Zoeken

Uit te lezen vlees (slot van deel 3)

                       Als het regent. Wassen zelfs de slakken zich. In onschuld.       Intussen had ik een iets groter schriftje, een B5, waarin ik honderden woorden opschreef, alle met letters uit die resterende zesenzestig letters.   Ik schonk me thuis een gordon scotch in (later nog een paar). Ze kwamen van bij de Colruyt, vijf euro vierennegentig cent voor zes flesjes. Na vier flesjes en vierhonderd worden gaf ik er de brui aan en kroop in mijn nest   Morgen. Eerst het vaste wandeltochtje langs slakken en kruipplanten, een kleintje met mayonaise bestellen, ook een 7up en dan zie ik wel. Wat we nog uit die letterreeks kunnen peuteren.   Mijn ogen waren lam van de letters en wilden zo snel mogelijk slapen.     En omdat de zon het wilde, werd het weer licht. Ik stond op, zette de lege Gordon Scotch-flesjes in de wachtende bak van plastiek, at een boterham met muizenstront en kleedde me aan. Ik had me overslapen en het was al kwart na elf. Het is een half uur stappen naar de frituur van Ali F.!   Ik was er om vier voor twaalf, trok het deurtje open en groette Alfred. Hij beet op een balpen, schreef even later iets op een vel frietpapier en legde de stilo weg. Hij bracht me alvast mijn 7up.   “Ik wist niet dat je schrijver was”, vroeg ik hem en hij grinnikte. “Verhaaltjes.” Meer zei hij niet. Het werd twaalf uur. Twee na twaalf. Twaalf na twaalf.   “Hij komt niet elke dag”, zei Afred, “soms heeft Ignace het lastig.” “Waarmee?” vroeg ik. “Hoe zal ik het zeggen…. Soms flipt hij.” “Wordt hij dan gevaarlijk?” Toen ik het gezegd had, voelde ik het al.   “Hahaha… gevaarlijk! Dan wil hij alleen maar in de grond kruipen. Hij heeft me het ooit eens verteld. Dat hij zichzelf dan een spuit geeft, knock-out gaat en een dag of twee niet uit zijn bed komt.” Ali schepte mijn portie frieten, draaide wat aan de knop van één van de kuipen en liet een mandje zakken.   “En dat schrijven van je, Alfred… wat schrijf jij dan?” vroeg ik. “Curieuzeneuze-en-vragesterretjes” was zijn antwoord en hij lachte weeral. “Horror? Porno?” Ik daagde hem wat uit en hij zei : “In ieder geval geen kinderkutverhaaltjes.” “Gij zwanzer”, reageerde ik en toen ik mijn bakje frieten van op zijn kleine koeltoog nam, griste ik het vel frietpapier mee waarop hij geschreven had.   “Ze zijn goed gebakken. Zo heb ik ze graag”, zei ik, “en Wimpie? Wat bestelt hij normaal?” “Gij smeerlapje”, riep hij toen hij zijn geschrijf onder mijn bakje frieten zag liggen. “Wimpie is de zuiverste ziel van de ganse zuivelwereld”, zei Alfred. “Is zijn vader dan melkboer”, vroeg ik. “Wimpie heeft geen vader”, en Alfred zweeg.   Ik ging niet verder in op ‘Wimpie’ en vroeg enkel nog hoe het schrijven vlotte.   “Als inktslakken die verdwalen bij motregen. Nog beter als het begint te gieten. Dan valt er al na een kwartier niets meer te lezen.”   Dat waren de woorden die hij sprak terwijl hij vleesblokjes, ajuin en paprika (alles zat op een stevig stokje) voorzichtig in een mandje legde. Het was voor een mankende man.     derde en laaste bladzijde van 'Uitgelezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (2)

's Anderendaags zaten wij daar weer, in frituur De Bosbrand. Ik kwam altijd uit het zuiden toegestapt en Ignace uit het noorden.   Ik zorgde ervoor dat ik er altijd om vijf voor twaalf was en Ignace moest ergens onderweg zijn stappen tellen en de snelheid aanpassen want hij kwam altijd precies om twaalf uur door de deur.   We plakten de fameuze B3 met plakband vast aan het tafeltje en staarden eerst samen naar de zesenzestig letters.   “En?’ vroeg Ignace. “Iets gevonden gisterenavond?” “Eén instinker, één ziekte en een moordwapen”, antwoordde ik. “Welwel… en dat is al?” Ik trok een dwaze kop en ging twee 7ups bestellen. Alfred zei dat het de laatste waren, dat we daarna frieten moesten drinken.   “Wat gaan we dan eerst schrappen?” zei Ignace. “Wat je zei, toen we die ‘die hete dieetmest uit Gdansk’ ontcijferd hadden… dat ze niet van Mars kwamen. Dus Sven Mars is niet van Mars en Vermassen ook niet.” “Dus SVEN MARS wordt VERMASSEN”, stelde ik voor. “Oké, als we die extra E elders halen, kan het.” zei Ignace. “Dat is dan toch al iets. Wat nog?” vroeg hij. “Dat het moordwapen een mes was, en dat hebben we afgeleid uit ‘dieetmest’.”   WAPEN – MEST, schreef Ignace op.   “En AUJEZSKY heb ik opgezocht… de ziekte van AUJEZSKY is de VARKENSJEUKPEST.” “Dan hebben we een probleem”, zei Ignace, “er is maar één K” “Ook andere dieren kunnen het krijgen, heb ik gelezen.” “Dan schrijf ik op JEUKPEST” en Ignace nam een rode stift. “En die jeukpest wordt allicht ook verspreid via de mest… dan moet MEST zeker in de oplossing staan!” besliste Ignace. “JEZUS heb ik ook gevonden”, zei ik, “want GEDEELDE WIJN staat er”   Alfred schoot in de lach : “Eindelijk bekeerd!” en tegen hij het Poolse meisje (ze bleef maar terugkomen) zei hij : “Neen, mijn schat, inlegkruisjes verkoop ik niet”, waarna ze een kippenschnitzel bestelde. “Ik dacht dat je vegetarisch was”, zei Alfred tegen het popje met de witrode kousen. “Ty naiwnie gnom” zei ze, “en rol hem eerst goed plat, die lap vlees, zoals we dat in Polen doen.” Alfred had geen deegrol noch hamer en gebruikte dan maar zijn vuisten om dat lompje vlees in paneer op een vleespannenkoek te doen lijken. “Goed zo?” vroeg hij en het Poolse Lotje knikte.   Intussen had Ignace een zwarte stift genomen en begon een nieuwe rij woorden, onder die van het anagram.   V E R M A S S E N   J E Z U S  W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    Diezelfde letters schrapte hij in de oorspronkelijke letterrij en we hielden over :   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   Ik haalde mijn TI-30G boven en berekende hoeveel mogelijkheden er nog overbleven. “Nog achtendertig letters te gaan en faculteit achtendertig is ...euh... meer dan een septiljoen”, zei ik. “Toch al iets minder dan die vijfhonderdvierenveertig quindeciljoen”, en Ignace gaf me een schouderklopje.   “En hoeveel frieten willen de Einstein Brothers vandaag?” vroeg Alfred. “Ook zoveel?”   “Frietpaviljoen is geen getal”, zei Ignace.       pagina twee van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
19 0

Uit te lezen vlees (1)

  L E E P P E E R L E E P H I N T M E S A U J E Z S K Y G E D E E L D E W I J N O P E N W A T E R M O Z E S W A N T Z U S S V E N M A R S   Ignace ging niet eens zitten op zijn vaste stek, hij bleef recht staan aan ‘zijn’ tafeltje en nam uit zijn zak van plastiek een groter blad dan we van hem gewoon waren. Een B3! Het blad bedekte bijna het ganse tafelblad. “Zesenzestig!”, zei hij, “een anagram van zesenzestig letters. Gekregen, van Wimpie.” “Wimpie Wankie Wimpel Wanker Pamper Pilipili”, Alfred begon een liedje te zingen waar de beste rijmelaar een puntje aan kan zuigen en Ignace riep dat hij zijn muil moest houden.   Ik kwam naast Ignace, aan zijn tafeltje staan. Op dat vel papier stond een ganse rij letters. Ik telde ze. “What the fuck”, zei ik, “zesenzestig….” en ik schreef in mijn schriftje : 66!, waarbij die ‘!’ geen uitroepteken is maar staat voor 'faculteit'. Faculteit zesenzestig, het aantal combinaties met zesenzestig letters. “Hoeveel mogelijkheden zijn er dan?” vroeg ik aan Ignace. Hij wees met zijn vinger. Het stond in de linker onderhoek van het grote blad :   66! = 544344939077443064003729240247842752644293064388798874532860126869671081148416000000000000000    “Maak je geen zorgen,” zei Ignace, “ik weet dat het meer is dan een vijf met daar achter tweeënnegentig nullen, meer dus dan vijfhonderd quindeciljoen.” Alfred begon te neuriën, nam een glas, blaasde er wat kabouterdamp op en begon het glas een glansje te geven. “En jij wilt dat anagram oplossen? Uit die qui… quindeciljoen mogelijkheden de juiste vissen?” vroeg ik aan De Reus. Hij knikte. "Hoe dan? Een algoritme gekoppeld aan een woordenboek, aan een namenregister en weet ik wat nog veel?” Ignace bestelde twee 7ups. Hij die anders altijd fanta dronk, ging eens een 7up proberen en een anagram met zesenzestig letters oplossen!   Hij zei, na een paar minuten  : “Luister... ten eerste, het zijn er geen vijghonderd quindeciljoen, omdat sommige letters meerdere keren voorkomen… en denk je echt dat we een computer nodig hebben? Hoe wou je dan automatisch gaan zoeken in naam-, plaats- en ik weet niet welke andere registers?” sprak Ignace. “Google even bellen”, grapte Alfred en hij maakte een teken naar me. Met het puntje van zijn rechter wijsvinger tikte hij tegen zijn rechterslaap. “Allez… zeg het hem dan”, zei Ali me. “Wat?” vroeg ik, “...dat-ie zot is?”   Ignace lachte en beaamde het : “Ja, ik ben niet goed wijs, maar maak je geen zorgen… er zitten veel verwijzingen in de anagrammen die Wimpie maakte, grappen ook, en instinkertjes. “Wimpie? Wie is Wimpie?”, vroeg ik met luidere stem dan gewoonlijk. “Wimpie... Wimpie woont nu in Zuienkerke”, zei Ignace.   “Een waterrat en wonderboy was hij, Wimpie. In de zomer zwom hij liefst in een zwembadje vol lettertjesspaghetti” riep Alfred die patatten aan het schillen was.   Ik las de letters nog een keertje, woorden waren het, maar wist begot niet waar te beginnen en zei : “Ignace, dat lukt nooit. Al mogen het er minder zijn dan die vijfhonderd quindeciljoen, het zijn er zeker nog meer dan een deciljoen!” “Mag zijn,” was zijn antwoord, “maar wees gerust. Je brein is tot veel in staat, meer dan je denkt. Je hersenen maken ook gebruik van je onderbewustzijn. Een computer kent geen dingen als spontane associaties, onlogisch lijkende links of instinkertjes die je eerst op het verkeerde been lijken te zetten en tegelijk een lichtje doen branden in een andere gang.”   “Schrijf de reeks over, probeer het thuis.” “Ik weet het niet”, zei ik en dacht bij mezelf : had ik maar niet zo snel ‘einde’ geschreven onder mijn Zeebrugs verhaaltje met containers, straatlopers en vuilbakmiserie.   Ik wilde schrijven. Niet puzzelen.      66!  L E E P   P E E R   L E E P   H I N T   M E S   A U J E Z S K Y   G E D E E L D E   W I J N  O P E N   W A T E R   M O Z E S   W A N T   Z U S   S V E N   M A R S       bladzijde één van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (slot van deel 2)

                                        Wat echt telt. Is wat de specht vertelt.       Een spleetje moet er zijn, tussen de deksels en de wanden. Voor wat lucht. Het licht, dat deert me minder want de nacht is zwart als zakken voor de as. En er zal niet gevochten worden deze nacht! Twankie Wankel is alleen. Geen wezens zullen hun deel komen opeisen, van de resten, van wat u en ik niet kopen wilden, omdat de keus zo groot was, breed was als de eindeloze geulen die men graaft voor slachtoffers van honger, armoede en uitputting.   De landen liggen er verlaten bij. De zon heeft al zijn tol geëist, het leven des te meer. Er ligt genoeg op deze bodem. Twankie Wankel wil en zal voor haar, voor Twinkeltje iets meenemen. Zij houdt van rauw, verslindt soms als het moet de vezels van een taaie dag die maar niet sterven wil.   Zo is geschiedt, zijn hart was klaar, het scheuren stond niet ingepland. Nu is zij dood en Twankie Wankie weet het nog niet. Beterschap is voor een zieke met verkoudheid. Liefde is helaas een kanker die niet helen zal, hij snijdt alvast een stukje hier, een plakje daar. Geen ster, geen sterveling, geen ooievaar met lege bek die het verwacht, dat zij zo snel, het duurt hooguit een dag of twee, vooral alle levensjeuk haar lijf verlaat, en zij, daar in een hoekje, op een deken zonder kleur, haar laatste blik te slapen legt.   Einde.       Ik had het beloofd aan Ignace, dat hij het lezen mocht, als het klaar was. Wachten is voor mist op heldere zon en ‘s anderendaags was ik er al weer, in frituur De Bosbrand. Alles stond op stelten. Alfred toch, al de rest niet, want hij is echt klein. Als een kabouterboom met twee te lange stammen die benen voorstelden, liep hij daar rond. Dat die spinnenwebben weg moesten, dat heldere ramen beter zicht geven op de baan, op die knappe deernen die -hij hoopte het- friet noch curryworsten vreesden.   “Die hoogste webben”, vroeg hij, “doe jij die, gij lummeltje van vijf voor twaalf?” Uit een hoek plukte ik een nachtje spinnenijver. Ik wierp de spin met kruis en al de straat op. Gelukkig is het voetpad er breed en ik zag hem komen in de verte, Ignace, hij wuifde.   Enthousiaster dan ik hem ooit gezien had, kwam hij het frietkot binnen, haalde een dubbelgevouwen B4 uit zijn zak van plastiek en zwaaide ermee door de lucht.   “Hier! De sleute!” zei hij. “Eindelijk zal ik precies weten hoe Twinkeltje stierf."         vierde en laatste pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Bloemetjesfauteuils

Ik heb nooit helemaal geweten hoe het kwam dat mijn grootvader zijn tenen verloren was. Op de plaats waar zijn voet had moeten overgaan in vijf aparte delen, flapte de neus van de kous naar beneden zoals de mouwen van een te warm gestreken overhemd. Als hij stapte, schoven zijn schoenen ongemakkelijk heen en weer. Ik heb hem eens gezegd dat hij beter een kleine maat kocht.   Het is niet zo dat hij ermee geboren was. Dat gebeurt, dat de menselijke ontwikkeling soms lichaamsdelen vergeet, maar op foto’s van de gidsen zag ik hem op een omgevallen boom, een blonde jongen met een glimlach, een coltrui en een beige broek, en in elke sandaal een voet met vijf bemodderde tenen.   Als volwassene werkte hij in de mijn, dus ik geloof dat ik wel eens gedacht zal hebben dat er een rotsblok op zijn voet gevallen was. En dat zijn makkers hem dan in een schacht naar boven sleurden tot er licht kwam en ze teneergeslagen achter zijn rug gebaarden: hopeloos.   Nee, schudde mijn grootvader* op het voorstel van de kleinere schoen, dan zou hij kinderlaarzen moeten dragen. Zijn trots was hij nooit verloren. Ik paste mijn voeten naast de zijne om na te gaan hoe hard ze van grootte verschilden. Dat was de eerste keer dat ik besefte dat tenen een aanzienlijk deel van je voet innemen.   *Hij was daar heel goed in, in nee schudden. Hij deed het langzaam omdat de spieren van zijn nek moeilijk van de ene naar de andere kant rekten. Een nee-schudding kon daardoor soms twee minuten duren, en dan was het wel duidelijk dat hij niet akkoord was.   De tweede keer dat ik dat besefte, was in het vijfde leerjaar, toen ik van een springkasteel viel, vier voetwortelbeentjes brak en zes weken een loopgips kreeg.   Ik kan me niet herinneren dat mijn grootvaders gebrek aan tenen echt een onderwerp was. Het was er gewoon, zoals de bloemen op de fauteuils waarin we naar Te land, Ter zee en In de Lucht keken, of de stukken appelvlaai waar niemand ooit nog plaats voor had.   Ik heb de voeten van mijn grootvader nooit zonder kousen gezien. Als hij pantoffels nodig had om naar de badkamer te schuifelen, moest ik die met gesloten ogen aangeven. Het was een belofte dat ik de littekens mocht zien als ik twaalf werd, maar toen was hij al dood en ik heb lang spijt gevoeld dat ik nooit stiekem heb gekeken.

Kristien Spooren
0 0

Geluk van ander licht (3)

                Stil papier houdt zich graag schuil. Liefst in de vorm van warm karton.       Dagen schoven voorbij als plateautjes aan de kassa bij een Lunch Garden, wolken met herinneringen aan een ijslamtaart en bakjes friet verkocht Alfred met mate. Het was rustig, daar in zijn frituur, ik kwam er graag en die Ignace Somers was zo gek nog niet. Op 28 december van het jaar 2016 liet ik hem zelfs mijn recentste A7-boekje lezen.   “Ik weet het niet”, merkte hij op, “...of het een goed idee is om de personages in je Zeebruggeverhaaltje namen te geven van echt bestaande wezens.” “Twinkeltje komt er nog niet in voor”, zei ik, “enkel een Twankie Wankel.” Ignace schudde het hoofd, beet zich op de lip en zei : “Het ligt zeer gevoelig. Twinkeltje was mij dierbaar, Twankie Wankel als een thuis voor eenzaamheid, een echte vriend.”   “Twankie Wankel? Die moordenaar?”, vroeg ik. “Antoine was zo schuldig aan de moord op Twinkeltje als Lee Harvey Oswald aan het doodschieten van JFK en James Owalds’ Prayer for the Dead zal ik nooit lezen, bidden evenmin, niet voor Twinkeltje, noch voor jou of Twankie, maar ik ben het zo zeker als de zonsopgang van morgen : Antoine doet geen vlieg kwaad.” “Deed”, corrigeerde ik hem. “...en mocht je het in je hoofd halen een romance, welke dan ook te verzinnen, weeg je woorden dan goed, want ik zal het lezen en niet mals zijn als je toon me niet bevalt”, zei Ignace nog.   Die dag heb ik niets meer bijgekrabbeld in mijn boekje, toch niet toen ik daar zat, bij Alfred en Ignace. Ik ben iets vroeger dan normaal vertrokken en was van plan, om thuis Liesbeth List wakker te schudden, op een eerlijke manier.     Onderweg kom ik Twinkeltje tegen. Ik vraag haar of ze niet dood is, en ze lacht : “Meisjes zoals ik, zoals Wilhelmina Lippens zijn er duizenden. Misschien met een andere naam, net zoals sterren met verschillende korstjes op een schaafwondje.” Haar stem klinkt lief en zacht, maar ze ziet er niet uit, in die tenu van grijze lucht en gescheurde najaarswolken. Ze draagt een gehavende broek, haar blik is ijzig, als vastberaden vorst die naar niemands pijpen dansen zal, die alle bekertjes met tranen, glazen met vergeten bier tot barsten dwingen wil.   “Heb je een plaatsje voor de nacht?”, zo vraag ik haar. “De nacht parkeert zich waar hij wil. Een jonge man moet weten wat hij vragen kan aan schaduwen met pijn en diepvriesoren.” Ze slaat een steegje in, ik loop rechtdoor, verder in de richting van een straatlantaarn die zoveel a’s nooit leggen kan al is het bord zo leeg als blanco letters.   Ik kom thuis, schik wat woorden voor een nieuwe liefde. Aan een einde denk ik niet. Dat laat oik ver aan mijn boekje, aan het zwart, de inktslakken, ze kruipen al, ik zie het niet, het glinsteren van weggekropen sporen. Ergens slaapt hij al, maar moeilijk, Twankie Wankel heeft zich al gehuld, in laagjes warm karton.       derde pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (2)

Positief ingesteld als ik doorgaans ben bestelde ik ook vandaag weer een 7up met daarbij een kleintje met mayonaise. “Voilà zie”, zei Alfred toen mijn bestelling klaar was en hij gaf me er een gratis potje toversaus bij. “Of voor de kindjes”, voegde hij er aan toe. Ik zei dat ik geen kinderen had, alleen een moeder (ook een achtergelaten vader) en ik legde alvast mijn A7-boekje klaar op ‘mijn’ tafeltje. Al vier bezoekjes had ik inmiddels gebracht aan Ali’s friettempeltje en telkens had die ene stoel mij kunnen strikken.   “Vandaag een rijmpje voor vadertjesdag?” vroeg Ignace. “Liever niet”, zei ik, “ik tob over een verhaaltje met gesukkel in Zeebrugge, iets met containers, junk yards, schroothopen langs een kanaal, roestrode lucht en mauve wolken”       Twankie ben ik, loop maar wat te dolen en mijn loden voeten wegen zwaarder dan de poten van een havenkraan. Er is honger, lang niet meer naar liefde, heel gewoon wat restjes, ergens vinden, winkels hebben altijd achterpoortjes, weet je. Ben je blind, doofstom en ongevoelig, God wat scheelt het, ruiken kan ik, waar ik zoeken moet.   Brood van gisteren, het was eergisteren het brood van morgen en ik proef ervan. Ik scheur het open, pakje hesp, ontdaan van vet en botten, varkensvel. Het smaakt gelukkig, echt naar geen beleg van oorlogssteden, zelfs niet eens naar rottigheid en de kartonnen dozen liggen hier vanboven. Dat is fijn want niets, geen vet noch bruine saus, is uitgelopen uit een barst, de potjes zijn, ik zie het, één voor één nog ongedeerd.   Ik leef en dat, het blijft nog even zo, allicht ook weer tot morgen, goed is het, als de containers waterdicht zijn, deksels hebben, koude sterrenhemels buiten houden. Twankie Wankie hoeft geen deken met te witte vlekken, morgenvroeg moet ik er uit, dan komt hij weer, die vrachtwagen die alles moeiteloos verslindt alsof de nieuwe dag een reus is met een walvismaag.       Ik klapte mijn mini-boekje toe. De 7up was kouder dan dag. Het werd twaalf uur. Geen koekoek sprong tevoorschijn uit een rijk met messing raderen en buiten stond een glascontainer.   “Zijn ze daar nu weer!”, sprak Ignace. “Wie?” want Alfred wil het weten. “Die mannen van Standard”, zei de Ignace De Langeflap.   Ik keek nu ook door het raam van plexi. Ik zag het Poolse meisje, flessen werpen, lege potjes saus. “‘t Was voor bij de alfabetspaghetti”, lachte Ignace die het altijd beter weet en het was Alfred die zich weer liet gaan, een schunnigheid verzon : “Ik ziet het. Aan haar licht gewrongen stap. Dat ze ook vandaag weer kruiswoordraadsels uit haar kutje bloedt.”       pagina twee van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (1)

                           Er zijn geen gebeurtenissen. Niets dat loszit. Valt zomaar.       “Fake news!” zie Ignace luidop. Hij zat er weer, op zijn vaste plaats, aan het tafeltje, links van de koeltoog en het was Alfreds transistorradiootje dat nieuwe feiten was beginnen uitkramen. Een radiostem had het over die nieuwe teelt, over dat organisme, dat het midden hield tussen planten en dieren, dat ontwikkeld was door de firma Sanomonto, die het catalogeerde als een omniglotoïde.   Planten kon men het niet noemen, omdat ze zich konden verplaatsen en daarbij sloot men de groep van de kruipplanten volledig uit. Ook dieren kon men het niet noemen. De omniglotoïdes beschikten dan wel over een primitief spijsverteringsstelsel en (slechts) één zintuig, dat van de reuk, hun weefsels waren voor het grootste deel plantaardig. Van een echt ‘wezen’ kon men moeilijk spreken. Ze voedden zich via hun vele tentakels, die eruit zagen als langgerekte kleine tongen. Met die tentakels konden ze zich voor lange tijd vastzetten in de bodem en de minuscule uiteindes konden voedingsstoffen opnemen uit de bodem. Wortels waren dat niet want ze verslonden ook de aarde waarop ze groeiden, waardoor er rond het organisme soms kleine verzakkingen ontstonden. Ze hadden ook een soort van strontgaatje, waaruit de verwerkte grond kwam. Hun eenvoudige spijsverteringsstelsel werkte echter niet met zuren en ook niet met bacteriën. Het was een gif dat voor de afbraak zorgde. Zelf waren ze vanzelfsprekend bestand tegen dat venijn, maar helaas niet de andere levensvormen die zich rondom de omniglotoïdes bevonden. Vele insecten, strontvliegen en kevers hadden aanvankelijk niet door dat de uitwerpselen van de omniglotoïdes giftig waren en stierven in groten getale. Of dit echt een probleem was? Sanomonto vond van niet. Het vergemakkelijkte de teelt, er hoefde niet gespoten, noch gewied te worden en het volstond om de omniglotoïdes (die gecommercialiseerd werden onder de naam Omigot) te koken om het gif onschadelijk te maken voor de mens. Je stak een portie Omigot in een snelkookpot, je voegde er wat suiker aan toe, en klaar was kees. ‘Buiten het bereik van kinderen houden’, stond op de pakjes Omigot. Gezinnen met kinderen kochten voor de veiligheid voorgekookte of reeds bereide Omigit en chef koks hadden enkel lovende commentaren. Ze spraken van ‘de truffelkaviaar van de 21ste eeuw’.   In het radioprogramma werd de vraag gesteld of in gekookte Omigot daadwerkelijk geen enkel gif meer aanwezig was. Een knappe bol kwam aan het woord en verkondigde dat hij vele tests uitgevoerd had met de omniglotoïdes van Sanomonto. Alle resultaten waren positief, in de zin dat na het koken geen enkele substantie meer aangetroffen werd in het gewas dat ook maar enigszins toxisch zou kunnen zijn en een chef-kok wist te vertellen dat Sanomonto al aan een tweede variante werkte, een Omigot 2.0 die tijdens het koken duidelijker verkleurde. Hij zei dat de kleur-na-koken nog moest gekozen worden en dat een panel van sterrenchefs inspraak ging krijgen. De kleur van een ingrediënt was immers uiterst belangrijk bij de presentatie ervan.   “Een gerecht met omniglotoïde kan het best op een vijfkantig bord geserveerd worden”, zei de presentator, “gezien de moderniteit van Omigot”, hetgeen de chef-kok beaamde met de woorden :  “Ja, zo doen we dat het best.”   “En nu is het tijd voor een plaatje”, zei de afgelikte radiostem en er weerklonk een liedje over een donker straateinde.   “Geen onaardig nummertje van Percy Sledge was dit”, besloot de stem, terwijl Percy’s laatste woorden ‘They gonna find us love someday’ uitstierven. Het leek alsof ze gesmoord werden in die miezerregen. Kleine druppels twinkelden op de golfplaten van het frietkotdak.       eerste bladzijde van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (slot van deel 1)

                               Als een haan kraait is de echo zelden van een kip     Of hij opschoot mijn speurtocht? Dat leed geen twijfel. Er was nu tenminste een vermoeden over het moordwapen (een mes) en aan de schuld van Twankie Wankel kon nu met reden getwijfeld worden.   Ik had alles genoteerd en vroeg aan Alfred om af te rekenen. “Je hebt al betaald”, zei het kleine frietbaasje. Ik stak mijn minischriftje in mijn binnenzak en maakte aanstalten om te vertrekken. “En wat krabbelt ons baasje zo allemaal in zijn boekske?” vroeg Ignace, die mij blijkbaar toch niet helemaal vertrouwde. “Eeuhhh…” aarzelde ik eerst en zei dan, “sprookjes, kinderverhalen”. “Bedoel je verhalen voor kinderen of kinderverhalen?” wilde hij weten. “Verhalen voor kinderen. Van acht tot achtentachtig.” “Gij kwast!” lachte De Reus. “En wat heb je vandaag neergeluld?” “Een rijmpje voor moederdag”, zei ik waarna hij zijn smoel scheef trok. “Zal wel… moedertjesdag… dat is zeven maand geleden.” opperde De Reus terwijl zijn kop van neen schudde. “Ja,” en Alfred ging zich moeien in ons gesprek, “een rijmpje voor de mama...? Lees het dan eens voor!”  “Voor volgend jaar is het”, maakte ik ze wijs, nam het A7-boekje uit mijn binnenzak, bladerde tot ik iets vond en begon voor te lezen :   oh hoendertje hoendertje hoendertjelief onder jouw vleugels is het fijn   oh moedertje moedertje moedertjelief ik heb voor jou iets meegebracht   ik jouw ukkie pukkie ukkepuk heb voor jou met wat geluk   het zijn er tel maar mee een stuk of acht   zoem zoem zoemzoem zoem zoemzoemzoem   ik ben zo klein ik vlieg je rond de nek en oren moet je horen   zoen zoen zoenzoen zoen het zijn geen bijtjes maar vijf kusjes   allemaal van mij ik ben het jouw kapoen     Ze begonnen allebei te klappen, Ignace iets luider dan Alfred, want ‘De Reus’ heeft immers flappen van handen en Alfred, die eerlijke smeerlap van een cervelaverkoper, brouwde er nog een vervolg aan :   ai ai ajajai mijn hoertje hoertje hoertjelief   hoe men het dan ook draait of keert ik heb te veel gezopen straks laat-ie weer een boertje boertje boe-boe-boertje   wees niet bang het is mijn beste vriend een haan vol zaad en lucht die zo graag logeert in jouw geile kiekendief     Dat Alfred gewonnen had, verklaarde De Reus en hij stond recht, zei dat hij nog commissies moest gaan doen. Hij keek eerst door het plexiglas, dan op zijn horloge en zei : “Nog een geluk. Ik geraak er nog. Zelfs droog en wel. Welke Delhaize wacht vandaag op mij?”         vijfde en tevens de laatste pagina van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
1 0

Over reuzen en scheve muilweters (4)

           De mensheid is lomp als een walvis. De zee is gelukkig. Stukken zachter.     ...en het werd donker. Wolken schoven voorbij. De ene wachtte op de andere om een dichte deken te kunnen vormen boven een koude mensheid. Auto’s schoven ook aan want overal waren ze, niet alleen in het centrum van de welvaart, ook aan de randen stonden ze vaak bumper aan bumper.   “Maar ze stoppen verdorie niet aan mijn frietkot”, zei Alfred die naar zijn schap met voorgebakken frieten keek en toen kwam er een schoonheid binnen, met roodwitte kousen. Ze stond daar, zo ineens voor die koelbak. Haar benen leken wel twee vuurtorens die binnen de kortste keren om die ene rosse kutkuif gingen vechten.   “Wat zal het zijn voor de mannen van Standard?” zei Alfred, die nooit verstand zal hebben van vrouwelijk schoon. “Euhhh… twee vegeratische cervela’s”, was haar antwoord. Ali moest zich even in de sik krabben en sprak toen : “Die daar, en die hier ook. Die twee zijn vegetarisch. Anders nog iets?” “Nie, ty dupek… maar, za Boga, alsjeblieft niet in olie bakken waarin vleesbouletten zwommen!” “Mademoiselle de kuisvrouw uit Krakow is precies ook niet van de gemakkelijkste”, riep Ignace. “Ja,” zei ze kordaat, “ik ben dé kuisvrouw. Er is geen betere. Vraag het maar aan Magda.” “Magda wie?”, riep De Reus. “Aelvoet. De Meyer. De Block”, sprak ze krachtig en fier. “Je vergeet de helft”, zei Ignace. “In gans Europa is de vloer nu proper dank zij u. Zelfs bij Maggie McGee, Mammie Thatcher en bij Magda Goebbels!” “Ook bij Magdalena Lesniak!”, zei ze terwijl ze in mijn richting keek, 'Schrijf maar op... ty glupi kocur!'  leek ze te gaan zeggen.   Intussen was er iets ontstaan voor de frituur wat men pas echt een file noemen kan. Stapvoets verkeer van Walibi tot in het walhalla. Voituren, ottobuussen en kamions. Ook een Poolse vrachtwagen. De nummerplaat begon met 'GD' en Ignace vroeg aan dé kuisvrouw wat er op de zijkant van die kipper geschreven stond :   Ze vertaalde vlotjes : “Zeer hete dieetmest uit Gdansk”   “En gij nu”, zei Ignace tegen mij, “allez, meneer de anagramateur. Probeert een keer.” Ik antwoordde : “Gij zot, zelfs de IQ-Kwis was maar met twintig letters. Dit zijn er 25, neen, 26 letters. Dat zijn dan meer dan één triljoen mogelijke permutaties!”   Alfred schudde zich weerom kop en baard, zei tegen die Poolse Maggie McGee dat het niet ging lukken met die cervela’s, dat in elk van de drie kuipjes al iets met vlees had liggen pruttelen. “Geef me dan een red bull”, zei ze en ging weer buiten. Ze trok het blikje open en fladderde weg met de wind.   Intussen had Ignace -ging er geen eind aan komen?- weer een B5 uit zijn zak gehaald en had daarop met bruine stift geschreven :   Z E E R    H E T E    D I E E T M E S T    U I T    G D A N S K   “Allez”, zei hij nog een keer, “gij daar met uw blikske 7up. Zet het in de juiste volgorde.” “Ik pas.” antwoordde ik zonder een pokerface te trekken. Alfred legde iets groens in koelvitrine en Ignace begon ‘te goochelen met de letters’, laat ik het zo noemen.   “En op welke dag was het dat Wilhelmina haast van de stenen geschraapt moest worden?” vroeg De Reus, daarbij zijn hoofd wat omhoog knikkend. “Weet ik veel”, was mijn antwoord. “Een dinsdag, manneke!” verklaarde zijn luide stem en hij draaide zijn papier, zodat ik het onderaan op zijn met bruine letters bestrooide blad kon lezen :   E.T.    T H E E    E E R    K U T    Z I E T    M E S    D I N S D A G   “Zie je wel,” zei De Reus, “het was niet om thee te drinken dat die marsmannetjes verschenen in het winkeltje van Wilhelmina. Het was een zaak van eer en ze kwamen op een dinsdag, op 11 september 2012.” “Marsmannetjes?” betwistte Ali, “iedereen weet toch dat het Twankie Wankel was die haar ganse lijf om zeep hield die dag.” “Dat ben ik zo zeker nog niet!” sprak Ignace en hij dronk nog wat van zijn fanta.       pagina vier van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
1 0

Over reuzen en scheve muilweters (3)

Ik zeg het nochtans elke keer. Tegen Willy en Willibrord. Dat ze niet met die taljoren moeten smijten. Dat zoiets geen geluk brengt. Alleen maar zeer doet. In mijn kop. Dan lachen ze. En zet ze ook niet te geweldig in de kast. Ik voel dat. Als borden mishandeld worden en daar onrustig van worden. Dan lachen ze nog meer.     De plannen van de gasnarwal met de nodige toelichtingen en technische details borg Ignace veilig op in de zak.   Wij zaten daar nu. Ignace en ik toch. Alfred stond de ganse tijd recht. Ik denk dat er achter zijn koeltoog een verhoogje gemaakt was. Of het hoog genoeg was (en is), dat betwijfel ik, zeker als er een peuter komt die een biggy burger wilt en Ali F. zich dan helemaal over die koeltoog moet plooien om het warme vleesding in de pollen van die minderjarige te steken met de woorden : “En wil je nog een snoepje?”   Dat lukt hem nooit. Hij moet zich dringend eens laten kraken en rekken bij een arrangeur van lange liedjes. Ach, frietkotgrappen…. keep it simple en bestel gewoon een kleintje met niets.     Er gleed een koets voorbij, richting Brugge, een ambulance rinchting Sint-Jan, een kind op sleepfiets, een oudere reed ervoor. “Ga toch uit de weg,” riep die kleine tegen die grijzaard, zijn bompa. Man, man... vrouwen ook, met fladderrokjes op tweewielers, en mannen die als kwezels erachteraan vlogen, maar dan op vier wielen, voor de zekerheid, auto’s van de zotste merken en met de raarste voorlichten, met de zotste golven in de portières gestanst ergens in een ver land onder een reusachtige machine. Ik wilde niet blijven kijken, maar Ignace dwong me bijna.   “Kijk daar. Een bus. Weet gij hoe gevaarlijk zo’n ding is!?” Het klonk niet echt als een vraag. Eerder als een waarschuwing. Hij haalde weer een B4 boven en deze keer een blauwe stift. Op het blad tekende bij een waterdruppel, je weet wel, die vorm van een door de lucht suizende traan. De druppel lag plat. Links was de ronde kant en rechts zat de angel. Daaronder tekende hij een pijl, ook horizontaal, met de punt aan de kant van de angel.   “Wel,” zo ging hij verder, “een bus is wat de gewichtsverdeling betreft een druppel water die horizontaal vliegt, maar dan helemaal verkeerd, achterstevoren. De zware motor bevindt zich bij die dingen achter de achterwielen, en tot overmaat van ramp vijst men er soms ook nog een bak aan met daarin een paar honderd kilogram skigerief. Als je dan te bruut stuurt, begint zo’n ding te waggelen als een dronken dodo. Daarbij, en dat kan rampzalige gevolgen hebben, is de voorkant haast zo hoekig als een antieke rubik’s cube.”   “Zoveel scheelt het!  Eén druppel water!” Hij keek me daarbij streng aan en zei : “Een bus zoals ze die vandaag maken, botst na één bruuske beweging van een indommelende chauffeur met veel kans tegen een tunnelwand. Waren die bussen gemaakt als regendruppels, maar dan druppels die door de lucht suizen als echte en in de juiste richting, dan gebeurde zoiets niet, zelfs al verloren ze een wiel.”   Alfred deed wat ketchup op een middelgroot bakje voor een snuiter die daar stond met centen van zijn moeder. Onze frietenslijter vroeg of het om mee te nemen was. “Ja, naar de Kleine Lijkstraat”, zei het gastje.   “Een lijk is een touw, Alfred,” zei Ignace de lange alweter, “het zit ingenaaid, in het boordsel van een zeil, van een windmolen.” Terwijl hij dat zei, keek hij in mijn richting, alsof ik iets met molens had.   “Boordsel?” mompelde het frietkotbaasje. “Hij spreekt als een grijs en bejaard rund", en ik krijg veel goesting om kokend ossenvet over die zijn kop te kappen, dacht Alfred.   Die kleine maakte zich rap uit de voeten met zijn avondeten, want op het kleine transitorradiootje klonk het al van "Dag vreemde man". Het duurde niet lang voor hij helemaal uit het zicht verdween, met zijn ketchup, met zijn frieten, onder dat papier met die vetvlekken in geheimtaal.       bladzijde drie van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
3 0

Over reuzen en scheve muilweters (2)

  Als men de Belg wilt uithangen, dan gaat men naar een frietkot. Daarom zie je mijn vriend Bartje er nooit meer. Dat was een historische vergissing geweest van hem.     Ik bevond mij er nu wel, in zo’n kleine friettempel, Frituur De Bosbrand van Alfred en het was niet om er te belgenieren. Ik wilde en zou meer te weten te komen over die nare gebeurtenissen in Twinkeltjes vleeswarenwinkeltje. Kwestie van De Reus en Ali F. te laten zeggen wat ze moesten.   “Als het zo verdergaat,” begon Ignace ineens te verkondigen, “dan verdwalen we allemaal. Wat erger is : het draait uit op één grote verdommenis, een hellevuur met explosies en verschroeiing.” Alfred schepte mijn frieten in hun bakje en lachte : “Gij pierlewiet met uw tekeningetjes molotovcocktails en chokotoffbommetjes.”   Naar mijn genotuleer vroeg Ignace gelukkig niet, maar ging wel verder over zijn recente vindingen : “Heb je het dan niet gezien?” “Wat?” vroeg Alfred. “Dat verkeersbord, bij de ingang aan ‘t Tillegembos.” “Neen,” zei Alfred, “daar kom ik niet. Daar groeien geen champignons die giftig genoeg zijn voor uw portie herfststovers met fruits de bois.” “Houd uw muil en doet die tartaar op die frieten van dien tjoeten! Ze koelen af.” riep Ignace.   Ik deed teken met een hand die probeerde te zweven, vlak, op en neer, om wat rust met de lucht te mengen. “Langs waar!” riep Ignace. “Wat langs waar?” vroeg Alfred, die daarna tegen mij zei dat ze toch nog te waren mijn frieten.   “Ja, langs waar… ‘langs waar’ stond er op dat bord. In ‘t zwart erop gespoten.” zei De Reus en hij schoof een rode stift uit een bundeltje viltstiften. Met een rekkertje zaten alle kleuren samen en hij schreef de letters één voor één op een witte B5, rood op wit :   L A N G S W A A R   “Niet weer...” en Alfred schudde zich de kop. Zijn baard wiegde in de wind als een toef schapenvacht die aan een prikkeldraad was blijven hangen. “Het is een scrabblezot”, sprak Alfred. Hij zei dat tegen mij en vroeg me dan of er genoeg zout op de frieten was.   “ G A S N A R W A L ”, zei ik en ze zwegen die twee. “Hoe weet gij dat?” Het was de stem van een achterdochtige koekoek, van Igance die me aansprak. “Ik ben een anagramateur”, ging ik zeggen, maar Alfred sneed me de pas af met de woorden : “Nog zo’n letterfretter!” Zijn baard wimpelde daarbij heen en weer, als de supportersvlag van een bende voetbalschapen.   Ignace haalde zijn schets boven. “Wanneer het zal gebeuren, weet ik niet”, zei hij, “maar dat het zal gebeuren is zeker en waarmee ook!” “Met gasnarwallen?” vroeg Alfred. “Genetisch gemanipuleerd, met… kijk hier…. hoorns van titaan en daar een antenne. Telegeleid zullen ze zijn. In hun kop gaan ze modules steken, om ze te besturen, om sluisdeuren open te breken, vangnetten te doorboren. De buiken zullen gevuld zijn met gasballonnen en het zal geen lachgas zijn. Neen, maat. Mosterdgas. Opgevist uit de zee. ‘t Ligt daar vol met van die bommen, overschotjes van den oorlog... en Blaugas, dat ook. Eerst blijft het laag hangen en dan... BOEM, alles en overal tegelijk. Overal zal het vol liggen met stukken toerist. Overal rode vlekken, rood zal ‘t water zijn van aan de Potterie tot aan het Minnewater. Overal! En dan die stank, van verbrande chocola, van verkoolde narwal en smeulende frietkoten. Zorgt dat ge nie in ‘t Stad zijt dien dag!”   Ik zei dat het in principe zou kunnen. “Steek ze maar weg, die plannen” en ik deed teken naar zijn zak van plastiek. “Steek ze goed weg voor de terroristen. Vooral die van Gent!”   Ik klopte met de linkervuist (niet te hard) op het tafeltje want ik was content. Het was me gelukt, kontakt te leggen met die bosneukende frituuruitbater Ali F. en zijn gevaarlijkste vaste klant, Ignace S. De Reus.       bladzijde twee van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Over reuzen en scheve muilweters (1)

  Ze stak geluiden in een vaatwasmachine. Met die koude handen. Harde borden. Rabarberkootjes en vingers die mij niet meer zouden beroeren. Een geklinkel was het, pijnlijker dan leisteengesplijt.     Dat was gelukkig, onhoorbaar geworden, ver weg van waar ik nu was, nog net op het droge, hier, waar prevelende bomen verschenen, waar asfalt overging in grint, grint in aarde en aarde in modder. Als een verdwaalde nagel zonder kop stond ik daar, met de voeten al in het hout van die plankenvoer. Klaar om door één of andere zot de nerven ingeklopt te worden.   “Meneer Den Dromer,” een kleine handzwaai probeerde me te wekken, “voor U, wat mag het zijn?” “Een pakske chicletten,” zei ik zonder nadenken. “Met welke saus?” vroeg Alfred van achter zijn koeltoog. “Gewone chicletten”, antwoordde ik. Alfred zuchtte, ontspande de wenkbrauwen en vroeg me vijftig cent.   Ignace kwam binnen. Ik ben op tijd gekomen, dacht ik en hij bestelde een blikje fanta. “Eén euro”, klonk het en weer keken ogen me aan me, die van Alfred, van een hoofd dat frieten wilt verkopen.   Ignatius De Reus, de langerd uit sprookjes die om opheldering vragen, had een zak neergezet. Hij was van plastiek en verborg je-ne-sais-pas-quoi. Ignace had een stoel genomen, met een servet vetvlekken van mica geveegd en zat hier nu, één tafeltje verder, op nog geen anderhalve meter van me.   Elke echte man draagt kleurstiften bij zich. Is het niet om streepjes te trekken (het aantal copulaties, centimeters op een houten lat, het weze me worst wat), dan is het om te tekenen. Geslachtsdelen, letters van vloeken, mislukte gedichten. De wc-deuren, de wanden, zij verdragen het omdat het minder stinkt dan stront.   Lang heeft niet geduurd die geheimzinnigheid. Papieren verschenen, in formaat B4. Een deel was niet gevouwen, voorzien van schetsen en gedetailleerde plannen, van vaartuigen en uitvindingen. Een andere deel was dubbel geplooid, tot boekjes met vier bladzijden. Daarop waren ze beschreven, de voorspellingen, over redding, meer nog over onheil, over verbeteringen, correcties aan soorten, verdelgingsplannen, dat kon ook. Zelf had ik geen draaiboek. Ik kauwde niet om chicletten plat te kunnen terten, jaren later terug te komen, te knielen, mijn stiftjes boven te halen en kunstwerken te maken van ongeboren bellen, grijze gom.   Al twijfelde mijn geest. Ik gooide mijn smakeloos geworden sjiek in de vuilbak en, het is doenbaar, spritesmaak mag volgen op die van pepermunt. Zenuwen hadden zich in verbinding gesteld met mijn hersenen; ik sprak :  “Geef me toch een kleintje!”   Ik stond daar weerom, voor die koeltoog met frituurwaren en voegde er aan toe : “Met tartaar, en ook een 7up.”         pagina één van 'Over reuzen en scheve muilweters' (deel 1 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')  

Bernd Vanderbilt
66 0

Twankie Wankel Twinkeltje (voorwoord)

Op 11 september 2012 beging Antoine ‘Twankie Wankel’ De Wandelaere in de kleine vleeswarenwinkel van Wilhelmina Ketels een misdaad. Ze geurde die dag niet naar parfum van meloenen en het betrof een zaak van eerroof, vilaine vianderie, lustmisbruik en smeerlapperij in het algemeen.   “En als Alfred het beaamt, geloof het dan maar. Dan is het zo!” zei Ignace, “want Alfred heeft frietkot-oren, hij weet wat waar leeft. Hij is van veel op de hoogte. Hij weet veel over afgunst in blitse eksternesten, de hoogmoed van schreeuwerige sperwers, de nijd van pauwloze keuterboeren en de geneugden in duistere bossen. Zijn kennis is haast onmenselijk onmenselijk en tot op vandaag loog hij nog nooit. Hij kan het gewoon niet, liegebeesten aaien, scheve feiten verkopen. Ik zag het ooit, op een dag met laf weer, hoe hij probeerde, eens te liegen over de volgorde van kleuren in een zieke regenboog die hij gezien had in zijn droom. Zijn smoel sloeg scheef. Eén oog trok lam. Een opstoot van snot zorgde ervoor, dat zijn aanzet tot vals gezwans bleef kleven in een fluim. Er verscheen een landjevol mieren. Vlakbij was er een nest van eerlijkheid en ijver. De beestjes liepen om de keelsnot heen, maakten een bocht, die piloten in een vleermuiskop benijden. Het leek alsof ze de omtrek van een scherpe glasscherf volgden. Ze keerden zelfs terug naar het nest om zich te vergewissen waar de waarheid lag en zich de smikkel te wassen aan de tranen van een mol die met een blind gevoel de leugens in de stem van dieren horen kon.”   Dixit Ignace en hij ging verder : “Daarna heeft Alfred, die pernukkel met zijn grijze frou-frou en zijn fraaie friterie het nooit nog geprobeerd, te liegen. Fluimen bleef hij doen en vaak. Hij dacht daarbij maar al te vaak : ‘ik doe er niet aan mee en wil er niet aan meedoen, aan bedrog en leugenbraderie, net zoals ik niet verlang naar seksverkeer met dieren, met infanten, laat staan met mensapen, al zijn ze van de geilste soort.’   Ignace sloot zijn eerste getuigenis af met de woorden : “Echt, het speeksel van die ukkepuk is eerlijk als het transparante slijm in een koekoeksei, dat naar warmte hunkert, dat verlangt gekookt te worden, want het wil en zal niet, samen met het geel en die ene rode stip verworden tot een vogel die het ganse bos bedriegt. Desalniettemin, ik zeg het zoals het was en is, ik weet niet hoe het komt, die fluimen van Alfred, ze stinken ze soms naar cellen van een kranke gnoom, aangetast door bof en pest.”   Dit verhaal handelt echter niet over zieke handelingen met spuug en speeksel. Voor Pandora telt dat niet als ziekte. Centraal staan die gebeurtenissen op 9 september 2012, de toedracht en de gevolgen. Ook probeer ik te begrijpen welke rol zij in die ganse tragedie speelden. Met zij bedoel ik vier individuen : Antoine De Wandelaere, bijgenaamd Twankie Wankel, Wilhelmina Lippens liefweg Twinkeltje. Dan is er nog Alfred, door Ignace wel eens aangesproken met Ali F.. en tenslotte Ignace 'De Reus' Somers zelf.   Het was enkel Alfred die Ignace ‘De Reus’ durfde te noemen en ik probeer het drama te reconstrueren aan de hand van de getuigenissen van die twee, Alfred en Ignace. Om opheldering vragen bij Twankie of bij Twinkeltje kan ik helaas niet. Antoine en Wilhelmina zijn niet meer in leven.   Volgens Ignace -dat ben ik later te weten gekomen- speelden ook ene Sven Mars en een jongen met de naam Wimpie geen onbelangrijke rol in de aanloop naar de feiten van september 2012, maar daarover tast ik nu nog in het duister.   Telkens ik iets te weten kom (soms verstoppen Alfred en Ignace zich voor de Overheid), breng ik bericht uit. Mijn verslagen zullen kraakvers zijn, as fresh as you can get. Er zal nooit sprake zijn van waterbuffels, die wachten, voor een opgetrokken luchtbrug.       voorwoord bij ‘Twankie Wankel Twinkeltje’ (mijn tweede e-boekje, vanaf één december te lezen op Azertyfactor.be)  

Bernd Vanderbilt
0 0

Winterrust (epiloog)

  Maakt U zich geen zorgen. Dit is geen gecensureerde foto van Natascha en wilt U weten wie er nog leefde in het jaar 2022?   Quasi iedereen!   Ivan woonde nog steeds in Middelkerke, Enzo was visfileerder bij een firma in Zeebrugge en Falco trok rond met een moderne circusmaatschappij, iets met messen.   Hannelore wroette voort in haar Lapscheurse prairietuin en de vader van Ricky leefde als een kreupele Gaddafi nog steeds in datzelfde spookhuis. Naast Evangelina en enkele buschauffeurs leefden er nog ontelbaar veel figuranten, miljarden zelfs, meer dan ooit tevoren.   Wel werd Johnny’s diabetes hem fataal en Ricky’s mama stierf aan een leverfalen op 17 augustus 2021.   Ricky kon zijn einde niet zelf beschrijven omwille van de shibari. Er was een vrijwillige, koppige pen nodig om U het relaas te doen.     Een deel van het onheil geschiedde op 7 januari 2022. Ricky trok het nog twee weken en stierf vastgebonden, van uitdroging op 22 januari 2022.   Natascha Salomon werd op 6 januari 2022 opgepakt omdat ze in België verbleef zonder geldige verblijfsvergunning. Die was niet langer verlengd door de Dienst Vreemdelingenzaken en verviel op 31 december 2021. Abchazië was veilig verklaard.   Op 7 januari werd Natascha gerepatrieerd naar Abchazië. Onder de begeleiding van twee agenten vloog ze eerst van Charleroi naar Moskou en dan van Moskou naar Sochi, waar haar Indische vader haar stond op te wachten met zijn Lada Priora.   Onderweg naar Gantiadi (de woonplaats van haar ouders in Abchazië) werd de Priora klemgereden door een jeep, de strontbak van een zieke hond met witte pet.   De chauffeur van de strontbak was gemaskerd en hield de vader van Natascha onder schot terwijl de andere man (met de pet) Natascha uit de Priora sleurde en in de jeep trok. De strontbak sloeg een modderweg in met aan weerszijden een sneeuwdijk van wel één meter hoog en stopte bij een bunker naast een veld waar nooit spruitkool had gegroeid. Daar beging de man met de pet wreedheden die ik liever niet beschrijf.   Wel kan ik je zeggen dat de zieke hond met die witte pet luisterde naar de naam Ivan, een Abchaziër die als slachter werkte in Adler, niet ver van het Sochi Theme Park. Hij had Natascha, tien jaar daarvoor, twee maand voordat zij naar België vluchtte voor de atrociteiten van de Abchaziërs, ten huwelijk gevraagd, vijf weken nadat hij haar had zien zwemmen in de Zwarte Zee.   Had zij daar dan moeten op ingaan? Wat had die slachter bezield om haar, een voor hem wildvreemde jonge vrouw, de dochter van een Indiër en een Georgische, zo’n uit de lucht gegrepen aanzoek te doen? Hij had haar zien zwemmen, had naar haar gezwaaid en was via de uitbater van het strandcafé haar naam en woonplaats te weten gekomen.   Zien zwemmen! En een paar keer zien onderduiken in die bikini met dat zotte motief! Fluogele hondjes op een rode achtergrond!     Wat de lijkschouwer in Abchazië mij wel kon vertellen is dat het aannemelijk was dat haar keel overgesneden was met een vlindermes en hij bevestigde dat haar hart niet teruggevonden werd.       (met dank aan Bartje voor de vele illustraties)  

Bernd Vanderbilt
6 0