Zoeken

Utopisch visioen

Schotland, achttiende eeuw   De zonsondergang begon vroeg in de avond. Het donker verdreef het laatste restje warmte, dat die middag met de zon was binnengestroomd. Het vuur laaide hoog op in de haard. Samen met de kaarsen verlichtte het de slaapkamer. Lisa McBrady lag op adem te komen. Robyn McBrady zat naast haar, haar hand in de zijne. Ze had hem fijn geknepen, maar het deerde hem niets.    Na vier maanden had Lisa besloten dat ze thuis wilde bevallen. Te veel vrouwen in de ziekenboeg in het dorp overleden aan kraamkoorts. ‘De vrouwen bevielen eeuwen geleden ook zonder hooggeëerde dokter,’ argumenteerde ze toen Robyn zijn twijfel uitsprak.    Na Lisa urenlang in pijn te zien, sloeg de twijfel echter weer toe. Had hij er verkeerd aan gedaan haar wens in te willigen? Ze had donkere kringen onder haar ogen, het zweet stond op haar voorhoofd. Op sommige momenten overstemde haar uitputting alles.    ‘Waar blijft die vroedvrouw dan toch?’ Robyn veegde de haren uit het gezicht van zijn vrouw. De laatste wee had nieuwe plooien in haar gezicht getekend. Ze was zo sterk, maar hij was bang. Hij hield van haar. Hij zou alles voor haar doen; hij zei het nooit, maar hij hoopte dat zij dit wist.   Lisa glimlachte naar hem. ‘Heethoofd,’ zei ze en ze streelde zijn wang.   ‘Ja, ze had hier al lang moeten zijn!’ Robyn schudde zijn hoofd.   ‘Het past bij je rode haren.’ Ze pakte een rode krul tussen duim en wijsvinger en zei: ‘Ik hoop dat zij jouw haren krijgt.’   In haar dromen zag ze hen soms, met zijn drieën op de klif, vlakbij hun huisje. Ze voelde de wind door haar haren waaien en hoorde de zee tegen de klif slaan. Hun dochter tussen hen in. Over de wind en de zee hoorde je haar gegiechel, ze danste met onschuldig plezier. De blik in Robyns ogen als hij naar zijn dochter keek, versterkte haar liefde voor hem, haar verlangen naar haar.   Robyn ontwaakte uit een sluimer door gebons op de deur.   ‘De vroedvrouw.’ Lisa gaf hem een bemoedigende kneep in de hand.   Robyn haastte naar de deur.   ‘Het spijt mij, meneer, mevrouw, dat ik zo laat ben,’ zei Blaire, ‘de jonge Evangeline Douglas is bevallen van haar zoontje. Hij wilde niet huilen.’ Aan de frons op het gezicht van de vrouw te zien was dat niet goed. ‘Gelukkig ben ik nog niet te laat. Nu, laat mij eens even kijken.’    Ze knielde naast het bed en liet haar handen onder de dekens glijden. Lisa huiverde bij de aanraking. Hij liet zich aan de andere kant van het bed op zijn knieën zakken en pakte Lisa’s hand. Met zijn andere hand streelde hij voorzichtig haar bruine haren, haar zachte betraande wangen en hij murmelde nietszeggende woorden in de hoop dat het haar zou geruststellen.    Nu Blaire er was ging het snel, alsof Lisa zich had overgegeven. Het lichaam van zijn vrouw kromp ineen bij de volgende wee, haar gezicht vertrokken tot een pijnlijke frons. Robyn schoof zijn hand rond haar nek. Hij was koud van de spanning; hij hoopte dat het haar wat verlichting bracht.   Blaire sloeg het deken terug, ‘Bij de volgende verkramping moet u persen, mevrouw.’ Haar handen verdwenen weer onder het witte laken dat over Lisa’s onderlichaam lag.   Lisa kermde, kneep in Robyns hand tot hij dacht dat zijn vingers zouden breken en toen hij ervan overtuigd was dat ze niet langer kon, bewees ze opnieuw haar kracht. Hij zag de spanning in haar kaken. Haar gezicht was rood aangelopen en het laken dat over haar heen lag, trilde mee met haar benen. Robyn moedigde haar aan; streelde de haren van haar voorhoofd, fluisterde. Vertelde haar over de eerste keer dat zij met hun dochtertje naar de zee zouden gaan.   Ze schreeuwde. Een paar tellen later zakte ze happend naar adem terug op het bed. Het geluid van een huilende baby klonk vanuit de armen van Blair.   ‘Een gezond meisje, meneer, mevrouw.’ Ze legde het mensje voorzichtig op de borst van Lisa en dekte moeder en dochter toe met een laken en wollen deken.    Robyn kon zijn blik niet van zijn vrouw houden. Haar ogen straalden in het licht van de kaarsen. De tranen op haar wangen leken te glimmen als zilver. Ze aaide met haar wijsvinger over het wangetje van hun dochter en toen ze hem aankeek was haar blik zo intens dat zijn hart pijnlijk samenkneep.   Blaire scharrelde rond in de kamer. Ze laaide het vuur in de haard hoog op en kookte water. Voor Robyn haalde ze een glas cognac. ‘Dat heb je verdient, vader,’ zei ze met een glimlach.   Voorzichtig zette Robyn het lege glas weg en boog zich over Lisa. Haar witte gezichtje stak fel af tegen de donkere kringen onder haar ogen. Door halfgesloten oogleden staarde ze naar de baby in haar armen. Hij gaf het meisje een kus en daarna zijn mooie vrouw. Ze lachte naar hem. Met een diepe zucht sloot ze haar ogen.   Hun dochter lag al warm toegedekt in haar houten wieg, toen Lisa onrustig werd. Ze trilde, kreunde en schudde wild met haar hoofd heen en weer. Blaire, die aan de andere kant van de kamer bezig was geweest, liep met een frons op haar gezicht naar het bed.   ‘Ze is erg wit,’ zei Robyn.   De frons verdiepte.   ‘Haar vingers worden maar niet warm.’ Robyns handen waren na de bevalling weer opgewarmd en hij had de hele tijd dat Lisa sliep, de hare vastgehouden.   Blaire knielde bij het voeteneind en liet haar handen onder de dekens glijden.‘Meneer McBrady,’ fluisterde Blaire, ‘als ik u vraag de kamer te verlaten, doet u dit dan?’   Robyn bestudeerde het gezicht van de vroedvrouw. ‘Absoluut niet, wat is er met mijn vrouw aan de hand?’   Blaire was al opgestaan en sloeg de dekens omhoog. Scherp ademde ze in en keek met grote ogen neer op het bed.    Robyn werd duizelig toen hij de hoeveelheid bloed zag. Dat kon niet goed zijn. Hij keek terug naar het gezicht van zijn vrouw. Haar mooie gelaatstrekken waren samengetrokken in pijn. ‘Doe iets!’ bulderde hij toen Blaire verstijfd bleef staan. Hij kon zijn vrouw niet verliezen. Hun dochter had haar nodig. Híj had haar nodig.   Uit de linnenkast, die Robyn haar wees, haalde Blaire alle schone lakens die er lagen. Ze knielde opnieuw bij het bed, zei: ‘Ze moet stoppen met bloeden,’ en ging aan het werk.   Even later zei ze: ‘Haalt u water uit de put. Het zou koud genoeg moeten zijn om de koorts te laten zakken.’   Robyn kuste Lisa’s hand en haastte zich naar buiten. Blaire stond al met het laatste laken paraat toen hij de houten emmer, op haar aanwijzingen, naast het bed zette. Tussen de benen van zijn vrouw lagen de lakens opgepropt. Zou het genoeg zijn? Blaire doopte een deel van het laken in het steenkoude water en begon zijn vrouw te wassen.   Een paar uur voor zonsopgang stopte het ijlen. Lisa’s ademhaling bleef oppervlakkig, maar de frons was van haar gezicht verdwenen. Robyn zat naast haar, zijn dochter in zijn armen, toen ze haar oogleden opende en het eerste licht in haar ogen weerkaatste. Haar blik was dof en haar gezicht had een grauwe kleur.   ‘Geef me May?’   Robyn glimlachte bij het horen van de stem van zijn vrouw. Ook al kraakte ze, het was nog steeds de mooiste stem die hij ooit had gehoord. Voorzichtig kuste hij Lisa en legde May in haar armen. ‘Een mooie naam, May.’   Lisa streelde met haar vingertop over het gezichtje van May. Haar bolle wangetjes, de wat gezwollen oogleden, de getuite lipjes en het wipneusje. Een stille traan gleed uit haar ooghoek, over haar wang. ‘Beloof me … dat je met May … naar de klif gaat, haar … de wind laat voelen … en het ruisen van de zee laat horen,’ zei Lisa met tussenpozen.   Er kwam een verstikt geluid uit Robyns keel.   Lisa hief haar hand en streelde haar duim over zijn natte wang.   Hij greep haar pols en kneep zijn ogen dicht. ‘Ik hou van je,’ fluisterde hij. Hij opende zijn ogen, keek haar aan en zei haar: ‘Ik hou zoveel van je.’   Acht jaar later   Robyn ademde diep in. De koude zeelucht stroomde naar binnen, raakte zijn hart.   ‘Vader, kan moeder ons zien vanuit de hemel?’   Robyns hart kneep samen bij Mays gefluisterde woorden. ‘Ik denk het wel lieverd.’ Hij keek omlaag toen haar kleine handje in de zijne gleed.   ‘De zonsopgang heeft de kleur van onze haren, vader,’ zei May. Geconcentreerd staarde ze naar waar de zee de horizon raakte.   ‘Ja,’ zei Robyn, ‘dat is zo.’

schaapschrijft
0 0

Het Verhaal Van Een Nagelbijter

Ik loop. Ergens verloren. Omsloten door golven roestbruin zand.Een leemte, leeg.Levenloos.Mijn hoofd is een smeltende klomp ijs en ik wacht tot er niets meer van overschiet. Enkel nog een verdwaald lichaam, ergens op een eindeloos veldweggetje in Spanje, en een plasje water vol gedachten.Als ik de juiste pijl had gevolgd was ik nu al op mijn bestemming.Aan het slapen met verkoelde voeten.Misschien was ik welde liefde van mijn leven aan het ontmoeten.Dat zou ik kunnen denken. Maar dat doe ik niet.Want hier weiger ik me te wentelenin zelfmedelijdenin verdriet.Nee, hier ben ik de laatste mens op Aarde.Onaantastbaar.Ongezien.En voor het eerst in jaren,Onbevreesd.   Mensen zijn bange wezens. Van spinnen tot bliksem en donder tot de dood, we hebben allemaal iets waardoor onze nekharen overeind komen te staan. En dat is niet vreemd. Angst staat namelijk in ons DNA gegrift. Het is een overlevingsmechanisme, zonder waren we hier niet eens.Angst is ook een raadgever. Een duiveltje op onze schouder, meesterlijk bespeeld door politiek en media.Het is een schuilplaats.Een parasiet.  Het neemt en neemt. Tot er niets meer van overschiet.Angst is het donker.En ik heb nooit leren fluiten.   Misschien ben ik gewoon laf.Als ik niet buitenkom, kan er me niets overkomen. Als ik het niet weet, kan ik er ook niet over piekeren.Als ik mijn hart niet blootgeef, kan niemand het kwetsen.Het is een gemakkelijk leven, weg van alles en iedereen.Het is ook een vreselijk leven. Nee, geen leven. Een bestaan. Saai en eenzaam. Gevangen achter een glazen wand, terwijl iedereen buiten aan het spelen is.Maar glas kan breken.En fluiten kan je leren. Want diep in ons schuilt het antwoord en wij moeten luisteren. Want het woelt en woedt, voedt de oorlog in ons. Het vecht, weigert te vluchten. En voor een keer is dat niet slecht.Het klopt vol verlangen. Doet ons de wijde wereld intrekken. Het doet ons struikelen en vallen, huilen en kwaad zijn. Het doet ons voelen.En hoeveel pijn dat soms mag doen, we zouden het niet anders willen. Dus ik kies ervoor om de weg kwijt te rakenmet een lege thermosfles en geen bereik.Want hier, op deze onverbloemde plek speelt de wereld zich af.Hier ben ik de eerste mens op Aarde,bangmaar met een hartdat overlooptvan leven.

Woordenwandelaar
0 0

9 to 5

Negen uur. Hij komt binnen. Ik kan er mijn klok op gelijkstellen. Hij loopt in één keer door naar het koffieapparaat. Koffie met melk, geen suiker. Eén euro vijftig. Werktuiglijk kiepert hij de hete boel naar binnen terwijl zijn ogen schijnbaar zoekend langsheen de rijen boeken gaan. Niemand. Uiteraard. Vóór half elf hoef ik hier niemand te verwachten. Lui draai ik rond op de hoge kruk die ik strategisch heb opgesteld voor de ventilator. Vijf over negen en nu al een broeikas. Daar gaat hij. Ik heb ooit eens zijn dagelijks traject afgetaped. Geen centimeter wijkt hij ervan af. Nadien vroegen andere bezoekers me wat die gele lijn te betekenen had. Was het een wegwijzer naar een bepaalde boekenafdeling, zoals de gekleurde lijnen in een ziekenhuis? 's Avonds heb ik de tape alweer weggehaald. Het was gewoon een grapje voor mezelf. Mijn baan in de bibliotheek vraagt al eens wat creativiteit. Overigens, tape is niet eens nodig, het volstaat zijn geurspoor te volgen. En deze hittegolf doet er geen goed aan. Hoe fijn zou het zijn mochten de bezoekers bij het binnenkomen niet alleen langs de detector maar ook langs een geurscan en, indien nodig, douchekabine moeten passeren. Ik opperde het eens grappend op een vergadering en werd subtiel genegeerd. Maar goed, daar gaat hij dus. Naar het computereiland. PC 4. Steevast. En dan begint hij aan zijn zoektocht doorheen de krochten en katakomben van het net. Supraventriculaire tachycardie, facioscapulohumerale dystrofie, fenylketonurie, hepatische encefalopathie, ... Onbewogen zoekt, bladert, browst, leest, herleest hij alle mogelijke defecten van het menselijk apparaat. Hij print alles uit en stopt het zorgvuldig weg in een dikke zwarte map. Vandaag doe ik iets waarmee ik mezelf verbaas: ik loop naar hem toe en vraag waarom. Waarom dit...werk? "Kind", zegt hij. "Je kan je niet voorstellen wat een ongelooflijk gelukzalig gevoel het geeft om 's avonds in mijn bed te stappen met de heldere zekerheid dat ik wéér een dag heb overleefd. Maar laat me jou één goede raad geven. Mensen zijn te hygiënisch geworden en bacteriën worden resistent. Één keer per dag onder de douche is echt niet nodig. Je ondermijnt je gezondheid." Ik glimlach knikkend en loop naar mijn bureau terwijl ik de ingehouden lucht langzaam laat ontsnappen.

Vanessa Daniëls
0 0
Tip

Voddenvader

Tijdens de scheiding ging het naast de verdeling van het meubilair vooral over de verdeling van ons kind. Omdat je een meisje van elf niet als een bed in tweeën kunt zagen, stelde mijn ex-vrouw een pro-Deoadvocaat aan. Die dwong co-ouderschap af tot mijn dochter de leeftijd van twaalf zou bereiken; de wettelijke leeftijd om zelf een keuze te maken. Alsof je ooit klaar kán zijn om te kiezen tussen een vader en een moeder. Mijn ficus verloor prompt drie bladeren toen ik het mailtje met deze beslissing voorlas —stilzwijgend protest in mijn plaats. Zelf bezit ik geen talent om in discussie te gaan.      Het kwam er dus vooral op aan om punten te scoren. Letterlijk, want Ella had van haar moeder een schriftje gekregen met twee kolommen, getiteld mama en papa. Daaronder twintig centimeter niemandsland waar ze pro’s en contra’s moest noteren. De kolommen bleven leeg. Ella wilde niemand kwetsen. Na vier weken begroef ik het schrift onder een hoop groenafval. Om Ella te sussen beloofde ik dat ze nu eindelijk een huisdier mocht kiezen. ze slaakte een vreugdegilletje en sprong in mijn armen. Mijn ex had een hekel aan harige dingen. De kat van de buren had ze steevast ‘bacterie-op-poten’ genoemd. In de laatste maand van ons leven samen joeg ze het beest met een langgerekte kreet en een bezemsteel de tuin uit. Ik had geprotesteerd, haar proberen te kalmeren. Zij harpoeneerde de bezemsteel erachteraan. Na die aanslag streek ze haar kapsel weer in de plooi en zei ze: ‘Soms is een harde aanpak nodig om duidelijk te maken dat iemand niet meer welkom is.’ Haar blik was ondertussen op mijn harige armen gericht.          Konijn en Co verkocht naast vissen en vogels ook cavia’s, katten, konijnen en puppy’s. Pluizige beestjes waarvan vacht aan broeken en truien bleef kleven en die elke week bewijs zouden leveren dat ik nu mijn eigen beslissingen nam, maar nee: Ella spurtte naar de visafdeling en bombardeerde een clownvis tot haar best friend forever.      ‘Je moet een groot aquarium kopen,’ beval ze. ‘Little Nemo’s hebben een goed geheugen heeft de juf verteld. Hij mag zich niet vervelen.’      ‘Zou hij niet liever een vriendje hebben?’ Ze viel stil en keek langs me heen naar een onbestemd punt. ‘Nee. Soms blijf je beter alleen.’      Ik wist niet meteen iets te zeggen, concentreerde me dan maar op het gebroebel van de waterpompen, op de neprotsen en plastic palmbomen in de aquaria, maar vond niets om haar woorden onder weg te moffelen.      Ze nam mijn hand en trok me mee naar een verkoper, lachte me bemoedigend toe.      Ik kocht een kingsize aquarium waarin een dolfijn paste. Er was een karretje nodig om het gevaarte naar mijn auto te rijden. Tijdens de drie kilometer lange rit naar huis staarde Nemo me vanuit zijn zakje met water onafgebroken aan. Vissen hebben geen oogleden. Ik beeldde me in hoe het zou zijn om dag en nacht de wereld te moeten aanschouwen en huiverde. Er waren veel dingen waarvoor ik mijn ogen sloot. Voor dode beesten langs de weg bijvoorbeeld. Voor de hoofdschuddende blik van mijn ex telkens ze Ella bracht. De beginnende vetkwabben aan de onderkant van mijn bovenarmen. Mijn kalende kruin. Het ophopende vuil in de hoeken van mijn huis. De afgebeten nagelvelletjes achter mijn zetel. Ik was blij dat ik geen vis was.      ‘Het aquarium is supergroot,’ zei Ella tegen Nemo. ‘Als er een hittegolf komt, kunnen we samen zwemmen.’      Ik verjoeg de gedachte van mezelf met een vissenkop door hard op het gaspedaal te trappen. Het zakje water en Nemo klotsten mee met de storm van mijn gedachten.     Die avond las Ella voor uit Harry Potter. Elke reactie van Nemo interpreteerde ze als een teken van begrip. ‘Zie je, hij vindt het ook spannend!’ riep ze meermaals in vijf minuten. Vlak voor het slapen gaan liet ze drie schaars geklede barbiepoppen in het water zakken en zei ze: ‘Ik ben zo blij, papa. Nemo begrijpt me. Hij is mijn beste vriend.’      Mijn hart had bij die woorden triomfantelijk geroffeld.      Toen ze in haar bed lag, nam ik een foto van Nemo en postte die op Facebook. Onze nieuwe aanwinst in sexy gezelschap. Ik vroeg me af hoelang het zou duren vooraleer mijn ex het bericht te zien kreeg. Nog voor die gedachte koud was trilde mijn smartphone zich een hersenschudding. Een record. Mijn smartphone lichtte kort op en doofde uit. De oplader kon ik niet vinden. Misschien was dat nog het beste.      Ik moest gaan slapen. Traag schikte ik mijn kleren over de stoel naast mijn bed, me intussen afvragend waar de oplader was.      Het doet er niet toe, zei ik tegen mezelf. Wat daar in die mailbox zit is oud nieuws, nog meer van hetzelfde. Gezaag en gezaag in het kwadraat. Nu moet je slapen, morgen weer vroeg op. Ik stak mijn wijsvinger in de lucht, speelde een schooljuffrouw die een stoute jongen waarschuwt. Gehoorzaam ging ik op mijn rechterzij liggen, één arm onder mijn kussen, de andere uit gewoonte op mijn helft van de matras. Verdomme, zei ik en ik ging dwars liggen, claimde het volledige bed, dat nu van mij alleen was. Denk aan iets leuks, dacht ik en ik dacht aan iets leuks. Het hielp niet. Mijn gedachten waren niet van plan om te gaan slapen. Ik herinnerde me waar ik de oplader had gelaten (op de koelkast) en kroop uit mijn bed.     Mijn ex had niet gereageerd, althans niet op het internet. Ze had haar woede gebundeld tot een sms die zo lang was dat hij me bereikte in zeven delen. Op Facebook had een zekere Cindy008 (blonde single op zoek naar een alleenstaande vader) een reactie onder mijn bericht gepost. Beste dierenbeul, je thermometer geeft maar 12 graden aan! Clownvissen hebben warm zout water nodig!!!!!!! Daarna een arsenaal aan duivelsgezichtjes en treurende smileys om haar gelijk te bevestigen.      Mijn hart struikelde in mijn borst. Vloekend denderde ik de trap af, maar ik wist dat het te laat was. En inderdaad. Nemo dreef zieltogend op zijn zij. Hij keek me treurig aan, nog met één vin in het leven.      Shit, stuurde ik naar Cindy008.      Ze was nog wakker. Zijn de ogen troebel?      Ja dus.      Het beest gaat dood. Stop hem in een bakje water en doe dat in de diepvries. Dat is de humaanste manier om hem te doen inslapen.      Ik zette een stap achteruit. Snel wiste ik Cindy008 uit mijn schatlijst. Vrouwen die zo vlotjes over zulke informatie beschikten deden me te veel aan mijn ex denken.      Toch wandelde ik richting keuken. In het donker van mijn gang bleef ik staan. Verderop haperde het neonlicht boven het fornuis. Alle kleuren zogen zich uit het huis. Wat nu? vroeg ik hardop aan mezelf. In mijn verbeelding echode mijn stem tegen de tegelmuur van een mortuarium dat ooit mijn keuken was.      Ik hervond mijn adem. Gewapend met het kleinste keukenvergiet haastte ik me terug naar de woonkamer. Ik schepte Nemo uit het aquarium. Stilletjes lag hij op zijn rug, zijn lippen op elkaar geperst. Na een paar seconden knipoogde hij. Ik interpreteerde dat als een bewijs dat ik goed bezig was, liet hem in een met warm water gevulde voorraaddoos van Ikea glijden en goot er twee handen zout bij. Er kwam geen verbetering in zijn toestand. ‘Idioot’, zei ik. Of dat tegen Nemo of mezelf was wist ik niet zeker. Vijf minuten later maakte ik een doodsbed op tussen een diepgevroren pizza Hawaï en een pot kiwi-ijs. Dat was hopelijk tropisch genoeg om zonder stress uit het leven te glijden. Het neonlicht haperde weer, feller nu, een morsecode vol verwijt. In de spiegel naast de koelkast stond ik oog in oog met een lijkbidder. *     Ella zat op het tapijtje voor de televisie. Gebiologeerd staarde ze naar het scherm. De vallende plastic steentjes werden becommentarieerd door een presentator wiens overdreven opgewonden verslaggeving deed vermoeden dat hij de rest van het jaar van keukentafel tot voordeur had geleefd om krachten te sparen voor deze heuglijke dag. De jeugdige bouwers op wie de camera zo nu en dan inzoomde vielen elkaar huilend in de armen toen een cirkel met dominostenen openwaaiende tot een lotusbloem. Ik haatte Domino Day even hard als ik mijn ex haatte — beiden deden zich belangrijker voor dan ze waren.      Ella schoot recht en wees naar het televisiescherm. ‘Kijk!’ Een hoge muur dominosteentjes brokkelde af en onthulde en aquarium vol koikarpers.      Onbewust keek ik richting keuken. Daar staarde Nemo me vanachter de diepvriesdeur meewarig aan. Ik veegde over mijn voorhoofd en trachtte mijn gedachten te ordenen. Drie meter verder zwom Nemo II tussen de barbiepoppen. Die ochtend, nog voor de straat wakker werd, had ik aan de deur van Konijn & Co staan wachten tot het rolluik omhoogging en de lichten aanfloepten. Mijn dochter alleen thuis, slapend nog, in de nabijheid van een leeg aquarium waarin het water opwarmde tot tropische temperaturen. Ik was een voddenvader.      Nemo II was iets levendiger dan zijn voorganger, maar dat had Ella nog niet opgemerkt. Nóg niet… Ik trok snel een familiezak Bugles Chips open en zette die voor haar neus.      Domino Day bereikte een hoogtepunt. De presentator kondigde aan dat het belangrijke moment aangebroken was. ‘Meer dan vier miljoen stenen zijn gevallen!’ schreeuwde hij met een rood aangelopen kop. ‘Dames en heren, het wereldrecord kan elk moment verpulverd worden.’      Ella sprong in de sofa van opwinding. Ze was hyper. Bedtijd was inmiddels ruimschoots overschreden. Geen van ons beiden stoorde zich daaraan. Life is short, break the rules, zei Mark Twain en ik gaf hem gelijk, want kijk: op dat gezichtje oprechte vreugde. Haar armen en benen wisten duidelijk nog niet dat er beperkingen waren aan de menselijke souplesse. Er zat vuur in dat kind. In alles was ze de tegenpool van mijn ex, en dat deed me plezier. Glimlachend ging ik naast haar zitten, tot de laatste dominosteen tegen de grond ging. Tegen die tijd was Ella in slaap gesukkeld. Haar dromen op mijn schouder. Zo dicht dat ik ze bijna kon horen. Het was ons ritueel: ik droeg haar naar boven en zij veinsde dat ze niet wakker werd. Ik stopte haar in, stak haar nachtlampje aan en kuste haar goedenacht. Ik was geen bacterie-op-poten. Dat wilden beiden uit alle macht bewijzen.     Om half een die nacht strooide ik een handjevol voedselvlokken in het aquarium. Nemo II trok een pruillip, alsof ik hem stront gaf in plaats van samengekoekte meelwormen.      ‘Komaan, hop hop. Eet iets!’ zei ik aanmoedigend. Het licht van de straatlantaarn voor de deur haalde mijn voeten aan. Ik rukte de gordijnen beter dicht en draaide het lijstje boven de televisie met de fotokant naar de muur. Hier hadden mijn ouders niets mee te maken.      Nemo II kwam tot leven. En hoe. In de vijfde versnelling schoot hij naar de blonde Barbie om een vlok op haar neus te pakken te krijgen. Althans, zo leek het toch eerst. Na tien keiharde stoten tegen haar voorhoofd begon ik hem te verdenken van vrouwenhaat. Zelfs toen de blonde breed glimlachend achteroverviel, hield hij niet op. Hij blééf stompen. Toen hij zag dat ze hem lag uit te lachen, richtte hij zich op haar bikini. Met getuite lippen rukte hij het stukje textiel naar de vernieling. Het zag er allemaal erg fout uit. Ik keek over mijn schouder. Er waren geen getuigen.      De knul in de dierenwinkel had er toch iets over gezegd. Iets over agressie en overdreven territoriale neigingen. Ik had er smakelijk om gelachen.      Nemo II kwam op adem. Roerloos zweefde hij naar het midden van het aquarium. Ik drukte mijn neus tegen het glas. Gedwee zwom hij naar me toe. We speelden tien seconden neuzeneuze. Kort zwiepte hij met zijn staart, als een schoothondje dat blij was om zijn baasje te zien, of dat dacht ik toch. Vervolgens schoot hij weer achteruit. Een duikboot die zich terugtrok uit vijandige wateren. Nog één keer met de lippen tuiten, een laatste teug zuurstof, een laatste staartzwiep en hij katapulteerde voorwaarts, stortte zich op kamikazeachtige wijze te pletter tegen het glas dat tussen ons in stond. Een licht tikje en een paar golfjes, meer stelde zijn dood niet voor. Nemo II maakte slagzij en dreef naar het midden. De voorkant van zijn kop ingedrukt. In de weerspiegeling van het aquarium zag ik opnieuw een lijkbidder.      Mijn dochter had gelijk. Soms blijf je beter alleen.

Femke Vindevogel
34 0

De fles die eeuwig leven wou

Ik voel een dender terwijl ik door de straat ga. Rustig op en neer schuddend over het asfaltdek. Gehavende grond is niets waard voor dit monster. Ik stel me voor dat goed schudden voor openen zo aanvoelt. Het wegdek moet ondergaan. Ik ben er nog. Meerdere keren vreesde ik te breken. Minstens een barstje te vertonen. Mijn elegante vorm voor eeuwig misvormd. Elk geschud doet mij opschrikken. Zonder inhoud komt alles harder binnen. Dender, dunder, dander. Door de Nationalestraat met het ochtenddauw nog op de stenen voor het Modemuseum. Schud, schud. De café’s en boetieken komen tot leven. Rolluiken schieten wakker zonder te snoozen. De dag begint. Met hen wordt ook de stad wakker. Her en der openen vermoeide ogen. Ze willen niet, maar moeten. Denk ik dan.   Jef en Jos springen van de afvaltruck. Slenterend richting de voetpaden, cirkelen ze hun palmen rond de afvalzakken op de stoepen. In één vloeiende beweging, werpen ze deze netjes in de poep van de afvaltruck. Dat vinden ze grappig, knorrend dat zij het zo graag heeft. Ze spreken over lastige familieleden en imaginaire maîtresses. Geen van beiden erkent de pietluttige armoede van hun fantasie. Het is een in stilte gesloten pact. Ik breng jou niet tot de realiteit en jij mij niet. Samen uit, samen thuis. Jef en Jos slenteren richting de stoep. Hun half kapotte schoenen willen ze niet wegdoen. Ze doen het nog prima. Kakelend over wijven op TV en klojo’s op het cinemascherm, zagen ze zich een weg door de werkuren.   Ik, trillend, lig angstig binnen. Jef en Jos slenterden ietwat geleden mij in één vloeiende beweging van de stoep naar hier. Ik botste naar beneden, mijn verbrijzeling tegemoet. Geheel toevallig, raakte ik geklemd in de hoek. Net boven de graaiende kaken. Jef en Jos zagen me daar niet liggen. Ze dropten meer en meer, zonder mij op te merken. Alles snelde aan me voorbij, maar ik bleef genesteld in de hoek. Ik bleef wachten op een moment. Het moment van mijn val naar boven.   Altijd als ik het wou wagen. Stond Jef of Jos er weer. Was het te gevaarlijk. Waren de graaiende kaken extra hongerig. Ik bleef wachten, nog niet goed durvend. Er komt iets langs. Een andere zoals de monstertruck. Kleiner. Het ding neemt zijn tijd. Zijn moddervette kop geplonsd voor de afvaltruck. Haar kont rekt zich net iets meer open, flirtend met het compacte ding. Ik val spetterpoep-gewijs uit de afvaltruck. De open lucht tegemoet. Vrij. Ik rol verder, in de straat, op de stoep. Verder, de hoek om, met een brede bocht. Ik kan geen dunne bochten nemen. Toch niet iets als ik. Gevormd als een voluptueuze vrouw. Waarom? Dat weet ik ook niet. Iets met vruchtbaarheid, zeker. Is het dat niet altijd. En dan de hoek om.   Laten we even terugdraaien. Terug naar de rust van een glinstering op mijn vorm bij zonsondergang. Waarom viel ik? Wat had het voor nut? Elk ding eindigt in het containerpark, toch? Ik viel omdat ik iets zag. Een foto langs de weg. Een foto van dingen als ik. In een huis, een witte mastodont voor het water. Dacht ik toch, met zwarte accenten. Over dingen die zich na jaren werken ophieven tot kunst. Daar zal ik veilig zijn, bestudeerd door grote, floue figuren. Ze lijken op Jef en Jos, maar toch anders. Ik wil daar zijn. Eeuwig bestaand voor de floue figuren. Ik ga naar de mastodont voor het water.     “Jef?” “Ja, Jos?” “We moeten verder, kaerel.” “Me ni afjoagen, e manneke. Tis ni om ter eerste.” “Lapsjoar.” “Micropenis.” “Wa?’ “Ge het me wel verstoan.” “Was da?” “Was wa? “Daar rolt ne fles over t stroat.” “Stapt dan af en smet diene derin e. Met a gezoag altij.” “Seg, doar wor ek ni voor betoald.”   Ik rol de hoek om. Knullig, val ik in een openstaand gat in de weg. Ik drijf in het water onder de wegen. Soms kom ik langs de plaats voor het afval, de zwart-witte mastodont. Zo dichtbij. Dan drijf ik weer weg met het water. Jef en Jos zijn geen vrienden meer. Jos sliep met de vrouw van Jef. Daar wordt hij niet voor betaald.

Jeroen Meylemans
7 1

De gedachten zijn vrij

Eén boekje heb ik gehouden. Het is niet groter dan mijn hand. De kaft is even oud als mijn grootmoeder was toen ze stierf. Gerimpeld en afgeleefd, de tekenen van vele jaren wijsheid en traditie. Die nu verloren gaat. Het boekje past perfect in de verborgen plooi van mijn handtas. Daar wacht het geduldig in het duister, eeuwig aan mijn zijde. Tot mijn voorzichtige vingers het in stilte openen, een pagina kiezen en het even snel weer wegsteken. Enkel mijn ogen zien wat er geschreven staat, enkel mijn geest registreert de woorden ‘God’, ‘Jezus’ en ‘de heilige maagd Maria’. Ik durf er met niemand meer over spreken. Mijn kokoshouten kruisje heb ik verbrand, zoals de enorme stapel bijbels op de Vrijdagmarkt vorige zomer… In de verte klinkt het gezang vanaf de nieuwe minaret van Gent-Centraal. In het appartement boven mij hoor ik gestommel. Getrouw was ik mijn hoofd en handen, neem ik mijn matje en buig naar de grond. Duidelijk zichtbaar bij het raam, voor de eeuwig spiekende camera’s. Buren die je verraden en controleurs zijn overbodig geworden. Big brother Ali is ever watching. Ik buig me naar de grond en fezel het verplichte gebed. In mijn hart lach ik. Er is maar één God en ik bid tot Hem om de vrijheid van vroeger. Arabisch of Nederlands, gebed blijft gebed. De camera’s leggen mijn bewegingen vast, maar in mijn hart kunnen ze niet zien dat ik de woorden uit mijn grootmoeders Zielebalsem bid.   Lyne Uytterhoeven

Lyne Uytterhoeven
14 0

Huiswerk

‘Come on let it go-oooo, just let it be-eeee, why don’t you be you-uuuu and I’ll be me …’ Hardop zing ik de woorden mee. Ik staar naar het scherm van mijn laptop. Het Word-bestand is één grote grijze massa en als zelfs de oude Griekse beschaving om elf uur ’s avonds niet meer inspireert …Ik kijk op bij de tik op mijn schouder en trek de koptelefoon van mijn hoofd.‘Hé idioot, wat zit jij depri mee te jengelen.’‘Hou je kop, Daan!’‘Ga je mee naar Lucia’s? Rik en Tony zijn er al.’Ik schud mijn hoofd en kijk opnieuw naar mijn beeldscherm. ‘Dit moet voor twaalf uur naar Starings Postvak IN. Je weet hoe hij is.’Ik grinnik als Daans gezicht betrekt. Een zware hand valt op mijn schouder en vol medelijden zegt hij: ‘Man, succes. Maar je komt na de tijd nog wel een biertje doen?’‘Ja misschien, ik heb wat hoofdpijn. Ik laat het nog wel weten.’Daan haalt zijn schouders op. ‘Later, man!’ De deur valt achter hem dicht.Ik zet Shape Of You van Ed Sheeran op minimaal volume en lees wat ik tot nu toe heb geschreven.Als historisch figuur heb ik koning Leonidas I van Sparta gekozen, maar verder dan zijn connectie met de Slag bij Thermopylae en de film 300, ben ik nog niet gekomen. Wie was deze koning? Hoe leefde hij in Sparta? Leefde hij anders dan zijn onderdanen? Wat is de voorgeschiedenis van de slag? Ja, ik heb nog wat werk te doen en ondertussen nog drie kwartier de tijd.   Het is drie minuten voor twaalf als ik mijn bestand upload en naar Staring verzend. Opgelucht droog ik de binnenkant van mijn handen aan mijn spijkerbroek. Niet mijn beste werk, maar ik heb het toch maar weer gered. Om van mijn opgejaagde gevoel af te komen scrol ik wat door Facebook. Er staan verschillende foto’s op van mijn vrienden bij Lucia’s. Ik besluit gauw een douche te nemen en dan ook te gaan.Het warme water is heerlijk. Mijn ledematen worden zwaar en ik gaap. Ik poets mijn tanden en droog mij af. In de spiegel zie ik de wallen onder mijn ogen. Snel stuur ik Daan een berichtje en dan trek ik een schone pyjamabroek en T-shirt aan. Een avondje Netflixen is ook helemaal niet verkeerd, denk ik bij mijzelf. Ik installeer mij met een glas Cola op de bank en start de eerste aflevering van de American Horror Story.   Na een tijdje hoor ik de deur open- en dichtgaan. Ik steek mijn arm in een zwaai boven de bank uit en zeg, ‘Deze serie is echt geweldig Daan, heb jij ‘m al gezien?’Daan geeft geen antwoord.Ik duw mijzelf overeind en reik naar de afstandsbediening voor de pauzeknop. Ruw wordt er iets over mijn hoofd geschoven. Het is pikkedonker. Het materiaal ruikt muf. Hardhandig word ik op mijn buik op de bank gedraaid. Voor ik kan reageren zijn mijn handen bij elkaar gebonden en hoe ik ook mijn best doe, mijn enkels zijn daarna aan de beurt.‘Daan, ben jij dat? Hou op man, dit is echt niet grappig!’Ik hoor schoenen op de houten vloer, maar verder is er geen enkel geluid.Handen grijpen me onder mijn oksels en bij de enkels. Ze tillen mij op. Wild kronkel ik heen en weer, maar het helpt niets. De deur gaat open en dicht achter mij.‘Help! Help, ik word ontvoerd!’ schreeuw ik.Het duurt maar even voordat ik wind op mijn blote armen voel. Opnieuw gaat er een deur open. Onzacht beland ik op een metalen ondergrond, de deur sluit achter mij. Even later start een motor en komt het voertuig, een busje denk ik, in beweging.Wie zijn dit? Wat willen ze van me? Het is niet alsof ik geld heb. Of mijn ouders. En waarom hebben ze mij? Wat heb ik gedaan? Ik doe niet aan drugs, ik drink bijna nooit, ik steel niet, doe niet aan internetcriminaliteit, heb nog nooit iemand vermoord; zelfs nog nooit publiekelijk ruzie gemaakt! Mijn gedachten schieten van hot naar her en ineens denk ik aan Daan.Hij gebruikt wel eens drugs. En hij heeft ook wel eens wiet verkocht. Is hij geld schuldig? Denken ze dat ik Daan ben? Of ben ik onderpand? O, God, waar ben ik in terecht gekomen …Ik haal met diepe teugen adem; in door mijn neus, uit door mijn mond.Ik leef en ondanks dat we al een poosje rijden zijn we volgens mij nog in de bewoonde wereld. De bossen rondom de stad zullen we niet komen. Toch?‘Gaan jullie me vermoorden?’ vraag ik met een onherkenbare piepstem.Na een paar minuten komt het busje tot stilstand. De achterdeuren gaan open.‘Help! Help me dan toch! Ik word ontvoerd! Hoort iemand mij?’Er opent een deur. Een tel later voel ik de hitte op mijn armen. Ik hoor muziek en mensen lachen.Onzacht val ik op mijn kont. De blinddoek verdwijnt en ik sluit mijn ogen tegen het plotselinge felle licht.‘Je zei dat je niet meer kwam.’ Ik open mijn ogen en kijk naar Rik.‘En daar waren wij het niet mee eens,’ zegt Tony naast hem.‘Dus besloten we je maar op te halen,’ sluit Daan af.‘Biertje?’ vragen ze tegelijk.

schaapschrijft
0 0
Tip

Het interview

Zij mocht als eerste naar binnen, een ongewone toegeving op vaders trots en moeders bemoeizuchtigheid. Of ze blij moest zijn met die plotse aanvaarding van haar meerderjarigheid wist ze niet. Ze probeerde een vaste tred aan te houden terwijl ze door de gang liep. De naaldhakken waarop ze zich voortbewoog maakten het er niet bepaald gemakkelijk op. Had ze toch voor die zwarte bottines moeten kiezen? Nee, die hadden iets militairs, dat kon een verkeerde indruk wekken. Hakken waren de juiste keuze geweest. Toen het tweedehandswinkeltje van het opvangcentrum het rode paar etaleerde, had ze zich de schoenen zonder aarzelen toegeëigend. Ze hadden haar doen denken aan een paar dat ze een blanke vrouw had zien dragen op een filmposter vlakbij het centrum. De assistent die haar begeleidde had breed gegrijnsd toen hij haar ernaar zag staren. In het rode schoeisel zag ze de bevestiging van haar integratie, van de mogelijke rol die ze zou kunnen opnemen in deze samenleving.   Klikklak, klikklak, klikklak.   De geur van oud gebouw had zich vermengd met die van het okselzweet van haar voorganger. Aan de andere kant van een grijsgroen bureau dat zijn gloriedagen vermoedelijk omstreeks de jaren zeventig had gekend, nam de dossierbehandelaar plaats. Rechts van hem zat een vrouw die vriendelijk glimlachte. Zij droeg geen hakken. Had ze zelf toch ook niet voor onopvallender schoeisel moeten gaan? De idee dat die rode stiletto’s haar zouden neerzetten als een te zelfzeker, ja zelfs obsceen schepsel, deed haar opeens toch in angstzweet uitbreken. In haar zomerjurk, daar op die plastieken stoel tegenover haar blauw  gekostumeerde ondervrager, voelde ze zich een overdaad aan kwetsbaar, zwetend vlees: te veel been, te veel borst, te veel voet gemurwd in felrode schoen.    “Wat is uw naam, juffrouw?”   Zei hij nu iets?    “Uw naam, alstublieft.” zei de man opnieuw, het eenlettergrepige substantief overdreven articulerend.   Sherine schrok op.   “Sherine Abd el-Tawfiq Habbal”   “Nationaliteit?”   “Van Syrië, meneer.”    “Waar in Syrië woonden jij en je familie precies?”   “In Damascus, meneer, de hoofdstad van mijn land.”   “In Damascus? En wat denkt u dat er zal gebeuren als u zou moeten terugkeren naar uw thuisstad?”   Een druppel zweet gleed nu uit haar knieholte langs haar kuit naar beneden. Haar keel voelde droog aan. De man in het pak scheen niet te zweten. Hij leek wel een sprekend uniform, standvastig en kalm. Sherine sloeg haar klamme armen over elkaar.     De man herhaalde de vraag    “Ik weet het niet, meneer. Elke dag hoorden wij bommen in de buurt. Wij zouden in gevaar zijn, meneer.”   “Vertel me eens hoe jullie naar België zijn gekomen, Sherine.”   “Mijn ouders, mijn broer en ik namen samen de bus naar Beiroet. Beiroet is in Libanon, niet ver van onze stad. Daar namen wij de bus naar Turkije. We kwamen in een dorp, het was aan zee. Daar moesten we een kleine boot op. Mijn broer wou niet...” Haar stem stokte.   “Hebben jullie nog enig bewijs van die busritten, een ticket bijvoorbeeld?”   “Nee, meneer. De bus in Syrië heeft geen tickets. Mijn vader betaalde gewoon bij de chauffeur vooraan toen wij opstapten.”   “Ok, dus jullie namen die boot?”   Ze knikte kort. Haar oren suisden, iets wat de laatste tijd wel vaker gebeurde. In een poging zich erover te zetten focuste ze haar blik op een schroeivlek in de balatum vloerbedekking.   “Naar de Griekse eilanden, neem ik aan?”   “Naar Kos, meneer.”   Het ruisen zwol aan. Ze werd misselijk bij het vooruitzicht op de rest van het verhaal.   “En wat gebeurde er daar?”   “Daar stierf mijn broer meneer.”   “Wat was de naam van je broer?”   “…” Ze slikte moeizaam.   “Hoe lang bleven jullie in Kos?”   “Een  maand, misschien twee. Ik weet het niet goed, ik had koorts.”   “En daarna?”   “We namen een boot, een grotere deze keer, opnieuw was het donker. Ik was bang, meneer. We waren met veel. We waren met heel veel en we reisden naar Athene. Daar ontmoette mijn vader Jamaal. Hij kende veel mensen. Hij heeft ons geholpen.”   Het suizen was intussen zo luid geworden dat ze moeite had om de dossierbehandelaar te horen. Ze had erop aangestuurd dat een tolk niet nodig was om te tonen dat haar Nederlands al een behoorlijk niveau had bereikt. Nu wou ze dat ze de vragen op zijn minst een tweede keer had kunnen horen, in welke taal dan ook.   “En daarvoor vroeg hij geld in de plaats neem ik aan?”   “Mijn moeder betaalde, meneer. Hij was een goede man.”   “En waar bracht hij jullie?”   “...”    “Jullie kwamen niet in een keer naar België, neem ik aan? Via welke landen zijn jullie gereisd?”   Zwarte cirkels dansten voor haar ogen terwijl er in haar hersenen nerveus naar de schakels voor haar spraak werd gezocht. Alle bloed dat daarvoor nodig was liet haar gezicht bleek en bezweet achter.   “Mijn broer is in Griekenland.”   “Sherine, kan je me vertellen via welke landen jullie zijn gevlucht?”   “Nee, meneer.”   Haar bewustzijn capituleerde en het plakkerige, zwetende lijf dat haar net nog zo in de weg had gezeten zeeg neer bij de schroeiplek op de grijsgroene vloer.

Fien
71 1
Tip

een kale kip kan je niet plukken

Antoine zat in een kleine ruimte met zes dezelfde, saaie stoelen. Plots stond meester van Doorn in de deuropening. “Mijnheer Dekkers!” Antoine stond op. Hij en meester Van Doorn liepen de gang door en het indrukwekkende kantoor binnen. Aan de muur hingen reproducties van Canaletto. Aan de linkerwand van de ruimte stonden vijf kasten vol met overzichtelijk geordende boeken. In het midden van het grote bureau lag een dun groen mapje. “U weet dat uw tante nog veel rekeningen te betalen heeft?” zei meester van Doorn verwijtend. “Ja. Nu, ze heeft een klein pensioen.” stamelde Antoine. “Wie gaat dat rusthuis betalen?” vroeg de advocaat dreigend. “Geen idee. Het OCMW misschien?” “En wanneer zie ik mijn centen?” ging meester van Doorn geïrriteerd verder. “Geen idee,” zei Antoine en dacht: ‘typisch advocatuur; die denken enkel aan hun eigen centen.’ “Een kale kip kan je niet plukken.” klonk het op ernstige toon. Antoine kreeg een glimlach op z’n lippen. “Kijk, zou u zo vriendelijk willen zijn oplossingen te bedenken?” “Omdat u meester Peeters zo goed kent maar hij geen expertise heeft als het om bewindvoeringen gaat, wil ik u wel helpen. Na de opstelling van het patrimoniumverslag heb ik maar één conclusie, en zoals ik al zei, een kale kip kan je niet plukken. Ik zal vrederechter Schuermans en het OCMW contacteren.” zei meester van Doorn verzoenend. “Hartelijk dank.” reageerde Antoine opgelucht. “Zou uw tante nog in staat zijn tot op mijn kantoor te komen?” vroeg hij zakelijk. “Geen idee. Ze is niet echt gelukkig in het rusthuis. Af en toe is ze zelfs agressief. Ze doet haar soutien niet meer aan. Haar gebit vindt ze ook overbodig. Tante Lydia gaat erg snel achteruit maar ik wil het haar wel vragen. Misschien is ze vereerd.” klonk het grappiger dan bedoeld. “Goed. Ik hou u op de hoogte. Laat mijn secretaresse maar weten wanneer u en uw dementerende tante langs zullen komen.” en hij schoof het ongeopende, groene mapje opzij. “Wat doe ik met de correspondentie die nog op haar adres toekomt?” “Bezorg me die.” “Ok” “Wist u dat?” “Wat?” “Wist u dat uw tante geen financiële middelen meer heeft?” “Ja” “U heeft mij met een vervelende taak opgezadeld.” “Tja,” reageerde Antoine gelaten. “Goed. On verra bien. Doe uw tante de groeten,” zei meester van Doorn voor het eerst vriendelijk. Meester van Doorn en Antoine stonden recht en gaven elkaar een hand. Ze wandelden tot aan de voordeur. Meester van Doorn deed de deur open en zei koeltjes:“Tot ziens”. “Bedankt!” repliceerde Antoine. Hij stak een sigaretje op en dacht: ‘het blijft toch een merkwaardige man die meester van Doorn en ik hoop dat het in orde komt.’          

Hubert Grimmelt
37 0