Zoeken

Zwerm

(Eventueel vertelt met een soundscape)   Ik heb al je spullen bewaard. Foto’s, kleren, een duikbril. En je cassettes. Vooral je cassettes. Als je ons huis verliet sprak je boodschappen in. Die kon ik afspelen terwijl ik wachtte.               ‘Ik ben even gaan zwemmen. Ik ben zo terug!           Ik heb havermout voor je gemaakt.           Het staat in de koelkast!’     Je houdt ervan om in het midden van een meer te wonen. Ik ook. Je houdt vooral van de voorbijdrijvende spullen. Verloren spullen van de mensen uit de stad. Je verzamelt ze. Samen verzinnen we er verhalen bij. Op de vensterbank staat je laatste vangst. Een popje met een wit kleed. Een eenzame bruid.   We woonden hier met twee. Of eigenlijk met 887, als je alle verlaten voorwerpen meetelt. Ze staan uitgestald in ons huis. Onze tentoonstelling van wat wij denken dat de stad is.               ‘Ik heb net een zwerm vogels gezien.           Het leek wel of de lucht explodeerde.           Ik ga erachter met de boot.           Ik weet niet hoe lang ik wegblijf.           Misschien zie jij ze ook in de verte.           Goed kijken. Dan zien we hetzelfde.           Daag!’     Het is tien jaar geleden ondertussen. Je bent nog steeds niet terug. Ik wacht op je.   Één keer per jaar zie ik ook de lucht exploderen. Net als jij tien jaar geleden. Dan vliegt de zwerm vogels boven ons huis. Over het meer. Ze blijven dan even hangen en dansen.   Vandaag is het weer zover. Ik wacht. Ik wacht op de vogels. Ze komen vandaag. Ik denk aan jou. Het regent. Het regent steeds harder. Maar dat houdt de vogels niet tegen. Er komt water onder de deur. Mijn sokken zijn nat maar ik wil niet dweilen. Ik moet eerst naar de vogels kijken. Ik moet ze zien en weten dat jij hetzelfde ziet. Je bent gewoon op een andere plek. Maar we gaan vandaag hetzelfde zien. Er komt nu veel water onder de deur.   Mijn voeten zijn nu helemaal nat. Een golf duwt de deur open. Het water stroomt binnen. De stoelen en de tafel dobberen langzaam naar buiten. De verloren spullen drijven een voor een het huis uit. Richting het meer. Ik moet de vogels zien. Ook al regent het, en is alles nat. Ik neem je duikbril. Ik zet hem op en ga naar buiten.   In het midden van het meer drijf ik tussen de verloren spullen. Er komt water in mijn duikbril. De regen tikt zoals tegen een dakraam op het glas.   En dan zie ik ze. De zwerm vogels. Boven ons huis. Ze dansen. Voor mij. Ik kijk. Jij kijkt ook. Vanuit je bootje. Dat weet ik. Wij zien hetzelfde. De vogels dansen. Synchroon. Het regent. Mijn gezicht is nat. Mijn duikbril vol water.               ‘Ik heb net een zwerm vogels gezien.           Het leek wel of de lucht explodeerde.           Ik ga erachter met de boot.           Ik weet niet hoe lang ik wegblijf.           Misschien zie jij ze ook in de verte.           Goed kijken. Dan zien we hetzelfde.           Daag!’

Anke Van Meer
0 0

Orkaan Heidi

Niet te stoppen imposant, zo komt ze naar haar toe. Orkaan Heidi komt verwoestend over Cassandra heen gewaaid en doet haar op haar zwakke grondvesten daveren. Haar dunne fundament van stilettohakken en strakke skinnyjeans wankelt. Ze zegt er iets heel gevats bij. Enkele welgekozen woorden, waarmee ze een krachtig statement maakt en Cassandra achterlaat met de beschaamde mond vol tanden en met voor het eerst het besef van wat ze aangericht heeft. Haar stem klinkt best stoer. Ruig als rockers. Ze is groots en ongenaakbaar nu. Ze staat erboven. Ze vindt haar zwakke plaatsen en strooit er kilo’s zout over. Het moet pijn doen. Cassandra valt. Ze kronkelt op een grond van ruwe klinkers en is stil als de hulpeloze worm die ze lijkt. Hoe harder ze spartelt, hoe feller de wonden. (Destijds plukte de juf heel zorgvuldig met een pincet de kleine steentjes uit haar open knieën toen ze op de grintspeelplaats gevallen was na pootjelap.) Maar Heidi plukt niet. Ze duwt krachtig. Ze is sterk en geniet van het berouw. Nu schijnt ze toch iets te willen zeggen. De worm wil gehoord worden. Cassandra’s stem klinkt iel. Maar Heidi verstaat heel duidelijk het woord waar ze al een eeuwigheid op wacht. Van in de lagere school, toen Cassandra haar yoghurtpotje met veel leedvermaak liet ploffen door haar boekentas heel hard tegen de muur te gooien. Op de kermis op het dorpsplein, toen ze haar in het spookhuis had achtergelaten en heel hard had moeten lachen toen Heidi pas een half uur later huilend was buitengekomen. In de Chiro, toen ze haar “per ongeluk” met niet-uitwasbare verf in Smurfin had geschminkt. Elke keer als ze gezongen hadden van “Heidi in Tirol”. Tijdens de les Fysica, toen Cassandra had gespiekt en de lerares dan ook maar Heidi een onvoldoende had gegeven. Toen ze aan Harry was gaan vertellen dat Heidi verliefd op hem was. En of Harry het aan wou met Heidi. Maar Heidi wilde Harry nog in geen honderd jaar. Toen ze gelachen had omdat Heidi de as van haar overleden hond in een hart-hangertje om haar hals droeg.  “Sorry”, piept de worm. “Het spijt me”, zegt Cassandra. Het komt binnen. Het wekt haar tot leven. Als het galmende belletje in de hotellobby, wanneer er niemand aan de balie zit en je de receptionist nodig hebt: “ping”. “Ik zal het niet meer doen, Heidi”. De stormram wordt tot stoppen gebracht. Ze wil niet meer kwetsen nu. Ze voelt zich geheeld. Geen razende orkaan meer. Helder licht en windstil. “PING” Ze hangt de dolby-surround koptelefoon weer in de haak van de Fnac CD-afdeling. Radiohead maakt dromen waar. Muziek geneest kortstondig. Heidi wandelt de trap af, de blik omlaag gericht.

KLG
0 0

FAF Kitona (slot)

                          To the boldly, go where no man has gone before…       Een kist hoort te blinken en vier Harvards staan keurig opgesteld op het vliegveld van Kitona, alle zijn ze shine and bright, de H-23, H-35, H-202 en de H-210. De piloten staan rond een vijfde kist, een kist van hout, gelakt, wit met een blauwe glans.   Twee dagen voordien hebben wij, dat zijn mama Roos en ik, Jim in de kist gelegd. Zijn pilotenoverall zit nog steeds als gegoten, en wie zijn vader, zijn grootvader eert, die schrikt er niet voor terug om hem zelf klaar te maken voor die laatste vlucht.   Met liefde hebben we Jim gewassen en gekleed. Tiptop is hij nu, al is dat nu niet meer te zien. De lijkkist is gesloten en het deksel zal geen vin meer van zijn plaats verroeren.   Jim vloog meestal met de H-23, het oudste toestel. De beide stoelen zijn nu uit deze Harvard T-6A verwijderd en één canopy section* is er afgehaald.   Foto’s worden levend en ik herken de vier mannen, één voor één, Baudouin Carpentier de Changy, Guy Depypere, Jo D’Hert en Wif De Brouwer. Het is juli 1960 en ze staan in correcte, serene houding. Stil. Zoals de tijd is blijven staan. De mannen tillen de kist op en hijsen mijn grootvader, Jim Kilroy, in de Harvard.   Etienne, de ancien van Wereldoorlog II vijst de canopy weer dicht en stapt van de vleugel, geeft eerst Baudouin een schouderklopje en schudt dan de hand van een zwarte gedaante.   Een te warme luchtstroom, een kleine wervelwind raast voorbij. Heel even zien we niets en wanneer het stof opklaart, zien we de zwarte schaduw, aan de controls van de H-23.   De vier mannen salueren. Etienne is naast mij komen staan. Wij groeten ook. De top van de rechter wijsvinger tegen de rechterslaap, terwijl Marie-Rose een zakdoek drenkt. In tranen. Intussen taxiet hij. Jim stijgt op en verdwijnt, naar oorden zonder angst.           *canopy section = deel van de glazen beschermkamp van de cockpit ____________________________________ Bronvermelding : Dit kortverhaal is gebaseerd op 'Dagboek van een FAF piloot', Wilfried De Brouwer, 2007 Foto's : belgian-wings.be  

Bernd Vanderbilt
38 0

FAF Kitona (6)

                                                       Live long and prosper       Wij eten mals, mager en magisch lekker. Ik ruik het al. Elf uur is het en varkenswangen zwemmen in een milde saus. Aardappelen worden geschild.   Ik hoor enkel patatteschillen vallen, aardappelen in water plonsen. Op het vliegveld van Kitona is het muisstil. Alle zielen lijken geëvacueerd en ook Fats zal de ganse dag in zijn hoezen slapen. Er zal geen When my dreamboat comes home klinken.   Jim weigert vandaag zijn middageten en ik zit naast moeder aan de keukentafel. Haar portie aardappelen heeft ze niet gewogen, maar ze weet dat het ongeveer driehonderd gram is en dat ze dan 12ml insuline dient te spuiten. Ze lijdt aan diabetes type 1, al jaren. Ze leeft en eet precies. Als een hamster die van wiskunde houdt, in een Zwitserse klok woont, de valse koekoek verjoeg. De hamster telt elk etmaal zijn nootjes, verorbert er elke dag even veel, niet te veel, precies genoeg om een ganse winter te kunnen overleven.   Mama roos wil niet dat iets of iemand lijdt. Dat voel je. Dat zie je. Aan de manier waarop ze aardappelen schilt, waarop ze vlees snijdt, borden afwast en zich de vingers inwrijft met crème.   In denk dat er stilaan een dikke laag ijs op het dak ligt. De kristallen woekeren als een winterziekte. Straks zijn er geen uitwegen meer in opwaartse richting, moeten alle Harvards aan de grond blijven, al is er weer eentje minder vliegklaar, want ook de H-210 is intussen gecrasht. Luitenant Baudoin de Changy is niet meer.   Het is het trauma van vele Congopiloten, de angst neergeschoten te worden en dan gekeeld, verminkt te worden door wreedaardige zwarten. Het lot van Luitenant de Changy wordt gelukkig niet dat van mijn grootvader Jim Kilroy maar het is te voelen, dat ook zijn einde nadert.   Een stille week zal nog passeren. Opa eet niet meer, weigert water en pillen, ijlt veel minder en zijn geest lijkt beetje bij beetje te verdwijnen, in het Kivumeer, langzaam, als de licht romp van een koppige Harvard die niet zinken wil maar toch moet, omdat er natuurwetten zijn.       Ik weet niet of moeder hem een overdosis insuline toediende die nacht. Feit is dat hij niet meer leefde de morgen van 6 januari 2005.   Een dichte mist hing over de velden achter het huis en mama Roos zei dat hij niet geleden had, wel meer dan normaal gezweet, dat hij een fel licht moet gezien hebben en dan niets meer.        

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (5)

                                        How do I feel? I feel old — worn out.                            Then let me show you something that will make you feel…                                         young — as when the world was new.       Zoals het is en het doet pijn. Er wordt heftig gelezen in de levende bibliotheek maar de staat van de boeken lijdt eronder. Er is geen sprake van ezelsoren maar van doorweekte alinea’s.   Mama Marie-Rose heeft de gordijnen geopend en mij naar de keuken gestuurd. De chocoladebeer heeft de ochtend niet gehaald. Hij werd gisterenavond met zorg onthoofd en we hebben geproefd. De kop is intussen op. Er is niet één beer meer over om broodje te smeren. Jim Kilroy is niet een man die als beer aanzien wil worden en zelf probeer ik het ook, om een man te worden.   Naar het schijnt wordt men pas man, als men iemand vermoord heeft. Er ligt een mes op de keukentafel, in de kast wacht het brood, staat een pot confituur voor de zure momenten. Rabarber met winterfruit, vers en nieuw, van mama, niet van Materne.   Margarine laat zich gewillig smeren op drie helften en drie boterhammen plooien zonder weerstand, één voor Jim en twee voor mezelf. Terwijl ik ze op een bord schik, hoor ik hem overvliegen. Luitenant Baudoin de Changy est un homme d’honneur en over de VHF klinkt een zwarte muiter, ik hoor het aan zijn Frans : “Avions au dessus de Matadi, sur ordre du gouvernement Congolais, vour devez atterir!” en dan weer de mayday van Eerste Sergeant Guy Depypere.   Ik ken de afloop. Daarom kan ik met een gerust hart het bord naar de voutekamer brengen. Baudoin heeft intussen de H-202 van Guy gelocaliseerd en vliegt nog een tweede keer over om een geschikte landingsplaats te zoeken, dan duikt hij eerst als een aalscholver om dan te landen als een vliegende hond.   Zijn wingman leeft nog. Geradbraakt is zijn rug door de crash. Dat is alles. Hij is niet gelyncht door een bende losgeslagen Hutu’s of Tutsi’s. Zware kneuzingen allicht, dat wel, maar ze kregen de kans niet om zijn lichaam volledig te mutuleren, dat stelletje ongeregeld en dan volgt mijn vaste frase : “Je l’ai, je l’ai pris, il est dans mon backseat!”   Waarmee onze Guy alweer gered is en ik de boterham voor Jim in twee kan snijden. Een ochtendzon moedigt altijd alles aan, planten om zich klaar te maken voor de groei, dagvlinders om te verschijnen en motten om te verdwijnen.   Fats moet in zijn hoes. Een langzame kant met daarop My Blue Heaven is de ganse nacht in zijn laatste groef blijven draaien en een wolfspin zoekt zijn weg omhoog over de zuidelijke muur.   Een rilling gaat over mijn rug als ik zie hoe bleek Jim geworden is. De boterham rust in zijn hand en een hap schuift richting maag.        

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (4)

                                                             Admiral?                                                          All my hopes.                                 ...The men shimmer into light and then vanish...         Bartje is altijd zeer duidelijk, als hij tegen zichzelf spreekt, en als het van hem afging, zou er geen sprake zijn van FAF : “Wa’s me dat… Fire Assistance Flights?” Van Appui Feu Aérien nog minder, “Vuursteunvluchten, mijn jongen !” en hij zou me aan de oren trekken, zeggen dat men in der Vlaemschen literatuur ook gewoon Vlaemsch zout moeten spreecken.   In ieder geval -en Bartje vergist zich doorgaans- is het beter dat men het gangbare taalgebruik aanhoudt : Mayday is mayday en geen meidag!       Het is vandaag 11 juli 1960. Grootvader Jim is net zoals de andere piloten altijd vroeg uit de veren, want je weet hoe dat is, elke nacht op een veldbed slapen, een evacuatie aanhoren die dag en nacht doorgaat, een luchthaven die ronkt, nooit slaapt en er zijn de vele voetstappen, van ontzette blanke mannen die aan je tent passeren terwijl ze hun verkrachte vrouwen proberen te kalmeren, hun kinderen aan de arm meesleuren.   Het maakt de job van een FAF-piloot er niet gemakkelijker op en Jim zegt dat bevelhebber te Kitona, Majoor Bruneau met zijn 4de Bataljon Commando, niet goed wijs bij zijn hoofd was.   “De opdracht is om bij onlusten, tussen blanken en zwarte muiters, tussen Hutu’s en Tutsi’s, vlaag over te vliegen, te intimideren en in het slechtse geval een schijnaanval uit te voeren. De menigte zal wel uiteen vlieden.”   Majoor Bruneau heeft gesproken met de stembanden van mijn grootvader Jim, die er niet in slagen streng genoeg te klinken. Ze haperen als een sprekende kolanoot die niet barsten wil, die nooit meer bitter wil zijn.   “Majoor... in een kist die nog geen 120 knopen vliegt, zijn we als vogels voor de kat!”   Ik was heel even Flight Commander Jo D’Hert die Bruneau vigoreus reposteerde en we keren hem de rug toe, samen met de andere drie piloten van ons squadron, maar veel verder dan de bedrand geraken we niet. Mama Roos komt binnen, zegt dat ik in de keuken boterhammen moet smeren, voor opa en mezelf, terwijl daar niet eens tijd voor is want een mayday mag in geen geval genegeerd worden. De H-202 is down en als we niet snel zijn, wordt Guy straks gelyncht door die negers.      

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (3)

                              What am I, a doctor or a moon-shuttle conductor?       Hij komt, hij komt… “Be serious!” maant Nyota. “Your grandfather is very ill. There is no cure for this kind of traumas.”   Ik heb enkel wat chocolade gekocht. Niet eens in de vorm van een vliegtuigje. Het is een beer en mijn grootvader wijst naar het mes. Ik snijd zijn kop er af en hij wijst nog een keer. Het stuk met de berenlach is nog te groot, ik zet het mes dwars, scheid linker- van rechteroog. Jim opent de mond, ik stop er een deel van de kop in en hij knipoogt, hij knabbelt.   Straks komt hij wel degelijk en dokter McCoy is het niet. Wel een man van de oude leer, die niet snel beslissen zal over leven en dood. Hij zal geen extracten van de Horta toedienen. “Tot het zure eind dan”, zegt mama stil.     Buiten vriest het. De winter wil de nieuwe knoppen testen, maar de hortensia’s weten het : de laagste knoppen zijn het dapperst en moeder legt een blok hout op het haardvuur. Dokter X schrijft intussen een voorschrift uit, voor Xanax, tabletten van 2mg, zoals gewoonlijk. “In te nemen vóór het slapen.” Dat weten we en mama betaalt hem. “Bedankt voor de visite”, zegt ze en hij verdwijnt in de nacht.   Ik zet drie stappen op drie treden, open de deur van de voutekamer. Water schenk ik in en druk een Xanax uit haar blistertje, leg de pil op zijn tong en bied mijn grootvader het glas aan. Hij is recht komen zitten, neemt het doosje vast en zegt : “Wist je dat er aluminium in zit?”   Mijn hoofd schudt van neen en ik spreek stil : “Vliegeniers weten dat ze op hun aluminium kunnen vertrouwen.” Hij glimlacht, houdt nu het blistertje in de hand en zegt dat de kogels er zo door vlogen.   “Beter plakband dan pleisters. Toe drink nu”, fluister ik. Ik trek mijn pilotenoverall uit en kies een pyama die past bij koude sterren.        

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (2)

                               You knew enough — to tell Lieutenant Saavik                                                 that how we face death                                  is at least as important as how we face life.     Er zijn geen vaste dagen, maar vandaag ben ik geen luitenant en ik luister niet naar de naam Saavik. Als “Shoot to kill” klinkt, dan ben ik Kolonel Nithelet, dan sta ik op een landingsbaan in Ndjili en fluister ik, tussen de tanden, want het is geen officieel bevel.   Ik kan me inleven als een kameleon in zijn kleuren en daarom ken ik de volle betekenis van die drie woorden. Als je muiters beschiet die optrekken in de richting van Belgische troepen of landgenoten, zorg dan dat ze niet kunnen wegvluchten, anders verspreid het nieuws van onze aanval zich als een lopend vuurtje en staat binnen de kortste keren gans Neder-Congo in de fik.   Mijn grootvader Jim herinnert het zich maar al te goed. De para’s hadden het luchthavengebouw van Ndjili in handen gekregen en samen met Baudoin vloog hij patrouille in de omgeving, Baudoin in de H-35 en Jim in de H-23. Een camion met zwarte muiters reed in de richting van het vliegveld en als deze scene zich voordoet, zwijgen we allebei. We horen de mitrailleurs van de beide Harvards, maar ze missen doel en de vijand kan vluchten.   We landen en inspecteren onze toestellen. Dan is het altijd enkele seconden wachten. Grootvader kruipt in zijn schelp en ik word de razende Brigadier Generaal Gheysen die ons vuren hoorde. Schreeuwen doe ik niet, maar ik leg de nodige colère in mijn stem en zeg : “Espèces de couillons, vous allez mettre le Bas-Congo en feu et flammes.”   Die nachten slaapt Jim niet goed, niet de nacht 13 juli 1960 en ook niet deze nacht, die van 4 december 2004. We dromen allebei, maar mijn grootvader zweet daarbij aanzienlijk meer, en Bartje, die denkt het te weten waarvan ik droom : luitenant Saavik ontmoet haar. Eindelijk. Het is een buitenaardse wezen en heeft twee benen, drie schroeven.      

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (1)

Als er ergens een rode draad loopt, dan is hij meer dan vijftig meter lang, blauw als een veld met baby-ogen en met wat geluk keert de rust terug, komt er een einde aan de zoveelste oorlog.   Het is pas When The Saints Go Marchin’ In dat er echt te veel stof aan de naald hangt en ik blazen moet. Ik dep daarna de zweetdruppels die op zijn voorhoofd staan en ik vraag of hij recht wilt zitten, of ik water inschenken mag, maar hij reageert niet en het zal pas tien minuten later zijn, bij I Want To Walk You Home, dat hij zijn hoofd naar links beweegt, de ogen opent, dat hij een hand op mijn onderarm legt en uitputting een zucht vindt.   Fats Domino is geen piloot van een T-6A en weegt, voor hij een noot speelt, niet eerst af welk geschut hij zal inzetten, mitrailleurs met kaliber punt driehonderdendrie, één of meerdere van de zes rockets of de general purpose bommen. Zijn vingertoppen glijden over de onschuldige toetsen. Tonen komen uit zijn hart gestroomd, noten met een drive vol vrolijkheid. Zijn muziek heelt, probeert het tenminste. Ik ken vele frases uit het hoofd en dan bedoel ik die van mijn grootvader, Jim Kilroy. Zegt hij : “Diving sixty degrees, standing on the rudder pedals, pointing the nose on the target and...”, dan vul ik altijd aan met : “Shoot to kill!”   Nochtans heeft hij geen van deze woorden zelf uitgesproken, toen in 1960. De technische uitleg betrof het gebruik van de raketten en kwam uit de mond van Etienne, een ancien van de Tweede Wereldoorlog. De kortere citaten laat hij meestal aan mij over en soms gebruik ik zelfs afkortingen, zeg ik enkel “S-T-K!”. We hebben een taal ontwikkeld die enkel wij twee volledig begrijpen. “Yes! S-T-K!” herhaalt hij en als ik op een dwaze dinsdag zeg dat het niet staat voor Steve Kirsch of Satellite Tool Kit, dan glimlacht hij voorzichtig, dan verwijt hij mij geen gebrek aan respect. Hij sluit de ogen en probeert in te slapen.   De lakens waarin hij ligt zijn lichtgrijs omdat er weinig licht is in de kamer. Ik weet dat ze het proberen, om wit te zijn, maar de rode draad is dus blauw! Zoals het hoort. Hij loopt door twee levens, die van mijn grootvader, Jim en van mijzelf, Jonathan Van Hyfte. Door het het leven van mijn vader, Franky Van Hyfte, loopt de draad niet. Dat was niet zo en dat kan nu ook niet meer. Mijn moeder Marie-Rose Kilroy kent de draad wel maar hij loopt over haar buik. Ze weet hoe de garens voelen, maar kent niet de vele frases, noch de vele details van alle nare dromen, want mama slaapt in een kamer boven de living. Ik daarentegen slaap in grootvaders kamer, in onze kamer, een voutekamer boven een kruipkelder.   Zelf zal ik nooit alleen slapen, en piloot worden, dat wil ik niet, maar ik weet hoe het voelt, om een vliegend doelwit te zijn, om na de landing het aantal gaten in de romp te tellen. Ik weet precies hoe veel er zijn en ik ken zelfs het geluid dat het aluminium maakt als ik met de onderkant van de linkervuist onze Harvard T-6A een klopje geef, uit dank. Hij heeft ons teruggebracht en we leven nog.        

Bernd Vanderbilt
0 0

De wraak van het kleine (slot van deel 6)

          Niets brandt beter. Dan frietkoten. De leegte van de hemel. Goden in de hel.       Ik feliciteerde Alfred, met zijn culinaire creativiteit. De groentenburger was groener dan het vel achter mijn oren en dat wil iets zeggen.   Ik feliciteerde hem ook met zijn frietkot, dankte hem voor zijn vriendschap, voor de openheid die hij getoond had, toen hij voorgelezen had uit zijn ‘Wimpie in Wonderland’.   Ik stond op het punt om ook Igance te bedanken, maar zo ver kwam het niet. Een witte sleurbak kwam het grint voor het frietkot opgevlamd, trok de handrem en parkeerde zich tussen twee slakken.   “Wat krijgen we nu?” riep Alfred en we haastten ons naar buiten. Ze stapte uit, zonder rijbewijs, zomers gekleed (ook al was het februari) en stak twee handen in de lucht, maakte tekens van victorie en blijdschap.   “Wat een coole kar, Lotje”, zei ik, “waar heb je die gekocht?”   Het was oldtimer, een witte Golf GTI en ze gooide drie spuitbussen, één in de richting van Ignace, één naar mij en een kleiner model in de richting van Alfred.   “Ik wil een rode streep in het midden. Het moet een Poolse tweekleur worden”, riep ze en haalde plakband uit de koffer.   Wij zijn brave jongens en gehoorzamen. Na een half uur was het klusje geklaard en ze vloekte : “Cholera! Dat is niet rood! Dat is oranje!”   Ik probeerde haar te kalmeren en te troosten : “Dat komt vast door dat rare licht van de zon vandaag. Ze straalt beige, als mayonaise. Of het is die gele glans van de laffe mensheid.”   “Foert”, zei ze en we gingen samen het frietkot binnen.   “Dit is de laatste dag”, sprak Alfred weinige ogenblikken later. “De tragiek van deze plek leefde al in de naam van mijn friterie,” en we hieven blikjes. We aten de laatste groetenburgers op en verscheurden één en ander.   “Wat ik nog wilde weten, Ignace”, vroeg ik, “als die Florimond Wittebolle de nonkel is van Wimpie en Roeland Wittebolle jouw neef… dan ben jij ook de neef van Wimpie?”   Ignace knikte en zei : “Ik moet ervandoor” en hij knipoogte naar Lieve Lotje die hem aan de arm trok, hem meezoog in haar witoranje GTI. Ze startte de motor en weg waren ze.   “Allicht naar een Delhaize”, zei Alfred. “Zeg, Alfred”, ik wilde het weten, “is het goed afgelopen met Wimpie?” “Wim is groot geworden, ligt minder wakker dan Ignace, jij of ik... al dreigde het twee jaar geleden verkeerd te lopen.”   “Hoezo?” vroeg ik. “Als hij op een dag erachter kwam dat Walter Remysen in Zeebrugge een appartement had… Hij stond daar. Op een vrijdag in januari. Aan die voordeur. Met een mes in de hand.”   “En toen?”   “Ignace kwam net op tijd, nam het mes uit zijn hand en zei : ‘Ik weet het, Wim, het was niet zomaar een hond, niet zomaar een kat, maar ga alsjeblieft naar huis’, en Wim keerde terug op zijn stappen.”   “En die nonkel Wittebolle?” vroeg ik. “Die leeft ook nog”, zei Alfred. “Over het lot van Florimond beslist enkel Roeland.”   Ik zweeg en hielp. We goten jerrycans leeg. Benzine. Staken het frietkot in de fik. We stonden nog even te kijken, Alfred en ik.   Ignace… die was zijn stiften vergeten, maar ze gingen niet op in die vlammen. Ze zaten in mijn plastiek zak en ik was al onderweg, naar het zuiden.   En Alfred frietkabouter, hij lag daar goed, in diezelfde plastiek zak. Hij sliep. Op een zacht inlegkruisje.                                       met dank aan Lotje voor het inlegkruisje                    ook een grote merci aan Bartje voor de vele illustraties           laatste bladzijde van  'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Twankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
54 0

De wraak van het kleine (2)

                     Ik slaap nergens graag. Niet in een smulbox. Niet in een kooi.       Alfred bracht me een smulbox. “Heb ik niet besteld”, zei ik hem. Mijn stem klonk allicht nog wat geërgerd. Ik had zo veel uren gestoken in het oplossen van dat enorme anagram, en nu… nu leek het een mengeling van halve waarheden en verzinsels.   “Van het huis”, zei Afred en ik deed het doosje open. “Een nieuwigheidje van me. Eigen preparaat. Een groentenburger. Proef tenminste.” “Ook bedankt voor het potje zure uitjes”, antwoordde ik.   “Denk je nog steeds dat er veel rammelt aan het anagram?” vroeg Ignace. “Eerlijk, Ignace, ik weet niet wat ik moet denken.”   “Feit is wel dat Walter Remysen op 9 januari 2015 een kogel door de kop kreeg. Officieel was het zelfmoord. Maar daar geloof ik niets van.” zei Ignace. “Wat denk je dan dat er gebeurd is?” wilde ik weten. “Men vreesde een lek… hij was uiterst labiel geworden. Daarom… voor de zekerheid… een eeuwig zwijgen.” beweerde Ignace. “Wat zou hij dan lekken?” vroeg ik. “De grootste dofpotoperatie van de twintigste eeuw,” zei Ignace. “Voor de dioxinecrisis zag veel het daglicht nooit.”   “Ik kreeg een eerste vermoeden,” zo ging hij verder, “toen mijn neef, Roeland Wittebolle, vertelde, dat zijn vader, die Florimond, die noodslachter uit Dudzele, maanden lang, elke nacht weg was, met zijn Magirus, dat hij hoorde, hoe het werk verdeeld werd, over de telefoon. Duizenden varkens met de ziekte van Aujezski moesten zo snel als mogelijk verwerkt worden. Ze werden ‘s nachts door mannen als Florimond opghaald.”   “’Noodslachters’ is een groot woord”, zei Ignace. “Het waren zelfstandigen met een vrachtwagen, een stok, wat touwen en een mes. De zieke beesten voerden ze naar kleine slachthuizen, zoals die van Van Hoornweder in Sijsele. Daar werden ze dezelfde nacht in worst gedraaid, in koteletten, in filets gesneden.”   “En mensen werden er niet ziek van”, merkte ik op. Ignace knikte en legde verder uit : “Dat herhaalde zich. Enkele weken was het iets rustiger, zei mijn neef Roeland, en toen begon het weer, nacht na nacht. Enkel varkens.”   Ik proefde van de groenteburger.   Tegen Ignace zei ik nat twee happen : “Alleen een hond stierf er aan, aan die varkensjeukpest, zo nu en dan, en als men in de supermarkt of bij een slager zijn beklag ging doen, dan trok men de schouders op, zei men allicht : Het kan van overal komen.”   “Er moeten wel supermarkten geweest zijn die hun leverancier daarover aanspraken”, vermoedde Ignace en zei dat de hoeveelheid besmet vlees die in omloop was, gigantisch moet geweest zijn, “Jaarlijks worden meer dan tien miljoen varkens geslacht in België. Eén procent daarvan zijn er al honderdduizend, of zesduizend ton.”   “En in die jaren was het allicht meer dan één procent” was mijn commentaar.   Ignace knikte en ik vroeg naar het anagram : “Wat met die Delhaize, Noppen en Vermassen?”   Hij antwoordde : “Die Vermassen was allicht slechts een verwijzing.” “Naar wat?” vroeg ik. “Naar de Bende van Nijvel natuurlijk” en Ignace legde verder uit dat die ‘Bende van Nijvel’ een fabeltje was. “Voor dergelijke misdrijven, waarvan de ware toedracht in de doofpot gestopt werd, moest toch iet of wat van uitleg verzonnen worden.”   “Een soort van bliksemafleider?” vroeg ik. Ignace nam een zuur uitje uit mijn potje en hij knikte : “Winkelketens die al te mondig dreigden te worden, werden gewaarschuwd, of denk je het toevallig was, dat alle aanslagen in supermarkten gebeurden, of op hun parking.”   “En die echte Reus,” wilde ik weten, “die van Aalst?” “Die was één van de hanglangers van Remysen.” “En Karel Van Noppen?” vroeg ik door. “Die werd vermoord omdat hij voor zijn schoonbroer, die Walter Remysen, altijd een oogje dichtkneep, als controleur. Maar bij vetmesters die niet tot de clan Remysen behoorden, deed hij dat niet zo gemakkelijk en werd toen omgelegd.”   Ignace nam een tweede uitje.       pagina twee van "De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

De wraak van het kleine (1)

                       Mensen zijn zwijnen. Varkens dieren. En Wimpie een jongen.     “Dan staat jouw blog vol met fake news!” zei ik tegen Ignace. Boos werd hij niet, hij glimlachte en antwoordde : “Ik schreef een dierenfabel, maar dan omgekeerd en gebaseerd op waargebeurde feiten.”   Hij nam nog een slok van zijn fanta en ging verder : “Het vleeswarenwinkeltje was een afvalcontainer bij de Fish Bone in Zeebrugge. Naast Noordzeekreeft met noedels serveerden ze daar Vlaamse klassiekers, zoals koteletjes met gekookte patatten en bloemkool in bechamelsaus. Als Wimpie zijn kat en hond niet vond, dan wist hij wel waar ze uithingen.”   En dat was rond die afvalcontainer van restaurant de Fish Bone. Twankie Wankel, de kater met twee achter- en één voorpoot, sprong erin, graaide er wat graten en botten uit en ze aten daar, kat en hond samen, van de restjes.   Later, op een doemdag, lag Twinkeltje daar, op de mat bij de De Wandelaeres. Ze had koorts, krabde zich het lijf haast stuk en nonkel Wittebolle, Florimond, noodslachter van beroep, de Beul van Dudzele, kwam langs, zei tegen vader De Wandelaere dat het duidelijk was. Varkensjeukpest! Hij nam een mes en sneed zonder pardon de hond de keel over.   “Dat spaart een rekening van de veearts”, zei nonkel Wittebolle en Wimpie liep weg.   Toen Florimond het huis van de De Wandelaeres, in de Noordhinderstraat te Zeebrugge verliet wond Twankie Wankel zich nog rond de rechterlaars van Florimond. Nonkel Wittebolle gaf het beestje een schop en het vloog op de straatstenen. Een Mercedes 300S kon niet op tijd remmen… Ook voor Twankie Wankel was het die dag ‘over en uit’.   Dat Wimpie niet dom was, dat wist men op school. Hij las in een bibliotheek alles over varkensjeukpest, vond de varkensbotten bij de container, wist hoe laat het was en hij wachtte. Zo vaak als hij kon hing hij daar rond, in de buurt van het restaurant, tot op een dag… Het was een witte vrachtwagen met rode letters. Vlees kwam de chauffeur leveren. Geen vis. Dat maakte het opschrift op de Scania meer dan duidelijk en toen vroeg hij het aan de chauffeur :   “Kan ik bij U ook koteletten kopen voor mijn mama?” De man in het wit wreef hem door de haren en sprak : “Mijn jongen, in één bak zitten er honderd. Dat is allicht wat te veel. Het vlees van Walter is niet voor Jan met de pet.”   “Ze heeft een restaurant!” Wimpie bleef aandringen. De chauffeur gaf hem een visitekaartje en zei : “Dan moet je mama Walter bellen.”   ‘Walter Remysen’, stond op het visitekaartje, daaronder ‘vlees van de beste varkens’, ook nog een adres en een telefoonnummer.   Wimpies onderzoek was nu compleet. Hij kende ze nu allebei. Florimond Wittebolle en Walter Remysen. De moordenaars van zijn Twankie Wankel, van zijn Twinkeltje.       eerste pagina van 'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (slot van deel 5)

           Wees op je hoede. Frietkotslak. De gang is lang en droog. Zo sprak de haas.       Er was veel dat niet klopte. Geen specht op de bast van een zilverberk. Geen hamer op het aambeeld van een ijzervogel en evenmin het anagram, het rammelde.   Want de wapens klopten niet. Walter Remysen kreeg een kogel door de linkerslaap. Dat is een feit. Een mes? Een wiel? Elke brave ziel kon zien dat er iets scheef zat, dat het rechte pad niet naar de waarheid leidde. Bovendien, wat de moord op Twinkeltje betrof, was ik geen sikkepit wijzer geworden en waarom Twankie Wankel niet meer leefde, dat wist ik alsnog evenmin.   Ik dronk een Pale Ale, peuterde kruimels uit de plooien van de zetelstof, probeerde in te slapen, maar het lukte niet. Er waren nog drie flesjes nodig om mijn hoofd te doen verlangen naar een sober bed.     Te lang slapen doet de troost op kerkhoven. Het was elf uur en ik stond op. Poetste mijn tanden en twee schoenen. Ik vertrok weer richting noord. Het pad was nauwer dan voordien, te klam de lucht.   “Het klopt niet, Ignace!” waren mijn woorden toen hij binnenkwam. “Een mes? Een wiel? Daarmee werd Walter niet vermoord! Er zat een gat in zijn kop! Van een kogel!”   Ignace reageerde niet, bestelde geen 7up meer, vroeg een fanta en ook Alfred keek me aan alsof ik een schaatsenrijder was die de dikte van het ijs niet vertrouwde.   “Alles klopt”, zei Ignace, “alleen ben je er nog niet. Je vergeet te veel de kleinigheden. Heb je alle mieren op je pad geteld? Heb je geluisterd naar de adem van de kikkers in het winterbos?”   Ik schudde het hoofd. Ignace bestelde een 7up voor me, trok een stoel aan zijn tafeltje achteruit. Hij zei : “Zet je neer, jongen uit het blinde zuiden.”   Ik zat daar, mijn handen plat op de tafel, de vingers gespreid als poten van spinnen die zich strekken in een web dat niemand ziet. Ignace klopte met zijn linkerhand op de rug van mijn rechterhand en zei :   “Twankie Wankie was een kater, had drie poten. Twinkeltje, dat was een hond. Ik noem het maar een meisjeshond, omdat ‘teefje’ anders klinkt.” “Van wie?” vroeg ik. “Van Wimpie”, zei Alfred die bij het tafeltje was komen staan. “Het waren de ouders van Wimpie, van Wim De Wandelaere. Zij waren het die wel eens een grapje maakten toen ze de hond en de kater niet op hun matje zagen liggen. Dan vroeg Wimpies vader : ‘Waar hangt hij nu weer uit, onze Antoine De Wandelaere?’ Mama Lippens voegde er dan altijd met een glimlach aan toen : ‘en waar loopt zij nu rond, onze Wilhelmina Lippens?’, waarmee ze Twankie Wankel en Twinkeltje bedoelden.”   “Een hond en een kat?” en ik trok ogen als een vuurvlieg die verrast werd door een zon. “Een hond en een kat”, herhaalde Alfred die naar zijn kuipjes liep. Twee kaaskroketjes werden bruin.   “En de kat heeft de hond vermoord met een mes en een wiel?” vroeg ik vol ongeloof.   Ignace schudde het hoofd en nam een slok van zijn fanta.       derde en laatste bladzijde van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (2)

                                     Groen mos lijkt geel. Voor gouden vogels.                                Gouden kanaries lijken groen. Voor gele parkieten.       “En?” vroeg Ignace ‘s anderendaags om twee na twaalf. Ik glunderde. De dader was komen bovendrijven, had een schotwonde, maar was het zelfmoord? “Die Y hielp me meer dan ik aanvankelijk verwachtte”, zei ik.   “Wie is het?” vroeg Alfred, die vleesblokjes op een stokje stak.   Fier als een gouden pauw sprak ik ; “Die ZUS is de zus van Karel Van Noppen... en ik zag het op Google Street View. Ze woont in een villa met naast de deurbel, bij die poort, dat naambord 'Familie REMYSEN' en dan hield ik nog over : G L D W A T E R O. Gold en Water zijn geen voornamen. GOD ook niet, maar WALTER wel!”     Thuis, ik had een Mort Subite uitgeschonken in een helder glas en gelezen had ik. Veel. Op het internet. Dat Walter Remysen de schoonbroer van Karel Van Noppen was. Dat die Walter een notoir crimineel en vetmester was, of beter : geweest, want hij stierf in de nacht van vrijdag 9 januari 2015, in zijn appartement te Zeebrugge.     “Ik denk dat de spilfiguur Walter Remysen is,” zei ik tegen Ignace. “Hij pleegde zelfmoord, twee jaar geleden.”   “Ja, en duidelijke sporen van inbraak of ander geweld waren er niet geweest. Hij lag daar, in zijn zetel met een gat in de linkerslaap”, sprak Ignace die het onderste lijntje woorden volledig maakte :    V E R M A S S E N    J E Z U S   W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    W I E L   D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E     W A L T E R    R E M Y S E N     G O D   “Die ZEE verwijst naar Zeebrugge en die GOD staat voor spilfiguur!” verduidelijkte Ignace.   “En Vermassen denkt dat hij een Messias is. Mest verspreidde de jeukpest… maar dat wiel... dat begrijp ik niet.” zei ik.   “De betekenis van dat wiel begrijpt je onderbewustzijn wel”, zei Ignace en Alfred knikte.   Lieve Lotje kwam binnen, met een schat van een muts op haar hoofd en in haar Poolse armpjes droeg ze een kattenjong.   “Weggelopen!” zei ze. “Allicht voor een hond.”       tweede pagina van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
38 0

Rafeltjes en fabeltjes (1)

                                   Blijdschap is een vloed. Van zonnetranen.       12h00 en ik was blij. Toen hij kwam binnengestapt. “Dag Ignace”, zei ik. De fameuze B3 werd weer op het tafeltje gekleefd. “Heb je goed geslapen?” vroeg ik en Ignace antwoordde : “Als brokken na een donderslag. De maan heeft me gelijmd.”   Alfred bakte voor Lotje eerst een curryworst speciaal en bracht ons daarna twee 7ups.   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   “We hebben er nog altijd achtendertig over”, zei ik tegen Ignace. “Suggesties?” vroeg Ignace. “Ik ben niet zeker of er maar één wapen is” opperde ik. “Wat voor wapen dan?” wilde Ignace weten.   “Een WIEL!” riep Lotje. “Wielen zijn verschrikkelijke moordwapens!"” Lotje speelde de curryworst binnen, ze trok haar geelgroene sokken op en zei : “Ik heb een droge keel. Ik ga elders vodka kopen.” Ignace schudde de kop, maar schreef toch op : WIEL   “En wat nog?” vroeg hij me. “Bij VERMASSEN dacht ik direct aan de Bende van Nijvel, maar we hebben geen B”, zei ik “En ook geen C voor Colruyt”, was de reactie van Ignace. “Doe dan DELHAIZE", was mijn voorspel en hij schreef op : DELHAIZE   “Eén ding begrijp ik niet”, zei Ignace, “waarom kozen ze altijd een supermarkt uit. Hoeveel mensen lopen daar rond, in een grote supermarkt misschien honderd, in een kleine twintig. Waarom ze geen doel kozen dat echt symbool stond voor links, of een groter doel, een luchthaven bijvoorbeeld. Er moet ook een link zijn met die supermarkten.” Ignace klonk overtuigd.   “Welke link dan?” vroeg ik. “Denk na!” zei Ignace. “Wat wordt in een supermarkt verkocht dat gelinkt kan worden aan een criminele organisatie?” Ik trok ogen als een struisvogel en kon niet antwoorden. “Vlees!” zei De Reus. “Jij had toch Aujezsky opgezocht, niet? Las je toen niet dat de mens er weinig last van krijgt, als hij vlees besmet met de varkenspest eet?” “Klopt!” en ik stelde voor in die richting verder te zoeken… “Dan moet inhet anagram toch iets staan dat te maken heeft met die vleesmaffia.” “Proberen we KAREL VAN NOPPEN?” stelde ik voor. “We hebben geen K en ook geen V meer”, zei Ignace en hij schreef op, in het rood : NOPPEN. “En wat doen we met die OPEN WATER MOZES?” vroeg Ignace. “Aan RODE ZEE dacht ik, GOD misschien.” “Beide tegelijk kan niet. Bij NOPPEN gebruikten we de voorlaatste O. Er is er nog maar één over.” “Dan doen we enkel ZEE”, stelde ik voor en Ignace schreef op : ZEE   Met een zwarte stift vulde De Reus van frituur De Bosbrand het rijtje met woorden waarvan we dachten dat ze tot de oplossing behoorden, verder aan :   V E R M A S S E N     J E Z U S    W A P E N     J E U K P E S T    M E S T    W I E L  D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E   Wat we nog overhielden was :   R S Y G E E L D W A T E R M O S   “Geel water mos”, zei ik. “Die volgorde is toevallig”, sprak Ignace. “Betekent vast niets.” “Ignace, de naam van een spilfiguur moet nu toch stilaan zichtbaar worden.” “Misschien,” zei hij. "Kijk hier, in het anagram stond WANT ZUS SVEN MARS... zus van Vermassen?” “Het kan de zus van eender wie zijn,” sprak Ignace. “We laten het voorlopig zo.”   ‘Geel water mos’, herhaalde mijn hoofd en Lieve Lotje kwam het frietkot binnen, met in de linkerhand een fles Belvedere-vodka. Haar haren hingen als gouden dweilrafeltjes over haar schouders. Er vielen heilzaam veel druppels, meer dan een regenputje slikken kan.       eerste bladzijde van "Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Wimpie in Wonderland (slot van deel 4)

                 Niets gaat trager. Dan het sterven. Van een levendige pijn.       Ze leek nijdig maar was mild, het Poolse meisje van zestien. Neen, van haar zoveelste kippenschnitzel wilde ik geen stuk.   Ignace lag thuis knock-out en Alfred, hij mocht fier zijn op zijn oeuvre, zijn verhaaltje klonk me in de oren als een vliegtuig zonder roest.   Lieve Lotje uit het dorpje Leba aan de Poolse kust was naast me komen zitten. Vier van onze oren hadden geluisterd naar Alfred die voorlas uit zijn tekstjes op dat onbevlekte frietpapier.   “Gelukkig. Het is kalm vandaag!” zei Alfred, want het was weer zo’n dag die een gans volk hypnotiseren kan. Alle schermpjes aan voor een man of elf. De knop in het hoofd staat bij de meesten dan op vaderland zonder fabeltjeskrant, en dan lijkt het alsof dat echt kan bestaan een natie, alsof ik me echt ergens anders moet voelen als ik één stap over een krijtlijn zet die iemand ooit getekend heeft, ergens tussen Eede en Strobrugge.   ‘Mijn god, wat ben ik blij dat ik dít landje hier gevonden heb, die paar vierkante meter, binnenin een frietkot, waar geen vlag hangt en geen geur van onderscheid tussen de kleuren van een kop of wimpel’, dacht ik bij mezelf.   “En hoe eindigt het met Wimpie?”, vroeg Lieve Lotje. “Ik weet het nog niet?” zei Alfred. “Veel gaat snel voor velen, traag de tijd voor anderen en tragisch is het ook voor blinden. Enkel zij die ogen sluiten, schijfjes bloedworst op de lenzen kleven, denken zo, dat het echt kan, om weg te kijken.”   “En hoe verging het Wimpies hond en kat? Vertel het, mily gnom!” wilden Lotjes ogen.   “Wat ik weet...” en Alfred vertelde, dat alles groeit, omhoog, opzij, opzij, zelfs in een poppenstoet groeien reuzen met de tijd, want nat papier-mâché het zwelt, hun kop wordt dikker en dikker en met de tijd barst alles.   Wimpies hondje stierf al na een jaar of twee. Meneer Wittebolle zei : zo gaat dat, man. En ook de kat, helaas, die leeft niet meer. Een baan is soms te breed, een wiel te snel en Wimpie nam een schop. Dat rood moet van de weg, zei mamalief.   Er zijn nu putten overal, ook in die tuin, met kruisjes, scheefgezakt.       Alfred zweeg, vouwde zijn frietpapieren dicht en legde ze onder een veel te grote pot met zure uitjes.   Hij sneed wat hartjes uit patatten en we aten samen, met ons drie. We dachten aan Ignace terwijl een voetbal rolde, ergens op het gras.       derde en laatste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
18 0

Wimpie in Wonderland (2)

                                  My dear dodo. Wake me up. Before you go-go.       Er gebeurde niets. Alfred zei : “Hier zijn je kroketjes. Ik wist dat je ze ging vragen. Ze lagen al in een mandje.” “Te bronzeren. Dank je”, zei ik en hij las verder over Wimpie, “dat het al gauw krioelde rondom Wimpie, van de beestjes en de animale wonderen.   Als ik begin vanuit de grond, dan zijn het zachte mollen, visjes in een regendruppel, gouden, zwarte exemplaren, rare evers, roze kevers in een pantser van plastiek. Je weet niet wat je ziet, noch wat een mens onthouden kan, diep in dat gat van de vergane tijd kropen er wormen, darmenloze kleine wezens keken door hun bolle ogen naar de lucht waarin ze vlogen, vogels slank en breed, sneller dan een pijl, die ene trager dan een slak. Hij valt. Denk ik. Die reiger heeft te lange poten want het water is niet diep. Ik loop er zomaar door. De kikkers ze geloven niet dat ik niet zwemmen kan. Neen want straks. Dan leer ik het, van een gewone dikkop die zijn staart schenkt aan een lam dat zo graag kwispelt.   Ik wil een hond die naast een kat wil slapen en ze kwamen, afgelopen, remden net voor ik ze vangen ging, mijn armen stonden open om te vliegen. Molshopen zijn bruine duinen, wist je niet dat er in deze gaten pijltjes zijn getekend, in de wand gekrast zijn de symbolen, heel eenvoudig, door een kind als ik is dat in één twee drie ontcijferd en ik weet het waar ze wonen, al mijn dromen schuilen in een nest diep in de grond.   Ik streel mijn hond, ik aai mijn kat, omdat mijn handen niets vergeten, weten waar waar het kriebelt bij die beestjes, als ze sterven wordt het stil, soms veel te stil, maak ik een kruisje met twee stengels van een plant die vond dat al dat groen te zwaar geworden was.         pagina twee van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Wimpie in Wonderland (1)

                        Elk jaar wordt het maart. Is er taart met februarilijkjes.     De tijd staat niet stil. Soms wil hij vooruit en op een dag, dan valt hij een diepe put. 'Unten im Loch der Zeit' is er een tunnel, die alles kan terugvoeren. Afvalwater, verdwaalde regendruppels, lange seconden en malle uren.   “Dit voorspelt narigheid”, merkte ik op. “Hou je snavel, grijze kinkelkraai”, zei Alfred op dezelfde verteltoon waarmee hij begonnen was.   Wimpie is het. Vaak verstrooid. Heeft wel duizend schrammen van het vallen, probeert het en soms lukt het, kan hij zich vasthouden aan de lianen van vergeten braamstruiken.   Roodsel. Dat is er genoeg in huis en hij wordt vaker dan je denkt een indiaan. Het bruin komt van de zon, het rood, dat is gewoon ontsmetting uit een flesje met pipetje. Het is mercurochroom en hij loopt, blijft het proberen, op de klinkers van de paden.   Wegeltjes kronkelen ertussen, tuintjes zijn het van die keuterboertjes en hij kent de kleuren. Wimpie weet het. Rechtsaf bij de roodpaarse kolen, links bij die groenrode stengels van rabarber, rechtdoor bij het wuivend loof van wortelen, twee keer links, zo rond de bonenstaken en dan altijd maar, nog verder, nog, tot aan tomaten rood als bloed en in de verte rijdt het, als een monster op ijzeren wielen, een treinding op een berm waarachter ze verdwijnt. Die zon. Ze doet het elke dag.   En je weet hoe dat gaat. Er wordt een tuinbadje gekocht, een fototoestel, de slang is voor het water en ijsjes druipen over bovenlichamen van kinderen, mijn god, ik wil het, werd het maar weer zomer, zo’n zelfde oude zomer als weleer.   Dan komt het. Het wordt maart. Hazen graven nieuwe holen, dieven van de winter nieuwe gangen voor het koude zilverwerk en Wimpie groeit. Je ziet het. Alle foto’s worden groter, lenzen, messen scherper. Wimpie snijdt zijn eigen brood en vingers bloeden zelden langer dan één zielige minuut.   Er zijn vaders en er zijn moeders. Je hebt er die dingen kopen, je hebt er die onzin verkopen, je hebt er die beesten verzamelen, een kuikentje voor Wimpie, gansje wit voor moeder en de papa wilde altijd al een echte bok met horens lang, krullend haar tot op de grond.     “Geen frietjes vandaag”, onderrbak ik. “Doe mij vandaag liever van die ronde kroketjes. Zijn er nog?” “Hou toch je kop”, zei Alfred. “Ik ben aan het voorlezen.” “Voor straks, een partijtje croquet spelen, op dat lapje daar, in dat verloren gras.”   Hij kwam naar me toe en ik dacht : nu gaat het gebeuren. Eindelijk. Word ik de nek omgewrongen. Door een getuige van de onschuld.         eerste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (slot van deel 3)

                       Als het regent. Wassen zelfs de slakken zich. In onschuld.       Intussen had ik een iets groter schriftje, een B5, waarin ik honderden woorden opschreef, alle met letters uit die resterende zesenzestig letters.   Ik schonk me thuis een gordon scotch in (later nog een paar). Ze kwamen van bij de Colruyt, vijf euro vierennegentig cent voor zes flesjes. Na vier flesjes en vierhonderd worden gaf ik er de brui aan en kroop in mijn nest   Morgen. Eerst het vaste wandeltochtje langs slakken en kruipplanten, een kleintje met mayonaise bestellen, ook een 7up en dan zie ik wel. Wat we nog uit die letterreeks kunnen peuteren.   Mijn ogen waren lam van de letters en wilden zo snel mogelijk slapen.     En omdat de zon het wilde, werd het weer licht. Ik stond op, zette de lege Gordon Scotch-flesjes in de wachtende bak van plastiek, at een boterham met muizenstront en kleedde me aan. Ik had me overslapen en het was al kwart na elf. Het is een half uur stappen naar de frituur van Ali F.!   Ik was er om vier voor twaalf, trok het deurtje open en groette Alfred. Hij beet op een balpen, schreef even later iets op een vel frietpapier en legde de stilo weg. Hij bracht me alvast mijn 7up.   “Ik wist niet dat je schrijver was”, vroeg ik hem en hij grinnikte. “Verhaaltjes.” Meer zei hij niet. Het werd twaalf uur. Twee na twaalf. Twaalf na twaalf.   “Hij komt niet elke dag”, zei Afred, “soms heeft Ignace het lastig.” “Waarmee?” vroeg ik. “Hoe zal ik het zeggen…. Soms flipt hij.” “Wordt hij dan gevaarlijk?” Toen ik het gezegd had, voelde ik het al.   “Hahaha… gevaarlijk! Dan wil hij alleen maar in de grond kruipen. Hij heeft me het ooit eens verteld. Dat hij zichzelf dan een spuit geeft, knock-out gaat en een dag of twee niet uit zijn bed komt.” Ali schepte mijn portie frieten, draaide wat aan de knop van één van de kuipen en liet een mandje zakken.   “En dat schrijven van je, Alfred… wat schrijf jij dan?” vroeg ik. “Curieuzeneuze-en-vragesterretjes” was zijn antwoord en hij lachte weeral. “Horror? Porno?” Ik daagde hem wat uit en hij zei : “In ieder geval geen kinderkutverhaaltjes.” “Gij zwanzer”, reageerde ik en toen ik mijn bakje frieten van op zijn kleine koeltoog nam, griste ik het vel frietpapier mee waarop hij geschreven had.   “Ze zijn goed gebakken. Zo heb ik ze graag”, zei ik, “en Wimpie? Wat bestelt hij normaal?” “Gij smeerlapje”, riep hij toen hij zijn geschrijf onder mijn bakje frieten zag liggen. “Wimpie is de zuiverste ziel van de ganse zuivelwereld”, zei Alfred. “Is zijn vader dan melkboer”, vroeg ik. “Wimpie heeft geen vader”, en Alfred zweeg.   Ik ging niet verder in op ‘Wimpie’ en vroeg enkel nog hoe het schrijven vlotte.   “Als inktslakken die verdwalen bij motregen. Nog beter als het begint te gieten. Dan valt er al na een kwartier niets meer te lezen.”   Dat waren de woorden die hij sprak terwijl hij vleesblokjes, ajuin en paprika (alles zat op een stevig stokje) voorzichtig in een mandje legde. Het was voor een mankende man.     derde en laaste bladzijde van 'Uitgelezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (2)

's Anderendaags zaten wij daar weer, in frituur De Bosbrand. Ik kwam altijd uit het zuiden toegestapt en Ignace uit het noorden.   Ik zorgde ervoor dat ik er altijd om vijf voor twaalf was en Ignace moest ergens onderweg zijn stappen tellen en de snelheid aanpassen want hij kwam altijd precies om twaalf uur door de deur.   We plakten de fameuze B3 met plakband vast aan het tafeltje en staarden eerst samen naar de zesenzestig letters.   “En?’ vroeg Ignace. “Iets gevonden gisterenavond?” “Eén instinker, één ziekte en een moordwapen”, antwoordde ik. “Welwel… en dat is al?” Ik trok een dwaze kop en ging twee 7ups bestellen. Alfred zei dat het de laatste waren, dat we daarna frieten moesten drinken.   “Wat gaan we dan eerst schrappen?” zei Ignace. “Wat je zei, toen we die ‘die hete dieetmest uit Gdansk’ ontcijferd hadden… dat ze niet van Mars kwamen. Dus Sven Mars is niet van Mars en Vermassen ook niet.” “Dus SVEN MARS wordt VERMASSEN”, stelde ik voor. “Oké, als we die extra E elders halen, kan het.” zei Ignace. “Dat is dan toch al iets. Wat nog?” vroeg hij. “Dat het moordwapen een mes was, en dat hebben we afgeleid uit ‘dieetmest’.”   WAPEN – MEST, schreef Ignace op.   “En AUJEZSKY heb ik opgezocht… de ziekte van AUJEZSKY is de VARKENSJEUKPEST.” “Dan hebben we een probleem”, zei Ignace, “er is maar één K” “Ook andere dieren kunnen het krijgen, heb ik gelezen.” “Dan schrijf ik op JEUKPEST” en Ignace nam een rode stift. “En die jeukpest wordt allicht ook verspreid via de mest… dan moet MEST zeker in de oplossing staan!” besliste Ignace. “JEZUS heb ik ook gevonden”, zei ik, “want GEDEELDE WIJN staat er”   Alfred schoot in de lach : “Eindelijk bekeerd!” en tegen hij het Poolse meisje (ze bleef maar terugkomen) zei hij : “Neen, mijn schat, inlegkruisjes verkoop ik niet”, waarna ze een kippenschnitzel bestelde. “Ik dacht dat je vegetarisch was”, zei Alfred tegen het popje met de witrode kousen. “Ty naiwnie gnom” zei ze, “en rol hem eerst goed plat, die lap vlees, zoals we dat in Polen doen.” Alfred had geen deegrol noch hamer en gebruikte dan maar zijn vuisten om dat lompje vlees in paneer op een vleespannenkoek te doen lijken. “Goed zo?” vroeg hij en het Poolse Lotje knikte.   Intussen had Ignace een zwarte stift genomen en begon een nieuwe rij woorden, onder die van het anagram.   V E R M A S S E N   J E Z U S  W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    Diezelfde letters schrapte hij in de oorspronkelijke letterrij en we hielden over :   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   Ik haalde mijn TI-30G boven en berekende hoeveel mogelijkheden er nog overbleven. “Nog achtendertig letters te gaan en faculteit achtendertig is ...euh... meer dan een septiljoen”, zei ik. “Toch al iets minder dan die vijfhonderdvierenveertig quindeciljoen”, en Ignace gaf me een schouderklopje.   “En hoeveel frieten willen de Einstein Brothers vandaag?” vroeg Alfred. “Ook zoveel?”   “Frietpaviljoen is geen getal”, zei Ignace.       pagina twee van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
19 0