Zoeken

Verbleekt rood

Rood haar zelf geknipt valt over haar zorgvuldig omlijnde ogen. Wanneer ze me aankijkt als ik binnenkom met mijn bagage van de dag knapt mijn overspannen hart.   Piercings wilt ze niet, een tattoo misschien en ze verbaast zich over zoveel onbegrip. Bijna vijftien is ze nu, nog altijd speurend naar verjaardag bezoek. Instagram is haar portaal, haar make up haar verhaal. Ze is het kind van een alcoholist, een kind uit het elfjesbos.   Ze flirt de godganse dag met haar eigen spiegelbeeld, maar vreest de marges tussen de omlijsting en haar kamer. Haar kaders zijn de muren van onze sociale huurwoning en haar overgebleven data.   Zomervakantie is voor haar een straf gevuld met lege dagen. Vriendinnen maken kan ze niet, vrienden zijn nog minder.   Ze is een dochter van een sterke vrouw zelfvoorzienend en alleen. Alleen zij kent de uitgegumde wazen over de lijnen van mijn verhaal.    Ze lijdt, ik zie het en alles wat ik haar bieden kan zijn mijn verstramde pogingen tot kalmte.   Ze plooit zich naar mijn humeur en naar mijn tijden van aankomst en vertrek. Ik duw, ik trek, ze trekt futloos terug.   Haar kont is van een jonge vrouw, haar duim nat van haar mond. Haar knuffel klampt zich vast aan haar wuivende kindertijd. Het heeft enkel nog een kopje, zijn lijf hangt aan elkaar van 15 jaar verdriet en eenzaamheid.   Ik wil haar dragen weg van hier naar stroomopwaarts. Naar een thuis waar een vader is, een zus en fijne buren en vrienden die spontaan binnenvallen en allen blijven eten.   In het weekend maakt ze plaats voor mijn opgebloeide liefde. Ze weet van zijn bedrog. Wanneer ik mijn lach lach zie ik haar schouders dalen, wanneer ik vloek zie ik haar rug, wanneer ze zachtjes de kamer verlaat.   Ze is mijn kind gegroeid in het beste van wat ik had, het beste van twee kwaden.  Ik wil haar geven alles wat ik kan maar ik kan niet meer.  

Susanna
26 0

Magische hoestsiroop

Magische hoestsiroop      Ik ben opgegroeid tussen de kleine witte ronde en de langwerpig - ovaalvormige -blauwe. Pilletjes die je weer laten lachen wanneer je door liefdesverdriet wordt geraakt, die je wakker houden tijdens de blok in een examenperiode, of rustiger maken bij alle dagen heel druk.    Een snoepwinkel voor grote mensen noemden mijn papa en mama hun apotheek waar ze vaak zalfjes verkochten aan meisjes met een droge huid of magistrale bereidingen klaarmaakten die dienden om de verzwakte bijtjes van sommige mannen weer tot bij het bloemetje van hun geliefde te laten vliegen. Dat was voor in extreme gevallen én op voorschrift.    Een dokter was bij ons thuis onbekend. Diarree, acné, bronchitis, voor ieder kwaaltje had de grote apotheekkast van papa en mama wat in de aanbieding. Ik kon zo vaak ziek worden als ik maar wilde, alles was voorhanden. Instant. En het was gratis. Maar ik werd nooit ziek.    Het leek wel of die tot de nok gevulde schappen een helende werking op mij uitoefenden en die kast mij als een engelbewaarder haar helende hand boven het hoofd hield.    Ik was al vijftien toen ik voor de eerste keer ziek werd. Een vieze hoest die maar niet wilde overgaan. Een hardnekkige blijver waar je je na week zeven toch vragen over zou moeten stellen. Voor mijn ouders was een hoest niet erg genoeg om een dokter lastig te vallen. In de kast stond wel iets dat kon dienen.   Ik zal het gevoel van mijn lippen tegen het glazen flesje en de donkerbruine siroop die langs keelholte en door slokdarm mijn maag binnenliep voor altijd koesteren. Iedere avond voor het slapengaan dronk ik van het uitverkoren drankje van het derde schap, tweede plaats van links, dat mij ging genezen.    Het hoesten minderde al na enkele dagen zonder dat ik er erg in had. Ik was te verdoofd door de geheime samenstelling van het siroopje. In het begin voelde ik mij licht in het hoofd en sliep als een roos. Ik werd ook overdag rustiger en zag overal het plezante in. Het glas was constant halfvol.    Na een tijdje kreeg ik de meest verhelderende dromen waarin ik mezelf zag afstuderen met grote onderscheiding als plastisch chirurg. Een transfer naar voetbalclub FC Barcelona werd met veel toeters en bellen ondertekend in Camp Nou, met een gouden vulpen onder het toeziend oog van Messi in hoogsteigen persoon.   Mijn examens in juni verliepen vlekkeloos. Resultaat: een hoop hoge cijfers en twee medailles op de door onze school georganiseerde zwemwedstrijd, plus een eerste plaats bij de jeugdjumping aan de zijde van Jeunesse, de pony die ik dankzij mijn uitstekende rapport had verdiend. Bovendien speelde de ploeg waar ik sinds mijn vierde iedere zondag vol overgave op het veld stond, na zeventien seizoenen nog eens kampioen en werd ik de topschutter van de competitie.    Er was geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om te stoppen met mijn wondermedicijn.   Maar de kast bleek niet zo magisch te zijn dan ik had gedacht. Ze kon zichzelf niet aanvullen. Bovendien hadden mijn ouders gemerkt dat mijn hoest bijna over was en dat ik alleen ’s avonds op onverklaarbare wijze een geforceerd kuch-keelgeluid bleef produceren. Het leek niet in het minst op de hoest van enkele weken eerder.    Siroop werd verboden, de kast ging op slot. Gelukkig had ik al lang van tevoren een sleutel laten bijmaken. Vanaf nu zat er niets anders op dan op creatieve wijze mijn drankjes te nuttigen.   Wat ik vervolgens heb gedaan, jaren aan een stuk zonder dat mijn ouders het ooit te weten zijn gekomen of dat een klant er zich is over komen beklagen; ondanks de vreemde, fruitige smaak die ik ongetwijfeld moet hebben achtergelaten - was: keer op keer alle flesjes hoestsiroop uit de kast halen, de helft overgieten in Coca-Cola flesjes, die ik in mijn kamer verstopte, om vervolgens de andere helft van de hoestsiroopflesjes te vullen met grenadine van zwarte bessen alvorens ze weer op het derde schap te zetten, tweede plaats van links.   Of ik ooit aan hoestsiroop verslaafd ben geweest weet ik niet. Wel was er een hele tijd dat sluimerende verlangen iedere avond weer die mooie kleurrijke verhelderende dromen te dromen. Belevenissen die ik zonder mijn doorgedreven imitatie-hoest waarschijnlijk had gemist.    Voor die nachtelijke escapades ben ik dankbaar. Misschien heeft een overdaad aan magische beelden in mijn slaap mij tot het besef doen komen dat, om gelukkig te zijn, je niets anders nodig hebt dan jezelf en het leven zoals het zich op dat moment aandient. Dat geluk gewoonweg simpel kan zijn.    Toen ik verliefd werd op een meisje met droge huid -ondertussen zijn we getrouwd- en ik een contract tekende bij een voetbalclub uit derde nationale, studeerde ik uiteindelijk af als huisarts.    Het glas champagne tegen mijn lippen tijdens de proclamatie herinnerde mij aan het geheim van mijn jeugd dat in een kast bij mijn ouders stond.    En ik wist: nu is het tijd geworden om anderen te genezen, om voor hen de allerbeste siroop te maken en erop te wijzen dat dromen hoe onmogelijk ook, in werkelijkheid slechts één kuch verwijderd kunnen zijn van een glas zwarte bessen grenadine.

Sascha Beernaert
103 0
Tip

Beloftevol blauw

Jullie uniformen hingen te drogen op de draad rondom het schoolterrein. Ze waren van de mooiste tinten beloftevol blauw, alsof de school jullie zo een toekomst wilde garanderen als die van een koning, of van Yves Klein. De school leek verlaten, hoewel de vakantie pas over twee weken zou beginnen. De ventilatoren draaiden niet. Het alfabet werd niet in meerstemmigheid opgedreund. Achter de ramen verschenen geen olijke gezichtjes. Jullie meterslang uitgestalde uniformen konden ons enkel jullie stemmetjes en spel doen vermoeden. We slenterden wat langs de draad. De leraressen in mijn groep waren teleurgesteld en keerden al snel terug. Ze hadden graag een les mee gevolgd, of een leerkracht geïnterviewd. De aanblik van de verlaten school met slechts twee lokalen, één schoolbord en beduidend meer stoelen dan lessenaars had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Toen zag ik jou. Je stond in de deuropening, onbeweeglijk. Argwaan had je doen bevriezen op je weg naar buiten. Je blik liet me niet los, met je ene hand klemde je je vast aan de deurstijl. Je reageerde niet op mijn groet, noch op mijn vraag of ik je mocht fotograferen. Daar, in die deuropening, tussen al dat blauw en met wantrouwen in je ogen, was je prachtig mooi.   Je bleef maar kijken, ik werd er ongemakkelijk van. Ik wilde zachtjesaan voor je ogen vervagen, ik wilde verdwijnen zonder te bewegen. Toen ik uiteindelijk langzaam achteruit week, lieten je ogen me niet los. Ik draaide me om en keerde terug naar mijn groep. Ik vertelde niet dat ik jou gezien had, maar stelde voor om te vertrekken. Enkele tientallen meters verder keek ik nog één keer over mijn schouder. Je stond er nog, onbewogen, en een ogenblik lang verbeeldde ik me dat je me recht in m'n ziel keek.   Ik diende de foto in voor een wedstrijd en viel ermee in de prijzen. Nu hang je uitvergroot boven mijn bureau, je ogen volgen me doorheen het huis. Verder blijf je voor eeuwig onbeweeglijk, immer onbewogen. 

Hilde Christens
246 2

De Raadselige Roos 2019: schrijfwedstrijd voor amateurs van Literair Café Venray

Een nieuwe Raadselige Roos van Literair Café Venray  Zoals elk jaar nodigt Literair Café Venray en de organisatie van De  Roos , alle amateur-dichters en     -prozaïsten in Nederland en Nederlandstalige België uit om deel te nemen aan de inmiddels alweer 27ste editie van de schrijfwedstrijd ‘De Raadselige Roos’.    Ten opzichte van de voorafgaande jaren zijn er enkele wijzigingen, verbeteringen doorgevoerd om deze schrijfwedstrijd nóg aantrekkelijker en toegankelijker te maken voor meer amateur-schrijvers en -dichters. Deelname is voortaan mogelijk voor iedereen vanaf 16 jaar en woonachtig in héél Nederland en Nederlandstalig België. De inschrijfkosten voor deelname zijn verlaagd van € 25,- naar € 20,- voor deelnemers van 26 jaar en ouder en naar € 10,- voor deelnemers van 16 jaar tot en met  25 jaar.      Een gedicht moet uit minimaal 50 tot maximaal 150 woorden bestaan. Een prozaverhaal uit minimaal 500 tot maximaal 1500 woorden. Zowel een  ingezonden gedicht als verhaal mag niet eerder gepubliceerd zijn. Iedereen kan aan De Raadselige Roos-schrijfwedstrijd deelnemen door vóór 1 oktober 2019 één gedicht en/of één verhaal per e-mail in te zenden naar: raadseligeroos@literaircafevenray.nl. Wanneer men een gedicht én een verhaal inzendt, dan zijn de inschrijfkosten respectievelijk € 25,-  of € 15,- euro. Dit jaar is gekozen voor het thema ‘bevrijd’, dat  centraal staat in en het verplichte thema is voor alle inzendingen, zowel poëzie als proza. Een vakjury-poëzie en een vakjury-proza kiezen elk een eerste, tweede en derde prijswinnaar. Hun inzendingen worden opgenomen in de bundel De Raadselige Roos 2019. Beide nomineren eveneens vijf werken van dichters en verhalenschrijvers voor publicatie. Daarnáást kiest een publieksjury één winnaar in de categorie poëzie voor de Rooje Roos-prijs en nomineert zij eveneens het gedicht van vijf dichters voor publicatie in de bundel.   De feestelijke bekendmaking van de winnaars en genomineerden vindt plaats op zondag 19 januari   2020 in de foyer van de Venrayse Schouwburg. Voor de beide eerste prijswinnaars in de categorie poëzie en proza en de winnaar van De Rooje Roos-prijs, zijn er een mooie trofee, het juryrapport en een boekenbon van € 30,- . Voor de tweede en derde prijswinnaars in de beide categorieën zijn er het juryrapport en een boekenbon van respectievelijk € 25,- en € 20,-. U kunt alles over Literair Café Venray, De Raadselige Roos, het reglement voor en verder informatie over de schrijfwedstrijd nalezen op: www.literaircafevenray.nl 

literaircafevenray
123 0

Madame Cézanne

‘Is dat een Cézanne?’ Michel draait zich verstoord om in de wirwar van witte, beslapen lakens. Wanneer hij slechts een vage vlek in de deuropening ziet, zoekt hij naar zijn bril. Maar de vaste plek, onder de linkerkant van het bed, is leeg. ‘Op het nachtkastje! Hij lag op de grond.’ Geïrriteerd tast hij het nachtkastje af. Zijn bril, aangeraakt en verlegd door haar handen, voelt al bijna niet meer als de zijne. Door zijn ontvreemde bril, koud op zijn neus, tuurt hij naar de deuropening, waar ze staat met het schilderij in haar handen. Het is, inderdaad en verontrustend, Madame Cézanne. Niet te geloven. Natuurlijk had ze die eruit gepikt. Had hij het schilderij maar niet zo slordig naast de strijkplank gezet. Zevenentwintig jaar en twee maanden had het tegenover hun bed gehangen. Zevenentwintig jaar lang had hij daar niets op tegen gehad. ‘Andere vrouwen willen een ring, ik wil een Cézanne!’ had Marie ooit gezegd. Ze hadden erom gelachen. Maar de laatste twee maanden, zo alleen in bed, had de starende blik van de schildersvrouw, strak in het rood, hem steeds meer gestoord. ‘Zet die onmiddellijk terug!’ snauwt hij haar toe. Haar glimlachende mond plooit zich in een treurige streep. Als een geslagen hondje trippelt ze in niets meer dan een fijn, wit onderbroekje terug naar de andere kamer. Hij zucht. ‘Monique, zo bedoelde ik het niet. Kom je terug?’ Alsof er niets is gebeurd, komt ze vrolijk de kamer binnen en springt terug bij hem in bed. Wat een kabaal toch, die jeugd van tegenwoordig, denkt hij wanneer ze zich energiek in zijn armen nestelt. Eén van haar hoekige armen port onbedoeld in zijn zij. Het nichtje van Jean is sinds twee dagen aangekomen in Parijs. Ze begint aan een opleiding filosofie. Of ze een paar dagen bij hem kon overnachten, terwijl ze op zoek was naar een studentenresidentie? ‘En ondertussen kunnen jullie toch gezellig praten over Sartre, nee? Het is win-win voor iedereen!’ Hij kende Jean al jaren en had de zenuwachtigheid gehoord in zijn stem aan de telefoon. Sinds de ouders van het meisje vorig jaar begonnen waren aan een vechtscheiding, even passioneel als hun voormalige relatie, was Jean zo'n beetje aangewezen als haar informele voogd. Die taak leek zijn vriend meer met angst te vervullen dan met plaatsvervangende vaderliefde. Hij had in een bui van nihilisme toegestemd – het was tien uur ’s avonds en de kat sliep zoals steeds vaker de laatste tijd, bij de buren. En nu ligt ze hier. Monique. Naakt in zijn armen. Op geen enkele manier gemotiveerd om een verblijfplaats te zoeken, of zelfs maar een stap uit de deur te zetten. De halfvolle verhuisdozen rond het bed geven hem een moedeloos gevoel. Over drie weken vertrekt hij. De nieuwe functie aan Cambridge ziet er met elke ingepakte doos steeds minder aantrekkelijk uit. Maar de keuze is nu eenmaal gemaakt. Marie is weg. Zonder haar heeft het toch geen zin. Zijn blik blijft nog even rusten op een stapel kleren, halfslachtig in een verhuisdoos gepropt. Een morrelend geluid doorbreekt de stilte van het appartement. Monique houdt als betrapt haar handen voor haar buik: ‘Mijn buik rommelt soms,’ zegt ze met rode wangen. Hij kijkt naar haar. Met dat korte, zwarte haar en die slungelige, magere ledematen. Dat kleine gezichtje met die grote, donkere ogen. En overal blauwe plekken. Ze is ook zo onhandig, te hoekig en te hevig. Hij begrijpt dat ze geen vadergevoelens oproept in Jean. Ze lijkt wel een versleten lappenpop. Misschien wat te houterig, wat te scherp, maar ook weerbarstig aandoenlijk. Kwetsbaar, maar misschien ook onsterfelijk. Iets om in het rond te smijten, iets om door plassen met modder te halen – en dan te knuffelen. ‘Kom uit dat bed,’ zegt hij.   Parijs is vandaag mooier dan ooit, wat een afscheidsgeschenk. De Eiffeltoren rijst op uit de frisse dauw, terwijl de kasseien langzaam opwarmen in de gloed van een sluimerende ochtendzon. Hij propt een stokbrood in haar mond, eet zelf een halve croissant, slurpt zijn veel te zwarte koffie, en troont haar mee naar alle kleine plekjes, alle vroegere tijden, alle vergeten momenten met Marie. ‘En daar, aan Montmartre…’, ‘en daar, in de Rue de Thermopyles…’, ‘en hier, op dit bankje, in deze straat, bij dit fontein en deze boom!’ En Monique is weergaloos. Het lange, zwarte kleed zwiert om haar benen. Ze knipoogt van onder een grote, rode hoed. De hoed van Marie. Terwijl hij het bordje in de keuken met kattenvoer vulde, had hij haar betrapt voor de spiegel in de hal. Langzaam had ze haar lichaam gedraaid, terwijl ze haar eigen gestalte keurde. Het hoofddeksel, scheef op haar hoofd. Blik gefixeerd op de spiegel had ze, met een onbeschaamd voyeurisme van een meisje nog nieuw in haar eigen lichaam, met haar heupen gewiegd en een kleine pirouette gemaakt. Ondanks zichzelf moest hij glimlachen. In een opwelling had hij gevraagd: ‘En, wat zegt de spiegel?’ Zij was opgesprongen, verschoten van zijn plotse mannenstem in de stille hal. Ze bloosde. In het begin is het toch een beetje vreemd, de rode hoed, zo, op dat jonge hoofd. Maar wanneer de wind waait en Monique hem lachend toezwaait met één hand, de andere op de rode stof, de randen vrolijk wapperend – denkt hij: God, ze staat er beter mee. Hij laat toe dat ze zich vastklampt wanneer hij haar meetrekt over de kasseien. Hij vertelt haar honderduit, en alles door elkaar. Hij trakteert haar op rode wijn. Zegt dat ze niet mag morsen, morst dan zelf. Zij lacht, waarop hij lacht. Waarop hij zin heeft de hele wijnfles om te stoten. Al was het maar uit spontane uitbundigheid, verraste melancholie.  Zij volgt hem met dezelfde grote glimlach van  vanochtend, giet de wijn naar binnen, struikelt over kasseien, klampt zich vast, begroet bakkers, tuinmannen, oude vrouwtjes in de schaduw. Kijkt in tegen de felle zon en lacht, en houdt zijn hand vast in het park. Het kwartier van Saint-Victor kijkt hen na. Hij voelt het. De oude man en zijn lappenpop. Allemaal kenden ze Marie. De stad weet dat ze weg is. De stad weet dat Monique kijkt naar een soort kerkhof. ‘Wat een prachtig kerkhof. Vind je niet Monique?’ Monique knikt en ze geeft hem een kus.   Het is middag en ze zitten op een houten bank in het midden van een grote, witte kamer. Slechts één schilderij siert de muur voor hen. ‘Uncle Dominique,’ leest het plakaatje links onder. Het portret toont een man van rond de veertig, ingepakt in een kostuum dat even zwart is als zijn dikke baard, zijn borstelige wenkbrauwen en zijn strak naar achter gekamde hoofdhaar. Met zwarte ogen staart hij naar een punt voorbij de schilder. Bijna alsof hij zich erbij heeft neergelegd, denkt hij. Het leven. De eenzaamheid. Zijn stramme schouders.    ‘Hoe vielen jullie in slaap?’ fluistert Monique. Zijn blik blijft hangen op de wang van de man. Een roze veeg lijkt bijna een traan. -‘Marie kon nooit slapen,’ fluistert hij terug. ‘Steeds wanneer mijn ogen toevielen, begon ze te wriemelen. “Niet in slaap vallen, ik wil de eerste zijn!” zei ze, en ze bleef aan mijn oor trekken tot ik reageerde.’ Hij glimlacht, maar heel even. ‘Nu ben ik degene die niet kan slapen.’ -‘Tenzij de kat bij je in bed kruipt.’ Hij kijkt op. Monique kijkt nog steeds naar het schilderij. Zonder om te kijken zegt ze: ‘Mijn vader is net zo.’   Pas tegen negen vinden ze een plek om te eten. Hij had haar eerst meegenomen naar zijn vaste plek, Chez René, zichzelf alvast verkneukelend over de coque au vin. Maar bij Chez René stond oreo-ijs niet op de dessertkaart. In het begin had hij het grappig gevonden, vertederend bijna. Hoe ze van restaurant naar restaurant liepen. Hoe de obers haar hadden aangestaard: ‘Oreo? Nee, madame.’ Hij houdt het slappe stukje pizza tussen zijn duim en wijsvinger. Hun tafeltje wiebelt op de ongelijke tegels van het trottoir. Een auto rijdt luid toeterend voorbij.   ‘Te bedenken dat we vanavond hadden kunnen genieten van – ’ -‘Heerlijke coque au vin, ja.’ ‘Ik had niet de indruk dat je iets tekort kwam vandaag.’ Langzaam steekt ze een sigaret op, en houdt haar blik strak gericht op de muur achter hem. ‘Je hebt niets toe te voegen?’ Eerst ontwijkt ze zijn blik, maar wanneer hij haar blijft aanstaren, valt ze plots uit: ‘Nee, ik heb niets toe te voegen! Niets! En ik kom niets tekort. Niets!’ Haar stem klinkt hees. Op de achtergrond vallen een paar glazen kletterend op de grond. ‘Helemaal niets. Ik heb niets toe te voegen en ik kom niets tekort,’ zegt ze nu rustiger. De sigaret trilt in haar hand. Haar nagels zijn afgebeten. Wanneer ze zijn blik opmerkt, trekt ze de mouwen van haar vestje over haar handen. Wat zou Marie hiervan denken, vraagt hij zich af. Ze zou waarschijnlijk met hem lachen: ‘Lieve, waar ben je nu weer mee bezig?’ - ‘Ik weet niet wat me bezielt. Het enige dat ik weet, is dat ik nu, hier, bij jou wil zijn,’ zegt ze. ‘Je kunt toch moeilijk nu al verliefd zijn,’ zegt hij. Ze antwoordt niet, maar laat zijn vraag hangen in het geroezemoes rondom hen. - ‘Nee, ik ben niet verliefd,’ zegt ze tenslotte. Haar blik volgt de rug van een voorbijganger. Het is een bejaard vrouwtje met een magere, kromme rug. In haar handen draagt ze twee zware, plastieken zakken. Moeizaam waggelt ze verder, de ene voet na de andere. - ‘Soms voel ik me zo oud,’ zegt ze. ‘Maar vandaag – vandaag niet.’ Ze kijkt hem aan en glimlacht. Haar ogen zijn vochtig. Hij nipt van de wijn. Bedenkt zich hoe het zou zijn. Hoe hij haar eindeloze dagen lang op sleeptouw zo nemen in de smalle straten van Parijs. Hoe hij haar met grote gebaren zou vertellen over Degas, Monet, Manet, Racin, Balzac, Baudelaire, Zola, de gebroeders Goncourt. Hoe zij hun namen niet uiteen zou kunnen houden, en ze zou blijven vragen naar Zola. Hoe zij hem zou vertellen: ‘Zonder jou ga ik dood.’ Hoe hij haar gezicht zou strelen met de tederheid van een oude man die weet dat dat niet waar kan zijn. Hoe hij op een dag zou sterven, en zij met de afscheidsbrief in haar hand zou kijken naar de gang vol schilderijen in bubbeltjespapier, aan haar geadresseerd op zijn expliciet verzoek. Hoe hij een afwezigheid zou zijn daarna, een verhaal waarover ze niet zou kunnen praten, een verhaal dat zou blijven kleven aan haar muren. De vereeuwigde voorganger van elke volgende man in haar leven. Haar eenzame mentor. Haar beste vriend, achteraf gezien dan. Ze kijkt naar hem. Vraagt ze zich af wat hij denkt? Haar blik dwaalt terug af. Ze wenkt een ober en vraagt om een cola. Misschien zou het triestig zijn. Misschien zouden ze jarenlang ongelukkig zijn, elkaar het leven zuur maken omdat ze niet meer zonder elkaar, maar ook niet met elkaar zouden kunnen leven. Zij, wrokkig omwille van de tijd die hij haar had ontnomen toen ze zelf nog te naïef was om te beseffen dat ze die had gehad. Hij, verbitterd om haar plotse uitvallen, haar kinderlijkheid die al snel al zijn charme had verloren en vervormd was tot een schelle achterlijkheid. Of zou ze te slim voor hem zijn? Reeds na een maand of twee verveeld gapen wanneer hij iets vertelde, en hem in de rede vallen: ‘Bedoelde je niet de Beauvoir?’ Hem verlaten voor een magere jonge kerel met donkere krullen en rode lippen – haar mannelijke spiegelbeeld. Zodat hij, wanneer ze elkaar per ongeluk op de markt tegen het lijf zouden lopen, zich niet alleen gebroken zou voelen bij het zicht van haar hand in de zijne, maar ook misselijk zou worden van dat bevreemdend gevoel getuige te zijn van iets dat even naïef als incestueus leek. - ‘Denk je dat ze elkaar ooit zijn tegengekomen?’ ‘Wie?’ -‘Madame Cézanne en Uncle Dominique.’ ‘Dat kan toch bijna niet anders.’ - ‘Denk je dat ze elkaar konden uitstaan?’ ‘Waarschijnlijk niet.’ - ‘Hoezo?’ ‘Madame Cézanne was niet meer dan een randfiguur. Niet opmerkelijk anders, dan dat ze uren poseerde voor haar man. Over wat zou ze het hebben, zomaar, op een zonnige namiddag? Laat staan met Uncle Dominique. Die in zichzelf gekeerde man, zwetend in dat zwarte pak, met de zon erop. Een triestige namiddag, zou ik zo denken.’ - ‘Zou Cézanne met hen gepraat hebben toen hij hen schilderde? Of gaf hij daar niet om?’ Hij haalt zijn schouders op, alsof hij zich wil verontschuldigen in de naam van de schilder. - ‘Hoe kan je uren bij iemand zijn, zo diep in iemands’ ogen staren om toch maar die tint blauwgroen, de tristesse, te vatten op een doek – zonder ook maar iets te willen weten over wat hen daar, zo stil en triestig, bracht?’  ‘Ik weet het niet, Monique. Ik weet ook niet alles.’ Plots voelt hij zich moe. - ‘Ik stel domme vragen, niet?’ Voor een moment wou hij dat ze niet zo breekbaar leek. ‘Ik heb jarenlang gekeken naar dat schilderij,’ zegt hij. ‘Telkens wanneer ik wakker werd, was ze het eerste dat ik zag. Haar harde ogen. Die lichtelijk neerbuigende, opgetrokken wenkbrauw. Haar handen, lijdzaam in haar schoot. Nooit heb ik me daarbij vragen gesteld. Ik bewonderde zijn spel van kleuren, de manier waarop hij haar handen niet had afgemaakt. Maar nu besef ik net dat ik haar nooit echt gezien heb. Dat ik niets over haar weet.’ - ‘Ze kijkt je nochtans recht aan,’ zegt ze, terwijl ze een nieuwe sigaret probeert aan te steken. ‘Geef dat aan mij,’ zegt hij wanneer de wind het vlammetje blijft uitdoven. Hij pakt de aansteker van haar over. Terwijl hij met zijn ene hand de aansteker ontvlamt, schermt hij met de andere hand de wind af van het puntje van de sigaret. Met haar handen maakt ze een kommetje over zijn hand. Het gebaar ontroert hem. - ‘Gelukkig heb ik jou,’ zegt ze, terwijl ze glimlachend een haal neemt. Ja, gelukkig, denkt hij.   De lichtjes aan de Seine weerkaatsen in het water. Monique laat haar benen bengelen over de rand. Ze rookt een sigaret en staart voor zich uit. Een jongeman spreekt haar aan: ‘Hebt u een vuurtje?’ De twee roken en praten, hij voegt zijn benen bij de hare. Hij zit wat verder. Zijn benen zijn stijf van het wandelen en het buigzame hout zit beter dan de harde grond. Hij bekijkt haar van op een afstand. Monique zal een mooie vrouw worden. En wat is ze jong. En hoe is ze lief. Voor hem, voor die onbenullige jongen, voor de wereld. Daar zit ze nu, met die onnozelaar, haar hele leven nog voor zich. En daar zat hij, toen, kijkend naar Marie, op blote voeten. De avond, het begin voor altijd. Nu, als een slechte grap misschien, wreedaardig gedupliceerd – maar even tijdloos glinsterend in de Seine. Monique laat de jongen alleen achter en komt naast hem zitten. Ze legt haar hoofd op zijn schokkende schouder. Fluistert woorden die hij maar half verstaat. Een slaaplied, of het einde van een sprookje misschien. Het helpt. Haar adem, warm tegen zijn oor. Een troostende jongemeisjesstem.  ‘Hoe doe je het toch?’ vraagt hij. Ze haalt haar schouders op. Haar make-up is wat uitgelopen rond haar ogen. Ze neemt nog een trek van haar sigaret en blaast langzaam, met licht getuite lippen, de rook naar de hemel. Samen kijken ze naar de nacht.

ianthe cooreman
127 0

Maagdelijk wit

De urn valt bijna uit Gerards handen als hij een vrouw met haar voorhoofd tegen zijn raam gedrukt ziet staan. Ze gluurt naar binnen en loopt dan naar de bel. 'Goedemorgen, ik ben de overbuurvrouw en ik woon dáárzo. Ik dacht, laat ik eens gaan kennismaken met onze nieuwe buurtgenoot!' Ze kijkt langs hem heen de gang in. 'Uw dochter heeft het mooi opgeknapt. Toevallig kwam ik haar gisteren op de stoep tegen, een leuke meid. Zullen we maar gewoon 'je' tegen elkaar zeggen? Op dit tijdstip van de dag smaakt koffie het allerlekkerst, vind je niet?' Ze maakt aanstalten om naar binnen te stappen, maar hij blijft in de deuropening staan. Een ogenblik lijkt ze haar evenwicht te verliezen. 'Het komt wat ongelegen. Een andere keer als u het niet erg vindt.' Hij beantwoordt haar verbouwereerdheid met een vriendelijk knikje, doet de deur dicht en leunt ertegenaan. De muren zijn glad en wit. Marijke heeft zonder meer haar best gedaan. Hij mag van geluk spreken dat er zo snel een seniorenwoning vrijkwam. Op een hoek nog wel en met een tuintje bij de voordeur. Iedereen was het erover eens: een mooi licht huis. Maar wat is het verdomd wit allemaal. En kaal. Zelfs zijn slechte ogen doen daar niets aan af. In zijn oude huis was hij omringd door al hun spullen en een kapstok vol hoeden. Hij zag dan zo Anne weer voor zich, struinend tussen de kramen. Hoeveel markten zouden ze bezocht hebben tijdens hun reizen? Nooit bleef het bij één souvenir. Hij hield ervan haar te bekijken, terwijl ze aandachtig alles vastpakte. Hoe ze de ene na de andere hoed opzette en zijn blik haar spiegel was. Op het aanrecht blinkt Marijkes cadeau hem tegemoet. Haar instructie ligt er bovenop: waterreservoir vullen en één koffiepad per keer gebruiken. Waar is in godsnaam zijn eigen koffiezetapparaat gebleven? Vermoeid sluit hij zijn ogen. De oude keuken verschijnt met de ingekerfde centimeters op de lambrisering, waar hij automatisch zijn handen overheen liet gaan iedere keer als hij binnenkwam. De trotse blik van Marijke wanneer ze zag dat ze weer gegroeid was.  Een avontuur zonder Anne. Hij drukt zijn trillende handen stevig tegen de urn, voordat hij haar naar het midden van de dressoir schuift. 'Het kost gewoon tijd,' mompelt hij. En tijd heeft hij. Meer dan hem lief is.  

Monique Cunnen
7 0