Zoeken

Bloemetjesfauteuils

Ik heb nooit helemaal geweten hoe het kwam dat mijn grootvader zijn tenen verloren was. Op de plaats waar zijn voet had moeten overgaan in vijf aparte delen, flapte de neus van de kous naar beneden zoals de mouwen van een te warm gestreken overhemd. Als hij stapte, schoven zijn schoenen ongemakkelijk heen en weer. Ik heb hem eens gezegd dat hij beter een kleine maat kocht.   Het is niet zo dat hij ermee geboren was. Dat gebeurt, dat de menselijke ontwikkeling soms lichaamsdelen vergeet, maar op foto’s van de gidsen zag ik hem op een omgevallen boom, een blonde jongen met een glimlach, een coltrui en een beige broek, en in elke sandaal een voet met vijf bemodderde tenen.   Als volwassene werkte hij in de mijn, dus ik geloof dat ik wel eens gedacht zal hebben dat er een rotsblok op zijn voet gevallen was. En dat zijn makkers hem dan in een schacht naar boven sleurden tot er licht kwam en ze teneergeslagen achter zijn rug gebaarden: hopeloos.   Nee, schudde mijn grootvader* op het voorstel van de kleinere schoen, dan zou hij kinderlaarzen moeten dragen. Zijn trots was hij nooit verloren. Ik paste mijn voeten naast de zijne om na te gaan hoe hard ze van grootte verschilden. Dat was de eerste keer dat ik besefte dat tenen een aanzienlijk deel van je voet innemen.   *Hij was daar heel goed in, in nee schudden. Hij deed het langzaam omdat de spieren van zijn nek moeilijk van de ene naar de andere kant rekten. Een nee-schudding kon daardoor soms twee minuten duren, en dan was het wel duidelijk dat hij niet akkoord was.   De tweede keer dat ik dat besefte, was in het vijfde leerjaar, toen ik van een springkasteel viel, vier voetwortelbeentjes brak en zes weken een loopgips kreeg.   Ik kan me niet herinneren dat mijn grootvaders gebrek aan tenen echt een onderwerp was. Het was er gewoon, zoals de bloemen op de fauteuils waarin we naar Te land, Ter zee en In de Lucht keken, of de stukken appelvlaai waar niemand ooit nog plaats voor had.   Ik heb de voeten van mijn grootvader nooit zonder kousen gezien. Als hij pantoffels nodig had om naar de badkamer te schuifelen, moest ik die met gesloten ogen aangeven. Het was een belofte dat ik de littekens mocht zien als ik twaalf werd, maar toen was hij al dood en ik heb lang spijt gevoeld dat ik nooit stiekem heb gekeken.

Kristien Spooren
0 0

Geluk van ander licht (3)

                Stil papier houdt zich graag schuil. Liefst in de vorm van warm karton.       Dagen schoven voorbij als plateautjes aan de kassa bij een Lunch Garden, wolken met herinneringen aan een ijslamtaart en bakjes friet verkocht Alfred met mate. Het was rustig, daar in zijn frituur, ik kwam er graag en die Ignace Somers was zo gek nog niet. Op 28 december van het jaar 2016 liet ik hem zelfs mijn recentste A7-boekje lezen.   “Ik weet het niet”, merkte hij op, “...of het een goed idee is om de personages in je Zeebruggeverhaaltje namen te geven van echt bestaande wezens.” “Twinkeltje komt er nog niet in voor”, zei ik, “enkel een Twankie Wankel.” Ignace schudde het hoofd, beet zich op de lip en zei : “Het ligt zeer gevoelig. Twinkeltje was mij dierbaar, Twankie Wankel als een thuis voor eenzaamheid, een echte vriend.”   “Twankie Wankel? Die moordenaar?”, vroeg ik. “Antoine was zo schuldig aan de moord op Twinkeltje als Lee Harvey Oswald aan het doodschieten van JFK en James Owalds’ Prayer for the Dead zal ik nooit lezen, bidden evenmin, niet voor Twinkeltje, noch voor jou of Twankie, maar ik ben het zo zeker als de zonsopgang van morgen : Antoine doet geen vlieg kwaad.” “Deed”, corrigeerde ik hem. “...en mocht je het in je hoofd halen een romance, welke dan ook te verzinnen, weeg je woorden dan goed, want ik zal het lezen en niet mals zijn als je toon me niet bevalt”, zei Ignace nog.   Die dag heb ik niets meer bijgekrabbeld in mijn boekje, toch niet toen ik daar zat, bij Alfred en Ignace. Ik ben iets vroeger dan normaal vertrokken en was van plan, om thuis Liesbeth List wakker te schudden, op een eerlijke manier.     Onderweg kom ik Twinkeltje tegen. Ik vraag haar of ze niet dood is, en ze lacht : “Meisjes zoals ik, zoals Wilhelmina Lippens zijn er duizenden. Misschien met een andere naam, net zoals sterren met verschillende korstjes op een schaafwondje.” Haar stem klinkt lief en zacht, maar ze ziet er niet uit, in die tenu van grijze lucht en gescheurde najaarswolken. Ze draagt een gehavende broek, haar blik is ijzig, als vastberaden vorst die naar niemands pijpen dansen zal, die alle bekertjes met tranen, glazen met vergeten bier tot barsten dwingen wil.   “Heb je een plaatsje voor de nacht?”, zo vraag ik haar. “De nacht parkeert zich waar hij wil. Een jonge man moet weten wat hij vragen kan aan schaduwen met pijn en diepvriesoren.” Ze slaat een steegje in, ik loop rechtdoor, verder in de richting van een straatlantaarn die zoveel a’s nooit leggen kan al is het bord zo leeg als blanco letters.   Ik kom thuis, schik wat woorden voor een nieuwe liefde. Aan een einde denk ik niet. Dat laat oik ver aan mijn boekje, aan het zwart, de inktslakken, ze kruipen al, ik zie het niet, het glinsteren van weggekropen sporen. Ergens slaapt hij al, maar moeilijk, Twankie Wankel heeft zich al gehuld, in laagjes warm karton.       derde pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (2)

Positief ingesteld als ik doorgaans ben bestelde ik ook vandaag weer een 7up met daarbij een kleintje met mayonaise. “Voilà zie”, zei Alfred toen mijn bestelling klaar was en hij gaf me er een gratis potje toversaus bij. “Of voor de kindjes”, voegde hij er aan toe. Ik zei dat ik geen kinderen had, alleen een moeder (ook een achtergelaten vader) en ik legde alvast mijn A7-boekje klaar op ‘mijn’ tafeltje. Al vier bezoekjes had ik inmiddels gebracht aan Ali’s friettempeltje en telkens had die ene stoel mij kunnen strikken.   “Vandaag een rijmpje voor vadertjesdag?” vroeg Ignace. “Liever niet”, zei ik, “ik tob over een verhaaltje met gesukkel in Zeebrugge, iets met containers, junk yards, schroothopen langs een kanaal, roestrode lucht en mauve wolken”       Twankie ben ik, loop maar wat te dolen en mijn loden voeten wegen zwaarder dan de poten van een havenkraan. Er is honger, lang niet meer naar liefde, heel gewoon wat restjes, ergens vinden, winkels hebben altijd achterpoortjes, weet je. Ben je blind, doofstom en ongevoelig, God wat scheelt het, ruiken kan ik, waar ik zoeken moet.   Brood van gisteren, het was eergisteren het brood van morgen en ik proef ervan. Ik scheur het open, pakje hesp, ontdaan van vet en botten, varkensvel. Het smaakt gelukkig, echt naar geen beleg van oorlogssteden, zelfs niet eens naar rottigheid en de kartonnen dozen liggen hier vanboven. Dat is fijn want niets, geen vet noch bruine saus, is uitgelopen uit een barst, de potjes zijn, ik zie het, één voor één nog ongedeerd.   Ik leef en dat, het blijft nog even zo, allicht ook weer tot morgen, goed is het, als de containers waterdicht zijn, deksels hebben, koude sterrenhemels buiten houden. Twankie Wankie hoeft geen deken met te witte vlekken, morgenvroeg moet ik er uit, dan komt hij weer, die vrachtwagen die alles moeiteloos verslindt alsof de nieuwe dag een reus is met een walvismaag.       Ik klapte mijn mini-boekje toe. De 7up was kouder dan dag. Het werd twaalf uur. Geen koekoek sprong tevoorschijn uit een rijk met messing raderen en buiten stond een glascontainer.   “Zijn ze daar nu weer!”, sprak Ignace. “Wie?” want Alfred wil het weten. “Die mannen van Standard”, zei de Ignace De Langeflap.   Ik keek nu ook door het raam van plexi. Ik zag het Poolse meisje, flessen werpen, lege potjes saus. “‘t Was voor bij de alfabetspaghetti”, lachte Ignace die het altijd beter weet en het was Alfred die zich weer liet gaan, een schunnigheid verzon : “Ik ziet het. Aan haar licht gewrongen stap. Dat ze ook vandaag weer kruiswoordraadsels uit haar kutje bloedt.”       pagina twee van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (1)

                           Er zijn geen gebeurtenissen. Niets dat loszit. Valt zomaar.       “Fake news!” zie Ignace luidop. Hij zat er weer, op zijn vaste plaats, aan het tafeltje, links van de koeltoog en het was Alfreds transistorradiootje dat nieuwe feiten was beginnen uitkramen. Een radiostem had het over die nieuwe teelt, over dat organisme, dat het midden hield tussen planten en dieren, dat ontwikkeld was door de firma Sanomonto, die het catalogeerde als een omniglotoïde.   Planten kon men het niet noemen, omdat ze zich konden verplaatsen en daarbij sloot men de groep van de kruipplanten volledig uit. Ook dieren kon men het niet noemen. De omniglotoïdes beschikten dan wel over een primitief spijsverteringsstelsel en (slechts) één zintuig, dat van de reuk, hun weefsels waren voor het grootste deel plantaardig. Van een echt ‘wezen’ kon men moeilijk spreken. Ze voedden zich via hun vele tentakels, die eruit zagen als langgerekte kleine tongen. Met die tentakels konden ze zich voor lange tijd vastzetten in de bodem en de minuscule uiteindes konden voedingsstoffen opnemen uit de bodem. Wortels waren dat niet want ze verslonden ook de aarde waarop ze groeiden, waardoor er rond het organisme soms kleine verzakkingen ontstonden. Ze hadden ook een soort van strontgaatje, waaruit de verwerkte grond kwam. Hun eenvoudige spijsverteringsstelsel werkte echter niet met zuren en ook niet met bacteriën. Het was een gif dat voor de afbraak zorgde. Zelf waren ze vanzelfsprekend bestand tegen dat venijn, maar helaas niet de andere levensvormen die zich rondom de omniglotoïdes bevonden. Vele insecten, strontvliegen en kevers hadden aanvankelijk niet door dat de uitwerpselen van de omniglotoïdes giftig waren en stierven in groten getale. Of dit echt een probleem was? Sanomonto vond van niet. Het vergemakkelijkte de teelt, er hoefde niet gespoten, noch gewied te worden en het volstond om de omniglotoïdes (die gecommercialiseerd werden onder de naam Omigot) te koken om het gif onschadelijk te maken voor de mens. Je stak een portie Omigot in een snelkookpot, je voegde er wat suiker aan toe, en klaar was kees. ‘Buiten het bereik van kinderen houden’, stond op de pakjes Omigot. Gezinnen met kinderen kochten voor de veiligheid voorgekookte of reeds bereide Omigit en chef koks hadden enkel lovende commentaren. Ze spraken van ‘de truffelkaviaar van de 21ste eeuw’.   In het radioprogramma werd de vraag gesteld of in gekookte Omigot daadwerkelijk geen enkel gif meer aanwezig was. Een knappe bol kwam aan het woord en verkondigde dat hij vele tests uitgevoerd had met de omniglotoïdes van Sanomonto. Alle resultaten waren positief, in de zin dat na het koken geen enkele substantie meer aangetroffen werd in het gewas dat ook maar enigszins toxisch zou kunnen zijn en een chef-kok wist te vertellen dat Sanomonto al aan een tweede variante werkte, een Omigot 2.0 die tijdens het koken duidelijker verkleurde. Hij zei dat de kleur-na-koken nog moest gekozen worden en dat een panel van sterrenchefs inspraak ging krijgen. De kleur van een ingrediënt was immers uiterst belangrijk bij de presentatie ervan.   “Een gerecht met omniglotoïde kan het best op een vijfkantig bord geserveerd worden”, zei de presentator, “gezien de moderniteit van Omigot”, hetgeen de chef-kok beaamde met de woorden :  “Ja, zo doen we dat het best.”   “En nu is het tijd voor een plaatje”, zei de afgelikte radiostem en er weerklonk een liedje over een donker straateinde.   “Geen onaardig nummertje van Percy Sledge was dit”, besloot de stem, terwijl Percy’s laatste woorden ‘They gonna find us love someday’ uitstierven. Het leek alsof ze gesmoord werden in die miezerregen. Kleine druppels twinkelden op de golfplaten van het frietkotdak.       eerste bladzijde van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (slot van deel 1)

                               Als een haan kraait is de echo zelden van een kip     Of hij opschoot mijn speurtocht? Dat leed geen twijfel. Er was nu tenminste een vermoeden over het moordwapen (een mes) en aan de schuld van Twankie Wankel kon nu met reden getwijfeld worden.   Ik had alles genoteerd en vroeg aan Alfred om af te rekenen. “Je hebt al betaald”, zei het kleine frietbaasje. Ik stak mijn minischriftje in mijn binnenzak en maakte aanstalten om te vertrekken. “En wat krabbelt ons baasje zo allemaal in zijn boekske?” vroeg Ignace, die mij blijkbaar toch niet helemaal vertrouwde. “Eeuhhh…” aarzelde ik eerst en zei dan, “sprookjes, kinderverhalen”. “Bedoel je verhalen voor kinderen of kinderverhalen?” wilde hij weten. “Verhalen voor kinderen. Van acht tot achtentachtig.” “Gij kwast!” lachte De Reus. “En wat heb je vandaag neergeluld?” “Een rijmpje voor moederdag”, zei ik waarna hij zijn smoel scheef trok. “Zal wel… moedertjesdag… dat is zeven maand geleden.” opperde De Reus terwijl zijn kop van neen schudde. “Ja,” en Alfred ging zich moeien in ons gesprek, “een rijmpje voor de mama...? Lees het dan eens voor!”  “Voor volgend jaar is het”, maakte ik ze wijs, nam het A7-boekje uit mijn binnenzak, bladerde tot ik iets vond en begon voor te lezen :   oh hoendertje hoendertje hoendertjelief onder jouw vleugels is het fijn   oh moedertje moedertje moedertjelief ik heb voor jou iets meegebracht   ik jouw ukkie pukkie ukkepuk heb voor jou met wat geluk   het zijn er tel maar mee een stuk of acht   zoem zoem zoemzoem zoem zoemzoemzoem   ik ben zo klein ik vlieg je rond de nek en oren moet je horen   zoen zoen zoenzoen zoen het zijn geen bijtjes maar vijf kusjes   allemaal van mij ik ben het jouw kapoen     Ze begonnen allebei te klappen, Ignace iets luider dan Alfred, want ‘De Reus’ heeft immers flappen van handen en Alfred, die eerlijke smeerlap van een cervelaverkoper, brouwde er nog een vervolg aan :   ai ai ajajai mijn hoertje hoertje hoertjelief   hoe men het dan ook draait of keert ik heb te veel gezopen straks laat-ie weer een boertje boertje boe-boe-boertje   wees niet bang het is mijn beste vriend een haan vol zaad en lucht die zo graag logeert in jouw geile kiekendief     Dat Alfred gewonnen had, verklaarde De Reus en hij stond recht, zei dat hij nog commissies moest gaan doen. Hij keek eerst door het plexiglas, dan op zijn horloge en zei : “Nog een geluk. Ik geraak er nog. Zelfs droog en wel. Welke Delhaize wacht vandaag op mij?”         vijfde en tevens de laatste pagina van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
1 0

Over reuzen en scheve muilweters (4)

           De mensheid is lomp als een walvis. De zee is gelukkig. Stukken zachter.     ...en het werd donker. Wolken schoven voorbij. De ene wachtte op de andere om een dichte deken te kunnen vormen boven een koude mensheid. Auto’s schoven ook aan want overal waren ze, niet alleen in het centrum van de welvaart, ook aan de randen stonden ze vaak bumper aan bumper.   “Maar ze stoppen verdorie niet aan mijn frietkot”, zei Alfred die naar zijn schap met voorgebakken frieten keek en toen kwam er een schoonheid binnen, met roodwitte kousen. Ze stond daar, zo ineens voor die koelbak. Haar benen leken wel twee vuurtorens die binnen de kortste keren om die ene rosse kutkuif gingen vechten.   “Wat zal het zijn voor de mannen van Standard?” zei Alfred, die nooit verstand zal hebben van vrouwelijk schoon. “Euhhh… twee vegeratische cervela’s”, was haar antwoord. Ali moest zich even in de sik krabben en sprak toen : “Die daar, en die hier ook. Die twee zijn vegetarisch. Anders nog iets?” “Nie, ty dupek… maar, za Boga, alsjeblieft niet in olie bakken waarin vleesbouletten zwommen!” “Mademoiselle de kuisvrouw uit Krakow is precies ook niet van de gemakkelijkste”, riep Ignace. “Ja,” zei ze kordaat, “ik ben dé kuisvrouw. Er is geen betere. Vraag het maar aan Magda.” “Magda wie?”, riep De Reus. “Aelvoet. De Meyer. De Block”, sprak ze krachtig en fier. “Je vergeet de helft”, zei Ignace. “In gans Europa is de vloer nu proper dank zij u. Zelfs bij Maggie McGee, Mammie Thatcher en bij Magda Goebbels!” “Ook bij Magdalena Lesniak!”, zei ze terwijl ze in mijn richting keek, 'Schrijf maar op... ty glupi kocur!'  leek ze te gaan zeggen.   Intussen was er iets ontstaan voor de frituur wat men pas echt een file noemen kan. Stapvoets verkeer van Walibi tot in het walhalla. Voituren, ottobuussen en kamions. Ook een Poolse vrachtwagen. De nummerplaat begon met 'GD' en Ignace vroeg aan dé kuisvrouw wat er op de zijkant van die kipper geschreven stond :   Ze vertaalde vlotjes : “Zeer hete dieetmest uit Gdansk”   “En gij nu”, zei Ignace tegen mij, “allez, meneer de anagramateur. Probeert een keer.” Ik antwoordde : “Gij zot, zelfs de IQ-Kwis was maar met twintig letters. Dit zijn er 25, neen, 26 letters. Dat zijn dan meer dan één triljoen mogelijke permutaties!”   Alfred schudde zich weerom kop en baard, zei tegen die Poolse Maggie McGee dat het niet ging lukken met die cervela’s, dat in elk van de drie kuipjes al iets met vlees had liggen pruttelen. “Geef me dan een red bull”, zei ze en ging weer buiten. Ze trok het blikje open en fladderde weg met de wind.   Intussen had Ignace -ging er geen eind aan komen?- weer een B5 uit zijn zak gehaald en had daarop met bruine stift geschreven :   Z E E R    H E T E    D I E E T M E S T    U I T    G D A N S K   “Allez”, zei hij nog een keer, “gij daar met uw blikske 7up. Zet het in de juiste volgorde.” “Ik pas.” antwoordde ik zonder een pokerface te trekken. Alfred legde iets groens in koelvitrine en Ignace begon ‘te goochelen met de letters’, laat ik het zo noemen.   “En op welke dag was het dat Wilhelmina haast van de stenen geschraapt moest worden?” vroeg De Reus, daarbij zijn hoofd wat omhoog knikkend. “Weet ik veel”, was mijn antwoord. “Een dinsdag, manneke!” verklaarde zijn luide stem en hij draaide zijn papier, zodat ik het onderaan op zijn met bruine letters bestrooide blad kon lezen :   E.T.    T H E E    E E R    K U T    Z I E T    M E S    D I N S D A G   “Zie je wel,” zei De Reus, “het was niet om thee te drinken dat die marsmannetjes verschenen in het winkeltje van Wilhelmina. Het was een zaak van eer en ze kwamen op een dinsdag, op 11 september 2012.” “Marsmannetjes?” betwistte Ali, “iedereen weet toch dat het Twankie Wankel was die haar ganse lijf om zeep hield die dag.” “Dat ben ik zo zeker nog niet!” sprak Ignace en hij dronk nog wat van zijn fanta.       pagina vier van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
1 0

Over reuzen en scheve muilweters (3)

Ik zeg het nochtans elke keer. Tegen Willy en Willibrord. Dat ze niet met die taljoren moeten smijten. Dat zoiets geen geluk brengt. Alleen maar zeer doet. In mijn kop. Dan lachen ze. En zet ze ook niet te geweldig in de kast. Ik voel dat. Als borden mishandeld worden en daar onrustig van worden. Dan lachen ze nog meer.     De plannen van de gasnarwal met de nodige toelichtingen en technische details borg Ignace veilig op in de zak.   Wij zaten daar nu. Ignace en ik toch. Alfred stond de ganse tijd recht. Ik denk dat er achter zijn koeltoog een verhoogje gemaakt was. Of het hoog genoeg was (en is), dat betwijfel ik, zeker als er een peuter komt die een biggy burger wilt en Ali F. zich dan helemaal over die koeltoog moet plooien om het warme vleesding in de pollen van die minderjarige te steken met de woorden : “En wil je nog een snoepje?”   Dat lukt hem nooit. Hij moet zich dringend eens laten kraken en rekken bij een arrangeur van lange liedjes. Ach, frietkotgrappen…. keep it simple en bestel gewoon een kleintje met niets.     Er gleed een koets voorbij, richting Brugge, een ambulance rinchting Sint-Jan, een kind op sleepfiets, een oudere reed ervoor. “Ga toch uit de weg,” riep die kleine tegen die grijzaard, zijn bompa. Man, man... vrouwen ook, met fladderrokjes op tweewielers, en mannen die als kwezels erachteraan vlogen, maar dan op vier wielen, voor de zekerheid, auto’s van de zotste merken en met de raarste voorlichten, met de zotste golven in de portières gestanst ergens in een ver land onder een reusachtige machine. Ik wilde niet blijven kijken, maar Ignace dwong me bijna.   “Kijk daar. Een bus. Weet gij hoe gevaarlijk zo’n ding is!?” Het klonk niet echt als een vraag. Eerder als een waarschuwing. Hij haalde weer een B4 boven en deze keer een blauwe stift. Op het blad tekende bij een waterdruppel, je weet wel, die vorm van een door de lucht suizende traan. De druppel lag plat. Links was de ronde kant en rechts zat de angel. Daaronder tekende hij een pijl, ook horizontaal, met de punt aan de kant van de angel.   “Wel,” zo ging hij verder, “een bus is wat de gewichtsverdeling betreft een druppel water die horizontaal vliegt, maar dan helemaal verkeerd, achterstevoren. De zware motor bevindt zich bij die dingen achter de achterwielen, en tot overmaat van ramp vijst men er soms ook nog een bak aan met daarin een paar honderd kilogram skigerief. Als je dan te bruut stuurt, begint zo’n ding te waggelen als een dronken dodo. Daarbij, en dat kan rampzalige gevolgen hebben, is de voorkant haast zo hoekig als een antieke rubik’s cube.”   “Zoveel scheelt het!  Eén druppel water!” Hij keek me daarbij streng aan en zei : “Een bus zoals ze die vandaag maken, botst na één bruuske beweging van een indommelende chauffeur met veel kans tegen een tunnelwand. Waren die bussen gemaakt als regendruppels, maar dan druppels die door de lucht suizen als echte en in de juiste richting, dan gebeurde zoiets niet, zelfs al verloren ze een wiel.”   Alfred deed wat ketchup op een middelgroot bakje voor een snuiter die daar stond met centen van zijn moeder. Onze frietenslijter vroeg of het om mee te nemen was. “Ja, naar de Kleine Lijkstraat”, zei het gastje.   “Een lijk is een touw, Alfred,” zei Ignace de lange alweter, “het zit ingenaaid, in het boordsel van een zeil, van een windmolen.” Terwijl hij dat zei, keek hij in mijn richting, alsof ik iets met molens had.   “Boordsel?” mompelde het frietkotbaasje. “Hij spreekt als een grijs en bejaard rund", en ik krijg veel goesting om kokend ossenvet over die zijn kop te kappen, dacht Alfred.   Die kleine maakte zich rap uit de voeten met zijn avondeten, want op het kleine transitorradiootje klonk het al van "Dag vreemde man". Het duurde niet lang voor hij helemaal uit het zicht verdween, met zijn ketchup, met zijn frieten, onder dat papier met die vetvlekken in geheimtaal.       bladzijde drie van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
3 0

Over reuzen en scheve muilweters (2)

  Als men de Belg wilt uithangen, dan gaat men naar een frietkot. Daarom zie je mijn vriend Bartje er nooit meer. Dat was een historische vergissing geweest van hem.     Ik bevond mij er nu wel, in zo’n kleine friettempel, Frituur De Bosbrand van Alfred en het was niet om er te belgenieren. Ik wilde en zou meer te weten te komen over die nare gebeurtenissen in Twinkeltjes vleeswarenwinkeltje. Kwestie van De Reus en Ali F. te laten zeggen wat ze moesten.   “Als het zo verdergaat,” begon Ignace ineens te verkondigen, “dan verdwalen we allemaal. Wat erger is : het draait uit op één grote verdommenis, een hellevuur met explosies en verschroeiing.” Alfred schepte mijn frieten in hun bakje en lachte : “Gij pierlewiet met uw tekeningetjes molotovcocktails en chokotoffbommetjes.”   Naar mijn genotuleer vroeg Ignace gelukkig niet, maar ging wel verder over zijn recente vindingen : “Heb je het dan niet gezien?” “Wat?” vroeg Alfred. “Dat verkeersbord, bij de ingang aan ‘t Tillegembos.” “Neen,” zei Alfred, “daar kom ik niet. Daar groeien geen champignons die giftig genoeg zijn voor uw portie herfststovers met fruits de bois.” “Houd uw muil en doet die tartaar op die frieten van dien tjoeten! Ze koelen af.” riep Ignace.   Ik deed teken met een hand die probeerde te zweven, vlak, op en neer, om wat rust met de lucht te mengen. “Langs waar!” riep Ignace. “Wat langs waar?” vroeg Alfred, die daarna tegen mij zei dat ze toch nog te waren mijn frieten.   “Ja, langs waar… ‘langs waar’ stond er op dat bord. In ‘t zwart erop gespoten.” zei De Reus en hij schoof een rode stift uit een bundeltje viltstiften. Met een rekkertje zaten alle kleuren samen en hij schreef de letters één voor één op een witte B5, rood op wit :   L A N G S W A A R   “Niet weer...” en Alfred schudde zich de kop. Zijn baard wiegde in de wind als een toef schapenvacht die aan een prikkeldraad was blijven hangen. “Het is een scrabblezot”, sprak Alfred. Hij zei dat tegen mij en vroeg me dan of er genoeg zout op de frieten was.   “ G A S N A R W A L ”, zei ik en ze zwegen die twee. “Hoe weet gij dat?” Het was de stem van een achterdochtige koekoek, van Igance die me aansprak. “Ik ben een anagramateur”, ging ik zeggen, maar Alfred sneed me de pas af met de woorden : “Nog zo’n letterfretter!” Zijn baard wimpelde daarbij heen en weer, als de supportersvlag van een bende voetbalschapen.   Ignace haalde zijn schets boven. “Wanneer het zal gebeuren, weet ik niet”, zei hij, “maar dat het zal gebeuren is zeker en waarmee ook!” “Met gasnarwallen?” vroeg Alfred. “Genetisch gemanipuleerd, met… kijk hier…. hoorns van titaan en daar een antenne. Telegeleid zullen ze zijn. In hun kop gaan ze modules steken, om ze te besturen, om sluisdeuren open te breken, vangnetten te doorboren. De buiken zullen gevuld zijn met gasballonnen en het zal geen lachgas zijn. Neen, maat. Mosterdgas. Opgevist uit de zee. ‘t Ligt daar vol met van die bommen, overschotjes van den oorlog... en Blaugas, dat ook. Eerst blijft het laag hangen en dan... BOEM, alles en overal tegelijk. Overal zal het vol liggen met stukken toerist. Overal rode vlekken, rood zal ‘t water zijn van aan de Potterie tot aan het Minnewater. Overal! En dan die stank, van verbrande chocola, van verkoolde narwal en smeulende frietkoten. Zorgt dat ge nie in ‘t Stad zijt dien dag!”   Ik zei dat het in principe zou kunnen. “Steek ze maar weg, die plannen” en ik deed teken naar zijn zak van plastiek. “Steek ze goed weg voor de terroristen. Vooral die van Gent!”   Ik klopte met de linkervuist (niet te hard) op het tafeltje want ik was content. Het was me gelukt, kontakt te leggen met die bosneukende frituuruitbater Ali F. en zijn gevaarlijkste vaste klant, Ignace S. De Reus.       bladzijde twee van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (1)

  Ze stak geluiden in een vaatwasmachine. Met die koude handen. Harde borden. Rabarberkootjes en vingers die mij niet meer zouden beroeren. Een geklinkel was het, pijnlijker dan leisteengesplijt.     Dat was gelukkig, onhoorbaar geworden, ver weg van waar ik nu was, nog net op het droge, hier, waar prevelende bomen verschenen, waar asfalt overging in grint, grint in aarde en aarde in modder. Als een verdwaalde nagel zonder kop stond ik daar, met de voeten al in het hout van die plankenvoer. Klaar om door één of andere zot de nerven ingeklopt te worden.   “Meneer Den Dromer,” een kleine handzwaai probeerde me te wekken, “voor U, wat mag het zijn?” “Een pakske chicletten,” zei ik zonder nadenken. “Met welke saus?” vroeg Alfred van achter zijn koeltoog. “Gewone chicletten”, antwoordde ik. Alfred zuchtte, ontspande de wenkbrauwen en vroeg me vijftig cent.   Ignace kwam binnen. Ik ben op tijd gekomen, dacht ik en hij bestelde een blikje fanta. “Eén euro”, klonk het en weer keken ogen me aan me, die van Alfred, van een hoofd dat frieten wilt verkopen.   Ignatius De Reus, de langerd uit sprookjes die om opheldering vragen, had een zak neergezet. Hij was van plastiek en verborg je-ne-sais-pas-quoi. Ignace had een stoel genomen, met een servet vetvlekken van mica geveegd en zat hier nu, één tafeltje verder, op nog geen anderhalve meter van me.   Elke echte man draagt kleurstiften bij zich. Is het niet om streepjes te trekken (het aantal copulaties, centimeters op een houten lat, het weze me worst wat), dan is het om te tekenen. Geslachtsdelen, letters van vloeken, mislukte gedichten. De wc-deuren, de wanden, zij verdragen het omdat het minder stinkt dan stront.   Lang heeft niet geduurd die geheimzinnigheid. Papieren verschenen, in formaat B4. Een deel was niet gevouwen, voorzien van schetsen en gedetailleerde plannen, van vaartuigen en uitvindingen. Een andere deel was dubbel geplooid, tot boekjes met vier bladzijden. Daarop waren ze beschreven, de voorspellingen, over redding, meer nog over onheil, over verbeteringen, correcties aan soorten, verdelgingsplannen, dat kon ook. Zelf had ik geen draaiboek. Ik kauwde niet om chicletten plat te kunnen terten, jaren later terug te komen, te knielen, mijn stiftjes boven te halen en kunstwerken te maken van ongeboren bellen, grijze gom.   Al twijfelde mijn geest. Ik gooide mijn smakeloos geworden sjiek in de vuilbak en, het is doenbaar, spritesmaak mag volgen op die van pepermunt. Zenuwen hadden zich in verbinding gesteld met mijn hersenen; ik sprak :  “Geef me toch een kleintje!”   Ik stond daar weerom, voor die koeltoog met frituurwaren en voegde er aan toe : “Met tartaar, en ook een 7up.”         pagina één van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
66 0

Twankie Wankel Twinkeltje (voorwoord)

Op 11 september 2012 beging Antoine ‘Twankie Wankel’ De Wandelaere in de kleine vleeswarenwinkel van Wilhelmina Ketels een misdaad. Ze geurde die dag niet naar parfum van meloenen en het betrof een zaak van eerroof, vilaine vianderie, lustmisbruik en smeerlapperij in het algemeen.   “En als Alfred het beaamt, geloof het dan maar. Dan is het zo!” zei Ignace, “want Alfred heeft frietkot-oren, hij weet wat waar leeft. Hij is van veel op de hoogte. Hij weet veel over afgunst in blitse eksternesten, de hoogmoed van schreeuwerige sperwers, de nijd van pauwloze keuterboeren en de geneugden in duistere bossen. Zijn kennis is haast onmenselijk onmenselijk en tot op vandaag loog hij nog nooit. Hij kan het gewoon niet, liegebeesten aaien, scheve feiten verkopen. Ik zag het ooit, op een dag met laf weer, hoe hij probeerde, eens te liegen over de volgorde van kleuren in een zieke regenboog die hij gezien had in zijn droom. Zijn smoel sloeg scheef. Eén oog trok lam. Een opstoot van snot zorgde ervoor, dat zijn aanzet tot vals gezwans bleef kleven in een fluim. Er verscheen een landjevol mieren. Vlakbij was er een nest van eerlijkheid en ijver. De beestjes liepen om de keelsnot heen, maakten een bocht, die piloten in een vleermuiskop benijden. Het leek alsof ze de omtrek van een scherpe glasscherf volgden. Ze keerden zelfs terug naar het nest om zich te vergewissen waar de waarheid lag en zich de smikkel te wassen aan de tranen van een mol die met een blind gevoel de leugens in de stem van dieren horen kon.”   Dixit Ignace en hij ging verder : “Daarna heeft Alfred, die pernukkel met zijn grijze frou-frou en zijn fraaie friterie het nooit nog geprobeerd, te liegen. Fluimen bleef hij doen en vaak. Hij dacht daarbij maar al te vaak : ‘ik doe er niet aan mee en wil er niet aan meedoen, aan bedrog en leugenbraderie, net zoals ik niet verlang naar seksverkeer met dieren, met infanten, laat staan met mensapen, al zijn ze van de geilste soort.’   Ignace sloot zijn eerste getuigenis af met de woorden : “Echt, het speeksel van die ukkepuk is eerlijk als het transparante slijm in een koekoeksei, dat naar warmte hunkert, dat verlangt gekookt te worden, want het wil en zal niet, samen met het geel en die ene rode stip verworden tot een vogel die het ganse bos bedriegt. Desalniettemin, ik zeg het zoals het was en is, ik weet niet hoe het komt, die fluimen van Alfred, ze stinken ze soms naar cellen van een kranke gnoom, aangetast door bof en pest.”   Dit verhaal handelt echter niet over zieke handelingen met spuug en speeksel. Voor Pandora telt dat niet als ziekte. Centraal staan die gebeurtenissen op 9 september 2012, de toedracht en de gevolgen. Ook probeer ik te begrijpen welke rol zij in die ganse tragedie speelden. Met zij bedoel ik vier individuen : Antoine De Wandelaere, bijgenaamd Twankie Wankel, Wilhelmina Lippens liefweg Twinkeltje. Dan is er nog Alfred, door Ignace wel eens aangesproken met Ali F.. en tenslotte Ignace 'De Reus' Somers zelf.   Het was enkel Alfred die Ignace ‘De Reus’ durfde te noemen en ik probeer het drama te reconstrueren aan de hand van de getuigenissen van die twee, Alfred en Ignace. Om opheldering vragen bij Twankie of bij Twinkeltje kan ik helaas niet. Antoine en Wilhelmina zijn niet meer in leven.   Volgens Ignace -dat ben ik later te weten gekomen- speelden ook ene Sven Mars en een jongen met de naam Wimpie geen onbelangrijke rol in de aanloop naar de feiten van september 2012, maar daarover tast ik nu nog in het duister.   Telkens ik iets te weten kom (soms verstoppen Alfred en Ignace zich voor de Overheid), breng ik bericht uit. Mijn verslagen zullen kraakvers zijn, as fresh as you can get. Er zal nooit sprake zijn van waterbuffels, die wachten, voor een opgetrokken luchtbrug.       voorwoord bij ‘Twankie Wankel Twinkeltje’ (mijn tweede e-boekje, vanaf één december te lezen op Azertyfactor.be)  

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (epiloog)

  Maakt U zich geen zorgen. Dit is geen gecensureerde foto van Natascha en wilt U weten wie er nog leefde in het jaar 2022?   Quasi iedereen!   Ivan woonde nog steeds in Middelkerke, Enzo was visfileerder bij een firma in Zeebrugge en Falco trok rond met een moderne circusmaatschappij, iets met messen.   Hannelore wroette voort in haar Lapscheurse prairietuin en de vader van Ricky leefde als een kreupele Gaddafi nog steeds in datzelfde spookhuis. Naast Evangelina en enkele buschauffeurs leefden er nog ontelbaar veel figuranten, miljarden zelfs, meer dan ooit tevoren.   Wel werd Johnny’s diabetes hem fataal en Ricky’s mama stierf aan een leverfalen op 17 augustus 2021.   Ricky kon zijn einde niet zelf beschrijven omwille van de shibari. Er was een vrijwillige, koppige pen nodig om U het relaas te doen.     Een deel van het onheil geschiedde op 7 januari 2022. Ricky trok het nog twee weken en stierf vastgebonden, van uitdroging op 22 januari 2022.   Natascha Salomon werd op 6 januari 2022 opgepakt omdat ze in België verbleef zonder geldige verblijfsvergunning. Die was niet langer verlengd door de Dienst Vreemdelingenzaken en verviel op 31 december 2021. Abchazië was veilig verklaard.   Op 7 januari werd Natascha gerepatrieerd naar Abchazië. Onder de begeleiding van twee agenten vloog ze eerst van Charleroi naar Moskou en dan van Moskou naar Sochi, waar haar Indische vader haar stond op te wachten met zijn Lada Priora.   Onderweg naar Gantiadi (de woonplaats van haar ouders in Abchazië) werd de Priora klemgereden door een jeep, de strontbak van een zieke hond met witte pet.   De chauffeur van de strontbak was gemaskerd en hield de vader van Natascha onder schot terwijl de andere man (met de pet) Natascha uit de Priora sleurde en in de jeep trok. De strontbak sloeg een modderweg in met aan weerszijden een sneeuwdijk van wel één meter hoog en stopte bij een bunker naast een veld waar nooit spruitkool had gegroeid. Daar beging de man met de pet wreedheden die ik liever niet beschrijf.   Wel kan ik je zeggen dat de zieke hond met die witte pet luisterde naar de naam Ivan, een Abchaziër die als slachter werkte in Adler, niet ver van het Sochi Theme Park. Hij had Natascha, tien jaar daarvoor, twee maand voordat zij naar België vluchtte voor de atrociteiten van de Abchaziërs, ten huwelijk gevraagd, vijf weken nadat hij haar had zien zwemmen in de Zwarte Zee.   Had zij daar dan moeten op ingaan? Wat had die slachter bezield om haar, een voor hem wildvreemde jonge vrouw, de dochter van een Indiër en een Georgische, zo’n uit de lucht gegrepen aanzoek te doen? Hij had haar zien zwemmen, had naar haar gezwaaid en was via de uitbater van het strandcafé haar naam en woonplaats te weten gekomen.   Zien zwemmen! En een paar keer zien onderduiken in die bikini met dat zotte motief! Fluogele hondjes op een rode achtergrond!     Wat de lijkschouwer in Abchazië mij wel kon vertellen is dat het aannemelijk was dat haar keel overgesneden was met een vlindermes en hij bevestigde dat haar hart niet teruggevonden werd.       (met dank aan Bartje voor de vele illustraties)  

Bernd Vanderbilt
6 0

Winterrust (slot van deel 4)

  Lentes begonnen met de jaren vroeger en vroeger, als veel te ongeduldige maagden en het was op een rustige vrijdag dat zij mij het vroeg : “Ricky, het is een instrument, ik heb het geërfd van mijn grootmoeder, maar ik heb lastige buren. Mag het bij jou, boven het restaurant, ‘s avonds?” “Welk instrument”, vroeg ik haar. Een veena was het en ik zei dat het goed was. Het restaurant sloot na tien uur en als ze dan kwam mocht ze dan van mijn part spelen zo lang als ze wilde.   ‘s Anderendaags -het was een zaterdag die hemelse klanken lokte- stond ze daar in het midden van de zolderkamer. Ik keek naar het instrument. Het was een goede meter lang en telde zeven snaren. “En kan je het aardig bespelen?” was een domme vraag van me. “Bind me eerst vast”, vroeg ik. Ze legde de veena voorzichtig neer en bond me vast op een manier die ze begreep. Het was een ritueel geworden en ik was niet meer gekleed. Ze had over shibari en kinbaku gelezen en me gezegd dat het er belachelijk uitzag, als ik mijn kleren aanhield. Dat was enkele maanden geleden.   Eenmaal ik weer correct vastgebonden lag, ging ze op een krukje zitten, sloeg de benen over elkaar en legde de veena in haar schoot. Elke beschrijving van wat ik toen hoorde zal tekortschieten. Tonen kronkelden en slangen wentelden zich rond mijn lichaam. Het waren serpenten met over hun ganse lijf bloed zuigende tentakels en ze lieten me niet los. Ze maakte het zijn lichter en ik viel in een zware leegte toen ze ophield met spelen.   Ze maakt het koord dat ze me in de mond gebonden los en vroeg me of het te harden was, haar getokkel. Ik zei dat ik me niet voelde als Sisamnes, dat de ervaring omgekeerd was, dat ik eindelijk het gevoel gekregen had gevild te worden door een zachtheid, dat een mantel van harde tijden van me afgleed.   Nana zei daarop niets, ze bond me het koord weer in de mond en zei : “Tot morgen”.     Zoals je nu al weet, werden de zomers warmer en warmer. Het was heet op de zolderkamer en als ze me vastgebonden had, sprenkelde ze me water op de rug. Ze kleedde zich uit, hing alle schaamte aan een kapstok en de veena vond haar geest.   Ze speelde alsof de tonen haar vingers verlieten, als vlinders een rondje vlogen, weer terugkwamen en weer in andere formaties uit het instrument tevoorschijn kwamen gewiekt.   Rond middernacht legde ze de veena neer. Sinds die eerste noot was het instrment op de zolderkamer gebleven en ik zorgde ervoor als een fluwelen wolkendek voor een zongevoelig kind.   Ze kleedde zich weer aan, sprenkelde me nog wat water op de rug en verdween in de nacht.       negende pagina van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van 'Ricky Minnaerts Somertijd'

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (8)

Vier dagen gingen voorbij, in stilte. We zeiden haast niets in de Twingo. Tijdens het werk wierp Evangelina af en toe een moederblik in mijn richting.   “Je staart in een kronkelend niets en je hoofd lijkt als een zolder vol met droevig stro. Je ogen zijn als luikjes die geen vogel binnenlaat om er een winternest te maken”, zei ze.   Die opmerking verdiende een glimlach en de dagen gleden verder.     Het was op vrijdag, toen we onderweg waren naar Brugge, dat Natascha eindelijk iets zei : “Het is goed, Ricky, morgen kom ik. Leg me me dan uit wat je wilt.”   Ik heb haar uitgelegd waar ik woonde en ‘s zaterdags rond elf uur voelde ik een ander hand de reling beroeren. Ik deed de lage deur open en Nana trad mijn zolderkamer binnen. Het was de eerste en is de enige ziel gebleven, van de weinige die ik vertrouwde, die ik mijn ganse binnenliet in die kamer boven dat restaurant.   Nana was niet verlegen maar ze zweeg, bekeek mijn collectie beschilderde diertjes of wat er van overgebleven was en zei dat ik geen onaardig schepper was.   “En die touwen”, zei ze, “hoe wil je dat?” Ik ging gekleed op het bed liggen, met de handen op de rug, en legde haar uit hoe ik voortaan het liefst zou slapen. “De ganse nacht?” vroeg ze en ik bevestigde. “Maak je geen zorgen”, zei ik, “ik slaap zo al jaren, om de dromen te beheersen.” “En als je naar het toilet moet?” wilde ze weten. Ik legde haar uit dat ik enkel ‘s morgens at en nooit in die mate vocht tot me nam dat ik het niet uithield tot de morgen. Daarna legde ik haar stap voor stap uit hoe ik wilde vastgebonden worden. “Dan probeer ik het alvast”, zei ze monter.   Ik ging staan en wees zolang ik kon aan welke ze koorden ze moest gebruiken. Ze bond mijn onderlichaam en daarna ook mijn bovenlichaam, het deel van mijn lichaam dat al te lang als een losse tronk vlees met botten geslapen had.   Daarna wierp ik me op het bed, op de buik. “Bind nu nog een koord rond mijn voeten, verbind het met mijn nek en span het tot ik ‘stop’ zeg.” Ze deed dit en eindelijk lag ik daar. De onmacht was eindelijk weer naar behoren vastgesnoerd. “Bind me nu nog een koord in de mond”, vroeg ik haar. Ze twijfelde eerst, durfde niet goed aanspannen, maar met mijn blik liet ik haar zien dat het goed was.   Na een minuut maakte ze dat laatste koord weer los en vroeg of ze het goed had gedaan. “Als met de handen van een licht in bange nachten” en ik zei dat ze de andere touwen ook weer mocht losmaken. We zijn die namiddag op de zolderkamer gebleven. Er was geen stad die ons riep en ze vertelde hoe ze uit Abchazië was moeten vluchten, tien jaar daarvoor en hoe die lange jaren haar pijn deden, dat ze niet durfde en ook niet wilde terugkeren, hoe gezellig het was, als één keer per jaar, met kerst en nieuw haar ouders op bezoek kwamen, dat ze moesten vliegen, eerst van Sochi naar Moskou en dan van Moskou naar Brussel, dat de tickets aardig wat kostten, tot daar aan toe, maar dat ze er voor gekozen had, om hier in België te blijven.   Die avond bond ze me vast op een manier waarvan ik hield. Voortaan ging ze me hier komen afhalen, me ‘s ochtends losmaken.   Ze parkeerde voortaan bij het oude Sint-Jan, kwam de knopen lossen en daarna, onderweg, stopten we bij een kleine supermarkt. “Eet gerust terwijl ik rijd, maar maak er geen stal van.” Dat was het enigste wat ze eiste en ze zette een cassetje op.   Evangelina bleef zoals ze was, een schat om mee samen te werken en ze zag het aan mijn ogen, dat gebroken regenbogen moeilijk waren als een kinderpuzzel met verborgen stukjes.       pagina acht van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (7)

  Op een dinsdag in februari was de hemel opengescheurd en vielen er katoenvlokken uit de mand van een goddelijke plukker.   “Kom je zaterdag niet naar het personeelsfeestje van Senioritas?” vroeg Natascha, terwijl ze aandachtig een berijdbaar spoor volgde.   “Ik denk het niet”, zei ik. “Is dat te druk voor je?”, vroeg ze en ik knikte. “Jammer. Zeg Ricky, hoe oud ben jij eigenlijk?” ging ze verder. “Er zijn stukken uit het kind gebeten, maar het is nooit groot geworden”, zei ik en mijn mondhoeken bewogen.   We stopten voor een rood licht te Zedelgem. “Neen, Natascha... 2021 min 1978… dan ben ik drieënveertig”. Ze wreef met een hand over mijn grijze stoppelkop en zei : “Dan ben je jonger dan mijn vader.” Ik vroeg haar niet hoe oud zij was, maar ik schatte negenentwinting.   “Als iets je op de maag ligt, kan je het altijd bij me kwijt”, sprak ze. Ik weet niet waarom ze dat plots zei. Ik antwoordde : “Met mijn maagsap er bij wordt de moechoedos er niet beter op.” “Moest mijn moeder je nu horen...” zei ze. Het werd groen en we reden verder.     Het hoogtepunt van het personeelsfeestje was de onthulling van een sneeuwman. Haast niet te geloven dat het in 2021 nog mogelijk was om van sneeuw een kunstwerk te maken. Het was een verrassing voor het personeel van de rusthuisbewoners. Ze hadden hem in de vroege ochtend in elkaar gerold en gezet. Een blauw dekzeil had hem eerst nog verborgen. Na tjingtjing en nog tingeling met glazen cava mocht hij onthuld worden en er verscheen een witaard met een enorme bochel, een grap van de oudjes.     Op maandagochtend speelde er geen Indische muziek in Nana’s Twingo. “Wat heb jij gedaan in ‘t weekend?” vroeg ze. “Ik ben weer begonnen met beschilderen”, antwoordde ik. “Schilderen?” “Kevers in kleurtjes steken”, zei ik, “een hardnekkige hobby.” “Wil ik wel eens zien”, sprak ze. “Maar ik ben een slechte god want de schepping van een nog mooiere Congolese juweelkever is me niet gelukt”, was een lange volzin voor mijn doen.   “Ik hoop dat je geen al te droevige kleuren gebruikt”, ze zei, “want soms lijkt het alsof er vaal regenboogverdriet uit je ogen sijpelt als de zon op je gelaat schijnt.” “Ricky”, zei ze, “als er iets waarmee ik je kan helpen, zeg het me!”   Ik twijfelde en antwoordde : “Ik slaap als een oude maan. Wil jij me beter vastbinden?” en ik deed haar mijn uitleg over de shibari, dat die houding mijn rug stilaan om zeep hielp en dat ik toch enigszins fit moest blijven, voor het werk.   “Het is niet wat ik denk”, zei ze. “Neen, dat is het niet.” Ze ging er over nadenken.         bladzijde zeven van  'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0