Zoeken

Natascha en de pingpongspruiten (7)

  Iets verderop, daar stond zij, nog steeds, de fabriekshal van Kinepolis, ooit wit nu grijs, een tanend walhalla van de film. Ik keek achterom, in de richting van de achterruit. De vrouw met de mond van marsepein had de aldizak naast zich gezet, als een dam tussen haar rechterbil en de monteur. De Beul van Zedelgem zat nog steeds gans achterin, op het middelste van die vijf zitjes waar schoolreiskinderen het liefst zitten, op hun knieën, achterstevoren, om naar de achtervolgende mensheid te wuiven. Zijn zak was wit gebleven, net als zijn brood in die acht sneetjes met daartussen vier lagen kop en mosterd.   “Hier worden nog maar weinig films vertoond,” zei de Buschauffeur van wie ik niet verwacht had dat hij me plots zou aanspreken. “In de namiddag brengen private belbusjes oudjes naar deze parking. Ze pikken ze op bij hun woonblokken en ze zette hier af, voor een grappige klassieker, Louis de Funez, The Naked Gun en van die dingen. Oude herinneringen blijven het best bij en dan lachen ze net iets meer. In een andere zaal speelt om twee uur ook ‘De Schat van de Zeerover’, een kinderfilm met droevig eind, maar ook met gratis drankjes of koekjes, naargelang de sponsor en ‘s avonds enkel nog ‘Pirates of Innocence’, een erotische parodie.”   Vrij veel gepraat voor een doorsnee buschauffeur. Misschien was zijn google-implantaat niet zorgvuldig afgesteld. Ik was naar zijn informatie beginnen luisteren en we naderden het ronde punt aan de expresweg. Daaronder denderden door een tunnel vrachtwagens met containers, allicht vol richting binnenland, leeg richting zee en boven het ronde punt hing een fietsersbrug met drie armen, die elkaar vasthielden in het midden. Op de arm richting Kinepolis stond een zwarte gestalte met een fluogeel hondje. Ik wees naar de donkere figuur met het reflecterende dier en wachtte op de woorden van de Buschauffeur.   “Ja, het is al gebeurd, meerdere keren zelfs, dat iemand hier van deze fietsersbrug sprong, maar de smalle brug hangt nog net boven het bloemenperkje naast het ronde punt en net niet boven de tunnel. Meestal komen ze er met wat rozenschrammen en een botbreuk van af. Blijkbaar is het nodig om je met volle kracht af te zetten en een duik vooruit te nemen om onder één van die vrachtwagens terecht te komen?”   Ik knikte en bespaarde hem mijn opmerking dat ik de hoogte kon reduceren en het ronde punt in de breedte kon uitrekken, zodat die sombere gestalte veilig van de brug kon springen. Het hondje zou volgen als een bizarre ballon aan een touwtje. Ik zweeg. De Chauffeur zou allicht geantwoord hebben dat de brug hem dan de weg zou versperren. Ik vroeg hem wel waarom die wanhopelingen niet gewoon vanop het ronde punt de tunnel insprongen.   Hij kon niet antwoorden. Zijn implantaat haperde even en hij sprak : “De balustrade is inderdaad niet echt hoog.”   De fietsersbrug was nu vlakbij en ik sloeg mijn blik nog snel even omhoog in de hoop een gezicht op de duistere gedaante te kunnen plakken. Regendruppels hinderden het zicht. Ruitenwissers wissen nooit alles en ik dacht aan Natascha, die zich thuis klaarmaakte. Voor haar was de bushalte Kroonhoek vlakbij. Zij woonde immers in het centrum van Zedelgem, boven een kruidenboetiek. Ik zag het zo voor me, hoe ze zich opfriste voor een spiegel, getooid in enkel een slipje begroeid met doornloze rozen en een beha met de maten en de letters van een barracuda (met uitzondering van de r en de u).   Natascha heeft -moet je weten want zo is het- een zuivere huid, vrij van grote moedervlekken en puisten. Er zijn geen doorboringen voor ringels of pinnen en ze heeft geen wratten. Nergens draagt ze een tattoo, niet van een koppige slang of de nummerplaat van een vrachtwagen, noch de beeltenis van een piratenschip en zeker geen naam van een overleden minnaar. Dat velletje van haar is nergens geschonden of op onnatuurlijke wijze uitgerokken door de aanwezigheid van botox of siliconen, noch in de breedte, noch in de diepte. Zij is geen hemellichaam met kunststofbergen op een ribbelige glooiing. In de verte gaapt geen mergelgrot! Neen, haar lijnen zijn zowel te midden pareltjes van ochtenddauw als bij een dronken avondschemer om te strelen en haar kontje mag dan wel iets dikker zijn dan normaal, voor mij is het helemaal goed zo. Wat is trouwens nog normaal de dag van vandaag?   De Chauffeur leek te knikken, alsof hij mijn gedachten had kunnen lezen. Verder stelde ik me geen vragen bij een fluogele hond.       pagina zeven van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (6)

  Voor alle zekerheid zette ik vier rechter en vier linker stappen in de richting van de Buschauffeur. Ik kwam naast hem te staan, hij slurpte aan zijn koffiebekertje en ik sloot de ogen, echter niet als een vermoeide struisvogel die uit schrik zijn kop in een zwart gat probeert te steken. Voor de duisternis kende ik geen angst, in geen geval. Als kind was ik er al door gefascineerd, ook door begrippen als oneindigheid en het niets. Het werd zelfs een soort ritueel, een vorm van ontspanning, om na zonsondergang, als ik in bed lag, me te oefenen in de geestelijke voorstelling van deze begrippen.   Op stille avonden, wanneer de krekels zich eens niet als dolgedraaide scheidsrechters oefenden in het fluiten van een spelerloze voetbalwedstrijd en de kikkers sprakeloos de sterren telden, sloot ik mij de ogen. Ik stelde mij een vierkante opening voor, in een zwart vlak. Achter die opening scheen een fel wit licht. Door de opening uit te rekken tot een rechthoek, werd het licht minder fel en de diepte zichtbaar. Ik rok* de breedte nog verder uit tot er geen zijkanten van een rechthoek meer zichtbaar waren. Er ontstond een ruimte met een bepaalde hoogte, een onbegrensde breedte en een onzekere diepte.   Door de hoogte te verkleinen werd die ruimte samengedrukt, verspreidde het licht in de diepte, waarvan de onmetelijkheid zichtbaar werd. Na enkele seconden was de hoogte gereduceerd tot nog slechts een dunne spleet. Het licht vond haast geen uitweg meer, werd weer feller en op het laatste moment, net voor de spleet zich volledig sloot, was er die ene pîjnlijke flits van wit licht. Daarna niets meer, enkel nog een volmaakte duisternis.   Wat mij restte was eerst de boel nog negentig graden te draaien, mij een voorstelling te maken van vierkante gaten die uitgerokken* tot verticale in plaats van horizontale spleten, waarbij de hoogte oneindig werd en de breedte uiteindelijk nihil.   Daarna oefende ik mijn geest nog in de combinatie, twee dimensies, hoogte en breedte liet ik tegelijk variëren, en ik speelde met het in- en uitzoomen, had al gauw een soort geestelijk platform waarop ik objecten in een oneindige diepte kon doen verdwijnen en dat tegelijk ook diende als de tafel van een tweedimensionale microscoop waarbij ik kon inzoomen op de details van zelfverzonnen insecten.   Al bij al geen ideale geestesoefening voor iemand met agora- of claustrofobie, maar ik leed aan geen van bijna. Integendeel. Het werd voor mij een thuis zonder zorgen of verveling. De in mijn hoofd ontwikkelde microscoop mocht was dan wel slechts tweedimensioniaal zijn, toch belette mij dat niet om een complete kever te creëren. Ik schiep hem laagje voor laagje, koos de uitwendige vorm, die van de kop, de thorax, het achterlijf, een stelsel van organen, koos het aantal poten en vleugels, alles, soms in de zotste kleuren. Je kan stellen dat ik de 3D-printer decennia voor was geweest en daarbij niet beperkt was in kleuren, noch in precisie of de finesse van de vezels.   Niet dat ik de Buschauffeur nu ging lastigvallen met dergelijke prietpraat. Ik wilde hem maar één vraag stellen en ik oefende alvast in mijn gedachten, woord na woord : “Stopt deze bus ook aan de halte Kroonhoek?”       *West=Vlaams : uitrekken/rok uit/uitgerokken  __________ bladzijde zes van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Parijs

Ik weet hoe je stem klinkt. Een warm timbre, met een Oost-Vlaamse tongval gemaskeerd door je vele omzwervingen naar Noorwegen, Nederland, Antwerpen, Parijs. Geperfectioneerd door dictielessen, voordrachten en practica. Ik weet hoe je stem klinkt. Niet door de gesprekken die we hadden, neen, die voerden we enkel in mijn hoofd. Het enige wat ik ooit over mijn lippen kreeg was de vraag om een blaadje papier, toen ik eindelijk naast je durfde te zitten tijdens de les Communicatiewetenschap in de Universiteitsstraat. Je zit voor het eerst in weken alleen en ik zie mijn kans schoon. In een nagenoeg volle aula zou het niet opvallen hoe hartstochtelijk ik had uitgekeken naar dit moment. Ik recht mijn voorovergebogen schouders, wandel tien treden naar beneden, klap gezwind het houten stoeltje naar beneden en zet mijn okerkleurige tas erop, die ik nog zelf bestikte met knopen uit mijn moeders naaikoffer. Het stoeltje schiet terug naar boven en mijn tas blijft steken tussen de rugleuning en het zitgedeelte. Onhandig frunnik ik aan de tas. Jij glimlacht meewarrig en trekt het klapstoeltje naar beneden. “Dank je,” prevel ik. Het hoofd van onze vakgroep daalt over de trappen naar beneden en neemt plaats op het verhoogje vooraan. De prof met kort, blond gemècht haar draagt een knalgeel broekpak waar ze zelf om lacht. Haar stem klinkt strak, haar humor vals en ze trekt haar neus op wanneer ze je persoonlijk aanspreekt. Ik mag haar niet, maar ben dankbaar dat ze de les aanvat. Mijn zelfvertrouwen is samen met mijn olijfkleurige tas blijven steken tussen de klapstoel. Ik noteer naarstig wat de prof declameert. Verdwijn tussen mijn pen en notitieblok. Ik pen zo ijverig dat ik de laatste drie velletjes van mijn notablok volledig volkrabbel. Ik twijfel. Hoor niet meer wat ze reciteert. Wanneer het woord “examen” valt en heel de aula ritselt van pen en papier, staat mijn hoofd op ontploffen. Mijn laatste hoopje moed bijeenscharrelen en je aanspreken, of zo miniscuul mogelijk proberen schrijven in de marge van mijn overvolle blad. Jij ziet mijn pen boven mijn blad dansen en draait je hoofd een kwartslag. Kijkt me met je reebruine ogen ontwapenend aan. Die reebruine ogen waarin ik verdrink en die mijn tong zo droog als leer maken; mijn tenen doen tintelen. Het is nog erger dan in de boekjes. “Mag ik een blad van je lenen?”, fluister ik. Ik ben twintig, maar mijn stem klinkt als een vijftienjarig puberjongetje. Jij scheurt een bruinig ecovelletje van je notablok. Onze vingertoppen raken elkaar wanneer je me het blad overhandigt. Mijn maag krimpt, mijn hart ontploft, mijn longen barsten. De les loopt naar zijn einde en ik gris mijn spullen bij elkaar. Ik kan niet snel genoeg weglopen. De aula uit, de trappen af, mijn fiets op. Beukend op de pedalen jakker ik de Veldstraat in en knal ei zo na een shoppende voetganger omver. Zweet en tranen glimmen op mijn wangen. Ze proeven zout. Ik weet hoe je stem klinkt. Niet door de gesprekken die we hadden, neen, die voerden we enkel in mijn hoofd. Ik ken ze van de promofilmpjes voor je doctoraat en je filmbesprekingen voor Canvas, waarin je met zachte woorden passioneel je liefde voor film uiteenzet. Ik ken ze van je voordracht voor De Buren, waar je trots je zelfgeschreven tekst over Parijs en de jaarlijkse reis met je ouders over de Route de Soleil voorleest. Ik ken ze van je boekvoorstelling, waar ik, spiedend over de fluweelrode zetels, je lippen minutieus in de gaten hield. Ik weet hoe je stem klinkt. Maar jij, weet jij nog wie ik ben?

het stille meisje
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (5)

  Exit de Waymo. Ook andere vooruitstrevende plannen kenden geen succes. “De Opruimplicht van een Ganse Levensrotzooi” (vrij vertaald) en “Verplichte Euthanasie op 65 Jaar”, twee wetsvoorstellen ingediend door de Partij van de Jongeren, haalden het niet. De Seniorenpartij was er vanzelfsprekend niet voor te vinden en de immobiliënlobby had lange armen, waarmee ze tastten konden, in de pels van zilveren luizen, in de buidels van die lamme kangoeroes met gouden vacht. De middenstand regeerde het land, had zijn geld belegd in vastgoed, woonblokken voor een grijze generatie die zich vasthield aan wat herinneringen, zich vergaapte aan dagelijkse kots, de dyslexie van papegaaien in een kooi en de kookprogramma’s van een keukenrobot.   De man met de pingpongblik rochelde alsof hij wat kleverig slijm zocht voor zijn loszittende oogbollen. We reden frietkot De Bosbrand voorbij en wat verder lag Kinepolis. Daar zou hij de sporttas met daarin de vele brillen vastgrijpen en voorzichtig optillen. Hij ging de bus verlaten, langs zijn vaste weg in de richting van de ingang stappen, zijn gruwelpasje laten zien, uit de automaat een emmer popcorn met strooizout halen en doodalleen op de voorste rij plaatsnemen. De reclamespotjes voor vermeend genot en echte zoetigheden zouden niet tot hem doordringen. Hij was immers gekomen voor de horror, zijn ogen gingen straks snelle rondjes draaien rond hun as, als twee dolle planeten, elk op een breinaald gestoken door een zot. Het oppervlak was wit, met rode rivieren dooraderd, en de grote kraters, in elke bol één, waren overspannen met een levend vlies. Op het vlies groeiden grote kolonies fotocellen die gevoed werden met het bloed van gruwelbeelden.   In mijn achterhoofd hoorde ik eerst gegrinnik dat al snel overging in spottend gelach. Toen deze geluiden tot bedaren kwamen, sprak de man mij aan : “Dacht je echt dat daar horror vertoond wordt?” en zegde droogjes : “Als iemand uitstapt aan de halte Kinepolis op maandagochtend, dan is het een kuisvrouw en in het beste geval ook die kerel daar, hij die bij De Vrese de runderen elektrocuteert. Vandaag geen wreedaardigheden. Hij heeft die kuisvrouw leren kennen op deze bus en zal haar vandaag eens goed in haar kont neuken voor dat grote scherm.”   Ik zweeg, richtte mijn blik naar beneden, op de sporttas en vroeg mij af of zijn mond werkelijk bewogen had.       bladzijde vijf van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (4)

  Rood, oranje, groen. Van Het Zand tot in Loppem zijn deze kleuren enkel nog ‘s zomers te bewonderen in perken en voortuintjes. Alle stoplichten op deze route zijn verdwenen, de kruispunten vervangen door ronde punten. De twee tunnels zijn gebleven, de verkeersrazernij evenzeer.   Heel even leek het een succes te worden, zelfsturende auto’s die volautomatisch reden en tegelijk, in lange slierten een veilige afstand hielden als gezinnen in een laan met Vlaams villa's.   Ikzelf heb mij nooit een dergelijke noch een degelijke auto aangeschaft. De nood aan eender welk summum van spitsvondigheid ontging mij zoals een aalput gespaard blijft van orkanen. Een rijbewijs had ik en heb ik nog altijd, maar ik huurde slechts sporadisch auto’s in landen met uitgestrekte toendra’s en steppes van verlatenheid of bij tijd en stond, telkens als het me weer eens te veel werd, kocht ik een wrak, vroeg een transit nummerplaat naar Mongolië aan en vertrok, met twee broden, vijf gedroogde vissen.   De zelfsturende automobielen (van het merk Waymo) staan nu in de musea der techniek, of zijn op schrootbedrijven samengeperst tot kubussen van onmacht. Vele ex-eigenaars van deze karretjes, de nerds van het eerste uur, zijn nog altijd in therapie. Deze vierwielers zaten vol met sensoren en camera’s, zelfs warmtegevoelige camera’s die het verschil zagen tussen een grote kei en een egel. Natuurlijk werden ze nooit geprogrammeerd om egels bewust plat te rijden en enkel grote keien te ontwijken, maar de overigen (have-nots, skinheads in kimono's, johnnies met getunede kia’s en andere spitsbroeders) kregen het al snel door, hoe de sensoren werkten en hoe ze die believers, de haves die niet meer op de weg hoefden te letten, voor de gek konden houden.   Je zag het regelmatig gebeuren. In zo’n Waymo zat dan zo iemand die ‘mee was met de technologie’. Hij zat er geconcentreerd op een schermpje te kijken, was al met zijn dagelijkse werk begonnen, dronk intussen wat koffie, at frieten met mayonaise of poetste zijn hagelwitte tanden. Een moderne vrijheidsstrijder,  stak hem wild voorbij en remde dan bruusk voor zo'n googlekarretje, waarna het abrupt stopte, gelijk een rolstoel die een stok in de achterwielen gestoken kreeg. De koffie of de mayonaise kwam op een toetsenbord terecht, de tandenborstel in een keel en de nerd kreeg door de overweldigende onmacht een psychotische aanval. Je zag zo'n Waymo dan vastgenageld staan aan het wegdek, terwijl de passagier (een bestuurder kon men het niet meer noemen) keelde achter een kunststofruit. De stemherkenning geraakte geen wijs uit het geroep en de passagier begon van woede op de ramen te bonken, terwijl de koffie, mayonaise, soms een goedkope champagne, langzaam overal binnendrong, via de randen van de toetsen f, u, c en k, tot diep in de circuits van al die elektronica.       pagina vier van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (3)

  Het is immer gissen en vergissen, maar mij verbergen voor de mensheid was me nooit gelukt. Overal waren er tekenen van de soort die zich over de ganse aardbol had verspreid.   Ook de kast waarin ik als kind kroop was door mensenhanden vervaardigd. Het was overal en altijd echt onmogelijk ze te ontlopen, die wezens met hun ‘beschaving’'. Nadat dat woord mij eenmaal aangeleerd was, zou ik er telkens kippenvel bij kregen als ik het hoorde, niet alleen omdat het zo breed was en ik het niet ingevuld kreeg, maar ook ook omdat het meer en meer een nare bijklank kreeg.   Een kleerkast was het geweest en ook een kleerkast van een man die de boom had omgelegd of misschien waren er meerdere nodig geweest. De timmerman, die was minder struis van postuur geweest en de chauffeur van de vrachtwagen een nog kleinere man omdat hij langs vele treden uit zijn cabine moest kruipen. Eerst trok hij zijn stofjas recht, het blauw van duiven glad en terwijl hij naar het achterberd van zijn Magirus liep, had hij een paar keer in zijn handen gewreven, alsof hij zo wat naarstigheid zou loskrijgen in armen en vingers. Hoe de kast op die zolder geraakt is weet ik niet, wel dat nu de lucht boven de bus volledig toetrok. Het werd grijs met grauwe vlekken.   Eenmaal het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw voorbij, was hij er blijven liggen, de hand van de monteur op de bil marsepein. De matte kleur van haar lippen was nog niet veranderd en toen we het donkere gat van de brug onder de spoorweg naderden, duwde ze de hand weg. Dat ze dan toch geen koppeltje waren, me dunkte, want hij trok een gezicht als dat van een zwerver die een ondankbare straathond had gestreeld.   Het was een donkere tunnel. De lichten die bij nacht van deze tunnel een gele koker maakten, sprongen niet aan bij duisternis na zonsopgang en ik had die ene kerel niet zien opstappen, die met zijn nerveuze blik. Toen we de tunnel weer uitreden, naderde hij, zette een sportzak neer.  Echt vreselijk dicht kwam hij niet, greep in de bocht de grijze buis vast waarop een blauwe drukknop met de letters ‘stop’ gemonteerd was. Hij stond daar als een kermisconducteur op een draaimolen en zijn ogen schoten van links naar rechts als bij een toeschouwer van een pingpongwedstrijd. Het leek hem blijkbaar niet te deren dat de balwisseling eeuwig zou blijven duren, terwijl er aan alle kanten niet veel meer te zien was dan geparkeerde auto’s, regendruppels op de ramen en binnenin de bus hoofden van wegkijkende wezens. In zijn sportzak staken meerdere brillen. Een duik-, een 3D-bril, één met positieve dioptrie en een vergrootglas voor het bekijken van fotonegatieven. Over de kleur van de pingpongballen moest ik nog nadenken.     derde bladzijde van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Natascha en de pingpongspruiten (2)

  Ik leek wel de enige, toen ik er stond aan het busperron bij Het Zand, daar bij die schouwburg met zijn moeilijke vormen, de enige met arendslaarzen en een ondoordringbare waxjas, de enige die een bestemming had maar het reisdoel niet kende. De anderen wisten wat hen te doen stond. Het was zeven uur drieëntwintig en bij velen kon ik zien waar ze heen gingen. Ze droegen een embleem of een plastic zak, waarop het stond : New Holland, de Aldi van Zedelgem en zij die een zak bij zich hadden die volledig wit was, werkten er in het slachthuis. Niemand zag de weggewassen bloedspatten.   Wat er die dag ging gebeuren, wist ik niet, toch niet wat mezelf betrof. De anderen gingen zonder twijfel sleutelen en monteren, karkassen scheiden en stukken wegsnijden of een boodschappenlijstje overlopen en hun kop in een diepvries steken. De Buschauffeur kwam aangereden en ik kon het zien aan zijn dode blik. Voor hem lag de route en de eindbestemming zo vast als een betonmixer vol vergeten moortel.   Om zeker te zijn stak ik mijn hand in mijn broekzak, om te controleren of het plooimes er nog in zat, om te voelen of de flacon met universeel gif niet was gaan lekken. De bus opende zich en ik kon gerustgesteld opstappen. Ik bleef rechtstaan op vijf ellen van de dubbele middendeur waarop blauwe zelfklevers prijkten met de afbeeldingen van een kinderwagen en een rolstoel.   Franky kreeg gelijk. Toen we het Vrij Technische Instituut voorbijreden en de chauffeur in die scherpe bocht een slok nam van zijn bekertje koffie, begon het pas echt goed te regenen. Mijn arendslaarzen bewogen niet. Ik was op een zucht van haar blijven staan. Zij zat op het zitje vlak boven de achterwielen. Dat was en is altijd een dubbel zitje bij dit type van autobussen en zij zit altijd op diezelfde plaats, niet aan het raam maar aan de kant van de gang met de staanplaatsen.   Elke dag scheiden slechts wat plaatstaal, mousse en de laag kunstleder van het zitframe haar kont van de groeven van de banden. Ja, ook de stof van haar broek,  een slipje en die dag ook een inlegkruisje, een ingedutte kramp. Ze had baarmoederjeuk, voelde het, dat een moederwens was blijven haperen in haar blinde darm. Kinderen had ze nog niet. Anders droeg ze geen oorbellen als een Indische pauw, best lang en van kleuren te opvallend voor ieder trekgraag kind. Natascha kon het zeker niet zijn, want haar lippen leken als van marsepein en haar vingernagels hadden de kleur van schreeuwerige anjers.   Een paar wielomwentelingen verder was ik het helemaal zeker. Natascha is anders, bevond zich niet op deze bus en er zat bovendien een man naast die vrouw met die mond van marsepein. Hij had handen groot als wafelijzers, echte pikdorspoten, waarmee hij bij New Holland de moeren aanspant die alle elementaire delen met elkaar verbinden. In zijn vrije tijd is hij keeper. Het bedrijf heeft een eigen ploeg en het is zijn taak om het doel leeg te houden.   Elke werkdag zitten ze op deze bus. Deze man naast deze vrouw en de vakbond heeft ervoor gezorgd dat hij glijdende werkuren heeft, dat hij ze kan aanpassen aan de werkuren van zijn geoorbelde partner. Zij werkt in de Aldi van Zedelgem, want haar huid is bleek en wordt dag in dag uit gespaard van zonlicht.   Het is met de palm van één van deze grote handen (de linker want hij zat rechts van haar) dat hij haar twee klopjes op de rechterdij gaf. Het waren niet de tikjes die een man geeft op de bil van zijn vrouw in een Grieks haventje, als teken dat ze dit tafeltje in het zoveelste restaurant zullen verlaten omdat ze ook daar de nodige romatiek niet konden vinden en het er niet langer zullen trekken. Neen. De tikjes die deze monteur op de dij van zijn winkelbediende gaf, waren er van moed en hoop.   Elke avond ligt deze man naast zijn vrouw in hetzelfde bed, hij links en zij eerst met haar hoofd op zijn rechter schouder. Beiden draaien zich na zowat een kwartier. Zij wendt haar blik naar de blanke muur en sluit de ogen, terwijl ze voelt hoe de onzekerheid, hoe de malchance in haar woedt. Hij draait zich ook naar rechts, een kwartdraai, waardoor hij als een pollepel tegen een soeplepel komt te liggen. Hij legt zijn linker hand op haar malse carrosserie en fluistert dat het de volgende keer wel zal lukken. Het woord ‘eisprong’ gebruikt hij niet, maar het is slechts een kwestie van wachten. Hun geduld zal met geluk beloond worden.       pagina nummer twee van 'Natascha en de pingpongspruiten' (deel 1 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

S/M FANS. a

  Ik ken de T-shirtman al lang. We waren allebei veertien toen ik hem voor het eerst ontmoette. In die tijd had je Dylan-fans en Andy Warhol-fans. De Dylan-fans troepten samen in de jeugdclub waar de studenten van het college de hoofdmoot vormden. Ze hadden de jeugdwerking schitterend uitgebouwd, voortkomend uit een jeugdbeweging die nogal Vlaams-nationaal geïnspireerd was. De jeugdclub werd het nieuwe avontuur. Destijds werden de jeugdsubsidies naar aloude Vlaamse traditie geïnvesteerd in beton, maar niet in ons stadje. Daar ging de subsidie voornamelijk naar optredens, gesprekken en feestjes. In die kleine ruimte, waar veertig man al een vol huis betekende, zag ik artiesten die in grote steden in enorme zalen stonden: van Filip Van Luchene en de piepjonge Johan Verminnen tot Alfred den Ouden. Op die plek werden de intellectuelen van ons stadje gevormd. Daarnaast was er nog een andere club, waar de Andy Warhol-adepten zich verzamelden. En daar liep hij: in glitter, op hoge plateauschoenen en met een schare bewonderaars om zich heen. Het was liefde op het eerste gezicht. Maar ik verhuisde. We gingen elk onze eigen weg, elk onze eigen demonen bestrijden. Enkele jaren later zagen we elkaar terug op de trein. In die oertijd van de rock-'n-roll was hij tot de conclusie gekomen dat de Engelse teksten begrijpelijk gemaakt moesten worden. Hij had de teksten vertaald, massaal gekopieerd en verkocht tijdens optredens – met enorm succes. Ik vond het geniaal. Maar opnieuw gingen onze wegen uiteen; we zagen elkaar slechts sporadisch. De vertaalde teksten werden posters. Na een tijdje werd hij lid van de groepjes jongeren die over het Europese vasteland naar de grote optredens in de steden trokken, in het kielzog van een troep marktkramers. Ik ging mee naar David Bowie in Ahoy Rotterdam, naar Genesis in Göteborg… Jarenlang zag ik hem daarna niet meer. Op een zeker moment verruilde hij zijn zwerversbestaan voor een winkeltje. Dat werden er twee, drie, en uiteindelijk een keten van supermarkten. Soms nam hij me mee op restaurant en dan betaalde hij mijn drankjes. Op een dag stond hij voor de deur van de galerie van Theo. Theo was 25 jaar lang mede-eigenaar geweest van een hotel waar zowel gekroonde als ongekroonde hoofden logeerden. Op een gegeven moment was hij al die luxe beu en wilde hij een buurtgalerie runnen. Ik werd zijn hulpje. Theo was een zeer boeiend man, maar ook bijzonder koppig. Toen mijn vroegere vriend me vroeg of zijn huidige vriendje een kans kon krijgen in de galerie, wist ik dat er onweer op komst was. "Ik zal zien wat ik kan doen," mompelde ik. Theo kon mij die gunst niet weigeren, omdat ik hem al die tijd belangeloos had geholpen. Zwaar tegen zijn zin ging hij akkoord. "Laten we alles bespreken op restaurant," zei mijn vroegere vriend. "Ik wil je wel op enkele moeilijkheden wijzen," zei ik hem. "De vriend van de galeriehouder heeft de laatste tijd de neiging om straalbezopen op recepties te verschijnen; hij gaat zelfs geregeld op de vuist. Ze hebben zware ruzies. Bovendien is er een probleem met de verlichting; de kans bestaat dat de stroom uitvalt."Hij keek me wanhopig aan. Zijn vriendje zou niet tevreden zijn. "Heb je dan geen oplossing? Maar zeg er niets over tegen hem.""Voor het eerste probleem heb ik een ex-Belgisch kampioen gevechtssporten," zei ik. "Hij ziet er frêle uit en probeert ieder conflict eerst met woorden op te lossen, maar wanneer woorden tekortschieten, kan hij elk probleem aan. Wat het tweede punt betreft: huur een generator, die kan iedere stroompanne aan.""Je doet maar," zei hij, "na het evenement neem je contact op. Ik zal alle onkosten terugbetalen. En bovendien: als je goesting hebt, open ik een galerie in Gent. Een appartementje met uitzicht op het water en zestig duizend 'frankskes' in de maand... als je wilt?"Het evenement werd niet verstoord door het zatte vriendje, noch viel de stroom uit. Iedereen tevreden.Trrrrrrrring…….."Kan ik mijn vroegere vriend spreken?" "Die is er niet. Kan ik u helpen?""Euh… nee, wanneer is hij er wel?""Volgende week misschien. Kan ik echt niets doen?""Tja, tot volgende week dan."Mijn hersenen draaiden razendsnel. Was hij het vergeten? Was dit een van zijn spelletjes? Nog een week wachten… Ik had de helft van mijn leefgeld in de kosten gestoken, maar ik mocht niets aan zijn vriendje vertellen. Het bleek de grote verdwijntruc. Pas maanden later zag ik hem heel even, daarna jarenlang niet meer.Op een dag zag ik hem terug op een begrafenis. Hij had inmiddels de hele wereld afgereisd. Een paar weken later schreef ik hem een brief waarin ik hem vroeg op te houden iedereen te vertellen dat hij me ooit had geholpen. Ik vertelde hem dat ik nog steeds van een leefloon moest rondkomen en dat ik – midden in de zwaarste depressie van mijn leven – iedere euro goed kon gebruiken.Ik kreeg een BRIEF terug:PLEEG ZELFMOORD."Roddelen over jou, Verf? Tegen je collega-clochards? Zijn die dan geïnteresseerd? Zuip je leefloon op en zet dat maar op je site. Je bent altijd een gemene adder geweest. Ciao!"Nou moe! Wat zullen zijn fans dáár van denken?    © verf.Lambermontplaats A'pen 2004 FOTO GALLERY VERF ED https://www.2dehands.be/q/verf+ed+/  

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser.
21 0

Natascha en de pingpongspruiten (1)

  Soms gaat het erg langzaam, soms pijnlijk snel of misschien is het een spel. In elk geval moest ik mezelf blinddoeken, zo stond in de e-mail. Op maandag, om 10 uur moest ik er zijn. Neen, ze had het veel preciezer omschreven : ik moest plaatsnemen op het blauwe bankje en mezelf een doek rond het hoofd en voor de ogen snoeren, in de bushalte 'Kroonhoek' van buslijn 79.   Via de website vrijwilligerswerk.be was ik met haar in contact gekomen. ‘Lieve groetjes van Natascha’, zo had ze het bericht beëindigd. Afzender :  natascha.salomon@hotmail.com en gans onderaan, waar ze met haar voornaam geëindigd had, stond nog : Coördinator Natuurpunt Zedelgem, maar verder geen telefoonnummer, straat, noch huisnummer.   De e-mail had ik op vrijdag gekregen en tijdens het weekeinde had ik me goed voorbereid. Ik stak enkele keien in mijn arendslaarzen (van het merk Aigle), vulde het bad met dertig centimeter koud water en liet mijn olijfgroene botten er voorzichtig in zakken. Enkele minuten heb ik gewacht en dan gecontroleerd of ze nog volledig waterdicht waren.   In de kast hing nog de waxjas, die ik vroeger droeg, toen ik nog echt van honden hield. Een nieuw laagje wax kon de jas wel gebruiken. Ik bracht wat parafinne aan op de taaie stof en de oude kreuken. Zo werd dat ding weer degelijk waterdicht. Verder kon ik niet veel doen. Ik wist immers niet welke taak Natascha voor mij in petto had. Ik wist alleen, van een weerman die ik met de jaren Franky ben gaan noemen, dat het haast zeker ging regenen op maandag, hoogst waarschijnlijk één ganse dag lang.   Waarom ik mezelf moest blinddoeken, was mij een raadsel, net zoals ik me nooit een bevredigende voorstelling heb kunnen maken van de oneindigheid van het heelal. Was ze te lelijk om aan te zien? Zou ze me naar een geheime plek brengen? Naar de broedplaats van de laatste kermisgans zou het allicht niet zijn, want het was november, bijna wapenstilstand en voor zover ik weet zijn er geen vogels die nog broeden in november. Turkse tortels die misschien wel nog, of parkieten op een verwarmde zolder.   Ik ging ervan uit dat ze niet aartslelijk was. Ze was en is immers een natuurmens, krijgt snel rode wangen als ze door beukenbossen gaat wandelen. Fijne vingers heeft ze waarmee ze de kleinste nootjes kan openpeuteren. Op haar frisse tochten draagt ze een haarband van zacht beige fleece, die haar lange kastanjebruine lokken samenhoudt en ze is regelmatig gids, spreekt nooit met een scherpe stem om geen dieren weg te jagen, heeft ogen die mooi en goed genoeg zijn om de meest prachtige bosflora te spotten en als ze zich dan hurkt, dan spant haar bruine ribbelbroek zich telkens strak rond haar kontje, terwijl ze met die fijne vingertoppen van haar voorzichtig de stippen op het dak van een giftige paddenstoel telt.   Zo’ n onvolledige en uiterst naïve voorstelling had ik me van haar gemaakt. Verder was ik niet geraakt.       bladzijde één van 'Natascha en de pingpongspruiten'  (deel 1 van mijn e-boekje met de titel 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Ja, maar? ... Nee, laat maar

“Ah zit dat zo? Dat wist ik niet. Zo zie je maar dat ik niet alles kan weten.” Het is zeker niet altijd even gemakkelijk om bepaalde zaken te aanvaarden of te (h)erkennen. Maar nieuwsgierigheid is een leuk gegeven, dat je kan aftoetsen tot een bepaalde grens... Niet zo ver weg van de beroemde comfortzone. Ik vroeg haar het volgende... “Wat hoop je dan juist te bereiken met tolk te willen worden? Wat zijn de mogelijkheden in dat vak? Ik heb het altijd maar iets gevonden voor mensen die gedoemd zijn niet gelukkig te zijn. Die slim zijn op papier, maar eigenlijk überdom in het leven.” ...   “Hoe bedoel je Bart de waanzinnige?”   “Dat mijn Hongaars beter is Noortje Uit De Broek.”   “Ja, maar Bartje?” ... “Stop gewoon, Noortje Uit De Broek. Ik begin er een degout van te krijgen dat mensen als jij zich altijd geroepen moeten voelen om een antwoord te beginnen met - ja, maar... - Waarom kan je uw antwoord dan niet beginnen met een simpele nee?”   “Ja, maar Bartje... Verdorie nu doe ik het weer. Ik ben wel degelijk gelukkig met mijn vriend Jozef. Het is de jongen die beroemd is geworden van op TV, toen hij met zijn vader Johnny de hoofdrollen vertolkten van het programma - het leven zoals het is: autorijschool - En nog iets Bartje? Ik beschouw mij helemaal niet als iemand dom hoor. Ik heb Germaanse talen gestudeerd in de hoop te weten te komen wat Ambiorix zoal aan het brabbelen was in zijn slaap. Ik weet van schrijven veel meer af als jij! Uw teksten staan vol essentiële fouten als het op zinsbouw en grammatica aankomt. Zo essentieel zal je dan wel niet zijn, me dunkt.”   “Vertel me iets nieuw Noortje? Ik mag dan niet over de perfecte zinsbouw en grammatica beschikken maar ik heb hier wel cijfers die aantonen dat mensen als jij, die op hun 39ste wakker schieten in de Zeeman... volgeladen met ambitie, meestal belanden aan de overkant van het straat. Niet dat het loon bij Action veel beter is... Maar je zal me wel snappen denk ik Noortje Uit De Broek? Of heb ik mijn zin mss niet mooi geformuleerd?”   “Ben je altijd zo arrogant Bart?” ... “Je zou mij eens moeten zien als ik 5pinten gedronken heb Noortje Uit De Broek.”   “Mijn naam is helemaal niet Noortje Uit De Broek! Mijn naam is Gwenny Uit De Broek!” ... “Ssssst, het is oké Noortje.”   Dat is nu net voor mij een zegen, dat ik maar op kan doen. En toch ergens een besef heb met wat ik allemaal bezig ben. Toch zeker als ik aan het schrijven ben. Ik ben dan mss nog maar 29jaar maar ik leef op sommige vlakken mijn leven nog lekker old skool. Ik kan me nog rustig afberen op ouderwetse behaarde porno. Niet dat de achtergrondmuziek of de Duitse figuranten mij een braadworst kunnen schelen. Het is allemaal anders geworden dezer dagen denk ik. Ik ga trager vooruit, ben niet altijd zo meegaand met bepaalde trends. Ik dab bijvoorbeeld zeer graag ongepast. En ik ga er wss pas met stoppen als het jaar 2034 is, om mezelf er aan te herinneren dat ik er in 2035 nog maar eens met moet beginnen. Dus ging ik maar verder op mijn elan. Ik dabte 54keer zeer snel achter elkaar en zei tegen Noortje...   “Hoe voelt het eigenlijk Noortje? Om u zelf zo slim te voelen als er een zekere Bart voor uw pinokkio neus staat en u gwn dom vindt? Ik zie dat er hier een bakfiets buiten staat? Ik zet er €100 op dat die van u is...”   “Hier heb je al €100 Bartje... Nu mijn antwoord nog. Ik wil graag mijn steentje bijdragen aan het milieu? Dat stoort u toch niet?”   “Ik zou dan weer graag met een steen uw pinokkio neus willen bewerken Noortje. Die verzekering van €9 per maand voor uw bakfiets? Bel je die ook op als uw ketting eraf ligt slimmerik?”   “Je bent wss een voorvechter van windmolens, mevrouw Uit De Broek? Zolang ze zich maar niet bevinden in een straal van 150km van het boerengat waarin je met een pak boter bent ingevallen? Hypocriet!”     “Ja, maar Bartje?.... Pffft nee, laat maar.”   “Trek liever eens aan mijn vinger Noortje, toch nog iets spannend dat hier gaat gebeuren voor ik vertrek...”   Duidelijk dat tolken in de Zeeman niet klaar zijn voor mij.  

Bart Van de Peer
0 0

Chocolat pur

Hier lig ik dan: helemaal vervloeid tot een kleverige smurrie, met wat rest een laatste mijmering. Maar wat voor één! Nooit had ik durven hopen dat de laatste minuten in mijn leven zo’n herinnering zouden teweegbrengen. Ik vertoef tenslotte al in het afbrekingsproces. Straks ga ik de andere kant uit dan langs die waar ik binnengegaan ben. Maar wat mij ook te wachten staat, ik zal er nooit spijt van hebben dat ik in haar handen terecht gekomen ben. Ze was me al eerder opgevallen. Een ranke verschijning, met blonde haren en sensuele, volle lippen waaraan ik voor altijd zou willen kleven. Op naaldhakken slenterde ze voorbij mijn uitkijkpost, aarzelend of ze haar hand zou uitstrekken. Haar uitdagende blik deed me bijna smelten van verlangen. Met uitzonderlijke wilskracht heb ik me hiertegen verzet. Ik kon het mij niet veroorloven weg te smelten zonder de essentie van mijn bestaan te hebben meegemaakt, hoe banaal die ook mocht lijken. Gisteren is het dan gebeurd. Haar blauwe ogen kwamen zo dichtbij alsof ze in het diepste van mijn ziel wilde kijken. Natuurlijk las ze alleen maar de letters op mijn jasje, dat weet ik ook wel, maar ik kon me niet van het gevoel ontdoen dat zij echt verlekkerd op mij was. Anders zou ze vandaag niet weer gepasseerd zijn. En dat gevoel verraadde me niet: weifelend streelde ze over mijn lijf, kietelde zachtjes met gelakte nagels over mijn harde lichaam. En opeens gedreven door vrouwelijke oerkracht, trok ze me weg uit de uitkijkpost, gaf aan de controle een biljet voor mijn body en stapte weg. Ik was nu echt van haar. Mijn hele torso jubelde omdat ze mij uitgekozen had. Het valt niet iedereen te beurt om met zo’n schoonheid mee te kunnen gaan. Ik zal excellent presteren, wil haar niet teleurstellen. Ik zal haar tong zachtjes strelen, haar smaakpapillen laten zinderen, zodra ze mijn zwarte huid beroeren. En ik zal ze betoveren met mijn textuur zodat ze echt verzot op mij geraakt en dan halsoverkop mijn hele familie koopt. Dan zal mijn taak volbracht zijn… Zo zal onze naam geschiedenis schrijven… Buiten ontdeed ze mij onmiddellijk van mijn jasje, trok mijn goudkleurig onderlijfje uit en rook gulzig aan mijn donkere huid. Ik schonk haar mijn geurigste aroma. Ze kraakte mijn lichaam – het deed helemaal geen pijn – en vanzelfsprekend bracht ze me naar haar sensuele lippen. Vanaf hier raakte ik zelf zo in vervoering dat ik geeneens voelde hoe ik in de donkere holte van haar mond verdween. De aanraking met het zachte vlees van haar tong en de eenwording met haar warme speeksel beroerde mij tot in mijn kern. Het zoete van haar mondvocht en het bittere in mij vermengden zich tot een bijna sacrale sensatie. Dit was de zin van mijn bestaan! Een goddelijke ervaring, opgeslagen als mijn mooiste herinnering vooraleer ik, wellicht morgen, haar lichaam verlaat…

R Ryckoort
34 2

Theorie en praktijk, een wereld van verschil

Theorie en praktijk dus, volgens Vermaelens Projects een wereld van verschil. Ik denk er ook zo over. Twee totaal verschillende werelden die zich met elkaar hand in hand moeten zien te redden. Een verplicht nummertje van de leerkrachten op school die u moeten zien klaar te stomen om er iets van te maken als je later gaat werken. Leerkrachten... ik heb er compassie met. Ook al is het voor hen een keuze of een roeping, of nog van die gedachten waar ze ’s nachts wakker van liggen als ze niet kunnen slapen wnr ze stresserende dag nummer zoveel achter de rug hebben.   De theorie, wat leert het ons eigenlijk allemaal bij? Dat we door middel van een sprookje te verkondigen er voor willen zorgen dat je later juist niet in sprookjes mag geloven. Het is de mythe van de femme fatale die nog nooit geneukt heeft zonder het licht uit te doen. Wijven die zich als theorie laten doen uitstralen door een gevat antwoord te geven wat de openingsuren van de Hunkemöller zijn, om vervolgens het wiel te heruitvinden en met hun GPS nog maar dreigen verkeerd te rijden. Allemaal zonder ik nog maar een vraag gesteld heb.   De praktijk is als relativeren. Er is nog nooit iemand van de eerste keer door geweest. Ondanks we er al genoeg jaren theorie over hebben laten gaan. We horen ook alleen maar van domme mensen zeggen “niemand is graag dom” terwijl ze denken slim te zijn. Het is zoals Cola Zero dat alleen maar gedronken wordt door extreem dikke mensen. Ze hadden beter op hun salades ketchup gedresseerd in plaats van mayonaise.   Achja, toegegeven... Ik kan niemand iets verwijten als we een leven krijgen voorgeschoteld dat ons leert om eerst theorie te leren en dan pas de praktijk toegewezen krijgen.   Maar mijn praktijk is toch een leuke theorie? Niet?     Allé het is maar een theorie natuurlijk.

Bart Van de Peer
0 0

Jordy, 1987

  Hij ontwaakte met luid gebonk in zijn hoofd en de eerste gedachte die bij hem opkwam was er een van pijn. In een reflex legde hij beide handen beschermend op zijn oren. Zijn vingers wisten zijn oorlellen onmiddellijk te vinden, geroutineerd als ze waren om schade tot een minimum te beperken. Of schande, hij kende niet zo goed het verschil. Niet dat hij veel klappen verdiende, absoluut niet, hij was een gehoorzaam kind, hij kende zijn plaats, meestal een klein hoekje ergens achterin. De kans om niet gezien te worden was immers het grootst als hij zichzelf tot een minimum herleidde. Geslagen worden was eerder het toevallig gevolg van een kortsluiting tussen twee mensen. En meestal stond Jordy daar, met de verkeerde genen van zijn vader, wat ongelukkig tussenin. Zijn vader, Danny Dingens, een ziekelijke mens, een sloef, een onnozelaar, een stom varken, een voetveeg, een vent zonder smaak, een lelijk mens, een man zonder ballen.  Zo leerde Jordy zijn vader kennen door de ogen van zijn moeder. In zijn vaders blauwe ogen zag Jordy een wijde vredige zee, donkere schaduwen in het buitenste deel van de irissen en hoopjes vrolijk licht in het midden. Jordy vond troost in zijn vaders ogen, voor elk stukje verdriet vond hij wel een strook verlichting. En zoals elk kind ontving Jordy wat hij voorgeschoteld kreeg, een boterham, een knuffel, een verhuis, een sterfgeval, een klap. Het leven raakte hem zonder veel woorden. Een moeilijke start voor een leven in kinderschoenen. Sentimentele praatjes had zijn moeder zich nooit gepermitteerd,  gesprekken moesten altijd ergens toe leiden, alleen was het soms moeilijk te weten tot wat of tot wat niet.  Ergens zomaar woorden aan vuil maken deed zijn moeder niet, haar taal kwam, vooral als ze een discussie met zijn vader had, recht uit een woordenboek vuilbekkerij. En alles wat Jordy tot hier toe over het leven wist, was wat hij thuis had opgestoken en dat was niet zo veel. Zijn korte leven beperkte zich tot de plek waar hij woonde. Eerder zelden kwam hij de deur uit, eens per week mee naar de winkel, af en toe naar de frituur, een zeldzame keer naar het speelplein in het park. Het adres van de familie Dingens veranderde geregeld, maar dat maakte weinig verschil, het interieur verhuisde gewoon mee met de drie vaste bewoners, zodat een andere locatie altijd minder opviel dan dat saaie alledaagse leven dat een eentonig spoor  door Jordy’s leven trok. Zo at hij al zes jaar aan dezelfde kleine wankele tafel, met het bebloemde tafelzeil waarvan de afhangende randen kleurrijker waren dan de tulpen op het tafelblad. Jordy had de leeftijd waarop de dingen er gewoon zijn en feiten mekaar opvolgen, onafwendbaar en onherroepelijk, voorvalletjes waar zijn moeder haar handen aan vol had. Zo zei ze toch. En terwijl de levens van anderen voortkabbelden onder fonkelende sterren, leek de levenswandel van de familie Dingens meer op een gammele pelgrimstocht tussen verdrietige stoplichten. Jordy’s moeder wilde hem klaarstomen om de wrede klappen van het leven op te vangen, daarom asfalteerde ze zijn huid met laagjes geestelijk eelt. Ze dacht dat dit het beste was voor haar zoon, beter dan alles wat zij, als kind, ooit had gekregen. Warmte zou hem week maken of zwak, daarom schonk zij haar liefde uit in een ijskoude beker.   Die dag in september was het gebonk geen klap, het was het stommelen van zijn moeder in de kleine keuken van hun nieuwe appartement.    ‘Verdomme’, kletterde ze met luide stem en rammelend metaal, ‘ik kan niks terugvinden.’    ‘Opstaan. Jordy. Je moet naar school. Uit je nest’. En nog voor zijn moeder zijn kamer bereikte, stond Jordy al in de badkamer, plaste in de grauwe toiletpot en zag dan dat er nieuwe kleren voor hem klaarlagen. Dit vervulde hem met een lichte blijdschap. In de keuken had zijn moeder ondertussen een mes in een van de dozen gevonden en smeerde twee sandwiches met hesp, voor in zijn nieuwe brooddoos. Tot enkele dagen geleden was het meestal zijn vader die zijn boterhammen klaarmaakte. Daar dacht Jordy aan en hij voelde zich woordeloos verdrietig. Hij wist niet waar zijn vader was nu, hij leek opgelost in de duisternis van verloren dingen, meegenomen door een man die hij niet had gezien. Tien avonden was zijn vader al niet meer op zijn bed komen zitten en elke nacht had Jordy één vinger meer geplooid. Zijn vingers waren op nu en zijn vader was nog altijd niet terug. Hij dacht aan hem, hoe hij met zijn linkerhand aan de punt van zijn snor draaide, hoe hij met zijn rechterhand een kruisje met ‘goedenacht’ op zijn voorhoofd aaide. Hij zag hem rondlopen in de tuin, zijn handen in zijn zakken, de armen een beetje wijd, net of er in die tussenruimte nog iets te dragen viel. Vaak keken zijn vader en hij troostend naar elkaar als hetzelfde verdriet veroorzaakt door dezelfde vrouw een van beiden te beurt viel. Haar blik vol opgehoopte woede had dezelfde sporen op hun gezichten nagelaten, rimpels vol onmacht bij de vader, fronsen van angst bij de zoon en in die stille afstand tussen beiden vonden hun ogen elkaar, twee vertrapte mannen, twee verbleekte persoonlijkheden, twee uitmuntende zwijgers. Zijn vader keek altijd wijselijk naar de tuin in de verte, naar een hoger doel dat Jordy niet kon zien. Jordy hield van die zwijgzame vader en zijn vader hield van hem. Waar hij aan de liefde van zijn moeder vaak twijfelde, stond die van zijn vader als een paal boven het troebele water waarin hij de rondjes van zijn kinderjaren zwom. Maar zijn vader was weg en met het tellen van de dagen begon zijn beeld al stilletjes te vervagen.   De begrafenis was op een vrijdag, de verhuis op een zaterdag, er volgde een saaie rommelige zondag en op maandag moest hij naar school. Jordy duizelde van deze veranderingen, die anders waren dan de vorige, akeliger en stiller en ijzingwekkend somber. Hij durfde niets vragen over zijn papa. Sinds de dood  hem was komen halen, had Jordy zijn vader niet meer gezien. Ook de dood was hij niet tegengekomen, toen hij om zijn vader kwam. Jordy was nochtans thuis, hij keek tv, heel erg lang. Vader was achter in de tuin, bij het hout of bij zijn oude Mazda. Moest Jordy die dag met de dood kunnen overdoen, dan was hij bij zijn vader gebleven, de hele namiddag lang. Dan had hij de dood zeker gezien, daar bij zijn vader, en wat die met zijn vader had gedaan. De dood was vast heel stil geweest en de tv stond luid. Moeder zeurde ook altijd dat hij het geluid veel te hard zette en toen ze die dag thuiskwam, was ze daar boos om, en ook om de kruimels en de rommel. Ze was naar buiten gelopen met van die stappen, veel te groot voor een kleine tuin en ze opende de piepende deur van de garage en haar stem werd hoog en anders, precies of ze zong maar dat deed ze nooit.  Dus ging hij aan het raam staan en zag zijn papa, naast de auto. Er was wat met zijn hoofd, blauwig en zo scheef en zijn blik, vooral die blik. En dat touw, dat touw waarmee zijn vader bomen neerhaalde, dat was er ook, tot op de grond. En toen zag hij zijn papa’s broek. Hij keek ernaar, naar de donkere vlek die tot aan de knie van zijn rechterbroekspijp reikte. Hij was verbijsterd, geschokt. Vader had in zijn broek geplast en dat mag niet als je al groot bent.                            

Karin gevers
0 0

Zeemeermin

De lucht is zachtblauw, niet helder, een beetje dof zelf. De zon voelt heerlijk, warm en zacht. Na weken heeft ze haar kracht verloren. Ze prikt niet meer, ze brandt niet meer. Alsof ze de bloemen en planten heeft horen huilen. Die zijn op sterven na dood. De helft van de bladeren hangt slap aan de plant, overlevend op hoop dat er weldra water zal vloeien. De andere helft heeft het opgegeven en ligt dor op de grond, alsof de herfst nog voor de zomer is gekomen. Mijn zoontje van vier had het gisteren ook al gemerkt en riep heel enthousiast “Mama, kijk de blaadjes, het is bijna Sinterklaas”. Maar dat is het niet, het is zomer en de temperatuur is eindelijk draaglijk genoeg om de hangmat in te kruipen. Hupla, beentjes in de lucht en ogen dicht. Mijn gezicht wordt warm. Zachtjes wieg ik heen en weer en bedenk dat ik niet in slaap mag vallen. “Ik mag niet in slaap vallen, ik mag niet....” De zon is weg, de hangmat hangt stil. Alles is stil. De lucht lijkt wel een schilderij. De wolken hebben alle tinten wit en grijs. Boven mijn blote voeten zijn ze verblindend wit als het hemellicht dat je zou zien als je doodgaat. En als ik mijn hoofd in mijn nek gooi zie ik een grote massa blauwzwarte wolken die mijn buik doen kriebelen. Wolken zijn ofwel spannend ofwel rustgevend en als je geluk hebt dan zijn ze het allebei, zoals vandaag. Boven mijn hoofd vermengen zich alle tinten grijs. Ik probeer hun spel niet te begrijpen, maar geniet van het gewriemel om het juiste plaatsje. Ik lig muisstil zodat ik het eerste drupje niet kan missen. Eén drupje, liefst eerst op mijn gezicht en dan ééntje op mijn tenen. Komaan wolkjes... Maar er komt niets. Waarop wacht ik eigenlijk, op enkele druppeltjes om van te genieten? Of wil ik een hele stortbui? De spanning giert door mijn lijf als ik eraan denk. Ik voel de eerste zachte druppeltjes, eerst traag, hier en daar op mijn blote lijf ééntje. Dan steeds sneller en harder, zo hard dat ze alle spanning uit mijn lijf persen en ik heel hard begin te lachen. Dat lachen lijkt al even lang geleden als de regen. Het water stroomt uit de hemel en de energie raast door mijn lijf. De hangmat begint hard te zwieren. Ik moet me op mijn buik draaien en me vastgrijpen aan de koorden. De wind blaast al mijn haren plat achteruit. Behalve mijn froefroe. Die heeft de kapster deze week verkeerd geknipt, waardoor de korte haartjes helemaal recht gaan staan. Ik gil van plezier, mijn benen gaan de lucht in. “Harder, harder!”, roep ik nog. Ik lach, ik leef! De wolken en ik, wij zijn de heersers hier op aarde. En dan wordt het plots muisstil. De hangmat hangt stil en ik hoor niets meer, geen wind, geen regen. Alles staat onder water, het huis, de tuin, de hangmat. De hele wereld staat onder. En het is eindelijk stil. Ik lig terug op mijn rug en bekijk de wereld, de onderwaterwereld. Het water staat ver boven het dak van het huis. De tuin lijkt tevreden, de meeuwen ook. Ze vliegen geluidloos door het water. En ik adem terug normaal, diep onder water. Ik slaak een zucht van geluk. Eindelijk heb ik het gevonden. Ik ben een zeemeermin.  

Fien SB
52 1