Zoeken

In de arena

Thuis in mijn veilige cocon verwerk ik het leven, de oude en nieuwe indrukken die het naliet, en laad ik weer op voor de volgende ronde in de arena. Met de arena bedoel ik iedere ruimte waar ‘anderen’ zijn. Anderen die mogelijk triggers, uitdagingen en oncontroleerbare waanzin op mijn pad gooien. Of anderen met hun verwachtingen, oordelen, conventies en ongeuite maar voelbare energie. Ik kan die ander natuurlijk niet verantwoordelijk stellen voor mijn gevoelens en ervaringen, zo ver ben ik gelukkig al. Het is echter de alchemie van mijn persoonlijke energieveld met dat van een ander waaruit een mix ontstaat die mij ofwel smaakt, voedt, op de maag ligt of doet kotsen. Rustig gecentreerd in mijn eigen authentieke energie zie ik alles klaarder dan ooit. Daar ontstaan de inzichten, levenslessen en de voornemens. In mijn eigen stille veld heerst er een helderheid die mij onthecht van verhalen en materie. Het gebeurt natuurlijk dat ik de verhalen en materie van de arena in mijn cocon meeneem. Dan is er tijd nodig om alles uit te zuiveren. Ik lijk dubbel zoveel tijd nodig te hebben als wat het conventioneel aangenomen werk- en levensritme predikt. Naast de tijd die ervaringen in de arena innemen, heb ik ook minstens dezelfde hoeveelheid tijd nodig om die ervaringen te verwerken, verteren en plaatsen. Daar zijn de agenda’s in deze wereld niet op voorzien. Na een ervaring in de arena, die ook wel het ‘werkveld’ genoemd kan worden, komt er meteen nog één en nog één en nog één. Als ervaringen routineus verlopen, als in voorspelbaar, dan valt er niet zoveel te verwerken, zou je kunnen denken. Dan kan er dag na dag urenlang in de arena vertoefd worden. Ja misschien wel, maar is dat leuk?  Nee Karolien, maar is dit leven gemaakt om leuk te zijn? Het tegendeel laat zich frequent zien. Het hele routineuze en zogezegd comfortabele westerse systeem is er niet voor ons plezier.  Het is er voor ons eigen bestwil, hoor ik het in raamloze kamers galmen. Kamers zonder het uitzicht op ‘iets anders’. Uitzicht op iets alternatiefs? Nee, op iets oorspronkelijk.  Ik heb gemerkt dat veel mensen die zich gevangen voelen in de ratrace getriggerd raken door het idee van een persoonlijk natuurlijk ritme. Omdat zij geen tijd hebben om dieper in te gaan op de authentieke verlangens die in hun persoonlijke centrum liggen, mogen anderen dat ook niet. Iedereen gelijk voor de wet, zeggen ze. Miserie is er om gedeeld te worden, maar mag niet worden aangekeken of benoemd, laat staan aangepakt. Als iemand zegt dat die kiest voor een rustig leven, dan hoor je het briesen in de stallen van de werkpaarden. Welvaart is werken. Comfort is geluk hebben. Tijd is niet altijd vrij. Vrijheid kost geld. Geld is schaars. Het zijn slechts enkele mantra’s die achter de tralies van het systeem weerklinken. Helaas ook overtuigingen die diep geprogrammeerd zitten in vele afgeleide en vermoeide hoofden.   Ik merk dat de tekst zichzelf weer schrijft, zoals wel vaker gebeurt. Ik was eigenlijk niet van plan om het alweer te hebben over dat kromme systeem dat lichtwezens tot slavernij dwingt, maar over het contrast tussen de helderheid en rust in mijn veilige plek en de verwarrende ruis die daarbuiten lijkt te liggen. En hoe uitdagend het is om de inzichten en lessen die in mijn cocon ontstaan ook daadwerkelijk in de arena te belichamen. De arena is het werk- of oefenveld waarin ik mijn opgedane inzichten en levenslessen kan testen in de praktijk. Zo ben ik onder andere scherp gaan inzien dat eerlijkheid een prominente kernwaarde is in mijn leven. Daarnaar leven betekent mijn waarheid, gevoelens en grenzen durven uitspreken. In de cocon klinkt het meestal simpel, maar in de arena lijk ik alles weer vergeten. Wanneer ik mij middenin een praktische uitdaging bevind, je zou het een test of oefening kunnen noemen, dan nemen voorgeprogrammeerde overlevingsmechanismen het al snel over. Had ik me bijvoorbeeld voorgenomen om te spreken, dan betrap ik mezelf in de arena op pleasen en zwijgen. Of als ik voor de zoveelste keer besloten had om mijn grenzen te respecteren, ongeacht wat anderen doen of vinden, dan zie ik mezelf later toch weer een uitzondering maken. De oefeningen in de arena blijven oneindig komen, dus ik heb ook evenveel kansen om het telkens opnieuw te proberen en het dan ‘beter’ te doen. Authentieker en eerlijker. Naarmate ik steeds beter mezelf kan zijn in de arena, des te complexer en slinkser de uitdagingen worden. Soms denk ik een bepaalde wederkerende uitdaging nu wel onder de knie te hebben. Het hoofdstuk omtrent grensoverschrijdende mannen, bijvoorbeeld. Na ettelijke valkuilen meen ik een sterk afgestelde radar te hebben ontwikkeld voor zulke types. Ze kwamen in alle vormen en maten: van transparant en voorspelbaar, tot sluw en vermomd als iemand met inzicht. Maar toch lijkt dat hoofdstuk maar niet afgerond. Keer op keer moet ik constateren dat ik voorgevoelens en intuïtie in de wind heb geslagen en ben ik boos op mezelf dat ik er niet naar heb gehandeld. En waarom niet? Vaak uit angst. Angst om verkeerd te zijn, angst voor oordeel, angst om te kwetsen, angst om af te schrikken, angst om iets te verliezen, enzovoort. Ik word wel steeds geduldiger met mezelf. Het is niet zo dat ik ‘faal’ als ik mijn voornemens en inzichten niet belichaam in cruciale praktische situaties. Als er achteraf in de veilige cocon voldoende aandacht is voor de gevoelens die voortkomen uit de ervaringen in de arena, dan kan dit de inzichten en levenslessen alleen maar bekrachtigen. Dit hele proces van zelfontwikkeling met praktische oefeningen berust op een evenwicht van mentale contemplatie en het bewust doorvoelen van gevoelens. Met dit tweede heb ik het lang moeilijk gehad, wat zich uitte in ziektesymptomen. Dankzij dat ziekteproces werd me duidelijk hoe belangrijk het is om zowel in als buiten de arena te durven voelen. Harde klappen in de arena hadden ervoor gezorgd dat ik het voelen systematisch uitschakelde en verving door overmatig denken en pleasegedrag. Een ziekmakende strategie om te overleven. Natuurlijk wil ik meer dan overleven. Ik wil écht leven. Mezelf niet beperken. Durven authentiek spreken en handelen zonder bang te zijn voor gevolgen. Het besef dat de veilige cocon veel meer is dan mijn knusse thuis dringt steeds dieper door. Het is geen fysieke plek die onderhevig kan zijn aan destructieve krachten, maar het is een ongenaakbaar centrum in mezelf dat ook in de arena toegankelijk is. Dat centrum terugvinden en betreden, te midden van overweldigende of triggerende indrukken, is een procesmatige uitdaging die ik aanga. Ik heb de tijd om de kunst eigen te maken van het gecentreerd blijven, ongeacht welke vertoning er op mijn pad wordt gegooid. En ik weet nu dat dat ‘gecentreerd blijven’ geen neutraal en gevoelloos standpunt is, maar dat het draait om eerlijk voelen en daarmee in het reine zijn.  Het is tegelijk mijn intentie om de spelen in de arena minder gewichtig op te nemen. Om niet langer verontwaardigd en gefrustreerd te zijn bij wat ik de absurditeit, onwetendheid en waanzin van de wereld noem. Ik wil het waarachtige van de afleiding kunnen onderscheiden. Het authentieke van de overlevingsmechanismen. En handelen vanuit de helderheid van mijn centrum. Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 1
Tip

Vandaag, die dag

Vandaag is de dag waarop je het lijkt te willen goedmaken met je persoonlijke toekomst,die verderop uitgestreken op je ligt te wachten,en die onaangeraakt tot dusver nog ontoegankelijk is gebleken.De autobiografie ervan doet pijn. Persoonlijke data en patronen waarmee je de dagen tot uitvoeren brengt,branden op je geweten,want ook jij bent nog jongmaar ook jij verdoet de tijd (die je had).Je bijt in je lip, de binnenkanten van je handpalmen voelen klam. Vandaag, later, straks, maar vandaag, wanneer ook deze dag je verlaten heeft,rest er onvoldoende daadkracht om nog ouder te worden.Er rest enkel nog de toestanden die is kil voor je. Ik moet traag heropleven en de eerst nog gedempte, hoogst noodzakelijke klanken eruit gooien.Denk ik. Vandaag lijkt een ik wel nog steeds te hunkeren naar wat er ooit mogelijk had geleken.Er is veel meer dan wat ik alleen maar verloren heb zien gaan in de progressiedie we niet meer zullen kunnen meemaken. Jou heb ik meegemaakt; de sterren de nachten.Maar ook jouw aanwezigheid in het ‘tot dusver’ van m’n leven is slechts een opgebrande, kwaadaardige herinnering op het netvliesvan wat zich inwendig weet op te werkentot waarachtig en daadwerkelijk daar. Is het voor het grijpen,maar zonder bewijzen?Bel me. Wanneer het zover is, is het al gedaan.Momenten vliegen voorbij als waren ze luchtledig, maar ik blijf bestaanen dat is in zekere zin problematisch van aard.Waarom op reis gaan nu, als je jezelf meeneemt?De psychologie van het alles vertelt je dat het intergenerationele geheel ervanniet zomaar te pas en te onpas ge-traumadumped mag worden.Toch niet bij vreemdsoortige voorbijgangers, die mensen die in je dagen lijken te passeren.Als je denkt aan het sociale vangnet dat je nodig lijkt te hebben,heb je het eigenlijk over jaren aan ontmoetingen.Het kost dus toch kracht en strijd! Wat ook nog voorbijkomt, namelijk live en rechtstreeks in mijn oren nu, is London Grammar.D.w.z dat London Grammar dit gedicht mede mogelijk heeft gemaakt. Persoonlijke revoluties komen tot stand, seizoenen ronden af.Belachelijk mooie ontwikkelingen als persoontje in de wereld van vandaag,zijn als een toevluchtsoord voor je kwetsuren. Altijd is er wel weer een plek die zeer doet.Altijd weer meer is er een zeer die plek genoemd wordt.Tussendoor definieer je jezelf naargelang de condities en de symptomen.Daardoor zie je door de bomen het bos.Denk je.Niet dus. Jij bent als dag en nacht voor de therapeut.Er bestaat geen nulpunt in de hiërarchie van dom zijn.Als je het niet wil snappen, snap je het vooralsnog niet. Tussen mij en de therapeut is er enkel geen gesprek meer dat onvolkomen onaf is.Waar schrijf ik dat dan even neer, als ik dan toch het relaas van persoonlijke revolutieafsteek?Aftellen maar. 321Nu is het nieuwjaar.Alle conventies moeten overboord.Radicaal mistig vandaag.Dan weer blakke zon.Dit is 2025, maar dan te gast in mijn denkwereld, vormgegeven door de letters op het scherm. Noem het een schaduwbestaan, maar ik heb mezelf uitgespeeld:op de tafel voor mij rusten mijn armen.Ik ben klaar.Ik hoef niet langer iets te willen bewerkstelligen.Kon nu alles blijven zoals het was, noemde Dries Dries.Maar wat ‘ben’ je nog zonder naam? Ik ben verdomme mijn symptomen, mijn tekortkomingen & winstmarge,mijn berekend, overgehouden geluk over enkele decennia,mijn kwetsuren & overwinningen. Allemaal vandaag,die dag dienet zoals het schrijven van dit gedicht,moeite kost. Dan, later, straks en dus vandaaglijkt die dag, steeds meer op zichzelfen zo ook een ik.Ik ben in vrede gekomen, en zal zo ook gaan.Volledig in rust gekeerde symfonie steekt af,en zo hoort een dag als deze dan ook te gaan.

Dries Verhaegen
105 2

Slechts brokstukken

Het overweldigende gevoel, zich vertakkend in verwarring, stamt uit alle mogelijkheden, beweringen en waarheden die rond mij samentroepen. De ene al dwingender dan de andere. Als straatkinderen die in mij een rijke toerist zien, met zakken vol aandacht en ander snoepgoed. Ik ben in het verleden gul geweest, maar wil mij niet langer laten pluimen. Mijn strategie klinkt simpel: voelen wat voor mij klopt, de rest negeren. Alleen nog focus op het intuïtieve gevoel, geen verstrooiing door verhalen. De verhalen bonzen op de poort van mijn heiligdom. Ik zet daarom het volume van mijn innerlijke wereld hoger zodat ik ze niet hoor. Het duurde even voor ik die volumeknop vond. Het gebeurt nog dat ik hem even kwijt ben. Een illusie wordt niet altijd doorprikt door haar te doorzien. Weten dat er een illusie is, verandert de illusie niet. Het verandert voor mij wel de handvatten in hoe ermee om te gaan. Handvatten die ik eigenhandig uit mijn kern heb moeten beeldhouwen. Want het onechte diende zich aan zonder grip. Of: ik was het die zich aandiende in het onechte, om redenen die ik vergeten ben. Kwetsbaar, puur en open arriveerde ik ergens waar ik niet thuishoor, maar blijkbaar wel dien te zijn. Met alle informatie in mijn wezen, behalve de verhalen van deze wereld. Er werd mij geleerd hoe te denken en te spreken, en de verhalen overschreven systematisch wat ik wist zonder woorden. Denkend en sprekend in een taal die de mijne niet is, tracht ik, decennia later, te herinneren wie ik oorspronkelijk ben. Om het echte van het onechte te onderscheiden, is mijn gevoel er dus als enige betrouwbare leidraad uitgekomen. Uit het oneindige kluwen van redeneringen trek ik aan de lijn die me rechtstreeks naar ‘binnen’ leidt. Mijn houvast, mijn handvatten, zijn niet langer tastbaar. Ik vind tegenwoordig meer grip in de leegte, in het vacuüm van het zinloze. Wat ooit chaos leek, voelt nu bevrijdend. Ik verkies chaos boven gestructureerde verwarring. Wat zich in het onechte als logisch en normaal voordoet, maakt deel uit van een artificiële zingeving. Het is die zin, verzonnen, opgelegd of pijnlijk ontbrekend, die het leven van gewicht voorziet. Zonder die zin is er alleen maar bewegingsruimte. Zonder zingeving is er geen agenda of planning, enkel maar het aanwezig zijn in het moment. Deel uitmaken van de leegte. De onechte structuur waarin ik scheef groeide, maakte mij tot een samenhangsel van onbewuste stukken en vastgekoekte angsten. En zo bewoog ik mij doorheen oneindige raadsels van informatieve zingeving. Er openbaarde zich een oneindige zee aan mogelijkheden die ik kon ‘benutten’, waar ik iets mee kon ‘doen’, iets over kon ‘denken’ en ‘zeggen’, iets van kon ‘maken’. Allemaal met het achterliggende idee dat het ‘iets’ is. Dat ‘iets’ beter is dan ‘niets’. Maar met vallen en opstaan wist ik mezelf recht te trekken uit deze illusie en herinnerde ik weer dat ‘niets’ aan de basis lag van alles. Ik kan natuurlijk altijd ‘iets’ neerzetten waarvan ik weet dat het ‘niets’ is, om mijn tijd hier enigszins vermakelijk door te brengen, vandaar ook deze tekst. Het belang van materiële aanwezigheid reduceert enorm wanneer het besef van zinloosheid zijn licht, dat soms als een schaduw voelt, werpt op de dingen. Ik heb gegraven en gewroet in de bodem van wat mijn fundering zou moeten zijn; ik dacht er wortels te vinden, maar vond er vooral verhalen en verwarring. Dan maar in het ijle drijven en zien waar de stroom mij brengt. Er is nog weinig waarop ik mij kan vastklikken dat van waarde is. Ik moet mij in nauwe hoeken wringen om de normaliteit van de simulatie mee te spelen. Het comfort dat mensen in deze onechte wereld denken te vinden, is iets waar ze in hun naakte bewuste essentie nooit voor zouden tekenen. Maar hier, in de overweldigende beperking, geeft het schijnrust. Die schijnrust is een muur die ik al jaren aan het afbreken ben om te zien wat erachter ligt. En nu verschijn ik tijdens sociale interacties met slechts brokstukken, waarmee ik snel opnieuw een schamele constructie maak die het even volhoudt. Hoe lang nog? Mijn lichaam geeft nu duidelijker dan ooit aan dat de muur afgebroken is en ik quasi naakt in de leegte sta. Opnieuw kwetsbaar en puur. Ik ben dus niet langer bestand tegen interacties die niet authentiek voelen. De beperkende middelen en taal die ik nu gebruik om deze tekst te construeren, zijn tools van de matrix. Deze woorden zijn niet meer dan vage schimmen van het ‘niets’ dat nu in ‘iets’ gepropt wordt. Maar misschien valt er te snoepen van een glimp echtheid die uit de lege omhulsels lekt? Dat hangt natuurlijk ook af van het bewustzijn dat over deze letters dwaalt. De meeste mensen zullen op hun honger blijven zitten. Dat komt onder andere omdat ze in een omgekeerde wereld leven. Ze hebben zich daaraan aangepast. Ik blijf het lastig vinden, zo ondersteboven, en vind het in veel ‘normale’ situaties niet gemakkelijk om mijn maaginhoud binnen te houden. Ik voel me ook vaak moe. Moe van hier dag in, dag uit te zijn. Of te doen alsof ik hier ben. Schipperend tussen misschiens en mogelijkheden, het minimum uitvoerend, want ‘je weet nooit’. Veel schrijven en lezen omdat niet schrijven en lezen misschien ramen en deuren sluit. Ramen en deuren in de muur waarvan slechts brokstukken overblijven. Tekst door Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 0

Gitte

5 november 2024 was een droevige dag. Die dag is mijn kat Gitte gestorven, op de respectabele leeftijd van achttien en een half jaar. Ze kwam bij mij wonen toen ze drie was. Mijn vriendin Hilde had haar als kitten uit een nestje gered, samen met haar halfzus Trix. Ze waren verwaarloosd en zaten onder de vlooien. Gitte was gitzwart, Trix spierwit. De zussen vormden geen harmonieus duo, Gitte durfde wel eens te grommen naar Trix, soms mepte ze haar. Op den duur was ze onhandelbaar en arme Trix was bang voor haar zus. Enter Gitte in mijn leven. Ik woonde pas alleen en was net geopereerd. Ik zat me hele dagen thuis te vervelen en toen Hilde vroeg of ik Gitte wilde adopteren, had ik niet veel bedenktijd nodig. Ze was bazig en had haar kleine kantjes maar toch was ze een leuk, grappig dier. Ze trok in bij mij, met allemaal nieuwe spulletjes : krabpaal, kattenbak, speeltjes en kommetjes. Ze maakte veel misbaar in haar kattenmandje en eens ze er in de woonkamer werd uitgelaten, verstopte ze zich onder de zetel. Daar bleef ze de eerste drie dagen en ze liet niet van zich horen. Wanneer ik thuiskwam waren de brokjes wel opgegeten, dat was het enige teken van leven dat ik kreeg. Tenslotte waagde ze zich voorzichtig in de nieuwe omgeving. Al sluipend, pootje voor pootje. Ze snuffelde nieuwsgierig aan mijn vingers en stond toen toe dat ik haar aaide. Toen Hilde op bezoek kwam, keek ze brutaal in haar richting. – Jij hebt me gedumpt maar hier is het veel beter! Toen keek ze de andere kant uit en besloot Hilde voor altijd te negeren. Haar vertrouwen groeide en ze begon zich langzaam thuis te voelen, kopjes gevend aan de meubels, de deurposten en de benen van haar nieuwe vrouwtje. – Zo slecht is het hier niet en er zijn geen concurrenten.  Ze probeerde verschillende plekjes uit. De krabpaal werd goedgekeurd maar de leuning van mijn zetel was nog veel beter. Daar had ze een goed overzicht en kon ze zich mijn streeltjes laten welgevallen. Op de schoot zitten vond ze maar niks en ze wilde zeker niet opgepakt worden. Ze moest altijd de controle hebben. Zo was ze altijd geweest, misschien had het met haar moeilijke jeugd te maken. Ze had speeltjes meegekregen, pluchen muizen en balletjes en een laserlichtje. Leuk, maar het liefst speelde ze met touwtjes of met plastic zakken.  Gitte was een mensenkat, en nu ze het alleenrecht had op alle aandacht, streeltjes en eten, voelde ze zich zichtbaar goed en ze was een lief, aanhankelijk beestje. Ik vroeg me af of ik een hond of een kat in huis gehaald had. Ze ging overal met me mee, tot aan het toilet toe. Wanneer ik thuiskwam stond ze achter de deur te wachten met haar staart als een vraagteken in de lucht en trakteerde me op een miauwconcert. Het maakte eigenlijk niet uit hoe lang ik weg was, of ik nu even naar de brievenbus ging of ik was een weekend weggeweest, ze verwelkomde me altijd enthousiast. – Waar ben je zo lang geweest? Ik was hier helemaal alleen, niemand om mee te praten. Zoals alle kattenbaasjes praatte ik met haar. Dat had ze graag, ze was een echte babbelkous, ze miauwde heel veel en heel luid. Ik begon haar kattentaal te begrijpen. Een luide miauw : ik wil aandacht! Ik wil streeltjes! Speel met mij! Die gebruikte ze de hele dag door. Kreeg ze niet meteen de aandacht die ze vond dat ze verdiende, kon ze ook nog met haar poot uithalen. Miauwaawaaw! De verontwaardigde miauw : je zit op mijn plek! Je stoort me! Laat me met rust! De ongeduldige miauw : ik heb honger! De zielige flauwe miauw kon voor vele doeleinden ingezet worden. De kotsmiauw : vooral handig voor de baasjes. Een heel luid klagerig gejammer. Je kon haar dan nog net op tijd verplaatsen zodat ze de zetel of de mat niet onderkotste. Als ik eens per ongeluk op haar poot trapte (ze ging ook altijd tussen of achter mijn benen staan) gilde ze : Waaaaaw! Dat deed ze ook wanneer ze nog maar dacht dat ik op haar ging trappen. Een echte dramaqueen. Na dertien jaar met zijn tweetjes in mijn appartement, verhuisden we naar dit huis dat ik samen met mijn vriend gekocht had. Gitte kreeg een plusbaasje. Toen hij nog ‘een’ vriend was en bij mij op bezoek kwam, zat ze hem belangstellend te bekijken en knipperde dan met haar ogen. – Jij bent oké. De verhuis was lastig en stresserend. Ik had haar in een kamer op de bovenste verdieping gezet met al haar spullen. Haar lievelingseten, mousse van de Aldi, in haar kommetjes. Maar ze kon amper eten van de stress en zat met grote zwarte pupillen achter een gordijn. - Kom toch naar beneden, Gitte! Ze waagde zich in de woonkamer die nog vol rommel stond. De nieuwsgierigheid won het toch van de angst. Tot ze iets omstootte en terug naar boven vluchtte. Het duurde even voor ze haar draai vond, maar trappen op en af lopen deed ze alsof ze haar hele leven niets anders gedaan had. – Ze gaat zich zo goed voelen in jullie huis! Mensen dachten waarschijnlijk dat ze het fijn zou vinden, meer ruimte en een klein tuintje waar ze op het gras kon rollen en naar de vogeltjes kijken. Eigenlijk kon het haar weinig schelen. Ze was nu op de leeftijd gekomen dat ze het liefst lag te soezen op haar troon, de leuning van de zetel voor het raam. – Kijk nu eens, Gitte, een vogel! Ze hief haar kop even op, keek met een dwaze blik de tuin in, draaide zich dan om en sliep verder. – Boeit niet.  De kelder was wel interessant, met veel vieze hoekjes om in te snuffelen. Dan kwam ze naar boven met haar snorharen vol stof en spinnenwebben. Gitte was niet meteen het scherpste mes in de lade. We grapten soms : ze stond vanachter in de rij toen het kattenverstand werd uitgedeeld. Ter compensatie kreeg ze een flinke dosis slecht karakter. – Miauw! – Gitte, moet het baasje kwaad worden? – Miauw! Miauw! – Baasje wordt kwaad, Gitte! – MIAUW! Baasje stormde op haar af en overlaadde haar met streeltjes. – Rrrrrrrr Ze vond dit spelletje zo leuk dat ze begon te spinnen nog voor hij bij haar was. Het werd een dagelijkse routine. Ze liep steeds minder de trappen op en af. Haar vacht werd grijzer en dunner. Ze kwam ons niet meer enthousiast begroeten wanneer we thuiskwamen. Ze begon steeds luider te miauwen en te jammeren, op vaste tijdstippen. Ik bracht haar naar de dierenarts die me vertelde dat dat gedrag meer voorkomt bij katten op leeftijd, het is een vorm van kattendementie. Haar bloedresultaten waren oké, ze was nog altijd in goede gezondheid. De laatste weken veranderde haar gedrag. Ze babbelde  minder maar werd steeds onrustiger : oren  gespitst, grote pupillen. In plaats van rustig te dutten, doolde ze steeds meer rond in de woonkamer. Soms blies ze wanneer we haar wilden aaien. Ze krabde niet meer aan de paal, ging niet meer op de trap en ging niet meer zitten om te eten : ze zakte wat door haar poten en ging boven haar kommetjes hangen. Had ze last van haar achterpoten of haar buik? Naar de dierenarts dan maar? Misschien deed ik meer kwaad dan goed door haar al die stress te bezorgen. Maar nu kon ik er niet meer naast kijken, er was iets aan de hand.   – Gitte mag binnenkomen. De dierenarts opende Gittes medische dossier, begon te tikken en gaf ons een lange uitleg over artrose en kattendementie. Ze voelde aan Gittes buik, Gitte blies en gromde. – Je zou haar pijnstillers kunnen geven. Het was onmogelijk om een pilletje in Gitte te krijgen en omdat ik toch iets wilde proberen, stelde ze voor haar een inspuiting te geven die de artrose zou vertragen. Gitte krijste en blies toen ze het prikje kreeg. We brachten haar naar huis en hoopten dat ze dit ellendige doktersbezoek snel zou vergeten. De volgende ochtend vond ik een hoopje ellende op de mat. Versuft en bewegingloos. Ik aaide haar, ze reageerde niet, ze leek wel gedrogeerd. Ik legde haar in de zetel maar ze sukkelde er uit en begon rond te strompelen. Rondjes, rondjes, even versuft blijven staan, dan weer op de mat, proberen te gaan zitten, toch niet. Weer begon ze rond te dolen als een zombie. Af en toe lag ze half comateus op de mat, in een onnatuurlijke houding. Af en toe trok ze met haar pootjes. Het was weekend. Ze bleef door de living dolen en steeds maar toertjes maken rond de zetel, als een robot. Ze ademde en bewoog nog maar ze was er niet meer. We gaven haar alleen nog haar favoriete mousse en snoepjes. Ze dronk niet meer, af en toe likte ze eens aan de mousse. Ze ging niet meer op de bak. Een keer probeerde ze nog met haar pootje haar kop te wassen.Ik legde haar op mijn schoot, eerst zwiepte ze met haar staart en liet een heel flauw miauwtje horen maar dan leek ze tot rust te komen. Ik legde mijn oor tegen haar kopje en hoorde haar heel zachtjes spinnen. Ik bleef haar aaien en probeerde haar vacht wat te verzorgen, ze kon zich immers niet meer wassen. Het ging niet meer beter worden, ze was op, we moesten haar laten gaan. We weenden allebei. Maar ik wilde haar niet meer naar de dierenarts brengen. Op maandagochtend belde ik naar de praktijk en kreeg een assistent aan de lijn. – Deze week kan niemand langskomen, we zitten helemaal vol. Pas over twee weken. Ik probeerde een andere praktijk en kreeg hetzelfde antwoord : geen tijd. Hilde stuurde me de gegevens van een andere dierenarts, nieuw in de buurt. Later op de dag kwam ze ook even langs, om Gitte nog eens te zien. De hele avond hield ik haar bij mij. Maar ik kon niet de hele nacht blijven zitten. Tenslotte ging ik toch maar naar bed. De volgende ochtend vond ik haar in dezelfde toestand : ineengedoken, ogen gesloten. Wachtend op de dood die maar niet wilde komen. Ik telde de minuten af tot het negen uur was en de nieuwe praktijk openging. Een vriendelijke stem aan de andere kant van de lijn. Ik legde de situatie uit. – Deze namiddag kan ik komen. Opluchting, maar nu ging ze ons dus echt verlaten. Ik stuurde Dirk een bericht. De hele ochtend zat ik te wachten met Gitte op mijn schoot, er viel eigenlijk niets anders te doen. Om kwart voor twee ging de bel. De dierenarts, Lisa, gaf me plechtig een hand. Ze had een kattenmandje bij zich. Ik had Gitte voorzichtig neergezet om de deur te openen en ze begon weer toertjes te maken rond de zetel.  - Ze heeft waarschijnlijk een attaque gehad, dit gedrag is niet alleen dementie. Toen Lisa haar het eerste verdovende spuitje gaf, krijste Gitte, dan zakte haar kopje naar beneden en ze werd helemaal slap.  Lisa scheerde haar pootje en bracht een katheter in. Ik streelde Gittes kopje, ging op de mat zitten en nam haar op mijn schoot. Lisa bracht een slaapmiddel in de katheter. Ik vocht tegen de tranen. Het laatste was een overdosis slaapmiddel waardoor haar hartje stopte. Het ging heel snel. Ik snuffelde nog eens aan haar vacht en legde dan haar levenloze lijfje in het kattenmandje. Lisa nam het mandje mee, Gitte ging gecremeerd worden. Ik ging met haar naar de voordeur, ze gaf me nog een hand. – Veel sterkte. Ik deed snel de deur dicht. Mijn hoofd was een hogedrukpan en nu ging het deksel eraf. ‘s Avonds kwam Dirk thuis. We zeiden niet veel, hij pakte zijn boodschappen uit, ik ruimde een beetje op. Plots begon Dirk ook te snikken met het laatste lege blikje mousse in zijn handen. Ik had me al een tijdje voorbereid op haar dood, maar had niet verwacht dat ik zo verdrietig zou zijn. De hele avond zag ik haar nog voor mijn ogen rondstrompelen. De volgende ochtend werd ik wakker met een bonkende migraine. Ik ging naar beneden, een pijnstiller halen. Dirk zat al aan het ontbijt en was op zijn gsm het nieuws aan het lezen. – Het ziet ernaar uit dat Trump gaat winnen. Met een somber gemoed ging ik terug naar bed. Later op de week vertelde ik het droevige nieuws aan Kangluo, onze poetsvrouw uit Tibet. – Ik bid voor Gitte, dat haar volgende leven goed mag zijn. Wij zeggen dat ze in de kattenhemel is, waar ze zoveel mousse en streeltjes krijgt als haar hartje maar begeert. En plots beseffen we : eigenlijk heeft ze altijd in de kattenhemel geleefd.                         

Ilse Janssens
3 0

Het broedend duifje

Er zit een duifje op haar nest en het zit er al enkele weken. Ik weet niet precies hoe lang, maar toch al zeker drie weken, misschien zelfs vier. Het zit er rustig, met het geduld en vertrouwen van een wezen dat geen twijfels heeft over haar bestaan en impulsen. Ik ga ervan uit dat het een ‘zij’ is, maar het zou ook een mannelijk duifje kunnen zijn die deze taak op zich neemt. Misschien uit liefde en het nalatenschap van zijn vrouwtje waar hij om rouwt? Nee, dit laatste is te ver gefantaseerd, teveel Disney-sentiment. Ik meende wel enkele weken geleden twee duifjes te hebben gezien, eentje op het nest en eentje ernaast fladderend op takken, ik vermoedde toen om te helpen met eten brengen.  Over het nest had ik eerst mijn twijfels, het leek er niet heel stabiel uit te zien, maar na enkele serieuze wind- en regenvlagen zat het duifje er nog steeds onbewogen en kordaat. Het nest lijkt toch wel genoeg beschut door takken en bladeren waardoor het niet veel wind vangt. De kletterende regen zal het duifje moedig, zonder het zelfmedelijden en gezeur dat een mens zou produceren, hebben doorstaan.  Ik zoek bewust niet op hoe lang de broedtijd van een duif is. Zolang het duifje overtuigd is van het slagen van haar broedkansen ga ik in vertrouwen met haar mee. Al ervaar ik wel die menselijke twijfel en onzekerheid. Compassie ook jegens het duifje. Zelfs enige kwaadheid naar de hardheid van het leven dat toelaat dat onschuldige dieren zwaarte en pijn ervaren. Wat als het duifje daar vergeefs zit? Als ze al die weken daar heeft gezeten, heeft volhard en uiteindelijk uitgeput moet concluderen, misschien heel gestaag en instinctief, dat de eieren geen leven bevatten? En wanneer en hoe zou het duifje eten? Komt het andere duifje soms nog, want ik zie het nooit meer? Het enige wat ik elke dag zie, op eender welk moment, is een duifje dat één lijkt te zijn geworden met haar nest en de boom. Ik heb de verrekijker erbij genomen om meer details te zien. De blik in haar ogen bijvoorbeeld. Met het blote oog zie je haar haast niet zitten. Mocht je het niet weten, dan merk je haar niet op. Maar ik merk haar op. Ik schrijf zelfs over haar. Het bestaan van dat wezen wordt gezien, erkend en het werkt ook nog eens inspirerend. Ik vraag mezelf af wat het duifje mij toont, welke boodschap het voor mij heeft. Het duifje is hier niet alleen als duifje om eieren uit te broeden en alle problematieken daarrond te ervaren, maar ook om zich, onbewust, aan mij te laten zien. De plek van haar nest, vlak bij mijn livingraam is niet toevallig.  Het lag vast door het ‘lot’ dat het duifje precies daar haar nest zou maken en dat ik het zou zien en erover nadenken, voelen en schrijven. Vanuit haar vrije wil koos het duifje deze nestplaats, ware het niet dat die vrije wil verbonden is met het netwerk van het universum waar mijn vrije wil ook deel van uitmaakt. Mijn vrije wil, noch die van het duifje, kan niets in beweging zetten zonder daarmee iets anders aan te raken. Het duifje en ik zijn één, we maken deel uit van hetzelfde universele geheel. We bestaan uit dezelfde ‘energie’ die gefragmenteerd verschijnt in een duif, een mens en een omgeving of wereld. Door het duifje te observeren, leer ik iets over een deel van mezelf dat zich representeert als een duifje. De vragen die het duifje bij mij opwekt, zijn de vragen die nu voor mij van toepassing zijn in mijn proces van zelfontwikkeling. Het duifje zet mij, onbewust en zonder daarvoor iets te moeten doen, in beweging. Het duifje hoeft alleen maar te ‘zijn’, rustig zittend op haar nest, zonder ergens van gewaar te zijn. Ik besef dat ik evengoed gewoon hoef te ‘zijn’ om mijn rol op verschillende vlakken constructief te spelen in deze wereld. Mijn bijdrage aan deze wereld bestaat in de eerste plaats uit mijn aanwezigheid en dus niet enkel en alleen uit mijn creaties en prestaties. Ik hoef niets te ‘doen’, enkel te ‘zijn’. Net zoals het duifje. Terwijl ik rustig op mijn nest zit, ben ik onbewust een inspiratiebron voor anderen. Ik hoef alleen mezelf te zijn om iets waarachtigs neer te zetten. De rol die ik speel in dit levenstoneel bestaat uit zuivere aanwezigheid die vorm en omgeving ervaart. Wat ik precies vanuit die ervaring doe of verwezenlijk, of mijn eieren nu uitkomen of niet, maakt eigenlijk niet uit. Zolang ik maar aanwezig ben.  Net zoals het duifje niet door heeft dat ik reflecteer over haar bestaan, heb ik ook vaak geen notie van de impact van mijn aanwezigheid op anderen. Net zoals het duifje die eieren vanuit een natuurlijke creatiekracht gelegd heeft, schep ik ook dingen. Maar het leven draait niet om wat er geschept wordt, maar om hoe we scheppen en wat we daarbij ervaren.  Trouwens over die eieren: ik kan die vanuit mijn perspectief niet zien liggen in het nest. Ik ga er eigenlijk gewoon van uit dat ze er zijn, maar het kan ook dat er helemaal geen eieren zijn en dat het duifje op een leeg nest zit. Zou dat een verschil maken? Vanuit menselijk standpunt, een standpunt vol ideeën, overtuigingen, projecties en reflecties, waarschijnlijk wel. Ik zeg niet dat dieren geen emoties en gevoelens ervaren, ze dragen alleen het extra gewicht niet van een zelfreflecterende en contemplerende laag waar mensen onder gebukt gaan. Ze overdenken niet, maar handelen instinctief vanuit gevoel. Als zij lijden, dan lijden zij, zonder de projecties en ideeën over dat leed. Ze hebben er geen oordeel over, het is er gewoon en ze gaan ermee om.  Ik ben mij ervan bewust dat ik allerlei ideeën en verhalen projecteer op het duifje. Net zoals ik dat ook doe op mezelf en mijn omgeving. Mensen zijn verhalenmachines. We bedenken automatisch verhalen rond de verschijnselen die we zien. Bewust en onbewust. En anderen horen of lezen die verhalen, projecteren er nog anderen ideeën op, veranderen de verhalen. Het is een mentale ketting aan verhalen die we collectief aaneen rijgen. Sommige delen van die ketting worden ‘erfgoed’ genoemd. Dieren doen zoiets niet, ze maken geen kettingen en structuren van verhalen. Ze leven hier en nu, in een verhaal dat belichaamd wordt, maar niet verteld. Want daarvoor zijn er mensen. Ieder speelt zijn rol in dit veelzijdige universum. Het duifje op haar nest en ik schrijvend in mijn bed over het duifje. Of we nu over bevruchte eieren beschikken of niet, we zijn evenwaardig en ons bestaan is geen vergissing of toevalligheid, maar een uiting van ‘God’ die zichzelf wil ervaren als duif en als mens en al de ruimte daartussen. Het is God, de scheppende kracht, die zichzelf zo ontmoet, zich weerspiegeld ziet in tal van facetten, op diverse niveaus en dimensies, bewust en onbewust. Ik kom mezelf tegen in diverse lagen van deze levenservaring, en al herken ik mezelf niet altijd, toch ben ik het steeds opnieuw. Ik dank het duifje om er te zijn en om haar pure authentieke frequentie uit te zenden. Ik dank mezelf voor het oppikken van die frequentie, voor het zien van grootsheid in details en het tasten onder de lagen. Ik weet en voel dat mijn visie en begrip ontzettend beperkt is ten opzichte van de oneindigheid die buiten de grenzen van mijn menselijk perspectief lijkt te liggen. Ik weet dat ik in essentie oneindig en onbegrensd ben, maar dat ik dit enkel kan beweren vanuit een begrensde vorm. Zo ben ik zowel vrij als onvrij en besta ik dus uit het hele pakket en niet slechts de helft van de dualiteit. Ik ben een geheel van donker en licht. Paradoxen zijn er als symbool van ‘heelheid’. Zowel het ene als het andere leeft, er wordt niets uitgesloten, er ontbreekt niets. Tegenstellingen zijn er om een eenheid te vormen en dat kunnen ze alleen als ze tegengesteld blijven. Ultieme eenheid kan geen vorm hebben, niet ervaren worden, zonder tegenstellingen. Of beter: de notie van tegenstellingen moet bestaan om de notie van eenheid te kunnen ervaren.  Zo, en dat allemaal op een dinsdagochtend naar aanleiding van gedachten over een duifje op haar nest. 

KarolienDeman
8 3

Superfluous Happy Life Chapter 1 'I, Elamar' (unfinished)

    I, Elamar     To whomever it may concern; I; Elamar Mortrinaet, Prince of A’nderi’k, hereby detail the events of the fall of Tri-Earth, and the Kingdom of A’nderi’k, through my own experiences. It all happened so fast. We were all surprised. The people, the noblemen, the knights, everyone. I mean .. we all saw it coming. It just surprised us all by how fast things deteriorated, and then escalated from there on. It all began with a shadow and a politician. A charming one, he was. He said all the right things to all the right people. He knew exactly which buttons to press, where to press them, and when to press them for maximum effect. He was a genius disguised as a talk-happy buffoon. A well-dressed, oddly shaped, square-headed politician, and in his shadow; as always; the man who funded the insanity. Equally eccentric, if not more. The wealthiest man in the land, and sporting an even more disturbing appearance. They lied, cheated and bribed their way to the top of the social hierarchy, for all to see. And, somehow; their tactics worked. Somehow, though many still question how, they appealed to the masses. Horrified, all the people of the land watched as our people voted these two oddly shaped manipulators to take hold of the strongest, and once the most honourable, Kingdom in the land of Tri-Earth; A’nderi’k. I remember it still, the time before. How peaceful it was. The forests and fields were all lush and green, with vibrant colors everywhere. Hills adorned with flowers on all sides of the castle town of A’nderi’k. I was found at the gates of the town when I was a mere three years old. It is where I was adopted by the rulers of the town, the Mortrinaets, who would then create the Laws of Abundance within days of my adoption. A law, with quite the peculiar origin story. A law which made sure not one person would have more, or less, than the next. Not even the King or Queen. At first the people were disagreeable. The noblemen more so than any other, as they felt they had to give up the most. First and foremost, their titles and wealth. Some of them tried to enact an uprising by offering wealth to the poor, others fled the town looking to gather their riches elsewhere. In the end, it all did work out, and all did their part. The impressive consequence of the Law, however, was the motivation it gave the people once all was truly and well explained to them, and understood by them. The poor, who never had a dime, could suddenly have the wealth of what once was a nobleman, and the noblemen could in theory keep their wealth, or become even richer still; so long as all worked equally hard and as one, and so long as profits and productivity rose even more so that all could receive an even bigger share. A’nderi’k grew from a small mountain village into a large and open Kingdom of peace. Not even walls were set up to ward off enemies, for A’nderi’k only saw allies. I watched it grow with my very own eyes. People came from far and wide, and before my teenage years had even finished; we already were the largest and most thriving Kingdom in all of Tri-Earth. Impressed by the prosperity of A’nderi’k; but most of all that they had accomplished this all without any bloodshed; all of Tri-Earth soon proclaimed A’nderi’k as the new Capital of Tri-Earth and all adopted the Laws of Abundance for themselves, and the land prospered as it never had before .. until the shadows came. Though, none but a handful of my most trusted friends would ever believe you if you repeated what I said next.  Past midnight, on the night of my sixteenth birthday, I laid restless in bed. After tossing and turning for several hours, I decided to take a stroll through the castle. If only I had stayed in bed that night.. As I walked out of the hallway, I heard a strange sound. I assumed it was father or mother, because I could see a dim light coming from around the corner, where father liked to read his books by the open fireplace. I crossed the hall, went around the corner and as I wanted to walk inside of the room my foot froze, in mid-air. It was .. upsetting. I tried to push it down, but nothing happened. I wanted to yell out, but no sound came from my mouth. I tried to grasp at my throat, but my arms wouldn’t move. It was .. very upsetting. Then I heard that strange sound again. I still can’t quite explain it, even after all of this time. But whatever it was, it made the hairs on the back of my neck stand straight up. I tried to look up, peer into the room. But I could barely make out a chair and a table in the dimming light. The fire in the fireplace was dying out. Then I saw my father grab a book from the chair, and take a seat, while my mother quickly followed and sat on his lap. They were giggling, I felt uncomfortable watching it, so I looked away. Maybe for the best.. Because moments later I heard my mother scream and immediately looked up, but it had already happened. My mother laid on the floor, in front of the fireplace, her throat slit deeply, down to the neckbone; while a shadowy figure had impaled my father through his chair and was staring right at me, with glowing red eyes. A shadowy figure in the shape of a man .. He looked so familiar.. But before I could take in this haunting figure, someone had snuck up on me from behind and knocked me out cold. When I came to, the next day, at midday, my parents were strutting around, as if nothing had happened the day before. I feared that I was going mad, had I dreamed it all? But it felt so real, and if it isn’t, then where did this bump on my head come from? I needed answers, but I couldn’t find any. The castle felt deserted. Later that day I learned that my parents had decided to abolish the Kingdom, and instead make it a democracy, and created a new profession they would call ‘politician’ and simply gave these “politicians’ power over everything, even the law. The word ‘politician’ still gives me the heebie-jeebies. My parents withdrew from public view, and my own. They renounced the tasks mandated by thrones and crowns and from then on only appeared on holidays, or other events. Standing at the highest window of the tallest tower of the castle, waving at their subjects. Barely even distinguishable from the ground if it truly was them. Which they couldn’t be, right? They were murdered! By a shadow! .. Oh God, I sound insane, don’t I? Just questions and more questions, never any answers, and before I could even find any answers, I was sent away from the castle and sent to an orphanage instead, though the politicians called it a ‘home for lost children’, and then things just kept escalating and deteriorating from there on. The politicians created a law they called ‘The Re-establishing Order Act’. Which outlawed all former poor people, all those who were referred to as ‘peasants’ or ‘commoners’ before the Laws of Abundance. Their wealth, belongings and houses were taken from them. The first ones they used as slaves to build massive walls around the city. Once the walls were finished, they gave the poor a choice. Twenty years in prison and then slavery, or to live freely, but in the harsh wilderness outside of the walls. Where the lush greens had traded places with a gray and dead wasteland. Most chose to live outside of the town walls, of course, and were thrown broken pieces of wood and tree bark from the top of the walls so that they might build their own shelter, and that they did. They build their own little town from the rubble and waste the city discarded over the walls. “See it as our final act of kindness”, they had told them all.  The ‘Home for Lost Children’ was located in this newly constructed town. The politicians called it ‘Superfluous’. No one really knew what the word meant, except for the politicians who always giggled when they said it. Insult upon injury. By the time I was old enough to leave the ‘home for lost children’, most other nations had followed A’nderi’k’s example. When their power grew, so did their shadows, and out of the shadows came two figures who would take control of A’nderi’k, and once they had taken hold of the capital, all of Tri-Earth followed next. Soon all forms of shelter, philanthropy, help, socialism and the like were outlawed, punishable with a lifelong sentence in the darkest, wettest, prisons they had. The adults fled Superfluous. Sadly the same was true for the orphanage. Our caretakers, if you could call them that, had all left before I even turned eighteen, leaving me as the eldest to take care of everyone else there, and the burden of their survival and safety. ‘The Superfluous Quintet’, we called ourselves. Though, we didn’t start out as a quintet. We were many, once upon a time. When the adults were still with us, there were seventy children, fifty five of us were orphans, and ten adults, a group of eighty in total. We also had three elderly couples and a widowed woman who lived down the street, who often came by to help look after all of the children. We would cook and eat together. Most of the Backstreets in Superfluous was made up of just the orphans, our caretakers and their own children. We had a whole neighbourhood all to ourselves, and even though I used to be the Prince, I think that may have been the most free I have ever felt in my whole life. One day, Charles, who had been sent to the store as the eldest at the time, came running home, sweating profusely. His black hair sticking to his face. I remember the panic in Marjorie’s eyes, at first; our head caretaker. But Charles quickly raised his hand and assured her that it wasn’t "anything profoundly terrible”. Which made Marjorie relax instantly, which made everyone else relax, and then he grabbed her hand, took her outside. Curious as I always am, I followed them, from a distance of course. I was born with a natural sense of stealthyness, a gift I was putting to good use. Charles took Marjorie all the way to the other side of the street, I followed them up to the big old oak tree that stood at the side of the street, and climbed it as fast and quiet as I could. I looked for one of the bigger, and thicker branches that almost reached to the other side of the tree, and crossed paths with a thick branch from the tree on the other side; this was not my first time doing this, of course. When I reached the other side, and climbed down the tree, I quickly moved behind a wagon and snuck up close enough to just barely make out the words they were whispering to each other.  “Are you sure?”, I heard Marjorie ask Charles, she sounded terrified, and then asked him again. “Are you absolutely sure?”. My heart was racing, and I had no idea why. I wanted to know what they were talking about, but at the same time I had this gnawing feeling that something terrible was about to happen.  “Yeah, I’m definitely, positively, absolutely sure about this. There was no one, not a soul”, Charles answered before I could plug my ears, now I was even more intrigued, Who wasn’t there, and where is ‘there’? What was he talking about? I wanted to know. “Oh, except for that old man”, I heard Charles mumble.  “What old man?”, Marjorie asked the right question.  “Well, he said he was from County One, said that all the trees started dying, so everyone started moving to County Two, but then he said it happened there as well; and when they wanted to go to 3rd County it was already happening there as well. So, he says, the old man says that the leaders all came together and they all just left Superfluous. He said that he decided to stay because he was too old, but said he was regretting it now, was looking for people to go with, and then asked me, and that’s when the bandits came”.  I remember what Charles said word for word, because everything changed for me the day I discovered the truth. Curiosity may have killed the cat, but it saved us. “Bandits?”, I heard Marjorie ask. “And they’re coming this way”, I remember it still, the moment he said those words. My heart stopped for a whole second. They used to tell us stories about bandits to make sure we’d be home before dark, but we all knew that they were just stories. Until now.  “They shot the old man, right in front of me, five arrows, right in his face!”, Charles said quite loudly.  “SHHHH!”, Marjorie shushed him. “And so you thought to lead them here?”, she asked him.  “Well, what else was I supposed to do?”, he asked her.  “You could’ve thought of the kids”, Marjorie replied angrily. If only she knew one of the kids was listening, and it just happened to be the one with the biggest mouth on him..  “What should we do?”, Charles asked Marjorie. “They know where we live”, he said panicked, and I panicked. Almost loud enough that they heard me, but luckily a rat just happened to swivel by to take the blame of the strange noise they’d just heard.  “Yes, and how do they know where we live, Charles!?”, Marjorie asked Charles, I took a peak and she was shaking Charles, “Because you … you led them here!”, she yelled at him. “I .. I .. I had to come home .. I .. I”. I suddenly lost all respect I had for Charles, whom I had seen as the bravest of us all. Leading us through many dangerous situations, all made up of course. But now that real danger comes knocking, he just opens the door and puts everyone at risk? I was shaking with rage, and it would only get worse.  “You have to lead them away from here”, Marjorie said. “You’re the oldest, and you led them here, now you’re gonna make sure they stay away long enough, so we can escape from here”, she sounded angry.  “You want me to sacrifice myself?”, Charles asked, who had grown angry as well.  “It’s the least you can do after putting all of our lives in danger because you’re a coward”. I was baffled. I’d never heard Marjorie talk like that, not even in that tone. She no longer sounded angry. She sounded .. evil. My anger had traded places with fear. I felt the moment had come to retreat, and I carefully made my move back towards the tree, but not before I heard her say the words; “You won’t be the only sacrifice today”, it chilled me to the bone. But before I could even process the words, Marjorie wanted to cross the road. In a panic I crawled under the wagon, rather than behind it.  “Aren’t you leaving?”, Marjorie had stopped in the middle of the road.  “I need a minute to think, then I’ll go, don’t worry”, Charles said softly, even I could barely hear him and I sat closest to him.  “Good”, Marjorie said. She turned around and I noticed her glance rested upon the wagon I was crouched under, but only for a second.  “Yeah, good”, Charles mumbled to himself as Marjorie stepped back into the house. A whole minute went by, or at least, that’s how long it felt, when suddenly a hand reached down the wagon and pulled me from under it.  “How much did you hear!?”, Charles had pressed me against a tree. “How much did you hear, Elamar?”. I was afraid. Even if I’d lost respect for him, he was still the oldest, the biggest, the strongest. Of course he would be afraid of bandits with bows and arrows, but I’m not a bandit, nor do I have a bow and arrow. “I’m sorry, I’m sorry, I’m sorry”, was all I managed to say. Fear stopped me from thinking straight. Tears started flowing from my eyes.  “Oh, no .. Elamar.. Come on, man. You’re already seventeen.. This shouldn’t scare you like this ..”, Charles said, utterly disappointed. It broke me in tiny little pieces. “Come on, it’s okay”, he grabbed me by my shoulders and spoke to me as if I was a child, and who could blame him as I stood there, sobbing like one. Charles sighed and then just left me there, “Just .. just don’t tell anyone what you heard, okay?”, were the last words he told me, and all I could do was watch him walk until he turned the corner, he didn’t look behind him once. I felt abandoned, again. I wiped my face clean and got ready to go back inside, when the front door swung open and Phil left the house, he was Marjorie’s husband, quickly followed by every other adult who lived in the house, as well their own children. Marjorie was the last to leave the house, hushing everyone. Phil, with Max and Jack, two of the other caretakers, had taken the horses from the stables and were moving towards the wagon. I contemplated my options quickly. I could confront them, ask them why they hadn’t brought along any of the orphans with them, but then I remembered Marjorie’s words. “You won’t be the only sacrifice tonight”, and I decided my safest bet was to climb back under the parked wagon. I watched how they put the kids and the elderly in their own wagon, along with their luggage, and then they left, headed in the opposite way of Charles. I didn’t wait until I saw them pass the corner. But before I could climb down, I heard footsteps and I froze. They sounded louder and closer by the second, I was too afraid to look up, too afraid to see who it was, too afraid that they might be the very bandits that were coming. Too afraid that they might see me. The running stopped just under the tree, and then they walked towards the house, I gathered my courage and looked, but I was too late, he’d already entered the house, all I could see was a foot. Not even ten minutes later the door opened again, it was Charles, I was filled with joy, he came to save us all. Only .. he didn’t. Followed right after Charles were all of the oldest kids. Charles was urging them to move quickly, they all passed under the tree.  “I don’t think I’m comfortable with leaving the little ones like that”, Molly said.  “Me either”, Isabella agreed.  “You didn’t even tell us anything”, Soraia said, I was madly in love with Soraia. Until this day, until this moment. “It’s not that I mind leaving these losers behind, but where are we going and who are we running from? Where are the adults?”, with each word she said, she grew more grotesque in my eyes.  “You can’t be serious, can you, Soraia?”, Jackson asked, he was my best friend. “I’m staying”, he stood his ground firmly.  “Then why did you leave the house?”, Soraia asked him.  “I didn’t want to make a scene inside and wake the littles”, Jackson replied to the new witch in town.  “We’re staying too”, Molly and Isabella said, they were the oldest after Charles.  “Yeah, I don’t know what the fuck is going on here, but I’m going back to bed”, Ishal said, he was the joker of the group.  “Fine, you can all die with the rest of the useless ones”, Charles growled, “We’re leaving”, he growled at the others, who all sheepishly afraid followed their wolf in sheep's clothing. They followed the direction the adults had left in, only to turn at a different corner. Following behind him were thirty-four teens.  “There’s only twenty of us left now”, I heard Jackson say, which hurt, because he forgot to count me. Why do they always forget to count me? I decided I could no longer stay hidden, “Dude, aren’t you forgetting someone?”, I asked my best friend from under the wagon

K.L. Runaya
3 1