Zoeken

JED

Tergend langzaam dooft het rode lampje en wordt de kamer pikdonker. Het is voorbij. Hij is weg. Ik sta op en zoek de lichtschakelaar naast de keukendeur. Een vaal geel peertje floept aan boven de stapel vuile borden in de wasbak. Els zit met vochtige ogen voor zich uit te staren. Ze kan het niet geloven. Ik eigenlijk ook niet. Ik zucht en zet een ketel op het vuur. De nacht is zwart. Over enkele uren begint het te schemeren. Ik ga bedremmeld naar haar toe en plaats wat onhandig mijn hand op haar schokkende schouder. Ze huivert. Ik vind het oprecht verschrikkelijk, zeker voor haar. ‘Hypocriet,’ sist ze, ‘nu tevreden?’ Ze staat op met een ruk en stuift de keuken uit. Ik blijf. De hoop ijzer op het aanrecht recht voor me staart me grijnzend aan. Hij beweegt niet meer. Voorgoed gedaan. De rode ogen definitief gesloten. Jed, onze allerliefste huis- tuin- en keukenrobot  heeft zijn laatste digitale adem geblazen.  De ketel begint te fluiten. Ik glimlach en zet een kopje thee.  Ik voel me vreemd genoeg opgelucht, na twee bizarre jaren vol achterdocht. In het begin was het wel leuk. Een hobbyprojectje. Iets waar Els en ik samen aan konden werken. Na zeven jaar huwelijk en onze gedwongen verhuis naar deze achterhoek waar we niemand kenden, stapelden de ergernissen zich op. We leefden op elkaars lip en maakten overal ruzie. Tot ik die handleiding vond. We bouwden hem samen. En we hadden er lol in. Het gaf ons een gezamenlijk doel, opnieuw. Een mooie bliksemafleider voor de sleur. We lachten, knutselden, sleutelden en soldeerden, maanden aan een stuk. Langzaam kreeg Jed vorm. Een metalen mannetje, onze ijzeren vriend. Het was Els haar idee om hem een naam te geven. Ze koos Jed. Dat had ze in één of ander magazine gelezen en vond ze wel passen voor een robot. Belachelijke naam. Ik kijk door het raam en drink van mijn kopje. Ik hoor Els boven met de deur slaan. Ik haal mijn schouders op. Buiten wordt het al een beetje licht. Of beeld ik me dat in? Jed was plezierig. Zeker de eerste weken. De dag dat zijn ogen voor het eerst oplichtten en hij zijn hoofd naar ons draaide was, hoe zal ik het zeggen, magisch. We waren verbijsterd en liepen over van trots. Toen kwam een krakerig ‘Goedendag’ uit zijn mond, een oude speaker van een klokradio. We sprongen een gat in de lucht. We vierden die avond uitgelaten de geboorte van onze nieuwe vriend. Els, ik, flessen champagne en Jed, die ons goedkeurend aanschouwde vanaf de keukentafel. Ik kuste Els die avond zoals ik al een lange tijd niet meer had gedaan en ook een lange tijd niet meer zou doen. Die eerste dagen leerde Jed razendsnel bij. We amuseerden ons te pletter. We gingen van eenvoudige woord- en zoekboekjes voor kleuters over naar jeugdboeken en algauw kleppers als Kafka, Tolstoj en Claus. Hij verslond televisie, vooral reality-tv programma’s. En hij was handig. Jed nam alle vervelende taken in huis voor zijn rekening. Was, plas en gras. Die lekkende kraan werd na vier maand eindelijk gerepareerd. Een fluitje van een cent voor onze metalen huisgenoot. Die kadertjes die al een half jaar smeken om aan de muur te hangen. Zo gefikst. Wat een kerel zeg. Els in haar nopjes, wat had je gedacht. Ik zet mijn lege kopje op het aanrecht en kijk hem aan. Die razendsnelle metalen beentjes hangen er nu wat lullig bij. Naast hem ligt mijn Engelse sleutel. Enkele draadjes pulken uit het verwrongen metaal aan de zijkant van zijn hoofd. Ik neem de sleutel vast en weeg hem in mijn hand. Waar had ik mijn werkbak nu weer gelaten? Nu, na enkele weken begon die hele robot mij wel al wat te vervelen. Ik vond nieuw werk in de suikerfabriek aan de andere kant van de stad en had lange werkdagen. Wanneer ik thuiskwam wou ik vooral een fris pintje en met de voetjes op de salontafel voetbal kijken. Geen gezeik. Het interesseerde me niet welke hilarische avonturen Els en Jed die dag beleefd hadden of wat voor geniale prestatie die ijzerhoop nu weer gedaan had. Gewoon mijn bier brengen en niet te veel praatjes. Mijn kop liep zo al om.   Ik loop naar de kelder. Mijn werkbak staat op het rek. Ik leg de Engelse sleutel weg en hijs me loom de keldertrap op. Eerst een klein dutje doen en dan onze vriend naar het containerpark brengen.  Ik loop de keuken in met een glimlach. Jed zit me levenloos op te wachten. Ik moet lachen. Els werd kribbiger tegen me. Die blikken trommel was blijkbaar veel interessanter. Ze keek me soms aan met een blik vol afkeuring en walging. Ze kon niet wachten tot ik naar mijn werk vertrok. Telkens ik de kamer binnenkwam stopte het gesprek. Jed en Els keken dan wat verveeld weg, mompelden een excuus en gingen weg. Mij kon het niet schelen. Ik haalde mijn schouders op en probeerde mijn irritatie te negeren. Ik trok een blikje open en ging zitten sudderen in mijn zetel. Ik voelde me het vijfde wiel aan de wagen, of beter het derde aan de fiets. Ik was vervangen. Overbodig gemaakt door boutjes en draadjes. Een machine met praatjes maakte nu het mooie weer bij mij thuis. Ik stond er bij en werd hooguit geduld. Voorlopig toch. Els en Jed begonnen me steeds meer te mijden. Ze staken hun ontgoocheling niet weg als ik onverwachts thuiskwam. Soms gingen ze hele weekend op stap, god weet waarnaar toe. Mijn aanwezigheid werkte op hun zenuwen. Jed fluisterde dan iets in mijn vrouw haar oor waarna ze giechelend naar mij keek. Dan schudde ze haar hoofd en nam ze Jed mee naar de andere kamer. Ik voelde me niet meer op mijn gemak. Toen ik twee weken geleden de keuken inliep stond Jed net een groot vleesmes te slijpen. Een karweitje waar ik me nooit aan gewaagd heb. Ik bleef staan en wou me net omdraaien. Hij keek me recht aan en wees met de punt van het mes in mijn richting. Hij zei niets. Misschien is het mijn verbeelding maar na enkele gespannen seconden zag ik een grijns op zijn metalen smoelwerk komen. Ik staarde hem bevroren aan. Jed liet het mes weer zakken en sleep luchtig verder. Ik liep de keuken uit met een bonzend hart.   Na twee zenuwslopende weken had ik gisteren eindelijk de moed gevonden. Ik had de hele avond in de garage gewerkt aan mijn motor. Daar liet ik die eikel niet aan prutsen. Vol olie en met een zware Engelse sleutel nog in de hand kwam ik de keuken binnengewandeld om een pilsje te nemen. Het olijke duo zat schaterlachend bij kaarslicht monopolie te spelen. Els was duidelijk teut. Naast haar glas stond een halflege fles rode wijn. Op het aanrecht stond nog een lege fles. Jed zat met zijn rug naar mij. Hij nam zelf de moeite niet om zich om te draaien, maar praatte gewoon verder met Els. Die proestte het uit bij elk woord van hem. De arrogante klootzak. Ik had er genoeg van. Ik zwaaide de sleutel de lucht in en ramde hem los op zijn blikken kop. Hij viel voorover op de tafel. De kaars rolde op de grond en doofde. Zijn twee rode ogen gaven de kamer een sinistere gloed. Langzaam werd de keuken pikdonker. Ik kon weer ademen. Ik was het kopje af en zet het opnieuw in de kast. Ik loop langs Jed en knip het licht uit. Ik blijf staan aan de keukendeur. In het ochtendschemer zit een rode gloed. Ik durf me niet omdraaien maar voel de ogen van Jed op mijn rug branden.  

Bernard Govaert
0 0

Tijd voor iets nieuws

Het is eens tijd voor iets nieuws, denkt ge in uzelf. Ge hebt de laatste tijd nogal wat zitten lezen en peinzen, en door al dat gelees en dat gepeins hebt ge zin gekregen zelf ook eens iets neer te zetten op papier. Toegegeven, het is niet de eerste keer dat die gedachte in u is opgekomen, maar nu gaat ge het anders aanpakken… Ten eerste hebt ge beslist weg te doen met het schoon nederlands, en en passant met nog een hoop andere conventies, gelijk het hoofdlettergebruik voor eigennamen en wat nog allemaal. En al snel valt er u iets op, wanneer ge beslist hebt om het anders aan te pakken: het strubbelt niet meer tegen, integendeel de woorden vloeien uit uw vingers en staan daar zwart op wit op het digitale blad gelijk ze daarnet nog in uw hoofd zaten. Maar ze staan daar niet alleen in het zwart en in het wit, nee, er is nog wat rood mee gemoeid ook. Rood: want uw tekstverwerker is meer een tekst-tégenwerker in uw geval, en hij onderlijnt braafjes al uw naar-zijn-mening fout geschreven woorden in het rood. Tiens, denkt ge, weg ermee! want elke zichzelf respecterende kunstenaar weet toch van de dichterlijke vrijheid die heilig is. Als schrijver moogt ge al eens een woord verkeerd schrijven, vindt ge, want als de schrijvers het al niet meer mogen, wie dan wel? Maar ge vraagt uzelf meteen daarbij af of ge uzelf tot de zichzelf respecterende schrijvers durft te rekenen, aangezien ge nog nooit een echt werk van substantiële waarde hebt voortgebracht. En om toch een antwoord te krijgen op uw prangende vraag wendt ge u tot uw vrouw leonie, die niet alleen een scherpe blik heeft en een eerlijke mening, maar ook nog eens toevallig naast u in de zetel zit en dus praktisch gezien de meest geschikte persoon is om uw vraag snel te beantwoorden. Leonie, vraagt ge haar, wat denkt gij daar zoal van? En ze zegt dat ze, om die vraag deftig te kunnen beantwoorden, eerst eens wil lezen wat ge allemaal opschrijft, waarmede ze nogmaals het bewijs levert over een eerlijke mening te beschikken. Ge glimlacht tevreden, omdat ge beseft hoe graag ge haar ziet, en ge geeft haar het computerke waarop ge uw verhaal aan het neertypen zijt. In stilte laat ge haar lezen. Het is plezant om bezig te zien hoe ze daar naast u in de zetel zit te lezen, met haar vrolijk dotje en haar schoon blauwe ogen die een beetje blinken in het licht van uw computerschermke. Ge ziet hoe haar ogen haastig over en weer gaan, zo van links naar rechts van boven naar onder, en met dat ge haar zo observeert zegt ze ineens: stop nu eens efkens met verder te schrijven, want zo kan ik niet lezen! En ge fronst uw wenkbrauwen ostentatief en kijkt mee op het scherm. Zowaar ziet ge het nu ook: de woorden verschijnen als vanzelf op het lege blad, terwijl al lang niemand meer typt. En ge zegt tot haar: maar wacht eens efkens, laat mij ook eens kijken?, want ge zijt toch benieuwd hoe zo’n dialoog er dan uitziet, zo zonder conventies en wat nog allemaal. En leonie geeft u uw computerke terug en ze denkt verder na over uw vraag, terwijl gij uw dialogen leest en in uw bescheiden baard krabt. Uiteindelijk zal ze de stilte verbreken, maar het eerste dat ze zal zeggen tegen u, na al haar gedenk, is een vraag en geen antwoord, zoals ge wel had verwacht. Waarom schrijft ge daar eigenlijk dat ik uw vrouw ben? vraagt ze. Wij zijn toch niet getrouwd? En ge zegt: jamaar, al wat in de boeken staat is toch niet waar, of wel soms? En daarbij, dat is toch al lang niet meer in de mode, trouwen! Op dat punt moet ze u wel gelijk geven, en ze lacht en zegt dat ze het wel plezierig vindt om ook eens een rol te krijgen in uw nieuw boek. En nu lacht ge zelf ook: mijn nieuw boek? Maar nee, verduidelijkt ge, ik schrijf gewoon mijn gedachten neer in een nieuwe vorm! Ge beslist om dat woord ‘vorm’ in cursief te zetten om speciaal te doen. Om van een boek te kunnen spreken moet er toch minstens een plot zijn, of niet soms, vraagt ge verder, en personages en conflict en wat nog meer? Ze knikt van ja, dat is waar… zoals in dat één boek waarover ge onlangs sprak, met die broers karenina en hun ambetante vader! En ge vergeeft haar dat ze niet alles kan weten, want al bij al zit ze toch behoorlijk dicht in de buurt van de waarheid met haar opmerking. Ge peinst na, diep na, over uw eigen schrijfsels in de nieuwe vorm en over de eigenschappen van de moderne roman, en leonie merkt op dat ge in diepe overpeinzingen zit en ze zegt tegen u: waarom kunt ge het zelf niet gaan opzoeken, dat conflict en die personages, en als het echt moet nog een plot? Opnieuw krabt ge in uw baard en buiten laten de kale takken van de bomen met veel plezier de eerste lentezon door, en in de verte ligt het dorp waar de mensen misschien al zonder jas op het terras van café de vierarmen zitten om hun eerste pint te ledigen. En daarmee ge geeft uw vrouw een kus en gaat ge naar buiten, op zoek naar uw personages en misschien een beetje conflict. Want tenslotte hebt ge toch daarnet in uzelf gedacht dat het eens tijd was voor iets nieuws?

arnomaetens
0 0
Tip

Wat ik nog wil vergeten

'Haar stemmetje’, schrijf ik. Mijn pen hangt even besluiteloos boven het blad, duikt naar het papier en neemt snelheid. ‘Hoe Fenne alle toonaarden aankon, behalve die van normaal praten.’ Ik bijt op de dop van mijn pen en hoor haar stem. ‘Niet bijten, schat. Dat was een dure pen.’ Even voel ik een kleine glimlach. Ik schrijf verder. ‘Mijn lief en hoe ze haar voeten altijd op mijn schoot legde. Zonder woorden wist ik dat ik het stukje onder de grote teen van haar linkervoet moest masseren. Het puntje van Joppes tong. Altijd een stukje uit zijn mond als hij met zijn nintendo speelde.’   Ik kijk naar de oplijsting. Het zijn slechts fracties van wie ze zijn. Kleine snippers die ik in de kom van mijn hart bewaar, maar het is een begin.   De stilte in de kamer weegt. Ik zou de radio kunnen aanzetten. Of de televisie een eind weg laten kwetteren. De ruimte in de kamer schuift om me heen. Als een trui die ooit als gegoten zat, maar nu een paar maten te groot om me heen lubbert. Misschien moet ik de meubels verzetten en een andere kleur op de muur gooien. Maar het voelt nutteloos. Elke verandering, is er eentje die ik gemaakt heb. Nooit staat de radio plots op een zender die ik niet kan uitstaan. Wanneer spoog de televisie nog de hysterische klanken van kindertelevisie?  Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst op zoek was naar mijn boek of jas. Onvindbaar opgeruimd door een huisgenoot. Alles ligt altijd net daar waar ik het achterliet. Nooit rommelt nog iemand ongevraagd met mijn spullen.   Er was een tijd dat ik deze stilte wenste. Niet zo lang geleden smeekte ik om wat rust om mijn eigen hoofd weer te kunnen horen. Een leeg blad papier en de tijd om dit te vullen. Maar stilte strookte niet met ons vier. Er was geen bubbel om me in terug te trekken. Altijd was het papa hier of lief daar. Een zoekgeraakte knuffel, een akkefietje tussen zus en broer om niets, een losgeraakte dakgoot en tijd om samen in de zetel te zitten. Het leven denderde aan een razend tempo over ons heen. Ik denderde mee, met een groot gemis onder mijn arm. Ik wou de tijd om te schrijven. Geen gestolen kwartier op de trein of een half uurtje in de vroege ochtend wanneer de kindertelevisie mijn kroost entertainde. Gewoon zoveel tijd als ik wou op het moment dat ik voelde dat de woorden er klaar voor waren.   Wees voorzichtig met wat je wenst. Dat heb ik ondertussen geleerd. Het leven maakt wrede kronkels. In één klap veranderde ons huis van een drukke vogelkooi in een lege schoenendoos. Ik ben de enige die hier nog ronddwaalt.   Ik had hen en wou tijd. Nu heb ik tijd en wil ik enkel nog hen.   Ik heb wat ik wil. Er is geen weg terug. De tijd, de woorden en de verhalen. Ze zijn er in overvloed. Maar in mijn hoofd is het nog steeds niet stil. Fenne, Joppe, mijn Lief. Ze dansen voor mijn ogen. Voor altijd onbereikbaar. Ze bestaan slechts zo lang ik ze adem geef op de pagina’s. Ik schrijf ze zo goed mogelijk neer. Ik roep ze opnieuw tot leven op witte pagina’s, strooi rijkelijk letters over hun uit. Ik boetseer ze met letters en woorden. Ik vang elk sprankeltje van hen dat nog ronddwaalt in zinnen en pin ze vast op het papier.     Mijn pen hangt boven de eerste regel van het blad. Bovenaan schrijf ik:  ‘wat ik (n)ooit wil vergeten’.

KiM
37 3

Dood van de haan

                                        We moeten aanvaarden dat de mensen die we liefhebben  ons niet liefhebben zoals we hopen.  We moeten verraad en ontrouw aanvaarden,  en het moeilijkst van al, dat iemand verfijnder is van karakter en geest dan wijzelf zijn.     (Sándor Márai, Gloed)         I Ze zat in de zomer van 1968 op het terras van het duurste café op het marktplein van Bad Arolsen. Ik wachtte op Rik, die me aan zijn echtgenote zou voorstellen. Geen idee dat het de vrouw twee tafels verder was naar wie ik niet probeerde te staren. Ze dronk haar thee als was het een kunstvorm en als waren de mensen om haar heen haar toeschouwers. Ze was helemaal anders dan de studentes in de Leuvense cafés, van wie ik er sommigen op de wang had gekust en van wie er een paar op mijn schoot waren gaan zitten. Ze was zelfs helemaal anders dan Valerie, het meisje met wie ik had gestudeerd en slechts in hoofse zin had verkeerd.             Ik moest naar haar kijken. Zij keek terug zonder dat ik uit haar blik iets kon opmaken. Naast haar stoel stonden draagtassen van een dure boetiek. Ze rookte lange sigaretten. Haar bewegingen waren traag. Ik bedacht dat ze een aristocrate moest zijn. Net voordat Rik eraan kwam, begroette ze een andere man. Hij kwam het terras op en kuste haar op de wang. Ze fluisterde iets in zijn oor. Zo leerde ik Helene kennen.               Als Helene alleen mooi was geweest, dan had ik mijn beste vriend Rik nooit bedrogen. Helenes aantrekkingskracht school in haar onorthodoxe gedrag. Dat ze onconventioneel was, ontdekte ik op een galadiner van het leger.             We zaten aan een lange tafel die gedekt was met linnen en servies waarop het monogram van onze koning stond. Er werd gepraat over de politiek in België, over het weer en de opera. Het gesprek verliep zo kabbelend dat ik het met sloten wijn door trachtte te komen. In gedachten was ik ver weg, thuis, ik rook de bossen van Heidonk nadat het net geregend had, ik zag de paarse heide voor me die zich als een woestijn tot aan de horizon uitstrekte. Tot haar stem me terugriep. Het gesprek ging over componisten, en dat had een gevoelige snaar bij haar geraakt. Ze had een diepe stem, in onberispelijk Frans, maar zonder haar Duits accent te verhullen, zei ze tegen niemand in het bijzonder:             ‘U, heren, hoort u praten, slaafse volgers van bevelen. Waar is uw eigen mening? Durft u niet? Is er hier niemand die durft te erkennen dat Wagner een genie was? Of heerst hier aan tafel een gebrek aan mening, aan intelligentie? Heeft u feitelijk ooit iets van Wagner gehoord? Spreekt dan, weest moedig!’ Hoewel de monoloog gekunsteld overkwam, alsof hij van buiten geleerd was – en, bedacht ik later, wie weet was dat ook zo – was ik meteen in de ban.             ‘Wagner had geen woorden nodig. Mag ik u opdragen eens naar zijn muziek te luisteren. Op zoek te gaan naar de motieven in Der Ring der Nibelungen. Doe het desnoods heimelijk. Houdt u van een liefdesverhaal? Luistert u dan naar Tristan und Isolde. Baanbrekende opera. Ik hoop dat u dan de moed vindt om te spreken, want ik weet wat u allen denkt: Wagner – antisemiet – Hitler. Zo kortzichtig als u bent.’ Er werd gekucht. Dan gelachen. Een commandant met een snor veegde zijn mond aan zijn witte gesteven servet af. Rik sneed een stuk van zijn chateaubriand, de vork ging langzaam naar zijn mond. De man naast mij fluisterde:             ‘Schitterende actrice, die Hélène. Vind je niet, Philip?’ Het stoorde me dat hij haar naam verkeerd uitsprak. ‘Hélène’, zei hij, op z’n Frans. Toen wendde ze zich tot mij:             ‘Dokter Beauclerck, wat vindt u van Wagner?’ Alle ogen waren op mij gericht. Ik werd rood en nam een slok wijn om tijd te winnen.             ‘Ik ken Wagner niet,’ stamelde ik naar waarheid. Bij ons thuis werden geen Duitse componisten gespeeld.             ‘Ik zal u een paar platen van hem lenen.’ Ze knipoogde schalks, waarna ze de naad van haar lange handschoenen rechttrok. Verloren staarde ik naar de schitterende diadeem in haar kastanjebruine haar.                         Via Rik kreeg ik de volledige cyclus van Der Ring der Nibelungen te leen, maar geen Tristan und Isolde. De avonden na het galadiner luisterde ik uren naar Wagner. Ik begon met Das Rheingold en vervolgens Die Walküre, in een poging vervoerd te raken, zoals ik dacht dat Helene in vervoering raakte.             Hoewel ik daarna meermaals bij Helene en Rik ging eten, peilde ze niet naar mijn indruk. Weten wat ik voelde, leek geen noodzaak voor haar te zijn. Uiteindelijk sneed ik het onderwerp opnieuw aan. Ze legde me uit dat Wagner erin was geslaagd om de dualiteit tussen woord en waarheid te verbeelden. De muziek die de zangers begeleidde, liet een andere waarheid horen dan de woorden uit hun mond. Waarna ze terugkwam op het galadiner:             ‘Toen ik over Wagner begon, zag ik wel hoe gechoqueerd iedereen keek. Dat ik überhaupt, als vrouw én bovendien Duitse, mijn mond opendeed, was voor die, van regels stijf staande, mannetjes al schandelijk genoeg. En dan durfde ik het nog hebben over Wagner, en erger nog, over Hitler. Ik zag de angst in hun ogen. Straks groet ze Heil Hitler!  Der Schein regiert die Welt, und die Gerechtigkeit ist nur auf der Bühne. Niemand reageerde, niet omdat ze hem niet goed vonden, maar omdat niemand van al die mannen die jullie leger leidt, de ballen heeft om zelfstandig te denken. Mein Gott, jullie zou hetzelfde als ons, Duitsers, kunnen overkomen, toch?’ Ze hief haar handen en sloeg haar ogen naar de hemel op in wat een gebaar van ergernis moest voorstellen. Intussen wist ik dat ze toneel had gestudeerd en dat ze, tot ze met Rik trouwde, op de Bühne had gestaan. Viel me daarom opnieuw de dramatische toon op? En de overdreven handgebaren, de tragische blik? Alsof overacting haar wapen was in de strijd voor haar vaderland.             Alsof ze mijn gedachten kon lezen, ging ze na een pauze veel kalmer verder: ‘Ik kan niet zeggen dat ik van Wagner houd. Geef mij maar Sergei Rachmaninov, Toteninsel.’               Grapte ze? Later, nadat ik haar beter had leren kennen, bedacht ik dat ze had willen choqueren. En op de dag van de begrafenis van Rik vreesde ik dat er iets grondig mis met haar was.       II   Het is vrijdag 18 augustus 1989 en ik heb vanochtend Rik begraven. Ik leef meer dan ooit in een onvoltooid verleden. Ik zit aan de keukentafel in mijn huis en heb mezelf een glas Marc de Bourgogne ingeschonken. Voor het eerst vallen mij, net boven de vloer, op de witte plint en de onderkant van de witte deur die naar het terras leidt, een paar bloedspetters op. Boven het aanrecht hangen de messen keurig op hun plaats, van klein naar groot: aardappelmes, broodmes, vleesmes. Hoewel het buiten zomert, is de art-nouveauvilla vochtig en kil. Hier is mijn vader geboren en hier is hij gestorven. Hier ben ik geboren, hier zal ik sterven.             Ik steek een sigaret op. Mijn mond smaakt klef door de twee flessen Bourgogne die ik vannacht soldaat heb gemaakt ter inspiratie voor het in memoriam dat ik voor Rik moest houden. Ik heb hem de eer willen bewijzen die hem toekwam, maar ik voelde me een huichelaar daar vooraan in de halfvolle kerk.               Al bij al was er veel volk komen opdagen voor een man die zich zo weinig onder zijn dorpsgenoten had begeven. De meesten waren ouder dan hij zelf was geworden. Gieren waren het. In vergelijking met hen was ik wellicht zijn beste vriend geweest. Beiden waren we enig kind. Beiden verloren we onze moeder vroeg. Niet alleen buren, maar ook lotgenoten. Totdat ik de verschillen begon te zien. Zijn gelapte broek tegenover mijn nieuwe linnen pantalon. Mijn witte boterhammen tegenover zijn grof brood. Zijn vader die de bladeren in onze tuin bijeenharkte, terwijl mijn vader in zijn Minerva de oprit opreed. Toen het te pijnlijk werd, zijn we onze eigen weg gegaan. Totdat ik tijdens mijn legerdienst onder zijn bevel kwam te staan in Bad Arolsen. Sindsdien was ons lot door één vrouw  verbonden.               Vanochtend in de uitvaart kon ik dit alles onmogelijk vertellen. Noch kon ik het hebben over zijn enige liefde en over zijn dochter. Wat moest ik zeggen? Ik sprak over hem als over een van mijn patiënten, wat hij ook was geweest. Ik vertelde hoe dicht hij als bevelhebber in het leger bij zijn mannen had gestaan. Hoe hij na een auto-ongeval noodzakelijkerwijs het leger moest verlaten. En dat hij altijd even toegewijd was, als militair en later als diplomaat. Dat hij een cruciale rol had gespeeld bij diverse onderhandelingen. Zo bemiddelde hij met succes voor de behouden terugkeer van Belgische toeristen die eind ’79 in Afghanistan vastzaten na de Sovjet-Russische invasie. Totdat leukemie hem dwong om zich ook uit de diplomatie terug te trekken. Vorig jaar, in de lente van 1988, keerde hij terug naar zijn geboortedorp om daar te sterven in zijn ouderlijk huis. Toen hij bedlegerig werd, wou hij niemand meer zien. Te trots. Een rijzige man met een verzorgde snor, meestal in driedelig pak. Een man die nooit stil zat, voor wie het vaderland vóór alles kwam. Misschien met uitzondering van God, op zondag. Hij weigerde elke therapeutische of pijnverlichtende behandeling. Alleen ik mocht hem bezoeken en enkel om een minimum aan zorg te verstrekken. Rik Hendrickx had beslist te sterven en zoals een stervende olifant zich terugtrekt uit de kudde, zo had hij beslist om alleen te sterven. Op zijn uitdrukkelijk verzoek heb ik hem de laatste dagen niet meer opgezocht. Hij was een moedig man.             Vooraan op de eerste rij zat Alice. Ze leek een beetje afwezig, zoals Helene vaak afwezig lijkt.             ‘Ik heb hem nauwelijks gekend, maar als jij dat graag wil, vader, zal ik naar zijn begrafenismis komen.’ Zo gelaten had ze geantwoord. En inderdaad, dat wilde ik. Ook al begreep ze wellicht niet waarom.               Het is stil in huis. Ik weet niet waar Alice is en hoewel het al na de middag is, ligt Helene, alweer, in het bed in de logeerkamer.             Ik zou nu niet meer durven zeggen dat het allemaal pas begon in ’77, met de terugkeer van Rik naar Heidonk. Met de dood van de haan. Voordien al, tijdens onze eerste jaren in Heidonk, had ze donkere periodes. Dan ging er een halve dag voorbij eer ze aangekleed was. Wanneer ik na mijn eerste ronde huisbezoeken thuiskwam om in de agenda op te zoeken wie er ondertussen had gebeld, stond ze nog in haar ochtendjas in de stomende badkamer. Omdat ik zo lang in de ban van haar ben geweest, wilde ik, of kon ik, niet zien dat er iets mis liep met haar.               Ze ligt in het halfduister, opgerold in haar lakens als een dier in zijn hol. Op het nachtkastje vind ik de Illias, de originele Griekse versie. Daarin zit een postkaart van een schilderij van Arnold Böcklin, Die Toteninsel. De twintigjarige Helene zou me gezegd hebben dat hij een groot kunstenaar was. De veertigjarige zegt niets meer. Met een zucht steek ik de kaart weg.  Soms denk ik dat ik degene ben die ziek is, paranoia. Als ik mijn hand op haar schouder leg en ze niet meteen reageert, trek ik haar in een moment van verminderde zelfbeheersing overeind. Eindelijk zit ze op de rand van het bed als een glazen pop, haar lange armen naast haar lichaam, haar hoofd knikkend, haar haren een ragebol, haar ogen hol. Ze zakt in elkaar. Wat voor haar waarheid is of spel, is me nog altijd een raadsel. Ik voel haar pols. Haar hartslag is laag.             ‘Helene!’ Ik schud haar hevig door elkaar. Dan zie ik naast het glas water op het nachtkastje een doos slaapmiddelen staan. Geen idee hoe ernstig het is.               Ik ben een paar keer door rode stoplichten gereden. Op de spoeddienst van het ziekenhuis hebben ze haar maag gespoeld. De spoedarts vertelt me dat hij haar in observatie wil houden. Hij vraagt tweemaal of ik hem heb begrepen en voegt er bezorgd aan toe dat ik er bleek uitzie. Ik ben tweemaal zo oud als hij.             Op de gang kruis ik een zuster. Ze buigt haar hoofd. Ik denk niet uit devotie. Intussen ligt Helene, nog steeds buiten bewustzijn, in de laatste kamer op de gang. Het ruikt er naar ontsmettingsmiddel. Boven het bed hangt een crucifix. God ziet u. Wat als het toch waar zou zijn? Dat we berecht worden na onze dood? Ik voel haar pols, die is weer normaal. Zo blijf ik een uur of twee zitten. Een wolf in schaapskleren.       III   Tijdens mijn legerdienst in Bad Arolsen ging ik gaandeweg vaker bij Helene langs. Vooral wanneer ik wist dat Rik er niet was.             Mijn taak als legerarts was licht. Ik had spreekuren, waardoor ik veel dril- en schietoefeningen kon overslaan. Het kwam wel eens voor dat na mijn spreekuren, de werkdag er voor mij op zat. Terwijl Rik bij de barakken commando’s exerceerde of in zijn bureau zat (hij zat daar graag, hij kon daar heel gewichtig over doen), was ik bij Helene.               Helene kookte en ze kookte goed. Samen met haar heb ik blauwe bessenconfituur ingemaakt. Terwijl ze het fruit door de zeef haalde en met een houten lepel in een grote rode kookpot roerde, vertelde ze me over wat ze gelezen had. Ik deed mijn uiterste best om haar te volgen, maar in werkelijkheid volgde ik nauwgezet een zweetdruppeltje dat tevoorschijn was gekomen onder de blauwgeruite sjaal rond haar hoofd. Het parelde langs haar nek naar beneden. Net voordat het de rand van haar donkerblauwe jurk bereikte, veegde ze het met de binnenkant van haar pols weg. Helene was in hart en ziel trots op haar vaderland en de genieën die het had voortgebracht. Ze had het over Friedrich Nietzsche. Tegelijkertijd probeerde ik zonder morsen de weckpotten met de hete confituur te vullen. Ook deze Duitser was nagenoeg een onbekende voor me. Zijn opvattingen beangstigden me, een leven zonder leven na de dood was nooit bij mij opgekomen. Ze zette me aan om op zoek te gaan naar mijn eigen waarden en moraal. Misschien heb ik die, tot op de dag van vandaag, niet gevonden.                         De zondag daarop gingen we samen naar de mis. Ik moest aan ons gesprek over Nietzsche denken. Helene zat tussen Rik en mij in en even raakten onze benen elkaar. Snel probeerde ik mijn zondige gedachten te verdrijven. Hoe kinderlijk was ik in mijn geloof en hoe naïef in mijn hoop. Na afloop wandelden we samen naar hun huis. Ze haakte haar armen in de mijne en die van Rik.             ‘Philip, ook al bestaat God niet, het christendom heeft veel wijsheid in pacht. Heb je vandaag geluisterd naar wat de priester zei? Wat denk jij, waarom heeft Eva van de appel gegeten?’ Zo was het steeds weer. Helene stelde een vraag waarvan ik me afvroeg waarom ik ze mezelf nooit had gesteld.             ‘Opdat we vrij zouden zijn,’ vervolgde ze. ‘Zonder Eva had de mens nooit de keuze gehad om het leven te leiden dat hij wou. We bepalen zelf wat goed is en wat kwaad. We kunnen onze verantwoordelijkheid niet doorschuiven naar een God.’                         Die zondagmiddag na de lunch, trokken Rik en ik ons terug in het salon. Rik bood me een sigaar aan. Toen ik weigerde, drong hij aan.             ‘Philip, Helene is een verstandige vrouw. De verstandigste die ik ooit heb gekend. Vandaag vertelde ze weer iets wat jou verwonderde. Philip, ik zie wel hoe je naar haar kijkt….’             Ik sputterde tegen, beledigd.             ‘Zwijg. Laat me uitspreken. Je weet toch wat Jezus tegen Petrus zei op het laatste avondmaal? Voorwaar, Ik zeg u, deze nacht, vóór het kraaien van de haan zult gij Mij driemaal verloochenen.’       IV             Het gebeurde kort daarop, op een nazomerdag in september. Rik had een telegram gekregen van de legertop. Hij moest onmiddellijk naar Brussel komen. Helene was me in Riks Volkswagen Kever op komen halen. Toen ik in zijn wagen stapte, wist ik dat ik een grens overtrad en ik voorvoelde dat er daarna geen weg terug zou zijn.             We reden voorbij het Residenzschloss en voorbij het park, langs de velden. Ik wist niet waarheen ze me voerde. Het was tropisch warm. Mijn haren plakten tegen mijn voorhoofd en mijn hemd kleefde tegen mijn borst. We hadden al een tijd geen auto’s meer gekruist. We stopten aan een bos. Daar parkeerde ze de wagen. Ik moest de picknickmand dragen. Het pad ging stijl bergaf. Onze benen werden stoffig van het zand dat bij elke stap omhoog stoof. Helene lachte. Tot ze halt hield, waardoor ik bijna tegen haar opbotste. Ze had vingerhoedskruid gezien. Beneden in de ravijn raasde de rivier. De lucht was lauwwarm. De natuur leek hoogzwanger, in barensnood, maar die dag zou geen onweer haar verlossen.              ‘Het bos is betoverend,’ zei Helene en ze wees naar de vliegenzwammen die groeiden onder een eeuwenoude eik. Zonder haar zou ik er pal voorbij gelopen zijn.             Aan de rivier, vlakbij een verlaten hut, omringd door uitgebloeide rododendrons en varens, haalde Helene de deken uit de picknickmand. Er was sekt en paté en boerenbrood en kersen, bessen, bramen en perziken. Feest. Half liggend en steunend op mijn elleboog volgde  ik haar met mijn blik. Hoe ze een kers in haar mond stopte, aan het steeltje trok, er bedachtzaam op kauwde en tenslotte het pitje uitspuwde. Toen ze doorhad dat ik haar gadesloeg, verschenen er kuiltjes in haar wangen             Ze wou zwemmen, dat wou ik niet. Of misschien wou ik het toch, maar het moment was al voorbij. Dat ze het ook warm had, merkte ik aan haar lome bewegingen en de blos op haar wangen. We zeiden niet veel, mijn hoofd tolde. Ik had zin om haar arm te strelen en haar zachtjes in haar nek te kussen. Zou haar huid naar zout proeven? Zou ze daarna als ik met mijn tong het zout had weggelikt, zo zacht zijn als een perzik? En zo zoet? Hoe zou het zijn om binnen in haar te dringen? In een teug ledigde ik het laatste restje sekt en ging op mijn rug liggen, in gezelschap van de lege fles en de omgevallen glazen. De zon scheen door de kruinen van de bomen en de schittering was als de kristallen in een caleidoscoop. Het was zo mooi. Ik wou voor altijd hier bij haar blijven. Ik wou dat ze op mij ging zitten en zou rijden totdat de lucht roze kleurde en vervolgens diepblauw en dan donkerzwart, tot de zilverwitte sterren verschenen die lichtjaren van ons verwijderd waren.             Bijen zoemden en een vlinder was neergestreken op het laken dat ze had uitgespreid.  Helene had zich op haar zij gerold met hare ene arm rond haar hoofd en was in slaap gevallen. Ik keek een hele tijd naar haar. Ik wou dat er geen verleden was en dat we hier en nu opnieuw konden beginnen. Dat we vrij waren, zoals zij beweerde dat de mens vrij was, dat het leven een spel was. Als ze van me hield, dan zou ik dat ook geloven. Of was ik voor haar gewoon onderdeel van het spel dat het leven voor haar was?             Terwijl ik verder piekerde, draaide ze zich op haar andere zij en keek me met slaapdronken ogen aan. We zeiden nog steeds niets. Een koekoek zong ‘goe-koe’, waarna het doodstil werd. Vanaf dan ging alles snel. Ik weet dat ze plots op me zat, dat ze me met haar handen leidde en dat ze vochtig was en warm en dat me, toen ik klaarkwam, een enorme droefheid overviel.       V   Nadat ik haar pols voor de zoveelste keer heb gecontroleerd, blijf ik hem in mijn hand vasthouden. Een zuster heeft me beleefd gevraagd om naar huis te gaan. Het bezoekuur is al lang voorbij. Mijn vrouw moet rusten.               Thuis is Alice nergens te bekennen. Op het antwoordapparaat is één bericht ingesproken. Irma. Met een zucht neem ik mijn dokterstas en stap op mijn fiets. De oude vrouw woont in de hoofdstraat.             Heidonk is een dorp omringd door bossen en door heide. Er is een onbemand station, met een schattig stationshuis, waar één trein per uur passeert. Zoals in elk dorp in België, en vaak ook elders, staat de kerk in het midden. Er omheen de slager, de bakker, de krantenwinkel. Hoe charmant ook, Helene heeft Heidonk veranderd. Heidonk heeft Helene veranderd. Veroordeeld.                             Nog in de deur betuigt Irma me haar medeleven. En vraagt meteen daarna of ik de conciërgewoning waar Rik woonde, ga verkopen. Het huis is toch nog steeds eigendom van de familie Beauclerck?             Ik word bekeken als een prooi. God, houdt het dan nooit op. Voorzichtig maak ik mijn hand los die ze bij mijn begroeting heeft vastgegrepen.             ‘Rustig, Irma,’ zeg ik, ‘rustig, straks stijgt uw bloeddruk.’ Ik neem mijn stethoscoop en doe de gebruikelijke onderzoeken. Mijn kordaat ‘ssst’ legt haar het zwijgen op.             Hoe ik me tot mijn patiënten verhoud? Zakelijk, en gepast vriendelijk.  Ik denk dat ik die vriendelijkheid goed kan faken. Het is ironisch, maar alleen het voorbije jaar bij Rik kon ik mezelf nog zijn. Misschien kwam dat omdat hij, net zoals ik, een buitenstaander was geworden in het dorp. Voor altijd verbonden met en gescheiden van dezelfde vrouw. Misschien kwam het omdat hij nooit vragen heeft gesteld. Hij was een groot man. Ik heb hem onrecht aangedaan. Meer dan tien jaar geleden heb ik hem uit Heidonk verjaagd omdat ik me bedreigd voelde. Toen hij een jaar geleden terugkeerde, stond ik klaar om zoals een wolf zijn roedel te beschermen. Ik wou geen herhaling van wat er in ’77 was gebeurd. Helene en Alice waren mijn vrouw en mijn dochter. Hij had op hen geen enkele aanspraak meer. Uiteraard had ik geen doodzieke man verwacht.                         Irma schuifelt zenuwachtig heen en weer op haar stoel. Als ik mijn stethoscoop in mijn tas wil steken, grijpt ze opnieuw mijn pols vast.             ‘Dokter, neemt u toch een koekje.’ Hoewel ik er geen zin in heb, neem ik er een aan. De koek smaakt klef, net zoals ik verwachtte. Irma steekt opnieuw van wal:             ‘Naar het schijnt hebt u een mooie speech gegeven in de kerk. Wat hebt u verteld? Het moet niet gemakkelijk voor u geweest zijn.’ Nog moeilijker zijn de valse steunbetuigingen, schiet het door me heen. Ik mompel iets over zijn carrière, maar het kost me moeite om verder te gaan als ik zie hoe gretig Irma kijkt. Normaal kan ik Irma probleemloos aan, maar sinds Riks dood heb ik mezelf slecht in de hand.             Ongeduldig onderbreekt ze me om de vraag te stellen die al de hele tijd op haar lippen brandt en die ik van mijlenver zag aankomen: ‘Linda vertelde me dat uw vrouw niet op de begrafenis was. Hoe gaat het met haar? Voelde ze zich niet goed? Als echtgescheiden vrouw in een kerk… ’ Haar waterige ogen staren me aan, terwijl ze mijn mouw vasthoudt.             ‘Irma, u hebt het recht niet om zo over mijn echtgenote te spreken,’ flap ik eruit en ik word rood van ingehouden woede.             ‘Sorry, dokter, zo heb ik het niet bedoeld, ik heb heel veel respect voor uw vrouw.’ We weten allebei dat ze het niet meent.             ‘En voor u. Het is niet gemakkelijk voor u. En voor uw dochter, het arme kind. Ik hoop dat ze niet naar haar moeder aardt.’ Ze kan het niet laten.             ‘Irma! … Ik maak me een beetje ongerust over uw hart. Ik hoorde een ruis. Ik zou het rustig aan doen, als ik u was, tenslotte bent u de jongste niet meer. U kan overigens ook beter ophouden met zo veel suiker in de koffie. U bent een risicogeval voor ouderdomsdiabetes.’ Het is kinderachtig en ik betwijfel of het effect heeft.             In Irma’s voortuin steek ik een sigaret op en inhaleer met driftige trekken. Terwijl ik naar de uitgebloeide rozen staar, denk ik aan Helene. Wat rest er dat ons nog kan verbinden?       VI   Na mijn spreekuur ga ik in een tuinstoel op het terras zitten. De villa is in verval. De verf van de met bloemen gestileerde ramen is afgebladderd, de tuin is verwilderd als een verlaten Eden. Alice staat naast de magnolia bij de vijver. Twintig is ze al, mijn dochter. Ze draagt nog steeds haar moeders zwart lange jurk die ze voor de begrafenis had aangetrokken. Ze hebben dezelfde lange armen en benen en dat brengt me in de war. Ongrijpbare zielen zijn ze. Waren ze bomen, dan waren het treurwilgen.             Ze heeft me gezien en komt naar me toe. Bij elke beweging van haar nu moet ik denken aan het vrouwenbeeld van La valse van Camille Claudel. De zoom van haar jurk is achteraan losgekomen en stoffig door de aarde van het kerkhof en de bosweg. Zonder iets te zeggen, komt ze naast me staan.             Ik vertel dat ik haar moeder naar het ziekenhuis heb gebracht en dat ze haar even in observatie willen houden. Ze reageert niet. Het verhaal van haar moeder is vaak verteld. Een theatrale persoonlijkheidstoornis, heb ik ooit overwogen. Op andere momenten denk ik dat ze eerder manisch-depressief is. Misschien was het verkeerd haar nooit te laten behandelen. Maar waar ligt de grens tussen ziek en gezond? Grenst genialiteit niet aan krankzinnigheid? Bestempelen we afwijkend gedrag niet al te gemakkelijk als een ziekte?                     Hoewel ik Alice alleen in profiel kan zien, weet ik dat ze heeft gehuild.             ‘Wat denk je, vader, tijd voor een pastis?’ Ze haalt binnen twee glazen met ijsblokjes, een fles water en de pastis. We drinken snel, uit onwennigheid. Ze gaat op de rand van mijn stoel zitten en schenkt de glazen meteen weer vol. Ik neem een trek van mijn sigaret en staar naar de ondergaande zon, die, klaar voor zijn helletocht, tussen de al zwart wordende bossen schijnt. Rik is dood en niets is me nog duidelijk. Ik heb gekregen wat ik altijd wou: zijn vrouw en zijn dochter zonder derde in het spel. Toch voel ik me niet bevrijd.             ‘Zei je iets?’ vraagt ze. Ze neemt een sigaret uit mijn pakje. Terwijl ik haar een vuurtje geef, kijkt ze naar de vijver. In nuchtere toestand zijn we formeel tegen elkaar, als vreemden.             ‘Vader, mag ik je fiets lenen?’             ‘Waar is de jouwe?’ Ze haalt haar schouders op.             ‘Ik denk bij La Luna.’ Het onkruid dat tussen de stenen groeit, is hoog uitgeschoten.             ‘Veel plezier.’ Zonder om te kijken fietst ze weg. Ik schenk nog wat pastis in.                         De zon gaat langzaam onder. Te laat sla ik een horzel dood. Hij heeft me gestoken en er zullen er nog volgen. Ik probeer de stem die me opjut te negeren, zoals ik de horzelbeet probeer te negeren. De gedachte wordt echter zo groot dat ik me uiteindelijk niet meer kan beheersen en toch krab. Dan doet het er niet meer toe. Ik blijf krabben. Tot bloedens toe. Het doet geen deugd. Ik voel me zoals een boulimie-patiënte die urenlang aan de verleiding heeft kunnen weerstaan en zich nu aan suikerwafels en chips te buiten gaat.               Geen idee hoe lang ik heb geslapen. Wanneer ik wakker word, staat er een dunne maansikkel. Er is wat speeksel uit mijn mond gelopen. Een auto rijdt traag voorbij, de koplampen verlichten het bos. Gekraak. Een vogel klapwiekt.             ‘Alice,’ roep ik, ‘Alice!’ De Alice naar wie ik roep, is het achtjarig meisje op de avond van de dood van de haan. Opeens was ze weg. Door de heisa met de haan waren we haar vergeten. Het was donker. Het had hevig geonweerd. Ik was naar buiten gelopen met Rik achter me aan. Ik zag haar het eerst, een witte glimp tussen de bomen. ‘Alice,’ riep ik. Ze maakte geen aanstalten om dichterbij te komen. Een kind dat niet bang is in het donker. Een kind bang voor mij.               Dat het al meer dan tien jaar geleden is, maakt de herinnering niet minder pijnlijk. Opeens voel ik me oud en doodmoe. Sloffend ga ik naar binnen. De sleutel van de terrasdeur draai ik twee keer om. Het licht van het peertje in de badkamer doet pijn aan mijn ogen. Op mijn wangen tekent zich een blauwblonde schaduw stoppels af. Ik probeer mijn haren glad te strijken, maar hier en daar blijft er een weerbarstig. Mijn linkeroog is opgezwollen en bloeddoorlopen. Ik leg mijn bril op het wastablet en krab over mijn onderarm waar de horzel een rode bult heeft achtergelaten. IJskoud water over mijn gezicht. Ik poets mijn tanden langzaam. Het spoelwater kleurt rood. Ik knip het licht uit.             De deur naar de studeerkamer staat open. Ik ga zitten in de roestbruine fauteuil van mijn vader. Verstrooid pak ik het boek vast dat met zijn rug naar boven opengeklapt in de zetel ligt. Het is De Profeet van Khalil Gibran. Op de bladzijde waarop het boek is opengeslagen, is een zin met potlood onderstreept: Uw kinderen zijn uw kinderen niet.             Waarom weet ik niet, maar vannacht wil ik in de logeerkamer slapen, in het bed waar Helene vanmiddag nog lag. Ik sla mijn armen rond haar kussen.       VII   Even weet ik niet waar ik ben. Tijdens de nacht heb ik het hoofdeinde met het voeteinde verwisseld, wat me sinds mijn kinderjaren niet meer is overkomen. De digitale letters van de wekkerradio geven 6u12 aan. Buiten kraait een haan me in één klap wakker. Alice! Ik gooi de lakens van me af en ga naar haar kamer. Haar bed is leeg. Onbeslapen. Ik schiet mijn kleren aan en rijd naar het dorp. De witgekalkte boomstammen langs de steenweg flitsen aan mij voorbij. Als ik het centrum nader, zie ik vanuit mijn ooghoek de neonverlichting van La Luna. Ik vertraag, hoewel ik denk dat ze daar niet is. Ik trek weer op, langs de frituur en de superette, sla linksaf het centrum in. Aan de rechterkant van de weg staat de vrouw met haar aardbeienkraam. Tegen de houten balustrade van De Linde herken ik mijn fiets. Ik stop. Haastig parkeer ik mijn wagen voor het terras van het café. Vanaf de dakgoot hangen gele, rode en blauwe lampjes in een slinger naar beneden.             Er zit nog volk. Door het zonlicht dat dwars door het raam schijnt, zie ik de stofdeeltjes oplichten die in het café hangen. Op de achtergrond speelt een liedje van enkele jaren geleden, Major Tom. Aan de bar staat een onbekende man met zijn rug naar mij gekeerd te betalen. Achter hem zie ik haar zitten. Hij kust haar op de wang. Het diffuse licht valt op haar donkerbruine haren, haar hoofd ondersteunt ze met haar elleboog op de toog. Naast haar ligt haar walkman, de hoofdtelefoon hangt nog rond haar nek. Opnieuw zie ik het. Hoe ze op haar moeder lijkt. Hoe mannen bevangen raken door haar, als darren door hun koningin.             Ik kijk nog om naar de man maar hij is verdwenen. De barjongen droogt tergend traag de glazen af. Het is Serge, de zoon van Melanie, de bazin. Hij heeft een enorme bos zwarte engelenkrullen en ik vertrouw hem voor geen haar. Ik vertrouw Alice voor geen haar. Ik pak haar elleboog vast.             ‘Wat doe jij hier?’ zegt ze verbolgen.             ‘Kom, tijd om naar huis te gaan.’             ‘Vader, ik ben twintig.’ Serge heeft de muziek uitgezet en blijft met zijn handen in de zakken van zijn jeans bij de muziekinstallatie dralen. De enkele mannen in het café draaien zich naar ons. Ik neem haar vestje en help haar overeind. Ze zakt even door haar knieën, laat zich toch gewillig leiden. Al die tijd spreekt niemand. Vanmiddag weet het hele dorp dat dokter Beauclerck zijn dochter uit het café is komen halen. Ik laat Alice half slapend in de auto plaatsnemen. De fiets gaat in de koffer.                 VIII   Ik zal nooit vergeten wanneer het begon, het wantrouwen. In 1977, twaalf jaar geleden, had Rik een zwaar auto-ongeluk in de Alpen. Hij was naar Heidonk teruggekeerd om te herstellen. Dat was althans de uitleg die hij mij gaf. Hij trok zich terug in het huis van zijn inmiddels overleden vader, de conciërgewoning die vroeger bij onze villa hoorde. Ik heb hem toen aangeboden om als arts voor zijn revalidatie te zorgen, ik was het hem verschuldigd. Voorzichtig heb ik Helene gevraagd of ze voor hem wou koken, zijn was wou doen. Ze had geen bezwaar. Maandenlang was hij meer thuis in mijn huis dan ikzelf. Tot mijn verwondering konden Helene en Rik het weer goed met elkaar vinden. Hij had het haar vergeven, dat was duidelijk. Zij toonde zich een toegewijde verzorgster.               Op een dag keerde ik terug van mijn huisbezoeken. Alle drie – Helene, Rik en Alice – zaten aan tafel in het gras. Op tafel de resten van hun middagmaal: een van mijn goede flessen Meursault, afgekloven lamsboutjes, de servetten opgepropt. De haan, die we al een tijd in en rond het huis hielden, pikte kruimels onder de tafel. Rik zat op zijn stoel en trok Helene naar zich toe. Helene lachte. Alice lachte. Niemand zag mij. De zon scheen in mijn ogen. Woede overspoelde me als een tsunami.               Die middag is het me gelukt om mij om te keren en weg te fietsen. Ik bleef maar rijden. Riks grote handen, de handen van een tuinierszoon, stonden op mijn netvlies gebrand. Ik fietste tot aan de rand van de heide en ging daar te voet verder totdat mijn schoenen vol zand zaten, tot aan het meer, waar Rik en ik als kinderen vaak stenen in het water hadden geketst.             Wat God verenigd heeft, kan de mens niet ongedaan maken, flitste als een dwaze mantra door mijn hoofd.       IX   In die tijd dat Rik herstelde van zijn auto-ongeluk, eind jaren ’70, bracht hij op een dag van de markt in het dorp een kuiken mee. Na vijf maanden bleek het om een haan te gaan. Een bijzondere haan, met Indische voorouders. Hij had grijze weelderige pluimen en zijn poten waren bedekt met veren. Rik noemde hem de kleine musketier, ik noemde hem Bonaparte. Iedereen, behalve ik, was dol op de haan. Helene liet hem in de keuken toe, hij kreeg de etensresten van tafel. Ik had er niets aan te zeggen en hoe kinderachtig het ook moge klinken, ik voelde me buitengesloten. Nomen est omen. De haan mat zichzelf Napoleontische prerogatieven aan. Vaak zat hij onder de keukentafel, klaar om mij in mijn benen te pikken. Hij wist dat we geen vrienden waren. Elke keer opnieuw schrok ik me te pletter.               Aan de dood van de haan houd ik enkel flarden van herinnering over. Er was een gigantisch onweer losgebarsten. Ik was kletsnat en slecht gezind thuisgekomen. Mijn maag rammelde en de twee glazen porto die ik bij een patiënt had gedronken, hadden me kloppende hoofdpijn bezorgd. Helene, Rik en Alice zaten aan de keukentafel. Ik had me omgekleed en toen ik in de keuken kwam, ruimde Helene de tafel al af. Ik moest maar alleen zien te eten. Toen zag ik het beest onder tafel en verloor ik de pedalen. In één beweging heb ik het servies van tafel geveegd. Goud omrande borden met roze bloemen, het servies van mijn moeders moeder. De scherven vlogen in het rond, de jus op de borden besmeurde de muren tot tegen het plafond. De zwart-witte tegelvloer was bezaaid met scherven. Met een kracht waarvan ik niet wist dat ik die had, duwde ik de eiken tafel om. Rik was opgesprongen. Helene hield haar hand voor haar mond. Alices gezicht vertrok tot een kramp. De haan klapwiekte. Tegen de muur boven het aanrecht hing het aardappelmes en het broodmes. Het vleesmes, dat nog op het aanrecht lag, griste ik vast. Helene greep mijn arm, maar ik rukte me onmiddellijk los.  ‘Nee!’ schreeuwde ze. De haan fladderde naar de hoek van de keuken waar ik hem bij zijn nek wegplukte. In mijn greep verstarde hij. Het werd rood, dan zwart voor mijn ogen. Geschreeuw. Misschien van mezelf. Geschrokken als ik was van mijn eigen geweld. Achteraf heb ik vaak gedacht dat ik toen en daar een mens had kunnen doden.                         Hoe het daarna precies gelopen is, weet ik niet meer. Alleen dat Alice plots verdwenen was en ik opeens buiten stond. Het goot. Hoewel het pikdonker was, wist ik dat het natte warme vocht op mijn handen bloed was. Een donshaartje was in mijn mond terechtgekomen. Ik liep de bossen in. In mijn kielzog, Rik met een zaklamp. Ik kreeg een tak in mijn gezicht en bezeerde mijn knie, maar ik voelde niets. Tussen de bomen zag ik een witte glimp. Ik riep haar naam, Alice, maar het geluid klonk dof, alsof ik onder water zwom. Toen ze me zag, bleef ze een seconde staan, om dan verder weg het bos in te lopen. Rik ging haar achterna. Zonder zijn stok mankte hij vreselijk. Verdwaasd bleef ik staan. Even later keerde hij terug met Alice. Ze had haar armen om hem heen geslagen, ze wou hem niet loslaten.               Zwijgend liep ik het huis in, pakte de fles Marc de Bourgogne uit de barkast en wankelde de trap op naar de studeerkamer op de bovenverdieping, waar ik in mijn vaders stoel ging zitten. De deur op slot, de gordijnen dicht. Het enige licht kwam van de smalle strook onder de deur. Helene en Rik liepen heen en weer door de gang. Ze spraken met gedempte stemmen. Ik spitste mijn oren, ook al was ik bang voor wat ik zou horen. Weer leek het alsof ik uit mijn eigen leven werd verbannen.               Ik werd gewekt door de deurbel. Door de gordijnen zag ik het grijsblauwe licht, het begin van de dag. Op de bijzettafel stond de fles Marc de Bourgogne of wat daarvan overbleef.             In de gang stond een taxichauffeur. Rik wees de man zijn koffer aan. Hij verontschuldigde zich omdat hij de koffer niet zelf kon dragen en toonde zijn wandelstok. Op dat moment glipte Alice vliegensvlug langs me heen. Ze greep Rik bij zijn middel vast. Teder streelde hij haar lange haar. Dan zag hij mij bovenaan de trap staan. Bij wijze van afscheid nam hij zijn hoed even af en bevrijdde zich vervolgens voorzichtig uit Alices omhelzing. Tot mijn verbazing zei hij warm en zonder verwijt:             ‘Dank voor je gastvrijheid.’    Mijn gedachten kwamen traag, het lukte me niet om een logische zin te vormen, maar Rik had zich al omgedraaid naar Alice. Hij nam zijn hoed opnieuw af en maakte een lichte buiging voor het kleine meisje, waarop ze haar armen opnieuw om hem heen sloeg.             Ik was slechts in staat om de steek in mijn hart te registreren, te beneveld voor emoties of diepere gedachten. Als verdoofd liep ik terug naar de zetel om mijn roes uit te slapen.               Het beeld van de afscheidnemende vader zal ik nooit meer van me af kunnen werpen. Jarenlang was ik jaloers op een man wiens vrouw en kind ik had ontnomen. Een man die uit respect voor zijn vrouw en zijn kind zijn dorp verliet. Enkel nog om te sterven was hij teruggekeerd naar het huis waarin hij geboren was. En wellicht ook om een laatste keer zijn vrouw en dochter terug te zien. Als toeschouwer. Nu hij dood is, blijf ik verweesd achter. Het verlangen om van hem te winnen, is zo groot geweest dat het elke ratio domineerde. Misschien omdat ik vanbinnen altijd heb geweten dat  ik geen winnaar ben.       X   De dag na de dood van de haan was de keuken schoongemaakt. Helene maakte, o gruwel, coq au vin. Ik zei dat ze niet meer van me hield. Ze was een bedriegster. Zo had ik haar leren kennen, zo zou ze blijven. Ze goot de wijn bij de haan, bond de kruiden bij elkaar tot een tuiltje, roerde en zei niets.                         Steeds vaker bleef haar kant van het bed leeg. Dan was ze verhuisd naar de logeerkamer. Soms dronk ik te veel en viel in slaap, buiten op het terras of in de zetel in de studeerkamer en werd daar pas de volgende ochtend weer wakker. Soms zocht ik na een nachtelijk huisbezoek de heide op, om daar een sprankel van de magie terug te vinden die ik als kind zo vaak had gezien.               Op een nacht na een huisbezoek bleef ik hangen bij een circus dat op de weide tegenover De Linde zijn tent had opgeslagen. Het circus had zijn beste tijd gehad. De kleuren van het zeil waren verschoten blauw, rood en geel. Caravans stonden kriskras. Wagons met uitgebluste leeuwen achter tralies. Een oude olifant. Mest. Net toen ik ervan overtuigd was dat ik de enige levende ziel op deze aarde was die niet sliep, zag ik een clown. Ik liep hem achterna, maar hij verdween zoals een goochelaar in een truc. Verloren keek ik om me heen. Bij De Linde brandde licht. In een opwelling stak ik de straat over.             De stoelen stonden omgekeerd op de tafels, de krukken op de toog. Een emmer en dweil leunden tegen een tafel. Ik wilde me omdraaien toen de vrouw van de waard door het kraalgordijn kwam dat de keuken van de zaal scheidde.      Helene zou haar eenmaal smalend Molly noemen. In werkelijkheid heette ze Melanie.             De rest van de nacht ben ik in De Linde gebleven.               Ik heb Melanie vervloekt omdat mijn nieuwe verliefdheid me confronteerde met mijn eigen schuld. Kon ik mezelf nog het slachtoffer noemen? Verliefd op een ander. Het klikte. Een zeldzame verstandhouding. We vertelden alles, stelden vragen zonder gêne. Geen van beiden waren we vrij. Daar lag de grens die we beurtelings aftasten. Een niemandsland waar alleen gesuggereerd kon worden. Daar werden de maskers opgezet en werd het spel van aantrekking en afstoting gespeeld en we speelden het goed. Als de naam van haar man over haar lippen kwam, wist ik niet waar ik stond. Soms leek zij meer te willen. Probeerde ze me telefonisch te bereiken. Vaak nam Helene op. Melanie had dan een smoes kunnen verzinnen. Dat haar zoon Serge ziek was. Dat deed ze niet, ze vroeg gewoon naar mij. Melanie loog nooit, hoogstens verzweeg ze de waarheid. Helene gaf de hoorn door. Melanie vroeg of ik kwam, terwijl Helene naast me stond             ‘Nee,’ zei ik en ik haakte in. Ik ging niet.               Ik ging evenmin als ik zelf opnam. Elke kans die Melanie me heeft geboden, heb ik voorbij laten gaan. Melanie maakte iets bij me wakker dat ik dacht verloren te hebben. En wat ik sindsdien weet, alleen onvervuld blijft het verlangen.       XI   Het is zaterdagavond. Alice is weer uit. Vanavond wacht ik niet. Deze keer vind ik haar in La Luna. Ze danst met haar handen boven haar hoofd in een veel te korte jurk op The Sound of C. De discolichten kleuren haar gezicht en haar lichaam beurtelings blauw, rood, groen om haar dan weer in het donker te zetten. Zwarte krullenbol Serge loopt met twee glazen naar haar toe. In een blauwe flits buigt ze haar hoofd naar hem. Een tel donker. In het rode licht daarna vang ik een glimp van haar op, lachend, haar hoofd tegen zijn schouders, zijn handen op haar heupen. Ik wil hier weg. De klapdeur raakt de man in mijn kielzog Zijn gezicht komt me vaag bekend voor, zoals wel vaker onbekenden me bekend voorkomen.   Ik leun met mijn rug tegen de koele muur van het gebouw en laat me op de grond zakken. Dan zie ik de lege spuitbussen liggen en merk ik dat mijn handen, die ik op de grond heb gezet, besmeurd zijn met zand en verf van de nog natte graffiti aan de muur. Twee jongeren komen de hoek om. Het zijn de graffiti-artiesten met joints in hun mond. Ze schrikken even zoals ik van hen schrik. Ik weet niet waarom ik één arm afwerend voor mijn ogen houd. ‘Dokter Beauclerck, alles oké?’ vraagt de langste van de twee. De andere verbergt snel zijn joint achter zijn arm. Krabbelend probeer ik overeind te komen. De lange pakt me behulpzaam bij mijn onderarm. Ik sla hem van me af en zet het op een lopen.   Ik ben naar de heide gereden. De zon strekt zich in lange rode halen boven het meer uit. Het is eind augustus, de natuur over haar hoogtepunt: minder intens, vermoeider, de eerste tekenen van verdorring. Waarom zag ik nooit eerder de schoonheid van wat vervalt? Prachtig en tragisch, zoals het karakter van een actrice zich pas aftekent op het einde van haar carrière.     XII   Het hek van de villa staat open. Dat heb ik gedaan. De deur van de keuken staat open. Dat heb ik niet gedaan. Ik hol naar binnen. In de keuken staat Helene in een indigokleurige jurk alsof ze nooit is weg geweest. Ze maakt thee. Haar haar is in een dot gedraaid. Haar rug en schouders recht zoals een ballerina. Mijn god, hoe mooi is haar hals. Als ik in haar grijsblauwe ogen kijk, ben ik verstomd, als op de eerste dag.             ‘Hoe komt het dat jij hier bent,’ zeg ik, ‘het ziekenhuis laat toch niemand gaan op zondag?’ Ze kijkt me aan alsof ik een idioot ben. Nog altijd kan ze alles gedaan krijgen.             ‘Er ligt een dode duif op de oprit. Wil je die straks opruimen?’ Zo is het vaak, zij beantwoordt mijn vraag met een andere. En hoewel haar opdracht me niet is ontgaan, zijn ook mijn gedachten elders. ‘Alice heeft een vriendje,’ flap ik eruit, ‘Serge, van De Linde.’ Hoewel mijn borst hevig op en neergaat, merk ik tot mijn opluchting dat het me niet meer raakt. Ze trekt een wenkbrauw op. ‘Serge, de zoon van Molly? Ben je hen gevolgd? Zie je er daarom zo mooi uit?’ Ik moet er na deze nacht inderdaad verfomfaaid uitzien en hoewel haar spot me ergert, knik ik vol ongeduld, maar ze zegt niets meer. Toch ben ik blij omdat we tenminste iets tegen elkaar zeggen en misschien ook omdat de zon schijnt en de vogels fluiten en daardoor alles opeens zo normaal lijkt.             De ketel fluit en ze schenkt het water op de theebladeren. In een zeldzaam moment van samenhorigheid zitten we tegenover elkaar. Zo stelde ik me vroeger een bejaard echtpaar voor. ‘Wil je een spiegelei?’ ‘Graag.’ Ik win tijd. Ze neemt twee eieren uit de koelkast en staat dan met haar rug naar me gekeerd bij het aanrecht. Het nieuws maakt een einde aan de stilte. Aan de grens van Oostenrijk-Hongarije werden gisteren tijdens een groots georganiseerde picknick de grenzen een aantal uren opengezet. Honderden Oost-Duitsers, die via folders verwittigd waren, zijn de grens overgestoken. De Hongaarse grensbewakers hebben hen niet tegengehouden.             Helene veegt met haar onderarm over haar ogen.                    ‘Misschien is dit een begin,’ zegt ze. Waarom blijf ik hangen in het verleden? Ik negeer het nieuws en steek van wal:             ‘Ik zal met Alice praten. Ik neem haar mee naar Bad Arolsen, ik vertel haar hoe we verliefd werden. Ik zal haar vertellen over Rik, hoe veel hij van haar hield. Ik zal haar vertellen over de scheiding…’ Zwijgend zet ze mijn spiegelei op tafel. Ik zwijg ook. Ik twijfel weer. Ik weet niet meer of mijn, ons verhaal is zoals ik altijd dacht dat het was. Ik weet niet wie de vader is van Alice. Ik weet niet of Helene het weet. Ik weet niet wie Helene is, wat er in haar omgaat. Ik weet niet wat ik van het leven met Helene had verwacht. Dat het altijd leuk zou zijn te leven met iemand die buiten de randjes kleurt? Dat ons leven zou zijn zoals een zomer in de natuur, zeg maar Ibiza?  ‘Der Ring macht Ehen - Und Ringe sind’s, die ein Kette machen,’ zegt ze alsof ze mijn gedachten kan raden.  

Marie Veys
41 1

De val - Hoofdstuk 38

38 – 30 april 1980   In de krant was gewaarschuwd voor rellen. Tienduizend politiemensen zouden worden ingezet, waarvan een deel undercover. “We kunnen er dus van uitgaan dat de politie alles onder controle heeft en die krakers in toom houdt,” aldus De Telegraaf journalist Jacques Fahrenfort. Het bracht een spanning in Arnold teweeg, beelden uit het verleden kwamen boven, vechtpartijen rond Kerstmis in de Alberdingk Thijmstraat, Den Haag. Was dat de reden dat hij ondanks de waarschuwingen van de overheid – “In verband met mogelijke ongeregeldheden tijdens de kroning, adviseren wij u met klem niet naar Amsterdam te komen.” – toch had besloten naar de hoofdstad te gaan? Het verlangen naar de adrenaline die hij had gevoeld toen de Volkswagens met grote snelheid vanaf de Schimmelweg en de Alberdingh Thijm kwamen aangereden en de politie de jongeren uiteen probeerden te drijven?             Al om negen uur die ochtend waren de zitplaatsen in de trein bezet. Er heerste een uitgelaten stemming, mensen schreeuwden door elkaar. Sommigen hadden spandoeken bij zich. Er werd bier gedronken uit blik. Naarmate de trein Amsterdam naderde was er nauwelijks meer plaats om te staan. Er  was sprake van een ongekende vrolijkheid en men schikte in om plaats te maken voor elke nieuwe lichting jongeren die zich bij het volgende station de trein in drong.             Op Amsterdam CS wemelde het van de mensen. Alternatieven, punkers. Publiek dat zo maar naar een concert zou kunnen gaan, een optreden van The Clash, The Stranglers of Iggy Pop. Overal politiepetten, dat ook. Op het Rokin begonnen mensen te rennen zonder dat er op het oog enige aanleiding toe was. Politiesirenes loeiden. De ruiten van Vroom en Dreesmann moesten het ontgelden en betogers namen alles uit de etalage mee: colbertjasjes, beenwarmers, sweatshirts, parfum, boeken. Een jongen met een hanenkam droeg zelfs een complete paspop, gehuld in een lichtgrijze mini-jurk. Op de Dam stonden oudere mensen, met vlaggetjes, oranje lintjes. Het beeld detoneerde met de sfeer die er heerste in de hoofdstad. Mensen die hun nieuwe koningin een eerbetoon kwamen geven, in de hoop straks een glimp van haar te kunnen opvangen. Vredelievende mensen, verward door de loeiende sirenes, door de stinkende rookwolken die aan de randen van het plein de lucht verduisterden. Arnold liep richting Spui. Bij Vrankrijk, hét anarchistenbolwerk van de binnenstad, stond een groep krakers. Ze waren te herkennen aan de Dr. Martins die zij droegen, aan hun met studs behangen korte leren jacks. En er waren meelopers, heel veel meelopers. Sommige jongeren droegen motorhelmen, anderen hadden Palestijnse shawls voor hun mond, rode of zwart geblokte. Er heerste een gespannen sfeer. Met overslaande stem brulden jongeren: ‘Weg met het koninkrijk, lang leve de republiek.’ Gebalde vuisten werden in de lucht geheven. De politie hield zich vooralsnog afzijdig. ‘Bibikov for President’ werd gescandeerd. De bewuste persoon, Mike von Bibikov, stond op een bakfiets. ‘Ik ken je niet verstaan!’ scandeerde hij met een Rotterdams accent door de megafoon, gevolgd door: ‘Den Haag uit Amsterdam! Wíj bepalen wat hier gebeurt, niet de elite op het Binnenhof!’ Met een zilverkleurig klapperpistooltje in zijn linkerhand zweepte hij het publiek op. Vol bewondering keek Arnold naar de in een lange leren jas gehulde gestalte, een leren hoed op diens hoofd, naar die slanke man met zijn ingevallen gelaat. Iemand drukte Arnold een vel papier in zijn handen. De jongen draaide zich van hem af en schreeuwde: ‘geen woning, geen kroning’. De kreet zwol aan, werd overgenomen: ‘GEEN WONING, GEEN KRONING.’ Oorverdovend. Von Bibikov liet langzaam zijn blik over de massa glijden. Hij keek ernaar en zag dat het goed was. Voor hem dan toch. Als dichter en performance artist had hij nog nooit zoveel aandacht gekregen als vandaag. Carpe diem, hij moest dit moment ten volle benutten. ‘Naar de Dam!’ dirigeerde hij. Een jongeman ging op het zadel van de bakfiets zitten. Hij zette zijn voeten op de pedalen en staande kwam hij moeizaam op gang. De meute wachtte tot de bakfiets van Von Bibikov vooraan stond. De fietser had inmiddels een traag tempo te pakken. Von Bibikov stond fier overeind, keek recht vooruit als een generaal die zijn troepen aanvoert. ‘De Dam!’ Het volk volgde, ‘Bibikov for President!’ Arnold liep mee in de stoet en voelde zich euforisch. Politieagenten stonden in de stegen die van de Spuistraat naar het Damrak leiden, de Molsteeg, de Mosterdpotsteeg. Ze negeerden de mars, of deden alsof. Wij hebben nu de macht, dacht Arnold, vandaag zijn wij onsterfelijk. Hij griste een pet van het hoofd van een agent en zette hem op. De jonge man keek hem verbijsterd aan, maar greep niet in. Ondertussen had Arnold zich weer in de groep gemengd en liep met hen op. ‘Bibikov for President!’ Hij las het pamflet, het formulier dat hem in handen was gedrukt.Stembiljet Reagering □  Ik vind dat een burgemeester democratisch gekozen moet worden door de bevolking.□  Ja, ik vind dat het hoog tijd wordt voor een nieuwe politiek die de problemen met voortvarendheid aanpakt.□  Ja, ik ben voor afschaffing van de crisis.□  Ja, ik vind dat er genoeg werk is voor de gehele wereldbevolking voor duizend jaar (alleen al het opruimen van de rotzooi die we gemaakt hebben).□  Ja, ik vind dat de gezondheidszorg genationaliseerd moet worden en gratis moet zijn.□  Ja, ik ben voor een speculatievrije gemeentelijke huizenmarkt.□  Ja, ik ben voor een vrije (en storingsvrije) ether voor radio en tv.□  Ja, ik vind dat Amsterdam de wereldstad moet blijven in een kernwapenvrije wereld!□  Ja, ik ben het eens met één van bovenstaande punten en daarom stem ik Von Bibikov Burgemeester van AMSTERDAM. Tot de Dam gebeurde er niets bijzonders. De bakfiets voorop, Mike von Bibikov die nu zelf ‘Bibikov for President’ scandeerde door zijn megafoon. Deze leuze sloeg beter aan dan “geen woning, geen kroning”. Dat was ten slotte een open deur. Maar Bibikov for president? Zijn Reagering was uit op het burgemeesterschap van Amsterdam. Nooit had hij overwogen de landelijke politiek in te gaan. Kijk nu eens, wat een aanhang! Uniek, uitzonderlijk. Dit was zijn moment. Bibikov for President. Waarom ook niet? Als het volk zich keerde tegen een nieuwe koningin, zoals vandaag gebeurde, was zijn tijd misschien wel gekomen. En als het volk hem op de troon wilde hijsen, zou hij niet aarzelen. ‘De Reagering!’ Daar op die bak van de fiets, uitkijkend over misschien wel duizend mensen die zich hadden aangesloten, voelde Mike Von Bibikov zich gelukkiger dan ooit tevoren. Als hij eenmaal president was, zou hij er een gedicht over schrijven, een vlammend epos. Een nieuw volkslied ook, waarin vrijheid de rode draad zou vormen. Terwijl de mensen om hem heen zijn naam nog steeds scandeerden, begon hij in gedachten te schrijven: Wij laten ons aan niets gelegen liggen. De Reagering zal vrijheid, gelijkheid en broederschap daadwerkelijk realiseren. Woningen voor álle jongeren. De bureaucraten uit hun ivoren torens ranselen, hun bankrekeningen plunderen, hun dochters verkrachten. Vooral dat van die dochters vond hij mooi, Von Bibikov. Hij was toen 34. ‘Wij beloven niets en daar houden wij ons aan!’ Zelfs de beste copywriter kon geen betere slogan verzinnen.             Aan een gevel hing een vlag. Rood, wit, blauw; oranje sjerp. Voordat hij besefte wat hij deed, had Arnold de vlag gestolen. De politie voerde charges uit, gehelmde mannen met wapenstok en open legerjeeps. En Arnold? Hij bleef staan. Het was alsof ze hem over het hoofd zagen. Hij was niet belangrijk genoeg. Daar stond hij: een jonge kerel met een politiepet, vliegeniersbril, bruin leren jasje, strakke zwarte spijkerbroek en witte gympen. En dan die vlag aan een mast van wel drie meter lang. Hij was één met hen, één van de overwinnaars, van de jeugd die de toekomst in eigen hand nam, van het volk dat niet meer met zich lieten sollen. Ja, hij hoorde erbij.             Van alle kanten kwamen de agenten en ze sloegen wild om zich heen. Von Bibikov was in geen velden of wegen meer te bekennen. De betogers lieten zich niet onbetuigd. Politie te paard werd belaagd, enkele demonstranten sloegen de dieren met zwepen voorzien van scheermesjes; ze hadden het op de benen gemunt. Een paard gleed onderuit en de berijder werd door demonstranten in elkaar getrapt. Het dier hinnikte panisch, slaagde erin overeind te komen, en zette het op een lopen. Straatstenen vlogen door de lucht, brandjes laaiden op. De mobiele eenheid voerde charges uit. Gehelmde mannen mepten met hun lange latten naar iedereen die zich in hun buurt bevond. De massa week uiteen, de betogers maakten zich uit de voeten. Arnold bleef staan, de vlag over zijn rechterschouder. Om hem heen laaiden vlammen op, razend vuur.  

Eus Wijnhoven
13 0

De afspraak

De afspraak   de zwaartekracht verdwijnt in het blauw van een andere wereld enkel op dit uur spreken ze met elkaar niemand begrijpt in welke taal ook zij niet en toch   Het is onmogelijk aan dit bevreemdende blauw voorbij te wandelen. Ik moet stoppen en kijk omhoog. Probeer me te vullen met deze kleur uit een andere wereld. Elke dag een minuut of tien. Meer krijg je er niet van. Het is pure schoonheid en schaars. Geheel onderworpen aan de wet van vraag en aanbod waardoor ik besef dat dit fenomeen erg kostbaar is, blijf ik dus staan. Waar ik ook ben. Dat is soms vervelend. Ik word afgeleid door mensen die me moeten ontwijken. Ze worden gedwongen een bocht te nemen in hun rechte weg van punt a naar punt b. Dat druist regelrecht tegen de tijdsgeest in en ik zie dat men me dat kwalijk neemt.   En toch blijf ik staan. Ik vraag me dan af hoe zij de lucht zien. Van hetzelfde economische denken doordrongen als ik, moeten ze zich toch realiseren hoe zeldzaam deze gloed wel is? Tegelijkertijd vind ik het jammer dat de gedachten aan de voorbijgangers mij uit het moment halen. Het moment is alleen blauw. Soms valt het voor dat nieuwsgierige zielen me opmerken, zich afvragen wat het is dat zo dwingend mijn aandacht opeist en naast mij komen staan. Ik zie vanuit mijn ooghoek dat hun verwonderde blik zich verplaatst van mijn gezicht naar de lucht en weer terug. De moedigsten onder hen staren zelfs een minuut of twee samen met mij naar boven. Ze kijken me uiteindelijk meewarig aan, halen hun schouders op, zetten zich weer in beweging en verdwijnen in de massa. Niemand spreekt. Eén man kwam zelfs zo dicht bij het gevoel van het moment dat hij ongevraagd zijn hand op mijn schouder legde en bij me bleef tot het blauw voorbij was. Ook hij leidde me af, maar op een goede manier. Het uur van het blauw is het mooiste als ik alleen thuis ben. Dan stap ik op het terras, ga op mijn rug liggen en kijk. Even voel ik de harde planken, maar dan absorbeert het blauw de pijn in m'n rug en het geraas van de stad. Het vult me met complete rust. De zachtste minuten van de dag.    

Saskia
0 0

De eeuweling

Stroomafwaarts vaar ik de reusachtige rivier af die zich kronkelend een weg baant doorheen het machtige landschap van mijn leven. Urenlang glijdt mijn mahoniehouten bootje over het melkige water alvorens ik begrijp dat de rivier niets minder is dan mijn eigen geheugen! Het wordt me pas echt duidelijk wanneer ik zie hoe het zich omringende landschap zich heeft gevormd naar de grillen van de rivier, er als het ware door gevoed wordt. Op sommige plekken, waar zij amper een kabbelend stroompje is en onbevaarbaar, wordt de rivier omgeven door de kale vlaktes van vergetelheid; op andere plaatsen is zij dan weer onmetelijk diep en breed en omgeven door de vruchtbare gronden die mijn meest levendige herinneringen zijn. Onder de helderblauwe hemel peddel ik kilometers ver de rivier af, dieper en dieper in het diverse landschap van mijn geheugen. Een zoete, warme bries streelt mijn gezicht. Naadloos loopt de ene herinnering over in de andere, ongeacht de chronologische volgorde waarin zij in mijn leven heeft plaatsgevonden. Talloze plaatsen uit mijn verleden doemen op als nederzettingen aan de oevers van de rivier. Ik peddel langs het armtierige arbeidershuisje waar ik de eerste jaren van mijn leven heb doorgebracht en zie er moeder staan, turend door het keukenraampje zoals zij vaak deed. Ik wuif maar zij ziet me niet. Weer wat verder ligt het oude dorpsplein, krioelend van joelende kinderen en tieners die roken en op bankjes hangen. Ze zien me voorbijvaren en zwaaien wild naar me, uitnodigend om hen te vervoegen. Maar ik stop nergens, ik blijf peddelen, peddelen, peddelen. Dat blijft zo maar doorgaan, tot het plots erg donker wordt; de helderblauwe hemel van zo even wordt door donkergrijze wolken overtrekken en een stevige wind zet op. Het kleine bootje is nu overgeleverd aan de steeds hoger wordende golven. Ik probeer me kras te houden om niet in het woeste water te tuimelen. Het gitzwarte, dreigende wolkendek boven me neemt vaag de vorm aan van een gezicht, en weldra spreekt het wolkengezicht me zelfs aan: ‘Walter… Walt-eeer!’ dondert het. De golven worden steeds heftiger en schudden me heen en weer. Het water gutst in het bootje en ik ben drijfnat. In paniek schrik ik recht. ‘He-help me! Ik verdrink!’ roep ik uit. Hulpeloos als een kind tracht ik me ergens aan vast te klampen om niet in het water te vallen. ‘Ach, Walter, rustig nou! Je gaat heus niet verdrinken, je was gewoon even ingedommeld. Het was maar een nare droom.’ Het wolkengezicht neemt de vorm aan van een breed grijnzende zuster Rosa. ‘Ga je met me mee naar de leeszaal, Walter?’ vraagt ze vriendelijk. ‘We dachten bijna dat je verdwenen was.’ Ze lacht vrolijk en ik zie haar kinnen heen en weer schudden. Het stelt me gerust. Mijn god, ik dommel steeds vaker in. Zuster Rosa heeft me deze keer in de kapel gevonden, waar ik me soms verstop om niet aan het middagspel deel te hoeven nemen. Maar het wordt steeds moeilijker om aan haar alziend oog te ontsnappen. Ik volg haar gedwee naar de leeszaal. De oranje namiddagzon warmt mijn gezicht door de grote glasramen, de zoete geur van koffie en gebak verwelkomt me als een oude vriend. Isidoor, mijn tandenloze kameraad, nodigt me uit voor spelletje schaak, maar ik heb weinig zin en bedank hem. Hij hoort slecht en stelt het bord op. Vanuit mijn ooghoek merk ik dat zuster Rosa me bezorgd aankijkt. Ik negeer haar subtiele pogingen om me met Isidoor te verzoenen en houd doelbewust mijn blik uit het raam gericht, strak en doelloos in de verte, zoals moeder.    ‘Honderd jaar,’ pieker ik bij mezelf, ‘wat houdt dat eigenlijk in voor een mens?’ Het is de vraag die me de afgelopen dagen in een verstikkende greep houdt. ‘Alvast vier lettergrepen minder dan het vorige levensjaar,’ was het eerste beste antwoord dat ik toen had kunnen bedenken. Maar ik besef maar al te goed dat achter die verwaarloosbaar korte ademstoot (hon-derd) wél een volledige eeuw schuilgaat. Een eeuw waarin ikzelf vanop de eerste rij heb kunnen aanschouwen hoe de wereld in een razendsnel tempo verandert en waarbij ik op momenten, hoe minimaal dan ook, zelf heb bijgedragen aan die veranderende wereld. Wanneer ik terugdenk over mijn leven, dan kan ik bijna niet anders dan het te beschouwen in twee aparte delen: er is de tijd vóór en de tijd na de tweede wereldoorlog. In feite maakte ik tot tweemaal toe een wereldoorlog mee, maar omdat ik de eerste niet bewust heb beleefd kan ik de invloed die hij op mijn verdere leven heeft gehad moeilijk in rekening brengen. Over die andere wereldoorlog kan ik simpelweg zeggen dat geen enkele andere periode in mijn hele leven me ooit méér heeft geleerd over de menselijke aard. Ik leerde dat mannen en vrouwen, als jij en ik, zich in hun wanhoop en hun angst al te gemakkelijk laten leiden door brullende stemmen, grote petten en blinkende decoraties; dat zij in staat zijn om slaafs orders op te volgen en zelfs andere, even gewone mannen en vrouwen te doden. Maar ik zag ook diezelfde wanhopige, angstige mannen en vrouwen weer opstaan uit de enorme puinhoop om hen heen, opnieuw in staat om elkaar lief te hebben. Met eigen ogen zag ik de liefde van een moeder voor het kind dat telkens weer het laatste stuk brood, het laatste lepeltje soep toebedeeld kreeg. En het is die liefde voor elkander, die een onmetelijke kracht die de mensen uit de meest zware en donkere periodes kan sleuren. En toen die donkere tijden voorgoed achter ons lagen kon het leven pas echt van start gaan, dat voelde ik al snel. Ik kocht een spiksplinternieuwe wagen en bolde over gladde afvaltwegen naar Brussel. Dat was waar het allemaal gebeurde, toen. De Amerikanen verkochten er ijskasten en wasmachines aan onze blozende moedertjes en kleurrijke frisdranken en roomijs aan onze kindertjes. De mannen speelden poker en paften vrolijk sigaretten met stoere namen als Lucky Strike of Marlboro. In de blakende zomerzon kwam ik er voor het eerst oog in oog te staan met een echte Afrikaan, die niets meer dan een rieten rok droeg en met een speer in de hand paradeerde in een nagebouwd primitief dorpje. Het was net zoals ik hem in de geschiedenislessen in de middelbare school afgebeeld had gezien. Pas later, toen er eentje in onze straat kwam wonen, ontdekte ik dat ook zij liever in spijkerbroek gekleed gingen en dat ze die rieten hutten bovendien maar niets vonden. En tussen al die gekte door las ik in de krant dat een Russische hond in een baan rond de aarde zweefde. Je kon het zo gek niet bedenken! Ik keek op naar de bleke hemel, nam een grote slok van mijn frisse pint en leefde volop, ten volle bewust van het feit dat het spannende tijden waren, die dagen. Dat niet alles peis en vree geworden was ondervond ik gauw. Toen ik weer terug vlamde naar mijn Vlaamse dorp zag ik met lede ogen aan hoe het zompige boerenland dat mijn thuis was, stukje bij beetje verkaveld werd. Lelijke villa’s rezen als betonnen paddenstoelen uit de grond en werden spoedig volgestouwd met stompzinnige stadslui die niet eens meer de namen van hun eigen buren kenden. Teruggetrokken in mijn woonkamer keek ik naar satellietbeelden van over de hele wereld op de nieuwste kleurentelevisie, en ik zag dat die wereld er geen betere plek op was geworden. Alle voorspoed en vooruitgang, de vernieuwde hoop waar we in onze streken van genoten, werd aan de andere kant van de wereld in harde munt betaald. De oorlog woedde in koude stilte verder. En wij, wij ‘die den oorlog nog hebben meegemaakt’, met onze verouderde wijsheden en onze hoop, deden er hoe langer hoe minder toe. Ik hield het nog wel even vol, veel langer zelfs dan ze gedacht hadden. Maar op een dag krijgt iedereen de deur toch vol in het gezicht.   Nu vraagt u zich vast af hoe dat dan in zijn werk gaat? Laat ik het zo stellen: op een onbeduidend zonnige dag komen je eigen kinderen onverwachts bij je op de koffie, ze vertellen je trots en uitgebreid over hun laatste reis naar Australië, over de nieuwe terreinwagen die ze hebben, over het uitmuntende rapport van ‘je knappe achterkleinzoon’. Op datzelfde moment schuiven ze je geniepig en zonder schaamte enkele folders onder je neus. Ontegensprekelijk lees je het unanieme verdict dat je beter af bent in een rustoord dan in je eigen, naderhand veel te groot geworden huis (nietwaar?). Plots is je hele inboedel verkocht, op een antieke wandklok en een stuk of wat stoffige fotokaders om je nieuwe slaapkamer mee op te vrolijken na. Een wrange ‘je zal het best aangenaam vinden in je nieuwe stek’ geven ze je nog mee, maar daarmee is de kous wel af. Natuurlijk zag ik toen al hoe de vork werkelijk in de steel zat: ik was een oude, eenzame lastpost geworden waar niemand nog langer naar wilde omkijken – en eerlijk, kon ik ze dat zelfs kwalijk nemen? Zo geschiedde: Walter, goeie, oude, verstrooide Walter begon aan zijn nieuwe leven in het rustoord. Ik arriveerde er met volgepakte koffers. Op de hoge muren van de inkomhal las ik in sierlijke, donkerrode kalligrafieletters: Rustoord De Vlakte geschreven. Dat ik een enkele reis maakte, werd al snel duidelijk. Een korte rondleiding leidde me langs de wandelpaden, die doorheen het gehele, netjes omwalde domein langs de prachtige tuinen, de felbegeerde petanquebanen en het vijvertje (inclusief zwanenkoppeltje en fontein!) lopen. In zijn geheel biedt het rustoord plaats aan een enkele duizenden andere oude van dagen, als ik het goed heb. Rondom rond het reusachtige domein reikt een fantastisch ogend loofbos tot zover het oog kan zien, De Vlakte zorgvuldig afsluitend van de buitenwereld met zijn dichtbegroeide bladerdek. Ja, het moet toch gezegd, beste lezer, een waar stukje architecturale kunst van de eenentwintigste eeuw! En in die moderne, prachtig verzorgde vergeetput slijt ik nu al meer dan tien jaar mijn oude dagen… Of zijn het er reeds twintig?   Ach, wie honderd is kan dan wel de geschiedenisboeken openslaan en verder dan wie ook terugbladeren, dat is waar; maar hoe het ook zij, veel zwaarder wordt zo’n boek toch ook niet meer! De dag waarop ik mijn laatste bladzijde om zal slaan komt met rasse schreden dichterbij. Soms maakt het me nog wel eens bang, hoewel ik niemands tranen hoef, dat niet meer. Want is de wereld ten slotte niets meer dan een eeuwigdurend schouwspel, waarbij wij allen met volle overgave onze acte spelen in de spotlight van het leven? Dat verzin ik allemaal niet zelf, natuurlijk, het werd eeuwen geleden al geopperd. Nog één laatste buiging en zij verdwijnen voor altijd weer achter het gordijn van de eeuwige coulissen. En of ik me daarin kan vinden! Maar ik dwaal weer af, beste lezer – een onvermijdelijk kwaaltje van de leeftijd, me dunkt. Want u moet begrijpen dat hetgeen ik hierboven heb beschreven niet de ware weergave is van mijn gedachtenstroom zoals ik hem beleefd heb de afgelopen dagen, o nee! De vele wilde opflakkeringen van mijn herinneringen, overpeinzingen en gevoelens, hoezeer zij ook naar alle kanten uitgingen, heb ik getracht te ordenen tot een verstaanbaar geheel – een helse karwei voor een tot op de naad versleten brein. Hoe dan ook, de dagen razen ongenadigd verder, en voor ik goed en wel besef klauter ik het bed in, klaar om als eeuweling te ontwaken. Nietsvermoedend ontdoe ik mezelf van mijn zintuigen: het gehoor in de lade, de tanden in een glas, de ogen op het nachttafeltje… Naakt en kwetsbaar kruip ik dan onder de lakens. En wanneer de grote wijzer van mijn wandklok me met een korte slag genadeloos tot eeuweling riddert ben ik vast in een diepe slaap verwikkeld. Om zes uur kwart wekt de zuster van wacht me, waarop ik zo gezwind als mogelijk uit het warme bed zal glijden, mijn heerlijk vertrouwde pantoffels in. Vervolgens schuifel ik door de lege gangen van het rustoord, vrolijk wuivend naar de eenzame vroege vogels die zich op mijn pad begeven. Doorheen mijn loep zou ik een oude krant doorbladeren, op zoek naar leuke weetjes en wieleruitslagen. Nog in de leeszaal zou ik tegen zevenen het stukje verjaardagstaart, gekregen van zuster Maria, smakkend naar binnen werken en afwisselend luid slurpen van mijn zwarte koffie – je wordt maar één keer honderd, toch? En later, wanneer de lieflijke dames-op-leeftijd van het rustoord me wiegelend en giechelend tegemoetkomen, zal ik ze met halfgesloten pretoogjes begroeten, waarna ze me zoenen en hun overweldigend sterk geparfumeerde boezems tegen me aandrukken, gewoon omdat het mijn dag is. ‘Er zijn vast wel slechtere vooruitzichten om in je bed te kruipen,’ denk ik nog. Maar wat ik echter niet besef is dat niets van dit alles zou komen te gebeuren. Zei ik niet eerder dat het leven niets meer is dan een simpel schouwspel? Mijn acte nadert zijn einde, halvelings lonk ik reeds naar de coulissen, en dan, wanneer werkelijk niemand het nog maar zelf durft te dénken, vindt een ultieme plotwending plaats: want daar, in het zwakke licht van de spotlichten, verschijnt vanuit de schaduwen een onverwachte speelster.  Ja, beste lezer, zoals het soms in schouwspellen gebeurt, zo ook bij mij.

arnomaetens
0 0

de strandjutter

Met slome stappen liep Achilles robins langs de vloedlijn, gehuld in een short die om z'n magere benen wapperde in de wind. z'n glazige ogen tuurden over de zee. tranen stroomden over z'n wangen. hij greep naar de fles drank in z'n zak ze was leeg. met een wijde boog gooide hij de fles in zee. Snel draaide hij zich om en liep terug naar zijn 'huis': een zelfgebouwde strandhut van het afval dat hij gevonden had op zijn vele wandeltochten bij de zee. Met een zucht plofte hij neer op de vuile matras en grabbelde uit z'n koelbox een nieuwe fles wodka die hij meteen aan zijn lippen zette. Zijn ogen dwaalden naar de vergeelde foto die op zijn hoofdkussen lag. even leek het alsof de foto tot leven kwam en hij haar spontane lach weer kon horen om zijn flauwe zeemansgrappen terwijl hun boot door de golven kliefde. Langzaam streelde achilles met zijn duim haar gezicht. Hij had haar tenen platgetrapt die avond, hij was een kluns en zij vond dat toch  zo schattig. Toen hij in die reebruine ogen keek, was hij helemaal verloren. hij sloot zijn ogen en zag allemaal weer voor zich.   Snotheet was het in het kleine kerkje. de priester moest voortdurend het zweet van zijn voorhoofd wissen terwijl hij hunn in de echt verbond. Hans, zijn beste vriend was hun getuige. met tranen in de ogen wenste hij hen geluk en een mooie reis.  'Ooit sta jij hier te blinken' hij knipoogde naar zijn vriend.  Hans draaide met zijn ogen.  Alexandra proetste het uit: 'jij bent echt een  hele fijne kerel' 'Dank je voor het compliment' lachte Hans.    Met een schok ontwaakte achilles uit zijn droom.  'God, jij met je plan, steek het voor mij part waar het licht niet schijnt!' dreigend zwaaide hij naar de hemel, je moest MIJ nemen en niet haar! In één teug dronk hij zijn fles wodka leeg en gooide ze in een hoek bij de rest. Hij kroop op de stikende matras, legde zijn hoofd op het kussen. Met wazige ogen keek hij nog één keer naar de foto. 'morgen, schat, morgen heb ik je eindelijk gevonden' mompelde hij. zijn ogen vielen dicht.    Achilles ontwaakte langzaam uit zijn roes. hij streek met zijn tong over z'n kurkdroge lippen en taste op de grond. "wijf, waar blijf je met mijn drank!" brulde hij geen antwoord,alleen het ruisen van de zee. zijn ogen vlogen open, achilles keek om zich heen:niemand.  Meteen sprong hij overeind en zocht overal tot de realiteit zich weer van hem meester maakte. hij grabbelde uit zijn koelbox een nieuwe fles wodka dronk enkele slokken, stak de fles in zijn zak en ging weer op pad. De zon brande op zijn huid, maar achilles voelde het niet. hij stapte voort langs de vloedlijn, in gedachten verzonken. Ineens zag hij een stuk stof door de lucht zweven. meteen rende hij er achter aan. hij kon het nog net  grijpen: een verbleekt sjaaltje  Achilles rook eraan, zijn hart vulde zich met hoop. Hij knoopte het sjaaltje om zijn hals en ging zitten, pakte de fles wodka uit zijn zak en stak ze in de lucht:"gezondheid!" Achilles bleef zitten drinken tot de zon in golven verdween.  Hij hoorde haar stem: 'achilles hou ermee op!' 'dat kan ik niet alexandra 'zuchte hij, stond op en strompelde in het maanlicht  terug naar zijn hut.   Enkele meters verder zakte achilles door zijn benen. "verdomme" gromde hij en probeerde op te staan, hij zakte terug in het zand. alles draaide om hem heen.  Achilles ging in het zand liggen, draaide zich op zijn zij en sloot zijn ogen. "geen kater, mompelde hij, geen kater" Enige tijd later kon hij het niet meer houden en kotste zich de ziel uit de lijf. de stank van zijn braaksel vermengd met zijn zweet was zo doordringend dat hij meteen weer nuchter was.  Achilles sprong recht en rende naar zijn hut, het leek alsof hij ineens vleugels had.  Buiten adem liep hij binnen , greep in zijn koelbox een nieuwe fles wodka en zette ze meteen aan zijn lippen.   hij kroop op de stinkende matras, sloot zijn  ogen en zag haar weer voor zich.    Langzaam streelde hij haar gitzwarte haren. alexandra kreunde zacht' niet stoppen' Achilles kuste haar vol vuur op de lippen.  'neem me nog wat meer' fluisterde ze bij zijn oor en streelde met haar  handen zijn onderlichaam. Meteen voelde hij de opwinding door zijn lijf stromen. Hij trok haar nog dichter tegen zich aan en nam bezit van haar lichaam.  Alexandra lag enige tijd later in zijn armen nog na te genieten. achilles kreeg niet genoeg van de aanblik van haar zachte lichaam in  het zonlicht. hij gaf haar een kus:"klaar voor een tweede ronde? " vroeg hij speels Alexandra keek hem aan: "heb je nog niet genoeg gehad?" vroeg ze  Het antwoord liet niet lang op zich wachten.                 

amanda allesie
7 1

Merel

Het was nog vroeg toen Merel op haar groene mountainbike de oprit afreed. De gekleurde bolletjes die ze de week voordien samen met Kaat aan de spaken van haar wielen had bevestigd, maakten een hels kabaal. De hele wijk kon haar vast horen. De hele wijk, behalve haar moeder. Die sliep overal doorheen.     Merel reed de straat uit, voorbij het grasveldje met de drie lindebomen, over het fietspad tussen de maïs en de schapenweide, de Dorpsstraat over, en zo over een zandweggetje de velden in. Ze hobbelde over stenen, slalomde tussen diepe putten die zich met regenwater hadden gevuld en neuriede een zelfverzonnen liedje. De lucht had die typisch blauwe kleur die hij altijd had vlak voor de zon opkwam. De maan hing als een witte sikkel aan de lucht. Merel wilde hem plukken, de halve maan in haar armen wiegen als een baby. Haar vader had haar eens verteld dat de maan zelf geen licht geeft. Hij weerkaatst gewoon het licht van de zon.   Ze remde toen ze iets hoorde ritselen in de struiken. Het was een mannetjesfazant, die zich met veel kabaal uit de voeten maakte. Soms zocht Merel bewust naar fazanten, omdat ze zo grappig waren, met hun rooie kop en lange staart. Maar ze lieten zich nooit zien wanneer zij dat wilde. Wanneer ze het niet verwachtte, schoten ze echter maar al te graag voor haar door.   ‘Gekke vogel!’ lachte Merel en stapte weer op haar fiets. Een paar honderd meter verder hield ze halt aan een grote, witte villa. Het was het laatste huis voor de Wildernis. Merel legde haar fiets in de berm, wandelde stilletjes de oprit op en gooide een steentje tegen Kaats slaapkamerraam. Ze wachtte ongeduldig. Ze wilde Kaats ouders niet wakker maken. Vooral haar papa niet. Die keek altijd zo streng. Kaat had haar eens verteld dat hij niet wilde dat zijn dochter met haar omging. Eén keer had hij gezegd dat Merel tot een andere klasse behoorde. Merel en Kaat wisten niet wat hij daarmee bedoelde, maar toen Merel het aan haar papa vertelde, werd die heel boos. Hij noemde Kaats ouders snobs. Dat had ze Kaat nooit verteld.   Ze was een keer bij Kaat binnen geweest. Hun huis was zo anders dan dat van haar. Veel groter en witter. Witte muren, witte kasten. Nergens lag rommel. Er stond geen wasmand met een berg strijk in de hoek, er lagen geen boeken, geen speelgoed, geen jassen en petten en handschoenen, geen vuile borden of koppen. Het was bijna alsof er niet geleefd werd in het huis. Merel durfde nauwelijks bewegen, bang dat ze iets stuk zou doen of vuil maken. Toen Kaats moeder vroeg of ze een glas limonade wilde, had ze enkel maar geknikt en toen ze haar het glas aanreikte, had ze zo stil ‘dank u’ gezegd dat ze het onmogelijk gehoord kon hebben. De hele namiddag had ze op fluistertoon tegen Kaat gesproken en toen haar vader thuis kwam, durfde ze zelfs niet meer zeggen. Sindsdien had Kaat haar nooit meer bij haar thuis uitgenodigd. Dat gaf niet: Merel ging liever naar het bos.   Het duurde een hele poos voor Kaat naar buiten kwam. Ze droeg een jeansbroek, een blauwe jas en stoffen schoentjes. Haar blonde haren had ze in twee perfecte vlechten gebonden, die onder haar muts uitstaken als dikke rupsen. Soms was Merel een beetje jaloers op het perfecte haar van haar vriendin. Zelf had ze donkerblond, dun haar waar altijd heel veel knopen inzaten.   ‘Dat duurde lang.’ Merel nam een aanloopje en sprong met beide voeten tegelijkertijd over een grote plas. Kaat lachte luid toen Merel deed alsof ze haar evenwicht verloor. Met wilde gebaren balanceerde ze op één been aan de rand van de plas.   ‘Ik vond mijn handschoenen niet.’   ‘Het is niet zo koud.’   ‘Het vriest toch wel zeker tien graden!’ Kaat bukte zich om een veertje op te rapen. Ze had al een hele verzameling. Ze versierde er alles mee: haar agenda, kistjes die ze op haar kamer had staan met allerlei spullen in, het scrapboek dat ze om beurten een paar dagen mee naar huis namen en waar ze van alles in schreven en kleefden. Soms stopte ze zelfs veren in haar vlechten, maar dat deed ze alleen als haar moeder het niet zag, want die vond dat vies.   ‘De plassen zijn niet eens bevroren.’ Merel had geen muts, sjaal of handschoenen aan. Ze had het niet zo snel koud. En als ze het toch koud had, rende ze gewoon tot ze het vanzelf weer warm kreeg.   Ze liepen verder over de modderige veldweg. Af en toe bleven ze staan om te kijken naar konijnen die door het veld huppelden. Toen ze zich omdraaiden, zagen ze de zon al opkomen aan de horizon, die nu geel en roze was, met grijsblauwe wolken. Tegen die lucht staken de kerktoren en een grote kraan af. Toen draaiden ze zich om en liepen het bos in. Dit noemden ze de Wildernis. Het was hun terrein. Hier hadden ze vorige herfst massa’s kastanjes geraapt. Tamme om op te eten en blinkende, wilde kastanjes om mee te knutselen en spelletjes te spelen. Er liepen verschillende smalle paden door het bos, maar die lieten ze links liggen. Ze wandelden liever kriskras tussen de bomen door. Ze stampten door de bladeren, streelden met hun handen over de ruwe schors van oude bomen en sprongen op één been over dikke boomwortels. Aan een dikke eik deelden ze een banaan en een paar chocoladekoeken. De eerste zonnestralen zochten zich een weg door de kruinen en vormden prachtige patronen. Een ree bleef verstijfd staan toen hij hen opmerkte, en verdween toen in het struikgewas.   ‘Ik heb gisteren een grote, zwarte hond gezien aan de bunker.’   Kaat keek haar met grote ogen aan. Er hing een stukje banaan op haar kin. Haar moeder zou vast kwaad worden als ze dat zag. Soms stond haar moeder op de oprit als ze uit het bos kwamen en dan gilde ze dat Kaats broek groen was en haar schoenen vol modder zaten. ‘Zonder baasje?’     ‘Ja. Hij stond daar gewoon een paar meter bij me vandaan. En toen liep hij weg. Hij was zeker zo groot.’ Merel hield haar hand ter hoogte van haar borst. Ze wist ook wel dat de hond niet zo groot was, maar ze maakte graag indruk op Kaat. ‘Laten we hem gaan zoeken.’   Ze liep verder, maar Kaat bleef staan. ‘Misschien is hij gevaarlijk.’  Merel liep gewoon door. Al snel kwam Kaat haar achterna gelopen. Het viel Merel op dat ze voortdurend over haar schouder keek.   Er was geen hond aan de bunker. ‘Jammer,’ zei Kaat. Ze zag er opgelucht uit.   Ze gingen naar hun kamp. Dat was een constructie van grote takken met dunnere takken tussen geweven. De dikste takken hadden ze aan elkaar gebonden met stukjes touw die ze in hun garages hadden gevonden. Een tijdje geleden had het hevig gestormd. Daarbij waren er heel wat takken van bomen gebroken en er waren zelfs een paar bomen omgewaaid. Maar hun hut was ongedeerd. Daar waren ze heel trots op.   Hun kamp was groot genoeg om in recht te staan. Een boomstam deed dienst als zitbank. Soms fantaseerden ze dat ze voor altijd in hun hut zouden blijven wonen. Ze zouden noten roosteren boven een vuur en slapen op een bed van mos. Ze zouden nooit naar huis gaan, of naar school. En er zouden andere kinderen komen. Kinderen wiens papa was weggegaan de dag na hun negende verjaardag. Kinderen wiens mama de hele dag op de zetel lag omdat ze te verdrietig was om op te staan. Kinderen die geen broertje of zusje kregen. Ze zouden een dorp bouwen. Hun eigen kindermaatschappij, midden in het bos, ver weg van de volwassenenwereld.   Maar er kwamen geen andere kinderen en Kaat moest op tijd thuis zijn voor het eten. Net toen ze uit hun hut klauterden, hoorden ze een tak kraken. Het was de zwarte hond. Hij stond op tien meter bij hen vandaan. Hij keek hen recht aan, zijn staart hoog in de lucht. Ze bleven stokstijf staan.   ‘Wat is hij groot,’ zei Kaat met schorre stem.   Merel zette een paar stappen in de richting van het dier. Haar hart klopte wild in haar keel, maar dat zou ze Kaat niet laten merken. ‘Het is een wilde hond.’   ‘Hoe weet je dat?’   ‘Dat zie je aan zijn ogen.’ Merel stond nu vlakbij de hond. Ze kon hem zelfs ruiken. Hij rook zoals het vuile meertje aan de andere kant van het bos, waar altijd bruin water in stond en waar ze weleens kikkers en padden ving. Ze stak haar hand uit. Die trilde een beetje. Even leek de hond te verstijven, toen liet hij een diepe grom horen.   Kaat gilde en zette het op een lopen.   ‘Wacht!’ Merel struikelde haar achterna. Takken zwiepten in haar gezicht toen ze zich een weg door de struiken baande. ‘Niet weglopen! Dan ziet hij je als een prooi!’ Toen ze over haar schouder keek, was de hond verdwenen. ‘Hij komt ons niet achterna!’ riep ze twee keer.   Maar Kaat was niet meer te houden. Merel had haar nog nooit zo zien rennen. Pas aan de rand van het bos bleef ze staan. Hijgend wandelden ze naar Kaats huis. Kaats vader stond op de oprit met nog twee mannen. Hij zette zijn handen in zijn zij toen hij hen zag. ‘Waarom zweten jullie zo?’   Kaat gooide haar vlechten naar achteren. Haar broek hing vol bruine spatten en haar witte schoenen hadden zich vol modder gezogen. Ze hijgde nog steeds. ‘We hebben een wilde hond gezien.’   Ook Merel hing vol modder. Ze ademde een paar keer diep in door haar neus om haar ademhaling tot rust te brengen.   De twee mannen die bij Kaats vader stonden, lachten, maar hij lachte niet met hen mee. ‘Waar?’   ‘Voorbij de bunker.’   Kaats vader wierp een kwade blik naar Merel, die aan het begin van de oprit was blijven staan. ‘Ik wil niet dat je zo ver het bos in gaat.’   Merel nam haar fiets uit de berm waar ze hem die ochtend gelegd had.   ‘Is dat jouw fiets?’ vroeg een van de mannen. Hij had bijna geen haar en droeg een kostuum. Zijn buik was zo dik dat hij niet alle knoopjes van zijn vest toe kreeg.   Merel knikte.   ‘Die lag daar gevaarlijk. Ik was er bijna overheen gereden.’   Iedereen keek nu naar haar. Merel keek snel naar Kaat, die achter haar vaders rug haar tong uitstak. Daarop moest Merel grinniken, waardoor de mannen nog kwader keken. Merel sprong op haar mountainbike en reed weg.   ‘Wat een onbeschoft kind,’ hoorde ze een van de mannen nog zeggen. Kaat antwoordde daar iets op, maar Merel was al te ver weg om het te horen. De bolletjes om haar spaken ratelden. Kraaien vlogen met verongelijkte kreten op. De lucht was donker geworden. Bij de populieren aan het einde van het veldweggetje bleef ze staan. De wind joeg door de boomkruinen, alsof hij haar wilde waarschuwen voor de naderende regen. Merel hield van het geluid van de wind tussen de kruinen van populieren. Het deed haar denken aan de zee. Merel had het altijd vreemd gevonden dat je op zee kon verdwalen. Zelf had ze al heel vaak geprobeerd om te verdwalen. Het lukte niet. Ze vond altijd de weg terug.   Ze keek toe hoe een grote roofvogel laag over het veld scheerde op zijn krachtige, bruine vleugels. Hij bleef even op een paaltje zitten, keek haar aan en vloog weer verder.   Merel reed net haar wijk binnen toen het begon te regenen. Als een speelse pup hapte ze naar de druppels.     (c) Leen Raats, uit het verhaal 'Kinderen van het bos' uit de bundel 'Vloedlijn' www.leenraats.be

Leen Raats
31 0

Sorane 01/02 De huurmoordenares

  De eerste ‘proef’ De eerste dag van de week die volgt op hun thuiskomst, staat ze om zeven uur s’morgens voor het kleine vervallen huisje. Enkele bewakers staren verbaasd naar het scherm als ze haar herkennen. Ze is in een zware nauwsluitende pak gekleed. Op haar rug draagt een ongeveer vijftig centimeter lange box. ‘Ze is toch gekomen, Evin.’ ‘Breng de coördinator op de hoogte.’ Evin staat snel op en haast zich door de gangen naar het kantoor. De coördinator kijkt hem verbaasd aan. Want ook hij had nooit verwacht dat Sorane zou terugkeren. ‘Goed dat je zelf gekomen bent, Evin. Niemand mag weten dat ze terug is. Geef haar toegang. Maar zonder haar af.’ Evin knikt en haast zich terug. Sorane wacht intussen ongeduldig en is opgelucht als de toegang geopend wordt. Snel stapt ze naar binnen. Maar ze moet tot haar verbazing door een smalle gang, die net breed genoeg is. Dan komt ze in het vertrek, waar de twee bewakers haar opwachten. ‘U moet hier op de coördinator wachten, Sorane Nador.’ Meer dan een uur zit ze daar te kijken naar de twee mannen die hun werk doen. Geen van beiden antwoordt op de vragen die ze stelt. Dan krijgt Evin een bericht op zijn communicator en staat langzaam op. ‘Kom, Sorane. De coördinator verwacht u. Volg me.’ ‘Welkom terug, Sorane Nador,’ zegt de coördinator als ze voor zijn bureau blijft staan. Even kijkt Sorane naar Evin, maar die is buiten aan de deur blijven. ‘Dat was mijn bedoeling, sir.’ ‘Je weet toch nog dat je twee proeven moet afleggen, voor ze opnieuw de opleiding wordt toegelaten.’ ‘Ja, dat heeft u mij bij mijn vertrek gezegd.’ ‘Je krijgt een week de tijd om je voor te bereiden voor je eerste proef. Je zal tegen een van de gevorderden in de ring moeten stappen. Ik verlang niet dat je wint, Sorane. Maar je moet wel een minimumaantal punten behalen om te slagen. Als je dat aantal haalt, dan volgt twee dagen nadien de tweede proef. Daar mag je laten zien dat je je scherpschutters kunsten nog niet verleerd bent.’ ‘Ik zal slagen,’ zegt Sorane zelf verzekerd. ‘Zeer goed, Sorane. Ik hoop voor jou dat je slaagt, anders was je beter weggebleven.’ Sorane slikt even, want ze beseft dadelijk wat hij bedoelt. ‘Mag ik terug naar mijn kamer, sir.’ ‘Als je slaagt dan mag dat, Nador. Nu krijg je alleen een kale cel, waar je eten zal gebracht wordt. Bereid je maar mentaal voor op je eerste proef.’ Sorane knikt. ‘Ga, Nador. Evin zal je naar je cel brengen.’ Een tijdje later staat Sorane naar de vier kale muren te staren. Er staat alleen een bed met een harde matras, in de cel. In de muur tegenover de deur is een kleinere deur, met daarachter een wc en een wastafeltje. Langzaam gaat ze op de matras liggen en staart naar het plafond. Ergens heeft ze het gevoel dat ze geobserveerd wordt en het klopt. Evin zit in zijn werkplek achter een scherm, waarop haar cel te zien is. Verbaasd ziet hij dat ze meer dan vijf uur roerloos blijft liggen. Eerst denkt hij dat ze slaapt, maar als hij inzoomt op haar gezicht merkt hij dat haar ogen geopend zijn. Zo gaan er twee van de zeven dagen voorbij, die Sorane kreeg om zich voor te bereiden. Als de dienst van Evin, om negen uur s’morgens, begint, ziet haar weer op het haar rug op het bed liggen. Verveeld gaat hij zitten en neemt zijn krant. Maar nog voor hij zijn krant kan openen, merkt hij iets vreemds op. Het beeld is juist hetzelfde als gisteren en dat kan niet, want hij heeft haar een paar minuten eerder eten gebracht. Zijn collega, die hij nu vervangt, moet nu op weg zijn om de lege borden te gaan ophalen. En toch staan er geen borden. ‘Verdomme. Ze heeft ons liggen, denkt hij verbaasd. Hoe komt ze aan die halo-opwekker.’ Snel drukt hij op een paar knoppen en schakelt hierdoor een stoorzender in. Dadelijk verandert het beeld en hij ziet Sorane in het midden van de kamer bezig. Verbaasd kijkt hij naar haar bewegingen die precies uitgevoerd worden, alsof ze nooit weggeweest is. Elke beweging die ze met beiden handen uitvoert stopt precies op dezelfde plaats, vlak voor de deur. Dan ziet hij de deur openschuiven en zijn collega schrikken. Als de vuist van Sorane op een paar centimeter voor zijn ogen stopt. ‘Halo,’ hoort hij haar kalm zeggen. Dan wijst ze naar de borden op de vloer. ‘Neem ze maar. Ik ben alleen maar aan het trainen.’ De man kijkt haar verbaasd aan. ‘Ik was bijna dood, idiote.’ ‘Toch niet. Ik stond juist ver genoeg om je op dat moment niet te raken. Een seconde later had ik je wel geraakt, want dan was je een stap dichterbij,’ zegt Sorane lachend. De man trekt zijn schouders op. ‘Als je nog eten wil, doe dat dan niet meer.’ ‘Ik vrees dat de coördinator dat niet zal toestaan. Maar troost je. Op het einde van de week ben je van mij af, denk ik.’ ‘Ik hoop dat je niet slaagt, Sorane.’ ‘Dan hoop ik dat je hoop uitkomt, want ik vergeet niets. En als ik slaag, dan loop ik hier nog wel een tijdje rond om je het leven zuur te maken.’ De man staart haar even aan en laat bijna de borden vallen. ‘Ik maak maar een grapje,’ zegt ze nog voor de deur achter hem dichtschuift. Dan gaat ze weer in het midden van de kamer staan en begint zich weer te concentreren op haar gevechtsoefeningen. Evin schrikt weer als hij haar nauwkeurig gerichte bewegingen opmerkt. ‘Ik vrees dat de coördinator valse hoop koestert, Novao. Dat meisje is zeer goed.’ ‘Dat had ik ook al opgemerkt, Evin. Als ze als scherpschutter even goed is, dan slaagt ze zonder twijfel.’ ‘Dat was ze voor haar vertrek, Novao. Alleen heeft ze haar wapen meer dan een jaar moeten missen.’ De week is al snel voorbij en de volgende maandag staat Sorane al zeer vroeg op. Ze is die harde matras al gewoon en stapt naar de wc om zich klaar te maken voor de proef vandaag. Sorane heeft echter niet gemerkt dat de deur van haar cel open staat. Ze is nog niet aan de wc-deur als iemand achter haar binnenkomt. Hij is met een mes gewapend. Geruisloos stapt de man op Sorane toe en steekt toe. Alleen duikt Sorane tijdig opzij. Een tweede maal kan hij niet meer toesteken, want Sorane ontwapend hem bliksemsnel. Maar dan krijgt ze een klap op haar schouder en wankelt toe tegen de muur. Een tweede man, gewapend met een ijzeren staaf haalt opnieuw uit. Maar Sorane laat zich vallen en rolt van hem weg. Haar linkerarm lijkt echter verlamd. Ze kan hem bijna niet bewegen. Als de twee mannen zich naar haar omdraaien, duikt ze opzij en rolt naar de deur toe. Daar veert ze op en rent naar buiten. De twee zijn dadelijk achter haar. Sorane is vlak nadat ze buiten raakte, vlak naast de deur gaan staan. Als de twee na elkaar naar buiten rennen, stort ze zich op de laatste. Het is de man met het mes, die het binnen weer opgeraapt heeft. Voor die kan reageren, slaat ze hem keihard op beide schouders. Het mes schuift echter over de vloer weg. Dan man stort neer op de vloer en blijft even liggen.  Zijn armen, kan hij bijna niet bewegen. Sorane duikt op dat moment naar het mes. De man met de stok probeert te voorkomen dat ze het kan grijpen, maar te laat. Sorane is iets te snel en grijpt het mes stevig vast. ‘Te laat, meid,’ roept de man uit en slaat toe. De staaf mist rakelings Sorane’s hoofd en botst tegen de wand. Dan valt de staaf uit zijn handen, terwijl hij naar zijn borst grijpt. Maar nog voor hij het mes kan aanraken, stort hij neer en blijft doodstil liggen. Dan richt Sorane zich op en kijkt naar de andere. Deze is met moeite rechtop gaan zitten en kijkt Sorane aan. We moesten je alleen een lesje leren, Sorane, zodat je je zou terugtrekken. ‘Ik ben hier om te slagen, man. En dat zal ik.’ ‘We vreesden al dat je dat zou zeggen, roodkop. Je bent veel te koppig om op te geven,’ zegt een stem links van haar. De man op de vloer grijnst even. ‘Je hebt geen enkele kans Sorane. We hebben geen bevel om je te doden, maar wel om je zo toe te takelen, dat je nooit voor de eerste proef kan slagen. En als het toch zou lukken, dan haal je zeker de tweede proef niet. Sorane kijkt even naar de drie die haar op hun hoede aankijken. ‘Het zou ons spijten als je nu moest zeggen dat je het opgeeft, Sorane.’ Sorane glimlacht even, terwijl ze achteruit wijkt. In de mijnen heeft ze voor hetere vuren gestaan, dan deze vier mannen. Die hebben geen enkel idee hoe zwaar de training die Jov en enkele mannen haar daar lieten ondergaan. Als Sorane tegen de muur leunt, laat ze zich langzaam zakken tot haar linkerhand de vloer aanraakt. Even beweegt ze haar hand en voelt dat de verlamming van de slag zo goed als weg is. ‘Ben je het al moe, schatje?’ vraagt een van hen. Maar de hand van Sorane schiet snel naar voor en grijpt de staaf die daar ligt. Zodra ze hem vastheeft, duikt ze opzij en rolt naar de andere wand, toe. De drie willen haar volgen, maar Sorane richt zich al op en fluistert. ‘Drie tegen een. Lekker speelgoed,’ horen ze haar fluisteren. Dan kijkt ze hen aan. De vierde kruipt op dat moment rechtop en kijkt naar dode, maar mist het mes dat in zijn borst zou moeten steken. ‘Verdomme, Sorane heeft het.’ ‘Pas op, ze heeft mijn mes.’ De drie grijzen, als ze de deur langs de andere zijde zien opengaan. Daar komen nog drie anderen binnen. Eentje is gewapend met een lange stok met aan beide uiteinde een metalen punt, de tweede met twee zwepen en de derde met een metalen ketting. ‘Wauw, nog meer speeltjes,’ fluistert Sorane even, maar innerlijk is ze dankbaar voor de keiharde training die ze op de mijn planeet ondergaan heeft. Deze mannen zijn daar niet van op de hoogte. Dus zien ze haar op de drie die pas binnenkwamen toestappen en horen haar spottende stem zeggen: ‘Komen jullie mij helpen tegen die daar, of zijn jullie juist hier om hen te helpen,’ zegt ze hees. De drie grijnzen, terwijl die achter haar beginnen te lachen. Plots maakt Sorane een snelle beweging met haar rechterhand en de middelste van de drie achter haar, stokt in zijn lach. Het mes uit Sorane’s rechterhand steekt recht in zijn borst. ‘Nummer twee,’ zegt ze met schijnbare kalmte, ‘wie volgt?’ De man met de ketting haalt bliksemsnel uit, maar mist. De ketting raakt een van de twee achter Sorane in het aan gezicht. Brullend van de pijn wankelt die achteruit. Voor de man met de ketting zich kan herpakken, duikt Sorane naar voor. Tweemaal slaat ze met al haar kracht en verbrijzeld telkens na elkaar een paar ribben van de man. Zwaar kreunend, zakt hij in elkaar. Zijn twee maten zien het bloed uit de kleine wonden vloeien, die de gebroken ribben veroorzaakt hebben.  Zij worden nu voorzichtiger en verspreiden zich om Sorane. Maar ook zij werd geraakt door een zweep, die haar linkerzijde openhaalde. Sorane tast er even naar. De snede is niet zo diep, maar bloed lichtjes. Zij kan niet weg en ziet de vier op haar toekomen. Ook de vierde is nu gewapend met het mes, dat hij uit de borst van de tweede dode trok. Maar Sorane heeft nog meer geleerd op de onherbergzame planeet. In haar mauwen zijn schiethaken verborgen, waaraan een filter dunne draad aan bevestigd is. Uit haar linker mauw schiet een haak weg, recht op de man met het mes toe. Niemand van haar aanvallers heeft het echter gemerkt, tot de man plots doorboort wordt. Dan geeft Sorane een ruk met haar arm en de man verliest het evenwicht. Als hij op haar toe wankelt, slaat ze hard toe. Als een blok stort hij neer, en blijft roerloos liggen. Nog voor de anderen van hun verbazing bekomen zijn, heeft Sorane het mes gegrepen en kijkt de man even aan. ‘Vier neer. Nog kandidaten,’ zegt ze hees, terwijl ze lichtjes wankelt. De man die door de ketting geraakt is, trekt echter twee staven, die door een dunne ketting verbonden zijn uit een holster op zijn rug en komt op de anderen toe. ‘Zijn wij getrainde mannen of zwakkelingen, vrienden. Die gewonde welp kunnen we toch gemakkelijk aan,’ zegt hij koel. ‘Pas maar op, Con. Ze is veel gevaarlijker dan ze eruitziet. Vier van ons heeft ze al, zie jij maar dat je de volgende niet bent,’ zegt de man met de lange stok. De man links van haar merkt dat Sorane even naar de man met de stok keek en waagt zijn kans. Met twee sprongen raakt hij tot bij Sorane en slaat toe. Maar zij weert zijn slag met haar stok af. De slag is zo hevig dat ze beiden hun stok moeten lossen. De man met zwepen wordt even aan zijn been geraakt, terwijl andere stok langs het hoofd van de man met de dubbele stokken voorbij schiet. Ook die waagt nu zijn kans en springt naar voor. Sorane reageert iets te traag. Ze voelt een harde klap tegen haar hoofd, maar het mes dat ze wierp doorboort de hals van haar aanvaller. Maar Sorane is zwaar geraakt en wankelt achteruit. Ze voelt het bloed langs haar wang naar beneden lopen. Dan krijg ze een klap van een zweep te verwerken, krimpt in elkaar van de pijn, als haar bloeze scheurt. Een tweede klap raakt haar rechterdij en laat een bloedspoor na. Ze schudt haar hoofd om weer helder te kunnen denken en kijkt om zich heen. Maar ze beseft dadelijk dat ze te ver van iets, dat als wapen zou kunnen dienen, verwijderd is. Weer voelt ze dat ze geraakt wordt en wankelt achteruit. Dan weer een slag, ditmaal scheurt de zweep haar linkerarm van schouder tot ellenboog open. Weer slaap de man toe en de zweep kronkelt om de heup van Sorane. ‘We moesten je een ranseling geven, dame. Maar je vocht om te doden, dus zeg je laatste gebedje maar.’ Sorane glimlacht even, want hierop is ze getraind, al weet ze dat als de man iets te snel is, haar lichaam door de vlijmscherpe zweep in twee gesneden zal worden. Langzaam probeert ze achteruit te komen en de man grijnst alleen. ‘Hoe verder je van mij af probeert te raken, schatje. Hoe gemakkelijker zal ik je kunnen doden.’ ‘Dat weet ik,’ fluistert Sorane en stoot zich dadelijk af van de muur. Met een, twee, drie sprongen is ze zo dichtbij hem, dat hij veel te traag reageert. Haar linkerhand raakt zijn rechter, waardoor hij de zweep moet loslaten, maar de platte kant van haar rechterhand raakt hem echter recht op zijn keel. Hij laat ook zijn tweede zweep vallen en grijpt met beide handen naar zijn hals, terwijl naar lucht snakt, die nooit meer in zijn longen zal raken. Met een snelle beweging maakt de ze zweep om haar heupen los, de metalen punt van de zweep raast zo dichtbij het gezicht van de laatste man voorbij, dat die verschrikt achteruit wijkt. ‘Laat je wapen vallen, man. Of wil je ook naast je vrienden liggen,’ hoort hij de roodharige zeggen. Alsof de stok meer dan duizend weegt, laat hij hem vallen en wijkt trillend van spanning opzij. Sorane voelt zich zo moe en heeft overal pijn, maar dwingt zich om vooruit te stappen. Maar als ze de man nadert, beseft die pas dat zijn leven aan een zijden draadje hangt. Levend zal de coördinator hem niet uit deze ruimte laten, tenzij die roodharige duivelin hier levenloos voor zijn voeten ligt. Dadelijk grijpt hij naar het vuurwapen dat hij altijd op zijn rug draagt. Maar Sorane heeft de beweging opgemerkt en geeft een ruk aan de zweep in haar rechterhand. Het slijmscherpe leer kronkelt zich om de hals van de man en dan geeft Sorane en ruk aan het handvat. Het lichaam van de man stort naast haar neer, terwijl zijn hoofd tot tegen de wand rolt. Zijn wapen klettert op de vloer. Even kijkt ze wankelend naar doden. Dan bukt ze zich en neemt het wapen op. Met trillende hand steekt ze achter haar broeksriem op haar rug. Met wankelende passen stapt ze door de deur de lange gang. Met moeite geraakt ze vooruit, maar bereikt een paar minuten later het einde van de gang en ziet de deur openschuiven. Daar staan verschillende leden die in opleiding zijn. Ze zien haar bebloede en wankelend naderen.  In het midden van de ruimte is een cirkel op de vloer geverfd. In de cirkel staat een jongeman die ze niet kent. Helemaal alleen wankelt Sorane naar de ring toe, terwijl iedereen haar aanstaart. Als ze blijft staan kijkt ze naar haar tegenstander. Maar dan zicht ze haar blik op de coördinator en fluistert: ‘Zijn acht doden niet genoeg om te bewijzen dat ik mijn plaats waart ben?’ De man schrikt van haar woorden. ‘Zou ze de waarheid spreken? Zijn ze alle acht dood?’ denkt hij, maar als hij haar zo ziet staan, beseft hij dat ze de waarheid moet spreken. ‘Acht of tien doden, Sorane. Dat maakt niet uit. Dit is de tegenstander die jij moet overwinnen,’ zegt de coördinator met een van woede trillende stem. Sorane doet nog en wankelende stap naar voor en betreed hierdoor de ring. Ze kan bijna niet meer. Maar ze is vastbesloten. Dan stapt de haar tegenstander naar voor en blijft op een pas van haar staan. Aandachtig kijkt hij haar aan. Hij ziet de wil om te vechten in haar ogen, maar ook haar uitputting. Met een ruk keert hij zich om en zegt koel: ‘Als Sorane Cobanon acht mannen kan verslaan, dan verdient ze onze eerbied. Ik vecht niet met haar nu ze verzwakt is. Maar als ze weer in staat is om te vechten, dan zal ik aan haar zijde staan,’ zegt de jongeman. De coördinator kijkt hem woedend aan, maar ziet ook de vijandige blikken om zich heen. Dan knikt hij. ‘Je hebt gelijk, Nevon.’ Terwijl iedereen hem afwachtend aanstaart, denkt de Coördinator na. Als hij zijn hoofd opricht heeft hij een besluit genomen. ‘Sorane, jij bent voor deze proef geslaagd, al is het op een andere manier dan ik in gedachten had. Maar, Nevon, jij hebt niet gevochten, daarom zak je met tien punten.’ De jongeman slikte even, maar blijft staan zonder te bewegen. ‘Tien punten, sir. Ik zal die wel terugverdienen.’ De coördinator knikt grijnzend. ‘Over drie dagen is de laatste proef Sorane Cobanon. Wees op tijd, anders verlies je de proef en kom jij naast de acht onwaardigen te liggen, die jij gedood hebt.’ ‘Die acht wilden mij doden, coördinator, maar zij verloren al vechtend het leven. Maar jij, hoe zal jij gedood worden. Vechtend of als een lafaard in je kantoor,’ zegt Sorane. ‘Je bent gewond en moe, Sorane Cobanon, daarom zal ik doe alsof ik deze woorden niet gehoord heb. Maar zeg zoiets nooit meer, want dan zal je dadelijk afgevoerd worden,’ zegt de coördinator met ingehouden woede. Dan haast hij zich weg. Sorane probeert te stappen, maar ze krijgt haar voet zelfs niet meer van de vloer. Nevon schiet haar dadelijk te hulp, maar ook enkele anderen komen helpen. Ook Axin. Alleen Verin blijft op zijn plaats staan. Van op die plaats kon hij recht de gang inkijken en daar ziet hij op het einde ervan in de deuropening een van de doden liggen. ‘Acht mannen gedood. Hoe heeft ze dat gedaan en dan nog in haar eentje?’ vraagt hij zich. Als hij merkt dat een paar jongens Sorane wegdragen, haast hij zich eindelijk naar haar toe. In haar vroegere kamer leggen ze haar op het bed. Axin stuurt hen daarna weg. ‘Ik moet haar wonden verzorgen en ik wil geen pottenkijkers.’ ‘Mag ik helpen,’ vraagt Verin. ‘Nee, jongeman. Ik moet haar kleren verwijderen en dat is niet toegelaten in het bijzijn van leden van het andere geslacht, dat moet je weten.’ ‘Jij zou dat beter ook niet doen, Axin.’ ‘Dat weet ik, Verin. Maar ze heeft hulp nodig. En jij hebt meer van haar gezien dan goed voor jou is.’ Verin wordt rood tot achter zijn oren. ‘Zou ze het weten? Dat moet wel, want Sorane was haar trainingspartner en zoiets als een vriendin,’ schiet het door zijn gedachten. ‘Jullie geheim is veilig, Verin. Ik zal Sorane nooit verraden en jou dus ook niet,’ fluistert Axin. Als Verin zich omkeert, ziet hij Nevon voor hem staan. ‘Ze heeft ze werkelijk alle acht gedood, Verin. Wie zou hen gestuurd hebben, denk je?’ ‘Weet je dat niet, Nevon. Er is er maar een die dat kan bevelen in dit complex.’ ‘De coördinator dus. En die verlangd onze trouw.’ ‘We moeten wel, Nevon. Hij kan ieder van ons laten doden als hij het nodig vindt. Ik vraag me alleen af waar en wie Sorane getraind heeft, want ze is veel beter geworden dan ze ooit was.’ ‘Dat vraag is of de coördinator op de hoogte was. Want hij moet haar toestemming gegeven hebben om voor meer dan een jaar haar opleiding te onderbreken.’ ‘Zouden ze haar ergens anders getraind hebben?’ ‘Dat zoek ik wel uit als Sorane er weer bovenop is, Verin.’ ‘Als het met de opdracht van de coördinator gebeurd is, waarom stuurde hij dan die ervaren actieven op haar af?’ ‘Misschien om haar te testen Nevon,’ zegt Verin nadenkend. ‘Maak jullie nu maar uit de voeten. Hoe sneller ik Sorane help hoe sneller ze er weer bovenop is.’ ‘Sorane boft met een vriendin zoals je, Axin.’ ‘Waarom? Ik help haar omdat ze hulp nodig heeft, Verin. Ik wil haar dankbaarheid, want misschien wil zij mij wel een paar trucjes leren, zodat ik meer punten scoor.’ Verin knikt even. ‘Als het je daarom te doen is, Axin, zal je misschien wel succes hebben.’ ‘Tot later, Verin. Ik zie jullie wel bij het avond eten.’ Nevon knikt even. ‘Kom, Verin. We zijn hier weg, voor we verdacht worden.’ Verin zegt niets meer maar volgt hun collega naar buiten. Achtenveertig uur later waagt Sorane zich voor het eerst weer uit haar kamer. Ze heeft een zwart pak aan. Als ze in gezelschap van Axin de eetzaal binnenstapt, kijken ze haar allen aan. Ze zien allen het verband, dat ze om haar heup onder haar jasje draagt. Ook haar linkerarm is door een strak verband omwonden. Ook heeft een pleister op haar voorhoofd, waar ze een beetje haar mist. Enkele klappen in hun handen. ‘Dat moet een machtig gevecht geweest zijn, Sorane,’ roept een van hen. Maar Sorane echter niets. Ze zien allen dat ze ook een beetje mankt met haar rechterbeen. ‘Je wil overmorgen toch niet voor de tweede proef opdagen, Sorane,’ zegt Verin. Sorane knikt alleen maar. ‘Ze kan niet anders, Verin. Je hebt toch gehoord van de coördinator zei.’ ‘In deze toestand haalt ze het niet, Axin. Ze moet nog minstens twee weken rusten.’ Met trillende handen eet Sorane enkele boterhammen op, terwijl ze strak voor zich uitkijkt. Haar vrienden en enkele anderen kijken met steelse blikken aan. Ze weten niet goed hoe ze met deze situatie om moeten gaan. Als ze haar helpen, zouden ze weleens bij de coördinator geroepen kunnen worden. ‘Sorane, waarom kom je niet bij ons zitten? Wil je onze vriendschap niet meer?’ Langzaam wendt Sorane haar hoofd en zegt: ‘O, Axin. Jullie zijn en blijven mijn vrienden hier in het ondergrondse. Ik heb jullie vriendschap nodig om hier te kunnen overleven. Maar ik wil me alleen voorbereiden op mijn proef overmorgen. Ik heb geleerd om speciale concentratie-oefeningen te doen.’ ‘Ga je dan geen uitstel vragen?’ ‘Nee, Axin. Ik ben nu meer dan ooit vastberaden om mijn pijn te verbijten om te slagen en indien ik tegenslag heb dan heb ik pech gehad.’ ‘Is het dan toch niet beter om uitst...’ ‘Dat zal de coördinator niet toestaan, Nevon. En ik wil hem dat plezier niet gunnen.’ ‘Hopelijk zien we je nog levend en wel terug, Sorane.’ ‘Na mijn ziekte ben ik door enkele harde mannen in de mijnen getraind. Zij hebben mij werkelijk afgebeuld, zo erg dat ik elke avond in mijn bed kroop en als een blok in slaap viel. Ik moest van hen alles leren wat zijzelf als kennis en training bezaten. Twee weken voor ik vertrok, was ik sneller in en uit de mijnen als elk van hen. En dat terwijl ze er alles aandeden om mij niet te laten slagen.’ ‘Dat moeten nogal mannen geweest zijn, Sorane,’ merkt Verin met een jaloerse ondertoon op. ‘Het waren veroordeelde misdadigers, Verin. En ik behandelde hen als mensen en niet als vuil, zoals de meeste bewakers. Daarom hebben ze mij getraind en om ook eens iets anders met hun eentonige vrije tijd te doen.’ ‘Dan ben je hen wel iets verschuldigd, denk ik.’ ‘Dat is zeker, Verin. En ik kreeg bij mijn afscheid van een van hen het wapen waar ik mee trainde als geschenk. Ooit was het van een vriend in de mijnen geweest, die omkwam bij een instorting. Die vriend, van wie ik de naam niet mag zeggen, was een van ons. Hij is hier meer dan dertig jaar geleden opgeleid tot een van de hardste moordenaars. Hij weigerde later een opdracht, maar kon ontkomen en belande op een verre planeet. Daar werd hij enkele jaren gegrepen en ze stuurden hem naar de mijnen.’ ‘Misschien kan je dan toch beter gaan rusten, want morgen is het zover.’ Sorane knikt naar Nevon en staat op. ‘Ik zie jullie allen morgen wel, vrienden.’ Verin en de anderen kijken haar na, als ze naar de uitgang van de eetzaal mankt. ‘Ze heeft nog veel last van haar been, Verin. Ik hoop dat ze het haalt.’ ‘Ik ook, Axin. Ik zou niet graag hebben dat ze gedood wordt.’ Axin zegt echter niets. De volgende morgen is Sorane al vroeg op en kleed zich aan. Dan haast ze zich met stijve pas naar de eetzaal. De coördinator ziet haar binnen komen en grijnst even. Ze heeft andere kledij aan dan gisteren, maar nog steeds is het verband te zien die haar wonden bedekken. ‘Die heeft geen enkele kans om te slagen. En als ze het toch doet, raakt ze nooit levend hier terug,’ denkt hij. Als Sorane en haar vrienden gegeten hebben, kijkt ze even naar de coördinator. Die staat al een tijdje met enkele actieven te praten. Mankend haast ze zich naar de container waarin ze de plaat met gebruikt eetgerief moet in werpen. De coördinator volgt haar met zijn ogen en als ze zich weer omdraait: ‘Sorane, kom dichter.’

Jelsi
0 0

Twee Bloemen (kortverhaal)

Twee verwelkte bloemen staan op de vensterbank voor het raam. Ze delen een aarden bloempot en een schrale kluit potgrond. Rechts, een rode wijnvlek. Alsof de kleur uit miserie uit de kroonbladen is gegleden en is blijven liggen op het kozijn. Hun stengels en kelkbladen zijn verdord. Het genadeloze zonlicht droogt hen nog wat verder uit. Als je goed luistert, kan je ze horen kraken en verschrompelen. Ooit zo kleurrijk en fleurig, nu gedoemd om te verworden tot vuile bruine schilfers en snippers, waar niemand nog aan zal ruiken. # 1 Ze dronk haar glas leeg, zette het op tafel en schoof de stoel achteruit. Onderuitgezakt met een hand achter het hoofd, keek ze nog even naar de bloemen. Ze vroeg zich af hoe zoiets prachtig had kunnen veranderen in zoiets ellendig. Bedroevend. Treurig. Ze schudde haar hoofd, stond op en wandelde naar het raam. De geur van verlepte bloemen, vergane glorie, drong in haar neusgaten. Ze zou hen beter weggooien in plaats van ze daar verder te laten creperen. Het was echt geen zicht en het had iets meelijwekkend, maar ze kreeg het gewoon niet over haar hart. Het was haar schuld dat ze dood waren. Haar godverdomse schuld. # 2 Ze bedacht dat het geen toeval is dat bloemen geven een teken van liefde is. Een groots maar ook broos teken, want zoals geliefden van elkaar afhangen, zo hangen bloemen van hun eigenaars af. Vergeet hen water en wat zonlicht te geven en het schone verdwijnt even snel als het schuim op een slecht gemaakte cappuccino. Iemand die bloemen geeft, zegt eigenlijk: “Ik vertrouw erop dat jij even goed zorg zal dragen voor deze bloemen, als jij dat voor mij doet. Zorg ervoor dat ze zo lang mogelijk bloeien en groeien.” Een relatie is dus net zoals een ruiker bloemen. Zolang ze bloeien, is het allemaal mooi en goed, maar eens ze beginnen te verwelken, kan het vlug lelijk worden. # 1bis Hij liep over straat en zag mutsen en sjaals gedragen worden door zich daaronder verstoppende mensen. Ze verstopten zich voor de kou, uit schrik dat indien ze te diep zouden inademen, de koude lucht niet alleen hun tenen, maar ook hun hart zou bevriezen. Hij gaf ze geen ongelijk. Met een bevroren hart kun je niet leven. Enkel pretenderen dat te doen. Met een bevroren hart valt ook niet samen te leven. Dat wist hij ondertussen ook al. # 2bis Wat ze voor hem voelde, had ze in één welgemikte zin naar zijn hoofd geslingerd. “Je bent een kamerplant.” Hij had niet beter gevonden dan te antwoorden: “En jij, onkruid. Dat vergaat niet en parasiteert op de rest”. Het verbaasde hem niet dat een romance tussen een kamerplant en onkruid geen lang leven beschoren was, maar toen ze eraan begonnen, waren ze nog niet meneer Kamerplant en mevrouw Pisbloem. Neen, toen waren ze Monseigneur Grote Leeuwenbek en Madam Magnolia en leek het allemaal wel goed uit te zullen draaien. Ze zouden zich samen naar de zon richten en diens stralen omzetten in een onuitputtelijke energie om groter, sterker en mooier te worden. Het eeuwige samenzijn lachte hen toe. # 3 Ze duwde haar pink in de potgrond. Droog. Geen enkele korrel bleef kleven aan haar vinger. Alle levenskracht uit de aarde gezogen door de hongerige wortels. Arme aarde. Ze nam het plastic potje uit de vaas en zag dat de wortels er onderaan uit staken. Op zoek naar restjes water en mineralen, waren ze dieper en dieper gaan zoeken om ten slotte op de kale bodem van de bloempot te stoten. Ze moeten zo teleurgesteld zijn geweest als een ruimtevaarder die na maanden vliegen door het eindeloze zwarte heelal, eindelijk landt op een planeet, uitstapt en niets buiten stenen en stof ziet. Voor de wortels betekende de bodem het einde van reis en ze gaven het op. Een ruimtevaarder stapt terug in zijn ruimteschip en zoekt verder. Welk van de twee paden haar lot zou zijn, wist ze nog niet. # 3bis Hij liep voor een naderende bus in en wist net op tijd de stoep te bereiken. Hij voegde zich in de stroom winkelende mensen en diepte zijn trillende gsm op uit zijn borstzak. Het was een bericht, zijn gsm dan toch niet rillend van de kou. ‘Waar ben je?’ Goede vraag. Hij antwoordde haar: ‘Wie ben jij? Nu begon ze zich plots zorgen te maken. Nu, na maanden snoeien en pesticide sproeien, zou ze haar kamerplant eindelijk wat aandacht schenken. Nu was het te laat. De zure regen had zijn werk gedaan. Er zat niets meer in de aarde om verder op te groeien. Helemaal uitgeput. ‘Depleted’ zouden ze in Londen zeggen. # 4 Ze zonk neer in de zetel en legde haar gsm op het salontafeltje. Ze wist niet wat te doen. De kasten waren gevuld met boeken, geschriften waarin ze geen enkele raad zou vinden. De stoelen stonden rond de tafel, maar er was niemand om mee te overleggen. De stilte in huis was daar om gebroken te worden, maar bleef halsstarrig doorklinken. Nu had ze iemand nodig. Nu. Op dit ogenblik, in dit moment besefte ze hoe eenzaam hij moet geweest zijn. # 5 Ze bleef nog even rechtop zitten en liet zich vervolgens neervallen op de beige zetel. Ze tuurde naar het witte plafond. Hij was vrij duidelijk geweest en zij had het klaar en helder verstaan. Hij zou niet meer terugkomen tenzij voor zijn spullen te komen halen. Hun relatie was in een barre winter terechtgekomen. Beter, een ijstijd. De bomen waren zonder bladeren en zouden geen knoppen meer krijgen. Een dooi, een lente was onmogelijk geworden. # 4bis De lucht deed zijn grijs gewaad aan en begon dicht te trekken. Hij dwaalde door de stad en liet zich leiden door zijn automatische piloot. Die deed hem landen bij Bar Celona, waar Céline achter de toog stond. Hij bestelde een cappuccino en bleef staan aan de bar. “Alsjeblieft.” Ze zette een koffie met halfslachtig opgeklopte melk voor zijn neus. Het schuim verdween als sneeuw voor de zon. Gelukkig voor de zaak was ze beter in het tappen van pinten met een deftige schuimkraag. “Céline, wat als ik je zeg dat ik klaar ben om verpot te worden?” # 5bis Verpotten moet je in de lente doen, had hij ergens ooit gelezen. Moet je doen als de wortels uit de pot groeien, want dat betekent dat de plant geen kant meer uit kan en zou stoppen met groeien. Wel, dat moment was aangebroken. Zijn winterslaap had lang genoeg geduurd. Maanden binnen zitten, wachtend op een geniale inval, een antwoord, een aanbod. Hij snakte naar wat zonlicht, verse grond. Een nieuw begin. # 6 Hij had maanden zitten lanterfanten, terwijl zij met moeite de tijd kon nemen om eens fatsoenlijk te slapen. Duizenden ideeën vulden zijn hoofd, pende hij neer op papier, maar werden nooit bewaarheid. Hij wou ondernemen, uitvinden, de wereld verbeteren, maar kwam niet verder dan zijn eigen bureau. Behoorlijk tragisch. Hij weigerde, in afwachting van het grote licht, wat te werken waardoor zij de boel draaiende moest houden. ‘Later’ zou hij dat allemaal dubbel en dik terugverdienen. Nu zwart zaad, later gigantische bomen. Dat was zowat zijn motto, al vergat hij blijkbaar dat zaad te planten. Zelf stelde hij het dan voor als dat ‘de zon nu even niet scheen’. # 6bis Geen enkel idee zou ze kunnen opnoemen, mocht hij het haar vragen. In haar ogen vergooide hij zijn tijd. Was hij een verstrooide en nutteloze pater die opstond zonder doel, ging slapen zonder reden om wakker te worden en leefde zonder te bestaan. Zij wou vooruit, wou dingen bereiken, een richting kiezen en zo ver mogelijk geraken. Als hij haar dan vroeg welke richting, bleef het stil. Kon ze niet antwoorden. Zelf was ze in de eerste beste job getuimeld en had ze besloten daar alles voor op te geven. Om te bestaan zonder te leven. # 7 Die nacht lag ze op haar zij met haar ogen gesloten. Ze vroeg zich af of ze nu eigenlijk de achterkant van haar oogleden zag of dat haar ogen gewoon ophielden met werken. Veel maakte het in ieder geval niet uit, het resultaat zou het hetzelfde blijven. Als ze haar ogen sloot, liet ze een zwart doek neer. Een zwart doek waarop gedachten en twijfels, zo hardnekkig als onkruid, konden woekeren. Hoe harder ze probeerde hen tegen te houden en in te dammen, hoe verder ze zich verspreidden en uitbreidden. # 7bis De zwakke ochtendzon duwde zachtjes tegen de gordijnen en liet zichzelf na even twijfelen toch binnen. Céline lag met een speelse lach nog vredig langs hem te slapen. Zijn zaad was geplant. Nu nog een ander bloempje uittrekken, met wortel en al. Als dat geen goede reden was om op te staan. Hij zou een deel van zijn spullen gaan halen, vertrekken en tijdelijk bij Céline verblijven. De praktische zaken en de grote spullen zouden ze later wel afhandelen, dat kon wachten, maar hij moest en zou vandaag vertrekken. # 8bis De deurbel had weerklonken. Hij had het altijd een stom deuntje gevonden, maar nu werd hij er om een of andere reden vrolijk van, fleurde hij er van op. Hij keek rond zich en zag een kleine deuk in de muur. Die was daar gekomen toen hij vol goede moed de nieuwe zetel naar boven had gesleurd. Bleek dat ze hem toch niet zo leuk vond. Hij meldde haar dat ze hem dan maar zelf naar onder mocht brengen. De deur ging open. # 8 De deurbel had weerklonken. Ze zat net met haar koffie in bed, verschoot en verslikte zich. Ze wist haar kop op het nachtkastje te zetten en zo te vermijden dat haar gebroken witte lakens zouden veranderen in vodden die bescheten leken. Ze stapte in haar pantoffels en slofte naar de deur. Zaterdagmorgen, om negen uur, welke nietsnut heeft er dan niets beter te doen? Zonder te kijken, opende ze de deur. # 9 “Goedemorgen.”   “Dag Leo, wat kom je doen?”“Wat spullen en kleren halen.”   “Ben je niet beschaamd over het uur?”“Je bent toch wakker. Wat maakt het uit?”   “Niets dan. Kom binnen.”“Ik kom later nog terug voor m’n computer en zo te halen.”   “Waarom blijf je niet gewoon?”“Waar valt ervoor te blijven?”   “Dit, ons, wij.”“Neen, voor jou was het altijd al ik en jij.”   “Wat bedoel je daar mee?”“Gewoon, het is over, gedaan tussen jou en mij.”   “Het kan niet dat er niets meer is.”“Zie je die twee bloemen daar. Dat zijn wij. Gereed voor de composthoop. Miserabel groenafval.” # 9bis Ze wist niet wat te zeggen. Ze wou fel en nietsontziend, furieus tekeergaan. Hem neer-branden tot tegen de grond zoals dat gebeurde met de olijfgaarden van de oude Grieken. Dan zou het nog jaren duren vooraleer er terug vruchten zouden verschijnen. Ze wou hem met de grond gelijk maken, geen enkele spaander heel laten, maar deed het niet. Ze kreeg haar mond niet open. Alsof er terpentijn tussen haar lippen zat. Hij hoopte dat ze zou ontploffen. Dat ze met een wolk napalm heel zijn regenwoud zou affikken. “I love the smell of napalm in the morning”. Een Apocalyps en nu, graag. Hoe minder hij moest opruimen, hoe makkelijker het zou zijn om iets op te bouwen. Op een afgebrande akker groeien de dingen nu eenmaal beter. Maar het bleef stil. Hij nam een rugzak, vulde die met kleren en zocht twee paar schoenen uit. Ze stond en staarde. “Dan ga ik er maar mee vandoor” # 10 -01 Ze keek hem aan, sprak hem aan. Zonder woorden. Begreep hij wat zij wou. Hij keerde zich om, zonder vaarwel, en vertrok. De deur leek voor hem een grens. Een grens die hij over moest om opnieuw te kunnen beginnen. Te verrijzen uit zijn as. Een grens waar de douane zijn koffer niet zou openbreken maar zijn verleden voorgoed in beslag zou nemen. Zijn handel in verdrongen herinneringen en verbroken beloftes voorgoed kwijt. Ergens veilig weggestopt in een kluisje aan de grens.  

Egbert Dasdonk-Mirador
144 1
Tip

Laten we het maar liefde noemen

“Het was niet echt een knappe man, maar hij had wel iets. Zoals Freddie Mercury, dat was ook geen knappe man, maar hij had ook wel iets. Ik wil trouwens niet verliefd worden… Ik ben al verliefd! Maar goed... Het eten was eigenlijk wel gezellig, niet dat het chique was of zo, maar het was in ieder geval geen Mc Donalds… Ik heb hem laten betalen. Hij stond erop. Dat vond hij normaal vond hij, dat een man betaalde, net zoals de deur opendoen of de stoel achterover schuiven. Echt een gentleman. Het was de eerste keer dat hij een date had sinds zijn echtscheiding, zei hij, maar ik weet niet zeker of ik hem geloofde. Hij had een pak aan, kun je dat nu geloven? Een grijze. Welke man draagt nu een pak op date? Hij praatte nogal veel over zijn ex vond ik. Ik liet hem maar. Je weet dat ik een goede luisteraar ben. Beter luisteren dan praten. Flirten deed hij eigenlijk niet. Ik denk dat hij daarvoor het zelfvertrouwen miste. Van mij had het wel gemogen. Toen we naar buiten liepen, het was bij negenen, pakte ik zijn arm beet. Een beetje menselijk contact kan geen kwaad, dacht ik. Ik merkte dat hij zich er wat ongemakkelijk bij voelde, maar ik zette dapper door. Geen haar op mijn hoofd die eraan dacht zijn arm los te laten. Tot dat moment wist ik eigenlijk niet of ik wilde. ‘Nog een slaapmutsje bij jou?’ hakte ik meer de knoop door voor mezelf dan voor hem. Hij schrok er een beetje van, de arme kerel. Hij had waarschijnlijk niet gedacht dat ik zo gemakkelijk zou zijn. Maar ja, het is alweer enkele weken geleden, en ik wilde je niet teleurstellen… God wat was hij onhandig. Hij gaf me wel een amarettootje, maar daar bleef het dan ook bij. Geen muziekje, geen dimmen van de lichten, en nog altijd geen geflirt. Niets. Het leek wel alsof hij nog nooit met een vrouw had gedate. Bijna had ik gewoon mijn amarettootje uitgedronken en hem goede nacht gewenst. Maar toen dacht ik dat het misschien wel leuk was zelf de jacht te openen. Ik ben altijd veel te passief geweest, denk ik, niet als minnaar dan, maar wel bij het versieren. Ik liet het altijd over me heen komen. Dat is misschien het voordeel van niet lelijk te zijn, of van vrouw te zijn, je hoeft er eigenlijk nooit veel voor te doen. Ik schopte mijn naaldhakken uit en kroop wat dichter naar hem toe. Ik probeerde echt te doen als een verleidelijke deerne, dat is toch wat mannen aantrekkelijk vinden, of niet?” James luisterde ijverig, of dat hoopte ze toch. Het was inmiddels twee weken dat hij niet meer kon spreken. “Ik vond het echt zo belachelijk… Onschuldig en sletterig doen tezelfdertijd. Wat is dat moeilijk, weet je! Daarin hebben mannen het wel gemakkelijk, ze moeten gewoon wat stoer doen, wij moeten altijd van alles zijn! Hij bleef maar naar zijn handen staren waar hij precies geen weet mee wist. Ik begon me zelfs een beetje te ergeren, hoe ik ook probeerde positief te denken. Een vrouw is niet gewend om zo hard te werken om iemand in bed te krijgen, weet je! Was het niet voor jou, had ik die man zeker laten vallen. Voor zoveel moeite was hij lang niet knap genoeg! Dan zit hij daar met een knappe vrouw in zijn zetel en weet hij niet wat hij ermee moet aanvangen. Snel dronk ik mijn amaretto leeg. Niet omdat ik er een einde aan ging maken, maar omdat ik een beetje dronken wilde worden. Dan ben je moediger, toch? Moest je denken dat hij me er nog eentje aanbood, dan ben je eraan voor de moeite. Het leek wel alsof hij van me af wilde. ‘Vind je vrouwen die seks hebben op een eerste date te gemakkelijk?’, vroeg ik hem liefjes. Ik legde één van mijn handen op zijn dij en streelde hem zacht. Eindelijk keek hij me aan. ‘God, daar heb ik eigenlijk nog nooit bij stilgestaan.’ Hij staarde naar zijn glas en sprong nerveus recht, maar zijn halve erectie in zijn broek was mij niet ontgaan. ‘Nog eentje?’ ‘Graag!’ Eindelijk, dacht ik. Ik merkte dat hij lichtjes beefde toen hij mijn glas volgoot. ‘Wil je me dronken voeren’, vroeg ik sarcastisch toen hij het glas bijna tot de rand had vol gedaan. Hij grijnsde ongemakkelijk. ‘Sorry.’ ‘Kom hier terug bij me zitten’, zei ik, en klopte verleidelijk dicht naast me op de zetel. Een beetje aarzelend kwam hij terug naast me zitten, alsof hij een jongen was die een kwajongensstreek had uitgehaald en nu op het matje geroepen werd. Op een vreemde manier deed hij me aan onze kat van vroeger denken. Weet je nog hoe die altijd zijn hoofd schuin hield als hij iets had uitgestoken en we hem riepen en hij maar probeerde om niet op het bevel in te gaan? Zijn glas whisky hield hij strategisch voor zijn kruis. Ik nam het glas amaretto op en dronk er een grote teug van, alsof het limonade was. Ik voelde me aangenaam bedwelmd en werd steeds stoutmoediger. Langzaam liet ik mijn hand van zijn dij naar zijn kruis glijden. Hij zuchtte. Zacht, heel zacht, maar het ontging me niet. Ik werd zelf ook een beetje nat. Vooral van het vooruitzicht. Ik probeerde zijn broek open te maken wat geen sinecure was met zijn handen ervoor. Ik haatte het, maar leek wel net een bakvisje die voor het eerst in haar leven de broek van haar vriendje openmaakte. Al die tijd keek hij me niet aan. Bewegingloos bleef hij zitten. Bijna als een standbeeld.” Ze hoorde hoe James adem verzwaarde. Het was de enige reactie die hij haar gunde. Verder bleef hij haar met die lege bruine ogen van hem maar aanstaren alsof dit de eerste keer was dat hij haar zag. Het heeft lang geduurd voordat ze daar aan gewend raakte, maar uiteindelijk had ze geen andere keuze. Ze werd weer een beetje nat bij het denken en herbeleven van haar verleidingsspel. In het begin had ze het ronduit beschamend gevonden om hem over haar seksuele escapades te vertellen. Toen had hij nog kunnen spreken en had hij haar steeds aangemoedigd om verder te gaan, als één of andere perverseling die anoniem van achter zijn computer de pornoverhalen van anderen doorstruinde. Maar zelfs de computer had hij toen al niet meer kunnen gebruiken, daarvoor hadden zijn handen teveel getrild. “Hij deed zijn handen eindelijk uit de weg zodat ik er beter aan kon. Elke man wil het wel als je zover was. En zo lelijk dat ze me liever kwijt waren dan rijk, ben ik ook niet. Ik haalde zijn pik uit zijn broek en begon hem langzaam te masturberen. Er droop al voorvocht uit dat mijn hand zo glibberig maakte als een aal. Het was duidelijk dat het al een hele tijd geleden was van hem. En nog steeds keek hij me niet aan. Hij bleef daar maar zitten. Zijn halfgesloten ogen op zijn penis gericht, alsof hij hem voor de eerste maal stijf zag. Daarna begon ik hem te pijpen. Heel langzaam en grondig. Ik deed alsof het jouw pik was die ik in mijn mond nam. Je weet wel dat sommige meisjes haarfijn het verschil kunnen zien tussen de pik van hun vriendje en de pik van iemand anders, maar voor mij zien de meeste piemels er toch eender uit, hoor. Ik deed mijn ogen halfdicht en deed alsof ik met jou de liefde bedreef. Net zoals vroeger. Wat maakte me dat geil! Hij was zo passief weet je. Pas naar het einde toe legde hij eindelijk zijn hand op mijn hoofd. Aan het versnellen van zijn ademhaling kon ik horen dat hij op het punt stond om klaar te komen. Ik liet zijn pik los, wat niet gemakkelijk was, want hij hield mijn hoofd tegen. Ik liet me op mijn rug vallen zodat ik mijn slipje uit kon doen. Ik was echt nat geworden door over jou te fantaseren. Achteloos smeet ik mijn slipje tussen de zetel en de salontafel. Ik wachtte even. Ik wilde dat hij terug op adem kon komen zodat hij niet meteen zou klaarkomen als ik hem in me bracht.” Onderzoekend keek ze naar het aangezicht van James. Ze vond het vreselijk dat hij geen enkel teken meer kon geven. Ben ik nu zijn hoer, moest ze onwillekeurig denken. En aan hoe gemakkelijk ze dat was geworden. Twee jaar inmiddels ging ze op afspraakjes. Toen had hij zowat heel zijn lichaam nog kunnen bewegen. Ze herinnerde zich hoe ze de eerste keren na haar verhaal, zijn broek probeerde uit te doen. Hij had namelijk altijd een stijve gehad. Ze had hem altijd oraal willen bevredigen, maar steeds had hij haar tegen gehouden. Wat had ze zich vernederd gevoeld. Van de enige pik die ze eigenlijk in haar mond wilde nemen, kreeg ze geen toestemming. Ze had zich dan altijd uit de voeten weten maken, want ze wilde hem absoluut niet haar tranen laten zien. Inmiddels werkte ook dat stukje van zijn lichaam niet meer. “Ik wilde hem eigenlijk niet zoenen, weet je… Dan werd het terug hem waar ik mee vrijde, en ik wilde dat het jou bleef.” Ze grinnikte. “Ik wou mijn lippen op de zijne drukken. Hard en nat. Vol lust, maar zonder liefde. Meer uit verplichting. Maar hij wendde zijn hoofd af, kun je dat nu geloven? ‘Nee’, zei hij schor, en deed zijn ogen dicht. Het moet wel heel vreemd klinken, maar voor mij was dat echt een afknapper. Ik ging op hem zitten, liet hem naar binnen glijden, en terwijl ik zelf mijn ogen dichtkneep en aan jou dacht, maakte ik de klus af. Geen vijf minuten later kwam hij klaar. Ik was inmiddels alweer droog aan het worden. ‘Waar is het wc?’ vroeg ik, na een minuut stilte, wat me wel aanvaardbaar leek. ‘De hal in… de eerste deur rechts.’ Snel stond ik op, nam mijn slipje van de grond en waggelde met open benen naar het toilet. Ik voelde zijn sperma langs mijn dijen glijden. Wat vond ik het vies. Ik wou daar eigenlijk zo snel mogelijk weg. Nog nabevend van het orgasme was hij zelf ook weer zijn broek aan het dichtknopen toen ik terugkwam van het toilet.” Haar seksuele verhalen waren voorspelbaar; ze eindigden altijd op dezelfde manier: het waardeloze gevoel en het weg willen. Zo moest een hoer zich ook voelen, dacht ze. En meteen dacht ze aan hoeveel ze van deze man hield, maar hoe blij ze zou zijn dat hij eindelijk dood zou zijn. Hoe lang kon ze dit nog aan? Ze zuchtte even, hief dan haar achterste uit de eenzit en deed voor de tweede maal die avond haar slipje uit. Het was plakkerig en ze was opgelucht het uit te kunnen doen. “Zo, ik ga douchen”, zei ze, opgewekter dan ze zich voelde, terwijl ze recht stond. Zachtjes legde ze haar slipje op zijn schoot. Nog net voor ze hem voorbij liep, zag ze tranen blinken in zijn ogen.

Malakh Ahavah
69 1

Het vertrek

Vijf minuten over tijd. Te vroeg om zich ongerust te maken.   Voetstappen van de pendelaars echoën door de stationshal. Er wordt amper gesproken op dit vroege uur. Ieder loopt in gedachten verzonken of met slaapogen langs hem heen. Enkel de stem van de omroeper galmt van tijd tot tijd luid door het gebouw. Het gieren van de remmen dringt vanuit de lager gelegen sporen tot in de hal door. Kort nadien verschijnt de stroom reizigers boven aan de trappen. Zodra ze de open ruimte bereiken, lost de kudde op in kleinere groepjes. Nadien worden het stuk voor stuk individuen die de kortste weg naar hun werk inslaan.    Tien minuten. Het ongeduld begint de kop op te steken. Nog te vroeg om die gevoelens toe te laten. Er kan van alles zijn waardoor ze iets vertraagd is. Hij heeft zich altijd al geërgerd aan haar nonchalance bij afspraken. Zelf houdt hij eraan om altijd stipt op tijd te zijn. Niet te vroeg maar zeker ook niet te laat.   Een lichtstraal valt door de grote ramen de stationshal binnen. Terwijl de wolken verder wegtrekken, verheldert de zon het hele gebouw. Alsof dit zonlicht een glimlach op de gezichten van de pendelaars tovert. Ineens is de vermoeide blik uit vele ogen verdwenen en lijkt levenslust op te borrelen. Met een vrolijke noot blaast de muzikant de ochtend op gang. De melodie weerklinkt door het hele gebouw. Een deftig geklede dame huppelt even op de muziek en denkt dat niemand haar gezien heeft.   Een kwartier. ‘De Thalys met bestemming Parijs komt over enkele ogenblikken aan op spoor 12’, schalt door de hal. ‘Voor deze Thalys is een reservering verplicht.’ Hij kijkt naar de twee tickets in zijn hand. Zijn maag krimpt samen in een pijnlijke prop: het besef dat ze niet meer zal komen.  

Marieke Genard
0 0
Tip

Horzel

Zandkorrels doorzeefden de zonneharpen die rood en moe door het gebladerte braken. Met elke beweging van Roels schepje tolde het zand omhoog om daarna weer de zandbak in te zinken. Al een half uur was hij zandkastelen aan het bouwen. Een rijk voor koning Roel. Daarvoor had hij alle spades, harkjes en emmers uit de speeltuin verzameld. De meeste andere kinderen waren toch al weg. De schommel werd nog slechts bewogen door wind en de glijbaan schoof uitgeput de laatste zandkorrels van zich af. Op het terras zaten nog een paar ouders met lome, uitgespeelde kinderen. Hoewel de geur van wafels en pannenkoeken nog in de lucht hing, waren de meeste tafels al afgeruimd en herinnerde alleen een leeg flesje aan vroegere aanwezigheid.  Roel had enkel oog voor zijn zandkastelen. Tien omgekiepte emmers stonden er als torens te pronken. Nu lag hij op zijn buik en kerfde hij met een scherp takje in de muren, die door grillige verticale lijnen op pilaren leken te steunen. Het kasteel werd een tempel. Koning Roel werd keizer Roel. Een mier liep vanuit het zand kietelend op Roels hand. Roel drukte haar plat met zijn duim. Hij voelde het kleine lijfje kraken tegen zijn huid en veegde de bruine vlek weg met een glimlach. Een gelig insect scheerde plots brommend voorbij. Roel ging rechtop zitten en kliefde met zijn hand door de lucht. ‘Weg, wesp!’  Het diertje vloog opnieuw vervelend brommend rond zijn hoofd en dook toen de bomen onder.  ‘Dat is geen wesp, maar een horzel’, klonk een hoog stemmetje. Vlakbij Roel stond een kereltje met blonde krullen. Roel had hem nog niet eerder gezien. Zat hij daarnet op het terras? ‘Scheer je weg, dikzak’, zei Roel op een toon die hij van zijn moeder gewoonlijk niet mocht aanslaan. Het jongetje bleef echter staan en staarde naar zijn voeten. Zijn blote tenen wriemelden als wormpjes in het zand. ‘Vind je me dik?’ vroeg hij toen. ‘Wat is dat eigenlijk, dik?’ Roel lachte. Wat een onnozel ventje. Begreep niet eens dat Roel hem uitlachte. Was misschien ook de eerste keer. Nou, het zou niet de laatste zijn. ‘Jij bent dik. Dat zeg ik toch net? Zie je daar staan, met je dikke armen en benen.’ Roel plakte er een voldaan lachje achter.  Het jongetje hield zijn hoofd schuin en haalde zijn schouders op. ‘Dus ik ben dik, omdat je mijn armen en benen dik vindt?’ vroeg hij. 'Misschien zijn mijn kleren wel te klein.’ Roel schudde verbluft zijn hoofd. Wat een vervelend ventje!  ‘Nee, jij bent dik’, herhaalde Roel en hij beklemtoonde de ‘jij’. ‘Waarschijnlijk geeft je moeder je alleen hamburgers te eten?’ Die toevoeging beschouwde hij als het einde van het gesprek. Tevreden draaide hij zich om en richtte hij zich weer op zijn bouwwerk. ‘Eigenlijk lust ik geen hamburgers.’  Het schrille jongensstemmetje echoode tegen Roels muren van zand. Met een ruk draaide Roel zich om. Daar stond de krullenbol nog steeds.  ‘Lust jij ze wel? Hamburgers, bedoel ik. Ben jij dan ook dik?’ ‘Ik ben helemaal niet dik, joch!’ riep Roel. Dat laatste woord surfte op een klodder spuug uit zijn mond. ‘Ik ben zo sterk als een beer! Zo dapper als een koning! Zo machtig als een keizer! Hier is mijn rijk en dikkerds zoals jij, die amper een emmertje kunnen opheffen, zijn NIET welkom!' Nauwelijks onder de indruk kwam het jongetje dichterbij en hij raapte een plastic emmertje op.  ‘Kijk, ik kan dit emmertje zonder moeite opheffen. Jij zegt dat dikkerds dat niet kunnen. Dus ben ik niet dik, toch?’ Elk woord van het jongetje leek door de lucht te gieren en met een smak tegen Roels wangen te beuken. Hij voelde hoe die roder en roder werden. ‘Dat is MIJN emmertje’, snauwde hij. Hij stond op en graaide het plastic speelgoed uit de hand van het jongetje. Die wankelde even en stootte zijn voet tegen een zandkasteel. De bovenkant stortte in elkaar.  ‘Als je niet dik bent, dan ben je wel dom! Dom om mijn tempel kapot te maken!’ riep Roel en hij ging dreigend voor het jongetje staan. Hij spreidde zijn benen en zette zijn handen op zijn heupen. Het jongetje hield zijn hoofd weer schuin en fronste zijn wenkbrauwen. ‘Je noemt me dom. Maar jij zei daarnet wesp tegen een horzel. Was dat dan slim?’ vroeg hij. Roel balde zijn handen. De trilling in zijn vuisten verried hoe zeer hij zich moest bedwingen om niet toe te geven aan het verleidelijke vooruitzicht van een mep. Over het hoofd van het jongetje zag Roel de mensen op het terras. Zijn moeder, die onafgebroken tuurde naar het scherm van haar smartphone. Hopend op een sms van zijn vader. Wat als ze plots naar Roel zou kijken? Ze zou boos worden. Ze zou zeggen dat hij geen ruzie moest maken. Zeker niet mocht vechten. Roel zette een stap naar achteren. ‘Ik kan niet alles weten, druiloor’, fluisterde hij met nauwelijks ingehouden woede. ‘En scheer je nu weg.' ‘Dus af en toe iets fouts zeggen, betekent niet dat je dom bent? Wat is dan dom zijn?’ vroeg het jongetje.  Het zweet brak Roel uit. Alsof de laatste zonnestralen van de avond allemaal tegelijk op zijn rug vielen en hem eerst zacht prikten, maar daarna zwaar en jeukend schrijnden over zijn huid. Zijn hartslag bonsde luid in zijn oor. ‘Laat me met rust!’ piepte hij benauwd. ‘Jij noemde me toch dom? Ik wil graag weten waarom.’ Roel lachte nerveus. ‘Je bent te nieuwsgierig, kleine.’ Het jongetje lachte ook. ‘Dus jij zou mij slim vinden als ik jou niets meer zou vragen?' Het gebons in Roels oor zwol aan tot een monotoon gebrom. Hij hield zijn handen op zijn oren en siste: ‘Precies. Maak dat je wegkomt.' De lach van het jongetje groeide.  ‘Bedankt om je ideeën met me te delen. Ik zal er zeker nog verder over nadenken’, zei hij. Een blonde vrouw met krullen riep plots van aan de rand van de speeltuin. ‘Ach, zit je daar!’ Het jongetje draaide zich om en baande zich wankelend een weg door het zand. ‘Ik kom, mama!’ Roel veegde zuchtend het zweet van zijn voorhoofd. Zijn hoofd tolde nog. Langzaam zette hij een stap naar achteren. Zijn voet kwam op een van zijn zandtorens terecht en hij verloor zijn evenwicht. Met een doffe plof viel hij midden in zijn keizerrijk, dat zonder aarzelen instortte. Het jongetje met de blonde krullen stond ondertussen bij zijn moeder. Ze lachte naar hem en legde haar hand op zijn schouder. ‘Tijd om naar huis te gaan, Socrates’, zei ze.

Gitta VR
21 4

Vos

Ik hoorde de kippen kakelen. Niet verontwaardigd zoals gewoonlijk, wanneer de ene de andere op de poot getrapt had. Of wanneer ze het allemaal op hetzelfde graantje gemunt hadden. Of wanneer de hond te dichtbij kwam. Mijn kippen waren steeds verontwaardigd. Maar deze keer niet. Ze kakelden eigenlijk ook niet. Ze krijsten. IJzingwekkend, zo midden in de vriezende nacht. De hond blafte. Ik rende de trap af en trok mijn laarzen aan. De sleutel had ik gelukkig op de deur laten steken, uit schrik dat het slot anders kapot zou vriezen, want ik beefde te hard om de sleutel er in te steken. Met een grote lamp rende ik naar het kippenhok. Ik gleed bijna uit, maar kon me vasthouden aan de omheining. Het gekrijs was opgehouden. Ik trok het hok open en zag mijn kippen, morsdood. Koppen afgebeten. Verontwaardiging in hun ogen. Achter me hoorde ik gejank. Ik draaide me om en scheen met mijn lamp op de vos. Hij had Tilly in zijn bek, de kleinste en zachtaardigste kip van het hok. De vos had een grote wonde tussen zijn ogen en miste wat vacht. Hij ademde snel, zag ik aan de wolkjes die uit zijn neus kwamen. Hij rende weg, onze weide in, richting het bos. Ik rende achter hem aan, maar hij was te snel. Ik gleed uit. Waarom had ik het ook geprobeerd? Wat had die vos mij ook misdaan? Het vroor nu eenmaal, en hij had vast honger. En zijn gehavende kop en vacht bewezen dat de kippen zich verweerd hadden. Maurice, de oude haan, had zijn dames vast goed proberen te beschermen. Waar was Maurice eigenlijk? Ik had hem niet gezien tussen de slachtoffers. Ik stond op en wandelde weer naar huis. En daar lag Maurice, dood in de weide, in stukken als de kalkoen die we nog niet zo lang geleden voor kerst aten. Voor het eerst in zijn leven keek hij niet verontwaardigd. Beschaamd eerder, dat hij hen niet had kunnen redden. Ik raapte op wat ik kon. Hij was een goeie jongen, onze Maurice. Ik wilde hen ’s ochtends begraven, maar wilde hen niet nog enkele uren daar in de kou laten liggen. Misschien kwam de vos wel terug. Ik nam een spade en probeerde die in de bevroren grond te duwen. Min twaalf, zo koud is het in geen jaren geweest. Ik bleef steken tot ik een diepe put had, ook al zou ik daarna nog twee weken stijf zijn. Ik legde hen zo dicht mogelijk bij elkaar in de put en gooide de bevroren stukken zand er weer op. Daarna nam ik een stoel, en bleef zitten bij hun graf. Min twaalf. Het zijn maar kippen, zei ik mezelf. Maar waren het maar kippen? Had ik hen als kuiken niet grootgebracht en een naam gegeven? Had ik geen emotie gezien in hun ogen, en gehoord in hun gekakel? Had Tilly niet keer op keer haar hoofd tegen mijn schouder gelegd, wanneer ik haar optilde omdat ze zo dom was om in de regen te blijven zitten? Had ik hen niet telkens bedankt voor hun eieren met een krop sla of een bloemkool? Hadden de kippen en ik dan geen band waarin we elkaar voedden? Een soort natuurlijke band? In de verte hoorde ik een vos keffen. Misschien was het wel de vos die Tilly meegenomen had. Misschien riep hij zijn kinderen wel. Of zij. Dat er eindelijk nog eens eten was, na dagen van ontbering en koude. Ik stond op en wandelde naar de rand van de weide. Misschien is de natuur wreed, maar bij min twaalf is wreedheid soms de enige manier om te overleven. Als mijn kippen en ik een soort natuurlijke band hadden, heb ik hen nu teruggegeven aan de natuur.

MDB
0 0