Zoeken

Hetty's Trofee.

"Marco...niet doen..." Schreeuwde Hetty. Bijna beet ze in haar tong terwijl zijn lid in haar binnendrong. Verdedigen was zinloos maar ze deed het wel, tevergeefs, terwijl rake klappen op haar inbeukten maar haar niet echt konden raken. De woorden die hij haar toeschreeuwde gingen aan haar voorbij. "Vuile hoer, je bent nog harder om te nemen dan je broertje en je kutmoeder..."   Lachend, terwijl Hetty de pijn trotseerde, trok hij haar bij de haren richtng het bed aan de andere kant van de grauwe halfdonkere kamer met vergeeld papier geplakt in jaren zeventig stijl. Geboeid op het bed kroop hij hijgend op haar gebroken lichaam en beukte met een dierlijke drift op haar in. Hij pompte hijgend op haar in terwijl haar vagina bloedde. Haar ziel bloedde van de pijn.   Een passant begon op haar te schelden toen bijna over haar was gestruikeld. Hij verweet de gedaante onder de lappen deken toe en maande haar aan om werk te zoeken en iets over een leven opbouwen of, zo.   Terwijl ze halfslapend uit haar droom werd getrapt trachtte ze de woorden tot haar te laten komen. Ze rochelde en spuugde het slijm in de richting van de man die zich snel uit de voeten maakte.    De koude winter had haar smalle frele lippen met kloven bezet. De aders op haar ingevallen gelaat meanderden als uitgedroogde beddingen.  Ze braakte. Net als welleer. De tel der jaren waren lang verlvlogen samen met haar perzikhuid en haar mooie gekamde haren.  Enkel de pijn was gebleven. Zelfs de spuit had ze niet kunnen verzachten.   Bevend van de koorts en de roep van de naald probeerde ze de plastiek wegwerpspuit op te rapen. Ze prikte de naald in de venen waar nog plaats was overgebleven en stond op. Ze wankelde.   Terwijl haar zwakke hart het begaf zeeg ze neer. Als in vertraagde film zag ze, terwijl haar laatste zuchtje leven in de vrieskou vernevelde, het beeld van haar Sater. Verrast door de uithaal van het mes. Zijn stijve lid als trofee voor een onmenselijke toekomst in de goten van de stad in haar hand. Terwijl het bloed uit de wonde spoot en het leven langzaam uit hem wegvloeide. Voor het laatst toverde zich toen een lach rond haar volle rode lippen.   Zacht liet ze zich wegglijden.   Een leven op dun ijs gebroken.         "

Thomas Haghenbeek
0 0

verdikte tijd

Die dag op de trein tikte de tijd tergend traag voorbij. Er was geen rood sein, geen technisch probleem, geen mensen op het spoor of geen andere trein die voorrang moest krijgen en dus stiefelden we aan een gestaag tempo richting Brussel. Ik zag lege wasdraden en argeloos achtergelaten driewielers, een man in boxershort die lusteloos in zijn ballen dabde, een verzameling van afgedankte frigo’s en wasmachines waar kippen tussen scharrelden, verveelde koeien die onbegrijpend naar me terug staarden. En toch, terwijl de achterkant van het leven als een woeste rivier aan m’n ogen voorbij raasde, verdikte de tijd in de trein tot honing die maar niet van je lepel wil vallen.    Het gebeurde in het vorige station. Een menigte druilerige pendelaars verdrong zich voor de deur, maar niemand van hen kon voorbij aan de immense, zweterige vetklomp die zich als eerste in de wagon neer plofte, naast mij. Als op commando gingen de haren op mijn armen overeind staan.  Ze doorbraken eensgezind en zonder aarzelen de millimeter afstand tussen zijn arm -bloot, donker behaard en bezweet - en de mijne. Schielijk trok ik mijn arm terug en krabde in mijn haar. Daarbij probeerde ik subtiel ook mijn oor te bedekken, om toch maar die zware, hijgende ademhaling niet te moeten horen. De kolos boog zich voorover en opende daarbij zijn benen om ruimte te geven aan zijn pens. Ik wilde elk mogelijk lichaamscontact vermijden, sloeg mijn benen over elkaar en dook verstijfd ineen tegen het raam. Steunend greep hij zijn rugzak en haalde er een van vet doordrongen papieren zak uit. De geur van warme worstenbroodjes die eruit op steeg haalde mijn maag, nog nuchter om kwart over zeven ‘s ochtends, overhoop. Ik dwong mezelf om uit het raam te kijken. Voor het eerst in jaren pendelen vervloekte ik mezelf dat ik geen headset bij had, zodat muziek op zijn minst het geslobber en gesmak uit m’n oren kon verdrijven. Tot twee keer toe verdween de hand opnieuw in de papieren zak. Ik sloot m’n ogen en probeerde me te concentreren op een vluchtplan. Zijn lichaam was echter zo gigantisch in omvang dat ik hem niet zomaar voorbij kon. Het idee hem te moeten aankijken om te vragen of ik er even langs mocht, joeg de rillingen over mijn rug. Ik stelde me varkensoogjes voor, smakkende lippen die glinsteren van het vet, vier kinnen, zweet dat langs zijn slapen naar beneden stroomt. Ik panikeerde bij het idee dat hij niet vóór mij zou afstappen en overwoog de mogelijkheid om desnoods een station verder te reizen. Mijn ene been begon zwaar en dof te tintelen, maar ik kon het andere er niet af nemen zonder de man te raken. Ik verbeet het nu brandende gevoel, overwoog of ik zou afstappen in Brussel Noord, ook als de papzak bleef zitten, of één, desnoods twee haltes verder zou rijden. Hem aanspreken, in zijn gezicht moeten kijken en mogelijk ook moeten aanraken, of nog minstens vijf minuten langer deze kwelling ondergaan?   Ik opende m’n ogen nog voor ik besefte waarom, en werd overweldigd door een plotse invasie van zintuiglijke stimuli. Ik rook een doordringende stank, als van gebakken ui en camembert die te lang in de zon heeft gelegen. Tegelijkertijd zag ik de immense, witgerande zweetvlek die nu vlak voor m’n gezicht zweefde. Ik voelde hoe zijn arm m’n knie raakte in een poging het vettige zakje in het vuilbakje te proppen dat onder het tafeltje hing waar ik me in al mijn afgrijzen aan vastklampte. Pardon, baste de papzak, en daarbij vloog er een restantje van zijn worstenbrood voor me door in de richting van mijn arm die over het tafeltje lag. Met een schok kwam ik overeind. Ik stootte zowel m’n knie als m’n elleboog tegen het tafeltje en kon amper een schreeuw onderdrukken. Pijn schoot door m’n arm en beide benen. Het onder bacteriën en speeksel bedolven stukje vermalen vlees en dierlijk vet dat net zijn grote vraatzuchtige mond verlaten had, belandde op mijn arm, net onder mijn pols. Vol afgrijzen hield ik m’n arm voor me uit en hoewel mijn jas me gelukkig gered had van direct contact met het minuscule, half vermalen etensrestje, voelde ik m’n pols gloeien. Mijn obese buur zat inmiddels terug recht. Hij haalde luidruchtig zwoegend adem, alsof hij zonet een marathon gelopen had onder de Griekse zon in plaats van enkel zijn arm uit te steken naar een vuilbakje. Ik wilde een zakdoekje nemen om m’n mouw proper te vegen, maar mijn rugzak onder mijn zitje was net buiten bereik. Ik strekte mijn arm al uit, maar besefte dat ik zodanig veel opzij moest buigen dat ik niet anders kon dan de dikzak met mijn schouder te raken in zijn derde buikkwab. Bovendien zou mijn neus even ter hoogte van zijn meurende oksel blijven hangen, dus zag ik maar snel van dat idee af. Stiekem veegde ik het voedselrestje aan de zijkant van het zitje voor mij en nam me voor om mijn jasje vanavond onmiddellijk in de wasmachine te steken.    Ik keerde me terug naar het raam en met m’n ellebogen op het tafeltje en mijn vingers nu ostentatief in mijn oren keek ik door zijn weerspiegeling heen hoe we aankwamen in Vilvoorde. Bijna extatisch registreerde ik ‘s mans aanstalten om uit te stappen. De walm van ui en camembert toen hij z’n arm op de hoofdsteun voor hem legde, het gekreun dat hij uitstiet toen hij zichzelf omhoog probeerde te hijsen. Het hijgen toen hem dat niet lukte, de scheet die aan hem ontsnapte bij de tweede poging. Eindelijk stond hij daar, in al zijn logheid, en voor het eerst durfde ik hem aan te kijken. Hij nam zijn rugzak en draaide zich om om uit te stappen, zijn met pukkels bedekte bouwvakkersreet liet hij me na als onvergetelijk adieu.  

Hilde Christens
59 2

brief met voetafdruk

Mijn dochter had zich aan het einde van de zomer  tot een klimaatbetoger ontpopt. Naar het voorbeeld van Greta Thunberg, haar tieneridool uit Zweden, spijbelde ze om naar het groene front te trekken.   Ze zou volharden tot de planeet gered was.   “Skolstrejk för klimatet” verfde ze in pekzwarte letters  op straat, net voor de oprit van haar leerkracht chemie,  een verdachte man waaraan ze de pest had, omdat hij naar verluid belangen had in een farmaciebedrijf dat in opspraak kwam voor misbruik van laboratoriumratten. Er verschenen berichten op de sociale media om de schooltas thuis te laten en Brussel te bestoken met hun onstuitbare jeugd. Brossen voor de bossen!  Meegesleept door haar geestdrift moedigde ik haar  met een vette knipoog aan tot een staatsgreep. Ze overtuigde haar moeder om haar wekelijkse steak au poivre te vervangen door tofu.     Toen we een vlucht planden naar Zuid-Afrika steigerde ze.   ‘Weet je hoeveel een straalmotor per jaar uitstoot en wat de voetafdruk is van een vliegtuigpassagier?’ ‘Houd jij de statistieken bij?’  vroeg ik haar.  Vroeger zou ik me geërgerd hebben aan de opgedrongen moraal. Maar ergens kon ze me overtuigen van een gedeelde schuld, sinds de hoogovens en koeltorens als paddestoelen uit de grond rezen. Elke maatregel komt te laat, zei de cynicus in me, maar ze had me ingepakt met haar overgave, dat wilde verzet dat ik herkende van toen ik als tiener tegen kernwapens betoogde.  Daarom traden we in haar voetsporen. Die zomer zouden we een klein hotel boeken aan de Semois en de trein nemen. ‘We kunnen ook met de fiets naar de Westhoek?’ zei ik, om er een schep bovenop te doen.   De voetafdruk van een treinreis in het binnenland was nog net aanvaardbaar voor Lies. Ze begon zich meer en meer te vereenzelvigen met haar idool die in Zweden was uitgeroepen tot ‘vrouw van het jaar’ en getipt werd voor de Nobelprijs van de vrede.   ‘Wist je dat Greta aan Asperger lijdt? zei ik, in een poging om een menselijker portret van haar boegbeeld op te hangen. ‘Asperger is een gave, geen stoornis’ zei ze.   Opnieuw stond ik schaakmat, de mond gesnoerd. Ik bewonderde haar zelfvertrouwen. Voor haar was het oordeel klaar, dat alle grote heren die de klimaatakkoorden hebben getekend een preek verdienen, dat ze evenveel valse beloften uitstoten dan broeikasgas. ‘Ze stelen de toekomst van hun kinderen’ zei ze als een boze grootmoeder. In maart streek een zwerm van betogers neer in Brussel, versterkt door een deel leerkrachten. Ik las hun slogans. ‘De dino’s zagen de komeet niet aankomen. Wat is ons excuus?!’ ‘Is the moon our plan B?’ ‘My boobs are huge but so is my concern for global warming’ Nog diezelfde maand reisde een energieminister met een privéjet naar de klimaattop en stemde ons land tegen.   De aanhang groeide. Naast de prins ook een leger wetenschappers, ambtenaren op rust, leerkrachten biologie, kunstgeschiedenis en maatschappelijke oriëntatie, verstokte hippies, yuppies met een baard van drie weken, asbestfabrikanten en veeboeren met gewetensbezwaren. Op een burgerplatform werden alle voorstellen gebundeld. Een minister nam ontslag onder druk en zei dat het protest ‘opgezet spel’ zou zijn. De gele hesjes voegden zich bij de betogers, scheidden zich in de Wetstraat af om te vernielen wat ze konden.  Het verzet ging viraal. Spijbelen werd hip.  De sociale druk steeg  en wie niet meeliep in de mars dreigde vrienden en duimen te verliezen.     De schooldirecteur van Lies voerde de strafstudie in  maar dat was olie op het vuur. Leerlingen wentelden zich nog meer in de loopgraven. ‘Stompzinnige straf.’ zei Lies, zeker van haar zaak. De morele balans was positief. Ik liet haar van school veranderen en zond in haar naam een pittige ontslagbrief, waarin ik haar argumenten aanhaalde.  ‘Ik wil er iets aan toevoegen’ zei ze.  Ze nam een blanco blad uit een lade en zette er een vuile schoen op.                         

Wim V
6 2

Ik geloof dat ik van je hou, misschien

(Deze brievennovelle is in zijn geheel verschenen in Gierik NVT, 35ste jaargang, nummer 135 en op de website van Gierik NVT -- hieronder slechts het eerste hoofdstuk:)   Ik dacht dat de gênantheid van schrijven iets universeels was. Iedereen die ooit op school een opstel heeft moeten voorlezen weet hoe het voelt door de grond te willen zakken. […] Maar waarom? Omdat schrijven een kijkje in het hoofd van de schrijver biedt, dus iets intiems is? […] Het ligt […] niet aan de taal, maar aan het opschrijven op zich. Aan de poging de vluchtigheid op te heffen. […] het gênante van het schrijven komt voort uit de gênantheid van het leven zelf.   (Juli Zeh, Briefroman)                                                                 Ravels, 17 november 2014   Geachte heer Verhulst, Beste Dimitri,   Soms denk ik: ik gooi die laptop door het venster. Ik kap ermee, ik doe het niet meer, de muze kan de pot op. Ik haat het dat het mij niet lukt om gebeurtenissen neer te pennen, zo van en toen dit en toen dat. Uit wanhoop probeer ik dan om mijn medemens te observeren, u weet wel, op de bus enzo. Maar eerlijk, ik zie er de zin niet van in. Dan zit je je daar passief te bemoeien met andermans zaken, bijvoorbeeld zo’n oude man die voor zich uitstaart in de bus en het jonge meisje dat niet naast hem gaat zitten en dan zou je moeten weten wat er in haar omgaat. Wie weet heeft ze oudemannenangst, misschien wil ze wel staan omdat ze er de volgende halte alweer uit moet. Weet ik veel. Ik kan het al zeker niet verzinnen.     Voor het raam van de bibliotheekzaal waar ik doorgaans schrijf, staat een boom. De vogels vliegen in en uit, soms valt het avondrood heel mooi en droom ik weg bij de oranjeroze slierten en het geruis van het gebladerte. Dan hoor ik bijna, bijna, het verhaal opdoemen waar ik al zo lang op wacht. Ziet u, ik zou willen zijn zoals u en boeken schrijven die op leeslijsten voor middelbare scholen komen, beroemde boeken die prijzen winnen, en dan wil ik interviews geven, net als u, waarin ik welbespraakt en bedaard antwoord op de vragen. Maar ik wil niet schrijven over de vrouw aan de kassa van de supermarkt die al haar koperen muntjes een voor een moet uittellen. Je ziet dat ze geen geld heeft, je ziet haar rimpels en haar versleten jas. Wat moet je daarmee, je schrijft toch geen sentimenteel gedoe?    Ik wacht. Maanden nu al, en er komt niets. Weet u, het meest briljante dat aan mijn wil-graag-kan-niet-brein ontsproot, was een ode aan de buschauffeur. Dat hij zo’n mooie blauwe ogen had en van mijn leven elke dag een feest maakte voor de vijftien minuten dat ik met hem mocht meerijden. Puberaal, sentimenteel gedoe, de illusies van een veertienjarige met een ingebeelde liefde.   Vlak voor ik in slaap val, verschijnen er soms beelden. Over een vampiervrouw die duizenden jaren wacht om haar grote liefde haar vergiffenis te schenken. Ze houdt daar leegte aan over, dat spreekt vanzelf. Of ik zie een flard van een man, ineengestuikt op de keukenvloer. Hij ligt er al een paar uren, te kijken naar de korrelige structuur van het tegelvoegsel, hij vraagt zich af hoe het nu verder moet, of hij zal opstaan. Is dit het begin van het einde? Zal hij hier sterven, tussen de formica kastjes, omringd door de geur van rottende etensresten? Dweperij. Pathetische fantasieën voor mensen die de werkelijkheid niet interessant genoeg vinden. Die beelden zeggen dan ook nog eens genoeg op zichzelf. Wat kan een schrijver daar nu nog aan toevoegen?     En waarom? Waarom een vrouw eeuwen in wanhoop laten rondwaren als de oudjes met spijt in het hart gewoon bij elkaar te rapen zijn in het eerste het beste rusthuis? Waarom het leven uit een man op zijn vloertegels laten sijpelen als de halve Westerse wereld aan de antidepressiva zit? Wat heeft het voor nut om te schrijven als buiten de bib het ware leven wacht?    En toen bleek een paar weken geleden dat u naar mijn dorp zou komen. Zoiets houdt mij wakker, uren soms. Want ik lees ze allemaal, uw boeken, en ik zie wat u doet, waar uw ambacht een motief maakt van een verwaarloosde hond wier puppy’s verzopen moeten worden, hoe de eindes van uw hoofdstukken teruggrijpen naar het begin en hoe het laatste hoofdstuk alles samenbrengt en ik vraag me af hoe u dat doet. Waarom kan u verhalen vertellen over moeders die hun kinderen niet willen hebben en wordt het toch niet sentimenteel? Waarom lijken de werelden die u schept zoveel op de echte en zijn ze toch niet banaal? Nijdig word ik ervan, bijna zou ik uw boeken bij het oud papier zetten. Toch bent u gewoon een man, natuurlijk. Zoals ik gewoon een vrouw. Daarom besloot ik naar uw lezing te komen, mijnheer Verhulst. Ik wou u zien zitten, staan, ik wou u horen spreken, ik wou weten of u een écht mens bent met warm bloed dat door uw aders klopt. En ik wou uw nieuwe boek laten signeren.     Ziet u, ik heb al meer dan een jaar niet meer gevreeën. Heel cliché allemaal, de echtgenoot werd verliefd op een ander. Dus ik doe het tegenwoordig met mezelf. Na een tijdje kan een mens daar al eens gek van gaan doen. Dan ga je brieven schrijven aan je idolen, want die affectie moet toch ergens heen, nietwaar? Of dan ga je plots naar literaire lezingen, met prachtige voornemens en de moed der wanhoop. Ik zou op u afstappen na het programma en u vertellen waarom uw boeken mij keer op keer zo gelukkig hebben gemaakt. En dat zou ik dan heel welbespraakt doen, want het is toch zonneklaar dat je niet gewoon een boek in de handen van zijn maker kan duwen om dan schaapachtig op zijn handtekening te staan wachten. Helaas is het anders gelopen.   Netjes wachtend in de rij bedacht ik me dat ik een klinkende volzin klaar moest hebben. Ik bedacht ook dat de volzin kort moest zijn. En bijzonder. Wat kon ik zeggen? Waarschijnlijk hoort u elke dag hoe briljant mensen uw werk vinden, recensenten schrijven dat u een sterk stilist bent die alle registers van de taal beheerst. Waarschijnlijk spreken moeders en lotgenoten u aan om u te vertellen welke emoties u bij hen losweekt. Wat kon ik u vertellen dat u nog niet eerder had gehoord? Maar het was al te laat. Met een stuntelig alsjeblieft en een verwrongen glimlach heb ik u het boek in handen gegeven. Mijn naam kreeg ik nog net gezegd. Dus het is wel duidelijk. Ik kon nog geeneens twee zinnen bedenken om tegen u te zeggen, en dat pretendeert dan schrijfster te zijn. Jawel, u bent een man en ik ben een vrouw. U eet, u doucht, u schijt, net als ik. Maar hetzelfde zijn wij niet. Het is niet eerlijk, echt niet.   Met vriendelijke groeten   Julie Timmermans

Erica M.G. Smits
0 0

Hiervandaan

(verschenen in Gierik NVT,  35ste jaargang, winternummer 137)   Sofie zit aan het stuur en ze rijden samen naar haar afscheidsfeest. Ze vertrekt naar Amerika om daar voor een ngo te gaan werken, al haar ambities om de wereld te redden onder de arm. Hij wil niet naar het feestje, want soms wil een mens gewoon dat een ander verdwijnt zonder dat dat nog eens hardop gezegd moet worden, maar daar zwijgt hij over. Hij heeft zelfs het cadeau samengesteld, heeft whatsappberichtjes naar collega’s gestuurd terwijl hij het jaar daarvoor nog niet eens een smartphone had. Of de collega’s wilden bijleggen, en of ze nog een idee hadden wat Sofie leuk zou vinden. Straks zou ze lachen en haar neus zou opkrullen: ach lieverd toch, zou ze zeggen, speciaal voor mij zo’n irritante smartphone gebruikt, da’s echt lief van je. Toen hij nog een gewone gsm had, had hij wel door dat ze stiekem een beetje trots was op haar rol als boodschapper tussen hem, de lieve oude man, en hun jongere collega’s die voortdurend vrijdagavondborrels regelden op die schermpjes van hun. Dan kwam ze aangehuppeld, een en al stralende zon en ondeugendheid en gespeelde bezorgdheid. Arme man, jij hebt geen smartphone, zei ze dan, dus ik zal het je maar vertellen: om vijf uur zijn we d’r allemaal. En hij erheen op dat tijdstip, al was het maar om het zoveelste drama met een van haar weekendliefdes te aanhoren. Dat afscheidsfeestje kan hem aan zijn reet roesten. Hij wil niet kijken hoe ze zijn cadeau openmaakt, hoe ze zal lachen en dankjewel zeggen, en verder geen tijd zal hebben voor hem. Het zal een druk feestje worden, met al haar vrienden en hun collega’s, en op die plek zal hij niet alsnog zijn liefde aan haar verklaren. Dan blijft hij liever thuis, staren naar een leeg scherm dat hij tenminste nog kan opvullen met imaginaire werelden. Niet dat er tussen hen een verhaal te rapen valt. Iedereen kan schrijven over verkeerd verliefd worden. Hij vindt ook niet dat, pakweg in vergelijking met Romeo en Julia of Tristan en Isolde, de redenen voor hun scheiding dramatisch genoeg zijn. Eerder zielig, eigenlijk. Hij is meer dan twintig jaar ouder dan zij, heeft volwassen kinderen die haar jongere broers zouden kunnen zijn. Zij is jong en mooi, met hippe kleren en grote ogen, en ze staat voortdurend in de startblokken om de wereld te redden. Ze wil ook nog kinderen, maar niet nu. Ooit nog een keer, in een wereld die nu nog niet bestaat, wanneer ze klaar is om in een ligbed naast een zwembad vol krijsende kinderen te hangen op een of andere Zuid-Franse camping. Dat heeft ze hem verteld op een van hun vrijdagavonden en ze keek erbij alsof Franse campings haar idee van de hel waren. Hij krijgt een kleinkind ergens de volgende maand. De gynaecologe heeft tegen zijn oudste zoon gezegd het koffertje voor het ziekenhuis al maar in de auto te zetten. Zijn schoondochter heeft hem stralend aangekeken. Opa’s, daar schrijft niemand een tragisch gescheiden-geliefdenverhaal over. Hij voelt zich eenzaam en belachelijk wanneer hij het toch probeert. Soms vraagt hij zich af hoe het zover is gekomen. Hij zou kunnen beweren dat ze hem heeft verleid, maar de waarheid is zoals een koude winterochtend waarop je fiets een lekke band heeft en er ijsbloemen staan op alle ramen van je auto: hard en onverbiddelijk. Zij hoort niet bij hem, net zomin als tropische eilanden op reclameborden. Die zijn ook mooi, en die heeft hij ook nog nooit bezocht. Hij probeert niet naar haar te staren terwijl ze hem uit de doeken doet met wie hij allemaal kan babbelen op het feest. Ze noemt haar moeder, haar ooms en tantes, wie ze zijn en wat ze doen. Dat doet vaag pijn, op een onbestemde plaats. Ze draagt een zwarte jurk, met lange mouwen zoals het hoort in de winter, en donkere kousen in hoge laarzen. Ze draagt die jurk alsof het een gewone winteroutfit is zonder beoogd effect. Misschien is dat ook wel zo. Zoiets kan zij met de nonchalance waarmee een ander haar aardappels schilt. Hij kijkt naar de grijze overtrokken lucht, de stoplichten van de auto voor hen die telkens remt en weer versnelt. Haar benen zijn lichtjes opengevallen en haar jurk zit nu hoger dan net, toen ze breed lachend met haar warme bruine ogen op hem afstapte. Kom hier, zei ze, ik ben zo blij dat je meekomt, en toen drukte ze hem stevig tegen zich aan. Haar borsten drukten tegen zijn maag. Ze duwt op het gaspedaal, hij ziet hoe haar dij zich opspant. Hij aarzelt even of hij zijn hand daar zal leggen als een type uit een James Bondfilm, of hij met zijn duim een cirkel zal draaien op haar strakgespannen huid, of hij het voor elkaar krijgt om een verleidelijke blik op zijn gezicht te toveren. Ongeduldig vraagt ze of hij nog iets wil eten – blijkbaar heeft ze die vraag al een keer gesteld -- en het moment is voorbij. Ja, zegt hij, en of ze tijd hebben voor iets warms, want hij weet dat ze tegenover hem zal zitten en zal genieten met glanzend vet op haar lippen. Thuis heeft hij niks gegeten. Geen honger, zei hij tegen zijn vrouw. Hij heeft eigenlijk nog altijd geen honger, maar hij zit liever met Sofie ergens in een snackbar dan op een feest waar hij toch met niemand wil praten. Hij wil haar vertellen dat hij de hele dag op pad is geweest om haar cadeau samen te stellen, dat hij er een how-to-tweet-gids heeft bijgestoken zodat ze zeker het contact met het thuisfront onderhoudt, maar hij zwijgt en vraagt zich af of ze dat idee eigenlijk wel grappig zal vinden. Wie weet vraagt ze wel of Yvonne mee gaan kiezen is, en hij durft haar niet te zeggen dat hij zijn vrouw een halve dag alleen heeft thuisgelaten om alle spullen voor haar cadeau te halen. Sinds Yvonne in een rolstoel zit, is het gewoon eenvoudiger dat hij zoiets alleen doet, maar een halve dag is wel lang. Voor Yvonne dan, want voor hem is de tijd voorbijgevlogen. Heel even is de knoop in zijn maag verdwenen die er al was sinds de dag dat de dokter hen het slechte nieuws had gegeven: Yvonne zou ook na de revalidatie nooit meer kunnen lopen. Soms, ’s ochtends terwijl hij haar aankleedt, wordt hij overmand door donkere gedachten. Dat ze dood zou gaan als hij haar gewoon in bed liet liggen. Dat ze dat misschien wel zou willen. Hij kan er niet aan ontsnappen, want hoewel hij nooit langer dan noodzakelijk haar papieren huid en haar onwerkelijk dunne benen aan het daglicht blootstelt, wordt hij gedwongen haar te zien zoals ze daar ligt: een naakt, gekwetst vogeltje dat aan huis gekluisterd is. Op die momenten kijkt hij weg en probeert hij te denken aan zíjn Yvonne, dan wil hij denken aan de Yvonne van dertig jaar geleden in een dun zomerjurkje dat iets te strak rond haar heupen zat, de Yvonne die hem heeft onderhouden terwijl hij aan zijn eerste dichtbundel werkte. Er liggen nog altijd exemplaren van op zolder. Zoiets kan hij zelfs aan Sofie niet vertellen, en zij weet dat hij af en toe naar de hoeren gaat. Ze begrijpt dat hij het mist om te vrijen met iemand van wie hij houdt. Zo’n dingen vertellen zij aan elkaar. Zoals nu, terwijl ze zitten te wachten op hun Bickyburgers, want daar houdt zij van, het soort eten waarna hij een paar weken de koersfiets op moet. ‘Begeerte is dodelijk vermoeiend’, zegt ze, en ze zucht overdreven terwijl ze haar kin in haar hand laat zakken. ‘Je moet er constant een beeld voor in stand houden van de ideale geliefde, die altijd mooi is en altijd sterk.’ Voor hij kan knikken, gaat ze al verder. ‘Of zacht, al naargelang hè, wat je op dat moment nodig hebt. Knap, moedig, zorgzaam, soit, wat je maar nodig hebt, of die arme man of vrouw dat nu echt is of niet. Weet je…’ Ze neemt een gulzige slok van haar cola en moet een druppeltje wegvegen uit haar mondhoek. Wanneer ze zo op dreef is, ziet ze eruit als een meisje dat met de poppen speelt, ook al is ze bijna dertig, en wat ze zegt lijkt niet helemaal te passen bij haar glanzende ogen. ‘… voor begeerte moet een mens dramatisch doen, zo van: die gaat nooit van mij zijn. Want zodra je weet dat het wel zo is, dan kun je niet meer smachten. Je moet ach en wee kunnen zuchten, eenzaam en alleen, ver weg van de persoon die je wil aanraken, en je moet jezelf kunnen wijsmaken dat je al blij zou zijn als je hem of haar alleen maar eens kon vastpakken.’ ‘Maar dat is toch wat verlangen is, of niet soms? Dat je dicht bij iemand wil zijn?’ ‘Niet alleen dicht bij iemand, hè. Toch ook erin. Of errond, ’t hangt ervanaf.’ Ze grijnst. Ze zegt zo’n dingen vaak, ze gaat daar prat op in hun vrijdagavondgesprekken, alsof het haar missie is om de ware motieven van alle geliefden op de planeet bloot te leggen. Maar hij weet nog hoe ze hem vertelde dat ze niet kon slapen in een vreemd bed, naast een vreemde man die ze op een fuif had opgepikt. Ze werd gek van de geluiden die zo’n slapende man maakte, zei ze, maar meer nog van het gevoel van geborgenheid dat ze kreeg onder een warm donsdeken naast een warm lijf, en dat ze niet anders kon dan daar wegvluchten, midden in de nacht weer naar haar eigen huis, waar ze alleen sliep, precies zoals ze dat gewend was. Ze houdt van eten. Ze zegt, oh god, dit is lekker. Ze heeft een kanten bh aan, want het reliëf komt door de stof van haar jurk. Bij elke hap vervaagt haar rode lippenstift, ze sluit haar ogen en kreunt zachtjes – deze vrouw is nooit lang op dieet. In gedachten likt hij de saus van haar mond, zet hij zijn tanden zachtjes in haar onderlip. De tepel die door haar jurk prikt wordt een snoepje om op te zuigen. Zijn vingers klimmen tussen haar dijen omhoog, vinden de rand van haar slipje, openen haar vochtige lippen, glijden naar binnen. Hij zal de bakjes eten en de glazen van tafel duwen, haar erop zetten, haar benen openen en haar likken tot ze hem smeekt haar te neuken. ‘Kom, eet’, zegt ze. ‘Over een halfuur verwachten ze mij.’ Moeten we daar echt heen, wil hij zeggen, maar hij doet het niet. Hij weet eigenlijk niet wanneer het precies gebeurde, maar dat het gebeurd is, staat vast. Ergens onderweg, misschien toen hij te horen kreeg dat hij de rest van zijn leven voor een verlamde vrouw te zorgen had, maar misschien ook al eerder, alsof het er gewoon bij hoorde, alsof iedereen die de avond van zijn leven dichterbij ziet komen hetzelfde lot beschoren is, misschien een paar jaar geleden al, of misschien had hij het altijd al geweten, maar het nooit willen zien – enfin, ergens onderweg, was er een inzicht geweest dat zich naar de voorgrond van zijn gedachten had gewurmd. Dit is het dan, had hij plots geweten. Het quotum was gevuld, al lang geleden, maar nu had hij het pas begrepen. Nooit nog zou hij zijn hand op de boezem van een jonge vrouw leggen en zeker weten dat zij hem net zo begeerde als hij haar. En nog later wilde er zich hardnekkig een andere waarheid aan hem opdringen, maar die drukte hij altijd snel weer weg. Hij zou er de tijd niet meer voor krijgen om iemand te vinden die hem wou, met een vrouw die hem de godganse dag nodig had om haar aan te kleden en papjes te voeren. Die gedachte overvalt hem nu dagelijks, en versteent zijn benen zodat hij zich niet meer kan verroeren en wel moet kijken naar de ribben van Yvonne, die zich door haar dunne huid een weg naar buiten lijken te willen dringen. Op zo’n momenten zou hij iets stuk willen slaan, iemand met zijn blote vuist in het gezicht willen rammen tot zijn vel in flarden van zijn knokkels hangt, en wanneer het gevoel in zijn benen terugkomt, wil hij weglopen, de deur door, de straat uit, de stad uit, het land uit, ergens heen, het maakt niet uit waar, ergens waar er geen mensen zijn, alleen hij en Sofie en zon en ruisend gras en wind, zodat haar zomerjurk opwaait en hij haar benen kan zien terwijl ze op hem afloopt. Hij krijgt gelijk. Op het feest opent ze zijn cadeau. ‘Wie heeft dit bij elkaar gezocht? Nee wacht, ik weet het al!’ Ze glimlacht, er blinken lichtjes in haar ogen. ‘Jij hebt dit gedaan’, zegt ze. ‘Die twittergids ga jij harder nodig hebben dan ik!’ En ze blijft lachen, stoot hem aan met haar elleboog, pakt hem vast en zoent hem op zijn wang. Maar dan komen er meer cadeaus. En mensen. Iedereen zoent haar, ze lacht bij alle verrassingen, ze zwaait naar hem van de andere kant van de zaal, en dan verdwijnt ze tussen de massa, want er is iets waar ze heen moet en er is een wereld die gered moet worden, er is een vrouw die op hem wacht, en ooit moet Sofie nog op een Zuid-Franse camping liggen, aan een zwembad met krijsende kinderen.

Erica M.G. Smits
0 0

Grijze Jos

Grijze Jos leek op een aardappel: hij was bruin en pokdalig. Iedereen noemde hem Grijze Jos, ook onze ouders, en zij deden dat op een toon die een zekere ongerustheid verried telkens ze vroegen of wij hem gezien hadden en wat hij had gezegd.  Er liepen weddenschappen over hoeveel onderbroeken hij eigenlijk bezat, waarbij je kon inzetten op één of méér dan één, hoeveel meer bleef onbepaald.  Jimmy verzamelde de inzet en onthield de score met behulp van een stompje potlood en een rafelige envelop die hij ergens nog uit het oud papier had gevist. Eens per week eisten we dat hij het ingezamelde bedrag nog eens wilde omroepen en de namen voorlezen van degenen die hun bijdrage hadden gedaan. Daarna volgde er gewoonlijk een hevige discussie, want wie ging hier eigenlijk beslissen wie de winnaars waren, en hoe dan wel? Dat Grijze Jos minstens één onderbroek had wisten we doordat hij zich elke dag uitkleedde op het ponton. Dan sprong hij in het water en waste zijn lijf in de put waar wij onze zomers doorbrachten. De jongens sloegen er aanvankelijk geen acht op, maar wij, de meisjes, slaakten kreetjes van verbazing en trokken ongelovige ogen elke keer hij dat vuile, vlekkerige vod na zijn wasbeurt gewoon weer terug aantrok. Nadat hij zorgvuldig zijn sandalen, zijn broek, zijn hemd, en zijn onderbroek in een keurig gevouwen stapeltje naast zijn voeten had gelegd, dook hij als een ware atleet de put in, het water spatte amper op, misschien was hij in een vorig leven nog kunstduiker geweest. Hij waste zijn haren, besteedde daar zeker vijf minuten aan, weliswaar zonder shampoo, om zich vervolgens met evenveel toewijding te bekommeren om de baard die hem zijn bijnaam had geschonken. Zijn oksels, zijn armen, aan al zijn lichaamsdelen wijdde hij de zorg die wij na een dag zwemmen soms niet meer opbrachten; volgens ons was al ons vuil van ons vel geweekt zodra onze vingertoppen gingen rimpelen. En daarna trok hij zijn vieze lor weer aan. Kunstduiker was een even goede gok als alle andere, eigenlijk wist niemand wat Grijze Jos vroeger had gedaan of waar hij vandaan kwam. De wildste verhalen deden de ronde. Het meest angstaanjagende was dat hij in de gvangenis had gezeten. Hij zou een jongen in elkaar geslagen hebben die ’s nachts in zijn houtkot had ingebroken. We lachten het weg en Jimmy beweerde dat het een oudewijvenverhaal was om te zorgen dat wij allemaal braafjes voor het donker naar huis gingen en de mensen met rust lieten. Maar wanneer Grijze Jos onze vaste plek aan de put passeerde, keken we toch liever niet te lang in zijn ogen. Van de godganse dag deden wij daar niks nuttigs behalve leren hoe je dat juist deed, een lief krijgen. Geen kans werd onbenut gelaten in die dagen, sommigen onder ons hadden nog wat inhaalwerk te doen om hun eerste kus te bemachtigen, anderen wilden vooral wat streepjes bijzetten op hun lijst van veroveringen.  Jimmy was hors catégorie, een jonge blonde god met witte tanden die blikkerden in de zon. Zelfs het water dat van zijn lijf gleed wanneer hij zich uit de put en op het ponton duwde, leek eerder uit eerbied dan omwille van de zwaartekracht naar beneden te druppelen. Jimmy was wie al onze jongens wilden zijn en van wie al onze meisjes wilden zijn. Je kon in schoonheid dagen doorbrengen door eenvoudigweg te kijken naar zijn dubbele salto’s. Wanneer hij zwom, blonk de zon op zijn natte lichaam, maar dat deed ze ook op de lichamen van de andere jongens. En toch. De meisjes keken naar Jimmy. Hij zweeg voor niemand, je giechelde wanneer hij zijn vinger nat maakte, op je vel drukte en een sisgeluid nabootste. Van Jimmy werd verwacht dat hij met de oplossing kwam voor het onderbroekenvraagstuk en hoe onwaarschijnlijk het ook leek, ergens twijfelden we er niet aan dat die oplossing er zou komen. De meeste meisjes had hij al gehad, behalve Debby en mezelf. We waren ervan overtuigd dat onze borstgroei, of liever de tergend trage vooruitgang daarvan, de oorzaak was. Soms gingen er geen vijf minuten voorbij voordat een van ons weer naar beneden staarde, in de ijdele hoop dat er nu misschien toch al enige welving te bespeuren viel onder de gefronste stof van ons badpak. Zo gingen uiteindelijk de uren en dagen voorbij, in een traagheid die niet voorkwam in de wereld buiten de omheining rond de put. We hielden wedstrijden bommetje en om ter diepste en maakten ons niet druk over hoe waterproof onze zonnebrandcrème was, als we er al aan gedacht hadden om zoiets überhaupt mee te brengen. We dronken cola en aten chips, de chocoladerepen lagen te smelten in onze rugzakken. Erik at ze op, ’s avonds, en likte het goedje van de wikkel tot hij onder zat van neus tot kin en grijnzend vroeg wie nu hém schoon kwam likken. De gedachte dat we onze jonge lijven niet voor eeuwig zouden hebben en dat er zoiets bestond als calorieën, kwam in ons niet op. De zon scheen altijd, de graskant was van ons, de tijd strekte zich voor ons uit als een rimpelloze vijver. Erik was ros en had scheve tanden en een broer die Rudy heette. Waar Erik was, was Rudy en waar zij waren, was er speeksel. Speeksel en slijmen die met luide rochels uit de diepste regionen van hun slijmkanalen werden opgediept om met een luide plets op de straatstenen terecht te komen. Klodders spuug die deskundig werden vergeleken op kleur, viscositeit en samenstelling. Zeverdraden met een dikke, schuimende druppel aan het uiteinde die om het verste uit hun monden werden neergelaten om daarna in één haal weer opgeslurpt te worden. Brak de draad, dan was je de verliezer. De vorige zomer nog hadden Erik en ik op het bankje van het plein gezeten waarrond onze identieke blokkendooshuizen stonden, urenlang, terwijl hij mij instrueerde in de juiste techniek. De truuk was om je kwijl de juiste dikte te geven, daarom was drinken voor de wedstrijd essentieel maar je moest ermee oppassen. Te veel kon een te vloeibaar resultaat veroorzaken. Dat kon je testen door de klodder eerst door een spleet tussen je tanden te drukken, en daarbij trok Erik zijn sproeterige bovenlip op en toonde mij de spuug die inderdaad met precies de juiste plakkerigheid tussen zijn twee merkwaardig geplaatste snijtanden tevoorschijn kwam. Dat deden we nu niet meer. In plaats daarvan schudde hij zijn natte haren uit op mijn zonverhitte lijf of duwde me van het ponton. Vergeefs waren mijn pogingen hem mijn lot te laten delen, Erik was gegroeid en nu letterlijk kop en schouders groter dan ik. Ook al was Erik mager en bleek, in de zomers rood en verveld in plaats van bruin, kon je met zijn haren een smirnatapijt weven en waren zijn tanden als om fietsen tussen  te parkeren, ook al staarde ik naar Jimmy en zijn gouden vel, toch was het uiteindelijk Erik die mij leerde zoenen. Lang voordat de eerste broek werd opengeritst of de eerste borst werd betast, leerde hij mij ook dat een vrouwenlichaam meer erogene zones heeft dan enkel die twee. Daartoe had hij enkel zijn handen onder mijn t-shirtje te steken en mijn rug te staan strelen terwijl onze middels op indrukwekkende wijze van elkaar verwijderd bleven. Mocht zelfbeheersing een Olympische discipline zijn geweest, de medaille was voor hem, de hele zomer lang. En dat hij die sport met mij beoefende, hadden wij te danken aan Grijze Jos, zijn onderbroeken en zijn houtkot. Grijze Jos woonde langs de grindweg die naar de put leidde en langs de snelweg liep. De luiken aan zijn ramen waren gammel gevreten door houtwormen en konden nog amper doen waarvoor ze dienden in de  zomer: de zon buitenhouden. Af en toe zag je hem op een stoel voor zijn deur zitten en dan duwden wij plots iets steviger op onze fietspedalen dan de kilometers daarvoor of daarna. Naast zijn tuintje en zijn houtkot waren er maïsvelden opgedoken die zich in de loop der jaren enkel leken te vermenigvuldigen en aangezien Grijze Jos zijn boerderijtje niet bepaald onderhield volgens de moderne normen, leek het meer dan waarschijnlijk dat het na zijn dood zou worden platgeslagen om plaats te maken voor nog meer maïs. Jimmy riep de vergadering bijeen die ons uiteindelijk tot in het huis van Grijze Jos zou brengen. Hij was ook niet dom en besefte dat hij niet tot het einde der dagen met ons geld in een oude envelop kon blijven rondlopen, de winnaars hadden hun rechten en moesten uitbetaald worden. Bovendien had hij schrik van een pak slaag. Immers hielden wij niet van bedriegers, en al zeker niet van lafaards die weddenschappen begonnen die ze niet van plan waren af te maken. Dus floot hij op zijn vingers en gebaarde dat we rond hem moesten gaan zitten. ‘Het gaat over die weddenschap.’ ‘Dat werd tijd!’ Jimmy wierp de spreker van die uitroep, Erik, een ijzige blik toe. Erik zweeg. ‘In de pot zit 350 frank. Vier mensen hebben gezegd dat Grijze Jos maar één onderbroek heeft. Drie mensen hebben gezegd dat hij er meer dan één heeft.’ ‘Vertel eens iets nieuws, anders.’ Jimmy stapte op me af en ging op zijn hurken voor mij zitten. ‘Daar gaat het ook niet over, Laura meiske.’ Uitdagend keek hij rond. ‘Ik heb een plan.’ Het was één van de heetste dagen van die zomer en dat leek Jimmy tot de waanzin te hebben gedreven. Uiteindelijk bleek zijn plan van een eenvoud die je misschien briljant zou kunnen noemen, maar misschien ook wel volslagen getikt. Was hij misschien uit wanhoop tot deze strategie gekomen, bang dat wij anders zijn deel voor ons zouden opeisen voor geleden schade? Hij stak meteen zijn handen in de lucht met een kalmerend gebaar, tuitte zijn lippen die er zonder mankeren altijd uitzagen als de glanzende aardbeisnoepjes in de bakken van de plaatselijke supermarkt, en maande ons ook met woorden tot kalmte aan, zijn plan kon niet mislukken. Als we allemaal meewerkten. En kalm bleven. En het gerief meebrachten dat we moesten meebrengen. Die drie samen vormden wel erg veel voorwaarden waardoor alles faliekant kon aflopen. (to be continued)

Erica M.G. Smits
2 0

Hoofdrol

Er was eens een wc-rol genaamd Scotty die de hoofdrol wou spelen in een schijtfilm. Het was niet de eerste keer dat hij zich voor zo'n film kandidaat stelde. Maar voorlopig bleef de doorbraak uit. 'Er zit een geurtje aan de selectieprocedure.', had hij eens gezegd tegen zijn agent. Door alle afwijzingen die hij te verduren kreeg, was hij van pure miserie fel vermagerd. Laagje per laagje verloor hij aan zelfvertrouwen. Gelukkig had Scotty een dikke huid, anders had hij de filmindustrie al jaren geleden ingeruild voor een supermarktketen, waar hij waarschijnlijk wél op het bovenste schap zou liggen. Maar Scotty was een volhouder met een missie: de Golden Drop winnen als beste wc-rol in een film. Hij wilde beroemde konten vegen zoals zijn illustere voorgangers die onvergetelijke rollen speelden in geweldige schijtfilms als Dumb & Dumber, American Pie, There's Something About Mary en The Big Lebowski (waar wc-rol Lotus speciaal voor zijn rol vel over karton was). Maar je moet klein durven beginnen, dacht Scotty, die niet te beroerd was om een rol aan te nemen in een b-film. Uiteindelijk had hij meer kans dat er in de undergroundscene een schijtfilm zou gemaakt worden. Scotty had wel een probleem in zijn queeste naar eeuwige roem. Zijn vel was bedrukt met hartjes en hij geurde naar roosjes. De filmindustrie – en de meeste acteurs en actrices – waren meer te vinden voor geurloze, onbedrukte toiletrollen. Toch leek het Scotty een kwestie van tijd eer een superster een wc-rol zoals hij op zijn of haar wishlist zou zetten. En dan was hij vertrokken. Zijn uniciteit in de filmbusiness zou zijn sterkte blijken. Daar was hij heilig van overtuigd. Hij werd beloond voor zijn geduld en vastberadenheid toen zijn agent op een druilerige dag in Los Angeles heugelijk nieuws had. 'Scotty!''Ja?''Je mag meedoen aan de audities van de nieuwste Bondfilm!''Shit! Serieus?''Yep, het zou een geweldige schijtfilm zijn.''Wow. Speelt Daniel Craig nog steeds James Bond?''Yep. Er komen gouden tijden aan makker. We worden morgen op de set verwacht.' Scotty voelde zich gelukkiger dan ooit. Hij blonk zijn hartjes op en spoot nog wat rozengeur op zijn zachte huid. The smell of success, dacht hij. Hij voelde tot in het diepst van zijn vezels dat hij op het punt stond beroemd te worden. Hij keek naar de badkamerkast en wist exact waar hij de Golden Drop zou zetten. Vierentwintig uur later hing hij aan een gouden hanger in een fancy hotelkamer toen James Bond op de pot ging zitten. Scotty voelde geen camera's op hem gericht, maar hij was allang blij dat hij hier mocht hangen. En hij hing hoe hij het liefst hing, rollend met de wijzers van de klok. Dit was zonder twijfel het spannendste moment uit zijn leven. Toen de regisseur 'Actie!' riep, begon Bond zijn gevoeg te doen. Scotty zag hem even schudden met zijn gespierde poep en dacht: shaken, not stirred. De superster begon te rollen aan Scotty en nam maar liefst vijf blaadjes die hij op elkaar vouwde. Met mijn vel moet twee volstaan, wist Scotty, maar hij had al opgevangen dat filmsterren graag leven in overdaad. 'Cut!', riep de regisseur. En dus werd een nieuwe take opgenomen, met dat verschil natuurlijk dat Daniel Craig nu deed alsof hij moest kakken. Weer nam hij vijf velletjes. En dat voor een poep die al proper is! Scotty voelde zich verkwist. En zo ging het door, cut na cut, tot er van Scotty niets meer overbleef dan een lege rol. En zo voelde hij zich ook. Hij werd door de propsmaster in een vuilbak gesmeten waar hij terechtkwam tussen een hoop andere mislukte wc-rollen. Er hing een schrale rozengeur van gemiste kansen. Nu restte Scotty en de andere wc-rollen niets meer dan wachten tot ze vermalen zouden worden in een papierverwerkingsbedrijf. Na een slapeloze nacht waarin hij woelde en rolde, ging plots het deksel van de vuilbak open. Hij zag een man speuren die duidelijk naar iets specifiek op zoek was. Op zijn T-shirt stond cleaning services geschreven. Hij haalde de vuilniszak uit de bak, plofte hem neer en haalde er dan met zijn blauwe, doorschijnende handschoentjes de ene na de andere wc-rol uit. Scotty en zijn lotgenoten werden overgeladen in een kleiner plastic zakje dat vervolgens werd dichtgeknoopt. Hij was op van de stress. Wat stond er hem te gebeuren? Toen hij even later in een bestelwagen zat, kon hij alleen maar raden waar hij samen met de andere toiletrollen gedumpt zou worden. Na een uurtje schoof de deur van de bestelwagen open waardoor Scotty plots verblind werd door het felle zonlicht. Hij hoorde in de verte twee kindjes 'Daddy! Daddy!' roepen. De oudste van de twee meisjes ritste het zakje uit de man zijn handen, liep ermee naar de woonkamer en scheurde het gretig open. Scotty en de andere rollen tuimelden op de vloer. Grijpgrage handjes namen Scotty mee naar een kindertafeltje, waar hij tussen verfborstels en ander knutselgerei terechtkwam. Vrijwel meteen werd hij onder handen genomen voor een complete, ongewilde make-over. Ook enkele andere rollen ondergingen een wonderbaarlijke metamorfose. Toen het jongste meisje Scotty trots de lucht in stak om aan haar vader te tonen, zag hij in de spiegel van de woonkamer dat hij de Superman onder de wc-rollen was geworden. Met de S van Scotty op zijn buik geschilderd! Hij kreeg een plaatsje op de wandkast tussen enkele andere rollen, maar hij was dé ster. Hij had zijn hoofdrol te pakken en hij leefde nog lang en gelukkig.*   *tot de hond des huizes hem te pakken kreeg, in het toilet dropte en de poetsman besloot Scotty door te spoelen.

Antony Samson
34 0

pffffaddderrrr

De misselijkheid bepaalt mijn leven nu ongeveer drie weken. Misschien vier. In het begin tel je niet zo goed, vandaar wellicht mijn verwarring over het begin van de periode van misselijkheid. De misselijkheid belet me eender wat te doen. Zo lig ik al drie (of vier) weken op bed. Ik check mijn Facebook, ik kijk op Instagram. Kijk of er nieuwe mails zijn binnengekomen. Ja, ik heb nooit eerder mijn e-mailbox zo goed op orde gehad als in de afgelopen weken. Ik kijk vooral veel films. Soms illegaal, maar meestal niet, want als nu ook nog mijn computer crasht, ben ik feitelijk zo goed als verloren. ‘t Is momenteel het weidse internet dat mijn enige uitzicht bepaald.   _____________________   Daarnet loog ik. Ik weet wel wanneer de misselijkheid is begonnen. Precies de datum herinner ik me zelfs. Ik kwam thuis om te eten. Had me bijna bedacht, maar ging toch maar thuis eten. Mijn vader zat over mij aan tafel. Hij ontleedde een vis. Zijn blote, harige buik hing er verslagen bij. Hij zag mij kijken en zocht mijn blik. Zijn ogen waren getroubleerd, rooddoorlopen.   Hij complimenteerde mijn bloes. Schepte extra op van het eten dat mijn zus had gemaakt. Stelde mijn broer gerust over het werk waar hij een paar dagen later zou beginnen. Zijn handen trilden terwijl hij alle liefde die hij in zich had rondspuidde.   ((Ik keek in zijn ogen. Nee, alsof ik in mijn eigen ogen keek)).   Nooit eerder had ik hem zo gezien. Zijn ogen staarden mij aan als droeve, een beetje onbeholpen hondenogen.   Hij, de man die ik vaak zo gehaat had, die mij pijn had gedaan, met wie ik altijd zwoer niks meer te maken wilde hebben vanaf ik genoeg geld had om het huis te verlaten, Hij was nu plots een droeve man. De vijand stuikte voor mijn ogen ineen. De houten man stond in brand. Het ijzer smolt weg.   Ik was bits en at snel.   Later, alleen in mijn kamer, stelde ik mij voor hoe hij nu vertrok naar zijn vergadering. Onbeholpen (opnieuw), en eeuwig alleen, zoals hij altijd was en altijd zou zijn. Dat hij het altijd is.   Ik stelde mij ineens voor dat hij, met zijn bloeddoorlopen ogen, onderweg zou sterven. Ik was in paniek: deze mens mocht NIET sterven. Nooit zo. ((De simpele reden was dat ik dan ook zou sterven.))   Sindsdien ben ik niet meer uit bed gekomen vanwege de misselijkheid. Lig ik hier -het komt in de buurt van vrijwillig- geketend.           foto: "Black Girl" (Ousmane Sembène, 1966)

Mees Ruun
0 0

Seconden

Het huis was weer stil nu. De troostende stemmen eindelijk verdwenen. Tijd voor Helena om eindelijk te voelen en te luisteren naar de knoop in haar maag die haar bijna de adem ontnam. Het zure gevoel in haar onderbuik dat haar er elke seconde aan herinnerde dat ze er nu alleen voor stond.   Hij was verdwenen zoals hij had geleefd, gelukkig en vrij in zijn eigen universum. Die gedachte zou haar moeten troosten nu, maar toch. Ze zou nooit weten wat er in die laatste minuten door hem heen was gegaan. Had hij nog aan haar gedacht? Was de herinnering aan haar gezicht, haar aanraking, haar woorden een extra reden geweest om te blijven vechten? Ze vermoedde van wel, een vermoeden die grensde aan zekerheid.      Nu staarde Helena naar het lege blad voor haar. De pen rolde heen en weer in haar handen maar ze kon enkel aan de woorden van Hans Andreus denken. Ik leef niet meer, ik leef van je gemis. Ik leef niet meer, ik leef van je gemis… Ze stond op, opende de grote ramen en liep het terras op. In haar binnenste zocht ze naar haar eigen woorden, die één voor één op hun plaats leken te vallen. Ze liet zich op de grond zakken en met haar rug tegen de muur van zijn huis keek ze nog een laatste keer naar de wolken, waar hij nog altijd aanwezig leek te zijn. Haar vliegenier, de man die haar leven compleet op zijn kop had gezet. Wie zou ze geweest zijn zonder hem? Nog altijd dat kleurloze en angstige wezentje? Of deed ze zichzelf tekort? Had ze zonder hem ook de moed gehad om te zijn wie ze altijd had willen zijn? Een sterke vrouw die nu haar emoties moest verbijten en een volle kerk toespreken. Haar aandacht ging opnieuw naar het notitieboekje dat voor haar op de grond lag. De pen in haar handen kwam eindelijk tot leven.   "Jonas Vliegen was je leven, de wolken je thuis. Het maakte je tot wie je bent…  was en wie je altijd zal zijn voor mij. Zoals een kind haar radslag oefent in het warme zand, zo maakte jij capriolen in de wolken. Elke dag opnieuw daagde je de zwaartekracht uit. Je kon niet blijven winnen.   Even kreeg ik de kans om met je mee te vliegen en een deel te zijn van die vrijheid. Maar als ik nu naar boven kijk, kan ik me alleen maar afvragen waar je aan dacht die dag, met welk verlangen je naar de horizon vloog, wat er door je heen ging toen je de controle verloor. Wellicht voelde je angst, ook jij kende vrees. Maar sterker dan die angst was ook je rust, je moed en het vertrouwen dat je ook dit tot een goed einde zou brengen. Je vocht tot de laatste seconde, daar zal niemand aan twijfelen. Jij liet het leven niet los, Jonas, dat deed je nooit!   Je bracht me op plekken waar ik dacht nooit te zullen komen, liet me proeven van de wolken en vloog met mij naar de zon. Toch is dat het belangrijkste dat je me leerde. Vliegen is niet alleen voor vogels. Het is ook voor mensen zoals jij en ik, voor ieder onder ons die leeft zonder die angst om te vallen.   Nu vlieg je van ons weg, om nooit meer terug te komen. Ik moet verder, zonder jou maar met de vleugels die jij me hebt geschonken."   De kerk bleef stil bij haar laatste woorden. Ze voelde haar benen trillen en onbewust zocht ze bekende ogen, een blik die haar zoals altijd gerust zou kunnen stellen. Verdwenen, weggevlogen, nooit terug gekomen. Alleen Maarten leek nu over haar te waken en ze voelde de warme troost van de enige persoon hier die haar liefde voor Jonas kon vatten. Maarten had misschien niet zoveel van hem gehouden als zij, hij had wel zijn passie voor het vliegen gedeeld. En nu hield hij haar voorzichtig in de gaten, tot de kerk leeg begon te lopen, de kist werd weggedragen en zij onbeweeglijk bleef zitten.   Hij nam de stoel naast haar in en zweeg. Wat viel er ook nog te zeggen? Voor Helena was alles nu gezegd. Of toch niet? Ze voelde zijn aarzeling voordat hij sprak, hij leek te zoeken naar een miraculeuze spreuk die haar pijn zou moeten wegnemen. Seconden lang bleef het stil, dan kwamen de woorden die niet troostten, integendeel, ze ontnamen haar het laatste stukje houvast waar ze zich al drie dagen aan had vastgeklampt.  - Hij heeft niet gevochten, of toch niet tot de laatste seconde. Helena keek haar vriend verbouwereerd aan. Hoe durfde Maarten dit te zeggen? Natuurlijk had hij gevochten, Jonas hield van het leven, van haar, hij zou het nooit loslaten. Maarten haalde nu een envelop uit de zak van zijn jasje. Ze zag haar eigen naam, zijn handschrift. - Hij vroeg me om dit aan jou te geven. Ik moest wachten tot na de begrafenis. - Hoe bedoel je? Hoe wist hij … - Het spijt me Helena, meer dan je ooit zal beseffen.   Hij gaf haar de brief, zijn handen bleven even op haar trillende vingers liggen. Dan liep hij de kerk uit en bleef er enkel die stilte over. Zijn handschrift woog zwaar, tranen vertroebelden zijn woorden. Maar ze hoefde ze niet te lezen om te weten wat ze nu niet wilde weten. Dus plooide ze de envelop in twee en verstopte die onderaan in haar handtas. Dan stapte ze de kerk uit, het zonlicht tegemoet en de stad in.   Bij elke stap voelde ze de kracht terug komen en even later zat ze op hun favoriete terras. De ober herkende haar, vroeg niets. Ze zag in zijn ogen dat hij het nieuws al had vernomen. De brief legde ze nu op tafel, hij zette er een glas champagne naast. Dankbaar dronk ze van het ijskoude drankje. Twee slokken waren voldoende om haar de moed te geven de envelop te openen.   "Liefste Lena   Drie maanden heeft hij me gegeven. Daarvan zijn er nu twee voorbij. Ik geloofde hem niet eens. Waarom zou ik? Ik voelde me goed, had geen idee van wat er in mijn lichaam gebeurde. Tot hij me de foto’s liet zien. Het zat overal.   Toen ik die dag thuis kwam, straalde je van geluk. Weet je nog? Je vertelde over die promotie die je had gekregen, de complimenten van je collega’s. Je had je strijd eindelijk gewonnen. Het leek me zoveel makkelijker om te zwijgen, mijn pijn te vergeten en me te laten meedrijven met jouw geluk. Ik stelde het uit, elke dag opnieuw, alsof het dan minder echt zou zijn, de kanker minder agressief, de pijn verdwenen.   Drie dokters heb ik gezien. Ze stelden me allemaal hetzelfde voor. Agressieve chemo zou me nog extra tijd kunnen gunnen maar die zou ik dan moeten doorbrengen op plekken waar ik niet wou zijn.   De pijn wordt erger nu. Ik leef op morfine en op de leugens om dat te verbergen. Het wordt tijd om te gaan, op mijn manier. En misschien was het verkeerd om te zwijgen, toch ben ik blij dat ik de laatste maanden gewoon gelukkig kon zijn met jou naast mij. Ik heb enkel Maarten in vertrouwen genomen. Samen hebben we beslist wat de beste manier is. Vraag hem niet naar details, dat gesprek moet voor hem erg zwaar geweest zijn, al begreep hij meteen hoe ik me voelde. Ik wil niet wachten tot de dood me inhaalt, mijn leven uit mijn vingers glipt. Ik wil gaan zoals ik heb geleefd, opstijgen en niet meer terug komen. In alle vrijheid, zonder pijn.   Ik hou van je Helena. Hou van je strijdlust, je moed en creativiteit. Van de kleur van frambozen op je lippen, je blote voeten in het zand. Ik hou van je kwetsbaarheid als je naast me ligt te slapen, het vuur in je stem, de verontwaardiging in je ogen.   Leef je leven Lena, het is kostbaar en het is van jou. Alleen van jou, tot de laatste seconde.   Vaarwel   Jonas"   Drie keer las Helena zijn woorden. Dan hief ze haar glas naar de wolken en fluisterde " Ik ook van jou, tot de laatste seconde".                                            

Emke Dierickx
21 0