Zoeken

Hemelvluchten Dereyghere (10)

  Bij tante Micheline had ik een minder gekwelde ik gevonden en we begrepen elkander. We hebben nooit geslachtsgemeenschap gehad in de enge zin van het woord. Haar poesje heb ik nooit rond mijn plasser gevoeld. Dat was van geen belang.   Op een maandag in augustus zaten we weer bij Marie-Claire. We hadden geen friet besteld en zeker geen zure uitjes, wel twee blikjes bier en daarna nog twee. Ik werd wat loslippig en vroeg Micheline rechtuit of Falco dan van Johnny was.   “Ben je zot?”, antwoordde ze. “Is hij dan van Neptunus?”, vroeg ik dwaas weg. “Eerder van een Cerberus”, en ze zweeg even. “Ik hou ontzettend veel van Enzo van Falco. Ik zal gans mijn leven voor ze zorgen als de zon voor de aarde, al heb ik er altijd van gedroomd een kind te krijgen van een man die echt van me houdt.”   Ik zweeg en toen onze blikjes leeg waren vertrokken we naar het winkeltje, naar het achterkantje, het bescheiden rijk van de onmacht. Zoals gewoonlijk bond Micheline me stevig vast aan de paal. Ze was daarbij ook inoxkabel gaan gebruiken die ik beter voelde. Mijn plasser bond ze die dag niet in. Ze kleedde zich uit, ging op de stoel zitten en speelde wat met haar kutje, wat niet haar gewoonte was.   Daarna kwam ze dichterbij en begon mijn fluit te verwennen. Toen ik klaarkwam ving ze het zaad op in een potje. Daarna ging ze op de grond zitten, op een handdoek met vlindermotief. Met een plastiek spuit, zoog ze het zaad uit het potje, trok de benen op en spreidde ze. De spuit stak ze in haar schede, zo diep ze kon en ze duwde de spuit leeg. Mijn zaad baande zich een weg, naar oorden waar het nooit eerder was geweest.   Ik voelde de onmacht sterker dan ooit tevoren. Micheline bleef een kwartiertje liggen en kwam toen dichterbij. Ze gaf me een kus op het voorhoofd en maakte me los. Ik ging op het aloude stoeltje zitten, liet mijn ellebogen steunen op de knieën, mijn hoofd in klamme handpalmen.   Micheline wreef me door de haren en sprak : “Als de zon voor de aarde”       bladzijde tien van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
16 0

Hemelvluchten Dereyghere (9)

  Ik heb tante Micheline op tijd los gemaakt en elke maandag bonden we elkander degelijk vast, volgende regels van de kunst. Op een zekere maandag vond ze dat die onderbroek belachelijk stond en snokte hem naar beneden. ‘De stoel’ bleek ook niet helemaal mijn ding te zijn. Ik kon niet helemaal vastgebonden worden, mijn bovenbenen bleven te beweeglijk.   Bij de Werkhuizen Decloedt lieten we een paal op maat maken, met dezelfde lengte als de hoogte van de achterkamer. Aan elke uiteinde lasten ze bij Decloedt een vierkante plaat met vier gaten. Acht bouten verbonden de paal, vier de onderzijde met de vloer en vier de bovenkant met het plafond. Tante Micheline bond me steviger vast dan tevoren, rond mijn plasser reeg ze een dun koord, zodat ik in geen geval een erectie kon krijgen.   Op rustige dagen, zoals de meeste, sloot ze geregeld de winkeldeur, kleedde zich uit, ging voor me zitten en vroeg of het nog strakker moest. Meestal knikte ik. Ze kleedde zich, doorgaans na ongeveer een kwartier, weer aan en ging, ongeacht het weer, bij Georgette een ijsje kopen. Daarna keerde ze terug, knoopte me los, kleedde zichzelf weer uit, en toen was het mijn beurt om haar stevig in te snoeren. Zij hing het liefst en het vlindermes zat al die tijd in de rechter voorzak van mijn jeansbroek.     Het werd al gauw weer lente. Het was een pollenvolle dag en de deur van het winkeltje was niet op slot. Ik had al snel door dat er iets niet pluis was. In het achterkamertje heerste niet de stilte van gesmoorde onmacht. Er klonk het geluid van een beer die een zoete vlinder ging verslinden. Ik haalde het mes uit mijn rechter broekzak. Ik herkende hem. Het was de man met de oprit en zijn handelingen bevielen mij allesbehalve. Micheline probeerde hem van zich af te duwen, ik haalde het vlindermes boven, klikte het open en plantte het in zijn rug. Het duurde niet lang voor de beer bezweek en op de grond neerviel als een vlezig en bebloed ongedierte.   Micheline trok zich recht, sloot de winkeldeur en we hebben gewacht tot de duisternis viel. De opritman staken we in een grote vuilniszak, zo’n model voor wereldafval en toen de maan niet keek, hebben we hem naar buiten gesleurd, aan boord getrokken van de Oostende 82, de Antoine. We verborgen het lijk in de reddingssloep. Met een ketting en een cijferslot hebben we de sloep verzegeld.   De O.82 verging enkele dagen later voor de Kust van Calais. Er waren geen overlevenden.       pagina negen van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (8)

  Nog een goed kwartier heeft ze op die stoel gezeten. Ik gaf haar een glas water en zweeg. Ze kleedde zich weer aan, nam haar sacoche en zei : “Kom, we gaan iets eten. Die inventaris doe ik zelf wel, op een andere keer.”   We zaten binnen. Voor de frituur van Marie-Claire was een afdakje gemaakt dat rondom toegetimmerd was met witte planken. Stukken plexi zorgden voor wat daglicht. Op het kleine tafeltje stond één middelgrote pak en een potje zure uitjes. Als saus had ik Andalouse gekozen, Micheline wilde geen saus. Zij ging slechts wat frietjes van mij stelen, zei ze.   “Het is niet wat je denkt”, sprak ze en uit haar sacoche haalde ze een boekje : ‘Kinbaku, the Art of Rope Bondage, by Nawashi Murakawa.’ Ik nam het boekje en begon te bladeren. Een paar pagina’s verder vroeg ik : “En wie is Johnny?” “Johnny helpt mij bij de shibari.” zei ze. “Een Johnny die helpt?” en ik trok de wenkbrauwen op. “Johnny is die kerel van vrijdag, die magere, die wit koord kocht. Hij heeft suikerziekte. Toen ik deze morgen daar vijf minuten hing, zei hij : ‘Te weinig suiker. Ik ga een blikje cola kopen bij Georgette.’” “Georgette is gesloten op maandag”, zei ik. Micheline zweeg. Ik at een paar frieten, dopte ze in de andalousesaus en proefde van de uitjes.   “Ik kan het best zo uitleggen”, ging ze daarna verder, “als onmacht je kwelt, is het beter er een deugd van te maken.” “Onmacht”, zei ik. “Ja, Ricky, jij moet dat maar al te goed begrijpen” en ik dacht aan mijn vader en moeder. “Misschien is het ook iets voor jou?” voegde ze er nog aan toe. “Wat? Onmacht?” “Shibari.” Ik schudde het hoofd en keek haar daarna in de ogen.   Ze nam een paar slokken van mijn blikje fanta en vroeg : “Kom jij me maandag helpen bij de shibari? Met die Johnny loopt het ooit nog een keertje slecht af, als hij plots van zijn stokje draait.”   Op maandag zes januari was ik weer in het winkeltje aan de Baelskaai. Het licht bleef gedoofd en Micheline nam me bij de hand. Met de andere hand opende ze de deur van het achterkamertje en zette een stoel in het midden.   “Zit neer, mijn jongen. Je loog in dat frietkot, met je ogen. Ik zag wat je wilde.” Ze trok mijn shirt, jeansbroek en kousen uit. “Hou je onderbroek aan als je wilt”. Ik knikte. Daarna begon ze me vast te binden. Een koord van vlas ging eerste rond mijn hoofd, in mijn mond, maakte enkele omwentelingen rond mijn bovenlijf en de stoel. “Een keer of vijf”, zei ze, “niet meer. Dan kan ik het nog aanspannen.” Datzelfde herhaalde ze nog drie keer. Eén keer rond mijn buik en de leuning van de stoel en dan, met een fijner koord, bond ze mijn linker onderbeen vast aan de linker voorpoot van de stoel, mijn rechter snoerde ze op dezelfde manier. “Je fluit laat ik nog gespaard”, zei ze zonder echt te glimlachen, draaide zich om en ging naar het winkeltje.   Daarna kwam ze nog drie keer het achterkamertje binnen, om het half uur en vroeg telkens : “Nog strakker?” Ik knikte telkens. Ze zette een knie tegen de leuning en spande de koorden harder aan, waarbij de oude stoel aan zijn verbindingen twijfelde. Bij de derde keer trok ze een zwarte katoenen zak over mijn hoofd met slechts één kleine opening, voor mond en neus. Ze bleef toen, naar ik schat, een volledig uur weg.   Om twaalf uur ging de winkeldeur op slot. Ze maakte mij los en kleedde zich volledig uit. Hoe ik haar moest vastbinden en ophangen beschreef ze heel precies, stap voor stap. Helemaal op het einde gehoorzaamde ik niet. Ik trok mijn jeansbroek uit, daarna mijn onderbroek.   De onderbroek, die zette ik als muts op haar hoofd. Haar mond tapete ik dicht met grijze plakband, kroop weer in de jeansbroek, ging gehurkt voor haar zitten, keek haar nog eens diep in de ogen en zei : “Ik ga een blikje cola kopen bij Georgette.”       pagina acht van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (7)

  Op maandag 30 december kocht ik niet nog een zak chips met pickles bij Georgette, ook niet met een andere smaak. Ik was op tijd bij de winkel, die op maandag normaal gesloten was. “Dan zal niemand ons storen”, had ze vrijdag nog tegen me gezegd toen ik het winkeltje verliet. Ik keek door de glasdeur maar zag geen licht en geen Micheline, voelde aan de klink en ging binnen. “Micheline!” riep ik met een stem die ik anders veel zuiniger en stiller gebruik, maar er kwam geen antwoord.   Achterin het winkeltje was nog een deur, waarop een affiche hing, iets van een optreden. Er stond een jonge vrouw op afgebeeld die de veena bespeelde. ‘6 januari, vanaf 20h00, in zaal De Caproen, 6 EUR in vvk, 8 EUR aan de kassa’. De deur met vrouw en veena stond op een kier. Met mijn rechterhand nam ik het vlindermes vast dat in mijn rechter broekzak stak en met mijn linkerhand opende ik de deur.   Ik aanschouwde Micheline in een positie die ik niet verwacht had. Ze zat strak vastgebonden in koorden en haar mond was dichtgesnoerd. Een strook witte stof stak tussen haar lippen en was op haar achterhoofd dichtgeknoopt. Haar handen waren op haar rug gebonden. Ze zag eruit als één lange vlecht. Rood koord van vijftien millimeter begon rond haar nek, maakte vele omwentelingen rond haar lichaam en eindigde in een paar knopen bij haar enkels. Ze hing daar. Vier touwen hielden haar in de lucht, één zat rond haar nek, één rond haar samengebonden handen, de andere twee rond de knieën en de enkels.   Snel maakte ik de knoop op haar achterhoofd los en trok de witte stof uit haar mond. “Laat me alsjeblieft zakken,” zei ze. Waar moest ik de koorden het eerst losmaken? Ze mocht niet met een smak neerkomen. Je kon met je kindertalent de ruimte breder maken en de hoogte reduceren zodat ze vanzelf veilig landde, hoor ik je denken. Ik had andere zorgen en na vijf seconden nadenken, na enkele voorzichtige handelingen, lag Micheline op de vloer in het achterkamertje. Het was een hele karwei om de vlecht volledig los te knopen. Na een kwartier kroop ze recht, ging op een stoel zitten, zette de ellebogen op haar knieën, en liet haar hoofd rusten op haar handpalmen.   Ze was volledig naakt. “Waar bleef Johnny, toch?” was het enige wat ze zei, toen ze daar zat. Ze zag er uitgeput en weerloos uit.       bladzijde zeven van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (6)

  Nog welgeteld vier keer ben ik die zomer naar Middelkerke getrokken. Nog twee keer zag ik Eva op haar wolkenkrabber die mij niet meer wenkte en als ik op het terras ging zitten terwijl ze zonnebaadde, beperkte ik me tot de vraag of ik haar rug niet moest insmeren met crème solaire.   Dat mocht, ook op het strand, waar ze een gelukkige bikini droeg. Ze vroeg er zelfs naar : “Wrijf je mijn rug en schouders nog eens in?” en ging met stillere stem verder : ”maar zorg dat je hier geen stijve plasser krijgt.”   Het werd herfst, te fris op het strand en Micheline kwam eens per week naar Brugge, vaker dan ik naar Middelkerke ging. Ik kwam er zelden nog. Ze had een oppas gevonden die naast de deur woonde, een meisje van zestien, uit Georgië.   Het was midden december, koud, “koud genoeg om glühwein te maken”, zei mama en zette een pot op het vuur, goot er goedkope rode wijn in, kieperde er enkele stukken sinaasappelen bij, kneep in een citroen en voegde drie kruidnagels en een snuifje kaneel toe.   “Dat wordt lekker”, zei Micheline, die in de Noordzandstraat beige botjes was komen kopen en ze vroeg me of ik geen vakantiejob zocht, “in de kerstvakantie, de inventaris, in het winkeltje waar ik werk.” Ik zei dat het goed was en op vrijdag 27 december verwachtte ze me, in het winkeltje aan de Baelskaai, om negen uur.   Op het afgeproken uur was ik daar, zelfs iets te vroeg en wachtte voor de vitrine. In matte letters stond op het raam ‘Dereyghere’ en daaronder, in iets kleinere letters, ‘Zeebenodigdheden’. In de sobere etalage hing een duikerspak, een stuk visnet en op de vensterbank was zand gestrooid, lagen enkele grote schelpen, van Sint-Jacobs, denk ik. Twee waren felblauw geschilderd, drie paars.   “Je bent er al.” Micheline was naast me komen staan. “Heb ík geverfd,” zei ze, nam een sleutel uit haar sacoche. De sleutel hing aan een dobbertje en met haar knie duwde ze tegen het deurframe. “Anders lukt het niet.” Ze trok een gezicht als een gewichtheffer die een papieren bootje ging heffen, maar dan veel eleganter. Een glimlach deed uiteindelijk de deur open en ze leidde me de winkel binnen.   Touwen in alle kleuren, kettingen, vernikkeld en verzinkt, een rek met strakke surfpakken, bakjes met schootklemmen, sluitingen en ander roestvrijstalen spul, rollen kabels voor het want van yachten, et cetera.   Ze stak de tl-verlichting aan, zei dat we konden starten. ”Begin jij met de touwen,” en ze gaf me een blad met daarop alle diameters en kleuren. “Moet ik dan alles afrollen en meten?” vroeg ik. “Welnee, zotje, de omtrek van die grote haspels is tachtig centimeter en van de kleine vijfenveertig. Je schat het aantal omwentelingen dat er nog op zit en je vermenigvuldigt. Hier is een rekenmachientje.” Ik begon.   Rond half elf kwam er een eerste klant. Een man met een oprit, die een kunststof ketting zocht. “Met van die witte en rode schakels”, legde hij uit, “in plastiek, je weet wel.” “Sorry,” zei Micheline vriendelijk, “ik had je graag geholpen maar die hebben we niet. Misschien kan je het met een touwtje doen. We hebben er ook in fluogroen. Goed zichtbaar”, maar de man bedankte en ging weer weg.   Na de middag kwam nog een tweede man, in een naar mijn gedacht veel te strakke broek en die kocht zonder veel te aarzelen een ganse rol witte polyesterkoord van vijftien millimeter. Ik verminderde de hoeveelheid in de inventaris met honderd meter.   Dat was de enige klant die die dag iets kocht en tegen vijven hielden we er mee op, met de inventaris. Over de middag had ik wel de boterhammetjes gegeten die Micheline thuis met schouderham belegd had, maar ik kreeg al weer honger en nam afscheid.   “Kom je maandag terug,” vroeg ze, “die bakjes met het kleine gerief moeten nog geteld worden. Dat klaar je wel op een namiddag. Kom tegen één uur.” Ik zei dat het goed was, kreeg nog een kus op het voorhoofd, verliet het winkeltje en langs die kaai daar, met stapels grijze bakken, hopen netten en meeuwenkak stapte ik in de richting van de Spuikom.   Bij Georgette (de naam van het winkeltje vlak bij het tramkotje) kocht ik een zak chips met pickles.       pagina zes van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Ik roep graag

Ik roep graag, het zal iets zijn dat zo eigen is aan mijn roots. Wat wortelen betekent in het Engels. Onbewust wel hoor, ik kan er met momenten niets aandoen dat ik mijn stem meermaals per dag verhef. Niet dat ik in het middelpunt der belangstelling wil staan... Ach kom, ik sta er al in. De wereld draait rond de essentiële Bart van Vlaanderen en niet andersom. Statement.   Laat ik er verdomse maar mijn best voor doen om te blijven roepen. Ik zou liegen mocht ik het moeilijk hebben om niet te roepen. Het zijn de gillende tienermeisjes die wild staan van Justin Bieber, de generatie nu die los gaat als Boef eens komt optreden tijdens de “Schuimfuif” in Asse-Ter-Heide. Ik zou ook roepen hoer, euhm hoor. Roepen van het lachen. Mensen zijn altijd zo snel vermaakt geweest door iets dat zo een momentopname is. Zo roep ik heel vaak tegen vrouwelijke machines. Zeer raar... Niet het roepen tegen een emmer, dweil, wasmachine, droogkast, ... Maar ik heb precies een nostalgische tijd geweten waarin die vrouwelijke machines pur sang gwn hun ding deden. De emmer haar taak bestond er in zich te laten vol lopen met warm water, om er vervolgens zelf zeepsop in te doen. De dweil die me rustig en beheerst kwam wakker maken omdat ik vroeger wel eens een ochtendhumeur had ipv erectie, kuiste beheerst mijn penthouse hier in Oelegem. Verwend.   Zeker! Ik zou graag bijvoorbeeld snoepen van spruiten als liefde zich kwam moeien in mijn leven. Jammer dat ik vroeger zo verwend ben geweest door ouderlief om mij op culinair niveau steeds mijn zin te geven. Comfortzone.   Maar ik ben er wel uitgekropen, langzaam. Maar toch. Hier ben ik dan. Ik mag nog steeds geen spruitjes. Maar tijd heeft me geleerd dat er geen plaats is om achteruit te kijken. Ook niet als ik eens geprobeerd heb om ananas te laten smaken naar spruiten. Feiten.   Mijn x-ray ogen zijn een geschenk van weet ik wie... Maar ik heb ze gekregen, en benut. Ik kijk door mensen heen. Maar ook door mezelf. Als ik mij een score mocht geven op zelfkennis gaf ik mij een 11 op 10 ... Want 12 op 10 is overdreven. Ooh wacht, dan geef ik me wel snel 13 op 10. Besef.   Ik besef alles maar al te goed, wat de vooroordelen van mezelf naar mensen zijn en wederzijds naar mezelf toe. Als ik mensen zou horen zeggen van... “Daar, kijk dan? Kijk dan zeg ik u! Het is hem! Hij, Bart De Zot die het woord zot nog verkeerd zou schrijven om zijn statement duidelijk te maken!” Dan zou ik er nog een schepje bovenop doen... Ik zou de nar van het volk willen zijn op dat moment, maar kom ik hoef niet meer te roepen tegen dove mensen. Mijn zwart kantje hoeft niet meer tegen mij te fluisteren dat het graag zou hebben dat ik vertrek wnr het licht aangaat in de slaapkamer. Roepen.   Ik roep liever “Het is best oké Bartje!!! Alles zal altijd beter kunnen!!! Maar hey?!?!? Het is oké!!! Echt...”

Bart Van de Peer
24 0

Debby Rohypnol

Namen, ik heb er al een heel verhaal voor klaar staan. Ik beschik over een speciale gave... Eerst en vooral, snel een boom in huis halen. Want je kan u al zeker gaan vasthouden aan de takken van de bomen. Ik kan namelijk iemand zijn levensverhaal beknopt samenvatten door nog maar gwn de naam te weten van de persoon in kwestie. David Copperfield heb ik zo eens liggen gehad door te zeggen dat hij graag vlinders gaat tellen in het park op woensdag. Dat hij aambeien heeft gehad op zijn 13de is een bijzaak, voor mij. Jammer dat die tovenaar geen zicht ter plaatse kon toveren want hij had het niet zien aankomen. Stevie Wonder wist ik ook eens omver te blazen door te vermoeden dat hij kleurenblind was.   Zo wist iemand mij eens te vertellen dat er een zekere “Yves” bestaat. Nu op zich is daar niets mis met. Maar ik kreeg het gevoel dat mensen stonden te popelen om beroep te doen op mijn gave. Ik vroeg nog even naar de leeftijd van onze Yves. Het bleek te gaan om een 17jarige. Nu dat geeft het verhaal wel een compleet andere twist! Wilt dus zeggen dat er blijkbaar ouders zijn geweest die hun kind in het jaar 2000 de naam “Yves” hebben geschonken. “Moord! Verbrand de heks! We gaan met zen allen klagen in Jeruzalem!”... Ik hoor het jullie al wel zeggen. Kan ook moeilijk anders, als het jaar 2000 is en je beslist om uw kind “Yves” te noemen dan scheelt er iets. Dan ben je volgens Van Dale de definitie van een egoïst. Dan hecht je weinig tot geen waarde aan wat een naam allemaal te weeg kan brengen. En al zeker niet als ik me even kom moeien. Yves bleek zo een typisch bekakt ventje te zijn van Schilde, zijn vader is rijk geworden door het concept van zijn handige meeneembox voor bananen te verkopen aan Chinese zakenlui die dachten een gat in de markt gevonden te hebben.   Vroeger, toen ik nog meedeed voor de prijzen bij het ponykamp in Hulshout. Waren er ook zo van die namen waarvan ik wist dat er alleen maar problemen van gingen komen. Sharon De Luchtballon en haar moeder Debby Roodhoofd. Toen ik op het ponykamp dus die namen hoorden vallen uit de boom waar de mensen zich aan vast klampten, nam ik even de tijd om ze te ontleden. Sharon De Luchtballon was volgens mij een vrouw van 23jaar die haar onzekerheid verstopte door een wild en vuil seksleven te leiden. Ze genoot ervan dat je scheten in haar gezicht vuurde. Ze had ook een voetfetisj, tijdens de seks zou ze haar comfy socks uitdoen en de jongen in kwestie verplichten er aan te ruiken om vervolgens de mannelijke lading te ontvangen op haar opgezwollen voetjes. Haar moeder Debby had een kapsalon, zij was zo iemand van 51jaar die zich nog altijd kleed alsof ze 20jaar jong is. Debby is tevens de beste vriendin van Sharon, elke 3de zaterdag van de maand staat in teken van quality-time door samen te gaan eten in de Lunch Garden... En later eens lekker scheef te gaan op biertjes voor zwangere vrouwen zoals Mazout en Spavla in de discotheek “Millenium” te Herselt.   Ik ben zo eens verzeild geraakt in de kroeg “Den dove Emiel”. Cois Busquero had sinds de dood van zijn vader Emiel het café overgenomen. Pinten kosten daar 3 Hulshoutse Kronen. Na de dressuur waar ik trouwens uitblonk in het behalen van de zuipbeker ging ik mijn overwinning vieren bij Coiske. Sociaal aangelegd als ik ben begon ik te praten met de zoon van dove Emiel. Toeval of niet, ik beschouw het eerder als het lot dat een overval pleegde op mij... Enkele staminees waren uitgebreid aan het roddelen over de avonturen van Debby Roodhoofd en Sharon De Luchtballon. Het viel me op dat mijn gave resulteerde in de gevreesde waarheid. Geruchten die Sharon zelf rond bazuinde werden steevast de grond ingeboord door die zatlappen daar. Zo zou ze eens gezegd hebben dat ze goed met kinderen overweg kon toen ze arme Norbert aan het versieren was... De iets wat introverte jongeman stond er samen met zijn zoon alleen voor toen zijn vrouw hem had verlaten voor geen reden. Sharon De Luchtballon haalde als referentie aan dat ze nog als jobstudent had gewerkt in de binnenspeeltuin “De Kikker” ... Norbert was verbitterd en tevens op zijn hoede, zijn antwoord mocht er zeker zijn. “Als wat dan? Als springkasteel voor die bengels?! Als ge liever hebt dat ik ineens scheten in uw gezicht blaas moet je dat gwn zeggen Sharon. Ik bijt niet, ik hijg enkel in uw oren als ik mijn ogen sluit en aan mijn ex denk. Ik heb hier geen intentie om u te versieren met een bon van €60 voor de Primark zoals Ronald dat vorige week deed.”   Coiske moeide zich ook in het geroddel, hij wist me te vertellen dat Debby Roodhoofd zichzelf nog steeds bejubelde na het behalen van de 4de plaats in “Komen eten” 5jaar geleden... Debby dacht met haar zelfgedraaide garnaalkroketten indruk te maken op Frans Bauer, Sam Gooris, en Lindsay De Bolle. Niet dus. De foto’s van haar “5 minutes of fame” zorgen voor een vicieuze cirkel van gezever als mensen daar hun haar laten doen. Dat Debby wel eens overwinningen van Sharon wist te ontfutselen is geen geheim meer. Bij café “Den dove Emiel” heeft iedereen wel eens op moeder en/of dochter aan het touteren geweest. Zelfs Coiske... “Debby Roodhoofd zegt mij niks? Maar Debby Rohypnol? Geeft ze 3mazouten en ge zit in haare nol! Wel...”   Het is wat het is. Een naam zegt meestal meer dan het verhaal dat er aan vast hangt.   “Wordt het eens geen tijd dat je een podium gaat betreden Bartje?”

Bart Van de Peer
51 0

"Van de Pertotal, autoverzekeringen. Aangenaam."

De autostrade, ooit een weg voor auto’s die beschikten over primitieve en oerdegelijke chauffeurs. Zo primitief en oerdegelijk dat ze zelfs het gaspedaal beheerst durfden plat trappen om 120km per uur te halen. Dezer dagen is het anders, mensen kunnen met hun gepersonaliseerde rolstoel niet meer zo uit de voeten als de nostalgische tijd van weleer... Ik? ... Ik ben een geestelijke agressor in het verkeer. Ik ben omringd door debielen als ik me nog maar op de baan begeef. Het gedrag van mensen in het dagelijkse leven valt af te lezen in het verkeer. Ik kan niet alleen van namen al weten wat de personen in kwestie hun lievelingseten is, als ik op de baan ben dan is het hel. En al die stresserende mensen rondom zijn de obstakels om mijn eindbestemming te bereiken. Janneke en Kutmieke die het nodig achten om op de autostrade 90 te rijden op het linkervak zijn in het dagelijkse leven al even bekrompen en bekakt door hoogstwaarschijnlijk te kijken naar VTM ipv ÉÉN. Te luisteren naar Clouseau ipv Tourist LeMC. Glutenvrij meergranen brood van tante Sonja Kimpen naar binnen te proppen ipv ontbijt over te slaan zoals ik het doe. Fuck off, bende gepamperde zeikers. Al een geluk kan jullie TV niet spreken naar welke rotzooi jullie kijken. Hemel en regenboog zouden weleens plots op jullie hoofd kunnen vallen. Stel u voor.   Als het al niet erg genoeg kon zijn reed ik zo eens naar huis, voor mij op de autostrade reed natuurlijk zo een kwakzalver die niets van de wereld kent. Kan ook moeilijk anders als hij geen ramen heeft in de kelder waar hij rauw patatten elke dag ligt te eten. Meneer de kwakzalver was dus verblind door het licht waar hij met te maken had onderweg. Kwakkie de zalver moest uitwijken voor een brokstuk. Ik had natuurlijk de ongewilde eer om eendracht vooruit over het bewuste brokstuk te rijden. Geen ramp, er zijn erger dingen. Zoals een motivatieboekje met foto’s van bootvluchtelingen. Ben zowel ik, als de jongens in de bootjes enkele 1000den kilometers verder niets met... Maar toch. Momentopnames. Ik kak in mijn broek als ik er nog maar aan durf denken. Shit. Te laat.   Enkele dagen later volgde het verdict in de garage. Een nieuwe beschermplaat moest worden besteld mijn bolide. €159,74 is geen geld voor een garage. Voor mij wel... Maar dat is bijzaak. Ik werd er ingeluisd door te denken dat ik een gouden zaak had gedaan om €159,74 te besteden aan een beschermplaat. “Aaah doe me maar snel twee van die platen toppertje.” Het had een leuk sarcastisch antwoord kunnen zijn, maar ik kan het beter houden om het hier neer te pennen.   Alsof het niet nog erger kon zijn, bestaat er geen verzekering voor debielen op de baan die mij schade berokkenen door gwn nog maar te bestaan. Triest is het. Ook in het leven zoals het is bestaat er geen verzekering die mij int zak kan zetten, ik moet mij er zelf zien uit te redden. Janneke en Kutmieke.   Deze culthelden van een nog groter boerengat als Oelegem hadden de eer opgemerkt te worden door mij toen ik deze morgend de Gazet Van Antwerpen las bij mijn ouders. Of het woord “geboortebeperking” als een West-Vlaams dialect beschouwd kan worden door hen? Dan is hun verhaal nog triester als die €159,74 die ik moest ophoesten.   Hun zoon Senne, besloot om op 7jarige leeftijd een meisje te willen zijn. Over transgenders en heel het relaas wil ik mijn ei niet kwijt. Wel over de ouders. Janneke en Kutmieke vonden het zozeer nodig om de ironische wereld van hun zoon als realiteit te laten uitkomen. Want geef toe? Op 7jarige leeftijd wist ik ook al wel wat ik met mijn leven ging doen hoor. 7jarigen zijn de fundamenten van de samenleving die als zeepbel wordt uitgedrukt bij die bende marginalen. In ieder geval, Senne wilt Sanne worden. Over de naam viel dan weer niet te discussiëren omdat Janneke en Kutmieke reeds een tattoo hadden op hun arm met de naam Senne. En om deze nog te kunnen laten omtoveren naar Ariëtte.... “Dat had moeilijk geweest, Sanne.”   Wel Senne, ik had graag een vrouw willen zijn om u eens deftig een paar kinderkletsen te verkopen voor €159,74. Of je nu een jongen of een meisje wilt zijn, geef gwn toe dat je een klein dik rotverwend eikeltje bent die alles krijgt in het leven wat je maar wilt. Behalve die nieuwe CD van Jebroer voor kerstmis omdat het budget net is opgegaan naar die tattoo van uw mama en papa. Essentieel.   “Voor uw kind? Daar doe je toch alles voor...”   Ik heb een verzekeringskantoor.   “Van de Pertotal, autoverzekeringen. Voor uw glimlach? Daar ga ik voor.”

Bart Van de Peer
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (5)

  De dag verliep zoals geen ander. Micheline ging boodschappen doen en ik keek eerst alleen verder, na een tijdje, toen ze weer wakker waren, samen met Enzo en Falco, naar de colargolfilmpjes : The Rescue, Escape to Nordine…   Micheline kwam terug, stak kiwi’s, twee passievruchten, citroenen en een mij onbekende groente in de frigo, rijst in een kast. Het stokbrood was te lang en bleef op het aanrecht liggen.   “Flinke jongens verdienen een ijsje,” zei ze en de deur ging open. Nonkel Ivan kwam thuis, haalde eerst een frisse Safir uit de koelkast, gaf een zoen op de wang van Micheline die haar ogen sloot en hij kwam naast me zitten in de zetel.   “Kom,” zei hij, “ik heb iets voor je.” Zijn scheve hoofdknik en een handgebaar deden me hem volgen en we stopten bij een kast. Je kent zo’n kast wel, altijd een familiestuk dat niet helemaal in het interieur past maar toch niet weg te denken is en waar meerdere generaties dingen in gestopt hebben die dan enige betekenis moesten hebben. Hij opende de onderste lade en haalde er een mes uit. Dit is het vlindermes dat ik later altijd bij mij zou dragen en dat mij op bange dagen altijd geholpen heeft.   “Dit is mijn jeugdmes. Neem het mee naar huis. Ik wil het niet meer. Ik wil het niet in dit huis. Falco haalt er later misschien iets mee uit of Enzo, die krijgt er misschien bewondering voor en kiest dan een vak als het mijne.” Ik accepteerde het mes, stak het in mijn sportzak, bij de pyjama, jeansbroek, onderbroeken en t-shirts.   We hebben die avond nog samen gegeten, buiten op het dakterras, gestoofde lamsschouder in citroensaus. “Zelf uitgesneden,” zei Ivan. “Zelf klaargemaakt,” zei tante Micheline, die met het topje van haar tong een druppeltje saus van haar lip wegstreelde.   Een kusttram en een trein brachten me terug naar Brugge. Ik had in Middelkerke de jeansbroek aangetrokken en het mes in mijn zak gestoken. Met vóór mij een ondergaande zon stapte ik van het station naar Huize Trammelant. De schaduw die mij achtervolgde, was langer dan mezelf. Het mes bleef de ganse weg even lang.   Het was enkele weken later, mama hield ook van martini, zoete bianco en ze vroeg : “Zijn ze lief met je, Enzo en Falco.” Ik knikte. “Twee verschillende karakters, de ene is als Beertje Colargol en de andere als Theodore Roosevelt", antwoordde ik maar moeder lachte niet.   “En tante Micheline,” zo ging ze verder, ”houdt ze het daar vol in Middelkerke?” “Met nonkel Ivan, bedoel je? En waar is papa eigenlijk?”, vroeg ik haar. “Blijf gaan, Ricky.” zei mama. “Ze is zot van je en kan je glimlach gebruiken. Ooit zal je het toch van iemand horen, dat Falco niet van Ivan is en dat Ivan je tante tijdens die zwangerschap van de trappen duwde. Ze brak een schouder, maar Falco… nog een geluk… aan hem scheelde niets toen hij geboren werd.”   Ik ging naar de badkamer, nam een douche, poetste mijn tanden, trok geen pyjama aan. Het bleef warm die nacht en ik voelde, of het mes nog onder mijn kussen lag.       bladzijde zes van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (4)

  Tante Micheline hield niet van lijntjes op haar rug en toen heeft het niet lang meer geduurd.   "Enzo en Falco worden moe." zei ze. "Ik geef ze thuis wat pap en dan kunnen ze weer slapen.”   Terwijl die snaakjes aten, keek ik naar Beertje Colargol. Ik had de betamaxrecorder een eind teruggespoeld en een aflevering startte : The Bear Visits the King of The Birds and Learns to Sing. Micheline keek met één oog -het andere kon ik niet zien- in mijn richting en knipoogte.   Een beer met een tasje met daarin alles, gereedschap voor herstellingen, voer- en vliegtuigen die hem tot over de hoogste bergen brachten, een heil voor elk kwaad! Enzo en Falco kregen hun fopspeen terug en sliepen al snel, als vleermuisjes zonder vrees in een onbezoedeld hol.   Ik kon niet blijven kijken naar die onstuitbare beer, want ik moest plassen en achter het grote vensterraam zag ik haar liggen als Eva op haar wolkenkrabber, zonder enige jeuk of schaamte. De ogen hield ze helemaal dicht, zo dacht ik. Moest ik direct verder stappen in de richting van het toilet? Ik kon het nog ophouden, toch?   Na een minuut of twee ging ik dan toch het toilet binnen en ging zitten, want het was niet zo eenvoudig om neerwaarts te plassen in deze toestand. Daarna zou ik uiterst langzaam terug stappen naar de zetel en verder kijken, naar Beertje Colargol, maar het raam was niet blind geweest en tante Micheline wenkte me, om dichter te komen, buiten op het dakterras.   Ik kon de erectie niet verbergen. Het zomerbroekje was van een lichte stof. “Ik hou niet van witte lijntjes en driehoekjes." zei ze. “Kom nog wat dichter.” Ze trok mijn korte broek naar beneden en begon zonder omwegen mijn stijve plasser te verwennen, zo lang als het nodig was en na een tijdje, toen ze het schokken voelde beginnen, richtte ze mijn harde pielemuis schuin naar beneden. Vaalwit sap schoot tussen haar borsten.   Ze liet me los, ik ging zitten op het bijzettafeltje naast de ligzetel. Ze richtte zich op en wreef mijn zaad over haar borsten, ze legde de handdoek beter, ging op de buik liggen en keek weg naar de andere kant, in de richting van een bak met lavendel.   Over haar rug liepen rode streepjes. Ze begonnen links boven haar magische kont en eindigden op het rechter schouderblad. Ze had daarvoor niet danig scheef gelegen op die neergeklapte ligstoel met houten latjes en ik vroeg : “Wat doet de beer met een zoete vlinder in de nacht?”   “Ze slapen beiden als het kan, mijn jongen”       bladzijde vier van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
29 0

Hemelvluchten Dereyghere (3)

Tante Micheline werkte in geen viswinkeltje. Het was dus niet noodzakelijk dat zij ‘s avonds, na haar werk, haar ganse lijf en borsten waste met citroenwater. Ook de video ‘Vole petit poisson’ werd in haar appartement niet opgezet als stilhoudertje voor Enzo en Falco. Enzo en Falco waren nog als welpen die lange uren sliepen in een middagbedje zonder pampagras. Micheline werkte niet op zaterdag, zondag en maandag, Ivan, haar man, werkte in het Openbare Slachthuis van Diksmuide, alle werkdagen, en stapte na zijn werk op een bus, lijn 53 naar Oostende en daar, naast het treinstation, nam hij de kusttram naar Middelkerke. Zijn favoriete uitbeenmes bleef meestal op zijn werk liggen, in een locker die hij afsloot met een cijfercode. Ik weet het van Ignace.   En het werd zomer, ook in dat jaar. Ik zou in de herfst van datzelfde jaar zestien worden en ik mocht nog eens gaan babysitten bij tante Micheline. “Neem zondag de trein naar Oostende,” zei moeder, “veel kleren moet je niet mee doen want het wordt warm. Daar aan de kust is het gelukkig altijd te doen als er een zeewind staat.”   In die tijd nam ik nog probleemloos een trein, bus of tram. Al was ik allesbehalve contactvaardig en zeer verlegen, ik kocht kaartjes bij chauffeurs of aan loketten met spreekgaatjes zonder daarbij te stotteren. ‘Tweede klas Oostende’, ‘één ticketje tot in Middelkerke’, alles zonder struikelen, als een pientere antilope en zo kwam ik altijd wel waar ik moest zijn.   Ook die zondagavond. Nonkel Ivan zat een geuze van Boon te drinken in de zetel, terwijl Enzo en Falco tv keken. Beertje Collargol op Betamax. Tante Micheline waste boven de pompbak voorzichtig vier borden, daarna evenveel messen en vorken. Twee lepels spoelde ze waarmee ze aardappelen en groenten had geschept. Ze sloeg haar armen rond me, wat niet helemaal lukte, gaf me een kus op het voorhoofd en zei : “Wat ben jij groot en sterk geworden.”   Ik sliep die ochtend lang. Niemand had geblèrd en nonkel Ivan was al weg toen ik opstond, vertrokken naar zijn beestenboel in Diksmuide. Het appartement had geen uitzicht op zee, wel een dakterras en Micheline zat buiten aan een tafel te ontbijten, in een witte bikini. In haar bord lagen wat kruimels, allicht van een croissant want ze vroeg of ik er ook één wilde. Ik knikte en ze schoof het broodmandje met daarin nog drie croissants in mijn richting, begon met een molenmesje een sinaasappel te schillen.   Zoals het hoort in een tweederangs film spoot er wat schilsap uit de vrucht en de druppels kwamen neer in een glooiing onder haar hals. “Verdikke!” zei ze en trok een ondeugend gezicht dat tegelijk boosheid fakete alsof ze kwaad werd op de druppeltjes die haar mammeloesjes bijna hadden bespat. Met een servetje wreef ze het sap weg. Enzo en Falco kwamen het terras opgestapt met hun korte pootjes en een fopspeen in de mond. Ze werden op een stoel gezet. De fopspenen moesten eruit en ze kregen elk een croissant waarop ze mochten sabbelen.   “Straks gaan we naar het strand”, zei Micheline en zo gebeurde. Het was rond elven en ik zag ze al, de moeders met hun spruiten, die er renden, groeven en begroeven. Die mama’s in hun bikini’s, de meeste onbedrukt, ze smeerden vel en kinderen in, ze staken borsten beter op hun plaats, ze trokken hier en daar wat aan een koordje, ik mijn zwembroek recht. Ik keek rond, naar kinderen met mesjes, schelpen met een kartelrand, een handje vol. Daarmee kon men toen nog iets kopen. Bloemen van papier en warme zomertijd.       bladzijde drie van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'RIcky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (2)

  Ook al woonde ze een eind van Brugge, toch ging ik op vakantie in Middelkerke, soms enkele dagen lang, liefst in de zomer. Tante Micheline ontving me steeds met open armen. Ik was vijftien, oud genoeg om op Enzo en Falco te passen, enkele uren per dag, terwijl zij aan de slag was in een winkeltje, aan de Hendrik Baelskaai in Oostende. Een kusttram bracht haar daar heen, dezelfde tram die ik nam om tot bij het appartement te geraken in de Heuvelstraat, maar dan in de andere richting. ‘Jules van Den’ liet ze altijd weg, als ze me zag, bij ons thuis, dan vroeg ze : “Wanneer kom je nog eens langs in de Heuvelstraat?” Mijn moeder stemde daar altijd vlug mee in. “De zeelucht zal hem deugd doen,” zei ze tegen Micheline, waarna ze samen een glas van moeders medicijn dronken.     Wij waren met ons gezin (zoals dat genoemd wordt) enkele jaren voordien naar een oord aan de rand van Brugge verhuisd. Mijn vader had er rare hobby’s ontwikkeld, waar mijn moeder niet gelukkiger van geworden was. Over depressies en huwelijkstrammelant werd toen weinig openlijk gesproken. Ook met haar zussen sprak mijn moeder er haast niet over, toch voor zover mijn oren zich dat herinneren.   Drank betert niet. 'Hannelore Bedert wel' zou men heden ten dage als flauwe repliek kunnen verzinnen. Neen, er werd weinig of niet gelachen en al kwam ook tante Hannelore wel eens langs met haar funny vlechten, met haar Twingo helemaal vanuit Lapscheure, ook zij kon geen tij keren, noch de tranenvloed stillen. Het liedje ‘Janker’ bestond nog niet en het deuntje kon dus ook niet worden afgezet.   Ik, Ricky Minnaert, met die zieke achternaam van mijn vader (die dan nog als voornaam Miel gekregen had) ik werd er zelf ook niet vrolijk van, van die ganse toestand. Er woonde echt geen enkele mens sana in ons huis, enkel in getrainde lichamen, in de kop van spelers van Club Brugge.       pagina twee van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (1)

  Natascha was nog niet eens geboren en Ignace Somers zat vastgevroren, ergens in Groenland, in een vat met zuur, twee knikkers, eeuwig ijs en permafrost.   Toen had ik twee tantes, tante Micheline en tante Hannelore. Het waren voor die tijd beiden moderne vrouwen. Het leek alsof ze de hippiejaren intens beleefd hadden, al is dat moeilijk te geloven als ik je zeg dat in 1968 nog kinderschoenen droegen. Micheline was twee jaar ouder dan Hannelore en had met de jaren geen onaardige borsten gekregen. Ze stonden iets wijder dan die van Hannelore en haar tepels wezen meer naar de hemel. Mocht ik het ooit in mijn hoofd halen een naakt vrouwenlichaam te schetsen, dan zou ik toch net iets sneller het beeld van een naakte tante Micheline oproepen dan van een blote tante Hannelore, al hebben ze beiden door de gebeurtenissen in mijn leven sterke herinneringen, ik mag zelfs zeggen ‘sporen’ nagelaten. Helaas ben ik geen goed tekenaar en als ik me in een bui van tegelijk creativiteit, woede en melancholie toch aan een houtskooltekening zou wagen, dan zou ik me allicht beperken tot enkele details.   Tante Hannelore had wel een iets malsere kont dan die van tante Micheline en ze stond ook op stevigere benen. Tante Hannelore had lange haren, droeg vaak losse kleedjes en twee vlechten die elke over één sleutelbeen hingen en zo verder naar onderen een zachte borst zochten voor hun einde. Micheline had haar tot aan de schouders, met de kleur van mahonie en schminkte graag de bovenste oogleden fel hemels blauw, terwijl tante Hannelore op dat vlak veel bescheidener was.   Mocht je er zelf een beter beeld op willen plakken, dan kan ik je zeggen dat tante Micheline eerder een ‘Hanna Viek’ was en tante Hannelore een ‘Uschi Digard’. Het is niet omdat ik de lichamen van mijn tantes zo in detail probeer te beschrijven dat je moet denken dat ik dat zoveel belangrijker acht dan hun innerlijke kenmerken.   Of vind je dat ik ook het lichaam van mijn moeder moet beschrijven, hoe zij er in die tijd uitzag? Zij was de oudste, negen jaar ouder dan Micheline. Er zaten zo veel kraamloze jaren tussen omdat mijn grootvader voor een baggerbedrijf werkte en één jaar na de geboorte van mijn moeder naar Qatar vertrok. Hij bleef daar zes jaar en mijn moeder zag hem in haar kleuterjaren enkel met kerstmis, een week of drie in de zomervakantie en op begrafenissen. Mijn grootmoeder had geweigerd om mee te verhuizen naar Qatar. Ze was tegen hoofddoeken, zeker in de zomer en wilde niet weten van een dergelijke vrijwillige gijzeling omwille van de centen. Mijn eigenste moeder, wier naam er hier niet toe doet, werd een eerder gewone vrouw, toch op het eerste zicht. Haar borsten waren in vergelijking met haar jongere zussen het kleinst en haar tepels hingen het laagst, hetgeen niet bepaald is door mijn doen en laten als zuigeling, want ze kreeg al snel een ontsteking en ik de fles.   Mijn moeder vond later helaas maar weinig levensgeluk en tante Micheline woonde in Middelkerke, in de Jules van Den Heuvelstraat. Tante Hannelore leefde alleen, op een klein erf in de Preekboomstraat te Lapscheure. Tante Micheline was wel getrouwd, met nonkel Ivan en ze hadden twee zoontjes, Enzo en Falco. Cezaar was hun hond, één met korte poten, lange oren, vlekken en een staart.       eerste pagina van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (slot van deel 1)

Na die honderd taljoren vond ik wel dat Evangelina mij een uitleg verschuldigd was. “Senior Services? Zevenhonderd spruiten op borden van Senioritas. Ergens in een bunker bij Vloethem?” speelde ik haar toe.   “Het is de keuken van de blok hiernaast, mijn jongen.” legde ze uit. “Zeg maar Ricky”, zei ik. “Een rusthuis, vol bomma’s en bompa’s,” ging ze verder, “Senioritas verruurt* de kamers. De huurprijs is niet mis en met den overschot van hun pensioen betalen ze dan Senior Services, voor de verzorging en ‘t eten. Senior Services is een vzw en wij mogen met vrijwilligers werken.”   “Kom je morgen weer?” vroeg Evangelina. “Als ik alles alleen moet scheppen, moet de band veel trager en beginnen ze aan den andere kant van ‘t gat te ruttelen.”   Ik beloofde de volgende dag terug te komen : “Dan kom ik morgen met Barts Belbusje en moet ik niet met die rare 272 vol beulen en kontneukers.”   Evangelina lachte en zei : “En stap dan één halte verder af, aan de hoofdingang van Senioritas. Dan moet je niet door het slijk en vergeet niet om straks bij Nana te passeren. Een papiertje tekenen. Voor de verzekering.”   “Nana?”, vroeg ik   “Ja! Natascha. Van de personeelsafdeling. ‘t Is een beetje een zotte, maar voor de rest is er niets mis mee.”   Evangelina gaf me een schouderklopje. Ignace zag ik nergens meer.           * West-Vlaams : verruren/verruurde/verruurd ______ twaalfde en laatste pagina van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
26 0

Natascha en de pingpongspruiten (11)

  De modderweg liet ons niet wegzakken als Franse paarden in een Vlaams moeras. De worstengeur werd sterker, het pad allicht groener. Nat was het gras. Dat werd je zo gewaar en na twintig stappen op loszittende tegels deed ze me stoppen. Natascha klopte op een deur. “Tel nu tot éénentwintig,” zei ze, "en neem dan je blinddoek af. Ik zet intussen binnen één en ander klaar.” Ik dacht aan worst bij kaarslicht en speelde het spel mee, telde netjes tot zelfs negenentwintig. Voor mij stond ze dan, Natascha.   “Ik ben Evangelina, welkom!” Evangelina zag er niet zo uit als ik me ‘Natascha’ voorgesteld had. Dat ze over haar echte naam gelogen had, nam ik er bij. Zelf gebruik ik nooit zo’n nickname want mijn echte naam vind ik niet slecht klinken.   “Toen ik op die paddenstoel zat, sprak je precies als een neushoorn!” zei ik. Ze lachte rondborstig, noemde me een grapjas en nam me bij de arm want er was veel werk te verrichten. Evangelina bracht me naar een ruimte waar het dampte van de kokende patatten en blancherende groenten. Wel honderd worsten spartelden in grote braadpannen. Ventilatoren zogen de aroma's de hemel in. Aan de muren hing er geen onzekere koningskop. Ik zag ook geen foto’s van leeuwenwelpen of gespierde knapen, nergens een kalender met de dagen van eenzaamheid en verwarring.   Er was slechts één klein raam. Nieuwsgierig nam ik een kijkje door het venstertje en keek uit over een veld met spruitkool. Tussen de blauwgroene planten zag ik hier en daar kleine bosjes zwarte krullen. “Wat is dat zwart?” vroeg ik en ze lachte. “Dat zijn negers, mijn jongen.” “Negers?” vroeg ik. “Ja, vorige week staken ze op een ander veld nog azalea’s in potjes voor ene Franky en nu zitten ze hier op hun knieën spruiten te trekken, voor ene Theo, een louche gast uit ‘t Brabantse.”   Ze knoopte haar keukenkiel dicht. Op het borstzakje stond een logo, maar ik kon enkel twee S’en herkennen. “Er staat SS op je schort”, lachte ik en ze zei dat ik een brilletje nodig had. “Lees ook de kleine lettertjes. Er staat Senior Services vzw”   Ik zweeg. Op mijn hoofd zette ze een wit petje van een stof dunner dan een versleten zakdoek. “Voor de hygiëne”, zei ze. Tien lege borden wachtten op een transportband en aan het begin van die band stonden nog eens drie stapels taljoren, die zich alvast opwarmden in roestvrijstalen toestellen. “Als ik op de groene knop druk, dan beginnen we.” zei Evangelina. “Ik doe de worst en de patatten en jij schept met je rechterhand op elk bord zeven spruiten. Met je linker hand doe je wat saus op de worst.”   In de muur was een gat. De transportband startte. In het begin wilde het niet altijd lukken. Soms kwamen er zes, soms acht spruiten op een bord terecht. Na een tijdje wist ik hoe ik best schepte en hoe ik een precies aantal spruiten van de grote lepel afgeschud kreeg om er zeven over te houden.   Ik weet niet of hij mij al die tijd had staan aanstaren, maar toen ik na een kwartier naar het raampje keek, zag ik de smoel van Ignace. Twintig jaar geleden heb ik hem voor het eerst gezien bij mijn tante Hannelore, achterin het veld met cosmos en herfstasters. Op een dag is hij zelfs stiekem mijn kamer ingeslopen en heeft hij op mijn to do-lijstje, gans bovenaan, geschreven : kill Ignace Somers Het is een klootzak, een beter woord vind ik er niet voor en vooral : hij is niet goed bij zijn hoofd!   Dat terzijde, maar hij stond daar toch maar weer en maakte een teken met zijn duim en zijn wijsvinger. Hij krulde beide vingers, vormde een rondje, een opening zo groot als een spruit. Dat alles onder controle was, zal hij schertsend bedoeld hebben.   En ik kreeg het ook snel onder de knie, kon het tempo van de band zonder problemen volgen. Evangelina keek goedkeurend en tegen twaalf uur waren er een honderdtal netjes gevulde borden met op rand het opschrift ‘Senioritas’ in de muuropening verdwenen.       pagina elf van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'RIcky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (10)

  Bij De Braambeier heb ik de ogen weer geopend en ben ik uitgestapt. De Kronestraat was niet lang en op het einde lag de Diksmuidse Heirweg, maar geen zebrapad voor blinden. Ik heb plaatsgenomen op het bankje bij de halte voor belbus nummer 76 die daar nooit meer zou voorbijrijden. Ik heb mezelf, zoals beloofd, een doek voor de ogen gebonden en zat daar als een koele, blinde kikker op een paddenstoel. Het zou niet lang meer duren, voor ze kwam, Natascha, om mij te kussen!   En na een tijdje wachten -het regende gelukkig al wat minder- voelde ik twee armen die zich rond mijn middel sloegen, een mond die mijn oor naderde, fluisterend vroeg waarom ik een mes bij met had en wat er in dat flesje zat. Haar stem klonk niet zoals ik verwacht had, veel nasaler, maar dat zegt weinig over iemands karakter.   “Ik draag altijd een mes bij me”, antwoordde ik, “toch als ik op een herfstdag naar een bos trek. Om kastanjes te schillen en het gif...” Ze onderbrak, gaf een kus op elke wang en vroeg mij : “Wat met dat gif?” Ik aarzelde en zei : "Ik dacht, misschien, gaan we samen, rododendrons verdelgen."  "Je liegt, gelijk een echte man, over je bedoelingen, straks ook over je dromen en de lengte van je penis", giechelde ze.    Ze nam het flesje uit mijn zak, liet het mes zitten. De blinddoek moest ik ophouden. Ik voelde haar hand in de mijne glijden. Ik moest eraf, het was geen paddenstoel voor zittenblijvers. Rond mijn as deed ze me draaien, wel een keer of drie. Daarna trok ze me voort, als een sleepbootje voor dronken schepen. Ik hoorde de modder, het stappen van mijn arendslaarzen en haar beige botjes. Het slijk was doenbaar en we stapten verder -ik nog altijd blind- over een landweg die mij niet deed struikelen. Geen enkele keer vroeg ik haar hoe ver het nog was. Misschien liepen we in een rondje, ik kon de herfst ruiken en vooral : het oerechte, natuurlijke parfum van Natascha.   Al had Franky slechter voorspelt, het was niet eens koud en het hield zelfs op met regenen, helemaal. Het werd stil. Ik hoorde enkel onze adem, laarzen lucht en modder zuigen. Er was geen ever die zich horen liet en toch, een geur dook op, onverwacht, onvoorzien, achter een bosje brem allicht, de reuk van zwijn, gebraden worst.         bladzijde tien van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (9)

  Ik hield een zwijgvinger voor de lippen, wilde dat hij me de uitleg bespaarde, hoe een hondje fluogeel kan zijn, waarom het achteraan geen staart heeft maar wel een schroefdop, over de geest van Noor-un-Nisa Inayat Khan die op een driearmige fietsersbrug boven de Albert I-laan stond.   Als het echt een schim van haar was, dan wachtte zij allicht op Barts Belbusje, ging zij op zijn voorruit spuwen, maar het regende alsof de hemel een badkuip was doorzeefd met menselijke geweld, onwezenlijk veel kogels en had de Chauffeur mij niet verteld dat Bartjes Belbus een andere route nam, via de Diksmuidse Heirweg. Had Noortje door dat Bart een omweg zou nemen? Was Bartjes geweten dan toch bang voor haar schaduw?   Allemaal gedachten die op dat moment gelukkig niet bij me opkwamen en de man met de pingpongogen had gezwegen toen hij mijn vinger, mijn dreigende wenkbrauwen te zien kreeg. Hij klikte wellicht met één oogwenk weg en keek nu op één netvlies naar wat horrorbeelden, op het andere naar een pornofilmpje. Er kwam kwijl uit zijn toot. Van oogwit was geen sprake meer. Het was zo rood geworden als de bloemen van Bengaalse bergamot.   Een busrit kan vermoeiend zijn. Ik sloot opnieuw de ogen, vouwde de handen. Niet om te bidden. Noem het een omhelzing van twee spinnen die elke drie poten verloren en ik verzon helderheid. Ik verlangde niet naar het licht van alle vrouwen. Stralen verschenen door een barst in een slakkenhuis en in de verte klonken de kronkels van een veena. Onder een schrandere zon dansten Natascha’s heupen, buik, armen, vingers en ogen. Ze droeg beige botjes, hield tussen rechterduim en wijsvinger een sleutel vast. Ze stond op het punt de cassettespeller af te zetten, met de elegantie van een pasgeboren wervelwind de deur te sluiten en te vertrekken in de richting van de Kroonhoek.       bladzijde negem van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
1 1

Oorlog

‘Het protoplasma is maar een schijn van de waarheid,’ beieren de klokken van de oude kerktoren.                Geconstipeerde obussen gieren door de ether, bekladden de leugen met scharlaken stroop. Op de zomerse zoden waart de stank van ontbinding, vaderlandse liefde ritselt naargeestig door ’t omringend lover en ondermaanse vezels luist’ren als lammetjes naar ‘t snerpend gekrijs van de huilende dood. –                Vlaamse nachten rillen in ’t slijk. Dampen, grauw en grijs, stelen de lijkengeur, vlieden langs de geulen, over de velden vol met prikkeldraad en rottend vlees – een buffet van gelatine en bietensap geserveerd op de brakke grond: de maden hebben goed te doen. ‘Mijn hemel, elke dag ga ik honderdmaal dood! Knal na knal word ik versplinterd, als ’t eenmaal gedaan is, deze connerie, lig ik verspreid als de scherven van een granaat!’                Eindeloze paukendrum schellend door de voren; rekruten trillend in hun sleuf. De mortieren braken schroothagel, malen de ijzerrijke humus. Mosterdnevels roetsjen over ‘t land van eenzame klaprozen. Al dat jong vlees, vol met dromen, door geelzucht geslachtofferd in ’t krijgsvergiet. – Als de klompen terug aan ’t boeren gaan, staan hun letsels te lezen als braille. Een treurlied voor de schijn, voor de gore, stinkende schijn!                De rozenkrans ontvlamt tussen de gloeiende kolen: pardon voor de willekeur.

Niels De Vos
36 0

Natascha en de pingpongspruiten (8)

  De donkere figuur op de fietsersbrug leek geen gezicht te hebben en het gele hondje geen staart. Ze waren braaf op de brug blijven staan en aan de halte ‘Kinepolis’ was er niemand uitgestapt, geen kuisvrouw en geen specialist in dodelijk hoogspanning. De Kontneuker van Sint-Michiels zat vandaag niet op deze bus.   Eenmaal het ronde punt voorbij was de weg richting Loppem recht. Voor de Chauffeur lag het bochtenwerk achter de rug en ik dierf hem eindelijk vragen of lijn 72 ook aan de halte Kroonhoek stopte. “Dit is lijn 272”, antwoordde hij, “de 27 en de 72 zijn al enkele maanden samengevoegd. Vroeger was er een belbus die van het Het Zand, via de Diksmuidse Hierweg, halte Kroonhoek en zo verder naar kinderboerderij De Pierlapont reed, maar sinds de privatisering van de belbussen is dat traject geschrapt. Enkel Barts Belbusje volgt die route nog voor een deel. Het vertrekt op de Markt, bij de frituur, naast Breydel en de Coninck. Dan rijdt het via de Diksmuidse Heirweg naar de IJzertoren en van daar naar het geboortehuis van Joris Van Severen te Wakken. Daarna volgt een lange rit naar café De Kroon te Mortsel. De laatste halte is een wietveldje te Bokrijk. Onderweg kan je met geluidsoortjes naar liedjes in Vlaemsche dialecten luisteren, maar dat heeft weinig succes omdat de verschillen tussen onze taaltjes van Babelse aard zijn. Het merendeel van de passagiers bladert liever door de stapels decadente reisverhalen van Theodore Dalrymple, door Bartje himself geïllustreerd met gore tekeningen.”   Het klonk alsof hij de informatie die hij via zijn implantaat gekregen had, doorspekt had met enkele grappen. Ik had er weinig aan. Erger was dat ik misschien te laat zou komen op de plaats van afspraak. Ik vroeg de Chauffeur waar ik dan het best afstapte. “Bij de Braambeier, volg dan de Kronestraat. Steek op het einde de Diksmuidse Hierweg over. Er is daar een zebrapad voor blinden. De strepen hebben er bobbels zo groot als de eieren van een gander."   Ik zweeg en zette enkel stappen achteruit. Gelukkig zaten mijn arendslaarzen nog steeds zoals vroeger, als gegoten. Ik nam plaats naast de man met de pingpongogen. Ook hij bleek een google-implantaat te hebben, een oude versie met kinderziekten, vatbaar voor virussen. Zijn ogen en hersenen leden eronder. Ze hadden zich nooit kunnen aanpassen aan de projecties op het netvlies. Zijn blik bleef maar van links naar rechts schieten alsof hij de tekst niet kon volgen. Hij vroeg mij of ik ze ook had gezien. Ik trok ogen als een domme dodo en hij zei, nogal luid waardoor ik schrok : “Op de brug! Noor! Met dat gele beest.”       bladzijde 8 van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0