Zoeken

Winterrust (6)

  Na die gelukkige maandag ben ik er blijven werken in Vloethem. Evangelina stelde mijn hulp ten zeerste op prijs. Mijn woorden waren schaars en het werk deed ik secuur. Ik werkte van maandag tot vrijdag van tien tot vijf. Nooit in het weekend. Dan stonden Evangelina en ik niet in de keuken, aan die lopende band. Andere lui deden de job op zon- en zaterdag. Voor het ontbijt werd de keuken niet gebruikt. De bewoners van de woonblok van Senioritas kregen van de verplegers en verpleegsters, twee sneetjes brood, wit of bruin, naar keuze. Boter, marmelade en ander smeersel zat in van die kleine potjes, waar kabouters een maand mee voortkunnen.   Natascha had glijdende werkuren en had voorgesteld om elke dag samen te rijden. Zij woonde ook in Brugge en ik betaalde haar een deel van de benzine, hetgeen ze eerst weigerde. Voor de grap had ik gezegd : “Anders neem ik Bartjes Belbus”, en met een voorzichtige Abchazische glimlach accepteerde ze een briefje van tien euro, stak het in een groene portemonnee.   Ik zei zeer weinig tijdens de ritjes van Brugge naar Vloethem en zij was geen type dat via hoofdopeningen alles over anderen te weten wilde komen. Als het te stil werd, zette ze een cassetje op. Niemand luisterde nog naar cassettes, maar zij wel. Het waren steenoude bandjes met Oosterse muziek en ze beet zich altijd zachtjes op de lip als de muziek wat haperde. “Als het maar niet vastloopt”, zei ze met een stem die tegenslag probeerde weg te blazen en tegelijk de autoradio moed insprak.   Ik at nooit tijdens de pauze. Ik wachtte op een krukje naast Evangelina die altijd in dezelfde plastiek stoel met armleuningen zat. Op haar schoot legde ze een keukenhanddoek, opende dan de alufolie die rond haar boterhammen zat en voorzichtig speelde ze het brood naar binnen. Ze at nooit van de rusthuiskost. “Daar ben ik nog te jong voor”, zei ze, al werd ze dat jaar drieënzestig, wist ik van Natascha.   Evangelina hield ook van de stilte. “Als er geen mussen in je hoofd zitten, hoef je niet te tjilpen”, zei ze. Na de pauze sneden we gebak of taart in stukken. De porties kwamen op een honderdtal kleine borden terecht en we zorgden er voor dat ze netjes en aan een goed tempo in de muuropening verdwenen.       zesde bladzijde van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (4)

  Hoe dieper je dromen boren, hoe gemakkelijker doodskloppertjes gaten vinden in je houten botten.   Het zou een wijze raad voor Pinokkio kunnen zijn, maar dat is het niet. Feit is dat mijn leven draaglijker werd als ik uiterst ondiep sliep, en overdag, als een afwezige reiger van normale lengte, schelpen en kevers stond te verkopen.   Daarom liet ik mezelf de ganse nacht hangen in mijn koorden, aan mijn touwen en katrollen. De pijn zij hield mij uit de slaap, ik rustte in een toestand die mij liever was en overdag, mijn god, mocht er gebeuren wat er wilde en al verkocht ik nul of dertig schelpen, leven bleef ik door twee dingen, zonnestralen en mijn passie voor het kleine, bakjes vol met resten van wat schelpen, slakkenhuizen en karkassen van insecten die vanzelf, ze lagen in de warmte en ze stierven.   Ik heb ze niet geteld en niet gemeten of een sliert met al de diertjes die ik heb beschilderd lang genoeg zou zijn van hier tot in het niets. Het antwoord is te dwaas. Ikzelf ben minuscuul en alle koorden samen veel te kort. Dacht ik dan één oogwenk van het zijn te kunnen vangen?   Ik bleef beschilderen, ik bleef leven, at nog enkel ‘s morgens. Ledig moest mijn spijsverteringsstelsel zijn om daar te hangen als een maan die niet meer schijnen wil.   Zo verliepen twintig jaren en op 17 augustus 2020  heb ik een kleine laptop gekocht. De verkoper lachte en zei : “Je kiest verdorie een model van 2017.” Hij had een kop gelijk een hoender, ik betaalde aan de kassa en Ignace zat daar, hij zei : “Je e-mailadres a.u.b.. ‘t Is voor spam en van die zever. Met zo’n ding van 2017 zit straks gans je geheugen vol met zeik.”   Ignace de klootzak! Was ik mijn roze pil vergeten die morgen? Ik ging naar huis en ik weet het, je vraagt je nu af : wat gaat een gast als Ricky Minnaert nu in godsnaam beginnen met zo’n ding voor de homo internetalis?   Niet meer dan beestjes bekijken, van de kleinste, uit de ganse wereld, inspiratie voor zijn rare kop en toen op een dag zo’n rammelkoets mijn ganse kraam in de vernieling reed, toen ben ik ermee gestopt met dat beschilderen van schelpen en van escargots, ben ik op een donkere dag naar Vloethem getrokken, met lijn 272, ben ik spruiten en saus gaan scheppen, bij die schat. Zij deed de worsten, de patatten en haar naam was Evi, in het lang Evangelina.       bladzijde vier van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
1 1

Winterrust (3)

  In de zolderkamer boven het restaurant stond er geen paal.   Ik verbleef er enkel buiten de openingsuren van het restaurant. Gelukkig was het geen eet- en spreekcafé dat lang open bleef. Het ging altijd precies om elf uur open en sloot om tien uur ‘s avonds. Er kwamen enkel toeristen eten en er waren tafels genoeg zodat iedereen die beslist had om er te eten direct een plaats kreeg. Er werden geen klanten wandelen gestuurd om eerst elders flutbier te gaan drinken.   Het restaurant was trouwens niet van de meest succesvolle. Zelf at ik er nooit. Ik verliet via een metalen trap mijn zolderkamer voor elven, kwam pas terug na tien uur en nam diezelfde noodtrap, die mijn klopjes op de reling begon te kennen. Een andere toegang was er niet.   Op een tussenverdieping was een toilet gemaakt en om toch minstens twee urinoirs te kunnen hangen was de toegang naar de zolderkamer toe getimmerd. In den beginne was er op mijn zolderkamer geen wc. Eén keer heb ik het toilet van het restaurant gebruikt. Ik deed wat ik moest doen en keek waar de afvoerbuizen een gat zochten in de muur.   ‘s Anderendaags heb ik zo’n porseleinen model gekocht en die via de noodtrap naar de zolderkamer gesleurd. Met wat PVC-buizen maakte ik een verbinding met de afvoerbuizen enkele meter lager. Een waterslang verbond het zitding met een kraantje onder de pompbak.   Tijdens het klussen keek niemand toe. Ignace niet, niemand. Alleen de gedachte aan mijn vader, die meesterprutser en kampioen in destructie, spookte door mijn hoofd. Ik was minder dier dan hem en hield mijn zolderkamer kraaknet, waarmee ik niet wil zeggen dat alle dieren een smerig nest of hol hebben. De verfpotjes en spuitbussen stonden netjes gerangschikt en de touwen die ik overhield rolde ik op haspels. Ik stapelde ze als een kegel met trapjes, even cliché als een Brugse gevel, maar dan cilindrisch.   Wat de shibari betreft, waren de mogelijkheden beperkt omdat ik alleen was. Ik liet niemand toe tot mijn zolderkamer en was ook niet van plan daar verandering in te brengen. Met één katrol in het midden boven het bed maakte ik het meest eenvoudige systeem. Door het wiel liep één koord, aan het ene uiteinde zat een grote lus en aan het ander eind een haak. Beide uiteindes hingen ongeveer een halve meter boven het bed.   Eerst snoerde ik mijn benen zo hard als mogelijk samen, met een dun koord. Dan boeide ik mezelf de handen op de rug. Het waren standaardboeien, maar ik had beide helften gescheiden. Aan beide helften bevestigde ik een ring. Ik stak mijn ingesnoerde benen in de grote lus die boven het bed hing, rechtte mijn bovenlichaam zo veel als ik kon achterwaarts en de ringen visten naar de haak boven het bed.   Op die manier kwam ik daar te hangen, mijn kruis nog net tegen het bed. Het moet er van de zijkant uitgezien hebben als een maan die men met touw volledig ingesnoerd had, maar een dief was met de bovenste helft van de koorden gaan lopen en had voor de grap aan de onthulde kant een mensenkop vastgetimmerd, en ook twee armen die schuin weg naar de hemel wezen.       pagina drie van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (2)

  Naar tante Hannelore ben ik dus niet meer teruggekeerd. Ik had mijn eigen poten. We spraken soms wel eens af, meestal in Bistro du Phare, een drank- en eetgelegenheid zonder vuurtoren. Dat was ook aan de rand van de stad en daar was altijd parkeerplaats voor haar Twingo.   “Ik moet haar eens laten smeren”, zei ze op zondag 8 juni 1997. Zij had een vrouwelijk karretje, waarom ook niet, en een repliek mijnentwege in de trant van “ík wil het wel doen”, zou te onnozel geweest zijn.   Nooit zal ik een spraakwaterval zijn en ook die dag zei ik niet veel. Toen ze vroeg hoe het ging met de schelpenverkoop, antwoordde ik : “Goed genoeg om van te leven”, in de zomer toch, “dan zijn er meer toeristen”, en naïevelingen die mijn kleine tafeltje bij het sashuis aan het Minnewater voorbijliepen en drie stappen achteruit zetten omdat ze plots dat rare gevoel kregen toch iets te moeten kopen.   De zon had op ons gelaat geschenen, hetgeen deugd gedaan had en ze vroeg aan de kelner om af te rekenen. Ze betaalde en gaf me een zoen op het voorhoofd. Ik glimlachte als een kikker die geen vlieg wil lossen, aarzelde even. Ze hield het hoofd stil. Misschien verwachtte ze een zoen terug en mijn kus raakte nog net haar mondhoek. Het was op de rand van haar zachte lippen en ik ging voort, mijn ronde doen, bij een restaurant of drie, leeggevreten escargots ophalen.   In het begin keken ze raar die afwassers in die restaurants, toen ik via een achterdeur binnengekomen was, voor hen stond en vroeg of ze die lege slakkenhuizen voor mij apart wilden houden. Ik beloofde ze één keer per week af te halen. Ik maakte ze wijs dat het voor een groot kunstproject was, dat ik er een koninklijk plafond mee ging beplakken.   “In België”, vroeg één van die gasten. Ik antwoordde : “Neen, in dit land moeten het groengouden mestkevers zijn, maar die heb je vast niet.” De afwasser lachte. Het was blijkbaar een man met humor want hij gaf me toch nog een antwoord : “Ik kan vanavond mijn drol op een bord leggen en kijken of er iets uit gekropen komt.”’   Vandaag had slechts in één van de drie restaurants iemand escargots besteld. Veel kon ik er niet meenemen naar mijn zolderkamertje, waar ik ze waste en met verschillende spuitbussen en verfborstels in magische kleuren hulde. De binnenkant spoot ik steevast eerst zwart.   Twaalf escargots kreeg ik afgewerkt. In die restaurants lagen er altijd precies zo veel op zo’n hightech bord met twaalf kuiltjes voor twaalf van die doodgestoofde diertjes en zo ging het ook : in veelvouden van twaalf waste ik en beschilderde ik ze.   Meikevers kon ik meer dan genoeg vinden in het Minnewaterpark. Ze leven niet langer dan twee weken en natuurlijke vijanden hebben ze daar nog nauwelijks. Als je rondkeek in de stad, zag je het. Vervallen zoldertjes met kaduke raampjes bemerkte je nog elden. De daakjes waren opgeknapt en de vleermuizen verdreven.   De droge meikevers gaf ik altijd een laagje blinkende vernis. Ik mengde er blingblingkleurtjes door en met een klein borstel bracht ik het mengsel aan op het pantser van de beestjes. Glans verkoopt beter dan mattigheid! Al kochten de toeristen liever de grote escargots. Het is zoals mannen, als ze kunnen kiezen tussen een grote en een kleine strontbak, dan kiezen ze de grote.   Beschilderde slakkenhuizen had ik in nachtblauw met zilveren sterretjes, ook koperrode met gouden stippen en nog veel meer kleurcombinaties. Alle kregen ze een gaatje en een simpel koordje. Ik stak ze in open houten kistjes met verschillende vakjes, stapelde de kistjes en bond ze bijeen met een koord. Touwen genoeg chez moi. Die stapel kistjes waren altijd voor mijn linkerhand en onder mijn rechterarm droeg ik het klaptafeltje. In mijn oren stak ik altijd oordoppen, voor de stilte, en op mijn hoofd die ene muts, niet om herkend te worden, maar omdat ik die gemakkelijk tot over mijn oren kon trekken.   Ik deed van den domme. Als ik daar stond achter mijn tafeltje was ik doofstom. Ik deed alleen tekens met mijn handen en vingers, om geïnteresseerden op bepaalde details te wijzen of om een duim op te steken als ze iets hadden gekocht. Ik zweeg, de ganse dag.   Behalve als er een iemand op me afkwam, waarvan ik het vermoeden had dat het een controleur was. Ik was immers geen leurder, had geen bedelvergunning of welke toelating dan ook en als zo iemand dan een verdachte vraag stelde in de aard van “Wat doet U hier?” dan antwoordde ik, op een manier die men van een gestoorde stotteraar zou verwachten : “I-ik r-ruil al-leen m-maar, tee-eegen b-b-bloemen, l-l-lief-s-t va-an pa-a-pier.”       bladzijde twee van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
18 0

Winterrust (1)

  Dr. Geppetto was het die mij aansprak, ginds in zijn bureau, in die kliniek voor mensen zoals ik. Helaas, het was een man van hout, met weinig fantasie. “Krijg ik een nieuwe kop?”, zo vroeg ik hem. Hij lachte, gaf mij pillen en ik lachte ook : “Zijn dit de anti-Ignace-pillen?” en hij knikte.   Goed, en lang ben ik daar niet gebleven. Je weet misschien zelfs wat ik dacht : Als ik loop, dan binden ze me vast en als ik vraag om koorden, of ze willen helpen bij het binden, "God almighty neen, hier kan dat niet."   Wat moet een mens dan doen in een stad vol werelderfgoed en verweerde stenen? Ik zocht een kamer heel bescheiden, vond er één. Boven een toeristenrestaurant, waar mensen één keer komen, omdat ze denken dat er boven geesten wonen en de huurders lang geleden al gevlucht zijn voor de stank van aangebrande tijden.   Welk restaurant het was waar ik toen woonde? Neen, ik zeg het niet en bovendien,  alleen ik had de sleutel. Het slot had ik, nog toen ik klein was, al gewisseld.   Ooit heb ik het gekrabbeld, op die muur achter mijn bed, daar op die zolderkamer :      “Neen, waar ik woon, daar wil je niet eens komen, want het stinkt er naar een mensenkeuken, hoor ze, wieken van de vette geuren, het geluid van veel te veel ventilatoren, het plafond is dun, doorheen het dunne hout van pijnbomen kan ik zien, hoe ze pintelieren, discuteren over dieren, mensen, apen in een kooi, een koets op smalle wielen dendert over de kasseien, kinderen ze gooien, stukken brood en toekomst naar de zwanen, kromgenekte wijzers op een toren, chot, ze draaien zelden achteruit en morgen komt geen mens mij post bezorgen, geen reclamefolders liggen op mijn zolderkamer want ik wil en zal niet bladeren door cijfers en getallen onder dozen, pakjes, flessen, blikken van de mensen kunnen mij alleen vertellen of het koud is, warm is binnenin, daar slaapt het grootste deel, woekert hier en daar miserie en misschien, vliegt er een vlinder uit hun mond, duwden middenrif en hart genoeg omhoog en waren koorden rond de ribben eindelijk genoeg, zo hard gebonden dat een pop het leven liet, een vlinder wegen vond, omhoog, durf ik te kijken want de wolken willen weten hoe het zit, of ik nog leef ginds bij die beesten, want de meeste dingen, geesten die hier rond dit meer rondwaren, daar wordt aan geknaagd en zonder het te vragen of het goed is, gaat zij steeds weer op de zon, al is het elke dag een mager straaltje dat mijn oog bereikt, ik weet het wel, in welk verlegen kleed, zij op mij wacht, daar aan de overkant.”       bladzijde één van 'Winterrust' (vierde en laatste deel van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (slot van deel 3)

  Hij zat daar in zijn boomhut. Misschien was hij op zoek naar beschutting, fierheid, trost en spitsvondigheid. Ignace kon beter tekenen dan ik, Ricky Minnaert met de onzekere handen. Hondjes zat hij daar te schetsen en te specifiëren, stukjes, slierten DNA, met stiften, pijltjes hier en daar, opmerkingen over dit en dat, het functioneren van de stoelgang, testjes moesten ook gebeuren om te kijken of het werkte en berekeningen met volumes, verhuurprijzen, een ontwerp of tien, de beste botten, poten, een contractje met de schepper, god, wat was hij weer van plan?   Zoals gewoonlijk was het hij die mij zocht en hij stond daar, met in zijn hand dé tekening, de finale versie, van een fluogele hond, halve meter hoog, een schroefdop achteraan. “Wat is dat?” vroeg ik. “Verhuurhondjes”, sprak hij. “Verhuurhondjes?” zei ik hem na. “Ja, de toekomst is dat. Money, money. Proper en inruilbaar, te verhuren aan die oudjes in die rusthuizen, aan iedereen die wilt.” “En die dop?”, vroeg ik. “Cleane beesten, een propere versie. Ze moeten zich niet bukken, stront ruiken, niets oprapen, geen vuilbak zoeken.” “Voor de hond?” lachte ik. “Voor de stront!” zei hij en met enige ergernis in de stem ging hij verder : “’s Avonds worden ze teruggebracht, naar het verhuurbureau en in een achterkamertje geledigd. ‘s Morgen weer verhuurd.” “Gij zijt zot!” zei ik tegen hem en hij liep weg.   Ik weet niet of hij mij de spot die in mijn laatste woorden geklonken had, betaald wilde zetten, maar in de namiddag was hij daar weer. Cezaar liep in het gras, temidden herfst en sprietjes. Ignace pakte de hond vast en ik voelde het, dat er iets op til was. Iets dat niet pluis was ging gebeuren en ik voelde of het mes nog in mijn zak zat. Gelukkig!   Ignace ging zitten, op zijn knieën, in oostelijke richting, draaide Cezaar met zijn kop in dezelfde richting. Hij deed zijn broek open, haalde er zijn snikkel uit en begon Cezaar zowaar in de aars te neuken.   “Gij zot!” riep ik, klikte het mes open en plantte het in de rug van Ignace, maar trof enkel een hond.   Hannelore die mijn kreet gehoord had, kwam aangesneld. Ze droeg een veel te kort tennisrokje, met zo’n clip, je weet wel, waar speelsters fluogele ballen in vastklikken, waarom? Ze haalde het mes uit de hond en riep : “In Godsnaam, Ricky, waarom?” “Het was Ignace”, zei ik en ze keek rond zich.     Diezelfde avond nog heeft ze me met haar Twingo naar Brugge gebracht, naar het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw, aan de Koning Albert I-laan.   Ze gaf me een kus op het voorhoofd toen ze wegging en zei : “Hopelijk tot gauw”.       zevende en laatste pagina van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (6)

  Vrouwen met de naam Hannelore krijgen nooit genoeg van thee. Die avond zette ze alweer een kannetje en nam alvast een kalmteverwekkend zakje uit het doosje met opschrift ‘Passiebloem en Valeriaan, 20x 2g’   “Je werd er blijkbaar rustig van, van dat tochtje langs de Stinker en de Blinker”, zei ze. Daarmee bedoelde ze allicht een glimmende eikel en onwelriekend mannenzaad, en niet dat koppeltje kanalen dat temidden populieren een streep trekt van de Siphon tot in Strobrugge.   Ze vond het wel beter dat ieder zichzelf behielp. “We vinden elk wel een hoekje”, zei ze terwijl ze hete lucht wegblies. De thee was nog te warm. “Bind me liever vast”, zei ik, “als ik ergens iets beter van wordt, dan is het dat.” “Na mijn thee”, zei ze.   Op de zolderkamer bond ze me vast. “Zo hard je kan”, zei ik. Een koord schuurde over mijn lege ballen en mijn plasser, rond mijn middel en zo verder naar boven, rond borstkast, door de mond en uiteindelijk rond de nek. Met een twee touw bond ze mijn benen vast en dunner koord bond mijn voeten strak bijeen. “Tot straks”, zei ze en ging witloof stoven.   Hespenrolletjes met binnenin witloof rustten in een witte saus. De puree was zacht, wel en fijn gekruid. Cezaar lag in zijn mand en kon nog niets vermoeden. We speelden poker, de kaarten waren rood en zwart, de schelpen geld.   Ignace zat in zijn boomhut, draaide met de vingers, bootste na een koekoek, uil, een pauw en een kalkoen. Zelf gaf ik een kus aan Hannelore, dankte voor het eten, legde me te bed en sloot de ogen.     "Het wordt een zwarte L-vlinder, mijn schat, vergis je niet. Ik zei het tegen haar. Ze vloog de nacht in, landde nog een keertje op mijn schouder, keek me aan met ogen van een zacht katoen. De L, op elke vleugel één, is minuscuul en zwart, de milde vleugelvlakken bijna wit. Ik zie slechts aderen van tederheid. Er zijn geen wolken meer die dreigen. Vlagen willen in zich zure regen niet meer dragen. Vraag mij niets, waarom de tijd verglijden, onmacht aan je vleugels kleven moet. Een vlinder lijdt slechts even na de val."         bladzijde zes van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (5)

  Cezaar vrat, het was vier uur en tante Hannelore stelde voor de delhaizethee te proberen. Ik zei dat ik daar maar weinig van geloofde. Rustgevende thee? “Drink dan een glas water”, zei ze. Ze boog zich voorover, haar koppeltje wiebelde en ze vulde een glas onder de kraan. “Ze zijn eruitgewassen”, stelde ze me gerust, “de vlekken uit je pyamabroek”. Wou ze met mij een gesprek aanknopen over propere beken en andere lozingen?   Hannelore kende weinig taboes en zei dat ze zelf ook zelfbehulpzaam was. “Het is wel veranderd sinds jij hier woont”, ging ze verder, “vroeger moest ik niet nadenken over waar en wanneer.” Ze bloosde licht en haar warme ijs smolt nu allicht iets sneller. Wat moest ik daarop zeggen? Dat ik het met de tijd normaal was gaan vinden dat iemand stond toe te kijken, als ik mezelf behielp? Neen, ik had beslist om het meer haar niet hebben over Ignace Somers.     Maandag 26 september was wel een nazomerdag. In een tuin is er altijd wel een hoekje dat wilt bloeien, dat het niet opgeeft, al wordt de bodem zuur en zijn de winters te nat. De herfstasters en het Chinese lampenpoetsersgras lieten zien waarom ze leefden en duldden die dag geen contrast met nonchalant onkruid. Mij zond ze naar boer Huppeldepup om witloof en zelf kroop ze haar tuintje in om te wieden. Ik was niet lang weg want boer Huppeldepup is een witloofboer en die doen niets anders dan in donkere koten wroeten en rondrijden met edel wit. Ik kwam hem tegen en kocht een kilo van zijn gewassen.   Ik keerde terug naar Preekboomstraat en warm herfstwindje blies me rond de oren. Hannelore was gaan kruipen en aan het wieden geslaan tussen het paars van de asters en de sierlijke grassen. Het was datzelfde septemberbriesje dat het kleedje omhoog wierp waardoor het voor een deel op haar rug kwam te liggen. Ignace sloop dichterbij, ging op zijn knieën achter Hannelore zitten. Hij opende de rits van zijn broek en wreef met zijn beste hand over haar rechterborst. Hannelore reageerde niet. Ze schrok noch glimlachte en Ignace haalde zijn stijve snikkel uit zijn broek en naderde haar muis, maar een onkruidhand verscheen tussen haar billen en leidde zijn fluit naar haar strontgaatje waarin hij verdween. Ignace bewoog heftig, Hannelore amper. Hadden ze mij dan niet gezien? En ik riep : “Tante Hannelore, hier ben ik, met de witloof.”   Het beeld stopte, tante Hannelore stond recht en veegde zich de handen af aan het kleedje. “Oei, dat was ook niet handig”, zei ze en keek me aan. “Je lijkt van slag, Ricky” Ik zei dat ik het gezien had, hoe de wind haar kleedje omhoog blies, “en alles daarna!” “Wat zag je?” vroeg ze en liet het kleine harkje vallen. “Wel… ik zag je kont, je tuin en hoe die…”   Ze legde haar rechter wijsvinger op mijn lippen en deed me zwijgen. “Wat je zag is echt, dat ben ik, dat ben ik helemaal”, en ze knoopte het witte kleedje los. Het viel op enkele sprietjes handjesgras. “Nu zie je alles,” fluisterde ze, “zo biezonder is dat niet, een vrouw in de dertig, maar wel met een nog rimpelloze buik, die nog geen kinderen baarde”, en ze legde mijn hand op haar buik. Daarna trok ze mijn short naar beneden. Ze begon mijn plasser te verwennen en ik kwam klaar op haar billen.       pagina vijf van ‘Hannelore en de hellehond’ (deel 3 van mijn e-boekje ‘Ricky Minnaerts Somertijd’)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (4)

  1995 was geen schrikkeljaar. Er zijn weinig jaren waaraan een wonderlijke dag toegevoegd wordt en ook geen jaren waarin lijden overgeslagen wordt.   In de derde week van september timmerde ik een kot voor Cezaar. Een najaarsbui controleerde of het dak wel waterdicht was en tante Hannelore zag dat het goed was. Door de band genomen ken ik geen afkeer voor dieren. Integendeel, hoe kleiner ze zijn, hoe meer ik ze bewonder en hoe groter mijn troost is als er kleurrijke exemplaren verschijnen in mijn verbeelding. De twee diersoorten die ik daartegen niet onbevangen kan bewonderen zijn die van de mensaap en de hond. Bij mensen zijn er grote verschillen tussen de individuen. Honden kunnen ook totaal verschillende karakters hebben, zal een hondenliefhebber nu opmerken. Let it be. Feit is dat zowel de mens als de hond soorten zijn met een gevaarlijk meutegedrag. Daarom is een hond die geen soortgenoten om zich heen heeft, doorgaans rustiger. Helaas zijn het vrij dwaze dieren en beschouwen ze vaak de mens als een soortgenoot, hetgeen, van een andere kant bekeken, dan ook weer begrijpelijk is, als ik denk aan mijn moeder. Niet dat mijn moeder ook maar één uiterlijke kenmerk had van een hond. Het zijn die vijf woorden die ze te vaak zei, die haar tekenden en die mij altijd zullen bijblijven. Ze sprak die woorden vaak tegen de keukenvloer. Het was een vloer met rode Boomse tegels en ze waren gevoegd met donkergrijze specie. Haar stoel had ze iets achteruit geschoven, op haar schoot had een wasmand gestaan. Ze had kousen twee per twee netjes in elkaar gevouwen. De mand had ze op de grond gezet, haar ellebogen rustten op haar knieën, haar radeloze hoofd op handpalmen en ze zei : “Waarom heb ik een hondeleven?”   De zak voer die Hannelore meegekregen had van Ivan, was al gauw leeg. Het was zondag 24 september en we trokken naar de Delhaize in Heist, open tot 12h00, en de kans was groot dat ze daar de juiste brokken hadden. Dichterbij was er helaas geen winkel waar ze het favoriete merk van Cezaar verkochten en “het beest moet toch eten”, zei tante Hannelore. Met haar Twingo zijn we naar Heist gereden, via de expresweg. De brug van Hoeke over, de Damsche Vaart kwam al op ons af toen een busje ons met slingervaart voorbijstak. Aan het stuur zat Ignace die blijkbaar helemaal van Lapscheure naar Brugge gestapt was om daar een belbusje te ratten. Een dagje uit aan zee? Terwijl het niet eens nazomerde, of was hij weer iets van plan? Eenmaal ons voorbij, kwam hij voor ons rijden als een slang met nieuwe wielen en stak de linkerarm door het raam. Eerst wuifde hij gewoon, daarna werd zijn hand een revolver en schoot hij twee keer in de lucht. “Wat voor een onnozelaar is me dat?” zei Hannelore.   Ik zweeg, telde verlichtingspalen en je gelooft het niet hoeveel soorten voorgevormde hondenlekkernijen er bestaan! Een gans rek vol in die Delhaize, meer soorten hondenbrokken dan soorten rijst. “Het is me wat”, zei tantelief, “in Afrika zit er één soort rijst op een vrachtwagen van Unicef. En met wat geluk nog wat medicijnen. Hier staan twintig meter, vijftig soorten hondevoer.”   We zetten twee zakken van Cezaars merk in het karretje, Hannelore koos nog een thee uit waarvan men dan rustig zou moeten worden, ik legde er nog een netje bloedappelsienen bij en we rekenden af aan de kassa, bij een vrouw die een kapsel had als de poedel van Johnny Rotten.       vierde pagina van 'Hannelore en de Hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
15 0

Hannelore en de hellehond (3)

  Op 13 september 1995, in de ochtend, belde Ivan met Hannelore. Ik vertik het om hem nog ‘nonkel Ivan’ te noemen en het gesprek ging over Cezaar. Ignace hield zijn linkeroor haast tegen het rechteroor van Hannelore. Enkel wat plastiek, een kleine luidspreker en draden zaten tussen hun hoofden in. Na het telefoontje zette Hannelore met diezelfde pot van op de vorige pagina thee. Ignace bracht me nog voor de thee getrokken had, volledig op de hoogte van de inhoud van het gesprek :   “Die hond van Micheline”, had Ivan gezegd, “kan jij daar wat mee? Enzo en Falco zitten nu beiden in de kleuterklas en er komt overdag geen oppas meer.” “Cezaar, bedoel je?”, had Hannelore gevraagd. “Ja, die Cezaar”, klonk het aan de andere kant. Hannelore had daarna gezwegen en Ivan was nog luider beginnen spreken : “Ben je daar nog? Is het goed?” Weer had Hannelore niet direct geantwoord, en pas na enkele seconden had ze gezegd : “Ik denk het wel.” “Oké, dan zie ik je vanavond, na zes uur. We hebben hier nog de ganse reutemeteut, een slaapmand, een deken, brokken, een leiband, kam en zelfs een zwemvest.” “Een zwemvest?” had Hannelore gezegd. “Ja, fluo-oranje”, was zijn antwoord. “Kan hij niet zwemmen?”, vroeg Hannelore. “Toch wel, maar Micheline nam hem soms mee naar Oostende. Ze zei dat hij nooit uit dat dok zou geraken mocht hij erin vallen en de kade is bij laag water wel zes meter hoog. Dat zou van akelig hoog duiken zijn en als ze het via één van die roestige ladders zou proberen, dan zou een tijdje duren om tot bij dat beest te geraken. Zo’n zwemvest zou zijn leven redden.” had Ivan gezegd en het gesprek afgesloten met : “Oké, tot vanavond dan.”   Ik dacht dat Ignace de helft van het gesprek verzonnen had. Ik kon mij niet voorstellen dat uit Ivans klep zulke volzinnen gekomen waren.   Dat ze, zij het niet met grote overtuiging, ingestemd had, klopte wel en Hannelore vroeg : “Ga je mee naar Middelkerke? Cezaar komt hier wonen.” Ik meegaan naar Middelkerke? “Liever niet”, antwoordde ik. “Dan zie je Enzo en Falco nog een keertje”, zei Hannelore. “Neen, echt niet”, zei ik, “ik ben niet zo in mijn haak vandaag.” “Dan niet."   Had ze gezegd dat een hond hier komt ‘wonen’? Normale dieren leven ergens, ze ‘wonen’ niet in een bos, een hol, of waar dan ook. “Ja,” zei Ignace, “als er één dier is dat ergens ‘woont’, dan is het dat beest in de kop van een man!”   Ik proefde van de thee. "Niet te straf?" vroeg Hannelore. "Een beetje wel", was mijn antwoord.       bladzijde drie van ‘Hannelore en de hellehond’ (deel 3 van mijn e-boekje  ‘Ricky Minnaerts Somertijd’)

Bernd Vanderbilt
0 0

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL DRIE

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL DRIE   Zij: “Ik wil overal van proeven. Nee- ik wil niet proeven. Ik wil overal van happen. Het leven is de grootste patisseriezaak die je je kunt voorstellen. Het aanbod is eeuwig en magisch. Ik wil elke plaats op de menukaart ontdekken.”   Ik: “Het leven is een patisseriezaak en dat baart mij zorgen. Er zit een massaproductie achter. Je wilt dan van alles proeven, maar je kent geen grens. Wanneer je slaapt wordt elke ervaring aangevuld, zodat je opnieuw en opnieuw kan proeven en je wilt dan te veel. Je proeft opnieuw. En steeds bestel je meer, tot je tong rauw is en je maag barst.”   Hij: “Ooit is mijn maag in gedachten gebarsten. Uit angst had ik mezelf geleerd niet meer te eten en ik voel nog steeds de gevolgen daarvan in mijn hart. De gevangenis die ik bouwde voor mezelf in mijn gedachten en waarin ik vast kwam te zitten. Mijn hoofd als een kompas voor de weg die ik ellenlang volgde. Toen ik aankwam realiseerde ik mij dat ik fout zat. Daar ben ik over de afgrond gegaan. Jaren later, realiseer ik mij dat ik niet fout was, maar dat het kompas in mijn hoofd de foute weg aangaf. Ik was het noorden kwijt en het oosten en het westen en het zuiden. Maar ik bleef een realist.”   Ik: “jij bent geen realist, jij bent een nihilist en je doet daar niets mee, het doet je allemaal niets. Je leeft in een wereld waar mensen enkel bestaan wanneer ze je raken. Jij deelt de gehele populatie op in fragmenten van je eigen ziel. Stop met bewegen. Je beweegt mij niet.”   Zij: “Laat mij dan tenminste binnenkomen.”   Hij: “Je denkt dat ik boos ben. Ik ben niet boos, maar bang. Ik sta te trillen en te rillen van het zweet op mijn voorhoofd. Als ik zou weten hoe de mens te controleren zou ik zeker zijn en gaan naar de bestemming van mijn leven, maar er zijn zoveel bulten in het landschap. Ik kan niet ver meer zien.”   Ik: “Zou je mijn hand willen vastnemen? Zou je mij in vertrouwen nemen? Ik –die zo fel is en van het leven een gele vlek maakt met wit licht en stralen en ik die dus oogverblind brandt. En jij, die zo zacht kan zijn, wanneer je even je masker laat vallen. Controle is zoals verdraagzaamheid, ik zou graag op een van de twee nog kunnen hopen. Je bent al wie je wilt zijn. Ik zeg het je nu. Degene die je wil zijn, huist al wat langer in je hoofd, maar je hebt hem ingemetseld. Laat hem vrijkomen. Laat hem breken en dan weer zacht worden. Dan zal het leven je in de ogen hebben gekeken. En je zal altijd priemende ogen in je rug voelen. Maar je draait je nooit meer om. Je rent tot de adem in je haarwortels zit en het blauw in je schenen.”

Camilla Peeters
0 0

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL TWEE

 Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL TWEE   Hij: “Ik had niet gedacht dit gevoel ooit nog mee te maken. Toch staan we hier. Ik heb me niet voorbereid, ben een beetje oncomfortabel. Het spijt mij, maar de schok is nog steeds hetzelfde.”   Zij: “Bij elk uitgesproken woord hou je je buik vast, je wil toch niet breken? Je wil toch niet hard worden? Je wil toch niet dat je morgen wakker wordt en beseft dat je vastzit in een trilling, een harmonie en je kan enkel opnieuw rondgaan tot je niet meer weet waar het begin en het einde van de ronde zijn?”   Hij: “Ik denk niet dat ik dit nog lang volhou.”   Ik: “Je ziet er voller uit, maar ik weet dat je leegloopt. Daarom ben je jezelf in brand aan het steken.”   Hij: “Zo voelt het ook. Mijn longen branden en mijn darmen likken vuur tot in mijn maag en tot in mijn slokdarm. Ik heb echt pijn.”   Zij: “Je kijkt in de spiegel en ziet de barsten. Morgen val je neer.”   Ik: “Je bent net neergevallen door te spreken. Morgen sta je weer op en ga je terug naar waar je vandaan kwam. Je hebt die zoete, lege herinneringen. Je weet hoe je eruitzag. Zoek jezelf.”   Hij: “Ik wil mezelf vinden, maar ik herken slechts fragmenten. Ik ben een beeldopname, niet meer dan een zijde in een dimensie in een tijdlijn. Elke keer dat ik een stukje zelf zie, sla ik het stuk. Uit zelfverdediging, uit angst, uit rebellie. Mijn schuldgevoel blijft groeien.”

Camilla Peeters
0 0

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL EEN

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL EEN   Ik: “Mensen zijn kneedbaar. Wij zijn kneedbaar. Je kan uit deze vorm iets anders maken, je kan mijn vorm compleet vernietigen en er iets anders uit bouwen. Dus wanneer jij zegt dat mensen zouden moeten doen wat jij zegt, heb jij maar een klein beetje gelijk. Je kan mensen kneden, maar je kan niet voorspellen hoe de uiteindelijke vorm eruit zal zien. Je kan niet verhinderen dat we uit onszelf een bocht nemen. Onszelf kneden. Mensen kunnen zichzelf kneden en tegenspreken. Het spijt mij dat ik enkel doe wat je zegt in de tegenwoordige tijd. In de toekomst staat daar geen garantie op.”   Hij: “Laten we dan zwijgen. Laten we dan de hele rit geen woord meer zeggen. Ik wil je niet meer kneden, want ik ben degene die gekneed wordt. Jij buigt terug en springt weg en ontspringt mijn handen en knijpt mij en kneed mij. Ik wil niet gekneed worden.”   Ik: “Hij die niet gekneed wil worden, vlucht van zijn menselijke vorm. Hij zal uiteindelijk achterblijven als een logge blok. Zonder vorm, zonder mogelijkheid tot bewegen. Vast in vorm en trots. Hij accepteert de vooruitgang niet en blijft achter met een gedateerde moraal. Hij ziet niet dat hij achteruitgekropen is en kijkt met zijn rug naar de wereld. Hij zwijgt niet alleen, hij is blind.”   Zij: “Jullie staan daar jullie hoofd te breken, maar kneden niets! Kneed mij dan!”   Ik: “Door het pure luisteren ben jij al gekneed. Vanavond zal je merken waar je gekneed bent, morgen sta je op in een nieuw vel.”   Zij: “Een andere vorm in hetzelfde vel.”   Ik: “Je hebt zonet je vel afgeworpen als een masker. Weet je dan niet dat je je eigen zijnsgrond, je manier van bestaan hebt doorbroken door je te mengen in een gedachtegang die niet van jou is?”   Zij: “Is dat niet goed dan? Ik wil geen blok zijn. Ik wil nieuwe gangen te blijven vinden tot ik zo moeilijk gekneed ben dat niemand nog weet waar de vervorming, de knobbels begonnen zijn en wie begonnen is, wie de eerste bocht heeft gemaakt.”   Ik: “Een droom.”   Hij: “Een dans die slecht eindigt.”   Ik: “Omdat de constructie te complex wordt voor jou: je zit in de vorige dimensie. Jij ziet de beelden dansen voor je ogen. Maar ze dansen niet, ze stromen.”

Camilla Peeters
0 0

Hannelore en de hellehond (2)

  ‘Het kon mij niet schelen’ zou niet correct zijn, toch niet wat de duur van het vastbinden betrof. Het mocht zolang ik kon en meestal was het niet eens ik die besliste dat het genoeg was geweest. Tante Hannelore kwam me losmaken als zij vond dat ik iets moest eten en drinken. “Ik ben niet van plan je te voederen aan die paal”, zei ze.   Toen ik losgeknoopt was, keerde ik voor een deel terug naar deze wereld, toch de wereld in en rondom het huis van Hannelore. Aan de paal was ik weg. Ik sloot de ogen en een geestelijk voorstellingsvermogen vulde de donkere ruimte, al kon het ook best aangenaam zijn om alle dimensies tot een niets te reduceren en in een leegte te verblijven, hetgeen me niet lang lukte. Al snel verscheen er een poot van een kever, ontwierp mijn fantasie de meest bizarre vlinders en bevond ik me in een tuin die geen Eva kent.   “Drink je glas water leeg. Eet een boterham,” tante Hannelore zorgde voor me als een echte moeder en ze begreep toch enigszins hoe ik me beter, of beter ‘minder slecht’ kon voelen. Ik hielp haar ook. Voor mij was lang op de knieën zitten en onkruid wieden geen hels karwei. Ik hoefde geen matje onder de knieën en was voorzichtig met de kevers en de regenwormen.   Ignace stond vaak te kijken aan de rand van den hof en maakte vaak zijn favoriete gebaar, die gekrulde duim en wijsvinger met die opgeheven, middel-, ringvinger en pink. “Ja, alles oké, everything alright, you fool”, prevelde ik en tante Hannelore begon een liedje te neuriën, van Jesus Christ Superstar. Ze glimlachte, kende zelfs de tekst van het liedje en toen ze, na nog wat ‘lalala’ stopte, zei ze dat ik zo gek nog niet was.   Ik kon de rust en relativeringskracht die in haar leefden best wel op prijs stellen. Micheline kon de liefste geiser zijn. Tante Hannelore was uit het warmste ijs gesneden. Na het wieden gingen we thee drinken. Ik had voordien haast nooit thee gedronken, maar Hannelore maakte er een aangenaam ritueel van. Ze verfriste zich eerst de oksels, waste zich daarna de handen, schudde de druppels soms in mijn richting, trok zich het kleedje recht, wreef zich over de borsten, die beduidend groter waren dan die van Micheline, en zette een kan op het vuur.   Eenmaal het water kookte -het was een kan zonder fluit- nam ze de kan van het vuur en wachtte een minuut. "Zeventig graden is ideaal." Er zat een thermometer in haar linker wijsvinger. Daarna deed ze de thee erbij en we wachtten. Spraakzaam ben ik nooit geweest, dus ik keek maar wat, naar Hannelore, hoe ze de haren die dag gevlochten had en als ik te lang naar haar kopje keek, zei ze : “Ik vlecht enkel de haren.”   Dat klopte niet helemaal. Ze vlocht ook mijn koorden. De ondeugende vraag of haar onderste haartjes daarvoor te kort waren, kwam wel in me op, maar ik zweeg. Ik had mijn fantasie en tante Hannelore een warme theepot. Ze hief het deksels op, keek even, knikte en schonk twee kopjes in.       pagina twee van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (1)

  Sorry Enzo en Falco, dat ik niet naar de begrafenis van jullie moeder gekomen ben, dat ik niet meer met jullie naar het gestrand getrokken ben om schelpjes met een getande rand te zoeken. Papieren bloemen zoekt en verdient men beter zelf.   In Middelkerke of Oostende ben ik sindsdien nooit meer geweest. Ik kon het niet en thuis was ik ook minder en minder, enkel nog om te slapen. Als ik er kwam, gaf ik mijn moeder een zoen op de wang en kroop mijn nest in. Als ze nog snel vroeg waar ik gezeten had, dan zei ik : “In de zon.”     Op een avond -hij stonk weer naar de grootste smeerlapperij- heb ik mijn vader stevig bij de keel gegrepen. Ignace stond te juichen, maakt een beweging met een arm, hij zwaaide ermee en bewoog dan de pols, alsof ik mijn vader met een bijl de kop in moest slaan. Ik heb zijn strot niet lang genoeg dichtgeknepen, anders was mijn moeder eindelijk bevrijd. Gevolg was wel dat ik mocht afterten. Hij smeet mijn pick-up en stapel platen door de venster*.   Waar moest ik naar toe? En moeder heeft toen tante Hannelore gebeld. Die is afgekomen met haar Twingo. Ik heb mijn platen opgeraapt en het gebroken deksel van de pick-up smeet ik tegen de façade. Gelukkig was de mechaniek zelf niet kapot. Ik stak alles in de koffer van de Twingo en we zijn vertrokken naar Lapscheure. Ze had een zolderkamer voor me en “als je maar de muziek niet al te luid zet”, mocht ik van haar draaien wat ik wilde.   Lang heb ik het niet kunnen verbergen, mijn voorliefde voor shibari. Ik was minder mezelf als ik niet af en toe stevig vastgebonden werd en toen ze me op een dag vroeg wat er scheelde, heb ik het haar gevraagd : “Bind me af en toe eens stevig vast.” Ze keek er even van op, eerder omdat ze zo’n antwoord niet verwacht had, dan omdat ze het wat al te gek vond en nadat we het nodige materiaal gekocht hadden, deed ze het ook. ‘s Anderendaags stond er een paal in de zolderkamer en als ze vroeg of ze bepaalde koorden nog harder moest trekken, dan deed ze dat ook zoals het hoorde, hard genoeg. Ze had meer kracht in de armen dan tante Micheline.   Aanvankelijk had ik steeds mijn onderbroek aangehouden, maar ze was niet van den dwaze en vroeg na enkele dagen of “die laatste vod” niet af moest. Ik knikte en stond daarna steeds naakt aan de paal gebonden. Ik dacht vaak aan Micheline en een erectie kreeg ik niet. Hannelore bond mijn fluit vast alsof het een onnozel aanhangsel was en daar valt wat voor te zeggen.   Mijn ouders zag ik niet meer. Mijn moeder geraakte niet tot in Lapscheure en zelf vertikte ik het om me nog in Huize Trammelant te vertonen. Wie ik wel meer zag, was dus tante Hannelore. Elk dag zag ik haar, maar ook Ignace. Die liet mij niet gerust. Hij moet mij gevolgd zijn en had in de buurt een boomhut gebouwd, de zot.       *West-Vlaams : venster (de, v; meervoud: vensters) _________ pagina één van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
6 0

Hemelvluchten Dereyghere (slot van deel 2)

Of ik mij schuldig moest voelen? Feit is dat niets goed afliep en dat het thuis, in Huize Trammelant, ook niet beterde. Die vader van me had ze echt niet meer goed op een rijtje en mijn moeder vond de kracht niet om hem te verlaten. Ik wel. Ik was thuis niet veel meer te zien, ofwel hing ik rond in een park met woekerende planten, zat ik in de Music Mania te snuisteren tussen het psychedelische vinyl of stond boeken te verleggen in een winkeltje op de Markt.   Bartjes Belbus bestond toen nog niet. Hij stond daar nog niet te wachten, naast Jan en Pietje, zijn banden vol met paardenstront en dat is maar best ook, want ik moet hem niet. In zijn busje stinkt het naar ondiep moeras en een mengelmoes van narigheid : zelfgedraaide Vlaemsche eenheidsworst, stremsel voor burgerkaas en rottende vooroordelen. Doe nooit uit nieuwsgierigheid één van de tupperware potjes open die hij bij zich heeft en ben je een verdwaalde toerist die per ongeluk opstapte, spring er dan uit bij het eerste café (met wc).   Over springen gesproken, met Micheline is het niet goed afgelopen en dat heeft niets te maken met die shibari. Ze vonden haar -dat is niet moeilijk in een drukke badstad- op 13 september 1994, precies vijftig jaar na de executie van Noor Inayat Khan. Ze lag op haar buik, in de Jules van Den Heuvelenstraat, bovenop een witte mercedes, een 300S. Ze had een bloedrood kleedje aan en was gevallen, niet als een meisjesicarus, ook niet als een Herman Brood, want ik geloof niet dat ze zelf sprong. Een zon verlaat niet zomaar haar stelsel!   Feit is dat ze dood was. Hoor je me? Helemaal dood! Enzo en Falco stonden daar, als kleine sterren aan het firmament, ze keken naar beneden en Ivan nam nog een slok van zijn geuze, zei tegen de politie dat ze gestruikeld was, over die bak met lavendel.   Een autopsie volgde niet. Dus, ik weet het niet, of ik vader in spe was. Ik wist wel dat er een zon gestorven was, een ijstijd aangebroken.       elfde en laatste pagina van  'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0