Zoeken

‘Explosie’ bij autisme

Sinds één jaar heb ik de diagnose autisme van een centrum in Oudenaarde. Je denkt dat iedereen zo is, denkt, ziet, hoort, ruikt, voelt, leeft en beleeft zoals jij. Maar dan kom je op je 41e tot ontdekking dat jij ‘anders’ bent. Niet iedereen zit op de autoweg te focussen op de nummerplaten. Niet iedereen let op de details en ziet geometrische figuren in de dagdagelijkse dingen. Niet iedereen hoort vijf soorten geluid door elkaar. Om nog maar te zwijgen van het klank- en lichtspel in een warenhuis, met tientallen merknamen, kleuren, vormen, geluiden van de kassa, diepvriezer, de tl-lamp, babbelende klanten in alle uithoeken van de supermarkt, de messen in de slagerij, de schoenen over de vloer, de winkelkarren over de tegels, enz. Boodschappen doen is een nachtmerrie. Zeker als dit niet in een snelvaart kan gebeuren in een vertrouwde supermarkt. Een autist heeft bijna altijd af te rekenen met hoogsensitiviteit en krijgt gemiddeld vijf keer meer beelden, geluiden, vormen en informatie binnen. Het is bijzonder vermoeiend en het selectieproces om al die informatie, indrukken en prikkels te filteren kost bijzonder veel tijd en energie. Iemand met autisme moet dan ook regelmatig tot rust komen. Mijn vriend vond het boek ‘Leven zonder filter – mijn ervaring met hoogsensitiviteit’ van Fleur van Groningen een aanrader om beter te begrijpen wat hoogsensitiviteit inhoudt. Het is een constant gevecht met de steeds drukke ‘boze buitenwereld’. En kan voor dat filteren van informatie onvoldoende tijd benut worden, dan geraakt het hoofd vol. In dat geval kan er geen nieuwe informatie meer bij. De persoon – autist – moet dan zijn hoofd kunnen leegmaken. Zoniet blokkeert de autist, krijgt hij nieuwe informatie niet meer verwerkt en moet hij eerst tot rust komen. Krijgt een autist deze rust niet, dan ‘ontploft’ deze; een explosie van woede, verdriet, onbegrip, angst en boosheid. Iedereen is dan de vijand van de autist; in het bijzonder diegenen die hem/haar het meest dierbaar zijn. De woede zal zich dan richten tot hen die het goed menen met iemand met een autismespectrumstoornis. De woede kan gepaard gaan met een hevige woordenwisseling, ongecontroleerd verdriet en woede en het gooien met of vernielen van voorwerpen. Nadien heeft iemand met autisme van zulke explosie bijzonder veel spijt, maar het instinct laat hem/haar weinig alternatief. Het is een utopie te denken dat een autist nooit meer zulke explosie van woede en verdriet zal hebben. Deze ‘ontploffing’ kan zich keren tegen zichzelf of tegen voorwerpen of personen in de ‘boze buitenwereld’. Door voldoende rustmomenten in te bouwen kan men deze explosies trachten te beperken. Maar aangezien alle prikkels vijf keer intenser binnen komen, zal ook zo een explosie ook voor de buitenwereld merkwaardig voorkomen. Schoppen tegen deuren, slaan tegen muren en op latere leeftijd gooien met voorwerpen. Hoeveel gsm’s ik al stuk heb gegooid weet ik niet. Het probleem kan ook latent aanwezig zijn en pas bij een nieuwe situatie, werk of relatie pas echt naar boven komen. Iemand die in zijn/haar eentje alles onder controle had, krijgt opeens te maken met een nieuwe school, job, huis of relatie en kan zich niet langer verstoppen voor de ‘boze buitenwereld’. Elke verandering zorgt bij autisten voor veel stress, onzekerheid en negatieve prikkels. Zelfs nieuw behangpapier, een nieuwe plaats voor de koffiezet, een nieuwe dienstregeling van het openbaar vervoer, een nieuwe winkel in de straat, bezoek op onbekend terrein, een feestje, vakantie, een vrije dag tijdens de week, enz. Een autist heeft regelmaat, structuur en planning nodig. Een weekplanning opstellen in onontbeerlijk in een gezin met iemand met autisme om zekerheden, taken en rustmomenten in te bouwen. Fietsen en wandelen in de natuur is positief om de gedachten van zich af te zetten en het hoofd leeg te maken. Of een hobby die men graag doet. Schrijven kan ook helpen om prikkels te verwerken. Maar dit alles geeft nooit de zekerheid dat iemand met autisme zich nooit onbegrepen voelt en explosief zijn woede en angst naar buiten stroomt. Weet dan 200 % zeker dat deze woede, verdriet en angst NOOIT het gevolg zijn van persoonlijke vete, maar altijd gericht op de ‘boze buitenwereld’. Je mag iemand met autisme dan ook niet veroordelen voor zulke woede uitbarsting, want die persoon heeft er nadien ook bijzonder veel spijt van, maar die explosie gebeurt buiten zijn/haar wil om. Een relatie met iemand met autisme is dan ook niet makkelijk en veel structuur, planning en geduld is nodig. Anderzijds krijg je er ook een unieke, lieve persoon voor terug als je hem/haar zichzelf laat zijn met alle beperkingen, maar ook met vele talenten die autisten hebben.   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
590 1

Ik ben een fooraap

Ik ben een fooraap. Elk weekend naar een andere kermis. Van het ene dorp naar het andere dorp. Altijd maar heen, altijd maar terug. Altijd maar reizen van de ene kermis naar de andere. Het lachen is mij al lang vergaan. De belletjes rond de nek van de fooraap klinken triest en dof. De lach veranderde in een droeve snoet. De kinderen lachen, de kinderen zijn blij. Maar de fooraap, die lacht niet mee. Het lachen is hem al lang vergaan. Elk weekend reizen, elk weekend weg. Het leek zo mooi, maar hij heeft het nu wel gehad. Hij wil weer thuis op de schouw. Niet dat de kinderen niet vriendelijk zijn tegen hem. Ze lachen, ze zijn blij, maar de fooraap ziet het niet meer. Waar gaat hij volgend weekend weer naartoe. Een nieuwe kermis, een nieuwe stad, een nieuw verhaal, allemaal hetzelfde en allemaal anders. Altijd joelende, luidruchtige kinderen. Altijd drukte, overal flinkerende lichten, harde muziek, duizenden stemmen door elkaar in elk een andere taal, elk een ander verhaal. De aap is moe. Hij heeft elke kerktoren gezien. Elk kind, elke ouder, elk kleedje van moeder, elke pantalon van vader. Elk dorp, weer heen, weer terug, weer opstellen, weer afbreken. De aap kijkt langs hen door. De aap kijkt weg. Zijn vertrouwde plaats op de schouw is weg. Hij moet maar door. Hij moet steeds verder. Kermis hier, kermis daar. Hij haalt alle gezichten door elkaar. In elk dorp een kerk, een pastoor en een koer, een school en een paard van de melkboer. De tijd is zo lang blijven stil staan. Bij de kermis in Marrakesh. Dat was nogal wat. Van de andere kermissen herinnert de fooraap zich niets meer. Altijd heen, altijd terug. De dorpen lopen door elkaar. Als vlekken op een trui. Donderdag, maandag, woensdag, weet ik veel. Andere dag, dag voordien, dag nadien, dag verdwenen, dag erbij, dag opnieuw, dagen vooruit, dagen terug… 26 8 6 14 31 2 11 9. Cijfers als spoken door de nacht. Linksboven, rechtsonder, vooruit, achteruit. Met twee, met drie. Weer heen, weer terug, weer daar, is het waar? Hoofd is vol, hoofd moet leeg. Geen mens weet hoe zwaar hij het heeft. De fooraap moet elk weekend mee, van in Lotharingen tot aan de zee. Honderden lichten, zilver, groen en rood, dansen als kwelduivels hun eigen dans in de nacht. Cijfers nemen hun rollercoaster. De 9, 1, 2, 3 willen van voren staan. De fooraap ziet ze allen tezamen. Cijfers met krullen willen altijd gans vooraan. De 3, de 9, de 2, de 8. En de 1 op een zielenpoot. Cijfers blijf toch staan! Ik wil jullie niet allemaal samen zien. Kleuren blijf stabiel, ik hoef geen heel pallet te zien. Dagen blijf gewoon. Geen brugdag, geen feestdag, doe gewoon! Piramide, balk, rechthoek, vierkant, trapezium, cirkel. Blijf toch in de wiskundeles bij meester Kris of bij juffrouw Sonja, n’importe qui, maar achtervolg mij niet. Stappen, lopen, slenteren op de kermis in dit avond. Dorp na dorp dezelfde kerk. Maar zoveel kabaal, alle kinderen hun eigen verhaal. De aap wil rust, even niet op de kermis staan. Maar achter in de klas, waar het altijd fijn was. Hoe vriendelijk de kinderen ook zijn. De fooraap ziet hetzelfde verhaal. Van Malika, de vader, de kermis in Marrakesh. De andere kermissen zijn verdwenen.   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
0 0

Het kapsalon

Al jaren kom ik in dit kapsalon. Het is te zeggen, een veel dapperdere en tevens fictieve versie van mezelf. Vanop een veilige afstand sla ik het dagelijkse geharrewar gade en droom ik van een ander leven.   Ik zie mezelf naar binnen stappen door de deur die winter en zomer openstaat. De indringende geur van haarlak, verzachter en een pot verse koffie die in het keukentje achterin staat te pruttelen, slaat om me heen en omhelst me als een oude vriend. Het belletje rinkelt en trekt de aandacht van de andere cliënten, maar ook die van haar: de vorstin van het kapsel. Deze versie van mezelf glimlacht vriendelijk bij wijze van begroeting, mijn ogen verraden echter een dieperliggende boodschap. Een waarvan ik weet dat zij, de bloedmooie kapster, ze kan lezen. Met de schaar in de hand, wijst ze me een lege stoel aan en gebaart ze dat ik mag plaatsnemen. Mijn blik volgt deze ravissante verschijning via de grote spiegel en ik observeer met hongerige ogen hoe geoefende handen en slanke vingers de haren van een andere vrouw beroeren, iedere beweging trefzeker en berekend. De mond van mijn knipgodin beweegt ritmisch en ik zie hoe het puntje van haar Elysische tong telkens, kort, haar lippen roert wanneer ze de letter ‘l’ uitspreekt. De lucht is dik van een onuitgesproken verlangen en haarlak.                 Deze versie van mezelf is zelfzeker, koelbloedig en weet perfect wat ze hier komt doen. Ik neem plaats aan de wastafel, frutsel met behendige vingers het elastiekje los en schud een bos blonde haren in model. De aanwezigheid van de goddelijke vrouw achter me doet me sidderen. Doortastende vingers op mijn hoofdhuid vertellen me zonder woorden wat ik wil horen. Elke beweging, elke aanraking, elke ademhaling, … Een bevestiging van wederzijds verlangen. Een belofte op een waardevol einde aan ons verhaal. Het water stroomt en de lucht is nog steeds dik van de haarlak, maar nu ook van de spanning die tussen ons hangt.                 Beleefde plichtplegingen en een stoïcijnse streling langs mijn hals tijdens het vastknopen van de schort. ‘Ja, het is een prachtige dag’, antwoord deze stoutmoedige versie van mezelf en daarbij werp ik de spiegel een knipoog toe die onmiddellijk doel treft. De koningin van schaar en kam slikt hoorbaar en buigt zich voorover. Haar adem streelt de fijne haartjes op mijn kaak en zorgt ervoor dat ze rechtop komen te staan. Of het kort mag? ‘Ja, doe maar heel kort. En neem rustig je tijd.’ Een kneepje in de schouder. De lucht is ondertussen zwanger van een bijna tastbare, erotische lading.                 Vaardige handen ontknopen de handdoek en schudden hem in één beweging uit. Een seconde lang vangen onze blikken elkaar en het lijkt alsof de wereld stilstaat. De kapster reikt me een spiegel aan en terwijl ik hem aanneem, verzeker ik me ervan dat onze handen even raken. Deze versie van mezelf kijkt tevreden, draait zich glimlachend om naar haar kunstenaar en sluit de ogen. Ik voel de warmte van haar lippen op de mijne en ontspan. De geur van de haarlak prikkelt in mijn neus en de anticipatie prikkelt in mijn lendenen.                 Al jaren komt die versie van mezelf in het kapsalon. Dit exemplaar echter, deze angstige en helaas levensechte persona, neigt tot conformisme en komt zo niet verder dan begeren vanop afstand. Een bijna obsceen gadeslaan van achter de veiligheid van het grote, glazen raam. De afstand voorzichtig bewarend door me aan de overkant van de straat te posteren en daar te dromen van een leven dat ik zou kunnen leiden. Het leven dat ik zou willen leiden. Het leven waarover ik niet durf praten en het leven waarvan ik niet weet hoe ik eraan moet beginnen. En dus blijven mijn haren lang.

Sara
0 0

n°7

De Stormhamer dobberde over de golf waar hij niet volledig doorheen kon beuken. Een witte spat steeg op rond de boeg, die zich in een plotse heuvel boorde en werd opgetild. Het water verliet het geval via de spuigaten. Water had zich het dek toegeëigend. Als een halfduikboot.   Hij had zijn maag voor het laatst gezien bij de vlakke zee. Hij had ze achtergelaten bij de eerste golf van drie meter. Sommige van hen waren in hun bed gekropen in hun opgeroerde hut uit pure ellende. Alleen hij stond daar voor zijn helmwiel, voeten op de grond genageld onderaan zijn weide geknikte benen. Blik geblokkeerd op de afwezigheid van de horizon, steeds gekluisterd aan de volgende siddering. Hij stuurde de boot kundig tussen die grillen van haar.Hij mikte zijn hoofd met regelmaat zo nauwkeurig mogelijk boven de ijzeren emmer. De inhoud stopte niet met klotsen nadat die zijn opstandige buik had verlaten. Ze was vertoornd, hij wist niet waarom, alleen dat ze zijn mannen niet zou nemen. Zijn baard was diepgrijs, met een lichte pluk onder elke mondhoek op zijn stevige kin. Onder de baard lag de wolkleurige kol van een dikke trui. Er zaten druppels in zijn baard, hij negeerde de zuurte achter in zijn keel. Naast zijn indringende ogen lagen diepgroevige kraaienpotjes. Zijn wenkbrauwen zagen er zwaar uit, hoe ze breed over zijn oogleden schaduwden.De kapitein gromde luid. Bij een volgende opwelling viel zijn muts net voorbij de emmer.Een volgend gevaar rolde verraderlijk gemoedelijk over het diepe blauw. Rolf kuste een hanger stevig in zijn hand. Zijn peppillen verdrongen de donkere iris bijna volledig. Het was geen water waar hij tegen opkeek, het was de structuur van de dood zelf. Deze was tien meter hoog, de Stromhamer werd opgetild maar daalde niet meer. Hij dreef in de lucht verder waar de golf eindigde. Een wolk voer voorbij. Bakboord. Rolf ontspande, zijn voeten braken vrij. Zijn schouders ontspanden. Volledig kalm draaide hij zich om, knipperde langzaam. Hij klom de smalle ladder af achterin de stuurhut en werd zacht op het bed neergelegd. Hij zonk langzaam weg.

Erte
0 0

Pedalenspel

Putteke winter. Donker, grauwe, grijze, winter. Onder een dek van lage wolken vormt zich een natte sliert van rode lichtjes die zich als een fluoriserende rups langzaam voortbeweegt. Moe van het pedalenspel starend in de verte. Maffe wereld. Robots, één persoon per auto, doodmoe van een lange dag voor een digitaal scherm. Huiswaarts. Te moe om te koken. Baby van de crèche oppikken, een snelle hap uit de microgolf. Kinderoppas voor een uurtje gym. Lege ogen staren naar reclamespots over fitte lijven. Een snelle douche en naar huis. Rupsenlichtjes, regenvlagen tegen wilde ruitenwissers. Baby slaapt. Niks op tv. Dan nog maar wat werk. Klik het scherm verlicht de kamer blauwgrijs. Te moe. Dan maar  Netflix in bed.  Baby huilt terwijl de wind om het huis giert. Tranende ramen tegen een donkere achtergrond. Geen oog dichtgedaan. Alarm. Flikkerend licht door de donkere kamer. Koffie. Nee eerst de kleine checken. Ze slaapt nog. Koffie. Geen honger. Misselijk van wéér een slapeloze nacht. Een snelle douche. Huilende baby. Dichtslaand portiek. Regenvlagen en slierten rode lichtjes. De baby huilt aanhoudend. Maagpijn. Pijn in het hart. Dichtslaand portiek. Putteke winter. Donker grauwe, grijze winter. Onder een dek van lage wolken vormt zich een natte sliert van rode lichtjes die zich als een fluoriserende rups langzaam voortbeweegt. Moe van het pedalenspel starend in de verte. Maffe wereld. Robots, één persoon per auto, doodmoe van een lange dag voor een digitaal scherm. Huiswaarts. Te moe om te koken. Baby van de crèche oppikken, een snelle hap uit de microgolf. Baby slaapt. Thuis op tv. Daarna nog maar wat werk. Klik het scherm verlicht de kamer blauwgrijs. Te moe. Dan maar  Netflix in bed.  Baby huilt terwijl de wind om het huis giert. Tranende ramen tegen een donkere achtergrond. Geen oog dichtgedaan. Alarm. Flikkerend licht door de donkere kamer. Koffie. Nee eerst de kleine checken. Ze slaapt nog. Koffie. Geen honger. Misselijk van wéér een slapeloze nacht. Een snelle douche. Huilende baby. Dichtslaand portiek. Regenvlagen en slierten rode lichtjes. De baby huilt aanhoudend. Maagpijn. Pijn in het hart. Dichtslaand portiek. Putteke winter. Donker grauwe, grijze winter. Onder een dek van lage wolken vormt zich een natte sliert van rode lichtjes die zich als een fluoriserende rups langzaam voortbeweegt. Moe van het pedalenspel starend in de verte. Maffe wereld. Robots, één persoon per auto, doodmoe van een lange dag voor een digitaal scherm, huiswaarts. Te moe om te koken. Baby van de crèche oppikken, een snelle hap uit de microgolf. Kinderoppas voor het uurtje gym. Lege ogen staren naar reclamespots over fitte lijven. Een snelle douche en naar huis. Rupsenlichtjes, regenvlagen tegen wilde ruitenwissers. De baby slaapt. Niks op tv. Dan nog maar wat werk. Klik het scherm verlicht de kamer blauwgrijs. Te moe. Dan maar  Netflix in bed.  Baby huilt terwijl de wind om het huis giert. Tranende ramen tegen een donkere achtergrond. Geen oog dichtgedaan. Alarm. Flikkerend licht door de donkere kamer. Koffie. Nee eerst de kleine checken. Ze slaapt nog. Koffie. Geen honger. Misselijk van wéér een slapeloze nacht. Een snelle douche. Huilende baby. Dichtslaand portiek. Regenvlagen en slierten rode lichtjes. De baby huilt aanhoudend. Maagpijn. Pijn in het hart. Dichtslaand portiek.  

Heidi Schoefs
0 1

Anates Ex Machina

Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Die opnames verdwijnen in het niets naast de beelden van de Aankomst.   Iedereen weet waar hij zich bevond en wat hij aan het doen was toen de eerste nieuwsberichten van de komst van de Ufo’s verspreid werden. De gigantische schotels verschenen op twaalf plaatsen tegelijkertijd in het luchtruim: Los Angeles, New York, Buenos Aires, Brasilia, Londen, Parijs, Berlijn, Moskou, Beijing, Seoul, Tokyo, Sidney.   Zien was geloven. Ik zag, maar geloofde niet. Ik wist wel beter. Ik had het idee geleverd voor de projectoren die deze illusies creëerden. Ik had de technologie gebouwd die dit bedrog mogelijk maakte. Ik was medeplichtig aan dit sterke staaltje van fake news.   Ik schreeuwde het uit op mijn website: “Levensechte hologrammen doen Moeder Aarde op haar grondvesten daveren.” Nog geen tien minuten later werd mijn site offline gehaald en was ik vogelvrij verklaard. Gelukkig had ik dit voorzien. Ik koos één van de vele valse identiteiten die ik speciaal voor deze noodsituatie had aangemaakt. Ik dook onder in een bos in een hutje waar de overheid niets van wist. Ik had er alles wat ik nodig had om het verdere verloop van de gebeurtenissen te volgen.   “Wij komen in vrede,” zeiden de aliens.“Wij komen orde op zaken stellen voor het helemaal verkeerd loopt met jullie planeet,”was hun boodschap.   Daar had de mensheid wel oren naar. De komst van de buitenaardsen was de oplossing voor al onze zorgen. Alle wapens zwegen op slag; gedaan met oorlog! Er was sprake van technologie die klimaatproblemen, honger en ander leed uit de wereld zou verhelpen! Geen religieuze twijfels meer: de aliens hadden God gezien; Hij sloeg zowaar een mea culpa voor de eeuwenlange verwaarlozing!   Deze beloftevolle aankondigingen waren zo overweldigend dat kritische vragen onverbiddelijk in de kiem gesmoord werden. Waarom vertoonden de aliens zich enkel aan de presidenten van China, Rusland en de Verenigde Staten? Waarom kozen ze net deze wereldleiders als hun spreekbuis?   Dag na dag arriveerden er nieuwe Ufo's boven de grootste wereldsteden.Activisten waarschuwden mensen op straat: “Als iets te mooi is om is om waar te zijn, is het dat ook.” Dissidenten riepen op onze ogen niet te geloven.Veel succes hadden deze enkelingen niet. Het fake news waardoor de massa alles voor waar aannam wat de leiders van China, Rusland en de VS beweerden, was veel geloofwaardiger dan de cynische werkelijkheid. Wie niet mee ging in de wereldwijde illusie werd opgepakt en afgeschilderd als een gek die geloofde in complottheorieën.Ik zag met lede ogen toe hoe online netwerken van verzet werden afgesneden van het internet. Ik weerstond de verleiding contact te zoeken met mogelijke medestanders. Het kwam er op aan uit de handen van de overheid te blijven en te wachten tot er Ufo’s in het buurt van mijn schuilplaats zouden verschijnen.   Ik wist dat die dag zou komen, en eindelijk kwam die dag. Ik zag mijn kans schoon. Vanuit mijn hutje in het Zoniënwoud kon ik met mijn telescoop vanop veilige afstand het toestel spotten dat een paar Ufo’s boven Brussel projecteerde. Ik wist perfect hoe die machines werkten; ik had er zelf de blauwdrukken voor getekend. Ik nam een GSM die bij geen enkele provider geregistreerd was en opende de app die ik voor dit doel geschreven had. Tot mijn grote vreugde bleek ik met het netwerk van de projector te kunnen connecteren.                                                               ***   Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Vergeet de filmpjes van het verschijnen van de Ufo’s bij de Aankomst. Die opnames verdwijnen allemaal in het niets vergeleken met wat de mensheid zag op de dag dat die imposante en machtige Ufo’s één voor één veranderden in reusachtige, maar onschuldige, zwevende, gele badeenden.  

Bruno Lowagie
32 0

Obariyon

De hele omgeving was op een paar dagen tijd volledig tot een waar herfstspektakel omgetoverd. De grond lag bezaaid met duizenden, gedroogde bladeren. Degene die nog steeds volhardend aan de bomen bleven hangen, dreigden elk moment hun strijd te moeten opgeven. Een spoor van kleine, witte wolkjes rees op vanuit de schoorsteen. Gedurende de wintermaanden kon het hier best koud worden. De enige verwarming in zijn hut was een oude houtkachel. Buiten een paar roestplekken werkte deze nog goed. Het deed waarvoor het moest dienen, meer moest niet voor hem. Als Kaito het warm wou hebben, moest hij gewapend met een bijl, diep het bos ingaan om hout bijeen te sprokkelen. Vond hij niet genoeg, dan zocht hij speciaal achter een oude, zieke boom om neer te vellen. Ook al duurde het zo soms uren om genoeg hout te vinden, hij wou de jonge bomen een kans op leven geven. Wederzijds respect noemde hij het. Tenslotte zouden bomen de mens wel kunnen overleven. Hetzelfde met zijn eten, hij doodde enkel hetgeen dat hij volledig zou opeten en gebruiken.   Kaito had deze hut met zijn eigen bloed, zweet en tranen gebouwd, samen met zijn broer. Het was misschien niet zo groot, maar meer had hij niet nodig. Hij had afstand gedaan van al het materiële, geen afleidingen meer. Doorheen de jaren was er een zekere afkeer voor de maatschappij in hem gegroeid. Hij kon het niet langer uitstaan om hier nog langer deel van uit te maken. Het werd zelfs zo erg dat hij andere mensen begon te mijden. “Ze zouden je alleen maar doen lijden,” dacht hij bij zichzelf. Kaito zat er niet ver naast. Heel zijn leven was hij in dienst geweest bij hetzelfde bedrijf. Op een gegeven moment stond hij zelfs aan het hoofd van zijn eigen afdeling, leidinggevende over een tiental mensen. Toen het echter slechter begon te gaan met het bedrijf, aarzelde ze niet om hem als eerste te laten gaan, omwille van zijn leeftijd zogezegd. Geld was voor hen het allerbelangrijkste. Dat ze zijn leen verwoestten was voor hen niet belangrijk.Gezien zijn leeftijd was er geen enkel bedrijf dat stond te popelen om hem nog in dienst te nemen. Gedurende enkele jaren was Kaito werkloos, maar af en toe kon hij nog ergens een tijdelijke job strikken. Wanneer één van zijn beste vrienden met een lucratief voorstel afkwam, aarzelde hij geen seconde. Zijn laatste spaargeld investeerde hij in het bedrijf van zijn vriend, met de belofte dat hij zijn geld verdubbeld zou terugkrijgen. Wanneer ook dit bedrijf ten onder ging door de economische crisis, was zijn vriend echter met de noorderzon vertrokken, inclusief met Kaito zijn laatste spaargeld. Geld dat hij nooit nog zou terug zien. Op dat moment besefte Kaito dat hij niemand echt kon vertrouwen, zelfs zijn beste vrienden niet. Niet veel later verbrak hij dan ook al het contact met iedereen die hem voordien nauw aan het hart lagen. Geld was de regesten ziekte die de mensheid kende, de oorzaak van alle miserie op aarde. Iets wat ervoor had gezorgd dat we een beschaving konden uitwerken, zou uiteindelijk ook zijn eigen ondergang worden. Toen uiteindelijk ook het moment kwam dat Kaito zijn huis moest verkopen om alle rekeningen te kunnen betalen, was voor hem de maat vol. Hij liet alles achter en nam zijn toevlucht tot de hut die hij samen met Yuuto, zijn oudere broer, had gebouwd toen hij 26 jaar oud was. Ze hadden dit gebouwd om een soort clubhuis te hebben waar ze de drukte van Shizuoka* konden ontvluchten. Een plaats waar ze in alle stilte konden gokken, drinken en alle andere activiteiten die het daglicht beter niet zagen. Geregeld kwam Yuuto hier ook met vrouwelijk gezelschap voor een romantisch weekendje, zoals hij het graag noemde.   Wanneer er enkele wandelaars spoorloos waren verdwenen op een week tijd, staken er verschillende geruchten de kop op. Van een zelfmoordpact, wat wel vaker gebeurde in de regio rond Mt. Fuji, tot zelfs een seriemoordenaar. Toen ze een tijdje later enkele van hen hadden gevonden, of wat er nog van overbleef, kwam er snel de de legende van een Obariyon* ter sprake. Een Obariyon wachtte in de bossen op nietsvermoedende reizigers, om dan op hun rug te springen. Als de reiziger hem meedroeg op zijn rug, werd het monster zwaarder en zwaarder. Tegelijkertijd knauwde het op de schedel van de reiziger, om hem nog meer pijn te bezorgen, tot hij uiteindelijk zou bezwijken onder zijn gewicht. In meeste gevallen was een ontmoeting met één van deze Yokai* niet dodelijk, en gaf het enkel rugklachten, maar toch wezen de bewijzen op zijn aanwezigheid. Yuuto was altijd al bijgelovig geweest, en toen hij hoorde van een Obariyon die zogezegd in de buurt zou rondhangen, is hij nooit meer in de hut geweest. “Je kan daar beter wegblijven,” zei hij nog tegen zijn jongere broer. Maar Kaito was een realist. Hij geloofde helemaal niet in dingen die hij niet met zijn eigen ogen had gezien, dus hij bleef nog wel geregeld de hut bezoeken. Tot het moment er kwam dat het menselijke egoïsme hem ertoe had genoodzaakt om er permanent zijn woning van te maken. Het was een grauwe dag in oktober. Wolkenvelden verhinderden elke poging van de zon om door te breken. Kaito had beter een ander seizoen gekozen om te verhuizen, maar als hij het in deze condities kon overleven, zou het altijd wel lukken. Hij was op zijn dagelijkse zoektocht naar brandhout toen hij zijn mening over Yokai moest herzien.   Een felle regenbui had een uur voordien het hele landschap omgetoverd tot een ware modderpoel. Droog hout vinden in deze omstandigheden zou een heuse onderneming worden. Bij elke stap zonken zijn voeten keer op keer diep in de modder weg. Een krachtstrijd tegen de natuur die de hele dag zou duren en hem uiteindelijk uitgeput zou achter laten. Het zag er naar uit dat Kaito het die avond niet warm zou hebben. Hij werd genoodzaakt om met lege handen huiswaarts te keren. Wanneer zijn voet voor de miljoenste keer vast kwam te zitten in de diepe, bruine smurrie, hoorde hij een stem in de verte. “Tasukete*!” Het klonk als een kinderstem. Het hulpgeroep van een kind drong door tot diep in zijn ziel. Met moeite trok hij zijn been los, alsof de kreet om hulp hem net dat beetje meer kracht gaf. De kreet leek uit het oosten te komen, de tegenovergestelde richting van zijn hut. Toch kon hij zich niet weerhouden om te gaan kijken. Ook al had hij een afkeer van mensen, hij kon geen kind in nood achter laten. Met zijn bijl in hand, baande hij zich een weg naar het oosten. “Tasukete!” Het kwam steeds dichterbij. Hij was duidelijk in de juiste richting aan het lopen. In eerste instantie dacht hij dat er een kind, net zoals hij, vast kwam te zitten in de modder. Maar toen hij eindelijk bij de oorsprong van de hulpkreet was aangekomen, was er niemand te bespeuren. Geen kind, geen modderpoel die groot genoeg was om in vast te komen zitten. Kaito krabde in zijn haar en vroeg zich af wat er in godsnaam aan de hand was. Had zijn eenzame afzondering eindelijk zijn tol geëist? “Obusaritei*!” klonk het opeens boven hem. Verschrikt richtte hij zijn aandacht op de boomkruinen. “Wie klimt er nu met dit weer in een boom,” dacht hij bij zichzelf, “en dan nog op zo’n afgelegen plaats?” Hij bleef rondkijken, in de hoop de kleine jongen te spotten, maar er was niemand te bespeuren. Kaito dacht dat hij gek aan het worden was, tot opeens de stem weerklonk in de dichte vertakkingen boven hem. “Obusaritei!” “Waar zit je dan?” vroeg Kaito. Wederom kwam er geen antwoord. Zijn ogen kamde de hele omgeving uit, maar nog steeds kon hij niemand vinden. “Obusaritei!” “Ik wil wel, maar dan moet ik eerst…” Voor hij zijn zin kon afmaken, viel er een zware last op zijn schouders. Door het gewicht zakte hij op zijn knieën in de modder. Zijn handen liet hij vallen op een paar platgestampte bladeren.   Minutenlang probeerde Kaito recht te komen, maar hij was uitgeput. Het gewicht duwde hem steeds terug de modder in. Hij greep zijn laatste wilskracht bijeen en uiteindelijk lukte het hem om recht te komen. Met bibberende knieën probeerde hij zicht stap voor stap richting zijn hut te begeven. Eénmaal hij recht was gekomen leek het gewicht wel mee te vallen. Het had hem gewoon verrast, dat is al. Alleszins dat probeerde Kaito zich toch wijs te maken. Met elke stap die hij nam, werd het gewicht zwaarder en zwaarder. Steeds verdwenen zijn voeten dieper in de modder. In de verte zag hij hoe zijn laatste brandhout, klein witte wolkjes door de schoorsteen joeg. Hij besefte maar al te goed dat de laatste warmte zich een weg door de spleten in de muur naar buiten baande. Na een uitputtende trektocht, door het nu moeras geworden gebied, bereikte hij uiteindelijk zijn vertrouwde hut. Eénmaal toen hij binnen was, greep hij met beide handen naar zijn schouders, in een allerlaatste poging om het gewicht van zijn rug te gooien. Hij zakte bijna ineen in deze poging, maar uiteindelijk lukte het hem om zich te bevrijden van de zware last. Terwijl hij de last op de grond had gegooid, was hij echter verbaasd dat er geen mens of geen Yokai lag. In de plaats lag er een groot aardewerk voor zijn voeten, tot op de rond gevuld met goudklompjes. Meeste reizigers zouden de kreet van een Obariyon negeren, maar diegene die zo vriendelijk waren om de last te dragen zouden rijkelijk beloond worden. Het gebrek aan egoïsme had ervoor gezorgd dat Kaito in alle weelde van zijn laatste dagen kon genieten.     Shizuoka: Shizuoka is de hoofdstad van de prefectuur Shizuoka in Japan. Obariyon: een mensachtig wezen dat in bossen leeft. Het wil enkel een lift op de rug van reizigers, wat resulteert in hevige rugpijn. Yokai: bovennatuurlijke wezens uit Japanse mythologie en folklore. Obusaritei: Ik wil een ritje op de rug.  

Nick Van Loy
0 0