Zoeken

Een bordkartonnen waterval

In het duister weerspiegelde de glazen bol de kaarsvlam. Het medium hield haar ogen gesloten, de vingers gespreid op het tafelkleed. Het was benauwd in het vertrek. De vrouw had mij in het halfdonker ontvangen, en niets wees erop dat de verschoten fluwelen gordijnen ooit tot meer dan een kier geopend werden. Een zware damp van wierook vulde, haast tastbaar, de atmosfeer. “Lukt het al?” fluisterde ik voorzichtig, waarbij toch een ondertoon van ongeduld meeklonk. “Stil!” reageerde ze geërgerd. “Ik voel zijn aanwezigheid. Het is een uitputtende geest. Veel negatieve energie. Ik zal me moeten inspannen. Geef me honderd euro meer.” Ik aarzelde maar kort. Ik had de raad van Hector Berlioz nodig.Zonder een gesprek met hem zou mijn reis naar dit afgelegen gehucht zinloos zijn geweest. Ik legde een biljet naast de twee die al op het zware velours tafelkleed lagen. Ik hapte naar adem. De brandende wierook leek wat over was van de zuurstof op te zuigen. Tien minuten moest het tafereel tegenover me al aan de gang zijn. Ik had al elke rimpel van het zwaar opgemaakte gezicht bestudeerd; de hoofddoek, de zwartgeverfde lange haren, de lippenstift die ver over de rand van de dunne lippen uitvaagde. Slaap begon de overhand te krijgen. Zuurstofgebrek wist ik; was het een truc van de oude heks om me te laten hallucineren, en me zo te overtuigen van de waarachtigheid van haar contact met de geesten? Een rauwe gil, als van buiten het oude wijf, bevrijdde me uit mijn lethargie. Ze schudde heftig. Haar lange vingers klauwden in het tafelkleed. “Laat me toch met rust,” kraakte een mannenstem in het Frans. “Merde! Ik spreek alleen met gelijkgestemde zielen. Wie valt me lastig?” Er zat een brok in mijn keel. Ik moest iets zeggen. “Bent u monsieur Berlioz?” “Wat, kent u me niet? Iedereen in Frankrijk, ja heel Europa weet wie Berlioz is. Mijn naam is zelfs tot in Engeland doorgedrongen!” “Ik…, ik zou u wat willen vragen over een muziektheaterproductie die ik onlangs heb gemaakt. Ik heb uw Memoires gelezen. U vertelt over de vele moeilijkheden die u ondervond bij het uitvoeren van uw composities. Ik wil uw advies vragen.” “Je interesse lijkt me oprecht, maar wees snel. Deze plek in die oude heks kost me veel kracht; ik voel negatieve energie. Laten we een gesprek voeren zoals Fux met Palestrina in Gradus ad Parnassum, zijn boek over de fuga. Een verouderd muzikaal concept overigens dat te veel ambtenaren en rekenaars tot zogenaamde componisten heeft gemaakt. Noem mij Hector, dan zal ik jou…, ja hoe zal ik je noemen?” “Ik heet Vincent, mijnheer Berlioz.” “Hector!” “Ik zal proberen u te tutoyeren, hoewel het niet makkelijk is een man als u zo te bejegenen. U veroorzaakte opschudding in de concertzalen…” “Wie geen vijanden heeft, heeft geen echte vrienden. In mijn jeugd maakte ik er een gewoonte van tijdens opera’s van Gluck orkest en dirigent uit te schelden als zij zich vrijheden met de partituur hadden veroorloofd. In Parijs had men de smakeloze gewoonte om bekkens toe te voegen aan de dans van de Scythen in Iphigénie in Tauris, waar Gluck alleen strijkers voorschrijft. ‘Wie durft het om de grote Gluck te verbeteren’, riep ik tijdens de opvoering. Ik provoceerde ook muzikaal. Mijn Harold in Italië veroorzaakte anonieme dreigbrieven. Ik ben tegen de doodstraf, maar alleen de doodstraf heeft me ervan weerhouden mijn talloze vijanden te vermoorden, en de wereld aldus te zuiveren. Dit schreef ik eens in het album van een jong meisje, en men lachte er hartelijk om. Niemand besefte dat ik het meende.” “Aaoouuuww.” Het was de stem van het oude mens. Ze ademde zwaar. “Negatieve energie…. contact is moeilijk. Geef me vijftig euro!” Ik legde het briefje naast de waaier van biljetten op tafel. Ik moest snel zijn. Ik kon Berlioz niet toestaan uit te wijden over zaken die niet van direct belang waren. “Hector,” – mijn stem sloeg over van de zenuwen -, “ik heb een musical geschreven en uitgevoerd. Veel dingen gingen niet goed. Vertel me hoe het beter kan!” De krassende stem was weer terug. “Musical? Wat is dat?” “Het is een soort opera waarin ook gesproken wordt. Mijn musical heet Een liefde in Zeeburg, en gaat over een Nederlands meisje en een Marokkaanse jongen. Een soort Romeo en Julia. Ik heb geprobeerd de integratie-problematiek – we hebben hier problemen met mensen uit andere landen, net zoals Frankrijk met Zigeuners vroeger -, lichtvoetig te benaderen, en de mensen aan het lachen te maken.” “Je hebt dus een ‘Opéra Comique’ geschreven. Dat je de onovertroffen Shakespeare als inspiratie gebruikt bevalt me, maar een dergelijk hoogstaand thema is allerminst geschikt voor plat amusement. Het is toch geen Vaudeville? Afschuwelijk volkstheater van laag allooi, waarbij het volk zich luidruchtig bedrinkt. Ooit moest ik mijn studie bekostigen als zanger in een dergelijk theaterkoor.” “De uitvoering was beschaafd, het publiek was stil en geboeid, en bestond voornamelijk uit de intellectuele elite. Na afloop applaudisseerde men langdurig.” “Dan heb je een goede prestatie geleverd. Was de koning aanwezig? De bijval van het publiek weerspiegelt de kwaliteit van je werk. Ik verbrandde mijn eerste composities toen ze onvoldoende begeestering opwekten. Hoe vaak is je komische opera opgevoerd?” “Vier keer. Het theater was telkens uitverkocht, maar er konden slechts honderd mensen in.” “Een aardig begin voor een eerste werk. Ik begrijp niet dat je klachten hebt.” “Ik zal een voorbeeld geven. Ik had tienduizend euro van de gemeente Amsterdam als budget, gewonnen in een prijsvraag, maar het was erg moeilijk een productieteam te vinden om me te helpen bij de uitvoering. De mensen die ik capabel achtte, hadden het al zo druk dat ze geen zin hadden in nog meer vrijwilligerswerk. En in anderen had ik geen enkel vertrouwen. Gelukkig heeft mijn vriendin het grootste deel van de organisatie gedaan.” “Vrijwilligerswerk, productieteam? Wat zijn dat voor woorden? Ik regelde altijd alles zelf, en betaalde zo mogelijk iedereen. Mensen die voor niets werken zullen zich niet volledig inzetten. Toen ik mijn Franc Juges ouverture voor het eerst uitvoerde, hadden veel musici beloofd onbetaald mee te werken. De generale repetitie volgde het patroon van al zulke gelegenheden wanneer een orkest voor niets speelt; veel spelers waren afwezig, en velen verdwenen al voor het einde. De repetitie van mijn allereerste concert mislukte doordat koorknapen mijn partituur hadden gekopieerd op bevel van hun dirigent. Er waren zoveel foute noten en ontbrekende maten dat ik de repetitie moest afbreken. Ik heb er daarna een gewoonte van gemaakt zelf het kopiistenwerk te verrichten; men kan eenvoudigweg niet vertrouwen op de kwaliteiten van een ander.” “Ik begrijp uw punt Hector. Maar mijn plan hield nu eenmaal in dat amateurs de musical zouden uitvoeren. Alleen voor de onkosten kregen we tienduizend euro. Het was een ‘sociaal’ plan, dat bedoeld was voor vrijwillige medewerking.” “Dan heb je je al in het begin in de voet geschoten. Je had de kosten zelf moeten dragen, dan was je aan niemand iets verplicht geweest. Geld is het beste – en vrijwel enige- middel waarover een componist beschikt om musici te laten doen wat hij wil. Voor mijn concert in het Théâtre-Italien had de directeur mij zijn orkest ter beschikking gesteld. Deze musici waren contractueel verplicht mee te werken aan ieder concert in het theater. Ik maakte de fout ook extra musici te huren, die wel betaald kregen. Dit veroorzaakte afgunst. Het programma die avond was zo uitgebreid, dat het om middernacht nog niet geeïndigd was. Na middernacht was het orkest niet verplicht te spelen. Tijdens een koor-intermezzo sloop het orkest stiekem weg. Alleen de door mij betaalde musici bleven op hun plaats. Toen ik mij omdraaide, bleek mijn orkest geslonken tot vijf violen, twee altviolen, vier celli en een trombone. Zorg er daarom voor dat je musici betaalt, desnoods door schulden te maken.” Ik knikte heftig naar de oude heks. Berlioz’ advies klopte. We hadden een regisseur en een zangdocent betaald, en deze waren zo’n beetje de enigen geweest op wiens aanwezigheid we werkelijk konden rekenen tijdens de repetities. Toch zat me iets dwars. “Maar door schulden te maken kan je toch in een moeilijke positie terechtkomen?” “En wat dan nog?” kraste de stem van het mens. “Er zijn altijd weldoeners te vinden die een succesvolle componist willen ondersteunen. Ik heb verschillende malen geld gekregen van voortreffelijke personen die mijn positie inzagen. Toen ik telkens verhinderd werd om te componeren, door mijn werk bij de krant, – wat mijn leven vergiftigde – , schonk een vriend mij tweeduizend francs. Zodoende kon ik mijn Bienvenuto componeren. Later schonk de doodzieke Paganini die aan een nektumor leed, uit bewondering me tweehonderdduizend francs. Maar accepteer geen geld van de overheid. De twee keer dat ik van het ministerie van binnenlandse zaken net als jij tienduizend francs kreeg voor een opdracht, liepen op grote ergernis uit. De eerste keer zou ik een Requiem componeren ter ere van de doden van de revolutie van 1830. Toen er een nieuwe minister aantrad, leek men deze opdracht vergeten. Een jaar later verzocht men mij het Requiem uit te voeren bij de begrafenis van een generaal. Ik had hoge onkosten gemaakt, omdat ik het koor een week liet repeteren, en ik vier fanfare orkesten met totaal tweehonderd blazers had geëngageerd. Het ministerie weigerde vervolgens me te betalen. Ik ben zo kwaad geworden dat ik met een stoel heb gesmeten in de kamer van de secretaris. Heeft men jou die tienduizend francs wel onmiddellijk ter beschikking gesteld?” “De administratie was keurig geregeld. Het grootste gedeelte werd vooraf betaald. Ik heb nog wel onderhandeld over de voorwaarde dat ik me aan mijn oorspronkelijke begroting moest houden. Die had ik op goed geluk verzonnen, dus ik wist dat daar moeilijkheden van zouden komen.” “Vincent, je bent minder wankelmoedig dan ik zo even dacht. Tegenwerking komt van alle kanten, onthoud dat. Maar vermijd afhankelijk te worden van de overheid.” “Hector, ik wil je mijn volgende vraag stellen. Ik kon nauwelijks een geschikt theater vinden. De belangrijke theaters waren al volgeboekt en de kleine theaters waren te klein, want ik had een orkest van twintig personen, en daar was in de beschikbare theaters geen ruimte voor. Hoe moet dat in het vervolg?” “Geen ruimte voor een dergelijk armetierig orkest? Dat valt me van je tegen Vincent. Hoe kan je jezelf componist noemen? In Rome, in de Sint Pieter, in het muzikaal achterlijke Italië, trof ik een koor van slechts veertig stemmen, wat volstrekt onvoldoende is om deze geweldige kathedraal te vullen. De muziek verliest haar effect volledig. Ik kreeg in 1829 de beschikking over het Theatre des Nouveautés en het vaste orkest. Maar ik wilde een grootschalige opvoering, dus huurde ik tachtig spelers extra. Bij de eerste repetitie, toen mijn orkest van honderddertig zich op het podium probeerde te schikken, was nergens plek. De kleine orkestbak kon nauwelijks de violen bevatten. Overal in het theater ontstond een chaos die de verstandigste componist gek zou hebben gemaakt. Er werd geroepen om lessenaars, timmerlieden fabriceerden iets wat als zodanig dienst kon doen. Men riep om stoelen, instrumenten, kandelaars, er was nergens plaats voor de trommels. Het liep geheel uit de hand. Dus,Vincent, nu ik me dit herinner, ben je verstandig geweest al in een vroeg stadium met de benodigde omvang van het theater rekening te houden, al begrijp ik niet dat je geen theater kon krijgen dat zo’n nietig orkest niet kan herbergen. Het zal wel weinig volume hebben voortgebracht.” “Uiteindelijk vonden we een theater dat beschikbaar was, en groot genoeg, maar het was heel iets anders dan ik voor ogen had. De directeur is een vage Engels sprekende Italiaan. Hij organiseert er vrijwel alleen feesten, en het ruikt er naar verschaald bier. Terwijl ik op een luxe ambiance met pluche hoopte. Ik heb voortdurend problemen gehad met die man. Van te voren bezocht ik er een voorstelling, en ontdekte ik dat hij tachtig stoelen had, terwijl hij ons verzekerde dat er honderd mensen in konden. Het orkest had ook nog eens twintig stoelen nodig. Ik heb toen contractueel laten vastleggen dat hij voor honderdtwintig stoelen zou zorgen. Een week voor de voorstelling was er nog niets geregeld. Inmiddels waren er nog meer stoelen stuk gegaan. Ik heb zelf zestig stoelen extra gehuurd, en de rekening van zijn honorarium afgetrokken.” “Wat zeur je over een paar stoelen!” De krakende tenor uit het oude mens klonk geagiteerd. “Ik voel er veel voor aan deze heks te ontsnappen. Spreek me over echte problemen!” WOOAAAA!!! De krijsende stem van het oude mens vulde het vertrek. “Het gaat zo niet langer, dit wordt mijn dood….” Ze kreunde alsof ze huilde. “Het is een gevaarlijke geest, zo’n sterke heb ik nog nooit meegemaakt! Honderd euro of ik stop!” Ik rukte haastig mijn portemonnee uit mijn broekzak en smeet een biljet op tafel. “Ga door alstublieft! Mijnheer Hector, nog een vraag. Ik had veel problemen met acteurs die niet konden zingen, en daarna met een man die wel kon zingen, – de enige goede zanger- , maar die zich zo aan de anderen ergerde dat hij een scène schopte en wegliep. We moesten toen snel een ander vinden, want er was nog maar weinig tijd. Hoe kan ik dit in het vervolg voorkomen?” Het bleef enige ogenblikken stil. Zou Berlioz nog terug komen? Ik moest proberen minder onnozele vragen te stellen. Deze laatste vraag leek me toch wel relevant… “Zangers…,” kraakte de stem, nu opgewonden van toon. “Als ik aan koorrepetities denk en aan zangers, begint mijn bloed te koken. In Dresden moest ik mijn Romeo en Julia afgelasten omdat de bas er niet in slaagde zijn partij te leren. Deze heer behoorde tot die grote en bloeiende categorie musici die geen muziek kunnen maken. Hij kon zijn rusten niet tellen, zette op de verkeerde plaats in, en kon zijn noten niet intoneren. Ik hield mezelf voor dat hij zijn partij nog niet had gestudeerd. Tijdens de generale repetitie, toen onze vriend nog geen enkele vooruitgang had geboekt, raakte mijn geduld eindelijk op. Ik bedankte koor en orkest. In mijn hotel gaf ik me over aan weemoedige bespiegelingen. Twee componisten, Mendelssohn – die het orkest leidde – en ik, die jarenlang al hun intellect en verbeelding hadden gewijd aan de studie van hun kunst, en tweehonderd uitvoerenden, geschoolde en concentieuze instrumentalisten en zangers, hadden een week lang vruchteloos gewerkt, vanwege de incompetentie van één man!” “Hector, ik begrijp niet dat je door zo’n ervaring niet gestopt bent met componeren!,” riep ik begeesterd. “Voor mij zou zoiets te veel zijn geweest.” “Leer hieruit dat men soms geen keus heeft. De meeste zangers zijn geen musici. Toch zijn ze nodig. Muziektheater is tenslotte de hoogste vorm van compositie. Men moet zich gelukkig prijzen als men een echte artiest ter beschikking krijgt.” Het gesprek scheen weer te vlotten. Het leek me mogelijk ook een ervaring te delen waar ik een beetje trots op was. “Ik heb een zanger ontslagen!” Mijn stem kraaide van triomf. “Hij kwam vaak niet opdagen op repetities, en had telkens weer een andere smoes. Ik wilde voorkomen dat hij met zijn luimen de gehele productie in gevaar zou brengen, zoals jij dat net geschetst hebt.” “Vincent, je toont je in je eerste opera al ervarener dan ik destijds was. Mijn complimenten. Ik raak nu toch wel nieuwsgierig naar je partituur. Heb je alle partijen zelf gekopieerd, net als ik altijd deed?” “Voor het kopiëren hebben we tegenwoordig een kleine drukkerij aan huis. Vergeleken met de dagen van zestien uur die het u kostte om uw partijen stuk voor stuk over te schrijven, waren de mijne snel gemaakt. Vergeleken met de energie die de organisatorische kant van de productie eiste, was het muzikale deel erg makkelijk.” “Dat is precies mijn ervaring”, kraste de stem van het mens. “Componeren kost mij geen enkele moeite. Het slavenkoor van mijn Faust schreef ik in een koets tijdens mijn reis door Hongarije, de ouverture schreef ik bij het licht van een etalage. Het componeren van Faust was niets vergeleken bij het werk dat de uitvoering vereiste. En het dirigeren van het orkest, hoe verging je dat?” “Dat was een angstwekkende ervaring. Eerst wilde ik een dirigent inhuren, maar we hadden te weinig geld. Ik besloot het dus zelf te doen. De eerste keer dat al die gezichten naar me keken, en het orkest begon te spelen, had ik het gevoel of ik op een op hol geslagen paard zat waar ik geen enkele controle over had.” Tegenover me was het mens langzaam voorover gezakt. Het leek of haar gezicht zich te ruste wilde leggen op het velours van het tafelkleed. De mannenstem, die zoeven nog luid en geagiteerd had geklonken, zonk weg in nauwelijks verstaanbaar gemompel. Berlioz en zij leken zich met elkaar verzoend te hebben. “Een componist moet zijn eigen werk dirigeren,” klonk het gedempt. “In mijn jeugd heb ik wat dat betreft nog even geaarzeld. Door mijn gebrek aan ervaring maakte ik tijdens Sardanaplus een fout, zodat de tweede violen hun inzet misten. Het gehele orkest raakte op drift. Vervolgens vertrouwde ik enkele malen op Girard. Maar in de vierde uitvoering van mijn Harold maakte hij een ernstige fout tegen het einde van de serenade. Het orkest raakte volledig verloren. Zodoende besloot ik voortaan zelf te dirigeren, zodat ik zelf mijn bedoelingen kon overbrengen. Ongelukkige componisten! Leer zelf te dirigeren, want dirigenten, vergeet dat nooit, zijn gevaarlijker dan al je uitvoerenden.” “Dus u hebt nooit meer met een dirigent gewerkt?” Bij de laatste uitroep had de stem zijn oorspronkelijke vitaliteit herwonnen. De vrouw richtte zich weer op. Levendig klonk het nu: “Helaas was ik enige malen gedwongen Habeneck te tolereren, aangezien hij de vaste dirigent van de Parijse Opera is. Hij heeft me ooit een poets gebakken die ik niet meer vergeet. Ik noem dit ‘het snuif incident’.” Het oude mens begon te lachen, eerst zacht, dan harder en na enkele ogenblikken met waanzinnige uithalen. “De eerste uitvoering van mijn Requiem wilde ik zelf dirigeren, waarmee ik Habeneck passeerde die bij dit soort staatsaangelegenheden officieel de leiding had. Na tussenkomst van generaal Bernard gaf ik de leiding terug aan Habeneck. Hij leidde zonder morren de repetities. Let op wat nu komt. Er is slechts één plaats in mijn Requiem waar de dirigent onmisbaar is, en dat is waar in het Tuba Mirum de muziek in half tempo overgaat, en verschillende groepen instrumenten om beurten inzetten. Dankzij mijn ingesleten wantrouwen was ik vlak achter Habeneck blijven staan. Met mijn rug naar hem toe hield ik de pauken in de gaten. In de bewuste maat waar het tempo zich verbreedt, legde Habeneck zijn baton neer, haalde kalm zijn snuifdoos te voorschijn, en nam hij wat snuif. In een oogwenk draaide ik me om, sprong voorwaarts, spreidde mijn armen, en sloeg ik de vier tellen van het nieuwe tempo. Had Habeneck dit met opzet gedaan? Ik heb er de rest van mijn leven over getwijfeld.” Er viel een stilte. Hoe interessant Berlioz’ ontboezemingen ook waren, ik moest de draad vasthouden. “Dank je Hector. Het is me nu duidelijk dat de componist zelf de leiding moet nemen. Mijn volgende vraag gaat over publiciteit. Iemand zou ons affiche ontwerpen, maar drie dagen voor de deadline had hij nog niks uitgevoerd. Ook die persoon hebben we bedankt, en we hebben zelf de poster ontworpen. Hoe zorgde jij voor een volle zaal?” Ik wachtte vol ongeduld, maar het bleef stil aan de andere kant van de tafel. De oude vrouw leek in slaap gevallen. Haar omvangrijke boezem ging regelmatig op en neer. “Mevrouw, wordt wakker,” riep ik, “Het gesprek is nog niet afgelopen!” “Wwat, huh… Ik ben moe. Hij heeft me uitgeput. Geen zin meer….” “Ik geef u honderd euro erbij!” Ik rukte mijn portemonnee te voorschijn en smeet mijn laatste biljet op tafel. “Met propaganda heb ik me nooit bezig gehouden,” kraste de tenor weer. “Er werden affiches en pamfletten voor me gedrukt. Maar het belangrijkste geheim van mijn succes is dat de kranten mij beurtelings afkraakten en ophemelden. Ik had onder de critici toegewijde vrienden en even toegewijde vijanden. Deels was dat het gevolg van mijn gebrek aan respect voor de versteende compositiemethoden, waardoor velen aanstoot aan mijn werk namen. Voeg daarbij mijn opvliegende karakter, – tijdens mijn eerste concert smeet ik mijn partituur tussen de musici omdat zij fouten maakten -, en ziedaar de ingrediënten voor beroemdheid.” De laatste zinnen werden door de vrouw met moeite uitgesproken. Ik moest snel zijn… “Hector, nu wil ik je vragen conclusies te trekken uit hetgeen je me hebt verteld.” “Conclusies? Je bedoelt een soort algemene gevolgtrekking? Waarom niet dit gesprek afsluiten zoals Fux dat doet. In Gradus ad Parnussum legt hij Palestrina in de mond dat hij ziek is, en te weinig kracht heeft om nog langer te praten. Een geforceerd, maar effectief einde.” “Alsjeblieft Hector, ik heb een algemene raad nodig!” “Nu, goed dan. Ik maak uit je vragen en je ervaringen op dat je onzeker bent. Door die onzekerheid heb je teveel mensen aangetrokken met dubieuze kwaliteiten. Leer uit dit gesprek dat je met de beste musici en artiesten moet werken, en dat je het kapitaal moet vergaren om hen te betalen, desnoods door jezelf in de schulden te steken. Het resultaat, de bijval van het publiek en de gunstige kritieken, zullen je naam doen rondzingen. Je wilt componist zijn. Een componist stelt zich, door zijn beroepskeuze, tussen God en de mensheid. Hij wil de menselijke geest in zijn macht krijgen; hij bezorgt de luisteraar vreugde en verdriet, en is daardoor sterker dan een koning. Om dat te bereiken moet hij eerst zijn musici bespelen. Muziek kent geen democratie, dus de componist moet niet schromen voor de enige passende rol; die van dictator. Verder zoekt ook het volk leiders. Men heeft een natuurlijke neiging zich ondergeschikt te maken, dus wanneer je initiatief neemt, zal dat worden aanvaard. Ik heb me als een god gedragen, en werd daardoor als een god vereerd en gehaat. Tegelijk was ik, helaas, maar al te gevoelig voor bijval en kritiek. Kritiek ontmaskerde ik door mijn tegenstanders als incompetent te beschouwen, terwijl bijval mijn voedsel was. Als je zo leeft, Vincent, zal je succes hebben. Al jou kleine probleempjes, zoals gebrek aan stoelen, en mensen die je moest wegsturen of die wegliepen; ik doe het af als gezeur en gelamenteer. Het leven is een voortdurende opoffering. De ene na de andere romantische illusie wordt stukgeslagen en de muzikale schatkamer van de verbeelding verkruimelt in de hopeloze realiteit. Zo wilde ik voor mijn eerste opvoering van mijn opera Les Troyens twaalf echte watervallen op het toneel. Ik kreeg er één, geschilderd op bordkarton. Je hebt met nog geen duizendste van de problemen van doen gehad waar ik me voor gesteld zag, en je zult dienovereenkomstig slechts een miljoenste van mijn beroemdheid oogsten, als je je door dergelijke kleinigheden uit het veld laat slaan. Het ga je goed. Vaarwel!” Het was stil. “Hector, ik…,” bracht ik uit. “Wat moet ik…, hoe…” Tegenover me lag de vrouw met haar hoofd op tafel. Regelmatig gesnurk ontsnapte langs haar neus- en snorharen. Ik stond op. In mijn portemonnee vond ik mijn laatste tientje. Ik legde het op tafel, op de waaier van bankbiljetten   Literatuur Berlioz, H. (1977). The Memoirs of Hector Berlioz. David Cairns (ed.) London: Victor Gollancz LTD. Mann, A. (1986).The Study of Fugue. New York: Dover Publications Inc.

Vincent Baumgart
0 0

WITTE TANDEN

‘Wel verdomme, wie dat er daar is!’In slow motion komt hij overeind.‘Wie is dat wel misschien?’‘Het is Rino,’ zeg ik snel, om deze keer de eerste te zijn, ‘de oudste zoon.’Mijn grootmoeder kijkt naar mijn vader.‘Is dat waar?’ vraagt ze nijdig, verstoord door wat er nu plots weer uitkomt.‘Ja moeder’, zegt mijn vader.‘Hoeveel kinderen heb jij zo?’ vraagt ze.‘Vier’, zegt mijn vader.‘En ik wist daar niets van’, zucht mijn grootmoeder hoofdschuddend.
‘Zie haar zitten,’ zegt mijn vader, ‘zesennegentig komt ze eind deze maand… En ze stapt nog steeds alleen in en uit haar bed!’Grootmoeder schopt met haar ene been in de lucht.
‘Ga je je trui uitdoen?’, vraagt ze.‘Ja,’ zeg ik terwijl ik de col over mijn hoofd trek, ‘zo warm dat het hier is…’‘Ja, en nochtans, de kachel is uit!’ Grootmoeder schudt haar hoofd.Ze schuift de hele tijd met haar ene voet over de grijze vinyl waarmee de vloer bekleed is, iets sneller dan het ritme van de muziek die stil maar schel uit het oude transistorradiootje komt, de ene Vlaamse schlager na de andere.‘Ze loopt tot het eind van de hal en weer terug zonder haar wandelstok en je moet zorgen dat je mee bent hoor!’ zegt mijn vader.‘Waarom loop je zo snel?’ vraag ik aan mijn grootmoeder.Ze kijkt naar haar voet die heen en weer schuift en zegt: ‘Ik zit zo graag in mijn zetel.’
Er komt een vrouw binnen met een looprek, ze wijst naar me en knikt. ‘IK KEN JE HOOR!’ roept ze. ‘MAAR IK WEET JE NAAM NIET MEER!’‘Rino’, zeg ik.‘Je gaat het een beetje luider moeten zeggen,’ zegt mijn vader, ‘ze hoort elke dag een beetje minder.’
‘RINO’, zeg ik, een heel stuk luider nu. Ze kijkt naar me met dichtgeknepen ogen, terwijl ze een hand rond haar oorschelp houdt.‘RINO’, roep ik, nog luider en ze nijpt nog meer met haar ogen.‘RINO! RINO! RI-‘‘RINO!’ roept ze plots en lacht, alsof ze er zelf opgekomen is. Mijn vader en mijn grootmoeder lachen mee. Overal beangstigend perfecte, veel te witte tanden.
Ze staat strak rechtop, het looprek met haar twee knokige handen vasthoudend.‘Het is bijna november en de kachel brandt niet’, zegt mijn grootmoeder en ze schudt opnieuw haar hoofd.‘HEEL DE WERELD IS VERDRAAID’, zegt de vrouw met het looprek. ‘HET WEER IS VERDRAAID, DE NATUUR IS VERDRAAID, DE BEESTEN ZIJN VERDRAAID, EN DE MENSEN ZIJN VERDRAAID.’ ‘DAT IS MIJN OUDSTE ZOON’, zegt mijn vader.‘HET IS GEEN WAAR HOOR!’ roept mijn grootmoeder.‘Maar moeder toch’, zucht mijn vader. Zijn stem klinkt vermoeid.Grootmoeder kijkt van de één naar de ander met verschrikte ogen. De vrouw met het looprek knipoogt naar me, wendt zich naar mijn grootmoeder en zegt: ‘MAAR JIJ KUNT TE MINSTE NOG LOPEN ZONDER LOOPREK!’Lachend haalt mijn grootmoeder haar schouders op.
‘WAT GA JE NU FORCEREN?’ roept de vrouw met haar looprek terwijl ze de hal in staart die zich net buiten mijn blikveld bevindt. ‘Man man man, ze gaat nog eens verongelukken!’ zucht mijn vader die zonet half overeind gekomen is om het beter te kunnen zien maar nu weer gaat zitten.‘ZE STEEKT WEER TOEREN UIT’, zegt de vrouw met het looprek.‘Het is erg de laatste tijd’, zegt mijn vader.De vrouw met het looprek roept: ‘WACHTEN ZE ERGENS OP JE MISSCHIEN?’‘Wel merci,’ zegt mijn grootmoeder geschrokken terwijl ze naar me kijkt, en met haar hoofd knikt in de richting van de hal, ‘dat is nu de eerste keer dat ik dat van haar zie!’
‘JE HEBT DE KRANT MEEGEBRACHT!’ roept mijn vader naar de vrouw met het looprek en ze lachen naar elkaar, het betreft duidelijk een inside joke, zelfs mijn grootmoeder lacht mee.‘JA,’ zegt de vrouw met het looprek, ‘HOE MIN ZE HIER WETEN, HOE BETER ZE SLAPEN!’‘STAAT ER IETS IN MISSCHIEN?’ roep ik.‘HETZELFDE ALS GISTEREN’, zegt de vrouw met het looprek.‘Het gaat haar niet om wat er in staat,’ zegt mijn vader, ‘het gaat om wat er in zit!’De vrouw met het looprek vouwt de krant open.‘KIJK EENS HIER!’ Ze tovert een koekje tevoorschijn, en draait zich naar me toe: ‘MOESTEN ZE ZIEN DAT IK MIJN KOEKJE AAN JE VADER GEEF, IK ZOU ER GEEN KRIJGEN, BEGRIJP JE? HOEWEL IK EVENVEEL RECHT OP EEN KOEKJE HEB ALS IEDER ANDER. IK BETAAL HIER OOK ELKE MAAND MIJN DEE-‘‘WE GAAN DAT MET PLEZIER OPETEN!’ roept mijn vader.
Mijn grootmoeder is ongemerkt opgestaan en naar het wc gegaan. ‘Ik ga toch maar eens kijken’, zegt mijn vader na een tijdje.‘Maar moeder toch,’ hoor ik hem zeggen, ‘je moet je haar niet kammen, het is nog maar geborsteld, het zal helemaal plat liggen’.Ze komen samen weer tevoorschijn terwijl mijn vader vruchteloos door haar haar woelt met zijn hand. Mijn grootmoeder blijft staan met haar ogen toe.
‘Hou je sterk hé broere,’ zegt hij, we staan op straat en zoals gewoonlijk geeft hij mij eerst een hand en dan een kruisje op mijn voorhoofd,‘God zegene en beware je, en altijd goed opletten onderweg.’Ik kijk in mijn spiegel terwijl ik weg rijd en als ik aan het eind van de straat kom staat hij er nog steeds, met zijn armen gekruist.

Rino Feys
17 0

De andere kant

Tijdens een zomerwandeling in het bos Elfbergen geniet Sofie van de schaduwrijke verkoeling. Een paar uur later valt ze uitgeput onder een beukenboom op de grond, en schiet prompt weer overeind. “Au! Wat is dát nou?!” Met een van pijn vertrokken gezicht wrijft ze over haar bil.                 Tussen het gras en ander aan-de-natuur-gerelateerd materiaal, ligt een rechthoekig hoopje … bruin. Het lijkt te zijn gemaakt van zacht, lichtbruin leer. Ze aait met haar vingertoppen over het verweerde materiaal.                 Als Sofie ervan overtuigd is dat het echt niet één of ander monsterbeest blijkt te zijn, knielt ze in het gras. Op handen en knieën inspecteert ze het voorwerp.                 Een koffer, besluit Sofie bij het zien van het handvat en de slotjes rechts en links ervan. Koffertje, eigenlijk, want het ding is niet groter dan haar hand. Zou iemand het zijn vergeten mee te nemen? Is diegene nog hier – wordt ze bespied? Nerveus kijkt ze om zich heen, maar de schaduwen geven niets prijs en al snel wint haar nieuwsgierigheid het van haar angst.                 Met haar rug tegen de boom gaat ze zitten en pakt het koffertje. De geur van leer is subtiel. Het koffertje is licht. Ze schudt het heen en weer, maar naast het klapperen van het handvat, hoort ze niets. Zou het leeg zijn? Wat zou je erin kunnen doen? Een boterham en een pakje melk? Misschien een schetsboekje met potlood of –                 Of misschien schreef iemand een liefdesbrief en deed die in het koffertje en legde het op de plaats waar de twee geliefden elkaar altijd ontmoetten, in de hoop dat zij – want de man zou de brief hebben geschreven – het koffertje zou vinden en de brief zou lezen. Is het koffertje daarom zo verweerd? Ligt het al jaren buiten?                 Sofie lacht om haar eigen fantasie.                 De slotjes zijn numeriek, alle vier staan ze op nul. Sofie duwt tegen de metalen clips, maar er zit geen beweging in. Het soepele leer geeft wat mee onder haar vingertoppen, daaronder is het hard. De lijnen van de opening zijn zichtbaar, maar sluiten zo mooi op elkaar aan dat het koffertje waterdicht lijkt, zelfs in haar verweerde staat. De enige bezoedeling op het stukje schoonheid zijn de net zo verweerde Romeinse cijfers IV-II-IX-VII, gekerfd aan de onderkant van het leren handvat.                 Na een kort debat met zichzelf – want waarom zou iemand de code weggeven? – haalt Sofie haar schouders op en draait aan de slotjes. Ze duwt tegen de clips en het koffertje klikt open. Ze lacht verbaasd.                 Langzaam tilt ze het bovenste deel op en blaast dan haar ingehouden adem uit. Niks. Nada. Noppes. Had ze anders verwacht? Had ze anders gewenst? Sofie denkt aan de liefdesbrieven. Ook al was dat misschien wat overdreven, het was leuk geweest als er iets in het koffertje had gezeten. Ze slikt haar teleurstelling weg en reikt met haar hand in het koffertje. De stof is satijnzacht – dan wordt alles zwart.      “Hé, hé wordt wakker!”                 Sofie schudt de hand van haar schouder en draait op haar andere zij. “Nog een minuutje.”                 “Nee, nee, nee, jongedame. Vertel wat je hier doet! Hoe ben je hier gekomen? Nou ja, ik weet hoe, maar hoe kan dat? Waar is – “                 Sofie opent haar ogen en kijkt over haar schouder. “Kun je niet nog even wachten met al die vragen? Ik slaap.” Ze legt haar hoofd weer op haar arm en sluit haar ogen.                  Dan springt ze op. Met grote ogen bekijkt ze het wezen voor haar. “W-w-wie ben jij? Wát ben jij?”                 Het wezen draait met zijn ogen. “Ik ben een pratend konijn, dat zie je toch? Jullie hebben toch ook konijnen aan de andere kant, die praten weliswaar niet – veel saaier, geen idee wat zij de hele dag doen – maar – hé waar ga je heen? Kom terug, je moet mij vertellen waarom je hier bent!”                 Sofie rent tussen bomen door, over slootjes en langs struiken. Bloemen buigen voor haar opzij en – volgt die kraai haar nou? Is dit Elfbergen, het lijkt op hetzelfde bos, waar is het koffertje?                 Sofie stopt onder een boom. Met haar handen op haar knieën zuigt ze zuurstof in haar longen. Als ze haar ogen opent zit de kraai in een boom tegenover haar.                 “Rustig maar hoor,” zegt de kraai.                 Sofie zet gillend een stap achteruit.                 “We doen je niets, we willen gewoon weten hoe het kan dat je hier bent.”                 Sofie draait zich om. Het konijn glimlacht en houdt zijn voorpootjes in een onschuldig gebaar omhoog. Pratende dieren … word ik gek?                “Nee lieverd, je wordt niet gek,” zegt de kraai.                 Sofie stapt opzij zodat ze allebei de dieren ziet, en stamelt, “Hoe kan het – Waarom – Wie zijn – AARGH!”                 “Wij zijn de dieren van Dmitri. Je bent in hetzelfde bos, Elfbergen, maar dan aan de andere kant. Eh, zeg maar … de magische kant.”                 Mensachtige dieren, opzij buigende bloemen, een magisch koffertje …                 “Kun je ons vertellen hoe je hier komt?” vraagt het konijn.                 Sofie zit, met haar rug tegen de beukenboom, en vertelt de kraai en het konijn wat ze eerder die dag onder een andere beukenboom ontdekte.     “… maar ik heb geen idee waar het koffertje nu is, kan ik nog terug naar – jeweetwel – mijn kant?” besluit Sofie haar relaas.                 “Geen probleem, maar wil je niet meer over deze kant weten, meer zien?” Voor Sofie antwoord kan geven grijpt het konijn – Berend – haar schoenveter en trekt haar mee. Tijdens het lopen vertelt hij.                 “Dmitri is, was, een magiër en leefde heel lang. De laatste eeuwen veranderde de wereld; de mensen, de natuur – hij was niet blij met het resultaat.                 “Die bloem daar noemen ze Sint-Janskruid. Dmitri werd verstoten toen hij daarmee het bloeden van een jong meisje stelpte, terwijl de dokter een aderlating wilde verrichten. Later werd hij verjaagd toen hij het vuur dat een bliksem veroorzaakte doofde en daarmee een huis redde. Zie je, Dmitri kon alles dat bij Moeder Aarde hoort bevechten, manipuleren en laten triomferen, maar mensen werden bang.                   “Dat is ook de reden dat wij bestaan. Dmitri was ongelukkig en eenzaam en hij wilde een plek waar hij zichzelf kon zijn, ergens waar al het mooie leven beschermd is. Maar we hebben hem al een hele tijd niet gezien. En na wat jij ons hebt verteld …” Berend kijkt Sofie aan en haalt dan diep adem.                 “De enige die de code voor de slotjes op het koffertje kan lezen, is een magiër. Het koffertje kan niet zonder meester, of meesteres in dit geval, en … hé, hé gaat het wel? O shit, ga even zitten, je trekt helemaal wit weg!”                 Ik, een magiër?                 Sofie laat zich naar de rand van een beekje leiden en ploft daar op een steen. Ze pakt Berend en zet hem op schoot. Terwijl ze naar de stroming kijkt, aait ze over zijn vacht en Berend laat het genietend toe.                 “En nu?” vraagt Sofie na een tijdje.                 “Nu ga jij naar huis, neem je jouw koffertje mee en ga je nadenken. Als je er klaar voor bent zullen wij je helpen. Je bent hier altijd welkom en,” lacht Berend, “je weet hoe je hier komt.”                 Hij springt van haar schoot en brengt haar naar de beukenboom. Daar zet hij haar met de rug tegen de stam en zegt haar haar ogen te sluiten.     De schemering zet in. Sofie wrijft de slaap uit haar ogen en kijkt naast haar. Het koffertje is gesloten, de slotjes staan op nul. Wat stijfjes komt ze overeind, pakt het koffertje en loopt richting de uitgang van het bos.

schaapschrijft
0 0

Het Brughuis

In die vijf jaar was er weinig veranderd aan Het Brughuis. Doorheen zijn jeugd was dat de enige constante dat onveranderd bleef. Het enige dat steeds anders was, waren de eigenaars. Het leek alsof de eigenaar het steeds maar enkele jaren volhield. Elke drie jaar werd er van eigenaar gewisseld, wat resulteerde in een nieuwe constante. Na drie jaar kon je er op wedden dat er iemand nieuw aan de teugels trok.  Vijf jaar geleden was het dat Lewylyn deze plaats nog bezocht had. Het was op deze plaats dat zijn toenmalige vriendin een einde had gemaakt aan hun jarenlange relatie. Natuurlijk was het vanzelfsprekend dat Lewylyn deze plaats meed. Hij wou niet telkens weer herinnerd worden aan de avond dat zijn leven ineen stortte. Na enige overtuiging van zijn innerlijke demonen, besloot hij toch plaats te nemen op het terras. De zon had moeite om door te breken doorheen het wolkendek, maar eens de lichtstralen op het eeuwenoude gebouw schenen, vroeg hij zich af waarom het zolang had geduurd voor hij hier terug kwam. Het gebouw zelf was in al die jaren weinig veranderd. De enkele ouderdomsscheuren waren ondertussen opgevuld, maar dit bracht enkel maar meer charme toe aan het eigendom.  Na zijn breuk met de liefde van zijn leven had hij geen contact meer met haar, maar de liefde voor haar is nooit weggegaan. Ze zat nog steeds in zijn hoofd, maar met de jaren heeft hij het een plek kunnen geven vanachter in zijn hart. Haar fantoomijk aanwezigheid werd zo steeds meer naar de achtergrond gedreven.   Hij had er echter niet op gerekend dat alles, maar dan ook alles, in het Brughuis deze barrière zou doorbreken. Doordat de zeldzame lichtstralen de eiken biertonnen streelden, werd hij vrijwel onmiddellijk herinnerd aan het golvende bruin/rosse haar dat haar zo sierde. De barvrouw had net hetzelfde gestreepte t-shirt aan als hetgeen hij haar had gegeven nadat hij er rode wijn op had gemorst. Het jonge meisje aan de overkant had net dezelfde tic-nerveus als haar. Elke keer ze zich ongemakkelijk voelde, begaf ze haar hand naar haar linkeroor. Bijna als een reflex bestelde Lewylyn hun lievelingsdrank, een Maneblusser. Het was hun liefde voor deze Mechelse streekdrank dat hen bijeen had gebracht.  Vijf jaar lang had hij haar niet meer gezien, maar op deze bewolkte zondagmiddag leek het alsof ze vlak naast hem zat.   Het geluid van de Dijle en de vele Maneblussers deden hem richting het sanitair wandelen. Hier waande hij zich net weer op Groezock, het festival waar ze elk jaar als koppel naartoe gingen. De plassen urine voor het toilet, vermengd met de geur van gemorst bier en modder, brachten hem weer naar zijn zeventienjarige zelf. Bijna geconditioneerd gebruikte hij steeds hetzelfde hokje. Daar, in de rechterhoek stond het geschreven, de woorden die voor eeuwig zijn melancholie zouden aanwakkeren: hun namen, enkel en alleen gescheiden door een hart, iets wat normaal eeuwig had moeten duren, vertoonde nu ook al enkele barsten. Wolken hadden ondertussen de zon volledig doen verdwijnen, en al slenterend, verzonken in gedachten, liep hij richting de metalen ophaalbrug. Halverwege, al zwevend boven de Dijle, gescheiden door metaal, hield hij halt. Startend in het niets keek hij voor zich uit, tot het geluid van bewegend water zijn aandacht trok. Zijn blik schuimde af over het water, zoekend naar iets specifieks. En net daar, vijf meter voor hem, zag hij een reflectie van hem en de liefde van zijn leven. Omstaanders gingen nietsvermoedend verder met hun drinkrituelen, terwijl Lewylyn zijn blik gefocust bleef op het water. Een spelend kind gooide net op dat moment een steen in het water, op die precieze plek in het water, waardoor de reflectie stilaan, maar zeker begon te verdwijnen in het niets. Als een reflex wou Lewylyn er achteraan springen, al grijpend naar een reflectie van een gelukkigere tijd. Nog net voor Lewylyn zijn voeten van de grond raakten, greep iemand hem bij de arm. “STOP! NIET DOEN!” riep een vertrouwde stem hem toe. Zijn blik staarde naar Anke, de liefde die hem vijf jaar geleden zijn wereld deed instorten. Op het water was de reflectie helemaal glad gestreken, alsof het water van de Dijle in het teken stond van een schone lei…   EINDE

Nick Van Loy
0 0

Bergbeest I & II

Bergbeest I   Je hoopt iets te vinden Dat er waarschijnlijk altijd al was Iets dat perfect in je navel past Maar dan groter (Is mijn theorie) Of je hoopt gevonden te worden Zomaar op straat En dat iemand zegt “Ik ben al tijden naar jou op zoek Nu kunnen we verder”   Het is hoe je kijkt Hoe alles uiteindelijk blijkt net niet genoeg te of veel te veel Hoe je de veren van je vleugels verloren denkt (Ik kan aan komen zetten met was zoveel ik wil) Hoe de gedachte dat je dingen te verliezen hebt je doet verdwijnen   Je rook eens aan een meisje Aan haar hals Was plots niet meer zeker van wat je daar te zoeken had Waar je op hoopte (Ik denk: iets vinden voor je navel of gevonden worden op straat maar het kan ook iets anders zijn geweest zoals het bergbeest - daar kom ik misschien nog op terug) En of ze wel jouw soort was   Haar hoofd ligt de laatste tijd vol met zandzakken Overvol Ze houdt zich voor het gemak graag van de domme en vergeet ondertussen voor het gemak haar naam Mensen zeggen wel eens dat met haar niet te praten valt of niet echt Daar verontschuldigt ze zich voor Ze valt vaak maar  Niet samen met zichzelf   Ze weet dat jij wel samenvalt (In de mate van het mogelijke) Ze vindt het onmogelijk om in jou geen homo universalis te zien hoe graag ze ook stiekem heel af en toe stilletjes op je zou willen neerkijken Elk mens verdient medelijden (In de mate van het fatsoenlijke) Als ze naar je omhoog kijkt moet ze denken aan Icarus en dat maakt haar bang Ze verstopt de was voor de veren achter het behang   Jij bent simultaan god en aanbidder Heel af en toe ook gewoon mens maar dat staat je minder Boetseert wolken doet klei zweven Even lijkt het alsof alles verbonden  En niets gevonden Omdat het er al is     Bergbeest II   We verhuizen later naar een berg die ook een beest is Die elk moment kan vertrekken Dan kreunen de bomen Schokt de grond Wij gezellig mee Of we bergen verzetten Of de berg zichzelf  Is uiteindelijk niet van belang              

Marieke Ornelis
94 1

Manuscript zoekt uitgever.

Synopsis “Doorheen gebroken vensters”.   Wanneer het hoofdpersonage ontdekt dat zijn partner vreemd gaat, stort zijn hele wereld in en dat mag je gerust letterlijk nemen. In zeer korte tijd valt hij in een wereld van angst, vernieling, uitsluiting, ongebreidelde seks, giftige ontmoetingen en waar zekerheden niet bestaan. Na een namiddag doorgebracht te hebben met een ongekend iemand, regelt hij de begrafenis van zijn moeder. Hij herinnert zich dat zij hem een geheim toegefluisterd heeft toen hij nog een kind was. “Dit blijft tussen ons” zijn de enige woorden die hij zich herinnert. Deze zin heeft zijn hele leven geboetseerd. Sindsdien heeft hij de wereld rondom hem gefantaseerd, als houvast, omdat het daar veilig was. De echte wereld, zegt hij, is een illusie waar hij niet aan kan. Hoe kan hij uiteindelijk zijn moeder laten rusten en zichzelf tenslotte rust geven? Vluchtige personages personifiëren het negatieve van de maatschappij rondom hem. Zijn schoonzus die op geld aast, zijn zus die een zangcarrière beaamt, zijn broer, zijn vader en zijn vriend zijn afwezig in zijn leven en alleen ontmoetingen met gebroken mensen die zelf ook hun leven lijken te fantaseren, geven hem sterkte. Het verhaal neemt een kijkje in een onderwereld onder mannen, een Babylon zonder taboe, zonder schaamte, zonder schroom, met drift en lust. Een wereld waar seks eerder destructief werkt dan dat het zijn leven zou louteren en waar het beeld van de ander en zichzelf ondraaglijk is geworden. De moraal die de maatschappij hanteert schrijft kant-en-klare oplossingen voor maar voor hem lijkt vallen de enige oplossing te zijn om naar iets beters te gaan. Het is een helende en onconventionele zoektocht doorheen de duisternis van de ziel, waar alledaagse tot zelfs banale tegenslagen en voorvallen des levens niet meer overwonnen kunnen worden en waar verkeerde ontmoetingen van allerlei bedenkelijk allooi uiteindelijk het antwoord verbergen. Ligt de berusting uiteindelijk niet in het destructieve? En is de ontmoeting met Polux dé verlossing naar de realiteit van zijn leven?   Het is niet een ‘proper’ verhaal, het is niet het zoveelste geschreven verhaal over de liefde, het is geen eind-goed-al-goed sprookje. Het gaat over hoe ‘vensters in je eigen huis te doorbreken’ om toch iets van zichzelf over te houden, weliswaar gebroken.   Het is een verhaal dat tot stand is gekomen door observatie. Het is niet autobiografisch, hoewel ik graag toegeef dat bepaalde elementen hun inspiratie en oorsprong vinden in sommige belevenissen en als uitgangspunt hebben kunnen dienen om het verloop van het verhaal vorm te geven. In dat opzicht, en ook om de kracht van het verliezen te onderstrepen, is het verhaal in de ik-vorm geschreven. Het hoofdpersonage heeft om die reden geen naam. Het personage is uitgezuiverd tot wat de man louter voelt en beleeft.   Het genre dat ik schrijf valt onder de autofictionele roman. Die inspiratie komt o.a. van de boeken van de Franse schrijfster Christine Angot, , het werk van de Franse auteur Guillaume Dustan, de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Of zoals vermeld in mijn manuscript : Mireille Cottenjé en Anja Meulenbelt. Ook de elpee  “Den Ständiga resan” van de Zweedse Marie Fredriksson heeft voor dieptegang gezorgd. Verdere inspiratie zijn ook mijn eigen ontmoetingen met mensen in allerlei situaties. Ik ben geïnspireerd door vele verhalen en mensen die mijn pad kruisen. Ook muziek speelt een belangrijke rol in mijn leven : een stem of een sfeer in een song, soms louter een woord, geeft me zuurstof om eigen verhalen uit te werken. Ik schrijf vanuit wat me bezielt, niet enkel wat mij of iemand anders bekoort. Ik schrijf vanuit het authentieke naar het authentieke, ik herschrijf niet wat al geschreven is. Mijn stijl is ruw, schuurt en tekent niet altijd het mooie van de mens. Ik schrijf wat écht is, wat gevoeld wordt, niet wat aangevoeld wordt. Tenslotte wil mijn schrijven herkenbaar zijn voor de lezer zonder te vallen in het pathetische of charlatan psychologie.   erwinabbeloos.over-blog.com/2019/07/synopsis-doorheen-gebroken-vensters.html    

Erwin Abbeloos
63 0