douche stopte met lopen. Maar dat was een instinctieve reactie geweest, een ingeving van het moment. Ik beschouwde het als niet meer dan een duwtje in de rug van het lot, een trigger die iets versneld in gang had gezet dat ook anders even goed onvermijdelijk was geweest. Nadien was elke sturing overbodig geweest.Die enkele minuten in de badkamer betekenden voor mij een omwenteling, een Gestaltswitch. Ik had in de tekening waarin ik al die jaren een eend zag plots een konijn ontwaard, en kon me ineens ook niet meer voorstellen dat ik er ooit nog een eend in zou zien. Het werd een vakantie van gestolen momenten, van angst om betrapt te worden en van euforie om niet te betrapt te zijn, van verwarring en tegelijkertijd onmiskenbare helderheid. Alles was anders, en ik wilde nooit meer terug.Weer thuis gingen we gewoon verder, namen lange lunchpauzes waarin niet gegeten werd, brachten elkaar bezoekjes als we wisten dat onze wederhelften niet in de buurt waren. Tijdens het kerstfeest dat we traditioneel met de hele familie in het ouderlijke huis vierden, verdwenen we tussen kalkoen en dessert naar Charlottes tienerkamer. Jarenlang werd ik er, als vriendje van grote zus, angstvallig geweerd. Niets dat er toen op wees dat daar, tussen de posters van boysbands en de pluchen beren, die warme gulzige lippen me naar een schitterende kleine dood zouden leiden, terwijl beneden mijn vrouw geduldig de sterke verhalen van haar nonkels en de klaagzangen van haar tantes doorstond.'Is er iets beter dan een gegrilde kotelet onder de Franse avondzon?'.  Zichtbaar voldaan zat mijn schoonvader onderuit gezakt aan de feestdis die hij, de pater familias, de jager voor zijn nageslacht bereid had. Een laatste avondmaal voor deze vakantie, straks vertrokken hij en zijn vrouw weer naar België, 's nachts om de file te vermijden. Een mens zou van minder emotioneel worden. Vader stond op en bracht, met licht trillende stem, een toost uit op zijn grote geluk. Zijn dochters grinnikten om hun vader – je merkte toch dat de man een dagje ouder werd – en gaven hem een knuffel.Picture perfect. Maar niet voor mij. Voor mij stond er te veel volk op het plaatje. Over de tafel heen zocht ik naar de enige ogen die er voor mij nog toe deden. Ik kreeg een schalkse blik terug, maar dat volstond niet. Niet meer. Voor mij was het geen spelletje meer. Ik wilde ervoor gaan, in alle openheid en eerlijkheid. Maar ik wist dat het niet vanzelf zou gaan. Het lot had opnieuw een duwtje nodig, een heel kleintje maar, en daar ging ik voor zorgen. Morgen was het game over.We wuifden pa en ma uit. Eens de Toyota Carina uit het zicht verdwenen was, werden alle remmen losgegooid. Het volume van de muziek ging de hoogte in, in snel tempo werden enkele flessen wijn soldaat gemaakt. Ik zorgde dat de glazen gevuld bleven maar zelf dronk ik hooguit twee glazen. De meisjes wilden dansen. Valerie trok Lander recht; Charlotte drukte zich tegen mij aan, vol overgave en zonder een greintje gêne. Haar been schuurde tegen mijn kruis, ik voelde haar tepels door haar topje heen in mijn borstkas prikken. Bijna raakten onze gezichten elkaar. Ik keek haar recht in de ogen. Zonder knipperen keek ze terug. Zij leidde. Nu nog. Morgen zou het anders zijn, maar daar had ze geen idee van.Middernacht. Tijd voor stap 1.'Lander, wat denk je? Toertje met de mountainbike morgenochtend? Acht uur vertrekken?'Charlotte keek me smalend aan.'Wat is 't, broerke? Moet je je mannelijkheid bewijzen? Wel nog wat vroeg voor een midlife crisis hoor.'Ik negeerde haar, bleef naar haar vriendje kijken: 'Wel? Je ziet het toch wel zitten?'.'Allez, zoet, 't is vakantie, doe niet zo ongezellig, we slapen gewoon uit morgen'.Dat was Valerie. Ze legde sussend een hand op mijn arm. Met een ruk trok ik hem weg.Lander twijfelde. Zomaar weigeren zou hij nooit doen, dat wist ik zeker, hij wilde zich niet laten kennen.'Ja tuurlijk. Maar iets later dan misschien, zo vroeg vertrekken is toch nergens voor nodig?''Halfnegen dan. Anders begint de zon te fel te branden voor we goed en wel vertrokken zijn.''Deal.'In zijn ogen die kwajongensblik.'Ik neem je zo hard te grazen morgen, kerel.'Hufter... we zouden het nog wel eens zien, wie wie te grazen nam.Slapen lukte niet echt, maar daar maakte ik me niet druk om. Geduldig wachtte ik tot de ochtend aanbrak. Om klokslag acht uur schoof ik uit bed. Ik keek naar Valerie. Het was niet meteen een flatterend zicht: ze snurkte, mond halfopen, een sliertje kwijl liep naar haar kussen. Ze was verzonken in een diepe, van alcohol doordrenkte, haast comateuze slaap. De eerste uren kreeg zelfs een aardbeving haar nog niet wakker, daar was ik van overtuigd. Ik boog me naar haar toe en drukte een kus op haar voorhoofd.Ik ging naar de keuken en begon spek met eieren te bakken. Intussen bladerde ik door L'Equipe van eergisteren. Weerom was de trui van Nibali niet in gevaar gekomen.Lander was om halfnegen stipt beneden. Geen seconde te vroeg, ook niet te laat. Ik had niet anders verwacht. Hij werkte in enkele happen zijn omelet naar binnen. Het beest.'Zeg, die meiden zijn nog ver heen hoor. We kunnen net zo goed hier, op ons gemak...'Ik onderbrak hem. Nee, dat konden we niet. Niet vandaag. Not part of the plan.'Eerst fietsen maatje. Laat maar eens zien wat je kan.'Het eerste uur was afzien. Gezien Landers alcoholverbruik van de dag voordien had ik verwacht dat een fikse kater hem parten zou spelen en ik hem makkelijk de baas zou kunnen. Maar hij bewees opnieuw het ongelooflijke recuperatievermogen eigen aan de jeugd en ging als een wildeman tekeer. Zeker toen de weg begon de stijgen zag ik sterretjes. Het was een stevig bergje, niet heel lang maar behoorlijke steil. Ik hield mijn blik strak gericht op Landers benen, die gestaag, soepel en tegen een verschroeiend tempo omwentelingen bleven maken. Zelf reed ik op een veel grotere versnelling, en ik moest uit alle macht op de pedalen stampen om Lander bij te houden. Ik voelde de verzuring toeslaan, mijn kuiten stonden op barsten. De top van het colletje kwam niets te vroeg. Lander hield de benen stil en keek over zijn schouder. Hij stak zijn duim omhoog en nam zijn drinkbus uit zijn houder. Voor mij was dat het sein om al mijn krachten bijeen te rapen. Ik ging op de pedalen staan en met enkele flinke lendenrukken reed ik Lander voorbij. Ik probeerde mijn ademhaling zo goed en zo kwaad als het kon onder controle te houden en terwijl ik passeerde, riep hem toe: 'Je dacht toch niet dat je me kwijt was?'. Dat was het kantelpunt. Vanaf hier nam ik de overhand. Lander mocht dan wel jonger, atletischer en krachtiger zijn dan ik, als het aankwam op stuurvaardigheid was ik zijn meerdere. En vanaf hier kwam het aan op stuurvaardigheid, durf en stuurvaardigheid. Die wetenschap joeg de adrenaline door mijn aderen, en ik sneed vol risico de eerste bochten aan. In de rechte stukken trapte ik nog bij, om de snelheid zo hoog als mogelijk op te drijven. Op geen enkel moment keek ik achterom. Dat was ook niet nodig; Lander was een competitiebeest, een echte winnaar, en ik wist dat hij tot het uiterste zou gaan om me te volgen, net als ik tijdens de beklimming. Ik concentreerde me volledig op de weg, elke inschattingsfout kon hier fatale gevolgen hebben. Een tegenligger trouwens ook, maar hier was haast geen verkeer, en daar rekende ik dan maar op. Toen we bijna weer in de vallei waren, hield ik voor de eerste keer in. Toen ik onder mijn oksel doorkeek, zag ik dat Lander enkele tientallen meters achterop lag. Ik wachtte tot hij nét dicht genoeg kwam om me te horen en riep hem toen toe: 'Bij de volgende bocht gaan wij rechtdoor!'. Rechtdoor, dat was een smal pad dat steil naar beneden het bos in liep.Zonder een antwoord af te wachten stortte ik me naar beneden. 'What the fuck??', hoorde ik Lander roepen, maar onmiddellijk daarna hoorde ik de takjes onder zijn wielen kraken. Hoe verder we het bos in gingen, hoe stiller het achter me werd. Ik wist echter dat hij niet zou opgeven en keek niet meer om tot ik beneden kwam, aan een meertje. Dit was perfect. Hier kwam geen mens, niemand zou ons storen, hier kon je een moord plegen met enkel merels, lijsters en een zeldzame wielewaal als getuige. Ik plantte mijn fiets tegen een boom, en wachtte, de armen gekruist tot Lander ook beneden kwam. Het duurde vijf volle minuten, heel even was daar de twijfel – was hij misschien gevallen, of had hij er dan toch de brui aan gegeven en was hij teruggekeerd?Maar eindelijk was hij daar. Uitgeput liet hij zich vallen. Daar lag hij dan, op zijn rug in het gras naast zijn fiets, ongecontroleerd hijgend, hyperventilerend haast, een vogel voor de kat. Een gevallen Apollo, even goddelijk als hulpeloos. Ik boog me over hem heen. Zijn ribbenkast ging vervaarlijk te keer, hij leek niet meer bij volle bewustzijn. Ik scheurde zijn shirt open om hem lucht te geven. Ik drukte mijn lippen op de zijne en streelde zijn gladde, gepolijste borstkas. Ik trok zijn broek naar beneden, haalde dat zeemvel van tussen zijn kruis, masseerde zijn geteisterde ballen. Hij kreunde. Langzaam kwam hij weer tot leven, mijn atleet, mijn Eros, mijn alles. Weldra zouden we voor altijd samen zijn, zonder verdere bemoeienissen.Ergens rinkelde een gsm. Tegen deze tijd hadden L'Equipe en het fornuis wellicht hun krachten verenigd en de rest van het werk gedaan. Allesverterend.

Lennaert Leo
0 0

Kort verhaal

“Hou het kort”, klinkt het tussen zijn tanden. Ze herkent die toon, heeft ’m al vaker gehoord dan haar lief is. Hij moet intussen weten wat dat timbre met haar doet. Hij moet het al gezien hebben, aan haar handen, die steevast beginnen te trillen bij de aanzet van zijn harde k. Hij moet het al gevoeld hebben, aan de sfeer, die na zijn gebod niet meer te snijden is maar botweg inslaat op al wat nog gezegd en verzwegen wordt. “Hou het kort.” Alsof ze niet weet wat haar te doen staat. Alsof ze een lege doos is, niets meer en misschien wel minder, tot zijn bevel haar inhoud geeft. Zo vol van zichzelf, zoals hij daar zit, met zijn voeten in de lucht en de ellebogen ver uit elkaar, leunend op de steunen van haar beste lederen stoel. Hoe belangrijk waant hij zich wel, dat hij zo tot haar spreekt zonder zich tot haar te richten. Alsof ze niet beseft dat hij allang niet meer komt voor haar en haar schone ogen. Hij kon de zijne nochtans niet van haar afhouden, destijds. Ze herinnert het zich nog goed, die allereerste keer: de deur zwaaide open en ze was verloren. Donder, bliksem en hagelstenen sloegen tegelijk in, voor zover dat kan, langs beide kanten, met een kracht die niet te vatten viel. Ze waren allebei op slag stekeblind, misschien niet van liefde maar op zijn minst van laveloze adoratie. Hoewel ze tijdens hun ontmoetingen nooit echt alleen waren geweest – altijd schuifelde er wel een of ander sujet voorbij – zodra het zwart van hun pupillen versmolt, verschoven de wereld en al wat er los en vast aan zat naar de achtergrond. Keer op keer had hij haar handen verwelkomd op zijn gezicht, als een wees op zoek naar warmte. En elke keer weer zag zij hoe week hij werd, als boenwas tussen haar vingers. Hoe zij ook uithaalde, hij liet het zich welgevallen, doordrongen van het verlangen om het afscheid zo lang mogelijk uit te stellen. Niets kon hem wekken uit zijn hypnotische staat van zijn, alleen de ritmische tikjes van haar vingertoppen op zijn gezicht brachten hem min of meer tot de orde van de dag. Zo was het lange tijd gegaan en hij had van elke minuut genoten. Zij ook, zonder meer. Tot die ene dag, toen ze hem in een moment van onoplettendheid kwetste. Zo diep, dat ze een onuitwisbare indruk achterliet op zijn ziel. Bloed. Zweet. Nog net geen tranen. Toen ging het licht aan en was het uit met de pret. Blinde adoratie werd overbelichte ontreddering en hij trok zich terug, in zichzelf, in paniek, met de vinger op de wonde. Sindsdien heeft ze hem nooit meer gezien, of toch niet echt. Hij is nog wel aanwezig, zit nog wel eens in haar beste lederen stoel, maar hij verwelkomt haar handen niet meer. Nooit voelt hij nog als boenwas tussen haar vingers, hoogstens als een homp klei met een versteende binnenkant. “Hou het kort.” Hij zegt het zonder haar aan te kijken. Is hij bang om andermaal te verdrinken in het zwart van haar ogen? Als de dood om nog dieper gekwetst te worden? Sluit hij zich daarom af voor het voelen en het leven? Het kan haar eerlijk gezegd geen zak schelen. Zonder verpinken zet ze hem het mes op de keel. Hij schrikt en slikt en voelt het vlijmscherpe lemmet meedeinen op zijn adamsappel. De spanning hakt erin en zij begint eraan, vakkundig, met halen van hooguit enkele centimeters. Ze houdt het mes in een hoek van maximaal 30 graden en haalt nog een paar keer uit, op strategische plaatsen, volledig volgens plan. Met verbeten gezicht maar verbazend losse pols doet ze wat moet, voor haar gemoed en zijn geweten. Er komen geen woorden aan te pas, geen blikken en geen blozen, amper een straaltje bloed. En dan is het voorbij. De wereld lost niet langer op in de hitte van hun verlangen, zoals toen, maar kijkt ijskoud toe en draait gewoon door, als een echte aardkloot. Ze neemt een koude handdoek en aluin om het bloed te stelpen. Hij kermt, maar de aftershave maakt veel goed. “Kort genoeg?” klinkt het tussen haar tanden. Hij wrijft met beide handen over zijn gladgeschoren kin en knikt naar zijn spiegelbeeld terwijl hij haar ogen vermijdt: “Net op tijd.”

a little bit of soap
54 1

De minnaar

Hij had het al zo vreemd gevonden dat ze plots weer contact met hem zocht. Twee jaar gaapten tussen hun laatste ontmoeting en hun afspraak nu. Toen waren ze netjes opgekleed en droegen ze een uit Engeland overgewaaid hoofddeksel voor afgestudeerden. De foto die die avond genomen was van de hele groep, hing lekker ouderwets afgedrukt op glanzend papier in zijn kamer aan de muur, om even of langer een blik op te werpen als hij zuchtend en vloekend naar een studieboek of een taak zat te staren. Natuurlijk was de hele groep overbodig op die foto, alleen zij trok keer op keer zijn aandacht. Waarom ze juist nu een bericht naar hem had gestuurd, zou wel duidelijk worden, besloot hij toen hij voor de spiegel de kraag van zijn hemd rechtzette. Na hun afstuderen had hij zijn vergeefse pogingen om met haar af te spreken nog even voortgezet. Die verliepen volgens het vaste scenario: elke keer was haar reactie heel enthousiast, tot hij enkele data voorstelde. Dan bleek ze opeens nooit te kunnen. Maar het zou er nog wel van komen, hoor. Uiteraard was hij te vroeg op de plaats van afspraak. Elke halve minuut keek hij op zijn horloge en zag massa’s mensen voorbijkomen. Zij was er niet bij. Stipt vijf minuten na het afgesproken tijdstip kwam ze daar aangestapt. Nog steeds even gracieus, een sigaret tussen haar vingers als een dwaallichtje in de nacht. Ze haalde haar vrije hand even nonchalant door haar krullende haren voor hij haar zonder woorden op haar wang kuste. Ze namen plaats aan een tafel waarop een inspiratieloze kelner net een kaarsje had geplaatst waarvan de vlam bij elke windvlaag opflakkerde en dreigde te doven. Nog altijd had ze geen woord gezegd. Hij probeerde het gesprek op gang te brengen. Nochtans was zij nu de vragende partij geweest, die maar bleef aandringen om eens samen iets te gaan drinken. Tijdens hun schooljaren was zij het geweest die vertelde en hij die luisterde. Gesprekken die hem hoop gaven: dat ze hem uitkoos als vertrouwenspersoon om al haar kleine en minder kleine zorgen bij te ventileren, betekende misschien wel dat ze iets meer voor hem voelde. Als een geduldige geliefde had hij dus al die jaren gewacht. Zelfs nu was hij nog altijd even geduldig, ook al bloedde elk onderwerp dat hij aansneed dood. Dan keek zij plots weg, staarde in de verte of antwoordde gewoon niet op zijn vraag. Stil vergezelde hij haar door de schaars verlichte straten naar de parkeergarage aan de rand van de stad waar haar auto stond. Vlak voor ze wilde instappen om weer naar huis te rijden, zoende ze hem vol op de lippen. ‘Ik dacht dat je een relatie had?’ Ze knikte kort. ‘Dan begrijp ik je nog minder.’ Ze zuchtte en keek hem aan met doffe ogen, alsof haar relatie te saai was voor woorden. Hij probeerde zich een beeld te vormen van haar vriend, gebaseerd op alle foto’s die hij gezien had waarop zij met haar geliefde pronkte. ‘Zet er dan een punt achter.’ Ze streek met haar zachte hand over zijn slordig geschoren kin. De parkeergarage was verlaten, het enige geluid dat ze hoorden was het gezoem van de schaarse lampen. Opnieuw zoende ze hem, minutenlang. Toen ze wat later uit het zicht verdween met haar autootje, bleef hij nog lang tegen het muurtje leunen in de doodstille parkeergarage, starend naar de betonnen vloer, denkend aan al die pogingen die hij toen had ondernomen om haar geliefde te worden. Nu was hij haar minnaar.

Felix Sandon
0 0

Het sprookje van de Slapende Tiran

Er was eens lang, lang, héél lang geleden, echt al zo lang geleden dat niemand nog wist hoelang geleden het nu precies was. Nu ja, veel doet het er eigenlijk niet toe. Maar laten we voor de historische correctheid van dit verzonnen verhaal ervan uitgaan dat het zich afspeelde na de tijd dat de dieren konden praten en voor de tijd dat robots de wereld overnamen. Met die tijdsperiode in het achterhoofd was er eens heel lang geleden en hier heel ver vandaan ... Hoe ver precies is moeilijk te achterhalen, alle relevante geografische informatie is verloren gegaan tijdens de grote, fictieve bibliotheekbrand. Wel speelt het zich met quasi zekerheid af op onze planeet, of op zijn minst in ons zonnestelsel, enfin toch zeker in onze melkweg. Dus, er was eens relatief lang geleden en hier betrekkelijk ver vandaan een klein, naamloos en voor de rest totaal onbelangrijk koninkrijkje. Het was er vaak koud, vooral in de winter. In de zomer daarentegen, was het er doorgaans warm - omdat de zon dan dikwijls scheen. Het regende er ook regelmatig, dat kon echt van alles zijn: kleine miezerige druppels, van die grote spetters die in kleine spatjes op de grond uit elkaar spatten, reusachtige ijsbollen, pijpenstelen, bakstenen en oude wijven. Sommige dagen van het jaar kon het er enorm hard waaien. Op andere dagen waaide het dan weer matig tot vrij krachtig uit noordoostzuidwestelijke richting en op nog andere was er soms helemaal geen wind. Dit op het eerste gezicht alledaags en zelfs doordeweeks koninkrijk stond onder het alslapend oog van een tirannieke dictator, bijgenaamd de Slapende Tiran. De Slapende Tiran was een arrogante, egoïstische, luie, machtsgeile, niet al te snuggere, onhygiënische, sadistische stinkerd. Hij had dan ook een broertje dood aan hygiëne - maar dit terzijde, dit speelde zich af lang voor de gebeurtenissen van dit verhaal. De autoritaire alleenheerser heeft altijd gevonden dat persoonlijke lichaamsverzorging iets is voor het gepeupel, niet voor zij die blauw bloed door hun aderen hebben stromen. Uit al zijn lichaamsopeningen walmde een stank die, volgens bepaalde verloren gegane bronnen uit die tijd, onmenselijk was. De voltallige populatie was het erover eens dat ze liever dagenlang vastzitten middenin een enorme berg verse mest onder een verschroeiend hete zon, dan ook maar enkele seconden blootgesteld moeten worden aan zijn persoonlijk aroma. Het was niet alleen zijn onevenaarbare lichaamsgeur die een onvergetelijke indruk naliet. Zijn scheten stonken zodanig dat de omringende rijken geïnvesteerd hadden in reusachtige geurfilters. Daarnaast was hij minstens even berucht om zijn boeren die ze twee koninkrijken en één keizerrijk verder konden horen en ruiken. Die hadden het koninkrijk (lees: de bevolking) al talloze boetes wegens geluidsoverlast en geurhinder gekost. Niet alleen de buurlanden hadden al geruime tijd problemen met hem, ook zijn eigen familie is niet gespaard gebleven van door hem veroorzaakte tragedies. Zijn eigen broertje, zoals eerder vermeld, kon die stank niet meer aan en stierf ten langen leste van pure walging. Zijn oudere zus - en troonopvolger - had hij laten vermoorden, nadat hij eerder zelf een paar onsuccesvolle pogingen had ondernomen. Zijn moeder, de koningin, had hem daarom - dat wordt tenminste vermoed - uit het koninkrijk verbannen. In zijn afwezigheid floreerde het koninkrijk als nooit tevoren. Er heerste vrede, voorspoed en bovenal, mensen waren gelukkig. Maar een oude wijsheid hing in dat koninkrijk als het zwaard van Damocles boven de hoofden van de bevolking: ‘Mooie liedjes duren niet lang’. En zoals algemeen bekend is, bevatten oude wijsheden vaak een grote kern van waarheid, anders waren het vergeten verzinsels of fictieve fabeltjes. Ook hier is het niet anders. Net op het moment dat iedereen vergeten was dat hij bestond, dook hij zomaar uit het niets terug op. En niet op kousenvoeten langs de achterdeur, maar in vol ornaat langs de grote stadspoort. Ondanks een hevig stil protest van de bevolking, verwelkomde de koningin hem met open armen en een volledig aan hem opgedragen eetfestijn. Net als elke moeder zat ze vol naïeve goedgelovigheid over de bedoelingen van haar zoon en wou ze hem een tweede kans geven. Het overgrote deel van de bevolking had geen enkel probleem met tweede kansen, zelfs zeven maal zeventig maal indien nodig, maar die had hij lang geleden al opgebruikt. Volgens de laatste berekening stond de teller op tweeduizend driehonderdvijfennegentig. Maar uit respect voor de koningin - of was het uit pure lamlendige luiheid? - besloten ze hem een tweeduizend driehonderdzesennegentigste kans te geven. Misschien dat het nog wel zou meevallen, dachten ze, hoopten ze. Wel, dat viel dik tegen: hij eigende zich het paleis toe, stootte zijn moeder met een dikke, houten stok van de troon en ontsloeg iedereen die er werkte. Zijn moeder degradeerde hij tot hoofd van de huishouding, wat er in de praktijk op neerkwam dat ze zijn was en plas moest doen, koken, het hele paleis inclusief de kasteeltuin onderhouden, … en dit alles onbetaald, zodat hij de hele dag kon doen waar hij echt goed in was: in zijn bed liggen stinken en snurken. Zijn paleis liet hij bewaken door een reusachtige, vliegende, vuurspuwende draak. Dit was gemakkelijker, productiever en vooral goedkoper dan eender welk leger. Tijdens de regeerperiode van de Slapende Tiran werden rechten vervangen door plichten, mensen onderdrukt en iedereen leefde in constante angst. De meesten onder hen waren enorm verzwakt door ondervoeding. De bevolking hield nauwelijks genoeg over om hun eigen gezinnen te voeden. Vier vijfden van hun oogst moesten ze afgegeven als voedsel voor de draak. Weigerden ze, dan kwam het vuurspuwende monster persoonlijk langs en zette hun huizen in vuur en vlam. Maar ergens in dat koninkrijk was er een kleine groep moedige verzetsstrijders die het vertikten om zich neer te leggen bij het dictatoriale bewind van die tirannieke despoot. Ze spraken af in verlaten huizen of in afgelegen grotten diep in het bos. Die keer die belangrijk is voor ons verhaal, ontmoetten ze elkaar in een klein hutje ergens in het midden van een groot, dicht bebost woud aan de rand van het koninkrijk. Omdat de samenzweerders liever anoniem wilden blijven, hadden ze allemaal hun kap diep over hun hoofd getrokken, behalve één, hij was zijn mantel vergeten. Om toch onherkenbaar te zijn had hij een lap stof toegenaaid, er drie gaten in geknipt en die op zijn hoofd gezet. Om onnodige complexiteit te vermijden, noem ik hen Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina. Jos, Marie, Ludovic, andere Jos, Perafina en Anna-Helena-Jozefina zaten aan een klein, rond houten tafeltje in het schijnsel van vijf dikke kaarsen. Anna-Helena-Jozefina, de secretaris van het genootschap, haalde perkament, een ganzenveer en een inktpotje boven en plaatste dit alles nauwkeurig voor haar op tafel. De geheime vergadering kon beginnen, ze waren er helemaal klaar voor.  "Waar waren we gekomen?" vroeg andere Jos aan zijn collega-samenzweerders. Alle hoofden draaiden in de richting van Anna-Helena-Jozefina. Ze rolde het perkament open en las het twee volle seconden zorgvuldig door. "We hadden een naam gekozen", zei ze. "Juist, ja", zei Ludovic. "De Complotterende Conspiratoren." "Ligt dat er niet wat dik op?" vroeg Jos. Iedereen aan tafel zuchtte. "Niet opnieuw, hé," verzuchtte Marie, "die discussie hebben we vorige keer al gevoerd. En afgesloten." "We noemen onszelf niet De Koene Kanaries", zei Perafina. "Wat is daar mis mee?" vroeg Jos. Het klinkt goed en het is grappig?" "Het is niet grappig," zei Ludovic, "maar belachelijk." "En De Complotterende Conspiratoren niet?" "Het vat goed samen wie we zijn en wat we doen." "Iets té goed, volgens mij." Anna-Helena-Jozefina slaakte een diepe zucht. "Wat denken jullie dan van De Complotterende Kanaries? Het vertelt wat we doen, maar het blijft luchtig." De anderen haalden hun schouders op. "Dat is dan geregeld", zei ze en paste het officiële document aan. "Oké, het volgende punt op de agenda is …" "Een naam bedenken," onderbrak Jos haar, "voor het plan." "Zouden we dan niet eerst een plan bedenken?" opperde Perafina. "Als je het per se zo wilt doen", mompelde Jos. Hij kruiste zijn armen en leunde naar achteren. "Iemand een idee?" vroeg Anna-Helena-Jozefina en keek iedereen één voor één aan, Jos had zijn blik afgewend en staarde vol geveinsde interesse naar het plafond. "We ontvoeren hem." "Hoe raken we ongezien het kasteel binnen?" "We graven een tunnel." "Dat duurt eeuwen. En hoe wil je dat ongezien doen? Een berg aarde die er vroeger niet was, valt wel wat op, niet?" "Hij komt niet buiten. Hij zou het nooit merken." "Maar die draak wel. Ze roostert ons levend." "Dan graven we nog een put. We kunnen daar de aarde in gooien." "Briljant", reageerde Jos die zich tot dan toe afzijdig had gehouden. "En waar blijven we dan met de aarde van die tweede put? Wacht, niets zeggen, laat me raden, dan graven we nog een put", voegde hij er sarcastisch aan toe. "Ah, niet aan gedacht", zei Ludovic. "Rustig, rustig, allemaal", zei Anna-Helena-Jozefina. "Dit is zinloos. Zo komen we nergens. Laten we beginnen bij het begin." De hele nacht vergaderden ze verder. Op het einde hadden ze zo goed als iets dat in de verste verte enigszins ietwat op een plan leek. Jos en Anna-Helena-Jozefina zouden de draak afleiden en vangen. De vier anderen zouden het kasteel binnendringen, de dictatoriale dwingeland overmeesteren en de grens overbrengen om hem daar ergens vast te binden. Het moment van actie was eindelijk aangebroken. Hier hadden ze lang naar uitgekeken. Om de tijd tussen het bedenken en het uitvoeren ervan te doden, correspondeerden ze in geheimzinnige codetaal over een gepaste naam voor het plan, daar waren ze tijdens de vergadering nog niet aan toegekomen. Na veel heen en weer gediscussieer kozen ze voor 'De Ontvoering Van Een Notoir Ellendige Tiran En Luiwammes' ofwel ‘Plan DOVENETEL’. Nachtenlang hadden ze met z’n allen lakens verzameld, de kostuums gemaakt en kilo's en kilo's koekjes gebakken. Iedereen was uitgeput. Marie had daarom voorgesteld alles uit te stellen, maar daar wilden de anderen niets van weten. Die nacht was het ideale moment en anders moesten ze al die zelfgebakken koekjes weggooien. Om welke dag het precies gaat, is doorheen de tijd onduidelijk geworden. Laat ons er gemakshalve van uitgaan dat het een woensdag was. Woensdagen zijn nu eenmaal mooie dagen om een coup te plegen. Dus, die woensdagnacht was heel het koninkrijk verzonken in een diepe slaap, of toch bijna heel het koninkrijk. Onze zes helden natuurlijk niet, anders zou het hier al gedaan zijn en wie wil er nu een verhaal met een anticlimax? In de hoogste torenkamer van het paleis sliep de ex-koningin, dus zolang onze heldhaftige opstandelingen niet te veel lawaai maakten, vormde zij geen enkel obstakel. De tiran zelf sliep helemaal alleen in een kingsize bed in het midden van de troonzaal. Terwijl Jos en Anna-Helena-Jozefina de draak afleidden, drongen de vier anderen het kasteel binnen. Daar lag hij, zoals verwacht, te snurken in zijn bed. Hun adem stokte in hun keel, hij was nog afstotelijker dan ze zich herinnerden. Zijn haar hing in vettige slierten langs zijn gezicht dat vol stond met etterige puisten die eruitzagen alsof ze ieder moment konden ontploffen. Zijn tanden, of wat ervan overschoot, hadden een vieze geelbruine kleur. Zijn eetpatroon van het voorbije decennium kon via de etensrestjes tussen zijn tanden, volledig gereconstrueerd worden. Maar het ergste was die stank, die niet te harden, zurige, penetrante geur die het hele kasteel vervulde. Ze haalden een mondmasker boven en bonden die voor hun neus. Dit hielp echter voor geen meter. De Slapende Tiran had helemaal niets gemerkt, hij ronkte gewoon verder. Ze slopen naar hem toe en verdoofden hem met, waarschijnlijk, iets verdovends. Zijn armen en benen bonden ze vast. Ze wikkelden hem in een honderdtal dekens die ze hadden meegenomen (in de hoop de stank wat te dempen), maar niet alvorens ze dikke handschoenen hadden aangetrokken (je kan niet voorzichtig genoeg zijn). Samen met de intussen gevangengenomen draak sleepten ze hem de grens over, diep het bos in. Hoe de draak precies gevangen werd, zou ons veel te ver leiden (maar met deze trefwoorden kun je het verhaal voor jezelf reconstrueren: drakenkostuums - afleidingsmanoeuvre – twintig kilo verdovende koekjes – een vlindernetje – driemaal nationaal lassokampioene). Ze bonden hen vast aan de grootste en dikste boom die er te vinden was. Perafina en Ludovic waren ooit nog bij de scouts geweest en wisten dus alles van knopen leggen. De Complotterende Kanaries highfiveden elkaar enthousiast om het succes van 'Plan DOVENETEL' te vieren. Ze zwaaiden als afscheid een laatste maal naar de nog steeds in lakens gehulde, slapende Slapende Tiran en de grollende, rookuitblazende draak en huppelden arm-in-arm gelukkig en opgelucht terug naar huis. Eind goed, al goed en iedereen leefde nog lang en gelukkig. Oh, excuseer me, dit is het foute einde. Dit is de afloop van een ander verhaal, eentje waarvan ik nu even niet op de titel kan komen. Deze eindigt ietsjes anders. Na een paar dagen - twee om precies te zijn - wist de draak zich uiteindelijk te bevrijden. Volledig uitgehongerd at ze de koning, met lakens en al, op, vloog terug naar het koninkrijk, maar werd onderweg misselijk en spuwde alles onder. Het hele rijk werd bedolven onder drakenkots. Sommigen verdronken, anderen stikten erin. Niemand overleefde het. Iedereen was bijgevolg dood. Of toch bijna iedereen. De draak leefde gelukkig nog. En enkele vogeltjes, allez toch dat ene die in de lucht vloog tijdens de braakselvloedgolf. De draak en het vogeltje leefden nog lang - voor zover dat mogelijk is volgens hun natuurlijk levensverwachtingspatroon uiteraard - en gelukkig ... Daar ga ik tenminste van uit, want eigenlijk weet ik niet of draken en vogels daartoe in staat zijn. Nu ja, voor dit verhaal doet het er niet echt meer toe. De draak en het vogeltje kregen vele kindjes (hoe die eruit zagen wil ik me liever niet voorstellen), ze leefden ongeveer vijf procent langer dan hun voorspelde, gemiddelde levensduur en waren, voor zover men weet, gelukkig. Zo eindigt alles dan toch nog goed.

Jenna
0 0

Vrouw zakt door perron

De scherpe pijn in haar staartbeen verdringt gedurende een paar seconden alles. Ava houdt haar rechterhand in een kom rond de plek van waaruit de pijn haar hele lichaam rondstraalt en pas als ze de hevigheid voelt afnemen, ziet ze zichzelf in een halfdonkere ruimte zitten en komt de angst opzetten.   Ze voelt aan de wand, het is vochtige aarde, en ze kijkt in de grote opening boven haar hoofd waardoor het vroege ochtendlicht naar binnen valt.   Het duurt niet lang eer ze zich herinnert dat ze even ervoor op het perron stond en heen en weer wandelde omdat het fris was en de trein naar Kortrijk op zich liet wachten. Dan waren de betontegels onder haar voeten weggeschoven. Ze was letterlijk in de grond gezakt.   De put is diep en wijd. Ava begrijpt niets van zoveel ruimte onder de grond en doet ook verder geen moeite om te begrijpen. Ze probeert te denken aan iets dat haar hieruit kan helpen. Ze vraagt zich af of ze iemand gezien heeft op een van de andere perrons en –nog belangrijker- of iemand haar gezien heeft.   Dan komt de angst opnieuw, nu snel en onbeheerst en ze begint te roepen. Het geluid van haar stem wordt gedempt door de zachte wanden. Ze probeert het nog eens en wat harder en ze denkt aan akelige dromen waarin ze om hulp roept, maar geen geluid uit haar keel krijgt. Meestal werd ze dan wakker geschud door Myriam want die hoorde haar wel kreunen. Myriam. Gek dat ze er nu pas aan denkt dat ze iemand kan bellen.   Maar moet het Myriam zijn? Hoe moet ze uitleggen wat ze om zes uur ’s morgens in het station van Mechelen doet? Wat kan Myriam doen behalve de hulpdiensten bellen? Zou ze zich naar hier haasten? Kan ze niet beter zelf de politie bellen? Wat is het nummer? 100? 101?   Ze vindt haar mobiele telefoon onderaan in haar tas en haalt hem bevend boven. Net als ze het met nummer 100 wil proberen, hoort ze een stem. Als ze naar boven kijkt, ziet ze een hoofd over de rand hangen. De man is blijkbaar op zijn buik gaan liggen.   ‘Is daar iemand?’ vraagt hij overbodig, want er is nu al zoveel licht dat hij haar wel moet zien zitten. ‘Ja ja’, roept Ava beverig. Ze voelt plots tranen en snot en ze zoekt naar een zakdoek terwijl ze ‘Ja ja, help mij’ blijft herhalen.   Er komt een tweede hoofd bij. ‘Bent u gewond?’ vraagt hij.   ‘Ja, nee, een beetje,’ roept Ava terug. Ze tast naar haar staartbeen en voelt dan pas de pijn in haar pols en iets prikken aan haar oor en haar lip. Er komen donkere vlekken op haar zakdoek.   Ze dringt nieuwe tranen terug, ze slikt en slikt en dwingt zichzelf tot een droog gesprek met de mannen die haar kunnen redden.   ‘Bent u van het station?’ vraagt ze. ‘Bent u gekwetst?’ vraagt de man opnieuw. Hun vragen overstemmen elkaar.   Het is lastig naar boven kijken, ze houdt haar hoofd een paar tellen naar beneden. Als ze weer naar boven kijkt, hangt er een derde hoofd over de rand.   Het is een vrouw. ‘Mevrouw,' zegt ze ‘er is hulp op komst.’ ‘Bent u gekwetst? Hebt u pijn? Waar hebt u pijn?’   Antwoorden kost moeite. ‘Mijn rug, onderaan, en mijn pols.’   ‘Kunt u rechtstaan?’   Ava schudt het hoofd. Ze wil het niet eens proberen.   De twee andere hoofden verdwijnen.   ‘Er is hulp onderweg,’ zegt het vrouwenhoofd weer. Dan verdwijnt ze ook.   Het geluid van de ambulance lijkt nog ver weg als het al stopt. Na een tijdje komen nieuwe hoofden kijken.   ‘Te diep en te gevaarlijk,’ zegt het ene hoofd, ‘bel het klimteam.’   ‘Mevrouw, er is hulp op komst, 'roept de man nu ook weer naar beneden, ‘wij kunnen u hier niet uithalen, het klimteam is opgeroepen.’   Het is wachten, de pijn in haar rug die minder hevig is, en de pijn in haar pols verdragen. Wachten en op de tanden bijten, en proberen om wat comfortabeler te gaan zitten.   Dan komt de vraag weer op of ze Myriam zal bellen. Ze tikt het nummer in, maar bedenkt zich.   Myriam zal de brief pas vanavond vinden. Ze kan net zo goed niets doen en de dingen laten verlopen zoals ze gepland waren. Met vertraging, want ze had nu op de trein moeten zitten, al uren ver verwijderd van het leven met Myriam.   Ze had een Noord-Franse stad op het oog, Lille of misschien Rouen. Ze zou er een paar dagen op hotel gaan en er werk zoeken. Vandaag zal het niet meer lukken. Ze zullen haar naar een ziekenhuis brengen. Ava ziet zichzelf al in een wit bed liggen. Het Sint-Maartenziekenhuis is het dichtste bij.   Als zij Myriam niet belt, zou ze het op een andere manier te weten komen?   ***   In het ziekenhuis vragen ze voor de derde keer of ze iemand moeten bellen.   ‘Nee, nee, alstublieft niet.’   Het is allemaal niet zo erg. Een gekneusd staartbeen, een verstuikte pols, hechtingen in haar lip, haar wenkbrauw en haar oor. Voor de zekerheid kan ze beter een nachtje blijven.   De pijn is te verdragen, alles is gezalfd, omzwachteld, gehecht of bepleisterd. Het bed ligt fijn, er brandt licht op de gang, de belknop is binnen bereik.   Slapen is alles wat ze kan en wil doen. Slapen.   En morgen vertrekt ze gewoon opnieuw. De grootste hindernis, heeft ze gehad. (Naar een bericht in De Standaard op 26/08/2014)

Christine Van den Hove
19 2

De begraven trofee

In zijn burcht aan de rivier liep de graaf druk gebarend door de grote zaal, met in zijn kielzog een minder fraai geklede man. ‘En dit is de mooiste trofee aan mijn muur. Prachtig, niet? De laatste eenhoorn. Afgemaakt met een schot in het hart. Gevaarlijke beesten, hoor! Ik hield me op in het struikgewas, en besloop het rustig, maar plots, alsof het een kwelgeest had gezien, stevende het op me af. Maar zoals u ziet, heb ik gelukkig de nodige ervaring om een dergelijk gevaar met efficiëntie af te handelen.’ De graaf likte zijn lippen. De man aan wie deze jachttrofee getoond werd, zei: ‘Meneer de graaf is een ervaren schutter, en het ontgaat me dan ook waarom hij de hulp inroept van een jager als ik?’ ‘Heer jager, een man van mijn statuut kent vele verzoeken. Ik vraag u niet een dier te schieten, maar eerder doe ik beroep op uw diensten van… hoe u dat ook noemt, magiebehoud?’ ‘Bedoelt u dat we de magische krachten van een natuurgebied onderhouden?’ ‘Exact! Er is maar één bos in mijn graafschap waar de zeer zeldzame en waardevolle Pixivium Magillus -of in de volksmond Levensbes- kan groeien. Die bes is u welbekend neem ik aan?’ ‘De Levensbes.’ prevelde de jager vol ontzag, ‘Die ken ik enkel uit een kindervers: Eet Levensbes bij volle mane, dat uw leven trager tane. Lijck de mannekes van bos en aarde, met dyzend jare lange baarde. Maar opgepast, zijt hen geen last, of…’ De graaf onderbrak hem. ‘Een kindervers, maar naburige baronnen en hertogen zijn in een wedloop om de bes in grote getale te kweken, want allen willen zij net als ik, hun leven verlengen. Maar de geschikte grond is schaars, en zoals zowel de naam van de bes als het vers ons vertelt, wordt die grond meestal bewoond door wezens die sommigen kabouters noemen maar eigenlijk regelrechte kwelgeesten zijn. Er wordt gezegd dat zij hun toverkracht geven aan de grond zodat de Levensbes kan groeien, maar tegelijkertijd bouwen zij die vruchtbare grond vol en is er geen ruimte meer voor bessenstruiken… dus… Heer jager, ik wil de zeldzame Levensbes laten bloeien in onze streek en verzoek daarom dat u het bos van Kyrie ontruimt van kwelgeesten.’ De jager sperde zijn ogen in ongeloof. ‘Meneer de graaf, het bos van Kyrie bevat de oudst gekende nederzettingen van het kaboutervolk. Zonder dat bos…’ ‘Uw bezwaren zijn eervol, maar acht u het welzijn van uw familie niet even belangrijk? Het hele bos vol bessen, meer dan een graaf kan wensen. Ik zou delen met de mensen die me hielpen, heer jager.’ ‘Maar de magie in de grond… zal de magie niet verdwijnen zonder kabouters?’ ‘Als dat het geval is vinden we dan wel weer een oplossing. Wat we weten van de kwelgeesten die u kabouters noemt, is dat één, ze toverkracht bezitten, en twee, ze zich onzichtbaar kunnen maken voor mensen, en dan vooral voor mensen die met minder goede bedoelingen hun grond betreden. Daarom dat ik een man met een goed hart vraag de klus te klaren.’ De graaf nam de jager mee naar een andere kamer, en toen ze voorbij een grote lege muur liepen zei hij: ‘Aan die muur wil ik zo snel mogelijk een grimbeer hebben hangen.’ Hij grinnikte. ‘Toen ik diezelfde zin zei tegen de gravin dacht ze dat ik een schilderij wilde kopen.’ De graaf haalde uit een verborgen kast een loden kist, en toen hij die opendeed werd de hele kamer gehuld in een gouden sprankelgloed. ‘Dit, heer jager, is waar het om gaat, de zaden van de Levensbes.’ De jager mocht de kist even in zijn handen nemen en werd bevangen door de magische gloed. De graaf nam de kist meteen terug en klapte het deksel dicht. ‘Wat… wilt u dan doen, meneer de graaf?’ De graaf stapte naar een raam en keek naar de rivier die langs de burcht liep. ‘Mijn vriend de baron van Westland kwam tot een akkoord met de kwelgeesten van zijn land. De bessen zouden over de nederzettingen groeien en zouden ook verzorgd en geplukt worden door de plaatselijke kwelgeesten… maar de eerste volle maan brak aan, en de baron wilde zijn oogst, maar de kwelgeesten hielden alles voor zich en werden sterker en sterker met het eten van de bessen. Het kostte de baron uiteindelijk het leven van honderden ridders en soldaten voordat hij uiteindelijk het hele bos liet platbranden en omwoelen. Maar dat omwoelen kost tijd, en rendement.’ De jager schuifelde ongemakkelijk. ‘Meneer de graaf, als u me het toelaat te zeggen, mijn vrouw kent, net als vele andere dorpelingen, kabouters uit dat bos. Ze helpen ons, en doen ons nooit kwaad.’ ‘En met een bos vol Levensbessen in dit graafschap zullen de dorpelingen langer leven, nooit meer honger lijden en gelukkiger zijn. En bent u ooit al een kwelgeest tegengekomen die niets vroeg in ruil voor zijn dienst? Wel, de Levensbes groeit en blijft groeien, het hele jaar lang, in dienst van de mens.’ De jager dacht aan de kinderen die hij had zien teloorgaan aan de honger, en aan zijn zwangere vrouw, en met pijn in het hart, bood hij zijn diensten aan. Hij zou eerst vallen moeten zetten, om de vluchtende kwelgeesten te grijpen. Ze moesten allemaal dood, want het waren beesten die altijd weer hun weg naar hun eerste huis terug zochten, ook al werden ze aan de andere kant van de wereld gezet. Dan het bos in gaan, en de truffelzwijnen loslaten op de paddestoelenpest, want voor zwijnen waren de kwelgeesten niet onzichtbaar. En alles wat zichtbaar uit de huisjes kwam: afschieten, maar niet in het hoofd, want de pinnemutsen moest de jager bijhouden. Trofee en speelgoed voor de dochter van de graaf. Zwaar beladen met een gruwelijke opdracht ging de jager naar huis. En zijn gemoed woog zo door dat geen enkele rimpel in zijn gezicht nog kon lachen. Met verstomde blik kwam hij het huis binnen. Meteen vroeg zijn vrouw hem wat er mis was, en wenend biechtte hij alles op. En ze smeekte hem, om de opdracht niet uit te voeren. ‘Mannetje,’ zei ze met zijn koosnaam, ‘schiet niet op alles wat beweegt. Wat hebben die kabouters jou kwaad gedaan?’ ‘Als zij weg zijn, zullen wij en onze kinderen gezond zijn.’ ‘Er gaat niets veranderen, mannetje, doe de graaf een plezier en hij vraagt er geld voor. Ziekte en dood kunnen niet worden overwonnen met een magische bes. Ellende en wreedheid komen dra in de plaats.’ De dag daarop ging de vrouw naar het bos van Kyrie om de kabouters te waarschuwen zodat zij een verdediging konden bouwen. Zij bedankten haar vurig en gingen meteen aan het werk. Een week later werd de jager terug ontboden bij de graaf. Hij werd ontvangen in dezelfde zaal waar hij de eerste keer werd onthaald, en werd meteen geleid naar de nieuwste aanwinst van de graaf: het hoofd van een zeldzaam dier dat nu een muur als lichaam had. ‘Vertel me, jager, is het bos ontdaan van de paddestoelenpest?’ ‘Geen stip meer te bekennen, meneer de graaf,’ zei de jager zenuwachtig. De graaf kwam wat dichter tegen de jager staan en onderzocht diens gezicht. ‘Er is iets met jou, jager, ik weet niet juist wat, maar soms denk ik dat ik je niet kan vertrouwen.’ Plots draaide de graaf zich om en riep met een bulderende stem: ‘Zadel mijn paard!’ En wendde zich dan tot de jager: ‘Ik ga het bos controleren, en jij komt mee.’ De graaf en de jager kwamen aan het bos van Kyrie, en gingen te voet verder door de dichte begroeiing. Na een tijdje merkte de graaf tevreden op dat er nog geen zicht was van kwelgeesten of hun nederzettingen. Ze waren nu diep in het bos toen plots de jager wees naar een grote bruine gestalte in de verte. ‘Meneer de graaf, ginds, een grimbeer!’ De graaf zei opgewonden maar ingehouden stil: ‘Is het er een? Die heb ik nog nooit geschoten! En ik die dacht dat mijn vriend de baron de laatste had! Wees stil, jager. We sluipen dichterbij, want hij staat nog zo ver dat ik hem niet goed zie.’ De beide mannen kropen voorzichtig door het struikgewas en beslopen de grimbeer. En terwijl de graaf zijn zinnen zette op het hoofd van een nieuwe prooi, beslopen wel duizenden kwelgeesten gevoelloos zijn lijf. De graaf siste nog, ‘Ik zie hem niet meer, ben je zeker dat het geen boom is?’ Maar zijn graat van rug tot nek krioelde al van de naderende dood en duizenden prikken later, lag de graaf met open ogen stil op zijn buik in het bos van Kyrie, en daar zou de grond hem ook verteren. Met hoofd en al, want de trofeeën van een kwelgeest hangen niet pronkend aan een muur. Zij rotten in de grond en vergaan in het niets.                

Han Hartmoed
0 0

Sinds Birte

Sinds Birte gestorven is, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat er iets niet klopt. Erger nog, dat er iets helemaal verkeerd is. Natuurlijk is het verkeerd dat Birte er niet meer is. Het duurt altijd een paar tellen eer dat besef tot mij doordringt. Maar het is nog iets anders. De dag begint op een manier waarop hij niet zou moeten beginnen. Ik word wakker in een smal bed in een ruime kamer. Iemand trekt de gordijnen open en zegt goeiemorgen. Op het veel te kleine schrijftafeltje staat een blad met een saai ontbijt: een kop lauwe koffie, drie sneetjes witbrood, een kuipje aardbeienconfituur en een rechthoekje boter.             Daar begint het al. De koffie zou heet en sterk moeten zijn en vooral, door mij gezet. In de keuken. Waarom heb ik geen keuken meer?                         Na het ontbijt komt een meisje vragen of ik hulp nodig heb bij het wassen en aankleden. Ik schud mijn hoofd. Ze trekt de deur meteen weer dicht. Ze kent het antwoord, maar ze moet het vragen. Ik ben nog altijd in staat om een broek en een hemd aan te trekken, en mijn kleren zou ik liever zelf wassen. Ik zou niet zo’n rare plooi in mijn broek strijken, ik zou de kraag van mijn hemd wat rechter zetten. En ook geen vouwen in de mouwen alstublieft.               ‘Niet moeilijk doen, liefste,’ zou Birte zeggen. ‘We hebben hier alles wat we nodig hebben.’ En dat was ook zo. Zolang Birte zorg en vooral veel aandacht nodig had, was het handig om niet te moeten koken, poetsen, strijken. Lezen of naar de tv kijken ging ook niet, maar dat vond ik niet erg. Dat zou later wel weer komen. Want er zou een later komen, zonder haar en zonder de kabbelende gesprekjes tussen ons.             Die mis ik nog het meest. Birte was graag aan het woord. Over de ergernis die ik daarbij soms voelde, heb ik nu spijt. Maar spijt en woede –woede, omdat ze weg is- daar koop ik niets mee. Dus leg ik spijt en woede opzij en probeer ik de dag door te komen. Meer lukt me voorlopig niet. Al moet er iets gebeuren. Morgen misschien, of volgende week.             Om tien uur liggen de kranten in het salon. Er eentje van de tafel grissen en meenemen naar je kamer wordt niet op prijs gesteld. Nee, het is de bedoeling dat we samen de koppen doornemen, om aan te tonen dat we nog bij ons verstand zijn. We zijn met niet velen die dat nog kunnen. De animatrice test elke dag onze kennis van aardrijkskunde, geschiedenis en politiek. Het is een knap meisje. Ze heeft kort zwart haar, wat langer in haar nek, en ze heeft een blinkend steentje in haar neusvleugel. Ik kan het niet laten om haar na te kijken als ze door de gang loopt. Ze heeft brede schouders –zou ze zwemmen?- en een jongensachtige tred. Ik denk dat ze is zoals wij, maar ik durf het haar niet te vragen. Zou ze het weten van mij? Ze kan er toch moeilijk naast kijken? Maar ze heeft geen oog voor mij. Ze spreekt me beleefd aan met mevrouw zoals ze dat hier met iedereen doen. Mevrouw, mijnheer. Als er nieuw personeel is, want het wisselt nogal, is er al eens eentje bij die zich vergist en mij met mijnheer aanspreekt. Ik verbeter ze niet, ik ben het gewoon. Na een dag of twee zien ze hun vergissing in.               Mevrouw Simons is ook weer bij het krantenuurtje. Haar man heeft ze in hun kamer gelaten. Ze luistert gespannen naar de vragen, de ogen half gesloten, de handpalmen op de tafel, en ze probeert als eerste te antwoorden. Uitsloofster. Als het krantenuurtje voorbij is, mogen we de krant van vandaag in het salon lezen. Die van gisteren mogen we mee naar de kamer nemen. Met oud nieuws onder de arm slof ik naar mijn hol. Ik moet het samenzijn in een ruimte met anderen doseren. Langer dan een uur kan ik nog niet aan.               In het restaurant blijkt mevrouw Bernards mijn plaats te hebben ingenomen. Ik overweeg om haar rolstoel achteruit te trekken, een stoel bij te schuiven en te gaan zitten, maar uit goed fatsoen blijf ik staan bij de tafel waar ik tot voor kort nog met Birte zat. De zaalverantwoordelijke neemt me bij de arm en leidt me een paar tafels verder.             ‘We dachten dat u hier beter zou zitten,’ zegt ze. Ze schuift een stoel achteruit en nodigt me uit om te gaan zitten. Bij Simons en haar man, en nog een kale man die ik wel al gezien heb, maar verder niet ken. De mannen zitten in een rolstoel en alsof ze behalve hun benen ook hun handen niet kunnen gebruiken, begint Simons water in hun glazen te gieten. Ik leg mijn hand op mijn glas en zeg bijna onhoorbaar ‘Nee, dank u’.             ‘Drinkt u wijn?’ vraagt Simons, ’Gezellig, dan ben ik niet alleen.’               Er komt een karafje met een halve liter rosé op tafel. Ik giet haar glas voor driekwart vol, dan het mijne en ik zet het karafje langs mijn kant. Zo zal ik het vanavond en morgen ook doen. De nieuwe situatie meteen goed beheren. Ik hoor het klaterende lachje van Birte.                    ‘Zo ken ik je weer’, zou ze zeggen. Dat er zowel bij de lunch als bij het diner wijn bij het eten werd geserveerd was het doorslaggevend argument om voor dit etablissement te kiezen. Ik vond het anders wel erg duur, maar Birte vond dat we onszelf niets tekort mochten doen. Voor haar lagen de zaken anders dan voor mij, daar stonden we toen niet bij stil.               Mijnheer Simons kijkt verongelijkt naar de karaf wijn.             ‘Hij heeft suikerziekte,’ verduidelijkt mevrouw. ‘Nee, man’, zegt ze, ‘het mag niet van de dokter.’             ‘Man’, zegt ze tegen hem. Heeft hij geen naam? Zij heet Emma, ben ik intussen te weten gekomen. Als hij tegen haar praat is het Emma voor en Emma na. Behalve suikerziekte heeft hij een rothumeur en een aanleg tot zeuren. De man naast hem kijkt in zijn bord en in zijn glas water en doet of hij er geen last van heeft. Ik volg zijn voorbeeld en doe of ik niet zie hoe Emma Simons naar mij kijkt en hoopt op een aangenaam tafelgesprek.             Na het dessert maak ik dat ik wegkom, dankbaar dat ik niet in een rolstoel zit en moet wachten op iemand die mij naar mijn kamer brengt.               Mijn siësta bestaat uit drie kwartier naar het plafond kijken en me afvragen of ik naar het salon zal gaan of in mijn kamer blijven. Het wordt in de kamer blijven. Ik heb geen zin in mandala’s kleuren. Als er op de deur geklopt wordt, ben ik er zeker van dat het Emma Simons is. Het personeel klopt niet. Ze komen gewoon binnen, of ik in mijn onderbroek sta of niet, ze zien niet eens het verschil.               ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze.             ‘Nee’, zeg ik en ik probeer de deur weer dicht te duwen. Maar ze heeft al een voet binnen en kijkt nieuwsgierig de kamer in.             ‘Mag ik Cécile zeggen? Ik ben Emma.’             ‘Het is Sil’, zeg ik, norser dan bedoeld.             ‘Mag ik binnenkomen?’ vraagt ze dan. Ik doe een stap achteruit.               Ze komt binnen en blijft bij de schrijftafel staan. Ze kijkt een paar seconden naar de foto van Birte alsof ze bij een graf staat. Ze is een vrouw van de wereld, er is iets sjieks aan haar en voor het eerst voel ik wat van mijn afkeer wegzakken. Ik heb geen afkeer van haar, maar van iedereen die hier nog levend rondloopt, bedenk ik plots. Ik voel een snik opkomen, maar ik verman me. Ik wijs haar een stoel en ga zelf in de fauteuil zitten. Ik strijk over mijn knieën en probeer de vouw in mijn broek wat minder scherp te krijgen.               Als ik opkijk, zie ik haar vriendelijke gezicht. Vriendelijk, ik moet het toegeven. En mooi. Haar zilvergrijze haar is recht afgeknipt op kinhoogte. Ze heeft wat lipstick op, maar verder is ze niet opgemaakt.             Ze vraagt hoe het nu met mij is. Ik haal mijn schouders op.             ‘Waren jullie ... was zij je vriendin? Ik bedoel ...’             Ik voel mijn stekeligheid weer opkomen. Heeft ze dan geen ogen in haar kop? Ik toon haar mijn ring.             ‘We waren getrouwd,’ zeg ik.             Ze knikt en kijkt dan rond in de kamer op zoek naar een nieuwe vraag. Dan staat ze op.             ‘Kom je niet naar het salon?’ vraagt ze weer. Ik schud mijn hoofd.             ‘Ik kan je niet in mijn kamer uitnodigen’, zegt ze dan, ‘mijn man ...’             ‘Ik begrijp het,’ zeg ik en ik denk: gelukkig maar.               Sinds Emma in mijn kamer is geweest doe ik aan tafel iets meer moeite om hoffelijk te zijn. Tegen Emma tenminste. De mannen negeer ik. Ook tijdens het krantenuurtje doe ik mijn best. Het krantenmeisje is zichtbaar opgetogen met mijn toegenomen ijver. Ze snijdt spannende onderwerpen aan en vraagt op een dag in welke landen het homohuwelijk is toegestaan. Emma kan ze bijna allemaal opnoemen. Het krantenmeisje kijkt in mijn richting en knipoogt. Ik krijg het warm en ik zet een extra knoopje van mijn hemd open. Bloost ze? Of beeld ik me dat in?               Tijdens de siësta vertel ik Birte over Chris, het krantenmeisje.             ‘Je bent nu vrij,’ zegt Birte, ‘Maar is ze niet wat jong voor jou?’             Natuurlijk, veel te jong, hoe dwaas van mij.               Emma Simons staat weer aan de deur. Ze vraagt of ze binnen mag komen. En of ik zin heb om met haar een dagje naar zee te gaan.             ‘Naar zee? Hoe dan? Met de trein? Met begeleiding?’             ‘Maar neen, Silly, we gaan toch gewoon met de auto?’             Ik kijk verbaasd daar de sleutel in haar uitgestoken handpalm.             ‘Hij staat hier op de parking,’ zegt ze, ‘voor als we op stap willen gaan. Maar met die rolstoel is het zo’n gedoe.’                 Het lijkt lang geleden dat ik nog in een auto zat en nog langer geleden dat ik zelf aan het stuur was. Birte en ik namen de laatste jaren het openbaar vervoer. Emma merkt dat ik me aan de stoel vasthoud en dat ik mee rem.             ‘Ik kan het nog, hoor’, zegt ze, ‘maar als je wil, mag jij straks rijden.’               Op een rustige weg in de polders wisselen we van plaats. Het is even wennen, maar dan is het als fietsen. Ik leg mijn elleboog door het open raam en stuur losjes met een hand. Emma laat zich ontspannen achteruit zakken in de passagiersstoel. Ze stift haar lippen wat bij en zet een zonnebril op. Ik concentreer me op de weg.               Aan de kust is het rustig. Op de dijk niets dan oude mensen.             ‘Wij zijn ook oud,’ zegt Emma, ‘maar hier, hier kan je nog wandelen.’ Ze steekt haar arm door de mijne.             We eten zeetong en drinken er een glas chablis bij. Daarna een ijsje op een bank. Even met de blote voeten in het zand. Voor we weer in de auto stappen, wijst Emma naar de appartementen op de dijk.             ‘Er staat hier veel te koop,’ zegt ze.   ***               Mijnheer Simons heeft een andere tafel geëist en gekregen. Hij zegt dat ik niet normaal ben en dat ik een slechte invloed heb op zijn vrouw. Ze zitten nu bij het raam met een ander echtpaar. Ik zie Emma haar best doen om een gesprek op gang te krijgen, maar noch de man, noch de vrouw zijn gewillig. Mijnheer Simons houdt zijn mes rechtop in zijn vuist, alsof hij wil laten zien wie de baas is.               Aan mijn tafel werden de Simonsen vervangen door de laatste twee alleenstaande mannen die er nog zijn. Blijkbaar denken ze dat ik een gevaar voor het vrouwvolk ben. Ik heb gevraagd of ik in mijn kamer mag eten, maar dat mag alleen als je ziek bent.   ***               Emma komt mij bezoeken met een tros druiven en een paar sinaasappels die ze van de dessertkar genomen heeft. Ze vraagt wat ik heb. ‘Ik weet het niet,’ zeg ik schouderophalend, ‘ze vinden niets. De dokter zegt dat het op onze leeftijd niet ongewoon is om wat minder goede dagen te hebben. Ik moet een paar dagen rust nemen.’               ‘Rust!’ Ze lijkt ontdaan. Ik heb plots in de gaten dat ze ongerust is, dat we niet meer op stap kunnen gaan.             ‘Het gaat al beter, hoor,’ zeg ik vlug. ‘Over een paar dagen ben ik weer de oude. Of de jongere,’ grap ik.               ‘Ik hoop het,’ zegt ze , ‘want het is geen leven meer met hem. Ik was beter thuis gebleven. Ik ben nog veel te fit om hier te zijn.’ Tegen wie zegt ze het.               ‘Maar, als jij niet met hem meegekomen was, hadden we elkaar niet leren kennen.’ Ik schrik zelf een beetje van wat ik zeg. Meen ik dat?               Ze glimlacht als een meisje en staat recht. Ik stotter dat ze best nog wat mag blijven.               ‘Je moet rusten’, zegt ze plagerig.   ***               Mijnheer Simons is echt ziek. Zijn bloeddruk gaat onrustbarend de hoogte in, telkens als Emma en ik een uitstapje hebben gemaakt. Emma vindt dat hij uitstekend verzorgd wordt en dat zij daar niet altijd bij nodig is.             ‘Eigenlijk’ zegt ze, ‘kan ik niet veel voor hem doen. Hij is misschien wel beter af zonder mij.’             We gaan nog elke dag naar het krantenuurtje en daarna nemen we samen de immobiliën-bijlage door.   ***   Sinds Emma en ik aan zee wonen, word ik elke ochtend wakker met het gevoel dat ik droom. Het duurt een paar tellen eer ik besef dat het echt is, dat zij naast mij ligt, haar grijze haar uitgewaaierd op het witte kussen. Dan glip ik stilletjes uit bed. Ze doet of ze slaapt. Ik zie het aan haar mondhoek die ze in de plooi probeert te houden. Ik haal croissants en broodjes bij de bakker op de dijk en daarna zet ik sterke, hete koffie.   De foto van Birte heb ik in de keuken gezet. Ze kijkt goedkeurend toe terwijl ik een eitje kook. Ik knipoog naar haar. We praten niet meer zoveel met elkaar, maar het is goed zo.              

Christine Van den Hove
14 0

De Koenemansprong

‘Zo lag ik in mijn bed over hem te denken, en ik trachtte mij zijn intieme leven, zijn kamerbestaan, dat wij niet kenden, zijn zwerftochten, die wij niet meemaakten, voor ogen te stellen. En onderwijl was ik eigenlijk helemaal vergeten, dat hij dicht bij mij was.’ 'Twee proeven genomen op Jos van der Haerden' (F. Bordewijk) Zeker! Wij, mak tot bed veroordeelde fenomenen, ondergingen lijdzaam 't avondlijk Bezoek en het ermee gepaard gaande ritueel van de Sprong. Doch, waren we anders beter af geweest? Zonder de Sprong was er in dat duffe slaaphol van ons toch maar doorgeslapen als voorheen. Op 't moment dat deze dan had kunnen plaatsvinden, zouden we slechts voor de zoveelste keer der lopende dag snurkerig de lijven gewenteld hebben onder de dekens. Het moe zijn van het moe zijn. De lamme slaap van 't overdag, 't zonlicht geweerd door zware donkere gordijnen, overgaand in die van de avond en de nacht … Louter voor de vorm tiktakten de wekkertjes op onze nachtkastjes dol door, want onze levensdagen waren absoluut leeg. Er lag niks in 't verschiet. Niks stond er ons te wachten of gebeuren. We lagen in onze beddenbakken naast elkaar maar wat onfris achterover te liggen … Ja, een end weg te suffen lagen we, draaiend en kerend van de ene zij op de andere en weer terug en zo moesten we af en toe wel 'n paar tellen uitkijken op het lege, willoze, nietszeggende gelaat van de Ander. De slaap van de nacht diende slechts die van de dag te vervangen. Uitzichtloos. Doodlopend. Donker. En in die donkerte vonden vingers tevree hunne weg heen neuzen, navels, aarzen, oksels en zoetzuur – zweterige tenen – een non-stopfestijn van groezelig krabben, peuteren en pulken. Tussen de maaltijden van acht uur 's ochtends, twaalf uur 's middags en zes uur 's avonds was ons beider bestaan vacuüm getrokken. We hadden niks zinnigs te zeggen en er was niks, nog op de gehele aardbol niet, dat ons tot iets kon bewegen. Plat lagen wij, gewoonweg ongelooflijk geweldig weergaloos fenomenaal plat. Horizontaal geparkeerd. De vreugdeloos doods verstrijkende minuten aaneenrijgend tot uren, tot die uren dagen werden en die dagen weken en die weken maanden en die maanden jaren. Morbide klagerig, somber en sloom trad onze Bezoeker binnen. Met zijn deurhoge, magere lijf en z'n asgrauwe gelaat leek hij wel een vampier uit een film. Het “Goedenavond samen!” dat 'm roestig diep uit de keel scheurde, klonk bovendien alsof ergens moeizaam een zerk werd verschoven. Eerst werd ik benaderd; wellevend werd er over mijn bed heen gebogen en een hand gereikt die als een vreemd, zacht, warm weekdier in en uit de mijne gleed. Vervolgens, af van deze beleefdheidsplichtpleging, werd er naar de andere stee gezwalkt. Dat andere hoopje ellende scheen 'm namelijk nét iets meer te boeien – wat de reden ervoor ook ware. Echter, daar zo tegenaan stond hij er eerst wat ongemakkelijk gelijk een boom geplant … Het Moment van de Sprong naderde, daar mocht geen twijfel over bestaan. Doch hoeveel Sprongen er de voorafgaande dagen, avonden, wel niet uitgevoerd waren, de Sprong zelf scheen over de merkwaardige eigenschap te beschikken zich oneindig te kunnen hernieuwen. Telkens presenteerde deze zich als een uitdaging, een nakende duik in het duistere Onbekende; zolang ons Bezoek, ergens diep vanbinnen, de juiste stemming niet had weergevonden, zat hij vast. Gevangen in een beschamend naakte tijdsval, die hij trachtte te veraangenamen door met dat bedlegerig object te dialogeren. Zulks leidde tot een bizar kinderachtig rollenspelletje Bezoeker/Zieke, van a tot z door de Bezoekende Partij gedirigeerd – 'n klucht die zweemde naar leedvermaak. Maar al te gaarne, al te gretig, zag hij ons als uitzichtlozer gevallen dan zichzelf, tot in den treure te bed gevoederd. Die sfeer van ongeneeslijkheid beviel 'm, daar trok hij zich aan op, elke avond weer. Alles toch kits? Die twee feestneuzen lagen daar toch immer nog lam achterover gekieperd? En dat alles liep feitelijk aan de Sprong parallel; hij moest wel in onze kamer opdagen, om met het ene gegeven het andere in stand te houden. Wanneer hij tegen 't bed stilletjes over en weer begon te schommelen, bood de trance van de Sprong zich aan; 't hoofd verzonk, diep tussen de frêle schouderbladen, en aan weerszijden der gestalte begonnen twee ellenlange armen als vleugels traag op te klapperen. De logge vlerken ener intriest groot vogelbeest, misschien een ontheemde reiger of een verdwaalde gier … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman-Sprong! … De Koeneman- Sprong!, huilde de wind net voor het opstijgen, als een wederkerende wanhoopsdaad waaraan niet mocht verzaakt.

Davy Van der Auwera
68 1

Zonnige dagen

De jongeman, in de trein gezeten, kijkt naar buiten en ziet het landschap voorbijtrekken. Alles ziet er triest uit. Het is al stof wat de klok slaat. Niet zozeer is het zelf te zien, als wel het effect ervan op het daglicht, een donkere filter over alles. Daglicht dat niet meer stralend is, zonlicht dat niet meer verblindend is. Het schijnsel van de fletse, oranje cirkel, met roze vegen, kan de dingen op afstand enkel nog in hun globale vorm laten zien. Het is alsof iemand naar Ikea is geweest, een bolvormige papieren lampenkap heeft gekocht, waarna hij of zij deze heeft platgetrapt, met inbegrip van de lamp, uit wroeging dan wat pastelkleuren erop heeft aangebracht en het ding op het firmament geplakt. Die roze vegen, wie weet nog welke kleuren we zien met al dat stof, zijn de afkoelende gebieden, de nog enigszins pruttelende mega-oceanen. Ooit zal het stof zo aangewassen zijn dat overal pluisjes dwarrelen, een eindeloze regen van pollen. Tegen die tijd zal al het leven op deze planeet meer dan waarschijnlijk weggevaagd zijn. In deze tijd, op dit moment, is er ook maar weinig leven in het passerende landschap. O zo verlaten, alleen hier en daar een beest. Een beest dat de jongeman trouwens nooit zal consumeren omdat het telkens weer het stof in, maar niet uitademt. Na bepaalde tijd vormt zich een brij in de longen. Een stroperige pap die het hele lijf van het beest vervuilt én reageert met de andere giftige resten, die via bijvoorbeeld grazen in het lijf zijn gekomen. Een beest kan, zijn toxische limiet bereikt, onverwacht de lucht in vliegen. Vee krijgt een steekkaart mee die de vermoedelijk resterende tijd tot explosie vermeldt: zoveel procent vlees, zoveel procent hormonen, zoveel procent lichaamsvreemde stoffen, licht gevaar op ontploffen binnen... BOEF! BOEF! Eén voor één gaan de koeien de lucht in, het landschap nog leger achterlatend dan het al is. Ook planten, bloemen en bomen zijn vergiftigd. Fris groen bestaat allang niet meer, alles mat donkergroen en vaal grijs-blauw. Wie hiervan eet, proeft niets sappig, maar kauwt eindeloos op taaie, vettige dingen. Daaruit lopen giftige sappen met de gekende gevolgen. BAF! Dat schaap is er geweest. Voor mensen zal het eender zijn. Alleen zullen zij in staat zijn om kunstmatig eten te maken, wat zij uiteraard voor zichzelf houden. De dieren worden aan hun lot overgelaten. Langzaamaan sterven ze uit. PAF! BOEF! BOEF! De explosie van hun gemeenschappelijke pikker wordt twee ossen fataal. PLOF! Een vroege vogel, aan het wandelen met zijn ex-hond. Het was een aardig dier, helaas. Niet te veel tranen verspillen, een nieuwe steekkaart uitzoeken en deze keer met langere houdbaarheidsdatum. Zouden er met 'niet goed geld terug'-garantie bestaan? Het afval van de ontplofte beesten wordt niet opgeruimd. Het valt niet op in het gesluierd zicht. De jongeman kijkt rond in de coupé. Mensen zien er slecht uit, asgrauw, de ene al wat meer dan de andere, afhankelijk van het aantal geblakerde punten op de huid. Oneindig veel partikels stof die als ontelbare lenzen werken en de weinige resterende energie uit het licht bundelen in hun kleine maar gemene brandpuntjes. Iedereen doorloopt er zo onnoemelijk veel per dag. De jongeman bekijkt zijn blote onderarm. Ook hij heeft er al van. De mensen hun ogen hebben een troebele kleur. Er is geen helder wit, geen gedetailleerde pupil. De giftige stoffen hebben zich ook daar in ingevreten. Wenen is het druppelen van toxisch water. Opgepast voor de blote lichaamsdelen én kleren! Mensen moeten dagelijks druppels in hun ogen doen om te neutraliseren. De jongeman sluit de zijne, hij is moe. Moe zijn is een moderne ziekte. Altijd maar moe, moe, moe. Omdat altijd maar moet, moet, moet. Geen tijd meer om stil te staan bij de waarde van iets. Gewoon aanvangen en als het kan afwerken. Het resultaat? Als het zover is zien we wel of het het gewenste is. De jongeman kijkt weer even op. Hij ziet de andere passagiers praten. De bewegingen der monden zijn hetzelfde gebleven maar de luidheid klopt niet, alles klinkt gedempt, zoals een feest bij de buren. De hogere frequenties worden nog amper gehoord. Alweer dat stof? De jongeman werpt een blik op de blote benen van het meisje dat tegenover hem zit. Dan kijkt hij op naar haar gezicht. Zij draagt een bruine zonnebril. Net als hij, al is de zijne een groene. De jongeman maakt zich klaar om tegen het meisje te beginnen praten want ze ziet er cool uit, en daarom neemt hij ook zijn oordopjes uit.

johan saenen
0 0

Orde van belang

‘Had ik niet geweten dat ik al dood was, ik zou het verlies van mijn leven hebben betreurd’ (Ota Dokan, 1486)   ’t Kan enkel het monster der stierlijke verveling geweest zijn dat me naar zijn voordeur leidde, of beter, waar ooit zijn voordeur was, want na al die jaren kon hij wel verhuisd zijn, of wat dan ook … In ieder geval, het eerste wat me opviel was dat de voetmat bij de inkom nog dezelfde was, en het wachten voor de deur maakte dat ik er mijn voeten wat vreemd mechanisch tegenaan begon te vegen. Mijn ogen volgden die bewegingen met zekere afstandelijkheid, alsof dat niet mijn eigen voeten waren daar beneden, maar die van een ander … In de verwilderd ogende, dik bebaarde man die dan de deur opende, herkende ik eerst mijn oude vriend niet – tenslotte, wij waren nog kinderen geweest toen we elkaar voor de laatste keer gezien hadden. Maar hij begroette me alsof hij me verwacht had, en gidste me doorheen het inkomhalletje naar het woonvertrek, waar op de livingtafel twee grote kartonnen dozen stonden. Eens mijn ogen gewend waren aan het aldaar heersende halfduister – gecreëerd door de aan beide zijden van het vertrek zowat driekwart neergelaten rolluiken – kon ik beter rondkijken en dingen onderscheiden. Overal, in alle hoeken, bleken vele dozen te staan opgestapeld. Op de vloer lagen een aantal leeg gevreten conservenblikken, en op het zeer smalle aanrecht bij het raam achterin, wist een grote koffiemok met een lepel in zijn zwaartepunt handig op de millimeter af te handhaven. Wat verder, in het keukentje, waar het lichter was, stond een koffiezetmachine hoog als een trots breedgeschouderde generaal, te midden een strijdvaardig leger van nog vele blikken conserven – de open geplooide metalen bovenzijden vervaarlijk als wapens gekarteld. Het geurde er zoals het geurt op plaatsen waar veel wordt gezweet en weinig verlucht. Het binnenkoertje, dat grensde aan het raam achterin, kon ik door het grotendeels neergelaten rolluik niet zien, maar ik stelde ‘t mij voor zoals ik het van zeer lang geleden kende. De zalig warme zomerdagen! Zo onder een wolkeloos blauwe hemel, samen met hem, spelend met autootjes en soldaatjes op een uitgespreide, zachte, dubbeldikke deken, terwijl zijn moeder ons verwende met limonade en heerlijk zoete zelfgebakken koekjes. In zijn verduisterde leefomgeving liep de bewoner op en af en heen en weer, waanzinnig druk voor zich uit pratend. De ene keer leek zijn uitleg tot mij gericht, dan weer scheen mijn aanwezigheid in het vertrek hem totaal te ontgaan. Voorts bediende hij zich om de haverklap van een absurd leraarachtig klinkend ‘zozeer jawel’. Een aparte, autoaffirmatieve, verbale tic die een onbedoeld komisch effect ressorteerde; ’t was de ongewone combinatie van onnozelheid en strengheid erin die het ‘m deed … Hij ging ten onder, dat was mij duidelijk. Ik was getuige van een krankzinnige hellevaart – die alzo toch een vreemdsoortig speels, guitig, komiek randje meekreeg. Soms stopte hij met praten, om in een wandspiegeltje te kijken en er zenuwachtig in zijn baard te plukken. Hierbij hoorde ik hem vreemde, grommende keelklanken produceren. En dan was ’t weer almaar de kamer op en af en heen en weer, en doordrammen geblazen! Dat mocht wel met een weide bocht om de tafel heen zijn, waarbij dan regelmatig zo’n gesneuveld blik een schop te verduren kreeg, zodat ze op den duur met z’n allen over de vloer konden rollen als in een door storm geteisterde kapiteinskajuit … Zijn nerveus ijsberende lichaam sprak mij de taal van een onzalige, die meende de gruwelijke last te moeten torsen van het besef van Alles, alle mogelijke dingen tegelijk, alle mogelijke wereldse geschiedenissen en toekomsten. Het was als een Te Veel, dat tezelfdertijd een Te Weinig was: dwaas, ledig en richtingloos zag ik hem ronddolen in een eng, zelfgeschapen universum.   Overvallen door een merkwaardig moment van luciditeit, walste hij het keukentje in om voor ons beiden koffie te zetten. Ik kwam ertoe me neer te zetten op een van de twee stoelen die hoorden bij de Tafel met de Dozen … Tussen die dozen, die het grootste deel van het tafelblad in beslag namen, zag ik op het vrije deel van het blad verscheidene donkerbruine cirkelrandjes van opgedroogde koffie, die onderling overlapten gelijk lukraak door mekaar gegooide ringen op een olympische vlag. Wat de inhoud van de dozen betrof, kon ik een alles-door-mekaar onderscheiden van reclamebladen en brieven en folders en streekkranten en zo meer. Het viel me ook op dat van alle kleine en grote enveloppen die ik kon zien, geen enkele was geopend. Zoals zij in de brievenbus hadden gezeten, door de afzender dichtgeplakt, zo waren zij in de dozen beland. Ik dacht nog: ‘De chaos in dit huis representeert de chaos in het hoofd van zijn bewoner – dus eigenlijk, ben ik niet in zijn huis maar in zijn hoofd terechtgekomen.’ Ik drukte mijn stoel wat lui achterover om, vanuit de hoek waar ik zat, een beter zicht te hebben op wat er in het keukentje gebeurde. Hij was in de weer met potten en liet water lopen en, wanneer hij lichtjes voorovergebogen voor de gootsteen stond, moest ik weer even denken aan zijn moedertje. Ik wist niet beter of het gehele leven van dat brave mensje had zich daar afgespeeld. DAAR. Bij die lavabo. Er Tegen. Er net Naast. Er – op zoek naar flesjes en potjes in de wat aftandse lage keukenkasten – krom gebukt Onder. Al wassend, plassend, kokend, soppend en schrobbend, had zij haar leven lang aan die plek gekluisterd gezeten. Was zij uiteindelijk gelukkig geweest – al was ’t maar een klein beetje? Het arme mens had zich altijd voor anderen weggecijferd, zoveel was zeker. Zo er een hemel bestond, dan had ze haar ticket erheen wel verdiend. Wanneer we samen om de tafel zaten met onze koffie, maakte ik er tijdens het drinken een spelletje van om de onderkant van mijn tas steeds exact te laten neerkomen op een der reeds ingedroogde kringetjes. Mijn confrater had andere dingen aan zijn hoofd. “Nu zal ik je vertellen waarom ik je heb laten komen”, zei hij. Ik wou eerst nog tegenwerpen dat daar niets van aan was, dat ik toch uit eigen beweging had aangebeld. Maar ik slikte deze woorden in voor ik ze kon uitspreken, daar ik begreep dat het niks zou opleveren van te twisten met een man die – dat was me toch al vrij duidelijk geworden – ontstegen was aan alle mogelijke realiteitszin. “Nu zal ik je vertellen waarom ik je heb laten komen”, herhaalde hij – als om mij de mogelijkheid te bieden het gewicht en de ernst van de uitlating ten volle in te zien. Haar lettergreep per lettergreep te kunnen herkauwen. “NU ZAL IK JE VERTELLEN WAAROM IK JE HEB LATEN KOMEN – zie je die twee dozen hier op tafel?” Hoe kon ik ze niet zien? Zij bepaalden de atmosfeer van de kamer. Als strenge scherprechters torenden zij boven ons uit – boven alles uit. Aan hun naargeestige zeggenschap, hun macht, kon men in zulk een van de buitenwereld afgeschermde tombe niet ontkomen … Hij ging voort. “Het gaat hem allemaal om de belangrijkheid van de Orde van Belang! In de linkse doos stapel ik de op het eerste zicht vrij onbelangrijk toekomende post en …” “… IN DE RECHTSE DOOS, DE OP HET EERSTE ZICHT VRIJ BELANGRIJK TOEKOMENDE POST!?” completeerde ik zijn zin. Als het ware om mezelf te overtuigen van het Belang, de relevantie, mijner aanwezigheid aldaar. Gelijk een klok wou ik mijn stem even horen weergalmen – maar aan wat voor realiteit werd zij getoetst? “ZOZEER JAWEL!” riep hij weder leraarachtig. Meer zelfs: gelijk hij daarbij euforisch recht veerde van zijn stoel, zette hij zijn betoog vanaf dat moment voort met het algehele voorkomen van een leraar. Een leermeester. De knokkels der handen, wijd aan weerszijden van het middel tegen het tafelblad witgedrukt, terwijl dan dat bovenlijf in een imposante boog over ‘t meubel heen, de Leerling zo dicht mogelijk poogt te benaderen. “Dus: de belangrijkheid van de Orde van Belang! Zozeer jawel. Wat staat er op de linkse doos geschreven!? Lees maar HARDOP en LUID!” beval hij - en natuurlijk, ik had kunnen weigeren. Met alle gemak van de wereld had ik op dat moment kunnen opstappen. Maar dat deed ik niet. Iets weerhield me … Welnu, nobel kan ik dit niet motiveren, net zoals er niks nobels ten grondslag had gelegen aan de reden van mijn visite; gelijk ik na vele jaren Zomaar eens aanbelde, uit verveling, zo bleef ik zitten en luisteren zonder daarom bewogen, of medelevend, te zijn. Het zou kunnen – en het is niet mooi van dit te moeten zeggen – maar het zou kunnen, dat het zicht op zijn gekwelde bestaan voor mij een leuk tijdverdrijf was. Iets dat de dag brak tussen een ochtend en een namiddag die zich al veel te lamlendig, slepend lang hadden ontvouwd en een vooravond, een avond, die ongetwijfeld eenzelfde lot ging beschoren zijn … Ik zat middenin HET gebeuren van mijn lopende dag, en dat hij er blijkbaar nog slechter aan toe was dan ikzelf, was voor mij een vorm van ontspanning. Dus ik las. Hardop, en luid. “ONBELANGRIJKE POST!” “Zozeer jawel! En wat staat er op de rechtse doos geschreven?” “BELANGRIJKE POST!” “Zozeer jawel!” Hij zette zich neer om, god mag weten waarom, dadelijk met de snelheid van een zwiepende katapult weer recht te veren. Pal boven onze hoofden brak de hemel woest in stukken, en het begon hard te regenen; als duizenden felle zweepslagjes geselden de regendruppels het rolluik aan de straatkant. Ik merkte hoe dit tempeest totaal aan hem voorbijging; zijn eigen verhaal scheen hem dermate te vervoeren, dat alles daarbuiten hem ontging. Ik keek van op mijn stoel nog eens het keukentje in, en zag zo moedertje lief daar weer gebogen over de afwas staan. Een dromerig rustpunt voor mijn ogen … “Zozeer jawel! Op de rechtse doos is geschreven: belangrijke post. Nu zit het hem zo, dat ik je heb laten komen om je te vragen mij te helpen bij een grootse, zelfs zeer grootse taak. Het dagdagelijks klasseren van allerhande papieren neemt veel tijd in beslag, zelfs zeer, zeer veel tijd. En je zou me dus moeten helpen, want VANAF MORGEN GA IK VAN START MET DE ULTIEME KLASSERING!” “Waaruit bestaat die dan wel?” vroeg ik eigenaardig voor de vorm, net of ik niet bij machte was me alsnog te onttrekken aan mijn deel van een lang vooraf vastgelegde dialoog … Ik lurkte nog eens van mijn koffie; het was een laatste, al wat lauwe slok, die ik even liet golven tussen tong en gehemelte alvorens door te slikken. “De ultieme klassering bestaat hieruit dat … Zie je al die dozen aan de kant? Om nog maar te zwijgen van die op tafel! Zozeer jawel! Maar natuurlijk, dat spreekt toch vanzelf, naar belangrijkheid en onbelangrijkheid zijn alle dozen in orde – echter: het probleem dat zich nu stelt, is van tweeërlei aard. Ten eerste, liggen in de dozen alle stukken wel goed, dat wil zeggen, min of meer belangrijk bij min of meer belangrijk, én min of meer onbelangrijk bij min of meer onbelangrijk – MAAR ’T HELE ZAAKJE ZIT HEM NU JUIST IN DAT ‘MIN OF MEER’!” Zijn enthousiasme begon te pieken, ‘t was fenomenaal! Ik zag hem al schuimbekkend tegen de grond gaan om daar stuipen te trekken in de cadans van de boven ons rollende donder. Te sterven, met een waanzinnig verwrongen lach op het gelaat en zo verdacht ik mezelf er heel even van dat alles, die gehele visite, die ganse vertoning, slechts te dromen. “… Nu dringt zich dus, per doos, een te maken klassement op van dien aard, dat in alle dozen waarop vermeld staat ‘BELANGRIJKE POST’, de allerbelangrijkste stukken helemaal bovenaan dienen te komen liggen, dan afnemend in belangrijkheid naar beneden, zodat op de bodem van elke doos die stukken komen te liggen die, naar orde van belangrijkheid, kunnen beschouwd worden als van alle in mindere of meerdere mate belangrijke stukken de minst belangrijke. Zozeer jawel! Eenzelfde logica wordt, gewis en zeker, gehanteerd wat betreft de dozen met de vermelding ‘ONBELANGRIJKE POST’: per doos, van alle in mindere of meerdere mate onbelangrijke poststukken, de toch nog belangrijkste bovenaan, zo dalend, met helemaal vanonder ’t papierwerk dat, naar orde van belangrijkheid, van alle min of meer onbelangrijke stukken, binnen die orde van belang, gezien mag worden als van alle min of meer onbelangrijke stukken het meest onbelangrijk.” Hij zweeg even, en een paar tellen lang wankelde hij op zijn benen als een bij de meet compleet uitgeputte marathonloper; dan herpakte hij zich, en vervolgde zijn relaas. Verder kon ik me niet van de wrange indruk ontdoen dat mijn aanwezigheid – hoe dwingend en dringend van aard ook – tegelijkertijd volledig betekenisloos was. “Bovendien”, vervolgde hij, “bovendien mag bij deze op te starten ultieme klassering niet uit het oog worden verloren, dat er elke ochtend opnieuw ook weer nieuwe poststukken zich zullen aandienen in het hiertoe in de voordeur aangebrachte brievenluik; nieuwe poststukken die – zozeer jawel! – op hun beurt de weg dienen te vinden in de richting ener juiste doos … Een arbeid, die het ganse plan der ultieme klassering komt te verstoren, bemoeilijken, daar de ultieme klassering er in wezen uit bestaat zich een weg te wroeten doorheen de reeds verzamelde voorraden. Een al uiterst moeilijke, zware taak op zich, die zich dan nog eens gekruist weet door een taak van een toch enigszins andere orde …” Alle hoeken en kanten bij elkaar gerekend, stonden er tientallen dozen. Hoe ging hij zich daar ooit doorheen werken? Voor zo’n man als hij, grenzeloos vertwijfeld, zou een compleet etmaal nog niet reiken om zelfs maar twee folders of omslagen onderling te rangorden in de geest van de bepalingen van ‘t door hemzelf uitgedokterde systeem. Hij was onderworpen aan een hels gekkenwerk, waar hij nog bij lengte van levensdagen niet onderuit kon komen – en hij wou mij er bij betrekken. Wat later was ik weer de straat op. Het had opgehouden met stormen en de horizont liet zich uitgeklaard bewonderen, terwijl een rozerode sluier het langzame vallen van de avond aankondigde. Tijdens ‘t naar huis toe stappen zette ik al mijn zintuigen aan het werk om te kunnen genieten van het wonder van zulk een herstelde, verfriste natuur. Maar dat scheen niet te willen lukken. Het was alsof ik langs alle straten, steegjes en pleinen achtervolgd werd door een donkere, huizenhoge gedaante die mij neerdrukte. Ik kwam thuis, plofte languit achterover in de zetel met mijn schoenen nog aan, greep naar de remote van de televisie en begon, bij het almaar verzwakkende daglicht, te zappen van kanaal naar kanaal. Kon ik maar op een uitzending stoten die me werkelijk boeide – kwestie van mijn zwaarmoedigheid wat te verlichten. Maar helaas! Een uur of wat later lag ik daar nog steeds lamgeslagen achterover met de schoenen aan. Zelfs maar me recht zetten om de veters los te maken was er te veel aan geweest … In de duisternis bleef die televisie, dat onecht lichtbaken, zijn dertig beelden per seconde flitsen, en buiten sloeg de torenklok van de kerk een eenzaam onbepaald aantal slagen, metalig nazinderend, die stonden voor een eenzaam onbepaald aantal uren. Het ware een zinloze daad geweest deze uren samen te voegen, op te tellen van slag naar slag, daar eender welke verkregen som – of dat nu acht of negen of tien of elf of twaalf was – me toch nooit iets meer duidelijk had kunnen maken over het wezen van het Eenzaam Onbepaald. Dat schuilde onvatbaar, onbenoembaar, ondenkbaar, onbestemd, in alle eenzaam onbepaalde delen afzonderlijk, en ging zich dus nooit laten Begrijpen in de vorm van een door optelling verkregen geheel getal. De verdere nacht bleef ik – als verstard, zonder echt te slapen – in de zetel liggen. Toch moeten er momenten geweest zijn dat ik half in slaap sukkelde, want enkele keren dacht ik van me recht te zetten, voorover te bukken om mijn voeten van die schoenen en sokken te verlossen, me vervolgens de trap op te begeven, zo richting slaapkamer en bed om er eindelijk deftig te kunnen rusten – om dan, met de ogen wijd open, vast te stellen dat ik nog steeds beneden in de zetel lag. Roerloos. Niet in staat dat proces van handelingen, waar de sluimer me toe had bewogen, uit te voeren in de wereld van het werkelijke. Een nieuwe dag, een nieuwe ochtend, diende zich aan. Ik slofte naar de voordeur, opende mijn brievenbus en haalde er een brief uit. De enveloppe draaide ik enkele minuten om en weer om – ijzig besluiteloos. Dan smeet ik hem in de huiskamer op tafel, ongeopend, en ik weet nog dat mijn lichaam zich vervolgens in de richting van de trap manoeuvreerde. Een trap, jawel, die ik finaal onweerlegbaar Echt zou opstappen, om me al even onweerlegbaar Echt te slapen te leggen in een bed dat ’s nachts slechts in oppervlakkige dromen had bestaan … Dit alles echter niet, zonder dat lichaam nog een laatste maal te laten terugkeren naar die tafel met die brief erop, er radeloos op starend, nog ongeveer een onmeetbare tijd lang.

Davy Van der Auwera
37 0

Koek en ei

Ook op de dag dat Lieven met zijn hoofd te pletter sloeg op de kasseien van het grootste plein van de stad, at hij een koek en een ei als ontbijt. Een kopje thee werd hem zoals elke ochtend aangereikt door Ellen, net op het moment dat hij het laatste stukje koek in zijn mond stak. Na de thee ongestoord te hebben opgedronken stond hij op van tafel en nam zijn rugzak die klaarstond in de hoek van de opgeruimde studentenkamer. Hij kuste Ellen, die opgewekt de afwas deed, hard op haar mond en verliet hun appartement. Hier sta ik nu, zegt hij tegen zichzelf. Dit is het moment, nu moet het gebeuren. Alles was volgens plan verlopen. Hij had de bus van 8.47 uur genomen en was uitgestapt in het centrum van de stad. Hij had 3 minuten gelopen naar café Spek en Eieren in de Kerkhofstraat. Daar had hij zich aan het afgesproken tafeltje gezet van waar hij zijn kameraden van het actiecomité een voor een zag binnenkomen. Eens voltallig liepen ze in peloton naar het plein. Lieven had eigenlijk nooit precies geweten waarom hij precies was aangeduid voor de opdracht. Maar zijn fierheid won het van zijn nieuwsgierigheid. Hij wou zijn kameraden niet teleurstellen. Met een zetje van twee kameraden klom hij vlot op het voetstuk van het standbeeld dat centraal op het plein stond. Vandaar klom hij solo verder tot op de gekruiste armen van het beeld waar hij plaats had om zijn rugzak neer te zetten. ‘Komaan Lieven, haast je. Straks staan die klootzakken hier.’ Lieven voelde zijn armen na de inspanning hevig beven terwijl hij de pot rode verf en de verfborstel uit zijn rugzak nam. Hij zocht naar een stabiele houding op het standbeeld en dat was een hele opdracht met zijn knikkende knieën en de hevige wind die zo hoog boven de begane grond vrij spel had. Hoogtevrees sloop zijn lichaam binnen als een onklopbaar virus. Hij zag een beeld van zichzelf als kleuter op een klimrek. Eerst triomfantelijk met beide handen in de lucht op de top. En dan die duw van dat gemene klasgenootje. Loeiende sirenes haalden hem uit zijn gedachten. Hij stak de verfborstel in de pot en deed waarvoor hij gekomen was. Hij begon het hoofd van het beeld met wilde halen te bekladden met verf. Tijdens het schilderen had hij een perfect uitzicht over het plein. De kerk in de steigers, de hoge appartementsgebouwen, de waaiende bomen, het gekrioel van winkelende mensjes. En plots zag hij haar. In de hoek van het plein, aan café De Post. Haar groene bloemetjesjurk zou hij uit de duizend herkennen. Ze had haar handen verstrengeld in vreemde handen. En haar mond bewoog akelig dicht bij een vreemde mond. Het zweet brak hem uit en hij moest moeite doen om zijn anders altijd regelmatige ademhaling te kalmeren. Lieven zag zijn hele toekomst in mekaar storten, als een slecht gebouwd kaartenhuisje. En de opdracht die kon hem nu gestolen worden. Ondertussen was het een drukte van jewelste geworden aan het standbeeld. Hij zag een brandweerwagen en een ladder die alsmaar verder uitschoof, in zijn richting. Blauwe en rode zwaailichten als discospots. Sirenes als de melodie van een bonkende technoschijf. Flitsen van fototoestellen als de onvermijdelijke stroboscoop. Lieven stond plots op het hoofd van het beeld. Hij was blijkbaar nog hoger geklommen, net zoals die ene dag op de kleuterschool. Een koor van mensen riep hem toe. Hij zag politie, brandweer en zijn kameraden. En Ellen die blijkbaar was toegesneld. Er zat paniek in haar ogen die hij nooit eerder had gezien. Hij zag haar opengesperde mond woorden uitschreeuwen maar hoe meer hij probeerde te luisteren, hoe minder hij ervan begreep. Hij hoorde enkel nog een vreemd soort geruis, een testbeeld tussen zijn oren. Er zat nog maar één gedachte in zijn hoofd. Neerstorten ga ik toch, dan kan ik het maar beter zo elegant mogelijk doen. Hij nam voor de laatste keer de borstel en schreef blindelings op de achterkant van het hoofd van het beeld. Dan gooide hij borstel, verfpot en rugzak naar beneden, gevolgd door zichzelf. Een vlucht van enkele seconden. Een harde landing. Het was een brandweerman die als eerste zijn laatste boodschap las op het beeld. Woorden die nu op toiletdeuren worden gekrast en op t-shirts worden geprint. Woorden die opduiken in folders van politieke partijen. “Alles koek en ei? Yeah right.“

igordaems
0 0

Noten kraken

Later zou Linda haar naam veranderen in Linde, maar toen ze zes was dacht ze daar nog niet aan. Ze vond de namen van haar zusjes en van sommige meisjes op school mooier, maar ze wist nog niet dat je daar zelf iets kan aan doen.   Ze had wel al een besef van de plaats die ze had tussen de mensen en dat het leek alsof zij de enige was die niet iemand naast zich had. Zo hadden haar oudere zusjes Annie en Rosie elkaar omdat ze een tweeling waren en haar jongere broertjes Jo en Jan ook want die waren amper een jaar na elkaar geboren. Bovendien waren ze jongens en dat hield hen samen. Haar ouders waren samen en haar grootouders ook.   Wat niemand wist, was dat Linda een zusje had dat Isabelle heette. Niemand kon Isabelle immers zien en dus ook niet hoe mooi en hoe lief ze was en dat ze lang bruin haar had en een lichtgele jurk met een wijde rok en witte linten droeg.   Isabelle ging overal mee, naar de lagere school aan de andere kant van de stad, naar de kruidenierswinkel naast hun huis om brood en kaas, en naar de poort een paar huizen verderop waar ze groenten en fruit verkochten. ’s Woensdags ging ze soms mee spelen bij een vriendinnetje wiens ouders een meubelwinkel hadden en waar ze als de ouders het niet zagen in de toonzalen gingen spelen.   Op zondag mocht ze mee eten bij oma en opa, en daarna in de tuin en de veranda spelen. Als het regende keken ze naar de kleine zwart-wit tv in een onhandige hoek van de kamer. Onhandig, omdat de deur naar de keuken uitgaf op die hoek en als opa binnen zou komen, zou hij als er een tekenfilm speelde, de uitknop indrukken. Opa vond tekenfilms onnatuurlijk en ongezond voor kinderen.   Op zo’n zondagmiddag zaten Linda en Isabelle samen op de bank naar de tv te kijken. De jongens zaten op de grond en de tweeling zat op een stoel aan de tafel. De meisjes hielden de deur in het oog waarachter druk gepraat werd. Meer dan druk, de stemmen van opa en van hun vader werden luider en gingen soms gelijk de hoogte in en dat bedierf een beetje het heimelijke plezier van het kijken naar Popeye the Sailorman. Het voordeel was dat ze de hele aflevering konden uitkijken en daarna nog naar een film over mensen in een grijs stoffig land, die een aap en een leeuw hadden.   Net toen de aap teruggevonden werd nadat hij gestolen was door een donkere halfnaakte man en hij zich rond het bovenlichaam van een blonde vrouw in een safaripak klampte, ging de deur naar de keuken open. In het deurgat stond mama met vijf wollen jasjes over haar arm en evenveel bivakmutsen. Achter haar was het stil.   Rosie zette de tv uit en de andere kinderen haalden hun jas op bij hun moeder en trokken hem aan. Alle knopen moesten dicht en oma en opa moesten gezoend worden eer ze naar buiten mochten. De bivakmutsen hoefden niet. Isabelle hoefde geen jas aan. Ze nam geen plaats in, met vijf en ook met zes, konden ze gemakkelijk op de achterbank van de Mercedes.   Linda mocht bij de deur zitten, want ze werd soms ziek in de auto. Als ze overgaf, werd haar vader boos en dat wou niemand, dus mocht ze altijd naast de deur zitten. Ze kon dan het raam naar beneden draaien als ze lucht nodig had of ze kon snel uitstappen als haar vader bij een gracht stopte waar ze kon overgeven.   Ze hoopte dat ze niet moest overgeven want ze hadden die middag kip met appelmoes en gebakken aardappelen gegeten en het was zoals altijd bij oma heel lekker geweest. Maar nog meer wenste ze dat het niet zou gebeuren omdat haar vader er ontstemd uitzag en ze niet wilde dat hij door haar misselijkheid echt boos zou worden. Ze hield haar lippen stijf op elkaar en ze kneep langs de ene kant in Isabelles hand en aan de andere kant in de handgreep van de autodeur en zo hield ze het vol tot ze bij hun huis aankwamen.   Hun huis was geen gewoon huis. Het was geen rijhuis zoals alle huizen verder in de straat en het was geen huis in een tuin zoals bij oma en opa. Het was een grote garage waar mensen kwamen om hun auto’s te laten repareren. Beneden was naast de grote hal waar de auto’s in- en uitreden een bureau en een kleine keuken, waar mama eten maakte en soms de klanten begroette. Boven was een donkere woonkamer, een badkamer en drie slaapkamers.   Papa reed met de auto tot vlak voor de grote poort en iedereen moest blijven zitten tot de poort openging. Alleen Linda mocht eruit omdat ze zo bleek zag. Ze ging bij het roostertje in de goot staan omdat ze niet zeker was of ze zou overgeven of niet. Isabelle bleef bij haar.   Ze stonden hand in hand in de koele vooravondlucht en Linda rilde. Ze keken naar de auto die door Papa naar binnen werd gereden en hoe hij moest zigzaggen tussen de auto’s van klanten die klaar stonden om morgen opgehaald te worden door hun eigenaars. Ze hoorden het schuren van metaal tegen metaal en dan hoe papa heel luid begon te vloeken en te roepen dat het mama’s schuld was dat hij tegen de auto van dokter Kestermans was gereden.   Linda boog zich over de goot en kokhalsde, maar er kwam niets uit.   Later zaten ze allemaal boven in de woonkamer. Er kwam alleen licht van een staande lamp en uit de tv. Buiten werd het al donker. Mama lag op de bank te huilen en papa keek naar de tv waar veel fietsers kromgebogen over hun stuur te zien waren en dan snelle auto’s die veel lawaai maakten en soms praatte er een nette meneer of een mooie mevrouw en af en toe zong iemand een liedje over rozen of liefde.   Omdat er geen plaats was op de bank zaten alle kinderen op een stoel rond de tafel en keken ze mee naar het oplichtende scherm en probeerden ze het snikken van mama niet te horen.   Op de tafel stond een schaal met okkernoten en twee notenkrakers. De ene notenkraker bestond uit twee dikke lepels die je tegen elkaar moest duwen tot de noot barstte. De andere had een huisje waar je de noot in moest stoppen en dan aan een schroef draaien tot de noot geen kant meer op kon en kraakte. Linda had als eerste de notenkraker met het huisje te pakken en begon te kraken. Jan keek eerst boos toe, maar nam dan de andere. Samen kraakten ze zwijgend noten en deelden ze uit aan Rosie, Annie, Isabelle en Jo, die ze stil opknabbelden terwijl ze naar Louis Neefs keken. Iedereen hield van Louis Neefs, maar niemand zei wat.   Ze dachten niet dat mama zin had in okkernoten, maar voor papa legde Linda een hoopje opzij. Toen ze er tien had, trok ze er ook de velletjes af. De twintig bleke helften legde ze eerst in twee rijtjes op tafel en daarna deed ze hen in een rond kaasdoosje waarin ze eerst wat watten had gelegd.   Ze bracht het doosje naar haar vader die nu in de relaxzetel zat. Hij zag er niet meer boos uit, hoewel ook niet echt ontspannen en lief, maar toch kalm genoeg zodat Linda hem het doosje durfde aanbieden. Hij zei dat ze een braaf meisje was, nam een halve noot en keek knabbelend verder naar het nieuws.   Na het nieuws kwam de weerman en daarna Het Manneken, wat iedereen heel grappig vond, behalve Linda en Isabelle die hem eng vonden. Daarna was het bedtijd, de kinderen zoenden hun vader en de vader liet zich zoenen terwijl hij naar het voetbal keek. Alleen Isabelle gaf hem geen zoen.   Daar lag Linda aan te denken, net voor ze in slaap viel. Dat Isabelle papa geen zoen had gegeven. Dat Isabelle niet van papa hield.  

Christine Van den Hove
0 0

Ledematenweegschaal

Tussen de wakke blaren plantte een trieste voet zich neer. De kuit rillend van inspanning. Een vochtige voet, hunkerend naar een handdoek en droge sokken.   In zijn armen de stukken van een zoon. Een zoon die hij nooit goed had gekend.   Als mensen beginnen schreeuwen en jij weet niet waarom.   Een tweede voet plantte zich neer, en twee knieën, geknikt door teveel aan volharding.   Doorheen de dikke flarden mist kon hij nauwelijks zien wat er in zijn handen lag.   Dat besef sijpelde koud door zijn ledematen.   Dagenlang al in deze bossen die hij dacht te kennen maar toch in verdwaalde.   Met zijn zoon in zijn handen, en zijn handen in zijn haar.   Afleiding is belangrijk, en de eerste dag had hij daar geen gebrek aan gehad. Zijn zoon had hem beschuldigd, met ogen vol angst, droog van paranoia, dat ze verdwaald waren door zijn schuld.   De jongen wist niet beter, hield de man zich toen voor. Hij heeft een grote mond, maar een klein hartje. En hij is zo snel moe.   Hij moet gedragen worden.   Paranoïde, droge ogen, het enige droge in deze vochtige vallei, hadden voor zijn afleiding gezorgd, en daar was hij nu dankbaar om, want afleiding is hetgeen een kostbaar goed zou worden.   Hij was meer dan een vader, hij was een man met trots in zijn leven, die macht had over anderen.    Hij beet op zijn kaken. Niet alleen omdat hij honger had, maar ook om die verdomde mist uit zijn mond te houden. Het gat van de tand die zijn zoon de eerste dag had uitgemept pikte als hij zijn mond opendeed.   Het is oorlog en we moeten vluchten of iedereen gaat eraan.   ‘Zie je wel,’ zou zijn wijlen moeder gezegd hebben moest ze niet jaren eerder in haar bed zijn gestorven. Met haar hoofd vol angst na een leven lang oorlog vrezen in vrede.   Maar nu was het zover. De aap in hem vluchtte terug naar waar ooit menselijkheid onstond miljoenen jaren geleden: de bossen. Maar dan in het verkeerde continent.   Zijn zoon woog terug even zwaar als toen hij drie jaar was. Zijn zoontje.   Hij kon niets zien in de witte massa voor hem, net als op skivakantie, en ook nu, kon hij elk ogenblik geen grond meer onder zijn voeten voelen. Geen zicht, geen smaak, enkel het ruisen van zijn adem door de mist, en het gevoel van zijn zoontje in zijn armen. Meer had hij nooit gewenst.    Zijn zoon was zwaar en oud geworden.   Zijn vrouw was zwaar en oud geworden.   Hij daarentegen, voelde zich hetzelfde, maar dan tussen oude mensen.   Zwaar, oud, en dood.   In de middeleeuwen zou hij gehandicapten en criminelen zijn tegengekomen in dit bos, maar nu enkel gestalten van geschaduwde bomen. Daar legde hij zijn zoon neer, die ooit zoveel kansen had gehad, maar nu een mens in stukken was.   Prachtig hoofd dat ooit naar hem had opgekeken, maar hem de laatste jaren had beledigd.   'Een tijdbom. Die jongen gaat nog eens ontploffen.'   Het hoofd moest vergaan maar het hart zou hij houden. Om hem te vergezellen door zijn tocht in de mist. Door het bos van de mensheid, op zoek naar resten goedheid.                      

Han Hartmoed
0 0

12 november

Het regende pijpenstelen toen ze werd gegrepen door die tram. Tram 24, om precies te zijn. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Het was zelfmoord. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Vluchtmisdrijf is altijd een beetje moord. Als ik een moordenaar zou zijn, wat zouden ze me vragen? Hoe voelt het om een moord te plegen? Je moet zelf een moordenaar zijn om te beseffen hoe een moord plegen voelt. Net daarom heb ik films over moordenaars altijd rotzooi genoemd. Wat is moord? Een slagersmes pakken en iemand neersteken? Of je omdraaien wanneer je iemand dat ziet doen? Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. Er waren geen getuigen, die bewuste avond. Voor oude vrouwtjes die hun lelijke hondjes uitlaten was het al te laat op de avond, en voor feestende jongeren was het nog te vroeg op de week. Ik was daar, toegegeven. Op dinsdagen fiets ik door de stad. Zomaar. Zomaar, omdat een moord ook op dinsdagavond kan gebeuren. Er waren geen getuigen. Alleen een tramchauffeur, zijn lege tram en de lege ogen van een dood meisje. Niemand had me gezien. Verdwijnen in de nacht was een goed plan. Ik trok mijn kap wat strakker over mijn hoofd en zette mijn fietslampjes uit, maar wegfietsen deed ik niet. Ik bleef kijken. Kijken naar de wanhopige tramchauffeur die het meisje een hartmassage gaf en in paniek naar het ziekenhuis belde. Je ogen sluiten is altijd een beetje moord. En toekijken, is dat dan geen moord? Eigenlijk is het zonde, zo’n jong en dood meisje. En dat leek ze zelf ook te denken, want ze stond achteloos op, bedankte de tramchauffeur voor de goede zorgen en fietste verder. Neen, dat beeldde ik me in. Ik sloot mijn ogen enkele seconden en opende ze weer. Zou het niet mooi zijn als ze weer opstond? Zou het niet mooi zijn als omstaanders eens een keertje helpen wanneer iemand problemen heeft? Ik herinner me die keer dat we eens gingen dansen. Dansen, dacht ik. Leuk. We hadden afgesproken elkaar naar huis te brengen en onder te stoppen, als één van ons te veel gedronken had. Enkele uren later vond ik Augustientje met een gebroken neus tegen de gevel. Ze had geprobeerd twee kemphanen te kalmeren. En ik zit hier al een heel uur, huilde ze. Zonder enige hulp. Ik keek om me heen, waar niemand zich iets aantrok van de ellende die ik ondersteunde naar de ambulance die net aankwam. Toen Augustientje thuis in haar bed lag, ging ik terug om Mimi te zoeken. Ik struikelde en kwam niet veel later een tweede keer op de spoedafdeling terecht: op de bewakingsbeelden werd duidelijk dat Mimi al een kwartier op de grond lag. Het meisje had even vrolijk krullende haren als Augustientje, en Mimi had dezelfde fiets en handtas. Misschien was het wel Augustientje die Mimi’s spullen bij zich had. Als ik een moordenaar zou zijn, dan zou ik een motief nodig hebben. Augustientje ging wel eens met de jongens lopen die ik leuk vond, dat wist ze. Oh, dan kon ik haar de haren uittrekken. Ik keek naar het meisje. Ondertussen was ze kletsnat en lag haar gebarsten bril naast haar hoofd. Het was donker en haar brillenglazen waren helemaal aangedampt en volgedruppeld, zodat ze niets meer zag. Onzin, zegt de politie. Maar je moet zelf een bril dragen om te beseffen dat ze echt niets zag. Eigenlijk had ik ook niks gezien. Ik trek mijn kap wat strakker, veeg de druppels van mijn bril en draai me om, de nacht in. Ik heb niets gezien.

MDB
0 0
Tip

Kippies zwemvest

Het eerste wat ik die dag verkocht was een boek over Nieuw-Zeeland. De vrouw die het kocht had oranje haar en een bleke huid en ze droeg een rode bril. Het duurde even eer ik mijn aandacht van haar gezicht kon verplaatsen naar haar vragen. Of het een goed boek was, vroeg ze. Ik moest bekennen dat ik het niet gelezen had. Ik kon me zelfs niet meer herinneren waar, wanneer en waarom ik het ooit gekocht had. En nee, ik ben nooit in Nieuw-Zeeland geweest. Zij wel. Ze had er twee jaar gewoond. Ze was er lang geleden naartoe getrokken om er met haar vriend een zaak te beginnen. Nog geen maand nadat ze er waren, maakte hij het uit. ‘Daar stond ik dan,’ zei ze. ‘Ik was te trots om terug te keren en ik bleef.’ Ze had er gewerkt en ze had er rondgefietst.   Een deel van haar verhaal ben ik vergeten, maar haar gezicht bleef me bij. Haar ogen waren donker aangezet. Ze zag er vermoeid uit, alsof ze te snel geleefd had. Ik vroeg twee euro voor het boek. Het was in uitstekende staat maar het was misschien wat gedateerd. Wou ze dan nog teruggaan? Nee, zeker niet. Het klonk zo stellig dat ik het wonderlijk vond dat ze er dan toch nog een boek over kocht. ‘Ik ga nu wat anders doen’, zei ze. Volgende week vertrek ik naar Maleisië.’ ‘Met mijn kinderen,’ voegde ze er nog aan toe. Bij Maleisië en nog meer bij het woord ‘kinderen’, flakkerde er iets op in haar ogen.   Tijdens ons gesprek was de zon doorgebroken en waren er wat meer mensen in het park gekomen. Iemand vroeg naar de prijs van de luster, het grootste stuk dat op mijn twee vierkante meter zeil stond uitgestald. Daardoor verdween de vrouw met het boek zonder dat ik haar goede reis had gewenst.   De verkoop ging goed. Verbazend goed, want af en toe begon het regenen en moest ik alles afdekken. Maar zo gauw het ophield, kwamen de mensen weer aanschuiven en kochten ze dingen die ik niet meer wou hebben, maar toch nog te mooi of te goed vond om ze weg te gooien: borden, bestek, een blikopener, kandelaartjes, een paar gedeukte mosselpotten. Vooraan op het zeil stond een doos met autootjes, poppetjes, sleutelhangers en kleurige prullen waar kleine kinderen graag naar graaien.   Een nieuwe regenbui zette de helft van het zeil onder. Ik was blij dat het boek al weg was. De rest kon ertegen. Ik schudde alles af en droogde hier en daar wat bij met mijn zakdoek en probeerde een nieuwe opstelling uit.   Een man op een fiets stopte voor mijn kraampje en boog zich naar de speelgoeddoos. Hij viste er een zwemvest uit die ooit van Action Man was geweest uit en stak het omhoog. ‘Hoeveel kost dat?’ vroeg hij. ‘Als u daar een bestemming voor hebt, mag u het gratis hebben’, zei ik. ‘Ik heb daar zeker een bestemming voor, zei hij, maar ik wil er wel voor betalen.’   Hij zat nog steeds op zijn fiets en glunderde op dezelfde manier als het jongetje dat een paar minuten ervoor een autootje uit de doos had mogen kiezen.   Een zwemvest op poppenmaat, hij maakte me nieuwsgierig naar de bestemming. Hij haalde zijn iphone uit de zak van zijn regenjasje en liet me een foto van twee jongens zien. ‘Mijn kinderen leren zeilen, zei hij, met dit zwemvest kan hun knuffel, Kippie, ook mee.’ Hij had geen foto van Kippie, maar hij zou er een sturen. Ik gaf hem mijn e-mailadres en hij gaf me twintig cent.   Bijna drie vierden van mijn rommel heb ik die dag verkocht. Ik had genoeg over voor een hotdog met zuurkool (twee euro), een knipbeurt bij de gelegenheidskapper (vijf euro) en een paar nieuwe boeken voor op de trein.   De rest van de rommel bracht ik naar de kringloopwinkel. Ik sloot de studio waar ik de laatste maanden had gelogeerd af en ik vertrok naar een ander land.   Onderweg dacht ik nog aan de vrouw met het oranje haar, aan de man op de fiets en aan alle vrienden en kennissen die ik die dag niet gezien had. Waarschijnlijk had niemand die dag zin in een rommelmarkt en had het niets te betekenen.   Toch had ik die dag een bekend gezicht gezien, dat van een vrouw waar ik lang geleden leuke gesprekken mee had gevoerd. Ik zag haar van ver aankomen en ik lachte haar uitnodigend toe. Ze lachte een kleine wat afstandelijke glimlach terug en liep verder. Het heeft niets te betekenen, moest ik een paar keer tegen mezelf herhalen. Het is gewoon tijd om weg te gaan.   Ik ben er niet achter gekomen of de vrouw die het boek over Nieuw- Zeeland kocht, op het vliegtuig naar Maleisië zat dat op 17 juli in Oekraïne neergehaald werd. Misschien is ze een dag eerder vertrokken, of een dag later, of misschien helemaal niet.   Van de man op de fiets kreeg ik een mail met een foto van Kippie en de jongens, allemaal met zwemvest aan. Het was een fijne, geruststellende gedachte dat Kippie, als hij over boord zou vallen, snel gered kon worden.        

Christine Van den Hove
108 8