Zoeken

Tinder avant la lettre

Ik dacht hém uit te kiezen in een asiel, maar dat draaide enigszins anders uit.  Het werd één van de wonderlijke ervaringen die ik nooit vergeten zal, hoe zou ik kunnen, die zomermiddag van lang geleden, al lijkt het niet zo lang.  Of is de tijd dan zo selectief vergleden ?   Gezelschap voor de eenzame uren, zomaar te koop, dat zijn de snuffel- en knuffeldieren die in hokjes worden te kijk gesteld na meestal een niet al te fraaie jeugd. Reden voor mij om eens op (be)zoek te gaan. Lief, elegant, middelgroot, rustig maar temperamentvol, snugger, kortharig en gehoorzaam, zoiets bedenk je dan op weg naar je doel, wat ik naderhand niemand nog aanraad te doen, maar ja, beter wist ik toen ook niet.   Eerder is het zoals je een partner ontmoet, of tinderen in real time, de fysieke aantrekking doet het werk voor jou. Swipen naar links, deze niet, ook niet, euh niet, misschien, hmm ja, of toch niet, de kwispelkoddige, jankende, hijgende en opspringende kandidaten solliciteren elk op hun manier, maar vraag niet naar mijn criteria die hun kansen hebben gedoseerd. Er was maar één die mij reeds van veraf in het vizier had, kop omhoog in majestatische zithouding maar met een gecontroleerd enthousiasme alsof hij wist dat ik toch niet zou kunnen weerstaan. Dat bleek, en een uur later zaten we samen onder de appelboom - wie genoot het meest - een vraag die ik me daarna nog dikwijls heb gesteld.   Ik dacht ik noem hem... Mop, zijn oude naam, of beter, Snoopdog, of Hunter - jawel het betrof een 'hij-hond' - maar zelf verkoos hij Bas, kort en duidelijk, en een nieuw leven. Een leven in de hoofdrol, waarom niet ?   Kilometerwandelingen, stokken apporteren, samen uit en thuis, samen spelen, blaffen, samen in de zetel aan de haard met de katten, rollebollend en aaiend, genietend, samen over het strand hollen, droog en nat, Bas hier komen en zit, pootje low-five...  Ik weet nog hoezeer ik hem miste tijdens mijn jobtijd en hij mij ook, denk ik.  Een kortverhaal is per definitie sneller ten einde dan andere,  so be it.  Ik maak het dus pijnloos kort. We hadden het samen fijn, meer dan tien jaar lang. Onvervangbaar fijn. Nu heb ik nog Luna en Zinzi, de katten, en telkens als ik wandelaars-met-hond zie voorbijtrekken mijmer ik nog even na, zoals nu .

Halfdubbel
28 1

De blik op Antwerpen

Ik wandel langs de donkere sporen, ogen gericht naar de gloeiende ogen van een stad die niet de mijne is. Het monster in de duisternis, Antwerpen, met zijn voorhoede van jachthonden, Berchem. Het station ruikt naar oude mensen, die zwetende geur van de dood, van gezaag en lederen schoenen met gaten in. Ik adem haar diep in, bijna gretig want het vult mijn futuristische haat voor de wereld, in de binnenzak van mijn olijfgroene jas het manifest van Marinetti; die klote Italiaan. Aan mijn lippen de rook van een oude sigaret, zelf gerold uiteraard, zelf gekneed tot mijn eigen kankergezwel. Boven kraaien de eeuwen met het zingen van de sporen, ergens in de verte het gemompel van het poetsvrouwtje dat dit monster van een gebouw moet temmen. Het kraken van haar schoenen met de mijne, het geruis van de Ring en de Singel, nog meer beesten van deze stad. Ik loop verder langs de flauwe bocht, mijn riem drukt in mijn onderbuik, kloteding. De ijzige wind snijdt mijn huid aan flarden, lange repen van vergeten herinneringen bungelend aan verkleurde botten. Een jonge man die oud aanvoelt, bezwete huid vol gal en as van zijn korte bestaan. Ik proef de metaalachtige geur van revolutie in mijn neus en mond, die wrange koperen smaak. Revolutie is een excuus, een laffe daad van zij die niet op legale wijze hun politiek aan de meute weten te brengen. Het doet me aan niet veel denken, niet aan vroeger of morgen, maar enkel richt het me naar de stappen voor me. Een droogte valt neer op mijn tong, de droogte van de dood van de sigaret. Kloteding. Ik spuug het einde uit, samen met de kolkende duisternis in mijn longen, melodramatisch trekken van een vrouw in mijn lijf. Ik ben bijna bij mijn doel, een kleine overwinning die me doet denken aan de vakanties bij mijn oma. Ze zou hier zo kunnen staan in dit klote station op haar oude sloffen. De moeder van mijn moeder, de vierde schoonmoeder van mijn vader: een wrede heks, een roestende tang van een wijf. Ik ben er bijna, nog twee stappen door de onaardse tunnels en dan kom ik in die vervloekte hal. Je durft dan te denken, waarom zijn ze hier niet ontploft ? , maar een opgevoede man houdt die gedachte netjes binnen. In de hellen hal struikelt er een zwerver over zijn zelfmedelijden, recht op de koude grond die hij zo bemint. Dichter bij het graf dat bij zijn geboorte al voor hem gegraven is. Ik loop recht het station uit, geen blik naar hem en zijn groot ongeluk. Tweede sigaret, een rode mond op de mijne, een hemelse hitte. ‘Streel me dan toch.’ ,denk je dan. Ik loop tot aan mijn grote wagen, mijn eigen vervoer, mijn eigen beest der krochten dat me streelt en me naar de overkant zal brengen. De doden langs de weg, nog meer zwervers, nog meer zielen als kijvende honden, als dochterloze vrouwen. Haat is misschien een makkelijk levenspad, maar als kinderen van de gemakzucht is het onvermijdelijk gevolg van uitsluitende voorbeelden van hoe het allemaal niet moet. Ik stap zonder gebrekkige bewegingen in, start mijn ronkend monster onder mijn handen, de banden gieren vol met oude strijdliederen. Ik beweeg de machine met gemak en volledige controle de weg op en vertrek met vlammende banden, de motor brult goedkeurend. De nachten hier zijn niet zwart, maar in vegen van flets oranje gekleurd zonder sterren, maar enkel oude gebouwen. Ik negeer de flitsen van rode lichten, angstige fietsers en zenuwachtige autobestuurders, allen grijpen ze hun geliefden vast als de koplampen van mijn gierende strijdros hen in het vizier neemt. Voor me verschijnt er een bombastische BMW, met ja hoe kan het ook anders, een opgespoten Brasschaatse moeder van twee blonde schijtnesten, achter het stuur dat ze met haar handen vol goud bijna niet aanraakt. Ik onderdruk de neiging om haar in het gat te rammen, de explosie zou een wolk van zaligheid zijn, en verhoog mijn snelheid om te verdwijnen uit haar lome, domme blauwe ogen. Antwerpen verwelkomt me met zijn krachteloze armen, de gezapige man in het noorden met zijn handen rond de cocaïne, vreemdelingen, extremisten langs alle kanten, corruptie en kleinburgerlijkheid, en ik schuif mijn raam naar beneden om eens goed te rochelen. Hier stad zonder bodem. Hier, drink het Spaanse kwijl dat je maar al te goed kent.   Ilias Dherdt.

Ilias Dherdt
0 0

Vloedlijn

Zestien was ze en ze droeg een kleedje dat te dun was voor de koude zomernacht. Stef was bij haar. Hij keek haar met een glimlach aan, stak zijn hand naar haar uit. ‘Hier komt helemaal niemand ’s nachts. Zeker niet in de duinen.’  Zijn vingers haakten zich in de hare en even had Sam het gevoel dat ze zweefde. Toen stootte ze haar voet tegen een steen. ‘Gatver.’  ‘Doe toch eens wat relaxed, meid.’  Ze kon zijn witte tanden in het donker zien schitteren. Lachte hij haar uit? Sam concentreerde zich op de grond, terwijl ze achter Stef aan holde. Schelpen kraakten onder de zolen van hun schoenen.  Golven klotsten onzichtbaar in het donker. Wanneer ze ’s avonds in het donker over het strand liep, werd Sam zich bewust van de uitgestrektheid van de zee. Die natuurkracht die, gedreven door de maan, werelden vormgaf. Die leven schonk en weer afnam - als ze daar zin in had. Even wilde ze haar gedachten met Stef delen, maar ze besefte dat dat geen goed idee was. Jongens hielden niet van slimme meisjes.  Ze waren bijna bij de duinen waar hij haar – daar was ze zeker van – zou kussen, toen haar blik bleef rusten op een vreemde, donkere plek een twintigtal meter verderop. Sam bleef staan. Stef liet haar hand los en volgde haar blik. ‘Wat is er?’  ‘Daar ligt iets.’  Ze wachtte zijn reactie niet af. Met een bonkend hart stapte ze op het donkere hoopje toe. Met elke stap groeide haar angstig vermoeden. Ze hapte naar adem toen ze een hand zag. Het was een jongen, misschien maar enkele jaren ouder dan zij. Zijn lichaam lag in een vreemde, onnatuurlijke houding. Zijn gezicht was bleek en had een blauwe schijn. Zijn ogen waren wijd open.  Ze knielde neer naast het lichaam. De jongen droeg een zwarte broek, legerlaarzen en een T-shirt met witte letters en een omgekeerd kruis. Ze probeerde de tekst te ontcijferen. MARDUH stond er - of was het MARDUK?  ‘Shit!’ klonk het achter haar. Sam was even helemaal vergeten dat Stef erbij was. ‘Is hij-’  Ze antwoordde niet, maar bestudeerde het gezicht van de jongen. Volgde zijn verstarde blik, die ergens tussen strand en horizon was blijven hangen. Ze vroeg zich af wat het laatste was dat hij gezien had.  Stef trok haar ruw aan haar arm overeind. ‘Kom, we moeten hier weg. We vragen Mike om de politie te bellen.’  Mike was de joviale cafébaas van de kroeg waar ze nog geen kwartier geleden naar buiten waren geglipt. Het leek nu een eeuwigheid geleden.  ‘Wacht.’ Sam keerde op haar stappen terug. Ze haalde diep adem en sloot met een snelle beweging de oogleden van de dode jongen.  Stef stond haar op te wachten. Nooit zou ze de blik in zijn ogen vergeten. ‘Je bent een rare.’  Sinds die dag had hij haar nooit meer aangekeken.(c) Leen Raats, uit het verhaal 'Vloedlijn' uit de bundel 'Vloedlijn' www.leenraats.be

Leen Raats
9 1
Tip

Deelnemen

  1   Karel Couzijn, 52 jaar, zette zijn heftruck in het parkeervak, sprong op de grond en stak de stekker in het stopcontact. Het was vijf uur. Hij glimlachte.          ‘Dat is toch mooi hè’, zei hij tegen Potrykus die net de zijne inparkeerde, ‘dat we nou elektrisch rijden.’          ‘Zekers, het stinkt nou niet meer zo in het magazijn.’ Potrykus veegde wat zweet van zijn kalende schedel. ‘Hoe kom jij toch aan zo’n dikke bos haar? En dat op jouw leeftijd’          Karel haalde zijn schouders op. ‘Het zal van mijn Turkse oma komen.’          Thuis zette hij zijn fiets in de kelderbox. Hij zag dat de lift nog steeds stuk was en ging met de trap naar de vierde verdieping. Nog een beetje nahijgend stak hij de sleutel in het slot, hij hoorde het klikje dat aangaf dat het slot open was en duwde. De deur gaf niet mee. Hij duwde nog eens en nog eens. Hij bonkte op de deur. ‘Pa, pa, ben je binnen?’          ‘Wie is daar?’ Klonk het van binnen.          ‘Ik ben het pa, Karel.’          ‘Wat moet je?’          ‘Ik woon hier.’ Hij huiverde, hij was onderweg natgeregend.          ‘Dat zeggen ze allemaal.’          ‘Pa, alsjeblieft, haal de grendel van de deur, ik ben Karel, je zoon.’          ‘Dit is een louter suggestieve karabijn,’ zei pa.          Tien minuten lang bleef het stil. ‘Pa, doe nou open, ik heb het koud. Straks word ik ziek en wie moet er dan voor jou zorgen, hè.’          Nog weer tien minuten later hoorde hij voetstappen tot bij de deur, gerinkel van het kettinkje, metaal dat over metaal schoof. De grendel moest nodig eens gesmeerd.   Ze aten aan tafel, Karel had gekookt.          ‘Zal ik je een servet voordoen?’          ‘Ik hoef geen servet, ik ben geen kind,’ zei pa. Na het eten deed hij pa een schoon overhemd aan. Hij waste af, zette koffie, keek samen met pa op de bank naar een aflevering van NCIS.          ‘Dat is een fraaie kadaster,’ zei pa tegen niemand in het bijzonder.          De bel ging, Karel stond zuchtend op.          ‘Je moet beter op je vader letten,’ stak de buurvrouw gelijk van wal, haar gezicht was rood aangelopen, ‘je kunt zo’n man toch niet een hele dag alleen laten. Hij heeft uren op de galerij gestaan, er wonen hier kleine kinderen. Er had God ik weet niet wat kunnen gebeuren, hou hem binnen.’          De buurman kwam erbij. ‘Kom lieve, maak je niet zo druk.’ Zijn lieve siste nog een beetje en viel toen stil. De buurman richtte zich tot Karel. ‘Neem je vader eens mee naar een dokter, iedereen kan zien dat het niet goed gaat met die man.’          ‘Volgens de dokter is er niks aan de hand met hem,’ zei Karel. ‘Er is pas wat met pa aan de hand als pa zelf aangeeft dat er wat aan de hand is, dat zegt de dokter.’          ‘Wat is dat nou voor onzin.’          ‘Dat is wat de dokter zei, vorige week nog.’          De buurvrouw siste weer, haar gezicht werd nog wat roder. De buurman sloeg zijn arm om haar schouders. ‘Maar waar zit jij dan de hele dag?’ vroeg hij aan Karel.          ‘Op mijn werk.’          ‘Dat is toch onverantwoord, dan zit zo’n man de hele dag alleen. Kun je niet iets regelen?’          ‘Dat kan alleen als de dokter zegt dat er wat aan de hand is. Zolang dat niet het geval is, kan pa volgens alle regels en voorschriften voor zichzelf zorgen.’          De buurman werd nu ook een beetje rood. ‘Kom lieve,’ zei hij. Ze liepen samen terug naar hun eigen deur.          ‘Is het nou uit met dat kabaal op de galerij,’ riep de buurvrouw van de andere kant met haar hoofd uit het keukenraam. Karel sloot zwijgend de deur achter zich, deed de grendel ervoor en liep naar binnen om koffie te zetten.          ‘Wat was dat nou allemaal?’ vroeg pa.   2   ‘Karel, Karel, jong, wordt nou toch eens wakker.’          Karel trok zijn hoofd onder het dekbed en gromde iets.          ‘Ik heb heus wel door dat je wakker bent, slaapkop,’ pa trok het dek weg, de lamp op het nachtkastje scheen fel, de wekker gaf 01:13 aan.          ‘Wat is er?’ vroeg Karel.          ‘Laten we eens gezellig babbelen, ik heb je zolang niet gesproken.’ Pa glimlachte, zijn ogen glinsterden bijna ondeugend.          ‘Het is kwart over een pa, en ik heb je vanavond nog gesproken.’          ‘Nu je toch wakker bent, kunnen we toch wel een eitje bakken, ik heb scheurende honger,’ zei pa.          ‘De eieren zijn op.’ Hij keek inmiddels helder uit zijn ogen en ging zijn bed uit en liep naar de keuken. Hij pakte brood, margarine, beleg. ‘Wil je kaas of jam?’ Hij zette een pannetje op het vuur met melk erin en zocht in de keukenkastjes. Na wat gerommel had hij een doosje anijsblokjes in zijn hand. ‘Pa, wil je warme anijsmelk? Daar schijn je goed op te kunnen slapen, ik neem ook. We kunnen het toch op z’n minst proberen.’         Een half uur later keek hij nog even of zijn wekker goed stond, hij had pa weer in bed weten te krijgen.   Om even over half vier ging de deurbel. Weer trok hij zijn hoofd onder het dekbed, maar bij de tweede keer bellen sloeg hij de dekens terug en stapte uit bed. Hij trok zijn voeten even omhoog toen ze de vloer raakten.          Op zijn blote voeten stond hij in de deuropening, hij had zijn bril op. Tegenover hem stond pa, eveneens op blote voeten. Pa stond tussen twee agenten in, die gelukkig wel geschoeid waren, het was nogal koud buiten en op straat weerkaatsten plassen water het licht van de lantaarns.          ‘Bent u de zoon van deze man?’ vroeg een van de agenten. Zijn stem klonk bars door de nachtelijke stilte, het zou de buren kunnen wekken. Karel knikte.          ‘Karel Couzijn,’ zei hij, ‘zoon van Sjarel Couzijn, deze heer hier. Pa, hoe ben je buiten gekomen, ik heb je helemaal niet gehoord.’          Nu nam de andere agent het woord. ‘Meneer Couzijn, u moet beter opletten hoor, u kunt zo’n arme, oude man toch niet bij nacht en ontij de straat opsturen. En nog wel zonder schoenen.’          ‘Hè?’          ‘Uw vader heeft ons het hele verhaal verteld, dus doe nou maar niet alsof u van niks weet. Het blijft nu bij een waarschuwing, maar laat het niet nog eens gebeuren.’ De agenten hielpen pa naar binnen en spraken wat sussende woorden tegen hem. Ze tikten tegen hun pet en liepen daarna weg over de galerij, richting de liften en het trappenhuis. Karel sloot de deur, deed hem op het nachtslot en twee grendels.          ‘Zal ik dan maar weer warme melk maken?’          ‘Graag,’ zei pa.          Hij trok sokken aan. Ze dronken hun warme anijsmelk, daarna stopte hij pa in, hij schoof een stoel naast het bed en trok een oude trui aan over zijn pyjama en een tweede paar sokken aan zijn voeten. Hij blies in zijn handen en vroeg pa wat die de agenten had wijsgemaakt. Pa keek glazig voor zich uit. ‘Pa, ik vroeg je wat.’ Nu keek pa naar hem, hij zei nog steeds niks. Na een minuut trok hij zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Welke agenten?’   ‘Die je thuisbrachten.’ ‘Hoezo?’ ‘Nou, wat heb je ze verteld, dat ze zo boos waren op mij?’ ‘Ik was niet boos,’ zei pa. ‘Nee, maar die agenten wel, dat kwam door wat jij ze verteld had toch.’ ‘Welke agenten?’ vroeg pa. Karel zuchtte, pa draaide zich om, Karel legde het dekbed goed over hem heen. Hij ging weer zitten en sloeg een plaid om zichzelf heen.          ‘Hé slaapkop, wakker worden, je bent door de wekker heen geslapen.’ Karel keek om zich heen en zag dat pa aan hem stond te schudden. Hij was toch nog in slaap gevallen in zijn stoel. Hij huiverde even.          ‘Wat ruik ik?’ vroeg hij.          ‘Ik heb ontbijt voor je gemaakt,’ zei pa.          Er hing een zwavelige geur in de ruimte.          ‘Kijk,’ zei pa glunderend. Hij had een dienblad met twee dampende borden boerenkool met worst op het tafeltje naast zijn bed gezet. ‘Biertje erbij?’          ‘Ik ga wel even koffie zetten,’ zei Karel. ‘Mijn maag is wat van streek, ik maak wel wat pap voor mezelf. Maar eet jij je boerenkool gerust op.’ Hij keek in de koelkast, het bier was op, net als de wijn en de jenever ook. ‘Jij ook koffie?’          ‘Dat is toch niet contractueel,’ zei pa. Er klonk housemuziek door de flat, pa had de radio aangezet. Karel hoorde de buurman vloeken, die was zo te horen ook in zijn keuken bezig. Op zijn horloge zag hij dat het zeven uur was. Hij moest om kwart voor acht op zijn werk zijn.   3   De voorman sloeg hard met zijn vuist tegen het portier van de vorkheftruck. ‘Hé Couzijn, dat is nou al de tweede keer deze week dat je het verkeerde gangpad in rijdt.’          Karel keek van het gangpad naar de lading op de hefvork. ‘Shit,’ zei hij, ‘je hebt gelijk.’ De voorman keek hem met harde ogen aan, zijn mond was rechtgetrokken, zijn onderkaak wat naar voren geschoven.  Karels ademhaling versnelde, er verscheen zweet op zijn voorhoofd, vlak onder de haarlijn.          ‘Zeker weer te lang zitten netflixen,’ zei de voorman, hij gaf het portier nog een klap die je kon voelen nadreunen in je knieën of je maag, net waar je zat. Karel geeuwde, de voorman keek nog wat woester. ‘Ik moet een manier zien te vinden om beter te slapen,’ zei Karel. ‘Maar ja, dan moet eerst pa beter slapen.’ ‘Zit je nou smoesjes te verzinnen?’ vroeg de voorman. ‘Nee, echt,’ zei Potrykus, ‘er zijn problemen met zijn vader.’ ‘Zoek dan een oplossing,’ zei de voorman, ‘ik kan het toch ook niet helpen dat er gedoe is met je vader.’ Hij klonk nu rustig, zijn ogen stonden er vriendelijk bij.   ‘Is je pa weer zo aan het spoken, ’s nachts?’ vroeg Potrykus tijdens de schaft. Karel hoorde het en knikte, maar het duurde even, alsof de woorden vertraagd bij hem waren binnengekomen.          ‘Kun je hem geen slaappil geven?’ vroeg Potrykus.          ‘Dat is nog niet zo gemakkelijk,’ zei een tweede collega. ‘In het verpleeghuis waar mijn vrouw werkt mag dat soort dingen alleen na toestemming van de arts.’          ‘En iemand onder een spanlaken op bed vasthouden,’ opperde een derde. De tweede schudde het hoofd.          ‘Dat heet al gauw vrijheidsberoving of zoiets.’          ‘Beperking van de bewegingsvrijheid,’ verbeterde Potrykus hem.          ‘Betweter,’ zeiden de tweede en de derde collega.   Hij had eerst het huis en daarna de hele buurt afgezocht toen hij het huis leeg aangetroffen had. De buren hadden geen idee waar pa naartoe kon wezen en in de buurtsuper hadden ze pa al een poosje niet gezien.          ‘Nee, en dat is maar goed ook. Want kinds of niet, ik moet die viezerik niet in mijn winkel. Als hij hier binnenkomt, bel ik de politie.’          ‘Jaja, bedankt,’ zei Karel. Zijn mobiel ging, hij keek naar het schermpje, zijn gezicht ontspande en hij klikte op het groene hoorntje.          ‘Met mij,’ zei Jozien, zijn ex.          ‘Hoi, wat is er?’          ‘Volgens mij zag ik je vader een paar minuten geleden langskomen. Hij zag er niet zo goed uit, gaat hij hard achteruit?’ Joziens stem klonk bezorgd, meelevend.          ‘Hij is inmiddels zo dement als een deur, maar de dokter wil geen diagnose stellen. Weet je waar hij heen is gegaan?’          ‘Ik denk naar de kinderboerderij hierachter, je weet wel, bij de Dreef.’ Hij zweeg even, ze vroeg of hij er nog was. ‘Ja, sorry. Dus pa is naar de kinderboerderij. Maar dan moet hij de bus genomen hebben.’ Jozien maakte een instemmend geluid. ‘Toch wel logisch, ergens,’ ging hij verder ‘dat pa naar een kinderboerderij wil. Hij is kinds en gaat vast terug naar zijn kindertijd. Dat hoor je wel vaker. Niet dat pa nou zelf van een boerderij komt, maar hij is wel tussen de boerderijen opgegroeid en mijn opa hield konijntjes in de schuur, voor kerst. Dat had pa zelf ook wel gewild, maar die beesten waren steeds voortijdig doodgegaan.’ ‘Ja, dat klinkt wel logisch, dat hij daarom naar de kinderboerderij is gegaan,’ zei Jozien gehaast. ‘Kom je hierheen?’ ‘Ja, natuurlijk.’ ‘Wel zielig van die konijntjes, dat ze voortijdig doodgingen,’ zei Jozien. ‘Het is maar hoe je het bekijkt, voortijdig sterven is ook een manier om aan je lot te ontkomen.’ ‘Ik bedoelde zielig voor je vader,’ zei Jozien.   Jozien zat naast pa op een bankje, ze zwaaiden naar hem, pa en Jozien.          ‘Hij liep tussen de kleine dieren en er waren allerlei moeders die hun kinderen snel terug in de buggy’s zetten,’ zei Jozien.          ‘Waar bleef je nou, sukkel,’ zei pa, ‘we hadden hier afgesproken en ik eis van mijn zoon dat hij zich aan zijn afspraken houdt. Je kunt ook helemaal niks, vuile rotzak, mislukt stuk crapuul.’          ‘Sshh,’ zei Jozien. Ze legde haar hand op de oude, gerimpelde hand van pa.          ‘Wie is u?’ vroeg die.          Jozien haalde diep adem en keek vragend naar Karel. Die haalde zijn schouders op en hief zijn handen wat omhoog als om te laten zien hoe leeg ze waren. Er vloog een vliegtuig over, een kindje begon te dreinen.          ‘Zeer koket, die bank, uiterst krokant zou ik zelfs durven zeggen,’ zei pa opeens. Jozien begon te lachen, Karel lachte met haar mee en toen moest pa zelf ook lachen. Karel stapte naar hem toe en hielp hem samen met Jozien overeind.          ‘Kom, we gaan naar huis, ik zal pannenkoeken bakken.’          ‘Hoi, pannenkoeken,’ zei pa.          ‘Bedankt dat je hem hebt opgevangen,’ zei hij tegen Jozien, ‘bedankt dat je mij gebeld hebt en niet de politie. Hoe is het met de jongens?’          ‘We hebben een jongen en een meisje,’ zei Jozien afgemeten. Karel beet op zijn lip.          ‘Goed, het gaat goed met ze,’ zei ze. ‘Je weet dat het niet om jou is, hè, dat ze niet bij je langs willen komen.’          Karel keek naar pa, er zat nog wat kots op zijn kraag en zijn haar was te lang.          ‘Ik weet het.’          Ze namen afscheid en Karel en pa liepen naar de bushalte. Bij de bushalte stond pa een paar keer op en zei dat hij nog veel moest doen. Gelukkig kwam de bus snel.          ‘Zo heren, waar gaat de reis heen,’ zei de buschauffeur. Hij lachte joviaal.          ‘Naar huis,’ zei Karel. Hij zag dat er nog plek genoeg was in de bus, hij en pa zouden naast elkaar kunnen zitten.          ‘Samen een uitstapje gemaakt?’ vroeg de chauffeur. ‘Geweldig toch, om je vader zo dichtbij je te hebben. U boft toch maar.’          Karel maakte een neutraal euh-geluid, pa liet een boer. De buschauffeur wachtte netjes met optrekken tot pa zat.   4   ‘Kom je nog?’ riep Potrykus. ‘Ja, ik kom zo,’ Karel strikte de veters van zijn linkerschoen opnieuw, wat losser nu, hij stond op en greep zijn jas en liep naar Potrykus die al op de gang stond.          ‘Op naar de borrel,’ zei Potrykus.          ‘Waar is het?’ vroeg hij.          ‘Gewoon, bij De Buren.’          Zijn eerste biertje stond net voor hem toen zijn telefoon ging.          ‘Met je vader. Zeg, weet jij nog waar ik woon?’          ‘Waar ben je nu?’ vroeg Karel.          ‘Nou, in jouw huis. Maar hoe kom ik nou thuis?’          Karel stond op. ‘Blijf daar, ik kom naar je toe.’ Hij hield de telefoon bij zijn oor en nam nog een flinke slok, legde een hand op zijn telefoon en zei tegen zijn collega’s dat hij moest gaan. ‘Volgende keer beter,’ zei Potrykus. Onderweg naar huis hield hij pa aan de praat.          ‘Waarom hou je me godver opgesloten in je huis, kleine klootzak,’ schreeuwde pa plots door de telefoon. Karel versnelde zijn pas en zocht naar kalmerende woorden, pa’s stem klonk steeds woester en warriger.   De deur gaf niet mee, hoe vaak hij de sleutel ook omdraaide.          ‘Hé pa, heb je de deur geblokkeerd?’          ‘Ja, etterbuil,’ hoorde hij vanachter de deur, ‘als ik er verdomme niet uit mag, mag jij er niet in.’          ‘Pa, alsjeblieft, je woont bij mij omdat je uit je eigen huis was gezet. Weet je dat niet meer.’          ‘Tuurlijk weet ik dat nog, galbak, dat had jij bekokstoofd.’          ‘Nee, jij had de huur al maanden niet betaald.’          ‘Is het nou uit met die herrie!’ hoorde hij een vrouwenstem zeggen. Mevrouw de Vries had haar keukenraam opengezet. Dat is waar ook, het keukenraam. Hij liep naar zijn eigen keukenraam, het stond op een heel klein kiertje. Vanuit de gang hoorde hij pa nog steeds razen en tieren. Het duurde een klein half uurtje prutsen, priegelen en brute kracht inzetten om het raam open te krijgen.          ‘Het is dat ik weet dat jij daar woont,’ zei mevrouw de Vries vanuit haar keukenraam. ‘Anders zou ik de politie bellen dat er inbrekers bezig zijn.’          ‘Een hele geruststelling, mevrouw de Vries.’          ‘Is je pa weer bezig?’ vroeg ze. Hij knikte, net voor hij door het raam naar binnen stapte.   Een maand later hing Potrykus zijn helm op de haak en deed zijn broodtrommel in zijn tas. ‘We zijn al laat voor de borrel,’ zei hij tegen Karel. Die knikte terwijl hij zijn veiligheidsschoenen verwisselde voor zijn gewone schoenen. ‘Ik pak nog even mijn spullen.’          Terwijl ze de trap opliepen, ging zijn telefoontje. Hij liet het even gaan voor hij het oppakte.          ‘Karel Couzijn,’ zei hij.          ‘Kun je snel naar huis komen, je vader staat op onze verdieping in het portiek en scheldt iedereen uit die er langs wil.’ Het was een buurvrouw die een verdieping lager woonde. ‘Mijn kinderen zijn helemaal bang,’ zei ze, het klonk alsof ze zelf ook bang was.          ‘Ik kom eraan.’          ‘Wat is er?’ vroeg Potrykus, ‘je pa weer?’          Karel knikte. ‘Hij zet de boel op stelten, ik moet snel naar huis.’          ‘Nou mis je de borrel weer.’   Hij hoorde zijn vader beneden al tieren en rende de trappen op. Op de derde verdieping stond pa tegen het stukje muur tussen de lift en de trap.          ‘He gore klootzak, waar bleef je nou?’          ‘Pa, dat kun je niet maken, al die mensen uitschelden.’          ‘Spleetogen en bruinen, allemaal uitvreters,’ schreeuwde pa, er zat een sneetje naast zijn neus dat een beetje bloedde. Dat had er vanmorgen nog niet gezeten.          ‘Nee pa, dat zijn gewoon mensen die hier wonen en netjes op tijd hun huur betalen, net als ik,’ hij probeerde kalm glimlachend een vriendelijke arm om pa’s schouders te slaan. ‘Kom, we gaan naar huis, er is nog erwtensoep over van gisteren.’          Pa vloekte en duwde hem weg.          ‘En nou gedraag je je,’ zei Karel streng. Zijn vader viel stil en liep achter hem, de trap op naar de vierde.   ‘Wat een stom wijf,’ zei pa. Karel zat naast hem op de bank, op tv was een programma over mensen van zijn leeftijd die net als hij voor hun hoogbejaarde vader of moeder zorgden.          ‘Bedoel je de moeder of de dochter?’          ‘De moeder, dat wijf is kinds.’          Karel zuchtte. Bij de bovenburen werd de wc doorgetrokken, op tv werd teruggeschakeld naar de deskundige in de studio.          ‘De dochter pakt het helemaal verkeerd aan,’ zei de deskundige.          ‘Dat gevoel had ik ook,’ zei de manager van een zorgbureau. ‘Ze moet meer meeveren met haar moeder.’          ‘Inderdaad,’ zei de deskundige, ‘meeveren, haar moeder de ruimte geven om volop zichzelf te zijn. Ik snap ook niet waarom die dochter zo nodig moet werken, dat kan toch niet, dat grenst aan oudermishandeling.’          ‘Je hoort het,’ zei pa, ‘je mishandelt me door naar je werk te gaan.’          ‘Ben jij kinds dan?’          ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei pa.          ‘Nou, dan hoef ik toch niet met je mee te veren.’ Pa grinnikte.          De manager kwam weer in beeld. ‘Meeveren en ruimte geven, daar komt het op aan.’          ‘Het is toch prachtig dat je als zoon of dochter op die manier eindelijk iets terug kunt doen voor je vader of moeder,’ zei de presentator. De manager en de deskundige knikten allebei zeer instemmend en de aftiteling schoof in beeld. Pa gooide zijn beker karnemelk om.   Hij zette de zaterdagse boodschappen neer en stak de sleutel in het slot. Er hing een vreemde geur die hij niet direct thuis kon brengen maar die iets alarmerends had. De deur klemde een beetje, zoals altijd als het veel geregend had, maar het lukte hem niet deur en sleutel routineus op het juiste moment even op te tillen. Hij hoorde pa hoesten, het klonk als een dier in nood. Met klamme handen probeerde hij het nog eens. De derde keer lukte het, de deur gaf mee en van binnen kwam er rook zijn kant op. Met zijn zakdoek voor zijn mond snelde hij naar binnen, hij ging af op het geluid van zijn hoestende vader. Hij vond hem voorover liggend op de vloer van de huiskamer, naast een smeulend tapijtje. Gelukkig stond de kamer nog niet helemaal vol rook.          In stilte draaide hij pa op zijn rug en duwde hem een meter opzij. Met de blusdeken uit de keuken doofde hij het vuur. Hij opende een raam en frisse lucht stroomde binnen. Karel nam een diepe teug lucht en moest toen zelf een beetje hoesten. Hij zocht zijn mobieltje. Hij hoorde pa nog een flink hoesten en keek om naar waar die lag. Pa bewoog eens flink met armen en benen en ging zitten.          ‘Gaat het, wil je een glaasje water?’ vroeg Karel. Pa knikte en hoestte nog eens. Karel gaf hem een glaasje water, trok de blusdeken weg en zag dat er een stompje sigaar op de restanten van het tapijtje lag. Vijf centimeter naar links en het stompje was op het kale beton terechtgekomen. Dan was er niks aan de hand geweest. Hij sloot het raam weer en ging de boodschappen van buiten halen.   Zondagochtend om een uur of acht keek hij naar pa die lag te slapen op de bank nadat hij de hele nacht door het huis had lopen dwalen. De linkerhelft van pa’s gezicht was blauw, waarschijnlijk door de val waarbij het tapijtje was gaan smeulen. Wat moest hij nou met hem? Hij had alle rookwaar en aanstekers in huis opgespoord en weggegooid en het enige doosje lucifers in zijn zak gestoken, maar was dat wel genoeg? Het was niet alleen het brandgevaar, maar dat pa ook zomaar zo hard kon vallen. Hij had wel dood kunnen vallen.          In een flits schoot er een gedachte, nee, een flard van een gedachte door zijn hoofd, een gedachte die hij niet eens tot het eind had gedacht toen hij hem weer wegduwde. Iets met dat het ook wel een oplossing was als pa doodging door een val. Moest hij zijn hersens nu spoelen met water en zeep? In plaats daarvan pakte hij zijn laptop om op internet naar oplossingen te zoeken. Hoe houdt een mens zijn malende vader in bedwang? Hoe voorkom je vallen, brand of erger? Hij kon niet de hele dag naast pa zitten om hem in de gaten te houden.          Het zoeken vlotte niet erg, de zoekvraag liet zich niet zo een, twee, drie formuleren. Maar na een tijdje kwam hij iets tegen, een stevige band van textiel die je aan een stoel kon vastmaken en het andere deel deed je om het middel van de onrustige bejaarde. Aanbevelingen genoeg: ‘Beveiligt tegen vallen.’ ‘Maakt bewegingsdrang beheersbaar.’ ‘Voorkomt oververmoeidheid.’ ‘Bevordert de rust op comfortabele wijze.’ Het klonk aantrekkelijk. De band om het middel ging dicht met een slotje, de wijdte van de band was verstelbaar. Waarom zou dat ding eigenlijk Zweedse bandheten? Het deed er niet toe, het was een oplossing, dat deed ertoe en met een paar klikken belandde de Zweedse band in het winkelmandje en nog een paar klikken verder had hij betaald. Bezorging op woensdag.     5   ‘Couzijn, je bent laat,’ bromde de voorman. ‘Euh,’ zei Karel. Zijn kin jeukte omdat hij zich niet geschoren had. ‘Dat is niks voor jou,’ zei de voorman, ‘en al helemaal niet op maandag. Wat is er aan de hand?’ ‘Terwijl ik boterhammen voor hem stond te smeren was pa naar de douche gelopen, hij had de kraan van de wasbak opengezet met de stop erin. Ik merkte het omdat het water de keuken in kwam.’ Karel krabde aan zijn kin, de voorman krabde aan zijn nek en kuchte. ‘Het is wat met die vader van jou.’ Karel knikte. ‘Maar goed, je hebt je vader tenminste nog.’ De voorman keek erbij alsof een levende vader een groot feest voor allen was. ‘Afijn, haal het om vijf uur maar in, je bent al begonnen aan je vrije uren van volgend jaar, dat kan zo niet doorgaan.’   Dinsdag ging zijn mobiel. Hij had net een lager van de vorkheftruck gesmeerd. Hij nam op met ‘Karel Couzijn’.          ‘Bent u de zoon van Sjarel Couzijn?’ vroeg een hem vaag bekende stem.          ‘Wat is er met pa?’          ‘Ik bel vanuit de Spar op het Doormanplein. U woont met uw vader toch in de flat achterin de Timorstraat?’          ‘Ja,’ Karel zette zijn telefoon op luidspreker zodat zijn collega’s konden meeluisteren.          ‘Ik ben stagiair bij jullie huisarts,’ klonk het nu door het vertrek, ‘uw vader heeft hier in de Spar eerst een caissière uitgescholden en bij haar borsten gegrepen. Haar collega heeft haar ontzet en ze zijn samen gillend de winkel uitgerend. Vervolgens heeft uw vader zijn broek naar beneden gedaan achter de stelling met groenteconserven en heeft daar zitten, nu ja, poepen. Een vakkenvuller houdt hem nu aan de praat en de filiaalchef zit te snikken in zijn kantoortje. Ik geloof dat het wenselijk is dat u snel komt.’          ‘Ik kom eraan,’ zei Karel. Hij keek naar zijn collega’s die inmiddels in een kring om hem heen stonden.          ‘Potrykus, rijd jij Couzijn naar die winkel,’ zei de voorman. ‘Hij kan zo niet rijden.’   ‘Volgens mij is uw vader dement,’ zei de stagiair-huisarts toen ze bij de winkel kwamen.          ‘Kunt u me dat op een briefje geven?’ vroeg Karel.          De man schudde het hoofd, hij was in opleiding en mocht nog niet zelfstandig een diagnose stellen.          ‘Dat schiet lekker op,’ zei Potrykus. Hij hielp de vakkenvuller om de winkel op te ruimen terwijl Karel zijn vader fatsoeneerde. De stagiair-huisarts kalmeerde ondertussen de filiaalleider. Een caissière die late dienst had kwam binnen.          ‘Zijn Ella en Bahar al weg?’ vroeg ze.          De stagiair gaf Karel een slaappil mee voor pa.          ‘Mag je dat wel, pillen zomaar meegeven?’ De stagiair haalde zijn schouders op.          ‘Hé, die heb ik ook,’ zei Potrykus.          Potrykus en Karel brachten pa thuis, gaven hem de slaappil en stopten hem in bed.          ‘Hoe moet dat nou met je werk?’ vroeg Potrykus.          ‘Ik weet het niet. Denk je dat het werkt, zo’n slaappil?’          ‘Bij mij werkt het altijd maar even,’ Potrykus keek peinzend, ‘een uur of drie. Misschien is hij er gevoeliger voor. En je moet toch wat.’   ’s Avonds ging de bel, het was de buurvrouw.          ‘De post heeft een pakketje voor je gebracht,’ zei ze. Ze snoof verontwaardigd en keek achterdochtig van Karel naar het pakket en terug. Alsof een mens met een vader als pa nog tijd en puf zou hebben voor ernstige vergrijpen van welke aard dan ook.          ‘Wat is het?’ vroeg ze. De woorden Zweedse Bandstonden in grote letters schuin over de doos. ‘Zeker om je vader vast te binden, hè.’ Karel bedankte de buurvrouw voor het langsbrengen van de doos.          Om tien uur werd pa wakker en kwam gelijk uit bed. Karel pakte het strategospel. Ze speelden uren. Om drie uur in de ochtend viel pa in slaap in zijn stoel, Karel besloot in de andere stoel te blijven slapen, hij trok een extra trui aan. Om 7 uur werd hij wakker van een vlaag frisse lucht. Pa had het raam opengezet en zong ‘ik verscheurde je foto’ met toepasselijke snikken in zijn stem.          ‘Pa.’          ‘Ouwehoer niet zo,’ zei pa. Hij ging luider zingen. Karel liep naar het raam om het dicht te doen, pa versperde de weg. Daarop pakte hij pa stevig beet en leidde hem terug naar zijn stoel. Hij pakte de Zweedse Band.   ‘Blijf nou zitten, pa.’          ‘Hoerenjong dat je bent, waarom moet ik zitten, ga zelf zitten.’ Pa stond weer op, Karel duwde hem zachtjes terug.          ‘Klootzak,’ zei pa en gaf Karel een stomp in de maag. ‘Vuil secreet,’  zei z’n vader en hij probeerde Karel bij de polsen te grijpen. Misschien kwam het nog door de slaappil, hij was niet snel genoeg. Karel duwde hem terug in de stoel en monteerde zo vlug hij kon de Zweedse Band. Gelijk met de klik van het slotje hoorde hij bonzen. Even dacht hij dat het zijn hart was, maar toen hoorde hij ‘Politie, doe open’ schreeuwen. Het klonk erg luid en dichtbij, hij keek op en zag dat het raam naar de galerij nog open stond. Een van de agenten had het ook opgemerkt en stapte door het raam naar binnen. Hij had zijn vuurwapen getrokken.          ‘Doe nu die deur open,’ zei hij. Karel stak zijn handen in de lucht en liep achteruit naar de deur van de kamer. Op de tast deed hij de deur open, in de gang draaide hij zich om, pakte de sleutel uit zijn zak en opende de voordeur. De agent was hem gevolgd, hij hield het pistool nog steeds op Karel gericht. Aan de andere kant van de voordeur stonden twee agenten met getrokken wapenstok. Een gaf Karel er gelijk een klap op zijn hoofd mee,  duwde hem tegen de muur en liep langs hem heen naar de huiskamer. De ander draaide Karel ruw om, werkte hem op de grond en boeide zijn handen op zijn rug.          ‘Weet iemand hoe zo’n band werkt?’ hoorde hij vragen vanuit de huiskamer.          ‘De sleutel ligt op de tafel,’ antwoordde Karel, ‘het is dat metalen ding met die pinnetjes.’          ‘Bek houden jij,’ zei de agent die op hem zat.          ‘Gevonden,’ klonk de stem uit de huiskamer, en ‘die ouwe is vrij.’ Er klonk gestommel, iemand riep auw. Het was niet de stem van pa, die klonk niet zo huilerig, die klonk eigenlijk altijd commanderend en tegelijkertijd beschuldigend.          ‘Auw,’ klonk het nogmaals, gevolgd door ‘Godver’, waarna er weer gestommeld werd. Er viel iets, er liep iemand langs Karel. Hij kon het niet zien, hij lag zo dat hij net de andere kant op keek en bewegen lukte niet met zo’n stevige agent op zijn rug. Maar aan de schuifelende manier van lopen herkende hij pa.          ‘Die ouwe is er vandoor,’ zei de agent op zijn rug.          ‘Nou ja, dat geeft toch niet,’ zei een ander.          ‘Hij heeft me verdomme geslagen,’ klonk het jankerig uit de huiskamer.          ‘Neem het hem eens kwalijk,’ zei de agent die nog steeds op hem zat, ‘na zo’n mishandeling. Het belangrijkste is dat we de misdadiger te pakken hebben.’          Hij was dus een misdadiger en blijkbaar had hij pa mishandeld. Misschien wel zwaar mishandeld. Maar waar zou pa nou heen zijn? En als ze hem meenamen naar het bureau, wie zou er dan voor pa zorgen?          ‘Wat gaat er nou gebeuren?’ vroeg hij.          ‘Bek houden, je wordt gearresteerd.’          ‘Moeten jullie me dan mijn rechten niet voorlezen?’   6   ‘Riem,’ zei de agent achter de balie. Hij keek verveeld. ‘Schiet op, ik heb niet de hele dag.’          Ja, riem af, natuurlijk. Karel deed zijn riem af en legde hem op de balie.          ‘Veters.’          Karel keek naar zijn voeten, hij had schoenen met klittenband aan.          ‘Oh,’ zei de agent. ‘Zakken leeg.’          Hij haalde zijn zakken leeg en kreeg er een stapeltje beddengoed en een handdoek voor terug. Daarna gaf de agent zijn zakdoek terug en zijn mobieltje.          ‘Hè,’ zei Karel. De agent naast hem haalde zijn schouders op en legde uit dat er nieuwe Europese regelgeving was, verdachten moesten hun advocaat kunnen bellen.          ‘Ik heb helemaal geen advocaat,’ zei Karel.          ‘Dat is niet ons probleem,’ zeiden de agenten in koor. ‘Maar dan krijg je er wel een toegewezen hoor,’ zei de agent naast hem sussend.          De cel was niet groot, maar met een bed, een wc en een wasbak eigenlijk wel compleet. Hij maakte zijn bed op en ging erop liggen. Het bed had geen kussen, maar het matras voelde niet slecht. Wat zou je moeten doen in zo’n cel, wat werd er van hem verwacht? Even keek hij besluiteloos om zich heen, daarna deed hij zijn ogen dicht en strekte zijn armen en benen uit. Het was stil in het cellenblok, misschien waren de andere cellen leeg. Hij had geen zin het te gaan vragen, of misschien durfde hij het niet, hij wilde zo blijven liggen, met zijn ogen dicht, de hele dag, een week, een maand als het moest. Na een tijdje begon zijn hoofdpijn af te nemen.          Hij schrok wakker van zijn mobieltje. Vaag herkende hij het nummer.          ‘Hallo,’ zei hij, ‘met Karel Couzijn.’          Het was de supermarkt weer. ‘Uw vader heeft een zak krentenbollen opengetrokken en eet nu de inhoud op.’          Karel zag op zijn schermpje dat het even over elven was, hij had hooguit een uur geslapen.          ‘Tja, het punt is, ik kan niet komen, ik zit vast.’          ‘Is er geen sluiproute?’ vroeg de ander gejaagd.          ‘Nee, ik bedoel niet dat ik vast zit in het verkeer,’ zei Karel, ‘ik zit in de cel, de politie heeft me opgepakt.’          ‘Maar dit is een noodgeval.’          ‘Nou, dan belt u 112 toch, die zijn er voor noodgevallen.’ De ander vloekte en verbrak de verbinding.          ’s Middags ging de telefoon weer, zijn vader was een school binnengedrongen en zat in de speelhoek van groep een. Op de achtergrond hoorde Karel krijsende kleuters. Nadat de leerkracht, zonder vloeken, de verbinding had verbroken, zag Karel dat er een bewaker bij de tralies stond. Die had hem een uurtje geleden al wat boterhammen gebracht.          ‘Had u van tevoren niets geregeld met betrekking tot uw vader?’ vroeg hij.          ‘Nee, want ik wist niet dat ik gearresteerd zou worden.’          ‘Men had u van tevoren niet verwittigd?’ De bewaker klonk en keek hoogst verbaasd.          ‘Nee,’ antwoordde Karel eenvoudig.          ‘Tja, dan houdt het op.’ De bewaker stak zijn duimen achter zijn riem, zei dat er vandaag verder geen gasten werden verwacht en liep weg.          Karel ging weer liggen, hij vouwde zijn handen achter zijn hoofd en voelde een weldadige loomte over zijn lijf trekken.          Die nacht ging zijn mobieltje nog drie keer. De eerste keer was het een buschauffeur, zijn vader had in een bus naar Haarlem de boel ondergezeken. De tweede keer was het de politie die zijn vader uit de bus had geplukt en thuis had gebracht en daar ontdekte dat Karel niet thuis was geweest en om half zes belde de brandweer die zijn vader uit een boom had gehaald. Daarna was de batterij leeg. Karel zocht even voor het tot hem doordrong dat hij geen oplader bij zich had.          In de middag merkte de bewaker op dat Karels telefoon niet meer ging.          ‘Klopt,’ zei Karel, ‘de batterij is leeg.’          De ander knikte traag. ‘Wel zo rustig zo,’ zei hij.          ‘Ja,’ zei Karel.          ‘Ik heet trouwens Dave,’ zei de bewaker. Karel keek hem aan, je hoorde eigenlijk nooit dat bewakers zich voorstelden aan gevangenen. Of aan verdachten.          ‘Kom je van de Antillen?’ vroeg Karel.          ‘Mijn grootouders komen daarvandaan,’ zei Dave.   7   Hij werd gewekt door een hem onbekende agent, een vrouw. Zijn eerste neiging was om naar Dave te vragen. Maar zo’n man heeft natuurlijk ook wel eens een vrije dag. Hij slikte zijn vraag in.          ‘Je hebt een pro deo advocaat toegewezen gekregen,’ zei de agent. Ze kwakte zijn ontbijt neer op het tafeltje en ging met haar armen over elkaar staan.          ‘O,’ zei Karel. Hij besloot zich nog even niet te wassen en begon te eten. Twee slappe boterhammetjes met beleg en een kop koffie. Het was misschien niet veel, maar het was niet alsof hij zwaar werk moest verrichten in deze cel. Hij nam een slok van de koffie, die was al wat lauw geworden. Och, hij had geluk dat ze hier niet aan boerenkoolsmoothies voor het ontbijt deden.          ‘En hoe kan ik contact opnemen met deze advocaat?’ vroeg hij.          ‘Daar zorgt de advocaat zelf wel voor,’ zei de agente, ‘die weet zelf het beste wanneer er nog wat tijd overschiet voor jouw zaak.’ Hij at de laatste hap en dronk het laatste slokje, de agent pakte het blad op en verdween. Karel ging staan, rekte zich eens uit en ging zich wassen. Hij probeerde zich een advocaat voor te stellen en vooral de vragen en overwegingen die zo’n man zou maken. Of zo’n vrouw natuurlijk. Zijn gedachten gingen verder, eerst maar eens bedenken wat ik ook weer uitgericht heb. O ja, pa vastgebonden. En dat mag dus niet, dat is me inmiddels wel duidelijk. Maar wie zorgt er nu eigenlijk voor pa? Hij rekte zich nog eens uit toen hij aangekleed was en begon zijn tanden te poetsen. Toch lekker rustig zo, in zo’n celletje, zo zonder afleiding en niks om je zorgen over te maken. Nou ja, over pa natuurlijk, daar kon een mens zich altijd wel zorgen over maken. Maar op dat punt viel er nu toch niks te doen. Hij voelde wat tandpasta langs zijn kin gaan en veegde het weg. Wel jammer dat hij hier geen spiegel had, dat scheren op gevoel was nog knap lastig.   Dave bracht hem naar zijn pro deo advocaat, het was een paar dagen later.          ‘Weet je al of je bekent of niet?’ vroeg Dave.          Karel haalde zijn schouders op. ‘Ik heb niet veel keus hè, de politie zag me mijn vader vastbinden.’          ‘Ja, dat is natuurlijk wel een heterdaadje, dan heeft ontkennen niet veel zin.’          Karel knikte.          ‘Er zijn er die het toch proberen,’ zei Dave.          ‘Is het heus?’          Nu knikte Dave. ‘Mijns inziens kun je het beter op verstandsverbijstering gooien, ontoerekeningsvatbaarheid, zeg maar.’          ‘Hmmm,’ zei Karel.          ‘Advocaten kunnen daar meestal wel een mooi verhaal van maken hoor,’ zei Dave, ‘ook pro deo advocaten. Of misschien juist wel die.’          ‘Kan ik het niet op overmacht gooien?’ vroeg Karel.          Dave meende dat dat ook een optie kon zijn. ‘Je moet het maar aan je advocaat overlaten.’          Karel hijgde een beetje, zijn conditie was er niet beter op geworden.          ‘We moeten nog zes trappen,’ zei Dave.          ‘Waarom gaan we niet met de lift?’          ‘Die is stuk.’          ‘Zal ik er eens naar kijken? Ik ben vroeger liftmonteur geweest,’ zei Karel.          Dave dacht dat het niet kon, er waren contracten, iets met Europese aanbesteding en mededingingsregels.          ‘Net als bij mij in de flat,’ zei Karel. Meester van der Roer, strafrechtadvocaat, fronste zijn donkerblonde wenkbrauwen en kneep zijn mond samen. ‘Heterdaad, meneer Couzijn, dat is niet zo mooi. Het beste is om maar gewoon te bekennen.’          Karel bekeek het kale vertrek, de hele toestand deed hem denken aan politieseries op tv. Al viel het hem mee dat hij geen oranje ketelpak aan had, en geen ketenen aan zijn voeten. Misschien was dat meer iets voor Amerikanen, die overdrijven altijd zo. ‘Kan ik het op verstandsverbijstering gooien?’          De advocaat trok rimpels in zijn voorhoofd, misschien iets te veel, het beviel Karel niet. ‘Kunt u dat aantonen, is er een psychiatrisch rapport, heeft u een verleden van gedwongen opnames?’          Karel schudde het hoofd.          ‘Laten we niet op de dingen vooruitlopen,’ zei de advocaat. Hij legde zijn handen op tafel, spreidde zijn vingers en keek peinzend. ‘Waarom heb u het eigenlijk gedaan? Spreek vrijuit, dit gesprek is strikt vertrouwelijk.’          Karel keek om zich heen of er ergens een camera te zien was, of een microfoon. ‘Mijn vader is dement…’ begon hij.          Van der Roer hief zijn linkerhand op. ‘Hoho,’ zei hij, ‘bent u soms arts? Geriater?’          Karel schudde het hoofd weer.          ‘Laten we dan geen diagnoses stellen. Of is er al een diagnose, gesteld door een daartoe bevoegd persoon en bovendien op schrift gesteld?’          Karel liet zijn hoofd wat hangen, hief het weer op. ‘Maar zijn gedrag wijst erop, dat zwerven van hem, bij nacht en ontij. Hij laat zijn urine lopen, en het gas aan staan, is agressief tegen willekeurige voorbijgangers.’          Nu schudde de advocaat het hoofd. ‘Zonder geldige diagnose zal men dat gedrag wijten aan een slechte behandeling van hem door u, dat maakt het alleen maar erger voor u. Hebt u nooit met iemand over uw problemen gesproken?’          ‘Mijn problemen? Het zijn toch de zijne? Wat nou, mijn problemen.’ Door het raampje, hoog in de muur en met tralies ervoor, zag hij een ekster het opnemen tegen de eerste herfststorm van het jaar.          ‘Als u die toon aanslaat, komt u niet ver in de rechtbank. Heeft u nooit aangeklopt bij maatschappelijk werk?’          Hij zag het tafereel weer voor zich, de dame van maatschappelijk werk, een jaar of 35 oud. Ze zag er erg op orde uit, alsof ze alles onder controle had. Ze had gezegd hoe heerlijk het toch was, in het algemeen, om iets terug te kunnen doen voor een van je ouders. ‘Uw vader heeft toch ook altijd alles voor u over gehad,’ had ze gezegd. Hij had willen vertellen over de nachten die hij als kind had doorgebracht, opgesloten in het kolenhok, in de jaren dat ze net aardgas hadden. Maar de volgende cliënt had voor de deur gestaan. Hij was niet teruggegaan, maar of dat nou door tijdgebrek kwam of omdat hij er het nut niet van inzag?          ‘Jawel,’ zei hij tegen de advocaat, ‘maar daar kon men niets voor mij doen.’          ‘Tja.’          ‘Wat moet ik nu?’          ‘Bekennen,’ zei de advocaat, ‘er zit niets anders op, te veel mensen hebben het gezien. En dan flink berouw tonen natuurlijk, dat doet het altijd goed. Beloven dat u het echt nooit, nooit meer zult doen. Misschien dat het dan bij zes weken blijft, vier na aftrek voor goed gedrag.’          Karel keek op van het tafelblad. ‘En anders?’          ‘Zes maanden tot een jaar.’          Karel zuchtte, niet hard, maar blijkbaar hard genoeg voor de advocaat. Die merkte op dat hij geen strafblad had. ‘Daar kijkt men ook naar. Zonder strafblad zijn, dat is altijd gunstig. En bovendien is het niet de bedoeling van ons rechtssysteem om kinderen te verhinderen hun plicht jegens hun ouders uit te voeren, iedereen wil u en uw vader zo snel mogelijk herenigen.’          Karel zuchtte nog eens, onbedoeld veel luider en dieper dan de vorige keer. De wenkbrauwen van de advocaat gingen omhoog en zijn handen kwamen van het tafelblad in een afwerend gebaar. ‘Zuchten wordt zelden opgevat als uiting van berouw,’ waarschuwde hij.          ‘O,’ zei Karel.          ‘Alleen een vlotte bekentenis en een openlijk betoon van diep berouw kunnen de strafmaat in gunstige zin beïnvloeden. Plus het blanco strafblad natuurlijk.’          Karel zweeg.          ‘Waarom heeft u uw vader eigenlijk in huis genomen?’          ‘Hij werd uit zijn huis gezet, huurachterstand. Niet dat hij het geld niet had, maar hij had al zijn automatische betalingen stopgezet, zomaar eigenlijk, of misschien uit achterdocht. Ik kon hem toch niet op straat laten slapen? Mijn broers en zus wonen ver weg.’          ‘Dus u kon hem niet op straat laten slapen. Kijk, dat is informatie waarmee ik het vonnis in uw voordeel kan beïnvloeden. Wie weet, kunt u snel weer terugkeren bij uw vader en in de maatschappij.’   8   Uitgerust stapte hij de rechtbank in, hij moest zijn best doen om te beseffen dat hij werd voorgeleid, dat de gang naar de rechtbank niet bedoeld was als gezellig uitje, een prettige onderbreking van zijn kalme verblijf in de cel. Zijn schouders voelden ontspannen, het brandende gevoel in zijn maag en in zijn ogen was weg. Hij keek rond, zoals vroeger in de kerk, of hij ook bekenden zag. De eerste die hij opmerkte was Potrykus, vervolgens viel zijn oog op pa. Die had dezelfde kleren aan als op de dag van zijn arrestatie. Waarom zou pa hier eigenlijk zijn? Och, hij had natuurlijk spreekrecht, hij was het slachtoffer bij het misdrijf. Karel ademde traag uit. Er was een misdaad gepleegd en hij had dat gedaan. Wie zou pa trouwens naar de rechtbank gebracht hebben?          De rechter kwam binnen, iedereen ging staan, en weer zitten toen de rechter zat, alleen Karel bleef staan.          ‘Wat was de reden dat u uw vader van zijn vrijheid beroofde?’ vroeg de officier van justitie na wat inleidende formaliteiten en Karels vlotte bekentenis dat hij pa had proberen vast te binden.          ‘Omdat mijn vader dement is en er geen land met hem te bezeilen is,’ zei Karel ferm. De officier keek hem strak en streng aan en vroeg of er een artsenverklaring was.          ‘Nee,’ zei Karel, ‘die is er niet.’          De officier vroeg toen aan pa zelf of die dacht dat hij, Sjarel Couzijn, aan Alzheimer leed.          ‘Nee,’ zei pa.          De officier vroeg Karel weer naar het waarom van zijn misdrijf. ‘Dat is uiterst belangrijk voor de strafmaat.’          Karel keek naar zijn advocaat, maar die haalde de schouders op met een paniekerig gezicht. Karel herhaalde dat het was omdat pa dement was.          De rechter keek nu heel vaderlijk. ‘Mijnheer Couzijn, ik kan best begrijpen dat u in een vlaag van verstandsverbijstering even geen uitweg zag, maar u hebt vast veel berouw. En uw advocaat heeft omstandig uitgelegd dat u uw vader vrijwillig in huis hebt genomen, een heel nobele daad. Bovendien heeft u een blanco strafblad. De eis is vier maanden gevangenisstraf, persoonlijk vind ik dat vrij veel. Het kan dus minder worden, maar dan moet u wel meewerken. Dus nogmaals, waarom heeft u uw vader van zijn vrijheid willen beroven? Als dat was in een vlaag van verstandsverbijstering, wellicht veroorzaakt door slaapgebrek, of wie weet, nog door uw echtscheiding van drie jaar geleden, dan kunt u heus uw familieleden, inclusief uw vader, snel weer in de armen sluiten.’          Karel kreeg last van brandend maagzuur en voelde een klem op zijn schouders.          De officier van justitie vroeg nog maar eens naar de reden van de vrijheidsberoving. ‘Heus, we handelen allemaal wel eens vreemd door een black-out.’          Karel strekte zijn rug en zei: ‘Leg me geen woorden in de mond. Mijn vader is zo dement als een deur en ik wou even mijn handen vrij hebben voor een bezoek aan een prostituee. Ik heb geen spijt van mijn daden en zou het zo weer doen.’          De advocaat bracht zijn hand naar zijn mond, de rechter en de officier zwegen met open mond, de griffier dook weg achter zijn laptop. Pa nam ongevraagd het woord. ‘Alles is hier zeer palliatief, mijn complimenten.’          ‘Mijnheer Couzijn, wat bedoelt uw vader?’ vroeg de rechter. Hij keek vragend van pa naar Karel en terug.          ‘Als mijn vader niet dement is en u een intelligent man bent, zult u hem toch wel begrijpen? Ik ben maar een delinquent en een hoerenloper, ik snap er geen zak van.’ Hij hoopte dat niemand zou vragen om bewijzen van zijn hoerenbezoek, bonnetjes, ooggetuigenverklaringen, dat soort dingen.          Het vonnis werd acht maanden.   9   ‘Hé Couzijn,’ hoorde hij. De stem kwam hem bekend voor. Gek hoor, je zou hier toch geen bekenden verwachten. Hij keek op van zijn werk – haarspeldjes op een kartonnetje schuiven – en zag dat een van de bewakers vriendelijk naar hem lachte. Het duurde even voor hij het gezicht kon plaatsen. Het was de derde dag dat hij hier zat. Het rustige ritme van de gevangenis had hij vrij snel op kunnen pikken, maar aan de mensen om hem heen moest hij nog wennen. Het kijken naar tv-series gaf toch niet helemaal het juiste beeld van zware criminelen. En ook niet van de bewakers van die zware criminelen. Opeens wist hij het, het was Dave, die hem bewaakt had tijdens zijn voorarrest. Rouleerden die mensen soms over verschillende locaties? Dat deden ze wel met militairen. Met supermarktmedewerkers trouwens ook.          De dagen verstreken in rust, reinheid en regelmaat. Karel deed voor het ontbijt wat gymnastiek- en yoga-oefeningen die hij nog van Jozien geleerd had. De uren op cel bracht hij lezend en mediterend door. Na een week merkte hij op dat hij het gezicht van pa zich niet meer goed voor de geest kon halen. Na twee weken had hij vol goede moed een brief geschreven aan zijn kinderen. Hij kreeg een ansichtkaart terug van Jozien.          Schrijf maar niet meer, stond er. De kinderen willen niets meer met je te maken hebben. Je hebt hun opa mishandeld, dat is onvergeeflijk. Hij staarde een tijdje naar de letters, keerde de kaart om. Daar stond een landschapsfoto van een polder in de buurt. Hij kende het daar wel, er stond een molen op, de golfplaten barak ernaast was op de foto vervangen door een bosje bomen en de lucht was strakblauw gefotoshopt. Er ging een zekere sereniteit uit van het prentje en hij zette het op het plankje boven zijn bed tegen de muur.          Hij begon een schriftelijke cursus bedrijfscorrespondentie moderne talen. Zijn medegevangenen zagen hem aan voor een geleerde en begonnen hem om advies te vragen bij uiteenlopende problemen.          In de derde week kreeg hij een korte brief van Jurjen.            Beste pap,   Het klopt niet dat Elsa en ik je niet meer willen zien. We begrijpen wat je gedaan hebt en waarom je het gedaan heb. Twee dagen na je arrestatie zijn we opa wezen opzoeken. Hij sloeg mij een blauw oog en begon aan Elsa’s bloesjen te trekken. We zijn heel erg hart weggerend. Mam en Björn zijn nu bang dat jij erfelijk belast bent en houden ons daarom bij je vandaan.   Het deed hem deugd dat Jozien en haar nieuwe lief zich zulke prudente ouders betoonden. Maar het was natuurlijk wel jammer dat Jurjen nog steeds zoveel spelfouten maakte. Maar kom, daar ging het nu niet om. Onderaan het briefje stond dat hij zijn kinderen per adres kon schrijven, via het adres van een vriendinnetje van Elsa. Hij schreef terug dat hij het begreep en dat ze zich om hem geen zorgen hoefden te maken.   ...Ik heb het hier veel rustiger dan buiten de gevangenis. Ik ben een cursus bedrijfscorrespondentie moderne talen begonnen en vooral Duits is erg lastig, met al die naamvallen. Dus ik kom de dagen wel door…   Hij stuurde de brief per adres.          Een week later inspecteerde Dave zijn cel. ‘Wist je dat ik om overplaatsing heb gevraagd om hier te komen werken?’ zei Dave plotseling.          ‘Nee, hoe dat zo?’          ‘Ik hoorde dat je hiernaartoe was gebracht en ik miste onze gesprekken.’          ‘O.’          ‘Maar goed, voor die gesprekken is hier natuurlijk maar weinig gelegenheid, het gaat er hier anders aan toe dan ik verwachtte. Bevalt het jou een beetje?’          ‘Toch wel, voor een gedetineerde is het hier zo lekker rustig.’ Hij begreep wel dat het voor Dave anders lag, die kwam hier om te werken. ‘Maar ik mis de buitenlucht en de wind en de wolken wel heel erg hoor,’  zei hij er daarom achteraan.   10   De deur ging open, Karel keek op van zijn Duitse naamvallen.          ‘Hé Karel,’ zei Dave ter begroeting.          ‘Hé Dave,’ zei Karel, ‘wat is je uniform netjes gestreken.’          Dave grinnikte.          ‘En je bent naar de kapper geweest,’ zei Karel.          Dave schoof een beetje met zijn voeten en haalde zijn schouders op. ‘Er is een nieuwe collega,’ zei hij.          ‘Die met dat leuke staartje?’          Dave knikte.          ‘En op hem wil je indruk maken?’          Dave knikte weer en kuchte eens. ‘Maar daar kwam ik niet voor, ik hoorde net dat je in aanmerking komt voor vervroegde vrijlating. Gefeliciteerd.’          ‘Wegens goed gedrag,’ zei Karel. ‘Het werd mij vanmorgen medegedeeld.’          ‘Ben je blij?’ vroeg Dave.          ‘Ja, natuurlijk,’ zei Karel. Dave ging op het bed zitten, de enige stoel bevond zich onder Karels kont. Ze spraken over de buitenwereld, Dave vertelde over de stormschade van de week daarvoor, Karel vroeg naar de presidentsverkiezingen in Frankrijk en de geruchten die hij had gehoord over gesjoemel in de stomerijbranche.          ‘Desondanks zitten de vouwen keurig in je broek geperst,’ concludeerde Karel. ‘Pas maar op dat je ze niet verpest door zo plompverloren op mijn bed te gaan zitten.’          Ze lachten wat. Dave keek op zijn horloge en mompelde iets over ‘al zo lang,’ stond op en verliet de cel. Nog even, en dan zou hij zelf ook de cel uitgaan, de gangen door en dan echt naar buiten. Hij zou de wind weer voelen, door plassen kunnen banjeren, zelf bepalen wat hij zou eten. Of toch niet, er zou weer iemand zijn waar hij rekening mee moest houden, iemand die niet makkelijk tevreden was te stellen. Op dat moment kon hij het gezicht van pa weer duidelijk voor zich zien. Hij merkte dat zijn handen zich tot vuisten balden. Hij haalde een paar keer diep adem en ontspande zijn handen weer, hij had nog twee weken cel tegoed voor zijn vrijlating, er kon nog van alles gebeuren.   Drie dagen later, het was een vrijdag, zag hij Dave op een hoek van de gang, hij stond daar met de nieuwe bewaker met het leuke staartje.          ‘Vuile overloper,’ zei het staartje. Het klonk niet goed. Karel draaide zich stil om en deed of hij verdiept was in de brandvoorschriften die daar aan de muur hingen. ‘Vriendjes zijn met de gevangenen, gadver,’ het staartje spoog op de grond. Karel haalde instinctief zijn neus op. ‘Heb jij dat aan de directie gemeld?’ vroeg Dave. Het klonk timide, zo kende hij Dave niet. ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei het staartje. ‘Maar het valt me zo van je tegen. Ik had je ingeschat als integer.’                         11   ‘Hé Couzijn, bezoek voor je.’          Karel keek op van zijn tomatensoep met ballen. Het was de bewaker met het staartje die hem geroepen had. Hij stond nu wijdbeens, met zijn duimen achter zijn koppelriem gestoken, in de deuropening van het schaftlokaal. Karel nam nog snel een paar happen.          ‘Zonde om het weg te gooien, dat kostelijke eten,’ zei hij.          ‘Ja,’ zei de moordenaar die tegenover hem aan tafel zat, ‘het is goede soep. En daarbij, je gaat toch geen voedsel verspillen.’          Karel knikte instemmend, legde zijn lepel neer en stond op. ‘Ik verwacht eigenlijk helemaal geen bezoek,’ mompelde hij bij zichzelf, de bewaker bij de deur wenkte hem.          Hij volgde de bewaker en keek om zich heen, er waren lange gangen met groene deuren waarachter hij cellen wist en daarna kwamen er korte gangen met grijze deuren waarachter hij kantoren vermoedde, of misschien kantoortjes.          ‘Heb je niet eerder bezoek gehad?’ vroeg de bewaker zonder achterom te kijken. Karel schudde het hoofd.          ‘Ik hoor je niet.’          ‘Nee,’ zei Karel, het klonk best hol in de betonnen gang. De bewaker deed een derde deur open met zijn pasje en vingerscan en daarachter bleek de bezoekersruimte te zitten. Er stonden wat rijen tafeltjes met aan elke kant een stoel, sommige waren bezet. Op de betonnen muren waren landschappen geschilderd, waarschijnlijk om te verhullen dat deze ruimte in het geheel geen ramen had en maar twee deuren, die waar hij net door was gekomen en een aan de overzijde, waar misschien de bezoekers door kwamen en gingen. In elke hoek van het vertrek stond een bewaker met een wapenstok, een pistool en een smartphone. De vier bewakers in de hoeken glimlachten geruststellend. Aan een van de tafels zat een vrouw, de plek tegenover haar was leeg. Hij keek nog eens goed, het was zijn zus, ze had haar haar geverfd.          ‘Wat leuk dat je gekomen bent,’ zei hij tegen haar. Ze keek om zich heen als een verlegen kind op een familiefeest vol luid bulderende ooms.          ‘Wat jammer dat je je haar geverfd hebt, dat grijs stond je zo goed.’          Ze bloosde een beetje. ‘Turvill vindt dit leuker staan.’          Ze spraken over het weer, de verkiezingen en de CO2-uitstoot.          ‘Lees je hier ook kranten?’ vroeg ze.          ‘Nee, dat lukt niet, maar we kijken naar het weekoverzicht van het journaal,’ zei hij.          ‘Dus je weet nog hoe de wereld eruitziet als je straks weer buiten komt.’          ‘Heb je gehoord van mijn vervroegde vrijlating?’ vroeg hij.          Ze knikte. ‘Je zult wel blij zijn dat je weer naar huis kunt, jij en pa hadden het zo gezellig samen.’          Hij keek haar aan. Het leek erop dat ze het niet helemaal goed begrepen had. Zou ze eigenlijk wel weten waarom hij gearresteerd was?          ‘Is pa je vaak wezen bezoeken hier?’ vroeg ze.          Hij voelde dat zijn schouders begonnen te verkrampen en probeerde heel bewust om zijn handen niet tot vuisten te ballen. Zoiets kon verkeerd opgevat worden. ‘Nee, geen enkele keer,’ antwoordde hij. ‘Maar hoe zou hij ook kunnen, hij kan de weg hierheen toch niet vinden.’          Ze zat hem blanco aan te staren.          ‘Wie zorgt er nu eigenlijk voor hem?’          ‘Hoezo?’ vroeg zij.          Ze zwegen even.          ‘Je moet wel goed voor hem koken hoor,’ zei ze, ‘hij wordt zo mager.’          ‘Jullie tijd is om.’ De bewaker met het staartje stond naast hun tafeltje. Hij had hem niet aan horen komen en hoopte dat zijn zus de zucht van opluchting die hij per ongeluk slaakte, niet hoorde.          Die avond in zijn cel voelde hij zich heel moe en door de pijn in zijn schouders wist hij niet hoe te gaan liggen. Het werd een lange nacht.   12   Als de buitenwereld zo angstaanjagend is, moet je toch maar zien dat je binnen kunt blijven, zei Karel de volgende ochtend tot zichzelf. Of eigenlijk dacht hij het gewoon, tijdens het tandenpoetsen. Hij had nog tien dagen tot zijn vervroegde vrijlating. Maar hoe pak je zoiets aan? Het zou handig zijn om met iemand te overleggen, maar de meesten willen hier juist zo snel mogelijk weg. Hij mompelde nou ja nadat hij zijn gezicht en handen had afgedroogd en trok zijn schouders op. Shit, dat zag er vast uit alsof hij in zichzelf liep te praten. Dave had hem weleens verteld dat ze verwarde mensen juist vervroegd vrijlieten, dan waren ze er vanaf. Tenzij ze echt een aanmerkelijk gevaar voor de maatschappij vormden. Dat vereiste natuurlijk wel dat je flink agressief was. Jammer dat hij het Dave niet kon vragen, die liep niet meer op deze gang.          Hij maakte zijn bed die ochtend niet op. Je moest tenslotte ergens beginnen. Op het werk verboog hij wat schuifspeldjes en smeet een stapel kartonnetjes op de grond. Niemand reageerde.          De volgende dag maakte hij zijn bed weer niet op en spoog hij tweemaal op de grond in de recreatiezaal. Niemand leek het op te merken. Hij overwoog wat bladzijden uit een bibliotheekboek te scheuren, maar dat kon hij niet over zijn hart verkrijgen.          Dan maar zo, dacht hij, en morste koffie over de kaft.          ’s Middags in de bibliotheek trok Dave hem achter een rek met boeken.          ‘Wat is dat voor flauwekul, man?’ siste Dave. ‘Zo kom je toch niet eerder vrij.’          ‘Dat wil ik ook niet,’ fluisterde Karel, ‘ik wil niet terug naar de zorg voor pa.’          ‘O,’ zei Dave, ‘is dat het. Nou ja, daar kan ik inkomen. Maar dan moet je wel echt geweld gaan gebruiken, tegenover personen, anders lukt het niet.’          ‘Echt geweld?’ zei Karel. ‘Dat wil ik helemaal niet, het lukte me niet eens om een bladzijde uit dit boek te scheuren.’          ‘Gebruik dan geweld tegen mij,’ stelde Dave voor.          ‘He bah,’ zei Karel.          ‘Doe het voor mij,’ drong Dave aan,

Marijke Roza-Scholten
28 0

Bellatrix

Zie je daar dat meisje? Daar op het strand, met die roze knuffel in haar hand?   Dat is Bellatrix.   Bellatrix houdt van kralen, schelpen, sterren en van haar knuffel Bettelgeuze. Ze woont samen met haar papa, haar mama en haar broer in een klein vissershuisje op het strand. Haar papa bouwt er boten en haar mama schildert ze. In hun huisje ruikt het altijd naar houtsnippers en verf. En naar het zout van de zee. Niet alleen Bellatrix' huis is trouwens heel bijzonder. Nog specialer is haar naam. Toch? Ze kent niemand anders die zo heet. Behalve dan haar mama en haar oma natuurlijk. En de mama van haar oma. En de mama van de mama van haar oma. En de mama van… Tja, zo kunnen we nog wel even doorgaan. In Bellatrix’ familie heten alle oudste dochters Bellatrix. Al eeuwenlang. Bellatrix weet niet waarom. Als ze haar mama naar de reden vraagt, glimlacht die alleen maar geheimzinnig. Ze streelt over Bellatrix’ haren en ze zegt: ‘Een wonderlijke naam voor een wonderlijk meisje.’ En verder niets meer.   Elke avond, als alle anderen in huis naar dromenland zijn, kruipt Bellatrix uit haar bed en sluipt ze de ladder op naar de zolder. Samen met Bettelgeuze kijkt ze door de raampjes in het dak naar de sterren. Eerst zoekt ze de Grote Beer. Als ze die gevonden heeft (hij lijkt trouwens meer op een steelpan - je weet wel, zo eentje om eitjes in te koken, dan op een beer), telt ze verder omhoog tot aan de Poolster. Dat is de piepkleine ster waarrond alle andere sterren heen lijken te draaien. Soms kijkt ze nog even naar Cassiopeia. Die sterren vormen samen de letter W. En ze hebben ook al zo'n bijzondere naam. Cassiopeia. Prachtig, toch? Maar haar aller-aller-aller favorietste sterrenbeeld is Orion. De Jager. Naar hem kijkt ze in de winter elke avond net zo lang tot haar eigen adem de raampjes doet benevelen en de sterren verdwijnen. Ze kan zich nooit herinneren hoe ze van de zolder weer naar beneden is geraakt, maar elke ochtend wordt ze wakker in haar eigen bedje.   Op een avond sluipt ze net als steeds naar de zolder. Het is putje winter en het heeft zwaar gestormd. Dikke wolken in ontelbare tinten paars, wit en blauw zijn eerder die dag vanuit de zee over de duinen het land ingerold. Onder het licht van de zon kregen de groene duingrassen een gouden schijn. Tientallen blauwe bollen, groot en klein, speelden verstoppertje in het gele zand. De kleuren en de vormen waren heel anders dan in eender welke andere storm die Bellatrix al heeft meegemaakt. En dat zijn er heel wat. Ondanks de hevige wind en de dikke wolken heeft het bovendien niet geregend. De hele dag niet. Geen druppel. Heel erg vreemd allemaal.   Bellatrix kijkt door het eerste raampje. Alles is donker. Geen ster te zien. De wolken zijn te dik. Het zou kunnen dat ze die avond met haar ogen dicht naar de sterren zal moeten kijken. Ze draait zich om naar het andere raampje. Door een gat in de wolken komt Orion tevoorschijn. Gerustgesteld glimlacht Bellatrix naar Bettelgeuze. Opgetogen kijkt ze weer naar buiten. Maar… ziet ze dat nu goed? Er klopt iets niet. De linkerschouder van Orion lijkt wel verdwenen. Is ze misschien al aan het dromen? Ze knijpt stevig in haar eigen wang. Au. Neen, ze is wakker. Ze kijkt nog een keer. En ja hoor, ze heeft het goed gezien. Orion is stuk. De ster uit zijn schouder is weg. Bellatrix opent het raam en steekt haar hoofd naar buiten. Met haar ogen tot spleetjes geknepen speurt ze de hemel af op zoek naar de verdwenen ster. Plots hoort ze iets achter zich. In een flits ziet ze een blauwe schijn achter de schouw van het huisje verdwijnen. ‘Is daar iemand?’ fluistert ze. Eerst blijft alles donker en stil. Tot plots een klein blauw handje en een klein blauw voetje vanachter de schouw komen piepen. En al snel de rest van een klein blauw wezentje volgt.   ‘Euh… Dag mevrouw. Ik ben Bellatrix.’ zegt het vreemde blauwe schepseltje een beetje aarzelend. ‘Hé, heet jij Bellatrix? Ik heet ook Bellatrix. Zo grappig. En ik ben helemaal geen mevrouw, hoor.’ antwoordt Bellatrix. ‘Waar kom jij vandaan?’ Het wezentje wijst naar boven, precies naar het zwarte gat in de schouder van Orion. Bellatrix kijkt van het blauwe wezen naar het zwarte gat en terug. ‘Je bent een ster? Een echte ster?’ Bellatrix de ster knikt. Gerustgesteld door de vriendelijke reactie van Bellatrix het meisje, begint de ster te vertellen. ‘Vanuit mijn plek aan de sterrenhemel kijk ik elke avond naar hier. Ook al ben ik hier – voor vandaag dan – nog nooit geweest, ik ken de Aarde goed. Van de verhalen van mijn mama. Heel lang geleden heeft zij - zij is ook een ster - hier op Aarde een klein meisje gered dat aan het verdrinken was. Uit dankbaarheid heeft de mama van dat meisje - ze was de dochter van een beroemde kapitein - hun schip geschonken aan mijn mama. Een echt schip! En ik zou er zo graag eens mee varen. Al duizenden jaren droom ik daarvan. Maar bij ons is er geen water. Daarom ben ik naar hier gekomen. Wil jij me misschien helpen?’   De ster wijst naar beneden, naar de zee. Aan de waterlijn ligt een houten zeilschip. Er zijn allerlei wonderlijke wezens op afgebeeld en de twee grote masten steken hoog de hemel in. Bellatrix de ster kijkt Bellatrix het meisje hoopvol aan. ‘Wat denk je, Bellatrix? Wil jij met me meevaren?’ vraagt de ster. Varen met een ster van Orion? Daar moet Bellatrix niet lang over nadenken. Ze propt Bettelgeuze onder de bloes van haar pyjama en wenkt de ster om haar te volgen. Langs de regenpijp glijden ze naar beneden. Zo snel als ze kunnen rennen ze over het strand tot aan de zee. Daar klimmen ze aan boord van het schip. De zeilen plooien vanzelf open. Al gauw zijn ze op open zee. De kabbelende golfjes van de net nog woeste maar nu weer kalme zee klotsen zachtjes tegen de buik van het schip. De wolken breken open en ontelbaar veel fonkelende sterren verschijnen aan de hemel. Vooraan doet de maan het water oplichten van aan de boeg tot aan de horizon.   Dolfijnen springen op uit het water. Ze spelen verstoppertje met het flikkerende licht van de maan op de golven van de zee. De bodem van het schip is doorzichtig. Een donkere schaduw glijdt onder het schip. Bellatrix de ster kijkt met open mond toe. Wanneer de walvis bovenkomt, spuit hij een fontein van water over hen heen. Bellatrix de ster danst door de waterval. Ze giert het uit. Na de dolfijnen en de walvis volgen nog vele andere dieren. Duizenden glinsterende vissen, kwallen en zeesterren zwemmen onder en om hen heen. Bellatrix de ster en Bellatrix het meisje kijken samen toe tot hun adem de glazen bodem doet benevelen en de dieren verdwijnen. Als Bellatrix de volgende ochtend wakker wordt, ligt ze niet in haar bed. Ze ligt nog steeds op zolder, in haar deken gewikkeld, netjes tussen de twee raampjes in. Heeft ze dan toch alles gedroomd?   Ze kijkt naar buiten, op zoek naar een sprankeltje blauw of de masten van het schip, maar ze ziet geen spoor meer van het avontuur dat ze die nacht beleefde. Het schip is weg en de zon staat al hoog aan de hemel. Versuft loopt ze naar beneden. Haar mama is aan het schilderen in de keuken en haar papa leest de krant. ‘Goedemorgen Bellatrix. Je bent zo laat. Heb je weer naar de sterren liggen staren deze nacht?’ vraagt hij. ‘Weet je trouwens dat er een ster is die net zo heet als jij? Bellatrix. In Orion. Kijk, ik lees het hier net in de krant.’ Bellatrix leest de eerste zinnen van het hoofdartikel op pagina één. ‘Bellatrix, de blauwe ster uit het sterrenbeeld Orion was vannacht enkele uren onzichtbaar. Wetenschappers staan voor een raadsel.’ ‘Een verdwenen ster. Waar halen ze het toch?’ zegt haar papa lachend. Bellatrix’ ogen worden groot. Plots voelt ze de hand van haar mama op haar arm.   ‘Bellatrix, een wonderlijke naam, voor een wonderlijk meisje.’ Haar mama knipoogt. Bellatrix, een wonderlijke naam voor een wonderlijk meisje. Ja, ze begrijpt het nu. Die avond kijkt ze samen met haar mama naar de sterren. En terwijl ze naar de machtige Orion kijken, is ze er bijna zeker van dat ze de kleine blauwe ster in de schouder van de Jager heel even kan zien knipogen.   Kijk zelf ook maar eens vanavond. Misschien, als je heel goed kijkt, zie jij het ook.

Bregtje Van Bockstaele
0 0

Rootless Queen

‘Mijn roots heb ik nog steeds, hoor. Ik ben ze nooit verloren.’   Ze laat de wijsvinger van haar rechterhand over de cassettebandjes in het rek glijden. Met haar linkerhand knijpt ze zachtjes in de mijne. Ik hou mijn adem in en tel de seconden voor ze ontdekt dat er een cassette ontbreekt in de rij.   Nog voor hij zijn intrek nam in het bejaardentehuis, waren we er samen al eens heengegaan, zij, haar grootvader en ik. Op de metro erheen zat hij steeds uit het raam te wijzen en vertelde hij honderduit tegen me, in een taal waar ik geen woord van begreep. ‘Hij wijst de plekken aan waar hij heeft gewerkt,’ leerde zij me achteraf. Ik wou eindeloos doorvragen, waar hij vandaan kwam, hoe hij hierheen was gekomen, waar hij hier eerst had gewoond, hoe het voelde om aan te komen in een land waar hij niemand kende.   Ik steek de cassette in de speler op de vloer en ga ernaast op mijn buik liggen. Voor ik de afspeelknop indruk, aarzel ik even. Zou ze nog wel werken? Zou ik zo alle stemmen horen die destijds haar grootvader bereikten, zoveel duizenden kilometers overbruggend, als antwoord op de stemmen die hij hen telkens zond?   Even hoor ik enkel ruis, dan weer die taal waarvan geen woord me bekend voorkomt. Minutenlang luister ik naar de melodieën van de stemmen - mannen en vrouwen, kinderen en ouderen. Dan blijft er één stem over. Haar gezangen komen van ver, maar tegelijk zijn ze ongelooflijk dichtbij. Zijn vrouw, flitst door mijn hoofd, voor ze hem achterna reisde. Haar oma.   Een auto die voorbijraast op straat haalt mij uit mijn trance. Op het bandje weerklinkt enkel nog ruis. Door het geopende raam hoor ik een flard van een liedje opstijgen uit de auto. Ruthless Queen, heet ‘t. Mama zong het altijd, als ze het eenmaal op de radio hoorde, verdween het voor de rest van de dag niet uit haar hoofd. Vroeger dacht ik altijd dat de titel Rootless Queen was. Koningin zonder roots.   ‘Betekent je naam eigenlijk koningin?’ De kuiltjes in haar wangen zijn weer daar. ‘Iedereen denkt dat altijd. Maar eigenlijk betekent mijn naam schitterend, of gelukkig.’ Haar wijsvinger heeft de plek bereikt waar het cassettebandje ontbreekt.   ‘Voor wie supporter je straks tijdens de finale van het WK,’ vraag ik, ‘België of Marokko?’

Felix Sandon
22 1

Rien à déclarer

Een man verklaart zijn liefde aan een vrouw op straat. Zij antwoordt: dat is lief, maar liever niet. En ook dat liefde niet te verklaren valt.   De man kijkt bedroefd.   Ik heb daar een leuke anekdote over, zegt ze om de man te troosten. Wil je het horen? Ik zag het allemaal zelf gebeuren.   Goed als ik in medias res begin?   Liever ab ovo, zegt de man, dan kan ik beter volgen.   Oké, zegt de vrouw. Ik stond eens in de luchthaven in de rij.   Rien à déclarer? vroeg de douanier. Si, antwoordde een vrouw, mon amour.   De douanier zei dat dat niet grappig was, dat op liefde zware taksen stonden, en dat ze even mee moest komen naar een kamer met een deur waar een slot op zat.    De vrouw antwoordde dat ze dacht dat dat niet waar was, dat ze een koppel kende waarvan beide partijen vroeger elk in een ander Duitsland woonden, en dat dat inderdaad weinig kostenefficiënt was, maar dat nu zowel Duitsland als de Europese markt eengemaakt waren en daardoor de taksen weggevallen. En of hij wist wat een anachronisme was.   Ik kan niet volgen, zei de man.   Niet erg, antwoordde de vrouw, ik vond juist een beter argument. Ik hoorde ooit dat liefde een uitzondering is, omdat het geen grenzen kent. Dat moest hij eerst even opzoeken.    Mag ik je gsm gebruiken? De mijne is plat. De vrouw liet dat toe.   Inderdaad, zei de man na een poos, op liefde is geen VAT te krijgen. Mijn oprechte excuses.   De vrouw zei dat het geen erg was, maar dat ze nu toch wel een beetje nieuwsgierig was geworden naar dat kleine kamertje van hem. De man suggereerde dat als ze het kamertje zo graag wilde zien, ze misschien kon zeggen dat ze vier kilogram cocaïne bij zich had.   Goed idee, zei de vrouw. Ik heb vier kilogram cocaïne bij me, maar het zit wel goed verstopt. Dan zal ik je moeten handboeien, zei hij. Waarom? Zo is nu eenmaal de procedure. De procedure? De vrouw gaf de douanier een knipoog en hij begon  onprofessioneel te blozen.    In het kamertje zei hij nog dat ze het recht had om in het Nederlands te antwoorden, want dat Brussel meertalig was. Maar uiteindelijk werd er tijdens de hele procedure erg weinig gesproken.   Het onderzoek duurde zo lang dat de reizigers tot in de Duty Free Shop stonden aan te schuiven. Zoiets hadden ze in Zaventem nog nooit meegemaakt.   Wanneer de vrouw klaar is met haar anekdote, zegt de verliefde man dat hij niet alles geloofd heeft, maar dat het wel een mooi verhaal is. Dat hij het misschien wel liever hoorde dan de woorden ik hou ook van je.

Johannes D.
27 0

The birds

De nacht had haar illustere gewaad van mij afgetrokken en een zekere onrust sloeg toe in mijn maag. De ochtenden zouden wel eens schrikwekkender kunnen zijn dan de vanzelfsprekende nachten. Ieder creatuur; lelijker dan elk baarlijk bedenksel dan ook, kon wel eens wegvluchten voor het meest onheilspellende wezen dat de rand van het ochtendgloren afschuimt. Het besef van een vermoedelijke mogelijkheid doet mijn maag krampen en mijn geest op het lemma spitsen. Ik sta op noodgedwongen. De dreiging sluimert in mijn verhakkelde denken. Tussen dromen en wakker zijn, tussen de dood en het ondode zijn. Ik moet deze gedachten van me afwerpen en stap de keuken uit en de dageraad van de tuin in. Een verfrissende sigaret onder het nieuwgeboren blauwe uitspansel. Ik inhaleer snel, te snel en de overdaad aan keelschrapende walm dempt de moordput van mijn twijfel. 'Ik heb vast een nachtmerrie gehad!' overtuig ik mezelf. En alsof de ruiter van mijn hersenen weer eens kruistochtzuchtig wordt, slaat de aanblik van de woelende wolken me van onder mijn eigen voeten. In een mum van tijd wordt het luchtruim gevuld met snel van vorm veranderende donderwolken. De hele ruimte wordt opgezweept door een nooit geziene energie, terwijl er geen enkel geluid te horen is. 'Dit is het eind van de wereld!' en de basten van het halfdode berkenbos, aan de rand van het grasperk, stralen met een witheid die ik nooit eerder gezien heb. Het ongeloof boort zich een weg door mijn slapen, terwijl de uiterlijke werkelijkheid zich nog nooit zo helder aan mijn visuele cortex gemanifesteerd heeft. 'Het komt eraan!' Ik wankel achterwaarts tot tegen de keukendeur en blijf verstijfd van angst tegen het glas leunen. De wind stoot enorme zwarte kraaien uit de wolken en algauw is het panorama vervuld van dreigende zwarte stippen. Dan het moment dat aanvoelt alsof de aarde haar eigen binnenste verloochent als een monster; 'BROEMMM' , een knal buiten elke proportie van het kenbare en de hoogste van de dode berken zet het op een krijsen, met een muil die zich uit zijn eigen stam scheurt. Het gillen is oorverdovend en misselijkmakend tegelijkertijd. Ik moet mijn buik omspannen met al de kracht die mijn handen in zich hebben; mijn eigen ingewanden willen aan me ontsnappen, recht de weerzinwekkende gil van de berk in. Plots de ijzingwekkende stilte, die al wat voorafging in het niets doet zinken. De stilte heeft het ontzagwekkende van God en de duivel en al wat is in zich. Alle beweging in de lucht valt stil en elke vogel valt pijlsnel naar beneden met absurde slingerbewegingen. De berk splijt zijn stam in nog lelijker openingen en zuigt elke vogel recht zijn droge takken in. De boom slikt gulzig en de spastische trillingen trekken door iedere vezel van zijn gruwelijke zijn. De lucht vervult zich met dermate afschuwelijke slurp- en smakgeluiden, dat mijn gehoorhangen zich vullen met trommelvlies etende spiraalwormen. De pijn blaast me van mijn sokken en ik val in zwijm. Enkele ogenblikken later kom ik weer bij en alles lijkt weer normaal te zijn. Ik vergewis me van het helse schrikbeeld van voorheen; geen pijn in de oren, geen pijn in mijn buik en ik krabbel weer recht. Wankel maar ongelooflijk opgelucht dat de wormen weg zijn, maar het tafereel voor mij uit, baart nog meer gedrochten...   ...wordt vervolgd...    

Manuel Van den Fonteyne
5 0

Zomeravonden

Beste lezer,   De artikels, uitspraken, uitzendingen en op de koop toe bol.com boekverzendingen over de opwarming van de aarde komen allen onze richting uit. Maar weet u geachte lezer, ik merk er niets van. De zomers lijken sinds die ene specifieke zomer alleen maar kouder te worden. Wat een prachtige zomer was dat. Herinnert u zich nog over welke zomer het gaat, of bent u dat ook al vergeten? Uiteraard, vergeeft u me mijn ongepaste opmerking. Het zal niet meer gebeuren. Ik neem u graag mee naar die ene zomer, nog voor er sprake was van schijnbare opwarming, toen er nog geen sprake was van al die kind belastende verwarring.     Hoewel de zon onder ging en haar laatste licht op de dag wierp, leek het opnieuw een van die oneindige zomeravonden. De geur van pas gemaaid gras drong mijn neusgaten binnen en tussen mijn kleine kindertenen voelde ik het korte gras kriebelen. Mijn kleine kinderlichaam voelde aan alsof het heel de wereld aankon. Ik voelde me geborgen in die kleine dorpskern die ik weleens aanzag voor mijn broekzak, niets zou daar ooit iets aan veranderen. De vogels besloten te gaan slapen en  de stilte maakte zich meester van mijn tuin. Met een kinderlijke soepelheid ging ik op mijn rug liggen en voelde ik hoe het frisse gras verkoeling bood. Ik leefde van de voorspelbaarheid en geborgenheid. De sterren lieten me klein voelen, maar hun fonkeling in ruil voor mijn blik lieten me geloven dat er steeds is van mijn geborgenheid zou voortbestaan. Ik liep naar binnen en mama stopte me voor een laatste keer in bed, of dat is de vage herinnering die ik er aan heb. Mooi en goedgelovig viel dat kind met zijn groene grasvoeten in slaap, zonder te weten wat er die volgende dag zou gebeuren.   Die nacht klom er een mannetje bij ons naar binnen, het maakte iets dood in mama en het maakte iets dood in mij. Het maakte mama droevig en droeviger, het maakte mama ziek en liet mama teveel drinken. Dat mannetje moet zelf droevig geweest zijn en jongens toch, dat mannetje had al lang niet meer gedronken.   Die avond was mijn laatste zomeravond. Ik koester nog steeds de veiligheid en geborgenheid die voortleeft in de fonkeling van het zwarte nachtgordijn. Mijn diepste verontschuldigingen aan de schrijvers van de artikels, makers van uitzendingen en bezorgers van de bol.com pakketjes, maar van een opwarming merkte ik niets. De zomeravonden werden enkel kouder.   Het ga je goed,   Immanuel di Fiore

Immanuel di Fiore
0 0

Onafgemaakte Speech voor Europa

Zittend in een of andere ondertussen internationaal bekende keten doe ik een poging na te denken over het onderwerp waarover men mij gevraagd heeft een speech te schrijven. Wellicht ken ik over dit onderwerp al evenmin als de verschillende mensen zittend rondom mij, al even inter- en cross-cultureel als de muziek die op de achtergrond speelt. Weet u beste mensen? In alle bescheidenheid weet ik bitter weinig over de Europese unie, haar ontstaan, haar functie, haar voortbestaan en vraag me al zeker niet om iets te vertellen over haar toekomst. Slecht nieuws dacht ik bij mezelf aangezien dit de gehele opzet is van deze speech. Weet u, mijn kennisdomein beperkt zich als beginnend psycholoog bescheiden tot het proberen begrijpen van mensen in verbinding. Over de Europese Unie kan ik u weinig vertellen. Mijn voordracht zou met deze zin kunnen eindigen, maar wellicht is de kans klein dat ik daarom uitgenodigd werd en wellicht is de kans groot dat u dan de kern van mijn boodschap ontgaat. Ik koester voorzichtig de hoop u iets meer te kunnen vertellen over diegenen die de Europese unie vorm geven. Neen, dan heb ik het niet over de hardwerkende beleidsmensen, maar dan heb ik het over diegenen die vaak niet gezien worden. Dan heb ik het over zij die nauwelijks weten wat er beleidsmatig aan de hand is. Dan heb ik het hen die nood hebben aan steun en in sociaal isolement verzeilen. Dan heb ik het over geziene en liever niet geziene oorzaken hiervan. Dan heb ik het over mensen zoals u en ik. Wellicht heeft alles wat ik u zo meteen ga vertellen geen zin en ik raad u dan ook ten zeerste aan het zo snel mogelijk opnieuw te vergeten, hoewel ik voorzichtig de hoop koester samen een licht aan te kunnen steken. Een licht van ons allemaal. Beste mensen, ik richt me vandaag tot de mens in ieder van u die zich niet laat vastzetten in financiële verdiensten, academische successen en etnische afkomst, maar zich kan terugvinden in verbinding. Wat een complexiteit denkt u mogelijk bij zichzelf. Wees gerust, die gedachte herken ik op momenten wanneer ik een poging doe om het Europese bestel te doorgronden. De rariteiten die hier dan ook de revue passeren zijn mogelijk waardeloos, ik raad u dan ook aan om de oren te sluiten en deze verbinding te verbreken van zodra ze te bedreigend wordt.

Immanuel di Fiore
0 0

Versplintering

Ons zelf zijn ligt versplinterd, stukken in het rond. Een voor een uitgestreken als een gebroken spiegel over de grond. Je kijkt ernaar met een glad gelaat, doe nu toch maar niet of je het zomaar koud laat. Je bent niet bijgelovig, dat weet ik wel. Toch, we weten niet langer waarnaartoe. Hoezo zal je waarschijnlijk denken, de meeste wegen leiden toch allemaal naar daartoe? Daartoe, weet je wel? Recht naar de hemel of recht naar de hel. De wereld valt uiteen, in uitersten ver van elkaar. Niet met elkaar en naast mekaar, maar tegen elkaar. De een beter dan de ander, dat is ons credo. We zingen allemaal mee uit volle borst. Zingen we niet goed genoeg? Pech voor jou, maar niet voor mij. Want kijk naar mij, kijk naar mij! Echter, wie zijn we nog zonder de ander? Wie zijn we nog zonder kijker? Wellicht niet meer dan stilte, eenzaamheid en koudheid. Zonder de ander kwijnen we weg. Laat ons niet wegkwijnen, maar laats ons begrijpen en trachten. Misschien is deze race tot beter en best niet meer dan het verzekeren om de ander niet te verliezen? Misschien willen we niet meer dan zijn erkenning en warmte? Mogelijk zijn twee uitersten niet zo ver van elkaar verwijderd. Mogelijk liggen stukken niet uitgestreken over de grond, maar reageren we in deze tijden van vereenzaming in extreme uitersten datgene wat we nog niet (h)erkennen als een gevoel van immense leegte. De maakbaarheid van alles rondom ons, tot aan de liefde toe, brengt ons in verband met verdienste, succes. Ook de emotie moet hieraan geloven.

Immanuel di Fiore
11 0

Het sollicitatiegesprek

  De man was verrassend lelijk. Of misschien niet lelijk, eerder enorm onaangenaam om naar te kijken. Zijn gezicht had teveel weg van een porseleinen pop. Zijn wangen stonden bol, maar zijn huid leek zodanig strak getrokken dat het leek alsof die achter zijn oren was vastgeniet. Zijn overdreven kleine mond leek vastgeroest in iets wat hij waarschijnlijk thuis in de spiegel oefende als glimlach. Ella bedacht zich dat wanneer die fijn geperste lippen op hun plaats zouden komen, de nietjes misschien zouden springen. En dat dat wel eens de reden kon zijn achter zijn onnatuurlijke grimas. “Wilt u iets drinken? “ klonk het plots, waardoor voor Ella duidelijk werd dat ze al enige tijd niet had opgelet wat de man had zitten zeggen. “euhm.. ““Geeft niets hoor, zo doen we dat hier wel vaker na calltime..” Hij pauzeerde na ‘calltime’ alsof hij indruk wou maken, met wat ogenschijnlijk zelf bedacht vakjargon bleek, en hij hoopte misschien dat ze zou vragen wat dat was, maar voor een callcenter was dat iets te vanzelfsprekend. De man wachtte niet op antwoord maar veerde recht uit zijn draaistoel en nam uit zijn rechterlade twee glazen, alsof hij geïnspireerd door één of andere film, blind was geworden voor hoe zoiets hopeloos dronken overkomt. Hij hield de glazen vast met een deskundigheid die verried dat hij eerder als garcon of elders in horeca had gewerkt, maar wellicht was dat niet de bedoeling. Het leek allemaal deel uit te maken van de zonet begonnen show die hij op wilde voeren, en waar nog niet direct een einde aan kwam.Het deed Ella denken aan een felgkleurde vogel die een dansje maakt voor een vrouwtje van een totaal andere soort. Uit de archiefkast rechts van zijn kantoor nam hij een halve fles rode martini. De gehele namiddag had Ella halsrijkend uitgekeken naar het moment waarop de aan het plafond bevestigde digitale klok in de belzaal, half vijf zou aangeven, en er een einde kwam aan de proefdag bij Sellpoint. Nu zou ze maar al te graag terug in die cubicle zitten. De glazen waren standaard glazen, het soort dofgewassen stapelglazen dat je ook in ziekenhuizen en rusthuizen terugvindt, en vertelden net zoals het door sellpoint uitgekozen interieur dat in alle kantoren hetzelfde bleek, niets persoonlijks over de man voor haar. Maar de rode martini deed dat wel. Ella amuseerde zich met het fantaseren van achtergronden bij mensen en dacht dat zijn vreselijk uitgesproken slechte smaak waarschijnlijk nog uitgesprokener zou zijn in zijn living, waar kitsch en duur uitziende maar lelijke spullen zijn karikatuur compleet maakten, en waar hij op Arabische muziek stond te dansen met blauwe glaasjes met een gouden randje, gevuld met rode martini. Een soort van niet-pianospelende Liberace, met wandtapijten en ivoren beeldjes.Tevreden over het zonet gecreëerde beeld, hervond ze een gevoel van persoonlijke tegengewicht en besloot ze om zich te focussen op de indruk die ze zelf wou maken. “ik drink niet, toch bedankt” Antwoorde Ella glimlachend. “Ik moet zo ook mijn zusje ophalen.. “ loog ze verder, in de hoop het alles in een speltempo achter de rug te hebben. De man leek te begrijpen dat wat hij ook van plan was, niet uitvoerbaar was in de tijd die zonet beperkt werd, en begon daarom sneller te praten. De fles zette hij haastig terug, terwijl hij Ella geruststelde, dat hij respect had voor iemands keuze niet te drinken, alsof dat een vreemde eigenschap van haar was, in plaats van andersom. Hij zette zich terug achter zijn desk en keek haar opnieuw met dezelfde grijns aan, terwijl hij zijn handen in elkaar vouwde om zich een nieuwe houding te geven. “Vandaag ging goed, je hebt geloof ik twee Ctp’s verkocht. En dat op minder dan een halve dag..” Haar ergernis voor het tweede gebruik van nutteloos jargon verbergend, knikte ze bevestigend. CTP was niet meer dan de afkorting voor contract particulier, wat nergens op sloeg omdat Sellpoint op het eerste zicht niets aan bedrijven aanbood. “Wel..” ging de man verder “Gelet op die score, en het feit dat je je zusje op moet halen, houd ik het kort; Mijn naam is Raoul Saeer, ik ben de floormanager, en zolang je hier werkt ben ik de GO-TO-man zeg maar, voor alle vragen of zaken die het werk aangaan.” Opnieuw die grijns..“Welkom bij Sellpoint” Wat volgde was een opsomming van behaalde realisaties die Raoul tot floormanager hadden gemaakt, de vermelding van de (blijkbaar toch niet zo heel erg bereikbare) optie om zelf misschien ook ooit zo ver te geraken en een uiteenzetting van wat daarvoor nodig zou zijn. Vervolgens tekenden ze beide een tijdelijk contract waarin werd opgenomen dat Ella geen van de bedrijfsgebruiken mocht doorgeven aan concurrerende bedrijven, alsook een tabel met vooropgestelde targets die bij het niet behalen, enkel uitkomst gaven op een job bij één van die concurrerende bedrijven. Sellpoint was, aldus Raoul, het neusje van de zalm. Ella die als geen ander wist hoezeer callcenters en hun medewerkers door de massa worden gehaat en uitgekotst, maakte zich een visuele voorstelling van tegen de stromende kots inzwemmende zalmen, met op kop de dikste Sellpoint-vis en bedacht dat er geen treffender vergelijking was dan degene die haar zonet was gegeven. Tot slot ontving ze inlogcodes voor het computersysteem waar de CTP’s in werden ingegeven, een tikbadge en de cijfercombinatie om toegang te krijgen tot de lift van het gebouw dat zeven op zeven, van 07.00 ’s morgens tot 23.00 ’s avonds volcontinue sales en service uitademde. Na de vreselijk geklede porseleinen poppenkop de hand geschud te hebben, was er geen weg meet terug. Ella zou maandag starten als Sellpointer.

Esje Volter
89 0