Zoeken

Zoektocht naar rust

Het trachten, het zoeken, het verlangen. Het hopen te vinden van de rust, de stilstaande fase in een dagelijkse wedstrijd, een ratrace, een race tegen de tijd. Het verlangen en het zoeken naar een quasi onbestaande tijdelijke toestand om deze eeuwig te laten duren. De rust zo ver weg, zo ver van hier en zo schraal en bitter weinig aanwezig. Gestoord, verstoord worden door de verstoorders, hen die drukte, lawaai en onrust kwistig uitdelen als hing hun leven ervan af. De druk van de dagen, weken en maanden vooruit vol plannen, volle agenda’s, sociale verplichtingen, ontmoetingen, afspraken, noodzakelijkheden, drukten in ons bestaan. Cijfers van uren, cijfers van minuten, cijfers van dagen, weken, maanden. Een rat race met mensen, bezige bijen omdat het moet, omdat we er onszelf toe verplichten. De wanhopige zoektocht naar stilte, rust, bezinning, verandering, stabiliteit. Rust. Het gezoem van bezige bijen, van slierten auto’s, tractoren, vrachtwagens, die alsmaar diepere putten maken in de wegen en het landschap. De rubberen banden die zich kapot verslijten aan het asfalt, betonnen straten en kiezelwegen. Het schuren tot het bot. Het gekreun en gezoem tot kilometers ver. Autoloze, autoluwe dagen. Een zegen voor mens en machine. De zondagse rustdag. De zondag wordt uitgesteld tot de volgende vakantie. De volgende vakantie verbleekt voor een nieuwe vlucht uit de dagelijkse beslommeringen. Het uitkijken naar verlof, pensioen en rust om als het zover is opnieuw deze momenten weer bomvol te boeken met taken, opdrachten, uitstappen, verkenningen, studies, verplichtingen, … De hunker naar rust, de hunker naar actief bezig zijn, nuttig zijn voor onszelf en anderen, de maatschappij. Bezig zijn, druk zijn. Wanneer mag Doornroosje weer gaan slapen? De boze wolf weer boos zijn? Roodkapje weer gewoon door het (Haller)bos wandelen? Zonder dit op Twitter of Facebook te moeten posten? Omdat iedereen het doet en we er ons toe verplicht voelen. De asociale maatschappij die gemaakt sociaal wil doen. Alleen als iedereen het kan zien. Alleen dan. Ik leef als ik twitter. Ik leef als ik facebook. Maar ik heb geen flauw idee wie de buurman is, de man of vrouw in de trein, in de winkel, naast ons. We zijn doof (dood?) als het geen likes oplevert. We weten niet meer wat we posten. Facebook vertelt het ons wel een jaar later. Druk doen, druk bezig zijn, de tijd, ons leven verder doen of verdoen, nuttig of nutteloos bezig zijn omdat het moet. Omdat ze willen dat we het allen zo doen? https://autismestorm.home.blog  

Autisme Storm
0 0

De wachtkamer

Katrien staart afwezig naar de rode teller aan de muur. De cijfers zijn al een hele tijd niet meer gewijzigd. Er zijn nog heel wat wachtenden voor haar en langzaam aan vult de grote wachtkamer zich verder met patienten die na haar komen. Volgens een ongeschreven wet gaat iedereen zo ver mogelijk uit elkaar zitten.   Nerveus speelt ze met het papiertje met haar volgnummer en kijkt op haar horloge. In een ziekenhuis is een afspraak niets waard. Ze probeert zich te concentreren op het boek dat ze heeft meegebracht. De knoop in haar maag laat zich echter niet zomaar negeren. ‘Het is niets,’ houdt ze zichzelf voor, ‘Alleen de hechtingen verwijderen en kijken of alles in orde is. En waarom zou het niet in orde zijn? Straks is het jouw beurt en dan is het zo voorbij. Dan is het hele domme ongeluk verleden tijd.’ Ze herleest de laatste pagina, maar het geritsel en geschuifel in de wachtkamer blijven tot haar doordringen. Verderop zitten twee vrouwen met elkaar te fluisteren. In de gang passeren af en toe verpleegsters, soms met patienten in rolstoel en zelfs een branquard.   Dan verschijnt de verpleegster van de receptie in de wachtzaal. ‘De dokter is dringend weggeroepen, nog even geduld alstublieft!’ ‘Hoelang gaat het nog duren?’ vraagt een man met zijn kind op schoot, ‘We zitten hier al zo lang.’ ‘Dat weet ik niet, mijnheer’ is het antwoord. ‘Ik kan er ook niets aan doen!’‘O, wat zijn we vriendelijk vandaag.’ is het commentaar van de oude dame die naast Katrien is komen zitten. De wachtkamer is nu zo vol dat nieuwkomers wel verplicht zijn naast iemand te gaan zitten. ‘Het is toch altijd wat. Ik ga er vanuit dat ik pas s’avonds terug naar huis kan als ik s’morgens een afspraak heb. Dan kan het alleen maar meevallen. En ik heb koekjes bij.’ Ze laat de doos zien aan Katrien. ‘Moet jij hier vaak zijn?’ ‘Nee, gelukkig niet’ is alles wat ze kan antwoorden want de dame praat alweer verder. ‘Ja, je bent nog jong, ik ben meer hier dan thuis.’ Het laatste waar Katrien op zit te wachten zijn gedetailleerde ziekenhuisverhalen maar ze kan er niet onderuit. Ze knikt braaf op tijd ja en nee, gluurt ondertussen naar de onbewegelijke teller en naar haar horloge. Gelukkig zit er geen horrorverhaal over snijwonden en hechtingen tussen. Een verpleegster komt recht op hen af. Katrien ziet haar pas als ze al bij hen is. ‘Maar mevrouw, u moest in de wachtzaal aan het einde van de gang blijven. De dokter zit al op u te wachten.’ De oude dame zucht, ‘Maar daar zat ik alleen,....’ Ze staat moeizaam op, wenst Katrien sterkte en gaat met de verpleegster mee. Katrien herbegint de laatst gelezen pagina van haar boek. De afleiding heeft toch effect gehad maar nu is ze zich terug bewust van de knoop in haar maag. Als ze zich nu maar kon concentreren op dat boek. Waarom is ze toch zo nerveus? De dokter zal haar niet opeten.   Iemand scharrelt zijn jas en tas bij elkaar en verlaat de wachtkamer.De teller aan de muur is weer in beweging gekomen. Katrien kijkt op haar horloge. Straks is het haar beurt.

M. Peters
0 0

De Aanpassing

Ze zat voor het aanrecht op de grond bij het raam en wachtte. Het licht van de keuken was uit en de lamellen van het luxaflexgordijn stonden schuin naar boven gericht. Hij zou haar dus niet zien. Het wachten was zoals een spin op haar slachtoffer. Een vlieg misschien die nu nog onbekommerd rondzoemde en die haar, de spin, door de onschuldige onwetendheid van haar naderend einde, tot een godin verhief. Een kracht die naar eigen goeddunken over leven en dood besliste. Het web, minutieus gesponnen, was nog leeg maar zou snel gevuld worden. En ze voelde zich dodelijk, tot alles in staat. Dit gevoel was zalig. Bevrijdend! Dat was het juiste woord.   Maar het was ooit wel anders geweest. In het begin, toen de angst langzaam haar leven binnensloop, voelde ze zich dag na dag een beetje meer sterven. Toen was ze zelf zoals een minuscuul insect, vastgelijmd op de harige blaadjes van een zonnedauwplantje, dat langzaam de zon ziet verdwijnen. De angst wurgde haar en het leven werd elke dag grijzer en onaangenamer. Misschien zou ze op een ochtend gewoon niet meer wakker worden.   Sterven van angst, zou het mogelijk zijn, vroeg ze zich af. Natuurlijk wel. Er zouden vast en zeker dagelijks mensen sterven van angst. Waarom was de taal anders zo rijk aan angstwoorden? Ze had ze opgezocht en het waren er ongelooflijk veel. Van een lichte beklemming tot panisch met alle denkbare en ondenkbare variaties en gradaties. Er waren meer uitdrukkingen om angstgevoelens te beschrijven dan ze onthouden kon. Ze had ze allemaal opgeschreven, van het minst bang naar het meest om ze daarna dagelijks na te lezen. Elke dag had ze een woord of uitdrukking gekozen waardoor haar eigen gemoedstoestand het best omschreven werd. Haar angstdagboek was van bedremmeld en schuw al snel naar huiverig en benauwd overgegaan. Na sidderen en gruwelen waren kippenvel en het koude zweet aan de beurt. Ze dacht dat duizend doden sterven misschien het einde zou inluiden.   Maar niet voor haar! Hier in het donker wachtend op haar prooi en de overwinning bedacht ze licht huiverend van opwinding dat die duizend doden sterven niet haar eigen lot was. Zover was het uiteindelijk toch niet gekomen. Juist op tijd was daar die kentering, en duivels kon je uitdrijven, bedacht ze. Dat zou ze vanavond bewijzen.   Na de dood van haar ouders had ze een tijdje bij een oudere tante ingewoond en toen ze daarna hier in dit flatgebouw was komen wonen, had ze zoveel plannen gehad. Eindelijk op haar eigen benen. In drie dagen herschilderde ze al zingend de kamers. In de huurovereenkomst stond wel dat alle muren en deuren wit moesten blijven, maar daar had ze lak aan gehad. Dat waren zorgen voor over een paar jaar. Wie weet, als ze dit flatje in een eigen knus nest had omgetoverd, bleef ze hier wel wonen, had ze toen gedacht. Ze had interieurtijdschriften aangeschaft en een paar gedurfde kleurencombinaties afgekeken. Haar eigen kleurige biotoop, en het werden drie fantastische dagen waarin ze leefde op wijn en chips. Het slapen op de grond in een vrijwel lege flat had haar zich helemaal vrij doen voelen. Eindelijk!   Wat was ze naïef geweest. Die drie dagen schilderen bleken de enige probleemloze dagen, want daarna was de terreur begonnen. De morgen van haar inhuizing was het meteen raak, al had ze dat toen niet zo begrepen. De flat was op de benedenverdieping gelegen, wat de verhuis veel simpeler zou moeten gemaakt hebben. De aan de achterkant van het gebouw gelegen keuken, grensde aan een grote binnenplaats waarlangs de garages lagen. Het keukenraam was eigenlijk een deur, zodat als de verhuiswagen op de koer parkeerde, al haar spullen makkelijk door de keukendeur binnengehaald konden worden. Ze had heel de verhuizing nauwkeurig en grondig voorbereid. De inhoud van alle dozen was afgestemd op de kamer waar ze naartoe moesten en alles was gedetailleerd gemarkeerd en gemerkt. In theorie dus. In de praktijk bleek er ’s morgens een grote pick-up met de bak helemaal tegen haar keukendeur geparkeerd te staan, zodat er zelfs geen doos door naar binnen gedragen kon worden. Laat staan groter materiaal zoals kasten.   Zoeken naar een alternatief dus. Langs het raam vooraan was geen optie. Dat was in zo kleine compartimenten verdeeld dat er niks door naar binnen gehaald kon worden, tenzij enkele lichte dozen. Voor de zwaardere dozen was de onderkant van het raam te hoog. Langs de hal dan maar. Omdat die van buitendeur tot aan haar voordeur lang en smal was, betekende dit echter veel meer werk. Binnendraaien zonder de muren te beschadigen bleek een echt huzarenstukje. De door haar strak geplande verhuis liep in het honderd. Mannen die betaald worden om te sleuren en te slepen, doen dat ook. Alleen kwamen de meubels en dozen nu door alles wat deur en raam was en geen enkel ding bleek achteraf op de voorziene plaats te staan. Ze haatte chaos.   De pick-up was van de bovenbuurman. Daar kwam ze later achter maar toen was het al te laat om haar goed voorbereide verhuizing, die in een ramp veranderd was, nog te redden.   Elke flat had een aparte elektriciteitsmeter. Deze stond in de gemeenschappelijke kelder, zodat de meteropnemer er gemakkelijk bij kon. Praktisch! Alleen stond de hoofdschakelaar van elke flat dus ook in die gemeenschappelijke kelder, de kelder waar iedereen erbij kon. De tweede avond zat ze plots in het donker. Tegen de tijd dat ze de hoofdschakelaar voor de vierde keer opgezet had, was ze doodsbang. De rest van de avond bracht ze met een boterham bij kaarslicht door.   Op een dag belde de huisbaas. Hij meldde haar dat het verboden was om vuil te storten op de binnenplaats. Hij bleek in het bezit van foto’s die bewezen dat zij buiten haar keukenraam een heleboel rotzooi stockeerde. Op de foto’s leek het wel een vuilnisbelt. Hij wees haar op de clausule ‘onderhoud’ in de huurovereenkomst en vermeldde dat bij overtreding de huurtermijn niet verlengd zou worden. Het hielp niet dat ze volhield dat het haar spullen niet waren. De foto’s waren duidelijk achter haar appartement genomen maar dat moest dan gebeurd zijn op een moment dat zij niet thuis was.   Later kreeg ze een brief van de verhuurder met daarbij ingesloten de huurovereenkomst. De clausule ‘onderhoud’ was met fluostift aangeduid. Er was echter nog een tweede in geel gemarkeerd gedeelte: ‘De huurder verbindt zich ertoe om de muren en deuren in de originele staat, wit geschilderd, te laten.’ Erbij zaten foto’s die duidelijk van buitenaf door elk raam van haar appartement genomen waren en aantoonden dat zij de voorschriften overtrad. Ze voelde zich bekeken en betrapt. Begluurd in haar eigen omgeving. Dat wat veilig en van haar had moeten zijn, was bezoedeld. De gordijnen bleven voortaan ook overdag dicht.   Toen ze een paar dagen later thuiskwam, stond de bovenbuurman in de inkomhal en blokkeerde zo de doorgang naar haar voordeur. Ze schatte zijn leeftijd op midden veertig maar zeker was ze daar niet van. Wat haar betreft kon hij met zijn norse houding net zo goed ouder zijn. Hij verroerde zich niet en ging niet opzij. Aarzelend overwoog ze haar mogelijkheden. Ze had de keuze tussen zich smal te maken en met haar rug tegen de muur langs hem door te schuifelen of terug naar buiten te gaan en te wachten tot hij de hal verliet. Zenuwachtig wordend onder zijn starende blik voelde ze dat haar oksels nat werden van het koude zweet. Zijn linkermondhoek krulde licht omhoog, deed zijn linkeroog samenknijpen en vormde zo een gemene grimas op zijn gezicht. “Marginaal wicht”, grauwde hij tussen zijn tanden door, ”ga terug naar de steen waar je onderuit gekropen bent. Dit is een appartement voor fatsoenlijke mensen.” Ze koos voor de laatste optie en stapte achterwaarts terug naar buiten. Later op de avond glipte ze stiekem haar flat binnen.   Vanaf die dag was er telkens wel iets. Ze probeerde hulp te zoeken want wat kon zij in haar eentje doen tegen zoveel onrecht? Maar niemand geloofde haar of nam haar ernstig. De weinigen die haar geloofden hadden lachend gezegd dat hij, de bovenbuurman, misschien haar aandacht zocht. En anders moest ze hem maar eens goed de waarheid zeggen, kreeg ze als advies.   Ze had het dus opgegeven. Zou het met haar naam te maken hebben dat ze zo een makkelijk prooidier was? Haar ouders zaliger hadden getwijfeld tussen Claudia en Cynthia, had haar moeder haar vroeger verteld. Papa vond Claudia mooier en zo was ze Claudia geworden. Ze had het opgezocht. Claudia betekende: kreupel, hinkend, lam. Geen ontkomen aan. Een kreupele kon zich niet verdedigen. En ze had zich in haar rol geschikt, ze werd slachtoffer. Ze zweeg, verliet haar appartement pas wanneer ze zeker was dat de hal leeg was en probeerde elke confrontatie met haar kwelgeest uit de weg te gaan. Gelaten onderging ze haar lot en vulde haar angstdagboek met steeds krachtigere termen die haar wereld verengden en deprimeerden.   Maar op een dag kwam de kentering. Ze kon exact vertellen wanneer de transformatie begonnen was. Eerder toevallig eigenlijk. Op een zondagavond was ze moe en hongerig thuisgekomen. Vrijdags was ze bij een vriendin blijven slapen. Zogezegd om een glaasje te kunnen drinken en dan niet meer naar huis te moeten rijden met de auto. Eigenlijk was het om een rustige onbezorgde nacht te hebben, zodat ze eindelijk nog eens in kon slapen zonder tegen de angst te moeten vechten dat haar bovenbuurman ’s nachts terwijl ze sliep een gemene streek zou uithalen. Ze was er gebleven tot zondagavond. Langer kon niet meer want de volgende ochtend moesten ze beiden gaan werken. Bij het binnenkomen van haar appartement merkte ze dat de lichtknop het weeral niet deed. Geen elektriciteit dus. Maar vanaf wanneer? Ze was twee dagen weggeweest. Ze zag dat de keukenvloer nat was en controleerde vlug de ijskast. Waarschijnlijk was de hoofdschakelaar uit van vrijdagavond en dat betekende dat alles ontdooid en bedorven was, ook in de koelkast.   Het werd haar teveel. Tranen gleden over haar wangen naar beneden toen ze op de vloer ineendook. Radeloos huilend zat ze op de grond in de plas smeltwater. Toen ze geen tranen meer leek te hebben en haar gierende ademhaling overgegaan was in lichte hikjes, voelde ze hoe het smerige water haar kleren doorweekt had. Hoelang ze daar zat, wist ze niet maar opeens was haar blik op de doos met eieren in de open koelkast gevallen. Als gefixeerd had ze daar een tijd naar gestaard om toen bruusk de eieren uit de koelkast te grabbelen, de keukendeur open te rukken en naar buiten te stormen. Met kreten van woede had ze de eieren één voor één naar de schotelantenne op het balkon boven haar gegooid. Toen ze de kapotte dooiers langzaam naar beneden zag glijden ontsnapte haar een hysterisch giecheltje. Wat had ze gedáán? Terug binnen had ze een fles rode wijn uit de kast gerukt, onhandig ontkurkt en die glas na glas helemaal leeggedronken. Bij het laatste glas kwam ineens in haar verwarde hoofd de gedachte bovendrijven dat er eigenlijk niks aan de hand was want de relatie met haar bovenbuurman kon toch niet erger. Hij haatte haar om een of andere reden, maar hij zou haar niet erger kunnen pesten dan hij nu al deed. En wat kon hij bewijzen? In het beste geval zouden de eieren storing geven aan de ontvangst. Er zou vast wel niks kapot zijn.   Nog later kwam ze opeens tot de conclusie dat het eigenlijk best een goed gevoel gaf. Misschien kon ze zijn leven ook wel verpesten? Neen, beter nog, tot een hel maken. Een koekje van eigen deeg, heette zoiets. Dat was ze meteen gaan opzoeken, hier waren ook wel wat uitdrukkingen voor. Wraak was het juiste woord. Wreken, wraakzuchtig, wraakactie, wraakengel, wraakgodin,…Wie een kuil graaft voor een ander … Wie de bal kaatst … Vanaf die dag veranderde het angstdagboek drastisch van koers. In plaats van een moodboard van een verslagen ziel werd het een verslag van adaptatie, een weergave van perfecte assimilatie: wat gezaaid werd zal geoogst worden. De wraakgodin was geboren, weliswaar nog een prille baby maar die zou in snel tempo opgroeien.   Het uitdenken van de eerste actie had even moeite gekost, ze was tenslotte een aardig meisje, maar bleek achteraf een schot in de roos. In de Kringloopwinkel kocht ze een paar herenschoenen in een grote maat en in het park verzamelde ze de andere ingrediënten. Dat sommige hondeneigenaars zo laks waren met het opruimen van de drollen van hun misbakseltjes, kwam haar goed van pas. Ze haalde de schoenzolen door de uitwerpsels en maakte een voetstapspoor van buiten het appartement, door de hal, langs de trap naar boven tot aan zijn voordeur. Daar liet ze het ophouden. Het stonk verschrikkelijk. Tegen het uur dat iedereen thuiskwam van het werk, geurde de volledige hal naar hondenstront. De reactie kwam snel en was bevredigend. De commotie in de hal was enorm. De andere bewoners begrepen niet hoe je zo stom kon zijn om niet te merken wat eraan je schoenen hing en hoe je vervolgens het lef kon hebben om de hal in die toestand te laten. Wat hij erover zei maakte niet uit, het bewijs liep en geurde immers tot zijn voordeur.   Ze keek genietend door het spionnetje van haar eigen voordeur terwijl hij de hal poetste. Het gevoel dat haar die avond doorstroomde was helemaal nieuw maar uitermate verslavend, ze voelde zich slim en machtig. Al surfend op het internet diende zich de volgende ochtend een nieuw idee aan. Eerst maakte ze een valse alias aan met een e-mailadres waar een stukje van zijn naam in voorkwam. Daarna bestelde ze in verschillende onlinewinkels goederen op zijn naam en koos voor levering binnen de 24 uur. Als leveringsadres tikte ze de krantenwinkel verderop in. De eigenaar leek redelijk bevriend met haar bovenbuur, dus hij zou waarschijnlijk de pakjes niet weigeren. Het effect was minder goed te volgen maar vanuit haar raam dacht ze een discussie tussen hem en de winkeleigenaar te zien. Ze keken beiden boos en maakten een heleboel gebaren. Even later stond er een berg pakketten in de hal van het flatgebouw. Wat er daarna mee gebeurde wist ze niet, maar feit was dat de bovenbuurman er een heel aantal dagen nog chagrijniger dan anders uitzag. Hij stond nooit meer in de krantenwinkel.   Nieuwe daden bedenken bleek een fluitje van een cent, ze was er een creatieve meester in. Op een keer had ze een catalogus besteld bij een bedrijf voor erotische artikelen. Onder zijn naam uiteraard, maar met het busnummer van de grootste roddeltante in het appartement. Een tijdje later ving ze toevallig een gesprek op tussen een paar buren. Ze hoorde dat ‘hij’ toch eigenlijk wel een vieze kerel was en ‘dat ze het altijd wel vermoed hadden.’ Kon het nog mooier? Eindelijk erkenning voor hem, eindelijk zagen de andere mensen hem zoals hij echt was! Daarna was het alleen nog maar beter gegaan, elke actie voelde zelfs als een goede daad aan. Zij liet de wereld immers zien wat hij werkelijk was, een vieze slechte man.   Ze zat nog steeds in de keuken op de grond bij het raam en wachtte. Dit zou de kers op de taart zijn, haar ‘chef d’oeuvre’. Ze keek tussen de lamellen door naar buiten. Nog niks te zien. Ze had het helemaal gepland. Vanuit haar keukenraam kon ze de garages prima in de gaten houden. Ze wist precies van wie elke garage was, welke auto bij welke bewoner hoorde én ongeveer wanneer elke autobezitter vertrok of thuiskwam. Zo was ze er op een keer achter gekomen dat de pick-up niet zijn enige auto was. Hij had er nóg een. Een BMW 325i cabrio uit 1986 die hij met zoveel zorg omringde dat het belachelijk was. De affectie, die hij tentoonspreidde voor zo’n lelijke auto, maakte hem in haar ogen nog enger. Dagenlang lag hij op de grond aan dat ding te sleutelen. De oldtimer werd volledig gerestaureerd en het moest hem heel wat geld gekost hebben. Ze had het opgezocht.   Enkel in het weekend reed hij af en toe met de BMW. Die stond op een van de staanplaatsen tegenover de garage, want op die dagen zette hij de pick-up binnen. Ze wachtte. Op de achtergrond hoorde ze in de verte het geluid van een ziekenwagen. Of was het een brandweerauto? Verder was het stil. Langs haar stond een lege bus remolie.   Ze voelde zich machtig. Van slachtoffer naar jager, niet slecht, bedacht ze. Ze wachtte nu al een hele poos, maar het zou het waard zijn, want ze zou zijn gezicht zien vanuit haar schuilplaats als hij ontdekte wat remolie met autolak deed. Ze was helemaal rond de auto gelopen, ondertussen het goedje uitgietend. Zoiets simpel en verkrijgbaar in elke autospeciaalzaak.   Ze wachtte en hoorde het geluid van de ambulance dichterbij komen en toen plots verstommen. De hele verdere nacht had ze gewacht maar hij was niet gekomen. De BMW was blijven staan op de parking en ’s morgens hoorde ze dat een van de buren, die de beschadigde auto opgemerkt had, hem daarvan op de hoogte had gebracht. Het had hem geraakt, zij had hem geraakt. Hoewel de MUG er snel bij was geweest, had reanimatie niet geholpen. Een hartaanval had hem geveld, de duivel was uitgedreven.   Ze zou haar naam veranderen, vanaf nu wilde ze Cynthia heten. Het was de bijnaam van Artemis, de Griekse godin van de jacht en tweelingzuster van Apollo. Passend vond ze. Ze had het opgezocht.

Kris Roef
0 0

Midday in Paris

 We zijn in Parijs. Gisteren aangekomen in een klein gelijkvloers appartementje. De meisjes vonden het top, ik vond het top, alleen mijn wederhelft vond het middelmatig. Lichtjes teleurgesteld. Anderzijds kon ik enkel blij zijn met het feit dat we in Parijs zijn. Op één of andere manier heeft Parijs voor mij een magie die met niets te vergelijken is.   En ja, ondanks dat ik een hekel heb aan luchtvervuiling en ik het niet zo op heb met drukte en toeristen, voor Parijs doe ik consessies. De romantiek, de sfeer van lang vervlogen tijden waar de lucht bezwangerd was van de geur van gepoederde pruiken, kunst en decadentie. In de eenentwintigste eeuw noemen we dit cultuur en lopen we met grote belangstelling en intellect langs schilderijen die ons schaamteloos vertellen over toen. Toen, toen rijk wreed en arrogant heerste over arm. Toen het gewone volk het spuugzat was geconfronteerd te worden met de excessieve uitbarstingen van voedselverspilling en de opstand groot werd door een tergende hongersnood. De tijd dat de stegen nog stonken naar uitwerpselen en de Seine nog proper was. Deze geschiedenis gaan we vandaag bekijken. In het Louvre en in Versailles. In de hoop dat we er iets uit leren. Dat we onszelf een beetje bijschaven en verfijnen om niet opnieuw dezelfde fouten te maken. Dat we niet opnieuw rijk over arm laten heersen en dat we niet opnieuw vervallen in dezelfde decadentie. Dat we niet opnieuw een revolutie veroorzaken en opnieuw geen oog hebben voor de minder bedeelden.   Of is er eigenlijk niets veranderd in de loop der jaren? Onze vervuiling van nu vertolkt zich in CO2 en de gegoeden dineren nog steeds in dure etablissementen terwijl zwervers zich als hongerige honden voor de deur verzamelen. Nog steeds springen we liever veilig in een taxi dan door gure buurten te lopen waar de haat naar weelde en voorspoed broeierig in de lucht hangt en waar zwerfvuil struikelblokken vormen en stank zich verspreidt.   Gaan we dit verteren vandaag? Of gaan we met de stroom mee? De toerist uithangen en genieten van het feit dat wij niet bij de minderbedeelden horen? De geschiedenis leert ons misschien iets vandaag…

Heidi Schoefs
17 0

Oranje-lettertjes-tekst

Er is zeker potentieel. Nancy voert iets in haar schild. Muisstil een stukje frangipane gegeten. Geen idee of dronken schrijven zinvol is. De kenners beweren van niet. Ik geloof hen. Ik zet de dampkap aan. Vader kon het geen kloten schelen. Ze heeft filosofie gestudeerd, maar het is een geit. Hij vergist zich wel vaker. Ik moet nog pipi doen. Ça va? Huilen hoeft niet. Er staan cactussen op het servet. De goudvis van Kurt is dood. So it goes. Dank u voor de talloze suggesties ter verbetering. Dat lukt aardig. Ed zit nog steeds in Thailand. Die verveelt zich precies. Er is zeker potentieel. Slechte timing. Ik ga morgen die biefstukken niet zelf bakken. Tja, soms schiet ik tekort. Dat staat de therapie in de weg. Ik ben daar blij mee. Er staat een stevige wind. Het is misschien onnozel. Ik doe maar wat. Het heeft vijftien dollar gekost. Stom van me. Vrolijk word je daar niet van. “Pak jij chips?” “Neen” Dat liep ei zo na mis. Ik kijk in de papiertjes: kabeljauw in de diepvries, ‘muse de son dernier livre’, een vreugdevolle opgang naar Kerstmis in een envelop uit Torshavn (Faroe Islands), briefje van mezelf uit 2016, vader schreef ‘sjaloom’, iets van Morgenstern (‘Alles was man mit Liebe betrachtet, ist schön.’), een folder van de abdij Maria Toevlucht in Zundert, een folder ‘samen onderweg na ontrouw’ (voor koppels!), het programma van Femma, foto’s, een doodsprentje (‘er is geen waarom’, Ferdinand Cuvelier), enzovoort enzoverder … Ik roer met het Swissair lepeltje. Het ziet er wel mooi uit, al die oranje lettertjes. Ze snoept een sigaret af. De toekomst is formidabel. Ze dronk een cola i.p.v. witte wijn. Dat scheelt. Ik moet het mezelf moeilijk maken. Iedereen slaapt behalve ik. Morgen komt de zon weer op. Het komt nog goed. Daar moet ik vanuit gaan. Ik kauw op tuttefrut. Heeft er ooit een dichter beter gedaan dan Pink Floyd? Het is tijd om vaarwel te zeggen. De cafébaas kijkt lelijk. Er ligt nog kaas en chocolade in de ijskast. Ik maak met plezier ezelsoren in deze bundels. “Hersluitbaar” belooft de verpakking. Er is niks van aan. Ze verklaren me gek. Ik hoop dat het hoe dan ook min of meer ritmisch is. De hoge verwachtingen werden niet allemaal ingelost. A no choice suckerpunch. Xavier leest Lex; over ananas. Een ansichtkaart van de Adriatische zee, een akkefietje en een niemendalletje, wat zal het effect zijn? Het gedicht is getiteld: ‘Wanneer ik droevig ben’. Rust, ruimte, helderheid enzo. Gerrit Komrij draait zich om in zijn graf. Hopen op goddelijke interventie. Wat absurde flarden. “Ben je nu weer aan het roken?” vraagt ze. Die zit nu bij de coiffeur en wil straks naar de Colruyt. Mijn tanden gepoetst. Biefsteak gegeten. Alles oké. Ik moet me ne keer verdiepen in het fenomeen Six Word Story. Mijn zus is depressief. Een accuut tekort aan witte wijn. Ik vul het Lottoformulier ondersteboven in met mijn MontBlanc. Morgen ga ik een leuke Instagram foto posten. Ik heb een idee. Ik moet wat meer mijn fantasie gebruiken. De ochtendstond heeft goud in de mond. Behalve morgen. De Roemeense onderbuurvrouw piept. Er is zeker potentieel. Er is een verschil tussen aanstellerij en dichtkunst. Ze ziet bleek. Ik wil er gewoon mee zeggen dat het leven voorbij dobbert. Ik kreeg kwade blikken van die diehard hooligans. Het kan nog verkeerd gaan. Hij moet lachen om de bewering dat hij een knappe man zou zijn. Nadien een Hot-Dog gegeten. Heeft ze al chocolade paaseitjes in huis? Ik zoek in de antieke kast. Da’s diezelfde man. Die had vroeger een bril en een hond. Ik droom: “How the poor boy lost his head.” Het is belangrijk dat je weet dat God niet bestaat en Jezus even onnozel is als Sinterklaas, de Kerstman en de Paashaas. Het verbaast me. Ik weet niet goed wat ik nu juist bedoel met ‘het’. Een normaal kortverhaal schrijven lukt me niet. Flauwekul daarentegen, onzin en af en toe een vondst gaan vrij vlot. Ik steek de diepvriespizza dan maar zelf in de oven. Ik ben dus aan het koken. Geen bewonderenswaardige poëzie geschreven. Nu is het stil. Ik moet van gedacht veranderen. Ik heb al veel tijd verspild. Je moet ze een kans geven. Er grip op krijgen. Mijn tekortkomingen bedekken. Hij heeft zich vrolijk vergist. Mijn moeder, de psychiater en de man van de videogedichten laten niks van zich horen. Spijtig. Geduld is een deugd. Zou de duivel me geld lenen? Er is zeker potentieel. Ik kan vals spelen als ik wil. Ik ben niet de enige. Er staat op ‘London Dry Gin’ én ‘gebotteld in Frankrijk voor CMI/Carrefour’. Ik moet mijn verkeersbelasting nog betalen: 37 euro 82 cent. Ik moet het volgende in de gaten houden: beeldspraak, enjambementen, witruimte, leestekens, hoofdletters, metaforen, … Er ook zinnen van maken i.p.v. louter opsomming. Wees niet beschaamd om over je mentale gezondheid te praten. Me ontspannen en nota nemen van de onzin. Het komt later misschien nog van pas. In de zak gezet door een oplichter. “Toen gebeurde er wel wat!” antwoordde hij. ‘Gaat hij bij zijn ex-vrouw op café?’ ‘Die tapt daar.’ Els zei: ‘Als het gemakkelijk gaat, is er iets mis.’ Ik hou de balpen bij de hand. Je weet maar nooit. Ik hoop dat mijn hoogstpersoonlijke, humoristische cryptogrammen aanspreken door hun frisheid, originaliteit en beknoptheid. Ze had haar slaappilletjes al genomen. Dan komen de ideeën, vermoed ik. Ge hebt het met de verkeerde aan de stok. Ik hoop dat hij zijn gevoel voor humor met de jaren niet is kwijt gespeeld. ‘Geen fuckbuddies zoals indertijd?’ schrijf ik. Zijn gezondheid en zijn reputatie zijn goed. Liesbeth is een moeilijk geval. Ik moet volhouden. Doe alsof er niemand thuis is. Ik ben voorbereid op het ergste. De gordijnen van mijn tante blijven boeiend. Ze heeft me die nagelaten zonder het zelf te weten. Eigenlijk zijn deze freewriting oefeningetjes niet echt ongelofelijk zinvol. Ofwel moet ik het gewoon in mijn dagboek schrijven. Ofwel moet ik proberen een kortverhaal te schrijven. De vergeet-me-nietjes van Emma weigeren te ontkiemen. Ik heb het gevoel dat ik momenteel beter dingen te doen heb dan dit. Hoe komt dat? Er is zeker potentieel.                                        

Hubert Grimmelt
7 1

floeren katten

Regen stroomde over haar heen,  woest trok ze de  kap van haar jas weer over haar hoofd. Eva was het moe schijtmoe maar ze mocht niet opgeven zo dicht bij haar doel. je hebt me niet klein gekregen, dacht ze, en dat zal je geweten hebben! Ze tastte in haar zak en glimlachte. Ze zag het al zo voor zich: de blik in zijn ogen, zijn smeken om genade. Met stevige pas zette ze haar weg voort. Het huis doemde op in het duister. Eva voelde haar hart kloppen in haar keel. Ze stapte recht naar de voordeur belde aan en wachtte. Ze hoorde voetstappen. Hij opende de deur en keek haar aan:'Wat doe jij hier?' vroeg hij  "Afrekenen!" schreeuwde ze en duwde de loop van het wapen in zijn gezicht.  Hij stak  zijn handen omhoog: " Hier doe maar!" riep hij met een grijns.  'hier  komen!'   schreeuwde ze. Hij bleef staan. Eva greep hem bij z'n polsen en trok  hem naar buiten. Hij wilde haar een trap geven, maar ze had het gezien en ging op z'n tenen staan. Hij schreeuwde luid. 'zwijgen kleinzerig ventje!' riep ze bij z'n oor. Hij zweeg. Ze duwde hem op z'n kniëen.   Zonder aarzelen haalde ze de trekker over. Als een lappenpop viel hij in het gras.   ze wierp nog één blik op hem, draaide zich om en verdween in de nacht.  De mist trok langzaam op boven de velden, het dorp kwam stilaan tot leven.  Een voorbijganger zag een lichaam liggen, geschrokken belde hij meteen de politie.  In geen tijd was de tuin gevuld met politieagenten. De geschokte voorbijganger legde een verklaring af, sprong weer op zijn fiets en maakte dat hij wegkwam. Iedereen had er de mond van vol: een moord! Eva was ook geschrokken, vanbinnen kon ze wel juichen. In elke krant stond zijn overlijdensbericht. Eva las het vol walging. "brave jongen, mompelde ze, laat me niet lachen! " De dorpschool lag er verlaten bij. eva glipte door de poort naar binnen en liep recht naar het midden van de speelplaats. Daar zat ze doodsbang op haar knieën.  "Nu ben je wel bang hé trut!" riep Eva  Ze wilde omkijken. Eva greep haar vast:" voor je kijken! " Het lemet van het mes blonk in het maanlicht. In één beweging sneed ze haar de keel over. twee verbaasde ogen keken haar aan. Eva liep snel naar de poort en verdween in de nacht. 

amanda allesie
23 1