Zoeken

Badkuipbluess

Ella opende haar ogen onder water en keek naar het door het water dansende badkamerplafond.Met enige tegenzin kwam ze boven om adem te halen, om vervolgens zo langzaam als mogelijk weer uit te ademen en haar hele lijf mee te laten deinen alsof ze geen enkele weerstand kon bieden aan de zuurstof die haar lichaam verliet en het badwater dat hierop reageerde. De spiegels waren aangedampt en de kamer was gevuld met een mix van stoom en opgesloten sigarettenrook. Grijze wolken die bleven breken boven het licht van de van de twee blauwe kaarsen die op het oude houten handdoekenbankje naast het bad stonden te flikkeren, maakten dansende schaduwen op de muur erachter. OP de achtergrond kon je het gedempte verloop horen van de jazzplaat die in de andere kamer stond te spelen.  Met een diepe inhaal strekte Ella zich uit en ging ze rechtop liggen, het moderne meubilair en de heldere witte voegen tussen de tegels irriteerden haar.  Het verraadde de plaats en tijd waarin ze zich bevond. Ik ben in de verkeerde tijd geboren, bedacht ze zich.Met niet al te veel verbeelding kon eender wie die zich aldaar de ogen sloot, een sprong in de tijd nemen en zich in een verouderde flat in Parijs wanen.  Waar dronkenlappen en oude vrijsters zich ophielden in onderbelichte bars die stand hielden wanneer andere zaken zich sloten. Waar de oude saxofonist van een ingehuurde band bleef zitten en na enkele borrels in zijn eentje een beter  optreden gaf voor de drie overgebleven klanten, dan in de betaalde uren daarvoor.  Misschien was het typisch voor iemand van haar leeftijd om vroegere tijden te romantiseren. Om het gemakzuchtige leventje dat ze niet meer kon missen te verafschuwen en zich schuldig te maken aan de luxe om neer te kijken op de wegwerpgeneratie waar ze zelf deel van uit maakte. Misschien was het vroeger net zo. Waarschijnlijk. Toch leek het haar toen beter. De tijd voor televisie, gsm’s en internet, waar het leven simpeler was, weliswaar harder maar simpeler in eenvoud.  Waar armoede in elke huishouden tekeer ging als een wervelwind die elk gespaard korstje brood van tafel veegde , maar waar de dingen die er echt toededen nog waarde hadden. Ze draaide de kraan toe en keek naar haar handen onder het wateroppervlak. haar vingertoppen leken zichtbaar te verschrompelen alsof de tijd onder  water sneller liep. In dromen blijken uren slechts seconden, misschien was dit net zo, of misschien had het niets met water te maken. Misschien gaven haar vingers sneller toe aan de strijd in haar hoofd en wilden ze niet langer meewerken aan de leugen over jeugdigheid, die allang was verdwenen.

Esje Volter
22 0

Aan tafel

‘Hoe was het op je werk, schatje?’ vraagt hij terwijl hij in de tomatensaus roert. De tagliatelle ligt in elkaar gezakt in het pruttelende water. Hij zet snel het vuur af, want hij weet dat ik hou van pasta al dente. Voor hem maakt dat niet uit. Hij doet alles voor mij. Het huis opruimen. Poetsen. Boodschappen doen. Ik ben een carrièrevrouw. Vroeg op en laat thuis. Maar hij vindt dat niet erg. Hij zorgt graag voor me. Hij is altijd al zorgzaam geweest, zegt zijn moeder. Zeker als hij verliefd is. ‘Hoe was het op je werk, lieverd?’ vraagt hij nog eens. Ik kijk stil voor me uit. ‘Waarom zucht je zo?’ vraagt hij. ‘Had je een baaldag? Dat kan iedereen weleens overkomen, mijn scheetje.’ Als hij zich omdraait om de tagliatelle af te gieten, vangt hij mijn blik op. Dromerig en blauw. Om mijn mond speelt een flauwe glimlach. Ik heb mijn staart losgemaakt. Mijn lange haar valt om mijn schouders als een gouden aura. Mijn vingers prutsen aan het roze servetje dat hij naast mijn bord heeft gelegd. Altijd even attent. ‘Je bent moe’, stelt hij vast. Zijn woorden doorprikken de stoom van het kokende water dat uit de gootsteen wolkt. Hij zet de pot op tafel en veegt zijn handen af aan zijn schort. Daarna neemt hij de pan met tomatensaus van het vuur. Voorzichtig schept hij mijn bord vol. De warme dampen gloeien in mijn gezicht. Dan haalt hij een fles rode wijn uit de kast. Hij giet zijn glas vol. Hij weet dat ik geen alcohol drink, dus hij vraagt het niet eens. Is dat dezelfde fles als gisteren? Nee, die had een zwart etiket. Een nieuwe fles dus. Die al bijna leeg is. Mijn hart krimpt in elkaar. Maar ik mag het hem niet tonen. Ik moet hard zijn. Hij is immers zo gevoelig! Hij ziet hoe ik naar zijn glas kijk. Hij neemt zijn vork en draait er tagliatelle rond. ‘Ja, beertje’, zucht hij. ‘Het was een lange dag zonder jou. Maar nu zijn we weer samen.’ Er waait een koude tocht langs mijn blote benen. Ik schud er een beetje van. Hij wrijft over mijn rug. ‘Frisjes, hier? Eet nu maar van de pasta, liefste. Dan krijg je het snel warm.’ Het ziet er heerlijk uit, maar ik krijg geen hap door mijn keel. Ik kan het niet helpen. Het gaat gewoon niet. Zijn blik wordt donker. Hij legt zijn lepel en zijn vork naast zijn bord. Schuift dichter naar mij toe. Zou hij gaan huilen? Ik wilde dat ik het kon. Maar ik ween enkel droge tranen. Voorzichtig pakt hij mij vast. Aait over mijn haar. Kust me op mijn schouder. Kijkt diep in mijn ogen. Dromerig en blauw. Altijd dromerig en blauw. ‘Rustig maar’, fluistert hij. ‘Het komt allemaal weer goed. Het komt altijd goed. Rustig maar, mijn popje.’

Gitta VR
0 0

De Grijze Zot (kortverhaal)

_ Jezus   De vaalgrijze aluminium rolluik kraste, piepte en kraakte open. De kruipolie moet al sinds de barre winter op zijn. Zoals elke morgen staat hij er weer. Hij, een man met een grijze baard en grijs lang haar. Een gevallen Jezus op pensioen. Net zoals zijn idool is hij zwakzinnig en wandelt hij op sandalen. Mét witte sokken maar zonder de 12 vrienden. (Om 4 uur aan de kerk, pak al uw vrienden mee,… ik kom ook alleen.) Ik zou er niet mee mogen lachen, maar hij is zo’n figuur waar jij jezelf van afvraagt van waar ze komen. Hij staat elke morgen, met z’n plastic zakje van de “jébé” in de hand, te wachten op de grote opening van de parfumwinkel. “What’s in the bag, I don’t know”, maar het is al 5 maanden hetzelfde zakje. Waarom hij daar is? Wel, voor de Bimbo.   _ De Bimbo van de Bondgenotenlaan.   Tiziana. Tiziana van de Paris XL. Welriekend. Lange gelakte paarse nagels. Korte volslanke benen met bovenop twee ronde billen verpakt onder de beschermende atmosfeer van een veel te strakke legging. Elke morgen opent ze plichtsgetrouw de winkel. Eerst alle lichten aan, dan de achtergrondmuziek en tot slot de ouverture. Mét publiek. Elke dag opnieuw. Ze drukt op de knop links van de rolluik die krassend en piepend omhoog draait. Eerst ziet ze zijn sandalen en witte sokken. Vervolgens tonen de versleten joggingbroek en het plastic zakje zich. Afsluiten doen we met het sjofele houthakkershemd, de lange grijze baard en de starende lege ogen. De ogen die naar haar en naar nergens kijken. Ze lijken niet te leven, maar toch op zoek te zijn naar haar.   Ze doet de verschillende sloten van de glazen deur los en trekt de deur open. Ze kijkt naar hem. Hij kijkt naar haar en blijft staan waar hij stond, wachtend op zijn kusje. Dan stapt ze naar buiten, gaat op haar tippen staan en kust hem op een stukje wang zonder baard. Soms speelt er een vage geheim-zinnige glimlach om zijn lippen. Andere keren geeft hij geen kick. Na het heilige moment gaat ze terug naar binnen, neemt ze plaats achter de toonbank en zet ze de airco op. Als een oud en vergeeld blad in de wind wordt hij verder geblazen door de lucht uit de airco en verdwijnt hij schuifelend en strompelend uit haar zicht.   _ Ik_ #1   Dit is het schouwspel dat ik elke morgen rond 8.55u opgevoerd zie. Gratis en voor niets. Twee topacteurs in de film van hun leven, hun carrière. Ze weten het zelf niet en zullen het waarschijnlijk nooit beseffen, maar elke morgen kijk ik aandachtig naar hen. Vanachter mijn krant begluur ik hen en hoop ik op een onverwachte wending. Als het regent, zal ze bijvoorbeeld een oude paraplu nemen en hem zijn kusje geven zoals de meisjes dat doen in de films uit de jaren vijftig. Haar linkerhand op zijn rechterschouder, staande op de tip van haar rechtervoet, het linkerbeen geplooid in een hoek van negentig graden. Even, voor heel even, is de Bimbo dan een gracieuze verschijning. Even straalt ze pure elegantie uit, maar de regen spoelt dat onmiddellijk weer van haar af.   Daar kan ik dus nog van genieten. Van die kleine menselijke momenten. Momenten die we vergeten, maar het eigenlijk niet waard zijn om vergeten te worden. Momenten die we soms delen, maar al te vaak voorbijgaan vooraleer we beseffen dat we ze beleven. Wie is er nu niet gelukkig, wanneer hij de eerste zonnestralen van de lente op zijn huid voelt, de droge geur van de zomer ruikt of op een zondagmorgen de eerste sneeuw van de winter ziet neerdwarrelen? Dat geluk bepalen we niet zelf, maar wordt ons in de schoot geworpen. We moeten er niets voor doen buiten al onze zintuigen gebruiken. Openzetten zoals de ramen tijdens een grote schoonmaak. Alles laten verschijnen en opnemen. Met volle teugen drinken van de bron van fenomenen die we zelf niet beheersen. Mensen en hun daden zijn zoveel kleiner dan we denken.   _ De plaatselijke don   Wie ben ik? De barista noemt me Don Cappuccino. Elke morgen terwijl ik het toneeltje aanschouw, drink ik namelijk een cappuccino. Un cappuccio, zoals ze dat zo mooi zeggen in Italië, al dan niet verwijzend naar de kap van de habijt van de orde der Kapucijnen.  Eigenlijk ben ik ook eerder een kapucijn dan een don. Een monnik die bedelt, niet een of andere jonkheer die geld schept of de kleine boeren pluimt in opdracht van zijn vader. Al vijf jaar ben ik werkloos, leef ik van de staat, van de anonieme liefdadigheid van onze sociale zekerheid. Een profiteur volgens velen. Een mens voor enkelen.   Maar ik heb wel degelijk een ziel en denk nog steeds na bij de dingen. Elke dag lees ik plichtsgetrouw de krant. Geen enkele letter sla ik over. Ik versta niet altijd wat er geschreven staat, maar zo leer ik bij en blijf ik bij de zaak. Dertig jaar heb ik gewerkt, maar ik was te jong om op pensioen te gaan. “Te jong”. Het argument dat gebruikt wordt om een tienjarige naar bed te sturen, terwijl zijn drie jaar oudere broer wel naar de tweede helft van de Champions League-match mag kijken. Pathetisch. Belachelijk. Ridicuul. Vond ik toen en vind ik nog steeds.   Mijn ontslag was geen donderslag bij heldere hemel. Het bedrijf waar ik werkte, kende al jaren problemen. Om de 6 maanden daalden de heren en dames de glazen trap af met het heugelijke nieuws dat er opnieuw mensen zouden moeten vertrekken, omdat ‘ons’ bedrijf financiële moeilijkheden bleef kennen. Financiële moeilijkheden die het gevolg waren van stijgende loonkosten, toenemende grondstofprijzen, belastingverhogingen, onvoorziene situaties en wat nog allemaal. Het ene excuus nog minder geloofwaardig dan het andere. Zever. Gezever.   Eigenlijk kwam de neergang van het bedrijf neer op de onkunde van de heren en dames van ‘den boven’. Wat wil je ook? Met hun neus tot hun dertigste in de boeken gezeten. Met hun ogen verdwaald in een virtuele realiteit waar niets lijkt op wat het is. Met hun handen in hun zakken langs de zijlijn gestaan. Met hun mond over alles en iedereen een mening. Met hun oren veel te weinig geluisterd naar wat de gewone werkmens, de homo sapiens lavoriensis, denkt en wil. Neen, onze vrienden, die van de homo sapiens virtualytus-soort, zouden het ons eens komen uitleggen. Draaide dat even verkeerd uit, zeg. Om de haverklap stonden ze aan mijn bureau om uitleg te vragen over hoe dit of dat te werk ging. Ze dachten de firma te kunnen kennen door zijn rekeningen, contracten en ratio’s te bestuderen, maar verloren in die zwart op witte-jungle de mensen achter de cijfers uit het oog. Ook mij.   Zo kwam dus ook mijn dag om te gaan. Om de schoenen aan de haak te hangen. Niet dat ik wou stoppen met werken, maar ik had geen keuze. Of beter, heb er geen gehad. Ik werd met het oud papier meegegeven en eindigde als een plaatselijke don aan een tafeltje in een koffiebar in Leuven.   _ Ik_#2   De eerste maanden heb ik nog her en der aan werk proberen te geraken, maar een oude man in dienst nemen is voor een bedrijf geen vanzelfsprekendheid. Dat begreep en begrijp ik. De talloze afwijzingen die daarmee gepaard gingen, kon ik echter maar moeilijk verteren. Te jong voor het pensioen, te oud voor te werken. Machteloos grijpend naar de zeldzame opportuniteiten kwam ik terecht in een spiraal naar de bodem van mijn bestaan. Ik had jaren gewerkt, bijgedragen en mijn plicht vervuld, maar plots was er voor mij geen plaats meer. De virtuele mens dreef mij, de werkmens, uit mijn habitat. Ontheemd zwierf ik langs allerlei tijdelijke baantjes en eenmalige opdrachten op zoek naar een hoger doel in mijn leven. Onderweg begon ik te schrijven over mijn ervaringen op het slagveld van de ouderen-werkloosheid. Ik werd schrijver, godbetert, een echte luierik. Een nietsnut eerste klas.   Misschien moet ik toch maar intreden en echt monnik worden. Trouw zweren aan die gekruisigde dwaas op sandalen, zonder witte sokken, maar mét 12 vrienden. Dan kan ik bedelen zonder mij schuldig te voelen en leven van de liefde voor iets dat er niet is.   _ Een gedicht van mij   Langs het water waart een man Een man die lijdt Een man met spijt   In het donker doorstaat hij angsten Vreest voor niets Bang van alles   Twijfelend, wijfelend aan de rand Zoekt hij Een helpende hand   _ POV: De Barista   Wel, Peter heeft jullie zijn verhaal uit de doeken gedaan. Dat verhaal is echter niet volledig. Peter komt hier ondertussen een jaar of drie elke morgen zijn cappuccino drinken, de krant lezen en het merkwaardige theater aan de overkant van de straat in de gaten houden. Hij is inderdaad werkloos, maar zijn mislukte zoektocht naar een job was niet zozeer te wijten aan een persoonlijk falen, dan wel aan een spijtig toeval. Zijn broer Ward, de grijze zot met het zakje van de GB, kreeg vier jaar geleden immers Alzheimer. Geen ouders meer om voor hem te zorgen nam Peter die last op zich. Elke dag maken ze tussen 8.30u en 9.30u een wandeling door de binnenstad waar het tafereel voor de Paris XL inherent deel van is. Dan ontmoet de mooie Tiziana haar vader die zich haar niet meer herinnert, maar nog altijd van haar houdt.

Egbert Dasdonk-Mirador
22 1

De Keizer van de Nacht (kortverhaal)

_NIGHTINTHECITY In de oranje gloed van een straatlantaarn stond een groepje jongens te lachen met en te wijzen naar elkaars smartphone. De vier gierden het uit. In het appartement aan de overkant van de straat flitste een tv van wit en blauw naar groen en grijs achter een vaal geel gordijn. Beneden op het troittoir zag Lucas twee zwarte vrouwen waggelen, pratend over de kinderen en hun familie. Hun dikke zwarten haren en huidskleur stonden in schril contrast met hun witte kunststoffen winterjassen. ‘Des dames blanches passent dans la reu’. Al vond Lucas dat zelf maar een povere woordspeling. Wit met zwart vanboven op. Dat kon beter. Hij zag de witte dames de hoek omslaan en concentreerde zich weer op de meute uitgelaten jonge wolven. Een van hen was ondertussen vertrokken, maar de drie overgebleven jongelingen waren nog druk bezig zich te verslikken in hun eigen lach. Zittend op de vensterbank, nipte hij van zijn glas wodka-cola terwijl hij met zijn vingers tokkelde op de rechterdij. Zijn gsm trilde. Een bericht. ‘Kom af.’ Hij schudde zijn hoofd en stak het toestel terug in de rechterzak van zijn versleten jeans. Hij nam nog een slok en keek de kamer in. Een eenzame nachtlamp verspreide een zwak maar warm licht. Deborah lag uitgestrekt op de matras op de houten vloer. Het laken over haar gegooid, zoals een vod over gemorste vloeistof op de grond. Hij sloeg zijn hoofd achterover tegen de muur en keek naar het plafond. Een van de vochtvlekken leek stilaan de vorm van Groenland aan te nemen. Een andere vlek deed hem denken aan Brazilië. Hij sloot zijn ogen en concentreerde zich op alle geluiden. Deborah’s regelmatige ademhaling speelde haasje over met het tikken van de klok. In de achtergrond weerklonk het gezoem van de koelkast en het gekraak van de verwarming. Verder weg onderscheidde hij de bastonen van de ondergrondse nachtclub in hun straat, maar ook het hoge geblaas van de straalmotoren van een passerend vliegtuig. Hij vroeg zich af hoe totale stilte zou klinken. En of er iets zou klinken, want stilte die klinkt is geen stilte. En als er niets zou klinken, het dan ook echt helemaal stil zou zijn. In zijn hoofd. Achter zijn ogen. Tussen zijn oren. De jongens op straat namen afscheid en gingen elk hun weg. Naar huis, naar het lief, naar een volgende bijeenkomst? God mag het weten. Lucas keek naar onder, zag het voetgangerslicht op groen springen en een van de jongens oversteken, terwijl hij zijn koptelefoon opzette. Een oudere dame schuifelde haastig in de andere richting en botste tegen de jonge snaak op. Hij keek even op, grijnsde en liep door. Het vrouwtje draaide rond haar as, trippelde ter plaatse, vond de juiste richting en strompelde verder. Maar de stoeprand was er te veel aan. Een van haar voeten bleef hangen tegen een uitstekende straattegel. Ze viel vlak op haar gezicht, alsof een windhoos haar uit het niets tegen het voetpad blies. Lucas bleef kijken. Ze bewoog niet. Er verscheen een hoofd aan een raam vanachter een gordijn in een appartement, schuin ten aanzien van zijn raam. Lucas deed teken, wees naar de vrouw en draaide zijn duim naar boven en onder. De persoon aan de andere kant van de straat, keek naar hem en haalde de schouders op. _BETONNENBAYWATCH Lucas sloeg zijn glas achterover, trok een pull aan, nam zijn jas van de stoel en gaf een kus op de gloeiende wang van Deborah (Huh, waar ga je heen. Ik ga roken, ben direct terug. Ok, ik blijf sla…) Hij deed de deur open, controleerde of hij zijn sleutels en gsm bij had en sloot de deur. Hij daalde de trap af in galop en verliet het gebouw. Hij liep naar links en zag één van de vier tieners foto’s nemen van de gevallen vrouw. ‘Leeft ze nog?’ ‘Weet ik veel, mijn portefeuille was uit m’n broek gevallen dus was die aan het zoeken en toen lag zij hier en ja, daar moest ik toch een foto van nemen. Dit is zo cool en vreemd en….’ ‘Sodemieter toch op, aasgier, help haar liever’ ‘Neen, man, ik blijf daar vanaf’. Van mens naar ding in vijf minuten. Lucas belde het noodnummer. ‘Komaan kerel, bol het af’. Een wegvegend gebaar versterkte zijn zin en werd beantwoord door een boze blik. De jongen droop af. ‘Ja, ik sta hier op het kruispunt van de Synagogestraat en de Bankstraat. Er ligt hier een bejaarde vrouw op het voetpad en zij lijkt niet meer te leven.’ ‘Reageert ze op vragen, meneer?’ Lucas zette zich op zijn hurken. ‘Kunt u mij horen, mevrouw?’ Niets. De wind blies de blauwe sjaal rond het hoofd van de dame los en legde een ingevallen grijze wang bloot. Insta-archeologie. ‘Neen, mevrouw, de mevrouw hier op de grond is, denk ik, overleden. Ik heb haar zien struikelen en vallen, ben naar buiten gekomen om te helpen, maar het is denk ik te laat’. ‘Ok, meneer, we sturen zo snel mogelijk een ambulance.’ Lucas keek op en zag een vrouw in groene anorak de straat oversteken. ‘Is ze dood?’ ‘Ja, en wie bent u?’ ‘Chrissie, ik zag haar vallen en ik denk dat jij daarna naar mij hebt gekeken en teken hebt gedaan’ ‘Ah ok, ja, ik zag je gezicht niet goed, Chrissie. Ik heb ondertussen de ambulance gebeld. Ze zijn onderweg’ ‘Ok, dan wacht ik hier met jou’. _DEEENZIJNDOOD Na tien minuten ijsberen, klappertanden en handen wrijven kondigden blauwe lichten de komst van de ambulance aan. ‘Bent u Lucas Muster?’ ‘Ja, ik heb gebeld’. De ambulancier knielde en draaide de vrouw om. Haar magere gezicht leek elk moment te kunnen breken. Haar huid leek zo broos als bevroren perkament. Haar ogen staarden leeg voor zich uit. ‘Ze is overleden.’ Toen pas drong het door tot Lucas dat wat hij hier beleefd had niet normaal was. Dat wat hij gedaan had, niet zomaar was. Dat een persoon was komen te gaan. ‘Kende u haar?’ ‘Nee nee, ik zat zomaar te kijken achter mijn raam. Daar.’ Hij wees naar zijn appartement. Zijn knieëen en benen voelden aan als elastieken die na te hard zijn aangespannen geweest, in elkaar krompen. Hij zocht de steun van de motorkap van een geparkeerde auto en wist te blijven staan. ‘We gaan haar meenemen en vlug een korte getuigenis opnemen.’ ‘Ik wil ook getuigen’ zei Chrissie. ‘Geen probleem, mevrouw.’ Een kwartier later klapte het portier van de bestuurder dicht en vertrok de ziekenwagen. ‘Alles goed Lucas?’ ‘Ja ja, heb het koud en weet niet wat ik hiervan moet denken. Wie was ze, waarom was ze hier,…’ ‘De ambulancier zei dat ze dementerend was.’ ‘Ja ja, en als je dat niet gelooft, maken ze je iets ander wijs zeker’. ‘Wees niet zo pessimistisch’ ‘Ik kan er gewoon niet bij. Wat een pech voor die vrouw. Hoe vreemd.’ ’Stil maar, ga naar huis, probeer te slapen’. Hij kijk naar Chrissie. Haar groene ogen keken vertederd. Haar korte stijve haar in de war door de winterse bries. Haar lippen sereen op elkaar. ‘Ja doe ik, aangenaam kennis te maken. Tot later’ ‘Dag Lucas’. _GEEFTDEANDEREENKOPSTOOT Hij diepte zijn gsm uit de rechterzak van zijn versleten jeans en antwoordde op het bericht: ‘Ben daar’. Zijn hoofd draaide overuren onder de kap van zijn jas. Een ongelukkige val op betonklinkers. Was dat het dan? Het einde? Het laatste uur geslagen. Punt aan de lijn. Als een onbekende soldaat gesneuveld op straat in een miljoenenstad op een gewone winteravond. Hij had zich de eeuwige jachtvelden toch idyllischer voorgesteld. De voetpaden, die als natte wangen na een hevige huilbui lagen te glimmen in het licht van de lantaarnpalen, torsten hem, een eenzame stadsdwaler, naar zijn volgende afspraak. Zijn haastige kleine passen klotsten regelmatig in de stedelijke orkestbak. Hij kon niet snel genoeg uit het zicht zijn van de ramen waarin hij zichzelf zag. Een naderende sirene doorbrak zijn gepeins. Een politieauto schoot langs hem door en stopte verderop bij een modernistisch appartementsblok. Twee agenten sprongen uit de auto en repten zich naar binnen. Hij hield halt en bekeek de gebouwen rondom. Nergens stond een man of vrouw aan het raam zich af te vragen wat er gaande was. Hij zag achter de gordijnen mensen zich in hun zetel zetten, kinderen met hun zaklamp op het plafond schijnen en een kat op een kozijn kruipen. Als vissen in een aquarium zwommen ze rustig door, zich niet bewust van wat er zich daarbuiten afspeelde. Zolang men maar op tijd gevoederd wordt. Hij stapte verder. Na een kwartier wandelen kwam hij aan bij Bar Celona, de kroeg van zijn maat Damien. ‘Aha, hier is hij eindelijk, de keizer van de nacht. Kon je weer niet slapen?’ ‘Zwijg toch, Damien, zo lijk ik wel een psychopaat. Ik ben niet in de stemming.’ ‘Oei, oei, de nacht weegt zwaar op meneer. Hier een borrel van het huis’. Lucas goot de alcohol in zijn keel en kon het brandende gevoel volgen tot in zijn maag. ‘Geef me er nog een.’ ‘Komt eraan, het feest is hierachter nog vollen bak bezig.’ Hij sloeg het glaasje achterover. ‘Goed te weten, geef me een wodka-cola en dan ga ik eens een kijkje nemen.’ Damien bediende Lucas, hij betaalde en ging door de witte deur vanachter in de kroeg. De zaal was aangenaam gevuld met hevig dansende jongens en meisjes. Rode, paarse en witte lichten deden de ruimte baden in een buitenaardse sfeer. De luide house-muziek vulde de ruimte. Hij legde zijn jas op een zetel, begroette wat mensen en begaf zich op de dansvloer. Hier voelde hij zich thuis. Een. Volledig. Af. De lage tonen deden zijn buikvlies trillen. Zijn voeten begonnen spontaan te bewegen. Hij stapte ter plaatse van links naar rechts en terug en gaf zich geleidelijk over aan de muziek. In zijn hoofd droeg hij het nummer op aan haar. Dit was zijn requiem voor de vrouw op de stoep. Geen dodenmars, maar een dodendans. Al danste enkel hij, alleen voor haar. Hier, op dit moment, op dit beton, voelde hij zich juist. Hij had er niets aan kunnen doen, had gedaan wat hij kon. De stad had haar leven genomen en haar uitgespuugd als een rotte tand, maar hij, hij voelde zich opgenomen in het voortdurende draaien en malen van dit betonnen oerwoud. De muziek dreunde verder en duwde beat per beat de sombere gedachten uit zijn hoofd. Het werd kalm, zelfs stil in zijn hersenpan terwijl om hem heen lichamen hun armen en benen in vreemde kronkels plooiden en gooiden. Als hij mocht kiezen om ergens dood neer te vallen, zou het hier zijn.

Egbert Dasdonk-Mirador
30 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (6)

  Nog wat geduld. De boel zou zeker in orde komen en zeker als hij eenmaal met pensioen zou zijn. De aangesleurde paletten zouden ideaal brandhout zijn. De maîtresses zouden vanzelf afhaken wegens dreigende impotentie en andere doembeelden.   Met zicht op dit alles, op die gezuiverde toekomst, was het alvast niet nodig om de chauffageketel te laten repareren. Een extra kachel kwam er, met een glazen deurtje. Je kon vlammen zien flakkeren, wankelend geel met blauw-en-rode schijn; een poes die Poezie heette, lag braaf tussen retrievers op een strook tapijt.   Voor mijn plechtige communie een nieuwe fiets, een Locomotief en al veel eerder kreeg ik aangeleerd hoe ik op een zaagmachine van het merk Robland paletten kon verzagen. Hij heeft het nooit gezegd, maar het werd mijn taak. Hij had het druk: werk, en dan nog voor al die beesten zorgen, ‘s ochtends vroeg, ‘s avonds laat, in het donker, nog wat extra stro bijgooien in het kot.   De dieren sliepen na een tijdje op een dikke warme laag en het werd zomer. Roeien, ik wilde meer spieren, sterk worden, leerde lassen, reed rond. Het was een Massey Ferguson. Om die kleine tractor aan de gang te krijgen, spoot je best met die spuitbus, met Snelstart in het kanaal voor de luchttoevoer naar de injectoren.   Een vlam drong zich uit het gat, blauwe rook uit de uitlaat. Je gaf wat meer gas, met de hendel onder het stuur en er kon weer gewerkt worden. Paletten ordenen, met een kar naar het veld rechts van de vijver, wat groen, gras, rapen, maïs erin kieperen en naar het kot voeren. Geitenstaarten kwispelden en een vlinder durfde het aan om op de trillende achteruitkijkspiegel te landen.       Vlammengekwispel  deel 6 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
21 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (3)

  Over de weg in het kapbos, tussen eiken, zieke ratelberken en het fluthout van vlieren kwam hij opgereden tot bij het kot. Rond tienen was het, bij lichte nevel en ikzelf zat tussen de frambozenstruiken. Ze woekerden daar aardig in die zandgrond, op die oever.   De beestenwagen had een vuilwitte cabine en een groot achterberd werd neergelaten. Achterwaarts werd een knol uit het vehikel gedreven. Ik denk dat het beest de ganse weg met zijn kop naar beneden moet hebben gestaan om zijn oren en kop niet te stoten tegen het ijzeren dak.   Vier witte kousen, een nerveuze mond en de ogen van een hengst waren het die eerst in mijn richting keken en dan naar het kot, waar Loulou stond. Ze werd naar de plaats van de daad gebracht; ook moeder keek toe, door het keukenraam, met natte wangen.   Ajuin! Denk. Gerust. Later zou ik dromen. Dat ze niet ophield bij het einde van die wortel. Dat ze door bleef snijden, vingerschijfjes. Rood, het vermengde zich met het oranje van de schillen. Ook later, samen met wat resten brood dat sporen droeg van ketchup. Voor een grote pony of een kleine paard?   Ik weet het niet, wat de bedoeling geweest was en handen, dezelfde die daarnet nog het stuur vasthielden, tilden nu de paardenpenis op, brachten hem in onze Loulou. “Grappig gezicht,” zei mijn vader, eenmaal alles voorbij was en terwijl hij rond de middagstond puree in zijn bord schepte.   Aardappelen, dat waren het geweest. Geen ajuinen noch wortelen waren kleingesneden en "die hengst kon gewoon op zijn voorpoten steunen terwijl ze gedekt werd,” ging zijn enthousiaste mond verder.   “Moest dat?” Moeder sprak en ze vroeg of hij ook aan de geboorte van dat te grote veulen gedacht had. Mijn vader sneed door het vlees, vlak naast het bot van de varkenskotelet.       Little horse on the prairie deel 2 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
17 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (2)

  Aan mijn eerste levensjaar werden twee fotoalbums gewijd. Ze zijn genummerd B1 en B2. Op pagina drie van B3 word ik twee jaar. Een nieuwe, donkerrode plastiek tractor heeft daar één voorwiel met lichtblauwe pedalen en twee achterwielen.   Toen bewoonde het gezin nog een voor die tijd modern huis, niet ver van de Buffelbrug, op circa honderd meter van een berm. Noteer dat het eerste door mij uitgesproken woord “trein” was. Hij reed op die berm. Wat er zich achter die berm bevond heb ik nooit geweten. Ervoor, tussen het thuis en die ijzerweg lagen volkstuintjes.   Het zijn mijn eerste herinneringen, hoe ik van huis wegliep, verder en verder, over een pad, over grote betonklinkers met langs de ene kant stengels prei en de andere kant bonenstaken, om bij een tuinbouwerskotje halt te houden, na te denken, en dan toch maar terug te keren.   Daar, in dat moderne huis was ook een kelder, een donkere kelder, zagen foto’s het licht, al zijn de meeste kiekjes in album B3 kleurenfoto’s, sta ik er bruin en zomerblond op. De hoorns van Hamlet zijn nog kort. "Een angorabok" werd aan nieuwsgierigen uitgelegd, maar recent opzoekwerk wijst eerder op een landgeit uit Bornholm.   Zijn Deense prinsenkop werd later opgezet. We woonden toen al in het andere huis. Op die doening met drie hectare tuin had Hamlet op een verstrooide dag het loodje gelegd.   Hij werd opgehangen, zijn imposante kop. Als je die deur achter die driewieler binnengaat, dan kan je hem, zonder tijfel, nog steeds in de ogen kijken. Hij kijkt nooit terug.       De kleine prins deel 2 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
21 0

Vier vissen (verhaaltje voor het slapengaan)

Vier vissen zwommen ze waren op weg naar de Noordzee goede zwemmers waren het niet met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Bovendien had de Pladijs honger was de Kabeljauw moe verveelde de Pieterman zich en had de Zeebaars het koud   'Waarom zwemmen we niet achter elkaar' vroeg de Pieterman 'Zo naast elkaar vind ik maar saai'   'Goed idee' antwoordde de Kabeljauw 'Als we in elkaars staart happen kan ik wat rusten'   'Ik wil wel vooraan' zei de Zeebaars 'Dan krijg ik het warmer'   Vier vissen zwommen achter elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit   Maar de Zeebaars had het nu wel warmer de Pieterman meer plezier en de Kabeljauw kon wat uitrusten   Behalve de Pladijs die nog steeds honger had vond achter elkaar zwemmen maar niks 'Kon ik maar iets eten' zuchtte hij en keek omhoog   Aan het wateroppervlak vloog een vlieg voorbij hij had ze gezien en dacht 'die lust ik wel'   Met zijn bek open zwom hij ernaartoe en hapte in de lucht      hapte in het water            hij hapte          hapte          hapte             maar de vlieg was te snel ze vloog telkens weer        op            en                neer          op            en               neer   Al dat happen deed het water bewegen door de golven raakten de andere vissen achterop Ze moesten elkaars staarten lossen want goede zwemmers waren het niet   Vier vissen zwommen terug naast elkaar met hun kleine vinnen kwamen ze maar traag vooruit en dankzij de vlieg waren ze nog steeds op weg naar de Noordzee

Sascha Beernaert
12 0

Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron (1)

  Aanvankelijk werd er niet eens gevloekt. Ik stond onder een onschuldige tuindouche. Op een andere foto drink ik cola met een rietje, aai ik een geit of zit een kuiken op het blad van een kinderstoel.   Jaren gingen voorbij, wezens kwamen langs, gisteren nog mensen om een aaibeest te bestellen, “liefst een reutje met een mooie kop” en tante zwom vorige zondag met Liesje, Loesje en drie kinderen in de vijver waarrond er brem en wilgen groeiden.   Ze graasden intussen, pikten wormen, zochten zaden, sliepen in hoekjes, tegen kantjes in een hok dat opgetrokken was uit hardhouten paletten, platen en asbestgolven op het dak waaronder een bok aan een ketting lag die zichzelf op de kop piste.   “Zolang hij vastligt, ben ik niet bang,” zegde moeder en vader had niet liever dat alles zich probeerde voort te planten. Voor de pony had hij nog geen oplossing gevonden.   Altijd leuk. Een veulentje op de kleine prairie. Heuveltjes lagen rond de vijver. Donkere aarde had men ooit afgegraven in een zoektocht naar rein zand en dat was er zowaar ook.   Een rustig wateroppervlak dreef daar, met eronder ondiep water, ontelbare kikkers, nog meer kikkervisjes in de late lente en een blauwe sproeimachine kwam wel eens haar tank reinigen.   Op die plaats, waar het ding zijn slang in de vijver legde, was alles dood. Geen kruid groeide er. Op die kale plek verried geen bloem de dader en ik was aan het graven.   In de aarde was het fris. In een heuvel zou een gang naar een ondergrondse verbergplaats leiden. “Zorg dat het niet instort,” zegde moeder terwijl ze de soep inschepte met volledige vingers.       Fingerspitzengefühl deel 1 van 'Opstijgend vocht uit onnoemenswaardige bron' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
23 0

14.12.2016

Weet ge wat ge eens moet doen? Ge moet eens, als ge vanavond laat gaat slapen, en als ge in uw bed ligt, plat op uw rug in die donkere kamer – dan moet ge eens denken aan de zee. Die grote plas vol water, ergens ginder buiten in het donker. Ziet ge ze voor u, die zee? ’t Is een mooie zee, zo eentje om naartoe op vakantie te gaan. ’t Is, laat ons zeggen, de Middellandse Zee. Van ergens in de lucht kijkt ge neer op de Middellandse Zee. Een enorme watermassa. Een zwarte, glanzende plas, zo ver als ge kunt kijken. De kusten kunt ge niet zien. Veel kunt ge sowieso niet zien, want ’t is een donkere nacht en de maan is maar half. Maar goed, zoals ik zei: alleen maar water. En kom nu eens langzaam naar beneden. Laat u voorzichtig zakken... Rustig... Zijt ge daar? Ge zit nu in een bootje. Een houten sloep. Met vooraan en achteraan een dwarse plank om op te zitten. Met twee roeispanen en een kleine benzinemotor. Een kleine boot. Laat ons zeggen: voor een man of tien, twaalf max. Ziet ge dat bootje? Zit ge d’r in? Het drijft langzaam voort. Heel langzaam. (Tja, ik wou dat het anders was, maar de benzine is al een tijdje op. En de roeispanen zijt ge kwijtgespeeld. Eerst de ene. Dan, vanmorgen in een te grote golf, de andere.) Uw bootje drijft langzaam voort. Weet ge waarom ge hier zit? Ge zit hier omdat ge moet. Ge hadt geen keuze. Ge hebt alles achtergelaten en ge weet in feite bij god niet naar waar ge nu op weg zijt. Het is allemaal veel te ingewikkeld om op één-twee-drie uit te leggen, maar geloof mij, ge hadt geen keuze. Het was dat of doodgaan. Ge vraagt u af hoe diep de zee is. En wat ge gaat doen als ge erin valt. Ge vraagt u ook af hoe ver het nog is, want zo ver als ge kunt kijken, ziet ge alleen maar dat zwarte, koude water. Nergens een vuurtoren of ander licht dat op een kustlijn wijst. Het is misschien een magere troost, maar ge zit hier niet alleen. Bij lange niet. Ge zit hier met minstens vijfendertig, veertig man. In een bootje voor tien. Een mens voelt zich altijd een beetje sterker als hij zijn miserie met anderen kan delen, toch? Al blijft het natuurlijk miserie. Ge zijt bang. En ’t bootje begint alweer serieus te schommelen. Ge zit op de rand en er is niet veel om u aan vast te houden. Voelt ge het bootje schommelen? Voelt ge het? En gij die dacht van rustig te gaan slapen... Eigenlijk is dat geen ding om mee op volle zee te gaan. Veel te gevaarlijk. Ge moet zot zijn om zoiets te doen. Of ge moet zijn zoals gij en al die anderen hier met u: zonder keuze. Gelukkig weet ge dat er een eind aan komt. Enfin, als het bootje niet zinkt en zo, maar aan zulke dingen probeert ge niet te denken. Ge weet dat er een eind aan komt, want ge hebt op een kaart de vorm van de zee gezien, en als ge altijd rechtdoor blijft varen, dan komt ge vanzelf aan de overkant uit. Waar dat precies gaat zijn, weet ge niet. Zo een bootje vaart natuurlijk nooit helemaal rechtdoor. Maar ergens aan de overkant, daar kunt ge redelijk zeker van zijn. Ergens waar ge nog kunt leven. Ergens waar ge weer veilig aan land kunt gaan. En ge hoopt dat daar iemand zal zijn die u een beetje kan helpen. Maar dat zal wel, zeker? Ja, toch? En stel nu… Stel nu dat daar niemand is die u kan helpen … Dan kunt ge het altijd nog anders proberen… Stel nu dat daar niemand is die kan helpen, dan moet ge eens, als ge dan toch gaat slapen, vanavond laat, en als ge dan toch in uw bed ligt, plat op uw rug in die donkere kamer – dan moet ge u eens voorstellen dat gij zelf zo iemand zijt die kan helpen. Zo iemand die misschien op de kade heeft staan wachten, omdat hij heeft gehoord dat er een bootje op komst is. In elk geval, iemand die kan helpen. Voor ge 't weet bekijkt ge de dingen van de overkant. Serieus. Ge moet dat eens doen.  

Lode Demetter
0 0