Zoeken

Fort(e)

Daar staat een witte lijn, ja daar. Al denk je dat hij zwart, geel of rood is, hij is wit. Geloof me maar, want dat is iets dat ik je met zekerheid kan zeggen. Nu ga ik je het volgende adviseren: als ze je ooit vragen om op die verdomd simpele, witte lijn te gaan staan, doe dat dan gewoon. Je gaat met twee voeten naast elkaar op die lijn staan en je hoopt maar dat je er geen millimeter vanaf wijkt. Dat zal je doen, geloof me maar. Je zal het doen zolang als nodig, zonder twijfelen en zonder opmerkingen, precies volgens de instructies die je gegeven worden. De enige andere optie die je hebt is dat je dat achteraf hoopte dat je wel op die lijn was gaan staan.   En precies dat is de fout die ik gemaakt heb. Ik koos de enige andere optie. De enige optie die moeilijk was, ook al wist ik niet precies waarom. Ook al wist ik niet dat ik de keuze gemaakt had.    Bij het krieken van de dag op die oorspronkelijk prachtige winterochtend in februari 44, was het niet mijn moeder die me zoals gebruikelijk veel te vroeg wakker maakte, maar het getik van leren laarzen op de houten trap die naar mijn kamer leidde. Drie korte ritmische tikken werden steeds gevolgd door een langere in het vast gedrilde patroon dat slechts één leger ook echt daadwerkelijk aanhield. Bij de vijfde tik, kraakte de trap. Dat betekende maar één ding: dat dit geen droom was.    In mijn dromen kraakte de trap nooit.   Ergens besefte ik het niet helemaal, maar als in een reflex ging ik rechtzitten en duwde ik mezelf op naast mijn bed. Als de Duitsers dan toch een huiszoeking deden, kon je maar beter vriendelijk zijn, dacht ik nog. Wat had ik het toch fout. En dan bedoel ik ook echt fout fout, niet goed fout. Zo fout als men de dag van vandaag een koppel bejaarden zou noemen dat volledig in een aangepaste zumba-outfit, met beenwarmers en al, mee gaat doen met een les spinning in de fitness. Over dat soort fout maal tien, daar hebben we het nu over.   Drie volwassen mannen die, zoals ik al vermoedde, het uniform van Duitse soldaten droegen, stormden genadeloos mijn kamer binnen. Daar stonden we dan. Drie mannen die verbaasd waren dat ik kaarsrecht naast mijn bed stond en ik, daar daadwerkelijk staande. In sommige gevallen was het grappig geweest, maar nu pas had ik de emblemen op hun uniformen ook gezien: doodshoofden. Dit waren niet zomaar Duitse soldaten.   "Was möchten Sie?" Ik had die drie woorden, al dan niet Duits, beter niet kunnen uitspreken. Het leek wel het signaal voor hen om in actie te schieten. De ene duwde me om en begon de kasten naast het raam te doorzoeken, de tweede plantte zijn knie te stevig om me gewoon onder bedwang te houden in mijn rug en begon woorden te schreeuwen die ik ondanks de pijn en het feit dat mijn gezicht in mijn kussen begraven was, herkende als Duitse scheldwoorden. "Wees een beetje voorzichtig," zei degene die me omgeduwd had plots en ik voelde de knie in mijn rug een beetje lichter worden. "Dit stuk is misschien wel goed genoeg voor mevrouw. Ze praat Duits..."  "Niet te veel medelijden met deze kakkerlak, Saukerl," antwoordde de derde man. Er was geen enkele emotie te bespeuren in zijn stem, enkel de routine die verraadde dat hij geen groentje was. "Dat laten we aan de commandant over. Het is niet dat ze haar rug gaat breken en zelfs dan..." Ondanks zijn harde woorden voelde ik zijn knie niet harder duwen. Het leek bijna alsof ik alles wat er zich in mijn bloedeigen kamer afspeelde van bovenaf bekeek. Ademen werd door de opmerking dan misschien lichter, het begon tot me door te dringen wat hij gezegd had. Stuk, niet als in kapot, maar als in één stuk, hij had me een ding genoemd en uit alle verhalen die mijn vader me op dat moment al verteld had, kon ik daar één ding uit afleiden.     Met mijn hoofd nog steeds in mijn kussen, probeerde ik alles wat er rondom mij gebeurde te negeren. Ik negeerde de pijn. Ik negeerde de woorden. Ik maakte mezelf doof en blind voor alles wat er rondom mij gebeurde. Mijn spieren protesteerden dan ook toen ik plots brutaal recht getrokken werd. Mijn lichaam voelde aan als een zak aardappelen en zo werd het ook behandeld. De man die me al de hele tijd onder zich gehouden had, gooide me over zijn schouder en droeg me naar buiten. Door mijn tranen heen, voelde ik de stilte in huis hangen.   Mijn moeder en vader keken met hun mond open toe hoe ze me weg sleurden en dat was het pijnlijkste wat er die ochtend nog voor zeven uur met me gebeurden. Ze deden niets, verlamd door angst lieten ze hun enige dochter bij hun weghalen zonder ook maar enige vorm van protest. Ik wist goed genoeg, dat als mijn ogen niet vol met tranen hadden gezeten, ik waarschijnlijk hun afkeurende blikken had gezien, daarom vul ik die onwetendheid nu nog steeds op met het idee dat ze bang waren. Verlamd door angst, dat ze niets durfden te doen om zelf opgepakt te worden en ze hadden immers nog drie andere kinderen die ze moesten opvoeden. Dat beeld houd ik me nog steeds voor, dat is het minst pijnlijke.   Ik maakte me op dat moment vooral ook wijs dat ik hun niks kwalijk kon nemen. Dat het allemaal mijn eigen schuld was en vooral, dat ik nooit met die ene millimeter van die verdomde witte lijn had mogen afwijken. De rit in de afgesloten laadbak van de vrachtwagen, liet me wensen dat ik ook mijn reukorgaan kon laten stoppen met werken. Ik was er zeker van dat van minstens vijf van de dertig lotgenoten in de veel te kleine afgesloten ruimte de sluitspier het al eerder begeven had. Dan waren er nog minstens tien die een dood vogeltje hadden opgegeten, of zo leek het toch. Niemand had er duidelijk aan gedacht om zijn tanden te poetsen voordat de mannen hun uit hun huizen gesleurd hadden.   Deze beestachtige mannen die me vergezelden op die tocht naar de hel maakten me eigenlijk niets uit. Ik besefte snel genoeg dat het ieder voor zich was. Net zoals ik besefte dat het enige meisje en veruit de jongste van de hele groep was. Dat laatste verzachtte blijkbaar voor sommige mannen de nachtmerrie waar ze zich in bevonden voor even. Dan grijnsden ze even vervaarlijk naar me, voordat ik hen een blik gaf die duidelijk maakte dat ze niets in hun hoofd moesten halen.   Die mannen, die dappere mannen die me een, al dan niet appreciërende, blik waardig gunden, zijn nu trouwens allemaal dood.  

Prozaly
0 0

Zotte kuren en diepe ernst

Een amusante glimlach verscheen op haar gelaat toen ze hem binnen zag komen in het studentencafé waar toen nog naar hartenlust binnen gerookt mocht worden. Zijn pruik stond scheef en zijn lange vrouwenkleed was vurig rood. Hij zette zijn bril wat rechter en trok zijn kleed goed voor hij zich neerplofte op de barkruk en een frisse pint bestelde. Het gezelschap waarin ze vertoefde leek aan kleur en helderheid in te boeten nu deze verschijning aan de toog had plaats genomen. Ze dronk snel het laatste bodempje van haar glas rode wijn leeg om in de buurt van de verklede man een nieuw glas te kunnen bestellen. Hoewel hij verre van mooi was, intrigeerde hij haar. Zijn nonchalance en grappige manier van doen wekten haar nieuwsgierigheid en deden een bruisend verlangen in haar opwellen. Ze verontschuldigde zich bij haar vrienden en liep langzaam in de richting van de mysterieuze onbekende.   Ze ging naast hem aan de toog staan tussen twee barkrukken in. Voor ze de aandacht van de barman probeerde te trekken om haar bestelling door te geven, wendde ze zich naar de jongeman naast haar. ‘Uw pruik staat scheef. Zal ik ze terug wat rechter zetten?’ Geprikkeld en geamuseerd keek hij haar aan. ‘Graag.’ zei hij en hij genoot van de manier waarop deze jongedame ongegeneerd en met opperste concentratie de asblonde pruik die hij uit de verkleedkoffer van zijn oma had opgedist, weer op haar plaats schoof.   ‘Vandaag is mijn naam Georgette by the way. Wie ben jij?’ voegde hij eraan toe. Even aarzelde Emma. Zou ze hem naar zijn naam-van-alle-andere-dagen-dan-vandaag vragen of zou ze het spelletje een tijdje meespelen? Ze koos de tweede optie. ‘Mijn naam is Emma. Dat kleedje staat u beeldig, Georgette. Het accentueert uw bierbuik en platte boezem zo mooi.’ Ze probeerde het zo oprecht mogelijk te laten klinken en haar lachspieren onder controle te houden. ‘Ja, ik weet het’, zei Georgette die zijn stem voor de gelegenheid wat hoger deed uitvallen, ‘ik heb dat compliment vandaag al een paar keer gekregen.’ En hij knipperde op zeer verleidelijke wijze met zijn donkere ogen die achter twee brilglazen verscholen zaten. Op beider gezichten verscheen een glimlach van verstandhouding, een glimlach van speelsheid en ondeugendheid, een glimlach van herkenning.   ‘Wat drinkt de mooie dame?’ vroeg de verklede jongeman. ‘Rode wijn graag. Zijt gij hier trouwens helemaal alleen, bevallige dame?’ antwoordde Emma. ‘Ja, ik kom rechtsreeks van een verkleedfeestje van de scouts’, viel Georgette nu uit zijn rol. ‘Het thema was diva’s en glamourkings. Een aantal van mijn vrienden konden het plots niet laten om me af en toe in mijn achterwerk te knijpen,’ zei hij, gespeeld verbouwereerd. ‘Tja, ik voel die drang ook, Georgette, als ik u in uw sexy rode jurkje zie.’ Emma liet deze woorden gepaard gaan met een op- en neergaande beweging van haar wenkbrauwen en een overdreven smachtende blik. Haar nieuwe vriend deed op vrouwelijke wijze alsof hij lichtjes geshockeerd was door haar opmerking.   In het lange smalle café waar in de late uurtjes vooraan soms gedanst werd, werd de stemming ondertussen wat meer uitgelaten en het gepraat luidruchtiger. De nicht van Emma en hun gemeenschappelijke vrienden probeerden tevergeefs Emma’s blik te vangen om haar terug in hun richting te lokken. Vanuit haar ooghoeken zag Emma hen soms zwaaien en wenkende gebaren maken, maar ze deed net alsof ze het niet zag.   ‘Maar nu serieus’, zei Emma. ‘Wat is eigenlijk jouw echte naam?’ Thijs nam de pruik van zijn hoofd waardoor zijn kort warrig donker kapsel tevoorschijn kwam. ‘Mijn echte naam is Thijs.’ zei hij en hij keek haar doordringend aan wat haar tegelijkertijd een oncomfortabel en een opgewonden gevoel gaf. Even staarde ze zwijgend terug. Thijs zei: ‘Aangezien ik de zin van het bestaan nog steeds niet ontdekt heb, maar er wel naar op zoek ben, dood ik mijn tijd dan maar met mij te verkleden. Misschien draait het leven wel gewoon daarom: u amuseren.’ ‘Ja, misschien wel’, zei Emma en ze hield haar glas in de lucht om op deze conclusie te proosten. Het oogcontact gaf haar een warm gevoel. ‘Ik heb ooit eens ergens gelezen dat de zin van het leven de zin óm te leven is. Maar vraag me niet wie het geschreven heeft want dat weet ik niet.’ ‘Ja, daar zit iets in’, antwoordde Thijs. ‘En als dat waar is, waarom in godsnaam ontnemen sommige leerkrachten de kinderen dan de zin om te leven? Zeg nu eens eerlijk, iedereen heeft toch een verhaal over een leerkracht die hem of haar het leven zuur heeft gemaakt.’ Je zag aan zijn gezicht dat hij zich de woede op die ene leraar nog steeds gemakkelijk voor de geest kon halen. ‘Wel, dat klopt, maar sommige leerkrachten hebben zo’n aanstekelijk enthousiasme dat zij je juist zin doen krijgen om op ontdekkingstocht te gaan, om bij te leren,… Ze zijn helaas zeldzamer dan die waar jij het over hebt, maar ze zijn er gelukkig toch ook…’ Thijs knikte ter bevestiging en zweeg toen, was even in gedachten verzonken. Haar ogen zochten de zijne en vonden die.   In zijn ogen zag ze een diepte weerspiegeld die ze maar zelden tegenkwam. In zijn ogen ontmoette ze een gelijkgestemde die de dingen niet zomaar voor waar aannam maar in vraag stelde, die er niet van hield aan de oppervlakte te blijven en over koetjes en kalfjes te praten, iemand waarvan ze vermoedde dat hij samen met haar de mysteries van het leven wilde verkennen, iemand met wie ze uren aan een stuk wou filosoferen. Het was een diepte die ze niet terugvond in haar gezin van afkomst, maar waarnaar ze al haar hele leven verlangde. Het was een diepte die ze enkel tegenkwam in de boeken die ze las maar te zelden in het echte leven. Bij haar thuis gingen de gesprekken enkel over de keuze van gerechten, de combineerbaarheid van kleren, over televisieprogramma’s, over de onhebbelijkheden van anderen maar nooit over de dingen die er echt toe deden.    ‘Is het een hobby van u om verkleed als vrouw door het leven te gaan?’ vroeg Emma. ‘Wel, ik moet zeggen dat het wel prettig voelt om deze rode stof rond mijn lichaam te voelen. Maar ik verkies toch een vrouwenlichaam tegen het mijne.’ Even sloeg Emma’s fantasie op hol en lag ze naakt naast hem onder de donkere sterrenhemel op een dekentje in het gras na een wild avontuur van zuchten, kreunen en genot. Maar al snel herpakte ze zich. Ze kende deze jongeman niet, wist niet eens of hij al dan niet vrijgezel was. Die vraag zou ze hem vanavond onder geen beding stellen want ze wilde de betovering niet verbreken. Om de beladen stilte een halt toe te roepen, ging Thijs verder: ‘Ik ben eigenlijk heel moe en kwam hier gewoon nog een pintje drinken voor ik mijn bed in zou kruipen.’ Hij kon de teleurstelling van haar gezicht aflezen en stiekem hoopte hij dat ze hem zou smeken om te blijven. Het was kinderachtig van hem, dat wist hij, maar hij kon het niet laten. ‘Ik ga onder de wol kruipen. Het was zeer aangenaam om u te leren kennen, Emma. Misschien treffen we elkaar hier nog wel eens een keer.’ Emma stond met haar mond vol tanden. ‘Oh wat jammer’, stamelde ze. ‘Ik vond het net zo gezellig. Maar als uw bed u roept, dan moet je maar gaan hé. Al had ik het wel fijn gevonden om nog wat te praten en dan misschien nog wat te dansen..’   Thijs die al lang overtuigd was en voor wie op tijd gaan slapen al lang geen optie meer was, wou het onderste uit de kan halen door nu nog niet toe te geven, door nog even de plichtsbewuste te spelen die prat ging op een goede nachtrust. ‘Het spijt me, Emma. Mijn ogen vallen bijna dicht van de vaak. Mag ik uw hand kussen, lieve dame?’ en hij nam haar hand in de zijne en bracht die naar zijn lippen. Ze trok haar hand weg en sprak hem heel kordaat aan. ‘Blijf’, zei ze op bijna gebiedende toon. ‘Drink nog één pint met mij. En ga dan slapen. Oké?’ smeekte Emma toen. Thijs deed net of hij aarzelde, of hij met één voet binnen en met de andere reeds buiten stond. Hij keek naar de klok die boven de deur prijkte, liet zijn hoofd en schouders heen en weer gaan om zijn geveinsde twijfel wat extra gewicht te geven, keek Emma onderzoekend aan. En pas toen haar blik steeds smekender werd, ze haar hoofd lichtjes schuin hield en één vinger omhoog hield, ging hij duidelijk merkbaar door de knieën. ‘Oké, nog één pintje dan.’ ‘Goed, ik trakteer’, zei Emma die haar enthousiasme niet onder stoelen of banken kon steken.

Aline S
0 1

Eerste tinderdate in een gezellig café II

- 'Is er leven na de dood?' - 'Best mogelijk. Echt weten doe ik dat niet. Ik leef namelijk nog.' - 'Je lijkt nochtans een beetje dood.' - 'Echt?' - 'Ja. Zo bleek en mager. En je hoofd is een schedel zonder huid of haar. En je draagt een zwarte mantel met zwarte kap. En je hebt een gigantische zeis in je hand.' - 'En jij bent een mooi meisje.' - 'Dank je. Ben je er zeker van dat je niet Pietje De Dood bent?' - 'Mevrouw, u beledigt me. Mijn profiel zei duidelijk 'Henri de Beauvoir'. En daar blijf ik bij.' - 'Maar je hebt zonet de arm van de ober aangeraakt om iets te bestellen en nu ligt die man hier dood op de grond.' - 'Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.' - 'Ken je God dan?' - 'Ja. Nee. Maakt niet uit. Je hebt mooie ogen.' - 'En jij lege oogkassen. Kijk... Henri... Ik weet niet of dit wel zal lukken... Ik voel me niet echt op mijn gemak bij je.' - 'Heb je me al ukelele horen spelen? Ik heb al prijzen gewonnen met mijn ukelelespel. De jury zei dat mijn ukelelespel angstige diertjes op hun gemak stelt.' - 'Ik weet het niet, Henri...'   Henri haalt toch zijn ukelele boven en speelt een deuntje.   - 'Henri! Verrukkelijk! Ik voel me zo op mijn gemak na je ukelelespel!' - 'Zei ik het niet?' - 'Kun je nog andere instrumenten bespelen?' - 'Nee. Ik heb me bekwaamd in één.' - 'Je stelt me teleur, Henri.' - 'Wat?' - 'Slechts één instrument? Je stelt me teleur, Henri. Ik had je nooit naar rechts mogen swipen.'   Twee uur later komt de politie het café binnen. Iedereen is dood, behalve een huilende, vastgebonden vrouw met op haar borst een briefje gespeld: 'Dit is mijn schuld.'   Nergens is er een ukelele te bespeuren.

Michaël Verest
34 0

Sorane 01/04 De huurmoordenares

De opdracht van Verin Als de coördinator eindelijk opkijkt, hoort Verin tot zijn ontsteltenis dat ze hen doorhebben. ‘Je bent erbij, Verin. Jij en Sorane hebben Axin en Nevon geholpen om weg te komen. En ze ook nog een onderkomen bezorgd. Maar Sorane heeft een kleine fout gemaakt, toen ze jullie vrienden ging opzoeken om hen de nodige papieren te bezorgen. We weten waar ze zijn.’ Verin slikt even, maar zegt niets. De coördinator zwijgt even om zijn woorden te laten doordringen. ‘Jij krijgt echter nog een kans, Verin. Want twee van de zes beste van jullie groep verliezen, dat kan ik mij niet permitteren.’ ‘Een kans?’ vraagt Verin. ‘Ja, maar dan moet jij Axin en Nevon uitwissen. En Sorane moet er deze maal ook aan geloven.’ De man merkt zijn vragende blik op. ‘Je wilt weten waarom Sorane tot je opdracht behoort, Verin. Ten eerste zijn jullie ongeveer even goed in jullie training. Toch is Sorane een zwakke schakel. Ze lijkt om mensen te geven en dat is de tweede reden. En zeker als het haar vrienden betreft.’ ‘Verin weet niet wat te zeggen. ‘Wij beseffen dat jij meent van Sorane te houden, maar daardoor heb jij je schuldig gemaakt aan een tweede overtreding. ‘Dat kan de enige reden niet zijn, sir.’ ‘Nee, dat is de echte reden niet, Verin. Haar echte ouders waren politieagenten. Ik had een opdracht op een amazone planeet, maar haar vader Gono Saron kwam mij op het spoor en er volgende een vuurgevecht. Agent Saron, werd hierbij licht gewond, maar ik belande in het ziekenhuis met twee kogels in mijn linkerbeen. Een van de twee kogels had mijn spieren van mijn dijbeen gescheurd. Daardoor kon ik niet meer zo lopen als vroeger. Dat is de reden dat ik hier coördinator werd. Ik wilde wraak, maar Gono Saron werd gedood een aanslag. Ik kon mijn wraak echter niet meer uitvoeren tot Sorane Nador hier leerlinge werd. Ik liet haar zoals alle anderen onderzoeken. Zo kwam te weten wie haar ouders waren.’ ‘En daarom hebt u haar verschillende malen willen doden.’ ‘Ja. Maar het zou gelukt zijn, als ze niet door een onbekende opgeleid zou zijn tijdens haar jaar verlof. Alleen weet ik niet wie die onbekende of onbekenden waren en waarom?’ Even aarzelt Verin, maar dan zegt hij: ‘Je zoon, Sir. Hij stierf in die mijnen daar, maar hij maakte vrienden onder de gevangenen. Omdat Sorane voor huurmoordenares opgeleid werd, door Arkan, leiden ze haar op.’ ‘Mijn zoon? Is die lafaard dan eindelijk dood?’ ‘Zoiets heeft Sorane mij vertelt, Sir.’ ‘Dan moet ze zeker gewist worden, Verin. Wil jij vandaag sterven of neem je de opdracht aan.’ ‘Nevon, Axin en Sorane doden. Kan ik dat?’ denkt hij. ‘Denk maar niet te lang na, Verin. Zij of jij. Zo eenvoudig is het.’ Verin knikt al is het met een lichte aarzeling.     Dus aan jou de beslissing. Sorane of jij. Ofwel voer de taak naar behoren uit of Sorane krijgt je baantje, als ze zich tenminste van dat menselijk gedoe kan bevrijden.’ Even is het doodstil in het kantoor. Van alles gaat door heen Verin, hij houdt van Sorane, maar ook van het leven. ‘Ik wacht niet langer, Verin. Kies nu of...’ Maar Verin richt zijn blik standvastig op de man voor zich. ‘Ik zal mijn opdracht tot een goed einde brengen,’ knikt hij. ‘Vergeet het niet, Verin. We weten dat jij Sorane geholpen hebt om dat koppel te verbergen. Dus dit is een test om je trouw te bewijzen. Tracht ons niet te misleiden, want dan kiezen we misschien toch voor Sorane. Maar dan moet ik van mijn wraak afzien.’ Verin verstart even, maar laat niets van zijn gevoelens blijken en verlaat even later het kantoor. Maar innerlijk is hij in tweestrijd. Dit zou zijn kans kunnen zijn om hogerop te raken, maar dan moet hij Sorane opgeven en zelfs doden. Hij houdt van Sorane, maar hier kan hij niet onderuit, zonder zijn leven te verliezen. Hij kent Sorane goed genoeg, om te weten, dat, als hij haar zou helpen, ze wraak zou willen nemen. En er zijn ook nog enkele anderen die haar zouden steunen als ze wisten wat zijn opdracht nu is. Wat moet hij doen? Maar nog iemand anders heeft het gesprek met verbijstering gevolgd. Een jonge man, die vandaag dienst had in de observatie ruimte. Even kijkt hij angstig om zich heen. Hij zucht opgelucht als hij niemand in zijn richting ziet kijken. Ze zijn allen met hun werk bezig. Snel verandert hij enkele instellingen en wist een deel van zijn logboek. Ongeveer drie uur later zit zijn dienst erop en hij verlaat de ruimte. Na het eten gaat hij met enkele anderen naar hun kamer om wat hij ontdekt heeft te bespreken. De vier anderen luisteren verbaasd en met ontstelling naar de woorden van hun vriend. ‘Zou Verin het werkelijk doen?’ ‘Ik weet het niet. Maar wat kan hij anders doen.’ ‘We moeten Sorane op de hoogte brengen.’ ‘Hoe, Layon? We weten niet waar ze is.’ ‘Ik vrees alleen dat Sorane woedend zal reageren als ze het te weten komt.’ ‘Dan moeten we klaar zijn, vrienden. Breng de anderen op de hoogte. Daarna wachten we op Sorane. Als zij en Verin terugkomen.’ ‘Wat dan? Onze plannen versnellen.’ ‘Ik weet het niet, Layon. Maar we moeten klaar zijn voor het geval dat we ze uitvoeren.’ ‘Dat lijkt me het beste. We zien wel als het zover is.’ ‘Dan kunnen we het best gaan rusten. Morgen moeten we ons voorbereiden.’ Intussen zit Verin op zijn kamer om zich voor te bereiden. Verward maakt hij zijn wapen schoon en vult de lader ditmaal met echte munitie. Maar hij weet niet echt wat hij zal gaan doen. Zijn opdracht niet uitvoeren en Sorane op de hoogte brengen. Daarna samen met die enkele anderen proberen te ontkomen aan de arkancel, waar zij opgeleid worden. Maar dat zou betekenen dat ze voor de rest van hun leven op de vlucht zouden zijn. Nee, dat is het niet waart, denkt hij. Maar hij beseft ook dat als Sorane dit zou weten, dan zou ze zijn grootste vijand worden. Hij kent haar goed genoeg om te beseffen, dat ze op hem zou jagen, tot een van hun beiden dood is. Als hij in zijn auto stapt, staat zijn besluit vast. Sorane moet vandaag sterven, nog voor ze weet heeft van zijn plannen. Maar eerst die twee anderen, daarna, de vrouw waar hij van houdt. Maar liefde heeft in hun beroep geen reden van bestaan. Tegen hoge snelheid raast hij over de wegen met als doel Mogwan. Aan de rand van de villawijk parkeert hij zijn wagen en stapt uit. Kalm neemt hij zijn gsm uit zijn riemtasje en aarzelt nog even nadenkend. Maar dan hakt hij de knoop door. ‘Het moet gebeuren,’ fluistert hij, slikkend. Dan belt hij Sorane op. ‘Hallo, schat,’ hoort hij Sorane zeggen. ‘Ik heb nieuwe opdracht, maar ik wilde je nog even zien.’ ‘O, je maakt me weer gelukkig, Verin.’ Verin slikt even, maar dan zegt hij. ‘Ik moet voor langere tijd weg, lieveling. Daarom dacht ik eraan om met jou nog iets te gaan eten.’ ‘Slecht en goed nieuws dus, lieve schat.’ ‘Ja, het spijt me. Misschien kunnen we afspreken aan het restaurant van onze vrienden, No-nin en de anderen.’ ‘Zeker, ik verheug me er al op om de mensen daar nog eens te zien,’ stemt Sorane in. ‘Oké, Sorane. Ik ben er ongeveer rond 19.00u deze avond.’ ‘Tot straks dan, lieveling. Als ik kon zou ik je kussen, maar dat is voor straks.’ hoort hij haar nog zeggen, voor hij zijn toestel uitschakelt. Even blijft hij naar Sorane’s portret op het schermpje kijken, maar dan recht hij zijn rug. Langzaam schuift hij het toestel met trillende handen in zijn riemtasje. ‘Het spijt me schat, maar ik kan niet anders. Hoe sneller ik eraan begin hoe sneller is het voorbij. En dan is er geen weg meer terug,’ denkt hij. Als hij het huis bereikt waar Nevon en zijn vrouw zich verborgen houden aarzelt hij nog even, maar dan trekt hij zijn wapen en draait de geluidsdemper erop. Voorzichtig sluipt hij geruisloos om het huis, maar merkt plots enkele agenten op. Ze zijn uitgeschakeld voor ze beseffen wat er gaande is. Dan dringt hij het huis binnen en staat plots voor Axin, die met haar baby in de zetel zit. Ze geeft hem juist borstvoeding. De jonge vrouw kijkt hem verrast aan, terwijl hij aarzelt. ‘Verin, wat???’ fluistert ze, maar merkt ze dat hij zijn wapen heft. Ze beseft dadelijk waarom hij gekomen is. ‘NEEEE, Verin… Mijn bab…’ roept ze uit. Maar Verin schiet genadeloos. Hij vuurt eerst naar Arin en doorboort haar vlak onder de hals. Dan grijnst hij als hij eerst de baby twee kogels in zijn borstje jaagt. Dan richt hij zijn wapen op Axin, die ontstelt naar haar kindje kijkt. Ze ziet haar rok rood kleuren van haar en zijn bloed, want de kogels zijn ook door haar lichaam gegaan. Dan kijkt ze op en staart recht in het koele grijnzend gezicht van Verin. ‘Waarom?’ fluistert ze. Maar Verin zegt niets. Hij staart alleen naar de straaltjes bloed, die uit haar wonde over haar borsten vloeit. Hij wordt erdoor geboeid. Maar dan hoort hij stappen en haast zich naar de muur toe. Nevon die de woorden van zijn meisje hoorde, haast zich naar binnen. Als hij in de salon binnen stapt, blijft hij verstard staan. Hij ziet zijn vrouw achterover in de zetel in haar bloed zitten. ‘Axin. Nee, dat kan niet waar zijn,’ roept hij uit. ‘Nevan, p.. pas op. A….chter de deur….,’ roept Arin kreunend. Dadelijk grijpt hij naar zijn wapen, maar dat heeft hij niet bij zich. Verin, die achter de deur staat, schiet genadeloos doorheen het hout. Nevons lichaam botst tegen de muur, voor hij langzaam in elkaar zakt. Verin kijkt even op hem neer.’ ‘Jij, Verin. Waarom?’ kreunt Nevon. Verin trekt zijn schouders op. ‘Niemand ontkomt aan de cel,’ fluistert hij hees. ‘S…orane z..al je het nooit v…ergeven, m….man…,’ kreunt Nevon, terwijl een poging doet om naar Axin te kruipen, maar de moordenaar glimlacht. ‘Ze krijgt geen kans, Nevon. Zij is de volgende op mijn lijst,’ zegt hij koel, dan richt hij zijn wapen op zijn slachtoffer. Maar op dat moment valt de hand van Nevon slap op de vloer. Dan kijkt hij naar Arin, die hem strak aankijkt. Haar kindje is naast haar, uit haar machteloze armen, op de zetel gerold en ligt daar in zijn bloed. ‘Doe het en wees vervloekt, moordenaar.’ Langzaam heft hij zijn wapen en richt het op het hoofd van Axin, terwijl recht in haar ogen kijkt. ‘Sorane zal je doden, Verin,’ hoort hij haar nog fluisteren. ‘Vergissing, Axin. Sorane is straks even dood als jij. Die gekkin wacht op mij voor een lekker etentje,’ grijnst hij. Dan haalt hij de trekker over. Uit zijn wapen komt een vuurstraal, die tussen de ogen van de jonge vrouw in haar hoofd verdwijnt. Nog even staart Verin naar het levenloze lichaam van Axin en dan naar haar dode baby. ‘Een seconde denkt hij met spijt aan Sorane, maar nu kan hij niet anders het in hij of zij.’ Even aarzelt Verin nog, maar schroeft hij de geluidsdemper weer los en bergt hem weg. Met een snelle beweging steekt hij het wapen in zijn schouderholster. ‘Dat ging snel en eenvoudig. Nu Sorane, ben jij aan de beurt,’ denkt hij, terwijl er even een droevig blik in zijn ogen verschijnt. Misschien had hij met Sorane het geluk kunnen vinden, want hij beseft dat hij nog steeds op haar verliefd is. Maar terzelfdertijd komt ook het besef, dat er nu geen weg meer terug is. Even later rijdt hij weg, maar juist als hij de toegangspoort uitrijdt, draait een wagen de bocht om. Hij kan hem op het nippertje ontwijken. Even merkt hij een vrouw achter het stuur op, maar hij kent haar niet. Met toenemende snelheid rijdt hij voorbij de toegangspoort. De vrouw in de wagen stopt op het binnenplein van de villa. Maar als ze uitstapt, beseft ze dat er iets vreselijks gebeurd moet zijn. Als ze met getrokken wapen door de deur stapt, wordt haar angst bewaarheid als ze eerst Axin en haar kindje opmerkt en dan Nevon. ‘Verdomme, zelfs het kindje.’ roept ze uit als ze de doden opmerkt. Als ze zich wil omdraaien, merkt ze plots dat de rechterhand van Nevon iets op de vloer neer geschreven heeft. Veri….. Dan herinnert ze zich de wagen die wegreed. ‘Zou dat de naam van de moordenaar zijn. Verin, is dat de vriend van die roodkop niet. Die woont toch bij Sorane Nador inwoont. Zou zij hier ook mee te maken hebben,’ denkt ze. Snel haast ze zich naar haar wagen en met piepende banden raast ze weg. Met halsbrekende snelheid rijdt ze over de zanderige weg. Als snel heeft ze de wagen in zicht. Maar Verin, die intussen zijn daad probeert te verwerken, merkt de wagen die hem achtervolgt bijna te laat op. Plots ziet hij de achtervolger. ‘Dat moet die vrouw zijn,’ denkt hij verschrikt en drukt het gaspedaal helemaal in. Met halsbrekende snelheid raast zijn wagen over de zanderige weg. Maar de agente is hardnekkig en blijft hem naderen. Innerlijk moet hij haar bewonderen, maar ze wil hem tegenhouden. Dus zal ze ook moeten sterven als ze in zijn weg moest lopen. Meer dan een uur later rijdt hij de stad binnen met de agente ongeveer honderd meter achter hem aan. Gelukkig is het minder druk op dit tijdstip, toch botsen een paar auto’s als ze de voorbijrazende wagens proberen te ontwijken. Verin zucht opgelucht als hij de wagen van de agente niet meer opmerkt. Maar hij weet niet dat ze vermoedt wat zijn volgende doel is. De kamer in het hotel waar hij vroeger woonde. Wat de agente echter niet weet, is dat hij een afspraak heeft met Sorane in het restaurant aan de overzijde. Verin stopt zijn wagen op een parking voor een hotel tegen over de villa waar Sorane woont. Hij merkt het echter niet, dat de agente hem al opgemerkt heeft. Ze volgt hem onopgemerkt naar het hotel en stapt ongeveer dertig meter achter hem naar binnen. ‘Nee, ik kan nog nietsdoen, er is te veel volk.’ denkt ze, terwijl haar hand van haar wapen terugtrekt. Dan ziet ze de jongeman de lift instappen en haast zich naar de trappen. Zo snel ze kan rent ze naar boven, maar het zijn tweeëntwintig verdiepingen naar het dak. Op de vijfde verdieping verlaat ze snel de trap en haast zich naar de lift. Maar daar stelt ze vast dat hij nog stijgt. Het cijfer naast de deur springt juist op elf. Opnieuw rent ze de trap op. Inhalen kan ze hem niet meer, beseft ze. Ze weet echter niet dat Verin hier een kamer genomen heeft. Op de twaalfde verdieping stapt hij uit en haast zich naar zijn kamer. De agente is twee verdiepingen hoger als ze op haar gevoel afgaat een naar de lift snelt. Hier ziet ze dat de lift zich op de twaalfde verdieping bevindt. Opnieuw rent ze naar de deur van de trap toe en weer de trap af, Hijgend opent ze de deur die toegang geeft tot de twaalfde verdieping en trekt haar wapen. In de gang ziet ze alleen een kuisvrouw met een wagentje. Snel loopt ze erheen en vraagt, terwijl ze haar politiepasje toont: ‘Politie, heb je een jongeman gezien die uit de lift kwam.’ ‘Kamer 1246,’ zegt de vrouw en geeft haar toegangskaart. De agente knikt de vrouw toe en haast zich naar de deur toe. Voorzichtig opent ze deze. Intussen komt Sorane te voet aangewandeld en loopt tussen de stoelen en tafels door naar een ober die ze kent. ‘Hai, Sivon. Hoe is het?’ ‘Zeer goed, Sorane. Het is op het moment iets minder druk dan anders, maar verder is alles in orde. De zaken gaan goed.’ ‘He, Sorane. Jij hier dat is al een tijdje geleden. Hoe is met jou en die knappe jongeman Verin?’ De roodharige kijkt om en ziet Achnaya op zich afkomen. ‘Werk je hier nog steeds?’ ‘Zoals je ziet, meisje,’ zegt de tweeëntwintigjarige vrouw en omarmt Sorane. Geen van allen weet dat Verin aan de overzijde en wapen op hen gericht houdt. Maar hij aarzelt nog steeds. ‘Verin komt ook. We hebben hier afgesproken.’ ‘Dan zijn jullie nog steeds bij elkaar.’ ‘Ja, we zijn verliefd op elkaar,’ antwoordt Sorane. ‘Dan kun je beter buiten op het terras gaan zitten, dan zie je hem aankomen,’ lacht Achnaya even. ‘Daar heb je gelijk in. Straks denkt hij nog dat ik er niet ben,’ glimlacht Sorane en haast zich naar buiten. De loop van Verin wapen volgt haar, maar nog steeds aarzelt hij. Ze handen trillen van de spanning. Hij ademt een paar maal in en uit, voor hij weer door het vizier kijkt. Hij merkt dat zijn vriendin aan een tafeltje langs de zijkant plaats genomen heeft. Achnaya brengt haar juist een frisdrank. ‘Dank je,’ knikt Sorane haar toe en neemt het glas van de tafel op. Ongeduldig wacht ze op Verin, want ze wil hem zien voor hij weer vertrekt. Ze weet echter niet dat hij een wapen op haar gericht houdt en innerlijk een zware twee strijd uitvoert. Maar zijn beslissing was al gevallen op het moment dat hij Axin en haar kind dode. Langzaam kromt hij zijn vinger om de trekker. Als hij vuurt, beseft hij dat zijn handen te hard trillen. Sorane wordt door de kogel achteruitgeworpen en stort neer op de grond. Even is hij opgelucht. ‘Ik heb haar,’ denkt hij, maar dan ziet hij haar opzij rollen en vloekt even. Sorane kijkt even naar het bloed op haar hand en beseft dat ze beschoten wordt. Ze voelt een hevige pijn in haar hals als ze haar linkerarm beweegt. Op dat moment begint de schutter opnieuw op haar te schieten. Verin vuurt en vuurt in de hoop om haar alsnog dodelijk te raken, maar zijn kogels slaan in het muurtje waarachter Sorane ligt. Ze dringen er echter niet doorheen. Toch blijft hij vuren tot de lader leeg is. ‘Verdomme,’ vloekt hij. Zijn verstand is intussen opgeklaard en hij grijpt in zijn tas naar een lader waarin pantser doorborende kogels steken. Sorane heeft intussen naar de wonde aan haar hals getast en beseft dat ze veel geluk gehad heeft. De kogel is vlak boven de linkerschouder door het vlees gegaan. Het is pijnlijk en bloed licht, maar is niet gevaarlijk. Er zelfs geen been geraakt. Snel grijpt ze in haar zak en spuit even op beide kanten van de wonde. Langzaam worden beide wonden afgedekt door een beschermende afdichting. Even ziet ze de vrouw in de deuropening verschijnen. ‘Sorane, Wat??? Je bent gewond,’ ‘Verberg je, Achnaya. Er zijn een of meerdere schutters.’ De vrouw schrikt en maakt zich uit de voeten. Dan begint de schutter weer te schieten. Ze schrikt als de eerste kogel zich doorheen het muurtje boort. Hij raakt even haar linkerdijbeen en boort zich dan in de vloer. Ze kreunt even van de pijn terwijl ze beseft dat ze hier niet veilig meer is. Een gedachte is genoeg om haar getraind lichaam te laten reageren. Ze rolt om en springt recht. Een kogel boort zich opnieuw door het muurtje. Voor de schutter zijn wapen van richting kan veranderen, is de roodharige al met een soepele sprong over het muurtje gesprongen. Ze vuurt tweemaal naar het dak. Verin hoort de inslagen zo dicht, dat ze hem verrassen. ‘Dat was dichtbij. Ze is zeer goed, misschien zelfs beter dan ik. Maar vandaag is haar laatste.’ Even lacht hij, maar dan staat hij op en richt zijn wapen naar beneden. Even ziet hij Sorane nergens, maar plots merkt hij haar op achter een wagen aan de overkant. Een grijnst ontsiert zijn knap gezicht, vlak voor hij het vuur opent. Twee kogels slaan grote gaten in de wagen, maar Sorane sprong al op als ze de eerste lichtflits opmerkte weg. Weer vuurt ze in de richting van de schoten. Terwijl ze zigzaggend de straat overrent, ziet ze plots de schutter staat in de weerspiegeling van een venster van het gebouw achter haar. ‘Een fatale fout, killer. Nu weet ik waar je bent,’ denkt ze. Haar wapen vuurt bliksemsnel het ene schot na het andere op de gedaante af. De eerste kogel doet hem ineenkrimpen, maar hij laat zich dadelijk vallen en ontkomt zo aan de twee volgenden. Zijn wapen valt op de vloer, terwijl hij naar zijn linkerborst grijpt. Verin beseft dat zijn linkerkant zo goed als verlamd is. Het bloed vloeit uit de wonde in zijn borst. Ook op zijn rug voelt hij bloed vloeien. ‘Ze heeft me goed geraakt, die heks. Ik moet hier weg,’ fluistert hij, terwijl zijn ogen glinsteren van haat en bewondering. Maar hij wankelt hevig als hij een stap naar voor wil doen. ‘Ik haal het niet meer. Mislukt, Verdomme, lieveling, jij bent goed, ik had het moeten beseffen,’ denkt hij, terwijl hij steun zoekt tegen de muur. Intussen wijken de mensen opzij als Sorane het flatgebouw met getrokken wapen binnenstormt. Ze opent het vuur op het bedieningspaneel van de twee liften, zodat ze niet meer gebruikt kunnen worden. Even later rent ze de deur door die toegang geeft tot de trappen. Verin vloekt hevig, want er stroomt bloed uit de wonde langs beide zijden. De kogel is dicht bij zijn hart door zijn linkerlong gegaan. Hij proeft zijn bloed in zijn mond. ‘Gelukkig weet ze niet dat ik het ben,’ denkt hij en bukt zich, met een van pijn vertrokken gezicht, om zijn speciale tas te openen. Intussen is de agente de inkomhall van het appartement binnengeslopen en beweegt voorzichtig met getrokken wapen naar de andere kamers. Er is echter niemand te zien. Er is geen geluid te horen, tot Verin iets uit de tas neemt, maar hierdoor beweegt ze, wat een licht geluid veroorzaakt. Dat geluid op de vloer wijst de agente de richting aan waarin Verin zich moet bevinden. De badkamer. Op haar hoede haast ze zich naar de openstaande deur toe en kijkt naar binnen. Verin probeert met enige moeite zijn wonde te verzorgen en spuit er helend verband op. De achterzijde lukt hem maar niet. De agente merkt echter niet dat ze een schaduw op de vloer werpt, omdat de zon doorheen het venster op haar rug schijnt. Voor de jongeman is dit echter voldoende. Hij laat de verbandspuit vallen en grijpt naar zijn wapen. De agente schrikt als ze de reactie van de man opmerkt. Zij reageert echter iets te traag en hoort twee kogels zich in de deur wand boren en een derde vliegt rakelings voorbij het gezicht van de agente. Ze laat zich echter dadelijk naar voor vallen en richt haar wapen. Verin wordt gehinderd door zijn wonde en reageert iets te laat. Hij wankelt even als de kogel van de agente door zijn rechteronderarm slaat. Verbaast staart hij haar aan, voor hij in elkaar zakt. ‘Jij, w…wie?’ fluistert hij zwak. ‘Ik ben een agente, Verin, maar ik kwam te laat,’ zegt ze. ‘Vraag Sorane om miii…jjjj t…e vvvergevvvvvvvv,’ fluistert hij nog. Dan gaat er een schok door het lichaam van de jongeman. De agente buigt zich over de gewonde, maar beseft dat hij dood is, als ze zijn levenloze ogen naar haar ziet kijken. Verbaasd staart ze naar de tweede wonde van de jongeman. Die zit op de plaats van zijn hart. Daarom was hij zo traag. ‘Zou Sorane hem van daar beneden recht door het hart geschoten hebben. Is dat een toevalstreffer of is ze echt zo goed?’ denkt de agente verbaasd. Dan richt ze zich op en kijkt door het raam. Ze ziet verschillende mensen in dekking op de stenen liggen. Ze wuift even met haar hand om te laten blijken dat er geen gevaar meer is. Aarzelend ziet ze de mensen uit hun dekking komen. Maar Sorane ziet ze nergens. ‘Moordenares,’ zegt een stem plots achter haar. Langzaam draait de agente zich om en kijkt in de van de haat gloeiende ogen van Sorane. Dan pas merkt ze het wapen met geluidsdemper op, dat de roodharige in de hand houdt. Even staren ze elkaar aan. ‘Ik ben een agente, Sorane Nador.’ ‘Weet je wie ik ben?’ ‘Dat weet elke agente, roodkop. En ik denk als je de kans krijgt, ze je nog veel beter zullen kennen.’ Sorane kijkt de jonge vrouw verbaasd aan. Dan kijkt de roodharige naar de dode en merkt zijn voor zich uitstarende ogen op. ‘Verin, Is hij dood?’ schrikt ze. ‘Het spijt me, Sorane. Jouw kogel doorboorde zijn borst vlak bij zijn hart. Ik zag het pas toen ik zijn wapen uit zijn hand schoot.’ Maar Sorane hoort het niet. Ze vraagt: ‘Waarom schoot jij op mij daarbeneden?’ Even weet de agente niet wat te zeggen. Dan beseft ze dat haar vermoeden klopte. Want Sorane bloed aan haar hals en haar linker broekspijp is ook vol bloed. Ze weet ook dat Sorane het vermoorde koppel en hun kindje geholpen heeft. ‘Ik had dus toch gelijk, Zijn volgend doelwit was Sorane,’ denkt ze. ‘Dat heb je mis, Sorane Nador. Ik kwam te laat. Je vriendje schoot naar iemand vanuit het venster.’ ‘Verdomme. Jij wilt hem laten opdraaien voor jou daden, vrouw. Dat lukt bij mij niet. Verin moet je verrast hebben, toen…’ ‘Nee, Sorane. Hij is de moordenaar van Nevon, Axin en hun baby. En jij was zijn vierde doelwit, denk ik. Kijk maar je hebt hem geraakt.’ Sorane krijgt een schok en kijkt naar de dode, van wie ze houdt. ‘Zijn Nevon en Axin dood? Dat kan niet waar zijn.’ Even valt haar blik op zijn bloedende rechterhand en dan op de rode vlek op zijn borst. Ze zag de gedaante naar links wegtrekken, toen ze die raakte. Maar ze kan of wil het niet geloven. ‘Het kan niet waar zijn, hij hield van mij. Die agente liegt.’ Dan hoort ze plots de politiesirenes die naderen. De agente schrikt als ze de ogen van Sorane weer op zich gericht ziet. ‘Ze komen te laat, vervloekte, Je makkers komen te laat,’ roept Sorane uit en vuurt tweemaal. Dan rent ze naar buiten. Op de trap hoort ze geluiden van beneden en haast zich naar boven. Maar enkele agenten open het vuur. Sorane voelt een klap tegen haar linkerdij en beseft dat ze nogmaals geraakt is. Maar ze kan nog lopen en haast zich verder. Als de eerste agenten de kamer binnenstappen, staat de agente nog steeds roerloos tegen de wand naast de dode Verin. Beide kogels hebben zich links en rechts van de agente in de wand geboord. Verbaasd kijken de agenten haar aan. ‘Ha, Erine. Je hebt er eentje te pakken.’ De agente komt uit haar verstarring los. Ze kan bijna niet geloven dat Sorane haar tweemaal miste. Toch is het zo. Dan wenkt ze haar blik naar de man in uniform. ‘Ja, maar te laat, Bin. Hij heeft er drie vermoord, voor ik kon voorkomen dat hij een vierde slachtoffer maakte,’ zegt ze met trillende stem. ‘Was hij het die Nevon en zijn gezinnetje doodde.’ ‘Ja, Bin. Ik denk het. Toen ik aankwam bij de villa, reed hij juist weg.’ ‘Ben je zeker dat hij het was, Agent Rand?’ ‘Ik heb het hem niet zien doen, maar ik achtervolgde hem tot hier. Sorane was zijn volgende doelwit. Maar hij miste haar meerdere keren.’ ‘Het moet een harde klap zijn, voor Sorane, die met hem samenleefde.’ ‘Alleen denkt zij dat ik op haar schoot.’ ‘Dan moet je oppassen, want als onze gegevens juist zijn heeft ze bijna haar opleiding voltooid,’ zegt Bin met ernstige stem. ‘Bedoel je die roodharige, ook die maakt het niet lang meer. Op de trap botste zij op een paar collega’s en loste een paar schoten. Onze mensen schoten terug en raakten haar. Ze kon echter wankelend ontsnappen,’ zegt een andere agent, die juist binnenkomt. ‘Zij heeft met deze moordenaar niets te maken, Aran.’ ‘Wat?? Ben je zeker, Erine.’ ‘Ja, zoals ik al zei, was ze zijn volgende doelwit.’ ‘Wat speelt zich hier toch af?’ ‘Misschien dat Sorane een antwoordt heeft. Maar dan moeten we haar levend in handen krijgen,’ zegt Erine ernstig. Intussen is Sorane wankelend een kamer binnen geraakt en verbergt zich. Zo goed ze kan verzorgt ze de hevig bloedende wonde in haar zij. De kogel zit er nog in. Opnieuw moet ze haar lessen in de praktijk brengen en met veel moeite en kreunend van de pijn slaagt ze erin de kogel te verwijderen. Dan plakt ze een helende pleister over de wonde. Een tweede pleister brengt ze aan over de wonde aan haar dij, want die is toch iets erger dan ze dacht. Als ze aan die agente denkt, voelt ze de haat weer. ‘Verdomme, waarom miste ik haar? Het lijkt wel alsof ik haar niet wilde raken,’ denkt ze. Ze had haar wapen toch recht op de borst van de agente gericht. Ze kan het niet bevatten, maar toch miste ze zelfs tweemaal. Even schudt ze haar hoofd en fluistert: ‘De volgende maal zal ik niet meer missen. Ze is al dood, al weet ze het nog niet.’ Op de gangen hoort ze stemmen en er naderen steeds meer. Als ze aan de deur aanbellen van de flat waar Sorane zich verbergt, richt ze haar wapen op de deur. Maar gelukkig komt niemand naar binnen. Ze heeft nog een kans al is het een kleine. Ze beseft wel als ze haar nergens vinden ze misschien wel terug zullen komen. Vanachter het gordijn kijkt ze naar de straat beneden en merkt de vele politiewagens, die deze wijk afgezet hebben, op. Langzaam staat ze recht en maakt enkele oefeningen. De eerste seconden, gaat het moeizaam met haar drie wonden, maar het gaat steeds beter. Nu begint ze gevechtsoefeningen uit te voeren om haar zij en been en het verband te testen. Ze merkt wel dat haar zij meer pijn doet dan haar been. Plots hoort ze opnieuw stemmen en stappen naderen. Snel haast ze zich naar de keuken, terwijl ze haar jasje aantrekt. Hier opent ze een luchtkoker en kruipt erin. Een minuut of twee nadat ze de koker dicht getrokken heeft wordt de buitendeur geopend en gewapende agenten betreden de flat. Ze zien dadelijk dat Sorane hier geweest is. Maar hoe hard ze ook zoeken, ze vinden geen enkel spoor van haar. Als Erine Rand, de agente, binnen komt, kijkt zij ook nauwlettend rond. In de keuken heeft ze een vreemd gevoel. Plots kijkt ze naar de toegang tot de luchtkoker. Ze weet dadelijk dat dat de vluchtweg was van Sorane Nador, maar ze zegt niets. ‘Als ze het pad verderzet dat ze tot nu gevolgd heeft zal iemand ooit haar verdiende straf moeten geven,’ denkt de agente. Sorane kruipt intussen verder en verder door de buizen. Tot ze een verdieping hoger een uitgang ziet. Even later staat ze in een ander appartement en kijkt op haar hoede om zich heen. Met getrokken wapen haast ze zich naar de buitendeur en opent deze voorzichtig. Ze kijkt spiedend naar buiten. ‘Ik moet hier weg om mij voor te bereiden van mijn doel, Diegenen die mijn vrienden vermoorden zullen boeten voor hun daden.’ denkt ze. Door de gang rent ze naar de trap toe en haast zich naar boven. Een paar minuten later bereikt ze het dak van de het gebouw. Als ze de rand bereikt kijkt ze naar beneden en merkt verschillende politiewagens op die wegrijden. Anderen blijven waar ze zijn. Even denkt ze na, voor ze een besluit neemt. Ze wijst naar het flatgebouw aan de overzijde. Uit haar bijna onzichtbare armband schiet een dun touw naar het gebouw aan de andere zijde van de straat. Die avond laat ze zich met haar speciale touw naar een ander gebouw glijden en een paar minuten later verlaat ze licht hinkend de inkomhal van dat flatgebouw. Ze voelt zich niet al te best, haar wonden doen opnieuw pijn. ‘Ik ben te ver van het centrum, misschien. Ja, Achnaya zal mij wel helpen. Maar ze zal nu al wel naar huis zijn,’ denkt ze. Licht wankelend loopt ze door de straten, terwijl ze zich probeert te herinneren waar Achnaya woont. Hier en daar herkent ze winkels en huizen. Zo weet ze dat ze min of meer in de juiste richting gaat. Ze is echter niet zo zeker van zichzelf dat ze het zou terugvinden. Plots hoort ze snelle stappen achter zich. Dadelijk trekt Sorane haar wapen en keert zich om. ‘He, wat??? Sorane, je bent het toch,’ roept de vrouw schrikkend uit. Sorane verstijfd en beseft dat het Achnaya is die voor haar staat. ‘Het spijt me, maar ik ben nogal gespannen;’ stamelt ze, terwijl ze haar wapen weer in haar holster steekt. ‘B..bbben jjiij gewapend?’ ‘Altijd, Achnaya. Het hoort bij mijn beroep.’ ‘Ben jij wel de Sorane die wij kenden?’ ‘Ik ben nog steeds dezelfde, alleen ben ik door wat er gebeurt nogal zenuwachtig geworden.’ ‘Maar je bent gewond. Heeft die schutter je geraakt.’ ‘Een vleeswonde, Achnaya. Maar zij zal het betreuren als ik de kans krijg.’ De jonge vrouw merkt dadelijk dat haat in de ogen van Sorane op en schrikt even. ‘Wie bedoel je?’ ‘Die agente. Zij heeft Verin gedood?’ ‘Wat is Verin dood? Wat erg voor jou.’ ‘Wil jij me helpen, Achnaya. Ik moet mijn wonden verzorgen.’ Even twijfelt de jonge vrouw, maar dan stapt er op de jonge Sorane toe en ondersteunt haar. Samen strompelen ze naar de wagen van Achnaya. Moeizaam stapt Sorane in en even later rijdt de wagen de straat op. ‘Hoe kwam je daar waar je mij vond, Achnaya? Het was toch ver van je flat?’ ‘Op weg naar huis, zag ik je wankelen. Ik meende dat je hulp nodig had. Daarom volgde ik je.’ ‘Dank je. Ik kan je hulp zeker gebruiken, Ik heb vandaag al veel geluk gehad, maar vroeg of laat, laat het geluk me weleens in de steek.’ Achnaya kijkt even naar het gezicht van de achttienjarige Sorane. ‘Jij bent nog jong, meid. Je hebt een heel leven voor de boeg.’ ‘Nu Verin dood is, heeft mijn leven niet veel zin meer, Achnaya.’ ‘Je moet je herpakken, meid. Het leven heeft nog veel moois te bieden.’ ‘Mogelijk, maar misschien niet voor mij. Als de vrouw en haar opdrachtgevers, die Verin gedood hebben, geboet hebben, dan zie ik wel verder. Maar eerder kan ik aan niets anders meer denken.’ ‘Dat is nog een voornemen, Sorane. Hoe ga jij dat in hemelsnaam doen?’ ‘Je weet niet tot wat ik in staat ben, Achnaya. Nog niet. Ik heb ook nog een zeer duistere kant, die jij nog niet kent.’ Even slikt Achnaya en draait op dat moment de parkeergarage van het flatgebouw in. Door een wirwar van parkeerplaatsen rijdt de jonge vrouw naar haar parkeerplaats en brengt de wagen tot stilstand. Een paar minuten later kijkt Sorane om zich heen in het appartement van Achnaya. ‘Misschien kan je eerst een lekker warme douche nemen, Sorane. Intussen zal ik iets te eten klaarmaken.’ ‘Mag ik?’ ‘Zeker, doe maar.’ Langzaam kleed de roodharige zich uit en maakt het verband om haar been en zijde los. Uit haar jas neemt ze een speciaal spuitbusje, dat ze over de licht bloedende wonden spuit. Hierdoor worden ze afgedicht. Nadat ze het genezende busje weggeborgen heeft, gaat ze naar de douche Onder het stromend water dat over haar naakte huid naar beneden glijdt, denkt Sorane terug aan die dag. Plots staat ze huilend tegen de muur geleund. De tranen rollen over haar wangen naar beneden. Op dat moment komt Achnaya binnen en legt handdoeken neer op de tafel. Volledig gekleed loopt ze dan naar Sorane onder het stromend water toe. Voorzichtig legt ze haar beide armen om de naakte schouder van het huilend meisje en laat haar tegen haar borst uithuilend. Zo staan ze zeker een paar minuten, tot Sorane plots haar hoofd opheft en fluistert: ‘Dank je, het werd me allemaal even te veel.’ ‘Het is niets, liefje. Ga je hiernaast maar afdrogen en verzorg je wonden maar goed. Zeker die aan je zijde, want die ziet er gevaarlijker uit. Nu is het mijn beurt om eens lekker van het water te genieten,’ glimlacht Achnaya. Sorane kijkt even naar haar vriendin. ‘Doe dan wel je kleren even uit,’ spot ze, terwijl ze de deur achter zich sluit. Een uurtje later beiden iets gegeten en zitten in een pyjama naast elkaar in de zetel naar de teevee te kijken. Maar dan wordt de film voor een speciale nieuwsuitzending onderbroken. Op de teevee zien ze de beelden van de moordpartij. Ook het woord “Veri” hoort ze vermelden. ‘Nevon moet Verin bedoeld hebben, maar waarom. Zou die agente de waarheid spreken. Dat kan toch niet waar zijn, ze moet liegen. Verin hielt van mij. Die agente moet de daderes zijn,’ denkt Sorane met een droevige blik. ‘Ben je zeker dat die agente hem vermoord heeft. Volgens het verslag heeft Verin op jou geschoten.’ ‘Dat zijn leugens om haar te beschermen, Achnaya. Verin zou dat nooit doen. Hij moet haar betrapt hebben en werd door haar gedood,’ zegt Sorane sissend. Achnaya kijkt even naar het mooie hoofdje van de roodharige. ‘Ik zal haar maar eerst laten bedaren, misschien zal ze er straks wel anders over denken,’ denkt ze. Maar als Sorane een paar uur later afscheid neemt, beseft Achnaya dat Sorane nog steeds overtuigt van de schuld van die agente. ‘Kom, nog eens op bezoek, Sorane. Je bent hier altijd welkom.’ ‘Dank je, Achnaya. Als ik de kans krijg zal ik zeker op je aanbod ingaan.’ De jonge vrouw kijkt de roodharige met gemengde gevoelens na als deze door de gang naar de lift toeloopt.

Jelsi
0 0
Tip

Over te grote pillen en internet

Jacoba knijpt zacht in het wit plastic medicijndoosje dat ze in haar hand klemt en tuurt door de ronde opening. De pillen zijn veel te groot, dat ziet ze zo. Die krijgt ze nooit doorgeslikt. Ze huivert bij de gedachte dat er eentje in haar keel zou blijven steken. De kans dat de kanker haar binnen een aantal maanden fataal zal worden is reëel, het hoeft nu ook niet per se sneller dan het al zal gaan.Ze schudt een pastille uit het potje en stopt die in haar mond. De pil voelt tussen haar tong en gehemelte nog groter aan dan hij er uitzag. Poging één. Kin naar beneden en met veel water naar binnen, had de dokter gezegd. Jacoba schenkt zichzelf een groot glas in en neemt een serieuze slok. Niet nadenken, gewoon slikken. Als bij wonder lukt het haar om de pil in keer naar binnen te spelen. Ze glimlacht tevreden. Deze eerste horde van de dag heeft ze al met glans genomen. Straks nog naar het ziekenhuis voor een bespreking met dokter Boyens, daarna lunch met ongemakkelijke gesprekken bij haar ouders en vanavond doen alsof er niets aan de hand is bij haar vriendinnen van de oud-scouts. Vandaag wordt een makkie in vergelijking met de eerste chemotherapie die haar volgende week te wachten staat. Jacoba zucht. Ze wordt zenuwachtig bij de gedachte dat niemand haar met zekerheid kan zeggen hoe haar toekomst er uitziet. Niemand kan voorspellen hoe ze op de behandeling zal reageren.Ze gaat aan haar bureau zitten en klapt haar laptop open. Ze twijfelt even, maar surft dan toch naar Google. Tegen beter weten in typt ze ‘bijwerkingen van chemotherapie bij leukemie’ in het zoekvenster. Iedereen weet dat je beter nooit zo’n zaken op internet opzoekt, maar Jacoba kan het toch niet laten. Als ze voorbereid is op het ergste, dan kan het alleen maar meevallen. Misselijkheid, haaruitval, verlies van je vruchtbaarheid. Rillingen lopen over haar rug bij wat ze allemaal leest. Ze heeft altijd getwijfeld of ze kinderen wilde, maar nu de kans bestaat dat ze zelfs de keuze niet meer zou hebben, ontstaat er toch opstandigheid in haar hoofd. Ze klapt de laptop dicht. Genoeg zelfkwelling. Jacoba staat op en gaat aan het raam staan. Vogels zingen een laatste herfstdeuntje alvorens ze naar betere zuiderse oorden vertrekken. Een beter leven tegemoet. Jacoba staart naar hun guitige gele snavels. Misschien gaat zij ook wel een beter leven tegemoet. Misschien bestaat de hemel waar ze vroeger op school over leerde wel en kan ze daar heerlijk hele dagen in de zon liggen en fijne dingen doen waar ze nu nooit tijd voor heeft. Eindelijk genieten van het leven zoals ze dat op deze aarde misschien nooit echt genoeg heeft gedaan. Ze tikt met haar nagels tegen het raam. De vogels in de tuin schrikken en vliegen op.Over de dood heeft ze hiervoor eigenlijk nog nooit nagedacht. Een hemel zou mooi zijn, maar wat als er niets meer was na dit leven. Haar vader zegt altijd dat een mens gewoon een soort chemische reactie van cellen was en dat eens die chemische reacties stopten, je lichaam gewoon een kapot omhulsel was. Misschien is dat wel zo. Jacoba krijgt een vreemd gevoel van spijt. Spijt om de dingen die ze uit angst nooit heeft gedaan. Reizen naar Australië bijvoorbeeld of zeggen tegen Frank hoe graag ze hem zag op het moment dat Nel en Lilo er nog niet waren. Jacoba slentert naar de bank en ploft daar neer. Haar ademhaling wordt zwaar en voor ze het goed en wel beseft barst ze in hevig snikken uit. Heel haar leven heeft ze geprobeerd om iets te betekenen op deze aarde. Ze heeft willen het verschil maken, al was het maar voor één iemand. Ze heeft hard gewerkt en altijd geprobeerd om goed en eerlijk te zijn. Toch lijkt haar grootste angst nu waarheid te worden: ze zal sterven zonder ooit iets te hebben betekent. Ze zal nooit de Nobelprijs hebben gewonnen en ze zal nooit een medaille hebben gekregen. Ze kreeg geen onderscheiding voor bewezen diensten of werd nooit benoemd tot werknemer van de maand. Ze zal nooit iemands grote liefde of vrouw zijn geweest en nooit iemands moeder. Haar leven zal een verwaarloosbare passage in de de geweldige geschiedenis van de mensheid zijn. Jacoba probeert haar tranen tevergeefs te drogen. Ze moet naar het ziekenhuis vetrekken. Langzaam hijst ze zichzelf van de bank en loopt ze naar de badkamer om haar make-up te fatsoeneren. Ze forceert een glimlach in de spiegel om zichzelf bij elkaar te rapen voor vandaag. De hordes van die dag zijn dan misschien niet zo hoog bedenkt ze zich, maar ze nemen wordt door haar ziekte dag na dag toch net iets moeilijker.

Ans DB
0 0

Benito en de poezenblues

Ik maak me zorgen over Maurice. Maurice is een kat, mijn kat, een grote kat, een stevige kat. Een kat die muisjes in de muil neemt om ze vervolgens uit te spuwen.   Ik weet wat Maurice van plan is. Ik weet niet wat Maurice van plan is, maar ik weet wel waar Maurice mee bezig is.   Maurice schuimt het internet af naar toespraken van Benito Mussolini. Dat zie ik in mijn zoekgeschiedenis.   Ik heb Maurice er al op aangesproken. Ik heb hem gezegd: 'Maurice, die man, die Benito... Dat was een zwarthemd. En een vechtjas. Geen man om een geïndustrialiseerde staat te leiden, dus.' Maar Maurice keek me schaapachtig aan en miauwde iets dat ik niet verstond.   Gisteren heeft Maurice artikels gelezen over de vrouwen van Mussolini. Il Duce stond erom bekend een robuust minnaar te zijn, maar welke boodschap heeft een poes daaraan? Wou Maurice me iets duidelijk maken? Dat zijn castratie niet goed gelukt is misschien? Ik vroeg hem dan ook: 'Maurice, wil je me iets duidelijk maken?' Maar hij liep naar zijn kattenbak. Toen vroeg ik: 'Maurice, wie heeft je Italiaans geleerd? Wie, Maurice?' Geen antwoord.   De poezenpsychologe die wekelijks langskomt, weet het ook niet. Ze is mooi, die poezenpsychologe. Ik doe alsof ik van teflon ben. Ze mag ook eens een beetje moeite doen voor me.   Maurice heeft de beelden bekeken van de Mars op Rome. Hij was volledig opgezweept toen ik thuiskwam. Ik heb hem in de hoek gezet. Hij heeft de nacht erop in alle plantenbakken gekakt. Ik weet niet meer wat te doen.   De poezenpsychologe en ik roken een sigaret in bed. Ze is poedelnaakt en dat staat haar goed. Ik zeg: 'Ik maak me zorgen om Maurice. Hij leunt iets te zeer naar rechts.' De poezenpsychologe lacht: 'Ach, Mussolini was de kwaadste nog niet. Hitler, Stalin, Pol Pot... dat waren massamoordenaars. Maar Mussolini? Een fascistisch clowntje. Een voetnoot in de geschiedenis. Laat Maurice maar doen.' 'Jij kan me geruststellen', zeg ik.   De poezenpsychologe schaterlacht en verandert in een tijger.

Michaël Verest
14 0

Eruptie.

Hij.  Zwijgzaam. Stil en onrustig. Stil, onrustig en onopvallend. Volgt de modetrends niet. Een paar neutrale donkere schoenen, een jeansbroek en een trui zoals er nog vijf andere in zijn kast hangen. Een bril die hij tien jaar geleden gekocht heeft en die nog steeds functioneel is. Een krullende bos haar op zijn hoofd waaraan hij nooit aandacht heeft besteed. Het uiterlijk van een professor, maar dan niet van het verstrooide type. Eerder van het type dat goed georganiseerd is en welbespraakt wat het eigen vakgebied betreft. Zwijgzaam echter wat alles buiten het eigen vakgebied betreft. Een vulkaan die op uitbarsten staat.   Zij  Spreekt voor twee. Praatziek en heel aanwezig. Als hij een zin begint, maakt zij die voor hem af. Het gezicht onopgemaakt. Draag neutrale kleren. Heeft wel schoenen met hakken aan.  Waarschijnlijk ter compensatie van haar kleine gestalte. Een kwetterende vogel die theatraal boven op een tak zit. Die niet kan begrijpen dat andere mensen andere voor- en afkeuren hebben dan zijzelf, die het moeilijk heeft met veranderingen, die voldoende heeft aan haar werk en haar gezin. Heeft er geen idee van dat ze naast haar eigen woorden, ook de onuitgesproken onrust van haar man braakt. Een vulkaan die een deksel nodig heeft.   Zo noteerde Emma, een gerespecteerde relatietherapeute, haar bevindingen van het koppel dat voor haar zat in haar notitieschrift. Dit koppel helpen om gewoontepatronen te doorbreken zou een harde noot worden om te kraken, maar ze had al moeilijkere gevallen over de vloer gekregen en had vertrouwen in zichzelf en in het proces dat ze zouden gaan. Toen ze vertrokken waren, schreef ze verder. Ze maakte graag gebruik van beelden in haar beschrijvingen van vastgeroeste patronen en bezat de gave om deze beelden ten gepaste tijde in te zetten in de therapie.   Reden van aanmelding. Hij. De vulkaan die twee weken geleden tot een gigantische uitbarsting was gekomen. De lava die zo lang had liggen smeulen, was met een enorme kracht naar buiten getreden en had meer dan honderd huizen naar de vernieling geholpen. Hij was geschrokken van zichzelf. De uitbarsting duurde welgeteld 10 minuten maar voor hem leek het alsof het een eeuwigheid had geduurd. Na 10 minuten waren schaamte en schuldgevoel hem ter hulp gekomen. Zij hadden het puin opgeruimd en waren op zoek gegaan naar een reusachtig deksel. Toen ze dat gevonden hadden, hadden ze het op de top van de vulkaan geplaatst. Ze drukten het na twee weken nog altijd stevig op zijn plaats en kregen hierbij ook nog de steun van angst, angst voor een nieuwe uitbarsting. Zij. Hevig ontregeld door zijn uitbarsting. Ontdaan door de agressieve klanken die hij had gespoten en de heftige beschuldigingen die uit hem waren gestroomd. Geschrokken van hoe de fundamenten onder haar voeten waren gaan trillen en hoe haar ramen aan diggelen waren geslagen. Ze had zich klein en nietig gevoeld in zijn aanwezigheid, iets wat hij háár verweet. Ze had zich monddood gevoeld, ook een verwijt aan haar adres. Ze was bedolven geweest onder het puin en had nadien nog heftige naschokken gevoeld. Beetje bij beetje had ze zichzelf opgeraapt, was ze opnieuw begonnen met adem te halen. En toen hij voor de vijfde keer sorry had gezegd, dacht ze het hele voorval voor eens en altijd terug op te kunnen bergen. Ze had het graag in een doosje met slot gestopt en het veilig weggeborgen in een kast. Als niet...

Aline S
0 0

Onzichtbaar

Elke keer als ze naar de stad gaat, hoopt ze hen niet tegen te komen. Als ze de aasgieren op haar ziet afkomen, probeert ze weg te duiken of zich onzichtbaar te maken. Eigenlijk is het frappant dat ze tijdens de vergaderingen op haar vorig werk meestal onzichtbaar was terwijl ze door de aasgieren wonderbaarlijk snel wordt opgemerkt en deze roofvogels in haar een ideale prooi zien.   Ze weet ondertussen heel goed waar de bloeddorstigen die geld proberen te ronselen zich ophouden. En als het ook maar even kan, vermijdt ze die plaatsen.  Vandaag echter wil ze in die ene winkel, waar er vaak twee haar staan op te wachten als ze buitenkomt, ondergoed kopen voor haar vierjarige dochter.   Ze speurt in het rond als ze haar sleutel in het fietsslot steekt, is opgelucht niemand met een duidelijk opschrift op zijn borst te bemerken en is van plan zich snel naar binnen te haasten. Doen alsof je gehaast bent, is altijd een goede tactiek. Ze heeft het al vaak gezien: mensen die op hun duizendste gemak aan het winkelen zijn en die dan plots zeer dringend ergens moeten zijn als ze aangesproken worden door een man of vrouw van het goede doel. Wanneer ze zich terug opricht, staat hij al naast haar. Als een schim lijkt hij uit het niets te zijn opgedoken. 'Dag mevrouw, er is mij verteld dat mensen met coole mutsen met veel plezier geld schenken aan het goede doel. Hebt u even tijd voor mij?' Zijn woorden vormen wolkjes in de koude lucht.   Ze aarzelt en maakt aanstalten om verder te gaan. Het is ijzig koud en ze wil eigenlijk gewoon naar binnen. Ergens voelt ze zich ook wel gevleid en zet ze haar hippe muts wat rechter. De niet onaardig uitziende jongeman, op de been voor Oxfam, speelt gretig in op het moment van twijfel. 'Zal ik u even vertellen wat wij allemaal doen en hoe u ons daarbij kan helpen?' vraagt hij met het enthousiasme van iemand die geroutineerd is en die al menig persoon heeft weten te overtuigen.   Ze voelt zich schaakmat gezet. Nu nog zeggen dat ze geen tijd heeft, is ondertussen geen optie meer. 'Ja, heel even dan,' zegt ze snel met een half oog op de winkel en een half oog op hem gericht. 'Wat vindt u ervan, mevrouw, dat er boeren zijn in het Zuiden die meer dan 10 uur per dag werken en dan toch in armoede leven?' 'Dat is niet eerlijk,' antwoordt ze zacht. En ze vindt het ook echt niet eerlijk en zeer onrechtvaardig en het is ook helemaal niet dat het haar niet raakt, maar op dit moment is ze zelf op zoek naar een nieuwe job en moet ze rondkomen van een werkloosheidsuitkering die na een jaar nog amper 300 euro per maand bedraagt omdat ze samenwonend is. In tegenstelling tot wat haar familieleden denken, is dit een extreem laag bedrag voor iemand die op één jaar tijd duizenden sollicitatiebrieven verstuurd heeft, honderd antwoorden heeft gekregen waarvan 80 negatief; voor iemand die 20 gesprekken heeft gevoerd waarvan twee met positieve feedback maar met geschiktere kandidaten. Dus voelt ze zich ongemakkelijk en wenst ze dat ze assertiever kon zijn en hem zou durven onderbreken, maar dat durft ze niet.   'Nee mevrouw, zo zou het inderdaad niet mogen zijn. En daarom zijn wij er, mevrouw. Wij zijn er om dit onrecht uit de wereld te helpen. Zoals u wellicht weet, gaat een product door heel wat verschillende handen voor het in die van u terechtkomt. Wij willen ervoor zorgen dat elke schakel in dat proces, elke persoon die erin betrokken is, een eerlijke kans krijgt en dus ook een eerlijk loon. Zou het niet mooi zijn, mevrouw, indien u, door ons maandelijks een gift te schenken, uw steentje kan bijdragen op weg naar een betere wereld?' 'Euh ja, inderdaad. Ik zal er eens over nadenken', zegt ze dan. Op het moment dat ze zich wil omdraaien, houdt hij het formulier dat ingevuld moet worden onder haar neus. 'Nu inschrijven, bespaart u heel wat administratieve rompslomp, mevrouw. U kunt uw bijdrage op elk moment stopzetten en uw gift is bovendien fiscaal aftrekbaar. Waarom zou u nog twijfelen, mevrouw met de coole muts, de luisterbereidheid en de mooie ogen?' probeert hij nu het onderste uit de kan te halen. Ze wil zo graag geliefd zijn. Ze is het laatste jaar zo vaak afgewezen geweest dat ze het niet over haar hart krijgt deze jongeman die het hart op de goede plaats heeft en die opkomt voor mensen in moeilijke situaties zoals zijzelf, de rug toe te keren. Voor ze het goed en wel beseft, heeft ze het formulier ingevuld, met een week gevoel in haar maag, dat wel. En hij bedankt haar met zijn jeugdig enthousiasme. Hij neemt haar hand vast en kijkt haar in de ogen. 'U maakt zoveel mensen gelukkig door dit te doen, mevrouw', zegt hij. 'U zal het zich niet beklagen.' En weg is hij, op zoek naar een nieuwe prooi.    In de winkel gaan haar gedachten alle kanten op. Ze overtuigt zichzelf ervan dat ze dit gedaan heeft omdat ze nu eenmaal in een betere wereld wil wonen. Ze probeert zichzelf ervan te overtuigen dat er nog mensen zijn die én aan Oxfam én aan Amnesty én aan Artsen zonder grenzen, geld doneren. Ze maakt zich sterk dat het telkens om een zeer minieme bijdrage gaat en dat het beter is aan elke organisatie iets te geven dan veel aan één enkele. Ze weet alleen nog niet zo goed hoe ze dit nu straks thuis aan haar man zal moeten uitleggen. Misschien kan ze er wel voor zorgen dat hij het niet te weten komt. Tenslotte is zij degene die de geldzaken beheert.   Ze besluit alvast wel om vandaag geen geld meer te geven aan bedelaars. Onderweg naar de stad heeft ze immers al 2 euro in totaal uitgegeven aan bedelende daklozen: een halve euro aan de man die een been miste en toch hoopvol leek, 1 euro aan de vrouw met de meest gepijnigde blik in haar ogen die ze ooit had gezien, en nog een halve euro aan drie sjofel geklede straatmuzikanten waarvan er twee een paar tanden misten. Ze durfde al deze mensen nooit lang aan te kijken, als schaamde ze zich in hun plaats. Met het hoofd naar beneden, ineengedoken, wierp ze snel en behendig het muntstuk in hun hoed of kommetje zonder hun eventuele blijk van dankbaarheid af te wachten.   Maar haar besluit voor vandaag staat vast: haar geldbuidel gaat na deze aankoop voor haar dochter definitief dicht, hoe behoeftig iemand ook naar haar mag kijken. De aasgieren buiten vormen nu geen bedreiging meer. Eens ze jou als prooi gehad hebben, laten ze je gerust en gaan ze cirkelen rond andere bereidwilligen. Ze is dan wel werkloos, maar ze doet vrijwilligerswerk, doneert aan goede doelen en geeft geld aan bedelaars. Jammer dat niemand haar daar ooit eens een pluim voor geeft, dat dat geen kwaliteit is die gewaardeerd wordt in haar zoektocht naar werk. Jammer dat niemand voor haar doet wat zij voor anderen doet. Jammer dat ze onzichtbaar is.

Aline S
0 0

De boot en de woestijn

  Ik heb een botenwinkel geopend in het midden van de Sahara. De passerende nomaden zijn geïnteresseerd in mijn handelswaar, maar vragen er zich het nut van af.   'Het nut? Het nut? Die mooie vrouwen van jullie, zijn die nuttig?' piep ik. Daar hebben ze geen antwoord op, maar ze bieden me er wel één aan. Eén die ik graag in ontvangst neem.   Mijn gloednieuwe vrouw is een harde werkster. Ze heeft marketing gestudeerd aan de universiteit van Caïro. Ze promoot mijn boten via Facebook.   Steeds meer woestijnnomaden vinden hun weg naar mijn winkel, maar hebben geen geld om mijn boten te kopen, hoewel ze me op het hart drukken dat het de mooiste boten zijn die ze ooit gezien hebben.   Mijn vrouw fluistert me in dat ik boten moet ruilen tegen kamelen. Ze fluistert naakt, zoals altijd. Ik luister gekleed. Binnen de kortste keren zijn al mijn boten uitverkocht en heb ik veel, maar dan ook zeer veel kamelen.   Ik vraag mijn vrouw wat een kameel zoal eet. En vooral: waar we dat eten op de kop kunnen tikken. En nog meer vooral: hoeveel me dat zal kosten.   Mijn vrouw heeft geen antwoord op mijn prangende vragen. Ik verlaat haar op een kameel en laat dat dier de etalage van mijn vroegere botenwinkel uit schoppen. Ik weet niet of mijn vrouw één traan gelaten heeft.   We zijn nu enkele weken later en we bereiken de kust. Blijkbaar kunnen kamelen lang zonder eten en drinken. Ik niet, dus ik ben stervende. Ik jaag mijn kameel de zee in, met mezelf nog steeds geklemd tussen zijn twee bulten. Kamelen zijn slechte zwemmers. En ik heb geen kracht meer. Een boot vol nomaden passeert. Zie ik daar mijn vrouw? Of is het een fata morgana? Is zij een fata morgana? Was dat haar naam?   Mijn kameel en ik zinken naar de bodem. De wereld ligt open.

Michaël Verest
0 0

You know what I mean

I wish I could write you a lovesong To show you the way I feel   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   _________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________   Seems you don’t like to listen   http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
12 0

Kampvuur en avondrood

De laatste avond aan het kampvuur op scoutskamp was altijd de leukste. Leen porde me aan: ‘Wie vind jij de knapste?’‘Ward,’ loog ik. Ik had daar eigenlijk nog niet over nagedacht, maar dan zou ik er vast en zeker niet bijhoren. Ik was niet zo met jongens bezig in die tijd. Of neen, ik vertel het verkeerd: ik was niet zo serieus bezig met jongens in die tijd. Ik was zeventien en op dat vlak nogal een laatbloeier.‘Oké Ward!’ zei Leen enthousiast ‘Ga er dan maar snel bij staan, want Ina is hem al aan het inpakken.’Ik trok mijn schouders op. ‘Jaja, straks.’‘Ha hier, Leen en Fran.’ Ik keek opzij, recht in de ogen van een blonde jongen. Ik had hem vaagweg wel eens zien rondhangen op het kampterrein bij de andere jongens, maar had nooit echt aandacht aan hem geschonken.‘Ha Bram!’ zei Leen met een hoog stemmetje, zoals alleen jonge meisjes dat kunnen. ‘Ben je aan het genieten van de laatste avond?’‘Ik heb biertjes meegenomen,’ negeerde Bram Leen en hij duwde de flesjes in onze handen.‘Dank je’, zei ik en keek hem arrogant aan. Wie dacht hij wel dat hij was, ik kon mijn bier best wel zelf halen. Bram grijnsde, alsof hij mijn gedachten kon lezen. ‘Ik heb je vorige week gezien,’ zei hij geheimzinnig.‘Oh ja, waar dan?’ vroeg ik.‘In de supermarkt vorige vrijdag, met je moeder.’Verrek, dacht ik, dat klopt. ‘Oh, ja dat kan,’ zei ik en probeerde daarbij zo nonchalant mogelijk te klinken.Leen, die had opgemerkt dat ze overbodig werd in deze scène, zei fijntjes ‘Ik ga dan maar eens daar staan,’ en verdween. ‘Drink van je biertje, straks is het lauw. Niets viezer dan lauw bier,’ zei Bram en wees naar het flesje in mijn hand.Ik nam snel een slok. Bram leunde op zijn linker been en trok zijn ogen tot spleetjes. ‘Ik heb je niet veel gezien dit kamp, heb je het naar je zin gehad?’Ik knikte: ‘Ja hoor, het was heel plezant. Jammer wel van het weer. Veel regen hé?’ zei ik schaapachtig. Typisch, dacht ik, terwijl iedereen vanavond een kampliefje probeert scoren, ben ik over het weer aan het praten.Gelukkig had hij meer zin voor sfeer en romantiek. ‘Je hebt eigenlijk best mooie ogen,’ zei hij.Ik kuchte ongemakkelijk. ‘Vreemd toch dat ik jou niet heb gezien in het warenhuis dan.’‘Ja,’ zei hij schalks. ‘Ik stond nochtans niet zo ver van je vandaan en keek duidelijk in je richting.’Oh jeetje, mijn maag trok samen. Hij glimlachte geruststellend. Er zat een fonkeling in zijn ogen, zo eentje die je niet zo heel vaak in je leven in jongensogen tegenkomt.‘Rook je?’ vroeg hij plots.‘Soms,’ zei ik stoer.Hij greep mijn arm en trok me mee, weg van het kampvuur. Aan de slaaptenten bleven we staan. Hij bood me aan sigaret aan. Onwennig stak ik het ding aan en nam een trek. Er viel een stilte, tot we werden opgeschrikt door gegiechel uit een tent.‘Kijken?’ fluisterde hij.Ik giechelde en knikte hevig. We doofden onze peuken en slopen naar de tent waaruit het geluid kwam. Bram en ik staken onze hoofden naar binnen. Daar zaten Rik en Lena in een innige omhelzing te zoenen. Toen ze ons opmerkte schrokken ze zich rot.‘Oprotten, jullie storen!’ bulderde Rik, terwijl Lena zenuwachtig begon te lachen. Rik gooide vervolgens een kussen naar onze hoofden, die we tijdig konden ontwijken door gierend van het lachen weg te rennen.‘Eindelijk,’ hijgde ik toen we weer bij het kampvuur aankwamen. ‘Lena loopt al maanden gek van Rik. De volle maan heeft de vonk dan toch doen overspringen.’‘Het gevolg van kampvuur en avondrood.’ grijnsde Bram. ‘Ach ja, Rik, knappe jongen en super charmant met meisjes. Wie loopt er niet gek van?’‘Ik niet hoor,’ zei ik.‘Oh neen en van wie loop jij dan gek?’ vroeg hij. Hij zette een stap dichter naar me toe. Ik schrok. Zo dicht had ik me nog niet vaak gevoeld bij iemand, figuurlijk dan. Ik had heus wel al eens met een jongen gekust, maar nog nooit had iemand uit zichzelf zo veel interesse in mij getoond.‘Ik moet naar de toilet,’ flapte ik er uit.‘Oh, dan moet je gaan,’ antwoordde hij. De teleurstelling was van zijn gezicht af te lezen.‘Ja sorry,’ stamelde ik, draaide me om en rende weg.In de toiletten moest ik even op adem komen. Daarna raapte ik al mijn moed bij elkaar en liep terug naar het kampvuur. Bram stond niet meer op de plek van daarnet. Ik plofte neer naast Leen.‘Was het plezant met Bram?’ gniffelde ze.Ik zuchtte. ‘Er is niks speciaals gebeurd hoor.’‘Jammer,’ zei Leen en sloeg haar arm half plagend, half troostend om me heen.‘Ach ja,’ mompelde ik. Op dat moment zag ik Bram aan de overkant van het vuur, in een donkere hoek, zitten. Hij was met een paar andere jongens aan het grappen. Hij leek zich te amuseren. Misschien vond hij het dan toch niet zo erg dat ik was weggelopen. De avond liep ten einde. Onze leiders spoorden ons aan naar onze tenten te gaan en een laatste keer in onze klamme slaapzakken te kruipen. Rik en Lena, die ons ondertussen weer aan het kampvuur hadden vervoegd, gaven elkaar een laatste kus voor deze avond. Ina die knus tegen Ward aanlag, zette zich met veel tegenzin recht. Leen was het druk tegen mij aan het uitleggen, maar wat ze zei, hoorde ik niet. Ik tuurde in het donker, in de hoop nog een laatste glimp van Bram op te vangen. Helaas, hij was nergens meer te zien. Ik draaide me om en liep richting Ina, Lena en de andere scoutsmeisjes.‘Wat een avond,’ zei Ina.‘Ja, wat een avond,’ lachte Leen. ‘Lena, heeft eindelijk met Rik gekust. Wie had dat nog durven dromen,’ zei ze terwijl ze Lena een vette knipoog gaf.‘Ik ben zo gelukkig,’ glimlachte die gelukzalig.‘Het is al goed,’ zei Leen, ‘kom we gaan slapen. Hoe sneller we slapen, hoe sneller je weer bij hem kan zijn.’De meisjes maakten aanstalten om richting tenten te lopen. Ik treuzelde.‘Komaan Fran,’ zei Leen en trok aan mijn mouw.Teleurgesteld draaide ik me nog een laatste keer om naar het kampvuur. Niks. Alleen maar een uitdovend vuur en opkomende ochtendmist. Zo jammer, dacht ik.Ineens schoot er een schim uit de duisternis naar me toe. Het was Bram. Hij liep recht op me af en kuste me vol op de mond. Ik stond als aan de grond genageld.‘Dat was ik nog vergeten,’ zei hij.Ik keek naar hem zoals ook ik dat daarna niet zo heel vaak meer naar een jongen zou doen.‘Tot morgen?’ vroeg hij.‘Tot morgen,’ fluisterde ik.Tevreden draaide hij zich om en liep richting jongenstenten.Leen, die het hele tafereel had zien gebeuren, stond met open mond naar mij te kijken.‘Dat was pas echte liefde,’ zei ze en begon te lachen.‘Neen Leen,’ zei ik ‘dat was gewoon kampvuur en avondrood.’

Ans DB
0 0

Oen, Doos, Trijs

Oen, Doos, Trijs, dat vond hij geschikte namen voor zijn 3 katten, hij vond dat grappig. Dat kat nummer 1 daardoor met vreselijke naam door het leven ging, dat was maar bijzaak. Ik mocht die beesten vanaf de 1ste seconde niet. Ik had in heel mijn leven nog nooit katten gehad en in mijn naaste omgeving waren er ook geen katten. Anders had ik geweten dat ik een serieuze kattenallergie heb. Alles erop en eraan; snotneus, hoofdpijn, niezen. Maar de katten kwamen er gratis en voor niets bij, bij mijn droomman. Over hem kan ik uren zwijmelen, een fotomodel maar met een ruw kantje. Overal waar ik met hem kwam, keken de vrouwen naar ons om. Een man om te houden. Dat hij uit een rijke familie kwam, maakte het geheel helemaal af.   Ik had het na een paar bezoeken bij hem thuis door dat mijn non-stop lopende neus niet kwam van een hardnekkige verkoudheid maar van zijn katten. Het was alsof die beesten het roken. Vooral Doos vond mij prachtig. Overal waar ik ging zitten, was meneer daar ook. Als de katten me mochten, kon er absoluut aan mij niets mis zijn, dat dacht hij toch. Ik liet maar achterwege dat ik absoluut geen dierenvriend ben. Dieren horen thuis in een zoo of als pelsje op mijn jas, dat is mijn mening. Maar als hij mij dan aankeek met die prachtige grijze ogen van hem, dan kwam voor mijn part de hele Ark van Noa hier wonen, het was maar bijzaak.   Na 3 maanden daten, stelde hij voor om bij hem te komen wonen. Ik was in de wolken! Ik had me via het internet voor een prikje 10 dozen anti-allergiepillen gekocht, die ik ergens achter in een kast verstopte. Mijn geheimpje. Na 3 weken die pillen te nemen, begonnen de bijwerkingen zich te manifesteren. Ik kreeg onverklaarbare hoofdpijnen, duizelig, moe en toch niet kunnen slapen. Na de bijsluiter te lezen, wist ik het zeker, ik was allergisch aan mijn anti-allergiepillen. Typisch iets voor mij. Hem maakte ik wijs dat ik leed aan de ziekte van Lyme. Ik veinsde dan ook allerlei tripjes naar de dokter terwijl ik eigenlijk bij een vriendin me zat te beklagen over de katten.   Na 2 maanden samen te wonen, begon ik de eerste scheuren in onze relatie te voelen. Ik was steeds ziek en mijn libido was naar een dieptepunt gezakt. Hij voelde het aan alsof ik hem al beu was. Er moest iets gedaan worden, die katten gingen mijn relatie met de knapste vent ter wereld niet verknallen. Het was geen kwestie van ik of de katten, het was ik en niets anders. Helaas vreesde ik dat hij de katten zou verkiezen dus er zat maar 1 ding op. Oen, Doos, Trijs zouden moeten verdwijnen.   Oen Alle drie de katten zomaar laten verdwijnen zou opvallen. Dus ik besloot te beginnen bij Oen. Eentje kon wel verdwijnen, dus op een mooie zomeravond, toen ik alleen thuis was, stak ik Oen in een doos met wat gaatjes, want ik ben geen onmens, zetten hem in de auto en reed naar een asiel 30 kilometer verderop. Daar zette ik hem aan de deur. Voila Oen was weg, nog twee te gaan.   De volgende dag vond hij het maar vreemd dat Oen er niet was, Oen was de kat die meestal binnen was, niets voor hem om een nacht weg te blijven. Ik stelde hem gerust, Oen zou wel terugkomen. Diezelfde avond werd hij opgebeld en hij keek opgelucht. Hij had die verdomde beesten gechipt! De volgende dag was Oen daar terug, hij keek me aan zoals alleen katten dat kunnen, hooghartig. Hij stak nog net niet zijn middelklauw naar mij op.   Ik zou dit anders moeten aanpakken.   Doos Ik liet Oen maar even voor wat hij was en concentreerde ik me op Doos. Ik had ooit eens gelezen dat katten en rattenvergif niet samen gaan. Omdat Doos de jager was van de 3 en dus de grootste kans had een vergiftigde rat te vangen, besloot ik hem een handje te helpen. Maar hoe? Het was mijn vent die me de oplossing zo aanbood. 2 weken nadat Oen terug was, zag ik hem stukjes paté nemen en er pilletjes in doen. Hij legde me uit dat hij zo de katten hun pilletjes kon geven. Zij vonden paté zo lekker dat ze het in 1 keer opaten.   De volgende dag stond ik bij de beenhouwer en kocht een groot stuk paté. Dan nam ik de doos rattenvergif uit de berging, die hadden we thuis staan tegen de ratten in de schuur. Ik verdeelde het rattenvergif over kleine stukjes paté en voederde ze zo aan Doos. Het zou een nare dood worden en ergens voelde ik me wel schuldig. Dus ik nam Doos op en legde hem achteraan in de schuur zodat ik zijn doodsstrijd niet zou moeten zien.   Doos kwam niet meer terug en tegen dat hij hem terugvond was Doos helemaal verstijfd en zaten de maden hem al in de ogen. Het beest stonk vreselijk. De dierenarts bevestigde dat het rattenvergif was, allicht een reeds vergiftigde rat opgegeten. De dierenarts zei tegen hem dat dit niet verstandig was geweest, ratten vergiftigen, wetende dat Doos graag ratten at. Hij barstte in tranen uit, het was zijn fout dat Doos dood was. Ik bood hem een troostende schouder aan zoals een goede vriendin dit doet. Nog 2 te gaan.   Trijs De dood van Doos had onze relatie doen opleven. Ik verzorgde en troostte hem en dat resulteerde in geweldige seks. Ik had nu even de tijd om te bedenken wat ik met Trijs zou doen. Ik nam mezelf een maandje te wachten vooraleer ik met haar zou afrekenen. Maar na een maand had ik nog geen goede oplossing gevonden, ik gaf het een beetje op. En toen deed de gelegenheid zich zo prachtig voor. Het was een regenachtig avond en het werd reeds vroeg donker, ik reed het straat in en ik zag een hoopje op de baan liggen. Normaal let ik daar niet op maar ik zag het nog bewegen. Ik stapte uit en zag Trijs liggen, duidelijk aangereden. Haar pootje lag in een rare bocht, ik vermoedde dat het nog maar net gebeurd was. Ik stapte in de auto en reed over haar heen terwijl ik luid de radio opzetten en hard meezong en danste, zo voelde ik de bult niet waar ik overheen reed.   Een half uur later kwam hij thuis, met Trijs in zijn armen. Die avond vroeg hij me ten huwelijk. Nog eentje te gaan.   En Oen Daar bleef Oen over. Oen was zijn eerste kat, zoals de naam wel deed vermoeden en dus ook de oudste. 5 maanden nadat ik hem had afgezet aan de asiel, begon Oen ziek te worden. Ik had daar niets mee te maken. Oen was 18 jaar oud en wit, naar het schijnt krijgen witte katten vaak huidkanker. Ik moest niet veel doen, een operatie was mogelijk maar het was niet zeker of hij de narcose zou overleven. Het kostte me even wat overredingskracht maar ik kreeg hem zover om Oen rustig te laten inslapen en te besparen van een lijdensweg. Hij bedankte me voor de gouden raad en vond dat ik gelijk had. Ik ben geen onmens.   De trouw Een jaar nadat ik bij hem was ingetrokken, trouwden we. Het was perfect! Hij zeurde af en toe voor een kat maar omdat ik “ineens” niet meer ziek was en ik me “ineens” deftig liet testen, bekende ik hem dat al die verkoudheden en Lyme-symptomen aan de katten lagen. Omdat hij me had zien treuren om zijn 3 katten en zich bovendien zo schuldig voelde dat ik al die tijd zo ziek was, beloofde hij dat hij geen kat meer in huis ging nemen. En zo trouwden we als het perfecte koppel. Iedereen mocht zien hoe mooi we bij elkaar pasten. Het werd een groot en opzichtig feest, precies zoals ik het wou. Toen de wijn begon te werken en ik voor de 5de keer op rij naar het toilet ging, hoorde ik zijn moeder zachtjes praten tegen zijn zus. “Ik vertrouw dat mens niet”, hoorde ik haar zeggen. “Ze loopt er altijd bij alsof ze een modeshow gaat lopen, zo een jongen is hij niet, hij is zo down to earth. En die trouwerij, zo opzichtig, hij zei vroeger dat hij een trouw zag als een reuze barbecue met vrienden en familie en moet je nu zien! Ik heb het altijd gedacht maar volgens mij blijft ze bij hem vanwege zijn geld. En dan met zijn katten, hij zag die beesten zo graag, zij komt daar wonen en de katten gaan één voor één dood”! “Nou mams overdrijf je nu niet een beetje?” “Dat zou je denken hé! Maar weet je wat hij net kwam zeggen? Ze had helemaal de ziekte van Lyme niet! Ze bleek een allergie te hebben voor katten!” “Denk je dat zij er voor iets tussen zit?” “Het zou me niets verbazen, ik moet haar niet.”   Ik vroeg me af of er goede anti-allergie pillen bestaan tegen schoonmoeders, anders zou ik een andere oplossing moeten zoeken.

Dana's plakboek
0 0