Zoeken

Kou

Rillend van de kou wordt Arnoud wakker. Zijn moeder is al lang op en maakt het ontbijt klaar. Nou ja, denkt Arnoud, ontbijt. Ze krijgen weer maar eens een grote pot pap voorgeschoteld. Zijn vijf jongere zusjes en broertjes zitten al op het versleten laken dat als tafel moet dienstdoen, maar ook als bed voor de drie zusjes. De broertjes zijn aan het kibbelen, alsof ze daardoor de kou kunnen verdrijven die in hun lichaam is gekropen. Arnoud woont met zijn moeder en broers en zussen in een klein, bouwvallig huisje. Ze hebben niet veel geld en de kinderen kunnen niet meer naar school gaan. Vroeger hadden ze het goed, toen ze nog genoeg geld hadden om een huis te kunnen betalen en naar school te gaan. Maar hun vader was verslaafd geweest aan gokken, en dat was hen fataal geworden. Uit pure wanhoop had hij eens al hun geld en bezittingen ingezet. Hij had verloren, waardoor ze opeens zo arm waren dat ze gewoon op straat werden gezet. Arnouds vader was weggelopen van hun gezin en enkele dagen later was hij langs de kant van de weg gevonden. Er was een begrafenis geweest, maar alleen hun moeder was er naartoe geweest. Dat is al 3 jaar geleden en nu moet Arnoud zijn moeder helpen om hen allemaal in leven te houden. Arnoud had nooit geweten dat 5 kindermondjes zoveel eten kunnen verorberen. Arnoud is een langslaper, en soms is dat echt wel irritant, omdat dan meestal het ontbijt al lang op is. Hij is intussen wel gewend dat hij niet veel te eten krijgt, maar er zijn al keren geweest dat hij meer dan vier dagen na elkaar niks te eten had gekregen en als dat het geval is, staat hij de volgende dag heel vroeg op, zodat hij zowat de hele pot voor zichzelf heeft. Hoewel dat enorm veel protest veroorzaakt bij de kleintjes. Maar daar trekt Arnoud zich niks van aan. Overdag, als hij even weg mag, gaat hij langs bij de jongens die hij nog kent van de school. Eén van die jongens was zijn beste vriend, ze waren onafscheidelijk. Elke dag maakten ze samen hun huiswerk. Maar als Arnoud bij hem op bezoek gaat, in de sjofele broek en T-shirt die hij moet dragen, voelt hij welke gevolgen hun armoede heeft. De ouders van Pieter bekijken hem elke keer met meer afkeur dan de vorige keren en ook Pieter neemt steeds meer afstand van zijn boezemvriend. Arnoud lijdt daar enorm onder en verliest steeds meer de zin in het leven. Alleen zegt hij daar thuis niks over, zijn moeder heeft al meer dan genoeg aan haar hoofd, met al de zorgen waarmee hun vader hen heeft opgezadeld. Als Arnoud geen zin heeft om naar Pieter te gaan, of naar één van de andere jongens, wat steeds vaker gebeurt, gaat hij naar de oever van de rivier. Hun huisje staat er zo’n 500 meter vandaan, dus zo heel ver moet hij niet lopen om even alleen te zijn. En alleen, dat is hij, want zijn broers en zussen mogen er niet komen, uit angst dat er iets zou gebeuren, en zij zijn het enige gezin in de buurt van de rivier. Waarom, dat snapt Arnoud nog steeds niet, want het water is heel helder. Arnoud zwemt graag in het frisse water, om alle gedachten weg te spoelen. Vooral de gedachte aan zijn vader. Arnoud haat zijn vader bijna net zo veel als de toestand waarin ze door hem zijn verzeild geraakt. Als Arnoud bij de rivier zit, droomt hij weg, terug naar de tijd waarin alles nog zo goed was geweest – om daarna abrupt te worden teruggehaald naar hun armoede, omdat hij het zo verschrikkelijk koud heeft. Vreselijk!

Sarith Demarek
0 0

Vermist

Gek van ongerustheid en frustraties plofte Rupert neer op zijn stoel. Hij plantte zijn ellebogen hard op de tafel voor zijn neus en greep met zijn handen naar zijn hoofd. Met zijn vingers in zijn haar dacht hij aan Noor. Waar zat ze toch? Ze was nog maar negen! En toch was ze al een week zoek. Hij werd helemaal gek van bezorgdheid. Wat als er iets ergs was gebeurd? Hij wilde zijn zusje niet kwijt! De afgelopen week had hij onophoudelijk naar haar gezocht. De politie deed in zijn ogen niets, dus was hij zelf maar op onderzoek gegaan. “Een week is nog niet zo erg lang, we vinden haar wel.” Ja hoor, tuurlijk. Die week was een eeuwigheid voor een klein, fragiel meisje als Noor. Rupert was op alle plaatsen geweest waar ze ooit samen naartoe waren gegaan, hij was gaan aankloppen bij iedereen waarmee zijn zusje een link zou kunnen hebben, maar niemand had haar gezien. Zijn zoekgebied was steeds groter geworden en hij had ook de sociale media ingezet; op Instagram, Facebook en Snapchat had hij foto’s van haar verspreid, met de dringende vraag alles te melden dat kon helpen, hoe klein ook. Hij was fanatiek ingegaan op elke suggestie, maar iedere keer was het geëindigd op een doodlopend spoor. Rupert kneep kwaad zijn handen tot vuisten. Aangezien hij nog steeds voorover gebogen zat, trok hij daardoor bijna al zijn hoofdhaar uit, maar dat kon hem niet schelen. Die fysieke pijn verminderde de mentale pijn vanbinnen een tikkeltje. Na een tijdje werd het toch te pijnlijk, dus hij ontspande zijn greep en nam zo snel mogelijk zijn smartphone op. Hij controleerde wel vijf keer de reacties op zijn hulpoproepen, maar er was niks nieuws bijgekomen. Terwijl hij daarmee bezig was, hoorde hij beneden zijn moeder naar hem roepen. ‘Rupert! Kom naar beneden!’ Hij sprong recht en rende naar beneden. Vol hoop deed hij de deur naar de keuken open, maar enkel om te merken dat het eten klaarstond. Zijn schouders zakten naar beneden. Zijn moeder zag zijn reactie en keek hem droevig aan. Zonder een woord te wisselen gingen ze aan tafel zitten, waar Ryta en zijn vader al klaar zaten om te eten. Rupert keek hen niet aan, hoewel hij de blik van zijn 3 jaar jongere zusje op zich voelde branden. In plaats daarvan staarde hij intensief naar de lege stoel van zijn jongste zusje, alsof hij hoopte dat ze daardoor misschien terug zou komen. Lusteloos at hij zijn bord leeg, vanbinnen brandend van spijt. Hoe vaak had hij hier aan tafel gezeten, domme opmerkingen makend tegen Noor? De gemeenste dingen had hij naar haar hoofd geslingerd, zonder zich bewust te zijn van de gevolgen. Wie weet, misschien was één van die opmerkingen er wel te veel aan geweest? Misschien had één van zijn sneren de emmer doen overlopen en was het zijn schuld dat Noor nu niet samen met hen aan tafel zat? Rupert kon zich niet eens voorstellen – dúrfde niet – hoe het zou zijn om haar terug te hebben en te weten dat hij haar had weggejaagd, dat hij ervoor had gezorgd dat ze op haar prille, negenjarige leeftijd een hele week alleen was geweest. Hij zou het zichzelf nooit vergeven, daar was hij zeker van. De tranen brandden in zijn ogen, maar hij wilde niet dat iemand ze zag, dus ruimde hij snel zijn bord af en ging terug naar zijn kamer. Hij checkte nog een keer alle reacties, maar er zat nog steeds geen nieuws tussen. Frustratie maakte zich van hem meester en met een luide brul keilde hij de telefoon op zijn bed. Hij stuiterde weg en belandde op de grond, maar Rupert keek niet of er iets aan was. Niet belangrijk. Uitgeput liet hij zich voorover op bed vallen, met zijn gezicht in zijn hoofdkussen begraven. Hij liet zijn tranen eindelijk de vrije loop en al snel was zijn kussen doorweekt. Nasnikkend en totaal op viel hij uiteindelijk in slaap, mat al zijn kleren nog aan, terwijl er één vraag door zijn hoofd bleef echoën: ‘Noor, waar ben je?’

Sarith Demarek
0 0

Pestkoppen!

Anke begon te rennen. Ze rende haar longen uit haar lijf, terwijl ze achter zich de voetstappen naderbij hoorde komen. De oudste van de jongens die haar achterna zaten riep iets naar haar, maar ze hoorde enkel haar eigen piepende adem in haar oren. Ze stak nog een tandje bij en haalde alles uit haar uithoudingsvermogen, terwijl ze zoals elke keer de jongens achter zich hoorde schreeuwen naar elkaar. Hun voetstappen kletterden op de straat en werden steeds luider. Anke voelde haar longen branden en ze kreeg steken in haar zij. Ze sloeg razendsnel een hoek om, om daarna zeer snel te moeten remmen, om niet te struikelen over de houten balken die overal verspreid lagen in de straat. Na een snelle blik achterom constateerde ze dat haar achtervolgers dit hadden geweten en haar hierheen hadden gedreven. Ze grijnsden alle drie gemeen en versnelden nog wat. Anke sprak al haar reserves aan en begon weer te rennen. Als een engel vloog ze over de obstakels die haar de weg versperden, maar in haar achterhoofd wist ze dat ze al had verloren. Haar rugzak bonkte bij elke stap pijnlijk op haar rug, en ze hoorde de spullen bijna breken. Ze kwam nog steeds vooruit, bleef doorrennen, maar de jongens hadden ook gezien dat ze steeds vaker haperde. Het gaf hen meer kracht, leek het wel, en ze haalden haar in. Eéntje greep haar tas vast en gaf er al rennend een harde ruk aan. Anke struikelde, uit haar evenwicht gebracht, over een dikke balk. Ze viel voorover en landde met haar hoofd op de hoek van een volgend brok puin. Een withete pijn ontploft achter haar ogen, en ze bleef even bewusteloos liggen. Toen ze na een fractieseconde weer wakker werd, wenste ze in stilte dat ze langer bewusteloos was gebleven. Niet dat dat haar plaaggeesten zou hebben tegengehouden om haar waar mogelijk zo erg mogelijk toe te takelen, maar dan had ze er op het moment zelf tenminste geen pijn van gevoeld. Nu zag ze bij het openen van haar ogen drie grijnzende gezichten voor haar. Er liep een warme vloeistof over haar slapen naar de grond, waarbij de helft in haar korte haar bleef hangen en daar opdroogde. Anke had dat gevoel al zo vaak ervaren dat ze er geen aandacht meer aan besteedde. Ze staarde doodsbang naar de jongens. ‘Nou, trut, hoe zit het? Geef je je al over?’ Eén van de jongens, Anke kon niet zien wie precies, doordat haar zicht nog wat wazig was na haar onaangename kennismaking met de balk, nam het woord en benadrukte zijn belediging nog wat meer met een trap in haar zij. ‘Ja, ik meen me te herinneren dat je gisteren wel víjf meter verder was geraakt!’ spotte een andere jongen, waarvan Anke enkel de forsgebouwde gestalte kon onderscheiden. De derde jongen was een zielig ding dat ze nog nooit een woord had zien of horen spreken, dus Anke keek verbaasd op toen hij plots zei: ‘Wij hebben het niet zo op nieuwtjes, of wel, jongens?’ Alsof de andere twee nog wat meer motivatie nodig hadden om haar te martelen en te vernederen. De eerste jongen lachte gemeen en antwoordde: ‘Neen, hé, Jonas, die hebben we hier niet graag, hé.’ Hij keek sluw naar de forse jongen – Matthias, meende Anke nu te weten – en toen draaide hij zich om naar Jonas. ‘Maar help me, hoelang ben jij hier nu al?’ vroeg hij. Jonas’ gezichtsuitdrukking werd plots zeer angstig, en hij leek zijn fout te beseffen. ‘Eh… ee-een jaar of zo?’ stotterde hij, en Karel – Ankes geheugen kwam steeds meer terug – begon nog breder en arroganter te grijnzen. ‘En dat vind jij genoeg om er al helemaal bij te horen?’ vroeg hij vals. ‘Ik… ik… ik denk van w-w-wel, ja…’ Jonas strompelde plots achteruit, terwijl hij jammerend zijn beide handen voor zijn neus sloeg. Anke zag een rode stroom van tussen zijn vingers komen. Ze keek geschrokken naar Karel, die rustig zijn vuist aan het masseren was na de bliksemsnelle slag tegen de neus van de meeloper voor hem. ‘Nou, dat vind ik dus niet!’ Hij maakte zich klaar om Jonas nog een klop te verkopen, maar Anke dacht niet meer na over de gevolgen en haar benen schoten uit. Ze raakte Karel vol op zijn enkels, waardoor hij verrast achteruitsprong. In de tijd die hij nodig had om te herstellen en van de schrik te bekomen, trok Anke haar armen uit de riemen van haar rugzak en sprong recht. Ze voelde nu duidelijk de stroom opgedroogd bloed als een trekkende pleister op haar voorhoofd, maar ze ging voor Jonas staan, met haar vuisten gebald. Haar blik kruiste heel even die van hem, en in zijn ogen las ze bewondering, heel veel dankbaarheid en nog steeds een beetje haat, maar die zag ze verdwijnen in de milliseconde waarin ze elkaar aankeken. Ze draaide zich om, op het moment dat Karel terug recht krabbelde en Matthias zich ook klaarmaakte om hen ervan langs te geven. Anke hoorde achter zich dat Jonas zich verplaatste en zag dat hij naast haar kwam staan, met zijn ogen nu vol haat. Maar die was niet langer tegen haar gericht, maar tegen de twee kwelgeesten voor hen. Zo stonden ze daar, twee jongens die dachten dat de wereld aan hun voeten lag en ze alles mochten, een jongen met een bloedneus die tot voor kort ook zo had gedacht en een meisje met haar kleren vol modder en een ernstig bebloed voorhoofd. Ze stonden tegenover elkaar, en Anke voelde zich máchtig. Al sinds het begin van het schooljaar, zo’n negen maanden geleden, werd ze achtervolgd door die drie. Nu stond ze aan één kant met de sympathiekste en maakte ze zich klaar om het voor de eerste keer voor zichzelf op te nemen. Ze was er klaar voor. Ze keek uit haar ooghoek naar Jonas, en op hetzelfde moment keek hij naar haar. Ze glimlachte en schoot naar voren. Haar gebalde vuist raakte Karel vol in zijn buik, en ze voelde de wind van zijn zucht – Oef! – in haar gezicht. Ze zag dat Jonas hetzelfde had gedaan bij Matthias, maar ze mocht zich niet laten afleiden. Ze concentreerde zich op Karel en begon hem te bewerken met haar ellebogen, vuisten, voeten, knieën… waar ze hem maar raken kon. Ze was vastbesloten om al haar opgekropte woede en frustratie eruit te slaan. Zelf incasseerde ze ook een aantal slagen, waarvan één op haar linkeroog, maar ze kon niet ophouden. Op een bepaald moment merkte ze dat ze hem tegen de muur had aangedrukt, waardoor hij minder ruimte had om zich te verdedigen. Ze realiseerde zich waar ze mee bezig was en stopte onmiddellijk. Hijgend liet ze Karel los en hij zakte in elkaar. Vervuld van afschuw over wat ze had gedaan stapte ze achteruit, tot ze met haar rug tegen de tegenovergestelde muur stond. Ze zag Jonas nog een laatste klap uitdelen, en ook Matthias zakte bont en blauw in elkaar. De twee grepen elkaar vast en strompelden weg, nauwelijks in staat om zichzelf recht te houden. Anke en Jonas keken elkaar aan. Jonas had een gezwollen lip, maar verder leek hij in orde. ‘Anke…’ begon hij, maar ze liet hem niet uitpraten. ‘Waarom deed je dat? Waarom hielp je hen? De eerste dag dat ik je zag, leek je zo aardig! En voor de rest ook. Maar vanaf het moment dat zíj in de buurt kwamen, veranderde je totaal. Waarom?’ vroeg ze. ‘Anke, ik… ik was bang. In het vorige plaatsje waar ik woonde, werd ik ook gepest, en dat wilde ik niet meer opnieuw meemaken. Ik wilde mezelf beschermen. Het spijt me zo.’ Hij boog zijn hoofd en keek naar de grond. ‘Ik begrijp dat je jezelf wilde beschermen, maar waarom dan zelf pesten? Ik nam het voor je op omdat ik er niet tegen kan mensen te zien lijden, maar dat betekent nog niet dat ik je alles heb vergeven.’ Anke begon achteruit te lopen, ervoor zorgend dat ze daarbij niet over iets struikelde. Ze liep naar haar tas en raapte hem op. Ze deed hem, tot verbazing van Jonas, open en haalde er een blok kladpapier uit. Ze nam een potlood en schreef iets op. Daarna vouwde ze het papier in vieren en schreef nog iets. Ze stak alles weer weg, hing haar tas op haar rug en liep zonder iets te zeggen weg. In het passeren bij Jonas duwde ze hem het papier in handen. Jonas keek nieuwsgierig naar beneden en zag in hoofdletters staan: TEL TOT TIEN EN DOE OPEN. Hij keek verbaasd naar Anke, maar zag haar nog net resoluut de hoek omslaan. Hij besloot dat hij al tot tien had geteld en vouwde het papier open. Er stond: Maar ik kan het altijd proberen. 17 uur, dorpsplein.

Sarith Demarek
0 0

Kick

Wanneer we de hoek omslaan, weg van de grote baan, strekt de boulevard zich voor ons uit. Onze voeten roffelen op de harde aardegrond, terwijl jouw haar strak naar achteren wordt gehouden door een rekkertje. Toch zwiert je paardenstaart heen en weer, je donkere haar even prachtig als altijd. We rennen steeds sneller, totdat onze voeten onze hersenimpulsen niet meer bij lijken te houden en onze benen overgaan op de automatische piloot. Ik loop nog sneller, mijn voeten raken de ongelijke ondergrond bijna niet meer, lijkt het wel, ik heb geen last meer van enig obstakel op mijn weg. Die weg is voorwaarts, steeds maar vooruit, ik loop steeds verder weg van alles – alle problemen, tegenslagen, teleurstellingen die heb moeten verwerken laat ik achter me naarmate mijn snelheid toeneemt. Ik heb overal genoeg van, ik wil niets anders meer dan dit. Rennen, rennen, rennen. Mijn ademhaling wordt steeds moeizamer, mijn longen kunnen de inspanning niet helemaal aan, maar ik blijf doorgaan. Je roept mijn naam, ik hoor de uitputting in je stem, maar ik kan niet ophouden. Ik moet blijven rennen. Ademhalen wordt nu steeds lastiger, ik adem piepend in en piepend uit, maar ik ga me niet laten tegenhouden door zoiets ordinair als een menselijk lichaam dat het begeeft. Snelheid, is het enige waar ik nog aan kan denken, nog sneller gaan, nog een beetje, en nog wat sneller. Ik voel mijn benen niet meer, sta op het punt om op te geven, maar ik pomp nog wat harder met mijn armen en maak nog meer snelheid. Ik heb je helemaal achtergelaten, vergeef me dat, maar je moet weten dat ik niet wegloop van jou. Nee, ik loop weg van mijn miserie, van de gebreken van het bestaan, ik loop weg voor heel veel dingen, maar niet voor jou. Ik zou je nooit kunnen achterlaten, je bent één van de weinige redenen waarom ik niet gewoon blijf rennen tot ik neerval, je bent de reden waarom ik me elke dag opnieuw inhoud, waarom ik elke keer opnieuw weer vertraag en terugga naar mijn leven, naar mijn aardse bestaan. Onthoud dat zeer goed, je bent de grootste factor die me ervan weerhoudt om alles op te geven, laat me alsjeblieft nooit, nóóit in de steek, je bent alles voor mij. Je roept opnieuw mijn naam, van heel ver weg dring je door tot mijn compleet uitgeputte brein, of misschien komt het doordat ik al zo ver weg ben gelopen. Ik kan het einde van de ellenlange boulevard zeer duidelijk zien, wat betekent dat ik zo’n acht kilometer aan mijn allersnelste tempo heb gelopen. Ik vertraag, steeds meer, totdat ik het einde van de weg heb bereikt en met mijn handen op mijn knieën sta ik uit te hijgen. Mijn hartslag gaat van 200 naar 150 en dan naar 100, tot jij bij me aankomt en me opnieuw verwijten begint te maken, net als elke keer, maar dit zijn de enige verwijten die ik niet frustrerend vind, de enige persoon die me ongestraft verwijten mag maken, ben jij. Ik glimlach terwijl je stem wegsterft, want om me bij te proberen houden heb je je lichaam tot het uiterste moeten drijven, waardoor je nu dubbel zo uitgeput bent als ik – ik doe dit al langer, veel langer dan jij, en je moet er nog aan wennen. Op een dag kun je me bijhouden, lopen we samen zo snel als ik nu liep, op een dag zijn we even uitgeput, op een dag komen we tegelijkertijd aan bij het einde. Tot die dag moet je het ermee doen dat ik je beloon met een glimlach en de beste en vurigste kus die ik je kan bieden, de kussen die ik bewaar voor jou, de kussen die niemand op de hele wereld, in de hele kosmos, ooit zal krijgen, want ik houd ze bij voor deze momenten, om je te belonen voor je inspanningen, om ervoor te zorgen dat je weet dat jij de enige bent die ertoe doet. Als we onze monden losweken van elkaar, zijn we allebei terug tot rust gekomen. We wandelen hand in hand terug, in een rustig tempo, en als we opnieuw aan de kruising met de grote baan staan, vraag ik: ‘Komen we morgen terug?’ Als antwoord trek je me dicht tegen je aan en je fluistert liefdevol tegen mijn lippen: ‘Natuurlijk komen we morgen terug.’

Sarith Demarek
0 0

Icarus Falling

„Een dwaas, hij krijgt weeën van een verhaal, zoals een vrouw die moet baren ze krijgt van haar kind, Als een pijl die steekt in het vlees van de dij, zo steekt een verhaal in het binnenste van een dwaas.” Wijsheid van Jezus Sirach 19, 11-12.   Dit is het verhaal van de jonge Max Brul. Het is gevloeid uit de pen van een dwaas.   Alle schrijvers zijn dwazen!   ***   HOOFDSTUK I HET BEGIN Op een dag — hij was nog echt een kind — besloot Max Brul verliefd te worden, hij wist alleen nog niet op wie. Hij had zijn vrienden op de speelplaats over de meisjes horen vertellen. Wim, die sprak misschien de waarheid; hij kon het weten, hij had oudere zussen. Dirk, het lag er vingerdik op, die kon goed overdrijven; en Max, tja Max, hij zweeg. Voor hem was alles ernst.   GEA Zij was negentien en een half. Hij was iets ouder dan zestien en van verliefd worden was nog niet veel terechtgekomen. Hij kende haar, hij had haar al vaker gezien. Ze had al ruim twee jaar verkering met een leeftijdgenoot, en voor zover Max wist, was ze gelukkig. Ze stelt geen belang in mij, schreef hij; waarom zou ze ook, vergeleken bij haar, was hij maar een snotneus. En toch... Plots kwam ze op hem af, zomaar op straat: - Max, je koopt toch een kaartje voor onze T.D., hé? - Een T.D.? Wat heb ik dáár verloren? - Wel heb je ooit, zeg me niet dat je nog nooit bent uit geweest!? Dat werd dus zijn eerste fuif.   DE FUIF Echt op zijn gemak voelde hij er zich niet. Niets dan onbekende gezichten, die van de meisjes, opgetut en onbereikbaar, die van de jongens, vulgair en vuilbekkend: fuck, ass, suck, dick... En waar was Gea Adams? Plots was ze er... samen met haar vriend. Ze zei even goeiedag, en dat was het dan. Hiervoor had hij een kaartje gekocht, hiervoor had hij thuis moeten knokken: één seconde en dan was het gedaan. Om elf uur ging hij terug naar huis. Hij had het koud en zijn kleren roken naar sigaretten. Zo vlug hij kon, vluchtte hij naar zijn kamer, wierp zijn kleren in de verste hoek en kroop naakt in bed. Zachtjes begon hij zijn stijve penis af te trekken; hij had een roodharig meisje voor ogen, ze was bijna drie jaar ouder dan hem. Haar naam was Gea Adams.   MOEDER Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother Het leek wel alsof hij strafwerk aan het schrijven was, telkens hetzelfde regeltje, wel honderd keer na elkaar. En misschien was het ook een soort straf, een boete die hij zichzelf had opgelegd, dag na dag, een boete omdat hij bang was, bang voor de gruwelgedachten in zijn hoofd, bang voor het krijsen: Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother En zo is zijn schrijven begonnen...   DE DROOM Ze liep door een oneindig lange gang, oneindig lang, omzuild met Gotische kolommen. Ze wist dat ze voor haar leven liep; er lag doodsangst in haar ogen. Hij zag haar lopen als in een film. Hij zag zelfs de twee zwarte randen boven- en onderaan het beeld. Het was niet meer het mooie gezicht van Gea waar hij van droomde, het was het afstotelijke gezicht van zijn moeder. En hij liet haar lopen, lopen voor haar leven, wetend dat hij haar doden zou, doden aan het einde van de gang.   DE LIEFDE Gea was zijn eerste 'echte liefde'. Zij vond hem leuk, en hij vond haar leuk, alleen hun leeftijd zat soms een beetje in de weg. Haar vriend natuurlijk ook, maar dat was minder belangrijk. Beetje bij beetje leerden ze elkaar beter kennen. Beetje bij beetje raakten ze aan elkaar gehecht. Hij was voor Gea het jongere broertje waar ze altijd met haar problemen bij terecht kon — met haar vriend kon ze namelijk niet goed praten. Zij was voor Max als een soort moeder, ze leerde hem de simpele dingen die moeders horen te leren aan hun kind, vanzelfsprekende dingen die hij zonder haar nooit als vanzelfsprekend zou hebben aangenomen. Ze zagen elkaar na schooltijd, soms op straat, soms bij haar thuis. Hoe lang duurde het? Een jaar? Iets meer? Iets minder? Plots stonden ze samen in het donker op straat, in de motregen... En ze kusten elkaar. Zij had niets durven zeggen omdat ze al een vriend had en hij, hij voelde zich altijd al een groentje... Maar het was grote liefde, zoveel was duidelijk... De ellende begon...   DE HAAT Wat heb ik je misdaan? Ik ben je moeder. Heb je ooit iets te kort gehad door mij? Ik heb altijd alles overgehad voor jou. Waarom bedrieg je me dan zo? Het was dus uitgekomen. Hoe ze het ontdekt had, daar kon hij alleen naar raden. Maar ze wist blijkbaar alles en ze trok werkelijk alle registers open. Tieren, roepen, krijsen, schreeuwen, huilen... Niets wat ze niet aankon. Zijn moeder trapte op zijn ziel en hij haatte haar hiervoor. En het dreunde weer, het dreunde in zijn hoofd: Some day I'm gonna kill my mother   HET LIJDEN Drie dagen na elkaar ondernam hij pogingen Gea te bereiken. Bladzijden en bladzijden onzin had hij al geschreven, en alles wat aan zijn prullenmand ontsnapte, stopte hij bij haar in de brievenbus. Waar bleef ze? Waarom antwoordde ze niet? Na drie dagen zag hij haar eindelijk terug. Toen pas begreep hij hoe efficiënt zijn moeder was in het intimideren van iedereen die een slechte invloed kon hebben op haar enige zoontje. Het was zijn eerste tongzoen geweest die avond in de motregen, en het zag ernaar uit dat het voor lange tijd de laatste zou blijven. Soms had hij zin om een potje te huilen: Some day I'm gonna kill my mother   HET WACHTEN Nog een klein jaartje wachten, en dan ben je hier weg, dan zit je in Gent of Leuven of nog verder om te studeren, had Gea hem gezegd, Dan zal je niet meer denken aan mij, maar ook niet aan je moeder, dan zul je vrij zijn, vrij te leven zoals jij het wil. Ze was lief, Gea, en hij zou haar missen. Hij wilde haar niet vergeten, maar hoopte toch dat ze gelijk had. HOOFDSTUK II HET HUIS Het was koud in het kleine arbeidershuisje aan de rand van de provinciestad. Buiten was het november, donker en nat. Iemand had zonder er veel zorg aan te besteden een vuurtje aangelegd in de haard. Het had niet lang gebrand. Iedereen was in de rouw. Tante Plant zat zoals altijd in haar speciale stoel voor zich uit te staren. Haar jongere broer was bij een vriendje en aan tafel zat haar oudste zuster, samen met Vader. De plaats van Moeder was leeg. Er hing haat in de lucht, haat en veel verdriet. Nog maar pas was de oud geworden man vol bittere woede tegen zijn dochter uitgevaren. Er waren slagen gevallen en de vrouw had met haar schrille stem iets teruggegild. Toen was het stil geworden. Boven sliep een kleine jongen. Zijn naam was Max Brul.   DE HERINNERING Hij herinnerde zich niet ooit geboren te zijn... Hij werd gered uit een soort hel door een lieve oude meneer. En elke dag bracht die lieve oude meneer hem er weer naar terug. Dat moest, zo zei die, want hij was nog maar een kind en hij hoorde thuis bij de juffrouw, tussen de andere kinderen. Maar hij hield niet van de juffrouw en ook niet van de kinderen. Eén ervan riep steeds: Grootva zal je niet komen halen vandaag! Grootva heeft je vergeten! Grootva heeft je vergeten! Toen pakten ze zijn snoep af en zijn boekentas... Hij zat altijd te huilen als Grootva kwam... Max was overgelukkig met hem mee te mogen op de fiets, naar het kleine huis aan de rand van de stad. Uren zat hij daar onder tafel. Mensen zien komen en gaan, observeren, veilig, zonder zelf gezien te worden... Dan zag hij, net als de lieve jonge mevrouw in haar speciale stoel, hoe Grootva vuile boekjes las, hoe de niet zo lieve en niet zo jonge poetsvrouw snuisterde in de lade met het geld, en hoe een jonge meneer, oom Frank genaamd, heel stiekem de meisjes meebracht naar huis. Oom Frank tastte graag onder hun rokken en stal veel meer dan zedige kussen, maar de meisjes waren bang van tante Plant, die, als er niemand anders keek, knipoogde en soms haar tong uitstak. Soms — men noemde het vakantie — moest hij naar een vreemde vrouw, zijn moeder. De enige man in huis, was de man op haar kamer; Hij keek altijd droevig. Jezus op de olijfberg, biddend maar niet verhoord, zoon van de Vader...   DE WALGING Zijn moeder was een bespottelijk mens! Zoals ze door het huis liep en hem het leven zuur maakte, bwah, hij walgde ervan. Ze zeggen dat mensen veranderen, wel, dat gold dan niet voor zijn moeder. In haar jonge jaren was ze — naar eigen zeggen — een schoonheid geweest. Hij kende haar alleen maar als een lawaaierige klomp vet, samengehouden door een vormloos trainingspak. Was ik maar schooljuffrouw geworden, zuchtte ze vaak, of lerares turnen... Nee, veel creativiteit had ze nooit gehad. Haar leven was niet meer dan een eindeloze opeenvolging van was-ik-maar's. Hij leed eronder.   DE SCHULD Zijn moeder werd op haar negentiende zwanger gemaakt door een voor hem nog altijd onbekende man. Zo had ze nooit de tijd gehad om te studeren, of dat was toch het verhaal dat hij altijd te horen kreeg. Het was alsof hij zich daarvoor schuldig moest voelen. Dat ze al op haar vijftiende was beginnen werken, wist hij niet. Mijn moeder is een domme vrouw, en ik heb daar schuld aan.   DE RUZIE Toen haar moeder stierf op een dag in november, besloot ze alleen te gaan wonen. Hoe ze erbij kwam, bleef een raadsel voor Max. Haar vader was woedend geweest en had heftig geprotesteerd. Er waren zelfs slagen gevallen. Het mocht niet baten. Voor de eerste en enige keer in haar leven voerde ze ook effectief door wat ze besloten had. Elke dag na haar werk, kwam ze Max bij haar vader oppikken, maar dat herinnerde hij zich niet meer, enkel de vakanties. Dan miste hij zijn grootvader en oom Frank. Wie hij nog het meeste miste, dat was tante Plant.   ALICE FALLING Tante Plant heette vroeger Alice. Ze was ietsje jonger dan zijn moeder, maar veel rijper. Op haar zestiende leerde ze een man kennen met een auto die 160 kon rijden —en dat ook vaak deed. Hij was meer dan tien jaar ouder. Hij rookte als een ketter en vloekte twee keer bij elk woord dat hij uitbracht. Dit alles viel niet in goede aarde bij haar vader, maar veel tijd om te reageren kreeg hij niet. Al vlug bleek zijn dochter zwanger te zijn en was het wenselijk dat ze binnen de kortste keren goed en wel getrouwd was. Voor hem was dat een zware klap. Haar moeder, die toen nog leefde, nam het allemaal nogal berustend op, al was ze wat gegeneerd. Enerzijds omdat haar dochter ongehuwd zwanger was geworden —maar dat was een beetje zo gepland, zo had Alice háár en alleen háár toevertrouwd. Anderzijds omdat ze liever haar oudste dochter eerst getrouwd had gezien. De straf van God, zo drukte Vader het uit, zou echter niet lang op zich laten wachten. Precies één week voor het huwelijk reed het jonge stel zich samen met hun ongeboren kind te pletter met de auto die 160 kon rijden —en dat ook deed. De man was op slag dood; misschien had Hij dat wel zo voorzien. Alice zelf had de klap als bij wonder overleefd, maar dat was dan ook alles. Haar baarmoeder was doormidden gescheurd. De roddeltantes uit de buurt zouden nooit met zekerheid weten of ze nu werkelijk zwanger was geweest. Ze had niet alleen haar kind, maar ook haar verstand verloren. Haar geest viel in een diepe put, een wit konijntje achterna; de tijd viel stil. Terug thuis uit het hospitaal werd tante Plant in een stoel met een pot geplant en daar zat ze dan, zwijgend voor zich uitstarend, wat er ook gebeurde. Nee, voor het nageslacht Brul was er weinig goeds in de sterren geschreven.   ICARUS FALLING instruit et natum: "Medioque ut limite curras, Icare, ait, moneo, ne, si demissior ibis, unda gravet pennas, si celsior, ignis adurat: Inter utrumque vola" Ovidius' Metamorfosen, Daidalus & Icarus, v203-206a   Mijn wereld is een eiland, en volgens mij bestaan er drie soorten mensen.   Een eerste soort is voortdurend bezig met het bouwen van muren. Elke nieuwe muur op het eiland stelt een ontdekking voor: de revelatie van iets —een leefregel, een natuurwet, iets— dat er precies altijd al geweest is, maar dat pas duidelijk is geworden na het bouwen van de muur. Zoals een muur al kan voorzien zijn op het plan van een architect, maar pas echt muur wordt eens het plan volledig uitgevoerd.   De mensen die dit inzien, zijn dan van de tweede soort, en zij loven de architect van hun wereld om zijn plan. Ondertussen echter worden de muren alsmaar hoger en alsmaar talrijker.   Het plan lijkt wel oneindig en daar heeft een derde soort mensen wel wat moeite mee. Het plan, voor velen nog een bron van zinvol leven, verandert voor dit soort mensen in een labyrint, een absurde gevangenis, bedacht door een op hol geslagen tiran, en ze stellen dan ook alles in het werk om aan hun eiland te ontsnappen.   Ikzelf, ik heb ook vleugels gemaakt. Besluiteloos sta ik op de muren van mijn eiland te staren over de eindeloze zee. En dan val ik... Ik val en ik val en ik val en ik vlieg...   —   Mijn wereld is die van de hoge lucht en volgens mij bestaan er drie soorten mensen.   Allereerst zijn er de moderne mensen; gefascineerd door de zon en het absolute, steeds hoger en hoger vliegend, smelt de was van hun vleugels...   Dan zijn er de postmodernen; afkerig van het Licht, zich krachteloos voortbewegend, worden hun vleugels zwaar van het water...   Ten slotte bestaat er nog een kleine groep van ideale mensen. Zich duchtend voor het water, op hun hoede voor de zon, vliegen zij vooruit tussen onzichtbare grenzen. Dit is hun doel. Ze kennen de richting, maar niet hun bestemming.   Ikzelf heb de neiging de verschroeiende zon te mijden, maar nooit is het me gelukt te ontkomen aan het water. Het water sleurt mij met zich mee, steeds verder, steeds dieper... Tot ik aanspoel...   —   Mijn wereld is een eiland en volgens mij bestaan er drie soorten mensen...   Max Brul   DE ZONDAGSSCHRIJVER Max Brul is geen naam voor een schrijver, en hij was er ook geen, hoogstens een zondagsschrijver. Enkel als hij zich alleen waande en zich verveelde, vulde hij blanco bladen op met woorden en zinnen. Meestal was het resultaat frustrerend slecht. Mijndoodsberichten op maandag, noemde hij ze wel eens, als hij ze achteraf herlas. Er ging heel veel tijd over (herlezen, schrappen, laten bezinken, herschrijven, herlezen...) vóór er iets goeds uit de bus kwam. ICARUS FALLING was het eerste verhaal waar hij trots op was...   HET DAGBOEK Ooit had hij een dagboek bijgehouden. (Maar verwar niet wat ik schrijf met wie ik ben. Velen hebben de fout gemaakt te denken dat ze me kenden, ikzelf in de eerste plaats.) Ooit had hij geprobeerd te be-schrijven. Zo was er bij voorbeeld het verhaal van zijn nieuwe schoenen. Hij vond zijn pantoffels niet direct en hij liep wat heen en weer. Omdat zijn schoenen kraakten, vloog zijn moeder op en kreeg hij een heel evangelie op zijn kop. Zulke taferelen waren hem niet vreemd. Slechts één gedachte hield hem recht: Some day I'm gonna kill my mother Hij wou dat hij een schrijver was van meesterwerken en stoere taal kon spreken: Op die zoete dag, voorbode van een hete zomer, bedreef ik passioneel (en voor de eerste keer) de liefde met de literatuur... Na lange maanden zwanger zwoegen, na lange jaren arbeid, heb ik uiteindelijk de vrucht gebaard van het verlies van mijn jeugd.   DE TRANEN Maar Max Brul zou nooit een schrijver worden, Icarus Falling nooit de grote held uit één van zijn romans. De één noch de ander was gemaakt voor wat hij worden wou. Hij kwam klaar op het blad dat hij juist had volgepend en hij zag hoe zijn zaad van vlokkig wit veranderde in transparant geel. De tekst werd weer leesbaar, maar wazig... Door zijn tranen heen zag hij hoe de letters van het papier leken weg te lopen en hij dacht plots aan een zin, dé zin van zijn leven, twaalf woorden die al het geschrijf van zijn dagboeken wisten samen te vatten: Wetend dat ik geen schrijver ben, krijg ik geen letter op papier.   HOOFDSTUK III DE TIJD Tijd ging voorbij en zoals voorspeld, vond hij voor het eerst zijn vrijheid in een studentenstad. Ken je die mop van die moeder die ermee dreigde zelfmoord te plegen? Ze zweeg toen haar zoon zijn hulp aanbood... Hij zag zijn moeder eenmaal in de twee weken; het was nooit een prettig weerzien. Zelfs als hij van haar weg was, bleef ze hem achtervolgen in zijn dromen en dan kwamen de gruwelgedachten steeds weer boven: Some day I'm gonna kill my mother   LAURA Zijn naam was weer eens Icarus Falling. Hij was postmodern en voor het ogenblik was hij zelfs aan het lopen voor zijn leven. Hij kon nog net zijn sleutel uit zijn broekzak vissen, de deur openen en... binnen! Hij stond ervan te hijgen, zijn rug tegen de muur, maar hij had het gehaald... Eindelijk veilig! Hij ging de trappen op en stopte voor de eerste deur die hij tegenkwam. Er hing nog een sleutel aan zijn bos. Hij opende de deur en ging binnen. Haar naam was dit keer Laura, en volgens hem was ze modern. Ze speelde met zijn brief, ze bekeek hem langs alle kanten, ze liet hem vallen en raapte hem weer op. Wat voor hem zo zwaar was, was voor haar zo licht. Wat voor haar slechts een brief was, was voor hem een leven... DE FUIF Hij was het al gewoon geworden. Een opeengepakte massa mensen. Allemaal dezelfde gezichten, alleen de namen verschilden soms... Veel lawaai, veel rook en spotlichtjes in het donker. Hij had met haar afgesproken op de fuif. Stom van hem. Hij wist niet eens of ze wel wou komen. Oef, daar was ze... Eindelijk! Net op tijd voor de eerste slow... - Amuseer je je een beetje op die fuif hier? - Eigenlijk niet, nee, moest hij toegeven. - Waar ga hier zo al naartoe? vroeg ze hem. - Oh, een beetje overal, zei hij, vooral nergens, dacht hij erbij. - Wel, dan gaan we maar op stap, stelde ze voor, we zien wel waar we uitkomen.   DE SEKS Ze kwamen uit in een klein cafeetje. Er was geen levende ziel te bespeuren, zelfs niet achter de toog. Ze nestelden zich samen in een hoekje en totaal onverwacht begon Laura hem te kussen. Ze opende de knopjes van haar topje en hij drong langs haar mouwtje naar binnen. Hij voelde een blote meisjesborst. Hij voelde hoe het tepeltje stijf stond en toch heel zacht was. Hij voelde hoe het hem opwond, en zij zag het, heel duidelijk: Max, je hebt toch iets bij je? Hij slikte. Hij had hier al jaren van gedroomd, maar nu het moment gekomen was, wist hij niet wat te doen. Hij haalde zijn portefeuille boven. En waarlijk, er zat een condoom in. Nog een geluk van de voorlichtingscampagnes, lachte hij schuchter. Ze verdwenen samen in de toiletten. Laura maakte zijn gesp los, opende zijn rits en werkte zijn pik uit zijn onderbroek. En dan nu het condoom... Hij was zenuwachtig, maar zij hielp hem, en toen kwam hij klaar... Veel te vroeg natuurlijk: Sorry... Gevolgd door zijn laatste greintje houvast, spoelde hij zijn eerste condoom door in het toilet van een goor café. Het was je eerste keer, hé, fluisterde ze zachtjes, terwijl ze met haar fluwelen ogen opkijkend, haar broekje weer omhoog trok, haar mini-rok omlaag. Ja, antwoordde hij schor, met afgewende blik, hij voelde zich smerig, verschrikkelijk smerig. Hij deed zijn broek dicht en nam de benen. Sorry Laura...   DE REDDING Hij zette zich aan zijn bureau en begon verwoed te schrijven: Ik dans de dans der dansen, Ik speel het spel der spot, Ik kreeg al zoveel kansen, Maar falen is mijn lot... Hij scheurde het blad van zijn writer's block en verfrommelde het. Zijn prullenmand zat al vol. Plots ging de bel. Daar was Laura terug! Ja ze hield wel van Max Brul en Max Brul hield wel van haar. Toen hij een paar jaar later zonder veel glans afstudeerde, vroeg hij haar ten huwelijk en wonder o wonder, zij zei ja. Max Brul was gered, of toch voorlopig... Icarus Falling vloog weer, maar het was Laura die over hem schreef.   STRANDJUTTEN Laura was een schrijfster, een 'echte'. Schrijven was voor haar een soort spel van eb en vloed. Ja, het was zoiets als strandjutten: Een schrijver moet vooral veel geduld hebben, en bestand zijn tegen ontberingen. Hoopvol wachten op de nauwelijks grijpbare zee van verhalen en de spanning voelen groeien tot aan het hoge tij. Pas als de zee langzaam aan haar terugweg begint, kan hij op zoek naar de eerste brokstukken tekst en het wrakhout. Soms vindt hij schatten, soms vindt hij niets. Dat hangt een heel klein beetje af van de scherpte van zijn ogen, maar nog veel meer en vooral van zijn eigen stomme geluk... Een schrijver is een mens die leeft van een ander mens zijn illusies. Hij rijgt losse stukjes tijd aan elkaar tot een geloofwaardig geheel en hij zegt tot de mensen: "Kijk, zo goed als nieuw, u krijgt het voor een prikje!" en als de mensen dom genoeg zijn, dan antwoorden ze: "Wat knap, hoe mooi, dit is iets wat we nog niet hadden." En de schrijver, hij lacht bitter wanneer hij zijn geld in ontvangst neemt; hij kan maar niet snappen waarom de mensen precies dàt willen terugkopen wat ze zelf achteloos verloren lieten gaan in de zee van hun tijd en hun leven. Hij schudt zijn hoofd vol ongeloof, maar hij zwijgt en werkt verder. Daarmee en daarvoor moet hij leren leven. Veel meer is er voor hem niet weggelegd in deze wereld, en dat weet hij, maar al te best...   DE DOOD Ze zag er zo weerloos uit. Alsof ze nooit meer iemand zou kunnen schaden. Nee, hij had zijn moeder niet vermoord, hij had haar geen vergif gegeven... Ze was gewoon ziek geworden. Kanker. Uitgezaaid over haar hele lichaam. Haar leven was verloren... Hij ook een beetje, zonder zijn moeder, zo zei hij tegen zijn grootvader, maar het klonk niet echt gemeend. Buiten wachtte Laura, zelfs in rouwkledij zag ze er verrukkelijk uit. Proficiat! zei ze, alsof hij net de eerste prijs had gewonnen. Hij was eindelijk vrij, of dat dacht hij...   DE WAANZIN Toen hij wakker werd, lag Laura nog half op hem. Toch kon hij zich niet ontdoen van het gevoel dat zijn moeder nog maar eens binnengedrongen was in zijn dromen en terwijl hij Laura een goeiemorgen neukte, vond hij zich plots net zo smerig als de eerste keer... Max... Max...! Wat doe je? Help! Help! Laura wist niet wat Max bezielde. Ze wist niet dat haar gezicht tijdens het neuken plots veranderd was in dat van zijn moeder. Ze wist niet dat hij zijn dode moeder doden wou. Ze wist alleen dat hij nu reddeloos verloren was en ze wou weg, weg van Max Brul. - Is er krankzinnigheid in de familie? - Ja, dat is er...   WONDERLAND Tante Plant was uiteindelijk in een instelling terechtgekomen en nu kreeg ze wat gezelschap van Max Brul: Alice en Icarus Falling, samen in Wonderland. Tante Plant herkende hem en ze was blij, maar ze liet het niet merken. Ze zat nog altijd stom voor zich uit te staren. Soms kroop Max nog onder tafel, vooral als oom Frank op bezoek kwam met zijn vrouw. Grootvader kwam niet meer. Die was oud en ziek. Toen hij stierf kregen Alice en Max een dagje verlof voor zijn begrafenis en allebei huilden ze, wisten ze wel waarom? Terug in Wonderland gebeurde er een wonder, een echt! Voor de eerste en laatste keer sinds haar val in de put, opende Alice haar mond:   Mijn Vader, Jouw Vader, Eindelijk Dood,   en ze zweeg weer, voorgoed. En Max Brul, hij weende, want plots begreep hij alles. Hij ging naar zijn kamer, deed de deur goed op slot en begon aan zijn laatste verhaal: Dit was het einde.   VADER Stinkend naar het geronnen bloed op mijn kleren, Beweeg ik met zware stappen naar de troon. „Vader, ik kom verantwoording afleggen” En ik sla Hem in het gezicht. „Vader, vergeef het me” En ik geef Hem de doodsteek. Er vloeit geen bloed, er volgt geen straf. Maar wachtend op een nieuwe wereld, Op een nieuwe God, Ga ik tenonder...   Max Brul   HET EINDE En zo eindigt het verhaal en het leven van de jonge Max Brul. Op een dag wou hij zijn Moeder doden. Nu wil hij enkel nog dansen, dansen op het graf van zijn vader.   Geschreven in 1993 Winnend verhaal Literaire Schrijfwedstrijd van de stad Harelbeke 1994 Gepubliceerd in de bundel "Een barst in winterwater"

Bruno Lowagie
0 1

Moordenaar!

Steven wendt het hoofd af. De loop van Leo’s revolver staat loodrecht op zijn slaap. Leo voelt hoe een druppel koud zweet tergend langzaam langs de holte van zijn ruggengraat naar beneden loopt. Hij spant de haan. Stevens hoofd beweegt mee. Beide mannen houden de adem in. Leo telt in stilte tot drie en haalt de trekker over. Er weerklinkt geen schot; enkel een droge klik. Er wordt weer adem gehaald. Steven en Leo zitten aan de hoek van een tafel, elk langs een kant. Leo legt de revolver tussen hen in, de kolf in de richting van Steven gedraaid. Steven36 jaar. Voorheen zelfstandig stukadoor, momenteel tewerkgesteld als klusjesman bij de stad. Al vijftien maanden lang stapte Steven elke avond het café binnen voor zijn dagelijkse portie vergetelheid. Die dag kwam luttele tellen later een vrouw binnen.“Is deze plaats vrij?” vroeg ze schor. Ze bracht de kou mee van buiten. In al die maanden was dit de eerste keer dat Steven zoiets overkwam. Hij knikte de vrouw toe. Te onverschillig, dacht de cafébaas. Steven trok het zich niet aan. De vrouw negeerde het non-verbale onderonsje aan de toog. Ze ging zitten, en de cafébaas keek Steven vragend aan. Steven begreep plots wat van hem verwacht werd: “Wil je iets van me drinken?”“Een glas witte wijn, graag.” Ze zei het op een toon waardoor Steven zich hardop afvroeg of ze elkaar kenden. Ze zei van nee. Steven ging er niet verder op in. Zo zaten ze zwijgend naast elkaar tot haar glas leeg was.Opnieuw die blik van de cafébaas. “Nog eentje?” vroeg Steven. De vrouw knikte. “Nog eens het zelfde,” gebaarde Steven. Dit scenario herhaalde zich een vijftal keer, tot de vrouw plots zei: “Genoeg! Ik moet naar huis.” Haar glas was nog niet leeg.“OK,” zei Steven, maar de vrouw aarzelde: “Hmm, het is wat laat om nog alleen op straat te gaan. Loop je niet even met me mee?”“OK,” zei Steven opnieuw. Nu op een ietwat andere toon. Ze liepen Stevens voordeur voorbij. Steven dacht aan zijn vuile kleren in de woonkamer, de afwas in de keuken, de rommel op de gang. Haar bij hem thuis binnenvragen was geen optie. Dat speet hem, want ze doorkruisten bijna de halve stad vooraleer de vrouw een sleutel uit haar jaszak viste, een voordeur aanwees, en zei: “Dat ben ik.”“OK,” zei Steven weer, alsof het de enige twee letters waren die hij kende. De hele tocht hadden ze amper een woord gewisseld. De vrouw scheen het niet erg te vinden. Ze vroeg: “Kom je mee naar binnen?”“OK.”   —   De vrouw hing haar jas over een stoel en draaide de verwarming hoger. “Ik heet Marion,” zei ze, terwijl ze haar truitje uittrok. “Help je me even met mijn rits?” Ze draaide haar rug naar hem toe. Hij hielp haar uit haar jurk en ze haakte haar beha voor hem los. “Kom mee!”Steven volgde Marion naar boven, legde zijn kleren over de rand van het bed en zei geen nee. Marion sliep nog toen hij de volgende ochtend het huis uitsloop. Vlug naar huis, omkleden, naar het werk. Hij vroeg zich af of hij het allemaal niet gedroomd had. Was dit echt gebeurd? En zo ja: waarom? Wat zocht die vrouw in een café zo ver van huis? ‘s Avonds was hij er nog altijd niet uit. Hij kon er beter eens over nadenken bij een glas. Tot zijn grote verwondering zat Marion op hem te wachten aan de toog. Ze had net het aanbod van een andere man afgeslagen. De cafébaas lachte Steven toe: “Het zelfde als gisteren?”Marion antwoordde in Stevens plaats: “Doe maar ineens een fles.”Er waren nog minder woorden nodig dan de dag voordien. De fles minderde langzaam maar zeker. Toen ze leeg was, stapten ze samen het café uit, de halve stad door, naar haar bed. Dit keer was Marion wakker in de ochtend. “Morgen weer?” vroeg ze.“OK.” Hij vroeg zich niet meer af waarom.   — De volgende ochtend bleef Steven liggen. Het was zaterdag. Hij moest niet gaan werken. Hij was van plan Marion te vergasten op koffie en een lekker ontbijt; maareerst nog wat slapen.Hij schoot wakker toen het gestommel op de trap al heel dichtbij was. Een man riep Marion bij haar naam. Marion was klaarwakker. Ze zat rechtop in bed, haar ogen op de slaapkamerdeur gericht: “Leo!”Een man deed de deur open, overschouwde de situatie, en vloekte: “Wat is hier g*dverd*mme aan de hand? Wie is die vent in ons bed?”   *** Steven had dood kunnen zijn. Meer nog: Steven had dood willen zijn. Maar dat was een minuut geleden. Intussen waren de rollen omgedraaid. Slachtoffer werd dader, en omgekeerd. Leo geeft de revolver nog een duwtje in Stevens richting; als om te zeggen: “Komaan, doe wat vlugger. Maak het kort!” Steven neemt de revolver in zijn rechterhand, geeft met zijn linkerhand een draai aan de trommel, spant de haan. Opnieuw wordt de adem ingehouden bij dit bizarre, dodelijke spel. Opnieuw volgt niet meer dan een klik. Uitstel van executie!   Leo41 jaar. Voorheen kleinhandelaar in vuurwapens, zit momenteel een gevangenisstraf uit. Steven herkende Leo meteen. Toch was het de eerste keer dat ze elkaar recht in de ogen keken. Stevens schoonouders hielden een knipselmap bij over hun dochter, kleindochter, Leo en de rechtszaak. In de kwaliteitskranten hadden enkel foto’s van Stevens vrouw en dochtertje gestaan. Het origineel van de meest afgedrukte foto stond al bijna twee jaar op hun schoorsteen. Vijftien maanden geleden hadden ze er een zwart lintje rond gehangen.Steven ging steeds minder bij zijn schoonouders op bezoek. Telkens hun nietszeggende woorden van troost hem dreigden te verpletteren, haalde hij de knipselmap uit hun kast. Stilte. Het ritselen van papier; drie mensen die ademhaalden, hun gedachten bij de dood.Leo’s foto had enkel in de populaire pers gestaan. Geportretteerd zoals Steven hem kende uit de rechtbank: met ontwijkende blik, niet in staat de mensen aan te kijken en rekenschap af te leggen voor zijn daden. Eén krant had een foto afgedrukt waarop Leo recht in de lens keek, met een mengeling van verwarring en boosheid op zijn gezicht. Precies zoals hij nu keek.   —   Leo had Steven niet herkend. Steven stond nooit in de krant. “Wie ben jij?” riep Leo de man in zijn bed toe, “Wat doe jij in bed bij mijn vrouw?” Marion probeerde tussenbeide te komen, maar Steven was het bed al uit; in zijn blootje, maar meer dan strijdlustig: “Moordenaar!” riep hij uit, “Moordenaar!” Dit woord bracht Leo van zijn stuk. Hij was van plan geweest de man een klap te verkopen, maar kreeg nu zelf een vuist in zijn gezicht. Leo herpakte zich snel: “Is dat wat ze je verteld heeft? En jij gelooft dat?” Hij geloofde zelf nauwelijks dat zijn Marion hem zo kon bedriegen! Woede, verdriet, razernij, pijn... Daarbovenop een krijsende Marion: “Hou op! Hou op! Hou op!”Ook Steven bleef roepen: “Die man heeft mijn vrouw vermoord! Hij hoort thuis in de gevangenis! Hij heeft zijn straf nog lang niet uitgezeten!”Toen begon het Leo te dagen. Hij haalde uit naar Steven en hield hem stevig in de klem. Hij was de eerste die kalm werd: “Wat is er hier aan de hand?”   —   “Het is allemaal mijn schuld,” biechtte Marion op. Ze had een kamerjas aangetrokken en zat op de rand van het bed. Leo had een stoel genomen. Steven wou niet gaan zitten. Hij ijsbeerde in onderbroek door de slaapkamer.“Ik wist dat Leo elk moment kon thuiskomen.” Steven hoorde enkel flarden van wat ze zei: “Goed gedrag - weekend - penitentiair verlof.”Steven schuimbekte van verontwaardiging: “Is dat de straf voor een moordenaar? In de week wat in de cel zitten niksen; elk weekend lekker terug naar huis bij moeder de vrouw?”Marion voelde een steek van pijn door zich heen gaan, maar probeerde haar verhaal af te maken, al was het maar voor Leo: “Ik weet niet waarom ik het gedaan heb. Het is alsof ik wou betrapt worden; dat het allemaal eens zou uitkomen.” Ondertussen raasde Steven door: “Jij kan elk weekend bij je vrouw zijn; dat is meer dan ik kan zeggen! Jij hebt mijn vrouw vermoord! Moordenaar!”Marion deed nogmaals een poging hem te onderbreken: “Het was een ongeluk, Steven, geen moord.” Leo zat roerloos naar de grond te kijken. Steven gaf hem met de rug van zijn hand een mep tegen het hoofd: “Een ongeluk noemen ze dat! Vertel eens hoeveel alcohol er in je bloed zat toen je mijn vrouw en kind van de baan reed! Ik heb veel zin om…”Leo kreeg er stilaan genoeg van. Hij snauwde Steven af: “Man, luister dan toch naar haar! Het was een ongeluk! Als ik mijn leven kon geven in ruil voor je vrouw en kind, ik zou het direct doen. Maar zo werkt het niet. Zo werkt het niet… Helaas!”“Jij hebt gemakkelijk praten,” fulmineerde Steven, “Is dat gerechtigheid? De moordenaar die mijn gezin uit het leven gerukt heeft, laten ze zomaar in het weekend loslopen.”Leo schudde het hoofd: “Zelfs al ontsloegen ze me vandaag uit de gevangenis, denk je dan werkelijk dat ik mezelf ooit vrij zal voelen? Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik aan je vrouw of kind denk. Ik vergeef het me nooit dat ze er nu niet meer zijn.”Dat maakte Steven alleen maar bozer. Er ging een gevoel van walging door hem heen bij de gedachte dat niet alleen hijzelf, maar ook die moordenaar dag en nacht aan zijn vrouw en dochtertje dacht. Hij wou nog harder gaan tieren, maar het lukte hem niet. Hij voelde zich beetje bij beetje kapotgaan. Dat mocht niet. Hij moest woedend zijn. Woest!Marion zag dat Steven aan het eind van zijn krachten was. Ze trok hem naast zich neer op het bed. Met opengevallen kamerjas drukte ze haar lichaam tegen Steven aan. “Het spijt me zo,” herhaalde ze steeds weer, “Het spijt me zo. Ik wilde alles weer goed maken. Ik dacht, ik dacht, ik weet niet wat ik dacht.” *** Leo’s beurt. Het zelfde ritueel. De wetten van de kansberekening andermaal getart. Voor de mannen maakt het weinig uit. Ze herinneren zich nauwelijks nog hoe het voelde te leven. De cilinder krijgt weer een zetje. Zit er ditmaal een patroon klaar? Leo telt nogmaals in stilte tot drie. Hij haalt de trekker over. Een harde knal weerklinkt. Steven doet zijn ogen open. Hij leeft nog. Hij kijkt Leo aan. Die is er ook nog. Tegelijkertijd draaien de mannen het hoofd naar de plaats waar de knal vandaan kwam. Daar had net nog Marion gestaan. Marion32 jaar. Zonder beroep; gehuwd met Leo, geen kinderen.   Marion herkende Steven meteen. Hij was met een collega de kerstlichtjes aan het weghalen die dit jaar veel te lang in de straten waren blijven hangen. Marion fietste de parking van het grootwarenhuis af, maar hield even verder halt. Stevens werk zat er bijna op. Hij stapte samen met zijn collega in hun camionette. Marion kon hen moeiteloos met de fiets volgen tot aan het gebouw van de technische dienst van de stad. Even later kwam Steven te voet naar buiten. Marion stalde haar fiets en besloot hem te volgen.Ze bleef staan voor zijn huis. Zag hoe het licht aanging in de gang, dan weer uit. Gordijnen werden dichtgetrokken, een ander licht ging aan. Marion begon langzaam te bevriezen. Hoe lang stond ze daar al? Een half uur? Een uur? Als ze nu ging aanbellen, hoe zou ze het hem dan vertellen? De vraag bleef onbeantwoord. De deur ging vanzelf open en Steven stapte naar buiten. Hij stak zonder te kijken de straat over en liep recht naar het café.Steven had Marion niet herkend. In de rechtszaal had ze een donkere bril gedragen; het haar opgestoken in een knotje. —   Wat had het leven hen toegelachen, vijftien maanden geleden. “Luister,” had de gynaecoloog hen gezegd. Hij plaatste een soort microfoon op Marions buik. Er weerklonk een krassend gebonk met een soort echo. “Dit is het kloppen van twee harten; moeder en kind.”Leo glunderde: “Dat moeten we vieren!” Hij had voor de gelegenheid de winkel gesloten.“Zou je wel alcohol drinken?” vroeg hij toen de ober hun bestelling opnam, “We moeten aan de baby denken…”Marion had zijn opmerking weggelachen: “Straks schat, gun me nog deze ene keer, daarna schakel ik over op watertjes, beloofd!” Leo bestelde er toch een fles water bij, en vulde Marions waterglas vlugger bij dan haar wijnglas. Marion had het door, maar liet hem begaan. Waren ze geen heerlijk koppel? Vast het gelukkigste koppel ter wereld!Het was kwart over drie toen ze het restaurant verlieten. Ze werden onthaald op een koude herfstwind en regen. Het kon hen niet deren. “Ik denk dat jij best rijdt, schat,” zei Leo, “ik heb ietsje te veel op.” Marion ging achter het stuur zitten en reed op wolken. Voor haar reed een wagen met een sticker: ‘baby on board’. Binnenkort rijden wij ook zo rond, dacht ze.Ze naderden een kruispunt. Het licht sprong op groen. Ze waren bijna thuis. De wagen voor haar stak het kruispunt over. Marion draaide rechtsaf. Leo tierde nog: “Remmen!”  Van schrik trapte ze verkeerd; op het gaspedaal. Ze had de fiets niet eens gezien. Doorrijden!” riep Leo als in een reflex. Hoe gemakkelijk was het bevelen op te volgen, als nadenken even te moeilijk werd.   —   Leo stak de radio aan. Marion wist geen raad met zichzelf. “Wat hebben we gedaan, wat hebben we gedaan?”  Leo schudde haar door elkaar: “Wat er ook gebeurt: ik zat achter het stuur, hoor je: ik zat achter het stuur! We moeten aan de baby denken. Ik neem alles op mij.”Het nieuws: geen woord over een ongeval.Marion huilde. Leo foeterde: “Ik kan je zo niet achterlaten. Moet ik je moeder bellen?” Marion schudde het hoofd: “Blijf nog even bij mij, misschien is er helemaal nietsgebeurd.” Nogmaals het nieuws: “om half vier vanmiddag is te X een moeder met kind op de fiets aangereden. De vrouw overleed ter plaatse; het kind, drie jaar oud, stierf op weg naar het hospitaal. De dader pleegde vluchtmisdrijf.”Leo kon niet langer wachten: “Ik ga me aangeven.”Hij kwam die avond niet meer terug.   —   “Het kind zou nog geleefd hebben als wij niet waren weggereden.” — “Dat is mijn schuld, Marion, niet de jouwe. Denk aan de baby. Hoeveel maand nog?”“Leo… We hebben het verloren.” — “De zaak was al van in het begin verloren. Dat wisten we.”“Niet de zaak, Leo. Het kind. We hebben het kind verloren.” — ”?”“We kunnen geen kinderen meer krijgen, Leo.” — “Waarom zeg je dat, Marion? Als dit alles achter de rug is, beginnen we opnieuw. Hou vol!”“Nee Leo, de gynaecoloog zegt het: we hebben het kind verloren en kunnen er geen meer krijgen. Nooit meer.” — “Marion, wat zeg je nu? Het komt allemaal goed. Beloofd!”   ***   In de hoek van de kamer ligt een vrouw: Marion. Met weerzin had ze het lugubere eindspel van de mannen aanschouwd. Ze wilde dat het ophield. Dat het eindelijk eens ophield. Alles! In haar hand: een pistool. Leo’s winkel was gesloten, maar hij bewaarde stiekem een paar wapens als souvenir. Souvenir. Wat viel er nog te herinneren? Elke gedachte aan vroeger deed pijn. Beide mannen kijken hoe de bloedrode plas rondom Marion groter wordt. Hun revolver ligt op tafel. De inzet van het spel ging zonet verloren.

Bruno Lowagie
0 0

Huwelijk en Hoeren

Hij had nog maar net haar bed verlaten of het leven leek alweer een slecht zittende sok in een wereld waarin het verboden was blootsvoets te lopen. "En als ik nu eens een dagje vrij nam?" dacht hij terwijl hij zich uit de overvolle tram wurmde. Hij glimlachte bij het idee, maar zoals elke andere dag zou hij binnen de vijf minuutjes toch weer braaf achter zijn bureautje zitten. "En als ik nu eens naar de hoeren ging?" fluisterde hij zachtjes en hij ging het overdekte steegje in.   Elke dag opnieuw maakte hij dit kleine ommeweggetje. 's Morgens was het er altijd heel kalm. Alleen Mona en Lisa zaten er al van zo vroeg. Mona en Lisa, dat was natuurlijk niet hun echte naam; hij had hen die alleen gegeven omdat ze hem iedere morgen hun vriendelijkste glimlach schonken. Mona was een mooie halfbloedvrouw met een eeuwig bruine huid en lang kastanjebruin haar. Meestal had ze een kort, wit rokje aan en een dito topje waarvan altijd één lijstje —het linker— van haar schouder gezakt was. Hij moest zichzelf toegeven dat hij dat wel sexy vond. Lisa was een mollige blondine —niet echt zijn type— die het ene damesblaadje na het andere verslond. Haar fluo-kleedje weerkaatste lelijk in het licht van de rose lampen. Toen hij haar voorbijging, keek ze maar heel even op van haar vakliteratuur, maar dat was voor hem ruimschoots voldoende: zijn dag was misschien gered.   ***   Gea stond voor de spiegel, en ze wist niet wat ze zag. Zag ze haarzelf of zag ze haar lichaam; zag ze haar lichaam of zag ze haar ziel?   Die ochtend had hij haar wakker gemaakt. Ze lachte: hij deed altijd zijn best er zo stilletjes mogelijk van onder te muizen. Meestal lukte hem dat ook. Hij was lief voor haar, te lief soms. Gea sliep graag een gat in de dag. Dan stond ze op, waste ze zich en bekeek haar lichaam in de spiegel. Het zag er zo anders uit, zo anders dan haarzelf; alsof zijzelf oud geworden was, maar haar lichaam jong wou blijven. Op zoek naar haar ziel keek ze in haar ogen. Ze had mooie ogen, zei Robert altijd. Robert...   Het was allemaal begonnen met Robert, de huisbaas. Eerst had hij haar uitstel gegeven: één maand, twee maanden, dan drie, en dan...   ***   Toen hij 's middags naar de bakker ging om zijn broodjes, zat Lisa er niet meer. Misschien was ze ook aan het eten, misschien had ze wel een klant. Tia, Mia en Pia waren er, maar zij schonken hem nooit enige aandacht. Ze staarden gewoon over hem heen, alsof hij net als de andere voorbijgangers was. Allemaal mannen op zoek naar één ding: een lijf om te neuken, borsten om naar te grijpen, billen om in te knijpen. Hij zuchtte, en terwijl hij zijn middagmaal in het park verorberde, ontvingen Mia en Pia hun eerste klant. Blijkbaar viel blond iets meer in de smaak vandaag.   ***   Die middag wer er aangebeld. "Ik ben Eddy," zei de man aan de deur, "Ik ben een vriend van Robert." "Kom binnen," zei ze.   Het was allemaal begonnen met Robert. Met wat haar lieve maar nutteloze man verdiende, kon ze onmogelijk de huur betalen. Zijzelf vond, ondanks haar diploma, nergens werk. Robert was altijd vriendelijk gebleven, en begrijpend, maar het kon niet blijven duren. Dat begreep zij ook wel. "Je man hoeft hier niets van te weten," had hij nog gezegd. De huur was vlug terugbetaald; het ging zelfs gemakkelijker dan verwacht in het begin. Maar Robert bleef terugkomen. Hij stelde haar zelfs aan een paar vrienden voor.   "Nog een paar maanden, dacht ze, "Langer hou ik het echt niet uit." Ze had al een flinke cent opzij gelegd, bijna genoeg om ermee te stoppen. Ermee stoppen... Hoe zou haar lieve man reageren? Ze zouden moeten verhuizen natuurlijk, met Robert als huisbaas...   ***   's Avonds was het altijd het drukst in het steegje. Na het werk kreeg hij traditioneel een kushandje van Loes. Het was vast en zeker de oudste hoer van het straatje; ze kon haar rimpels en kraaienpootjes amper verbergen, maar met haar rode haar en haar perfect onderhouden buste zou ze vast nog wat laatavondkliënteel kunnen lokken.   "Ooit eens breng ik haar een bezoekje,"  zei hij bij zichzelf, "Ooit eens." Maar hij wist dat hij de vrouw die nu thuis op hem wachtte nooit zou durven bedriegen, laat staan dat hij ooit geld genoeg zou verdienen om het uit te geven aan de hoeren, want wat kostte een beurtje niet al? Nee, hij zou het zijn vrouwtje nooit durven aandoen.   Wist hij veel dat hij een maand of drie later zou scheiden...   Dit verhaal haalde in 1993 de finale van de Radio 2 vertelwedstrijd "Het Narrenschip"

Bruno Lowagie
0 0