Zoeken

The killing of logical thinking

In the silent night, red flames of  torches were visible from a distance. Out there, in the middle of lonely fields, a crowd had gathered. They stood next to each other, row after row, in a disciplined way.   The torches lightened up the outer faces but not those standing in the middle. There were animals of all different species coming together. In front of them, in a yellow robe, an owl stood. As the wind crawled through his clothes, he spread out his wings to silence the whispering among his followers. The air became filled with his thunderous words. “My fellow outside dwellers, we stand here today united in face of a common danger.” Eyebrows tilted upwards, his chest stretched out. The owl knew how to speak in front of a crowd.   “We have to meet in the dark, because our enemies eyes are everywhere. They come from the south, year after year they come”, the owl said while pointing towards the sky behind his audience. “Those animals have come to steal our homes, our seeds and our lives.” The crowd became louder “Don’t let them take our seeds!” a small mouse yelled. “Hush now my friends! We all know who I’m talking about of course. It are those filthy sparrows, small birds but always with enormous troops.” “Kill them all! Kill them all!” the crowd started to yell.   “But this year my friends, we’ll have a little surprise for them! We have managed to devise a plan that will set in motion the extermination of those lazy flying rats!”, the owl exclaimed. “Hey, nothing wrong with being a rat”, a faceless creature yelled from the middle of the crowd. “Ssshhhtt!”, his fellow followers said. “Just saying you know”, the creature defended himself.   “We will use the humans!” The Owl spread out his wings yet again, his eyes opened up wide. “Oooooh, the humaaaans”, the crowd whispered. “Yes, those killing machines will become our weapon… Do you want to hear the plan?”, he asked his followers. “Yes, Yes, tell us the plan!” “The humans have shiny vehicles they drive around with. They wash them every week, making sure no dust remains on it. We will attack those treasures, meaning we will defecate on them. But… there is more.” The Owl looked into the faces in front of him. “We will make sure they are only small shits, so the humans think it comes from the sparrows.” Raising his head, the Owl was still proud of  producing this plan.   The crowd was silent, and the leader knew now was the time to get them. “You”, he pointed to a small rat in a purple robe. “You, what do you think of the plan?” The rat had two shiny little teeth, and a long tail coming from under his robe. He clapped his little paws together and said “Yes, I like the plan…” “He likes the plan!”, the Owl yelled with a smirk. “… But I don’t see why we need to kill them all. I mean, is there no other way?” The Owl stopped smirking, and turned his head sideways. “Of course there is no other way. They are the enemy my friend, we need to get rid of them.” “Oh yes, they are quite a nuisance, but they are also very pretty to look at”, the rat said. “What… No no, they are not pretty to look at, they are the enemy of our entire society!” The Owl couldn’t believe his ears. “Now just wait, when I’m out in the fields and they are flying over me, those sparrows are actually nice, they never steal from me.” “They steal when you don’t see it! How many seeds have gone missing from our fields this year? That’s not because we take too much, but because the sparrows eat it all!” The crowd yelled “yes yes, they steal it all!”   “But we still have enough, don’t we? I mean, nobody of us is starving or dying”. The rat couldn’t help himself, logic had struck his little brain. “No, not yet you mean”, the owl pointed upward with his long feather. “Because we have learned to defend ourselves. We have learned to hide the food that belongs to US, AND NOT TO THOSE DAMNED IMMIGRANTS”. His followers threw their fists in the air, exclaiming “DEATH TO THE IMMIGRANTS!!” “Now, that’s another thing that strikes me as weird. We call them immigrants, but they come back every year. So are they truly immigrants?” The Owl stood baffled. “Of course they are immigrants. They’re even worse. The American squirrels were once immigrants as well, but they adapted and learned our values of hard work. The sparrows simply come when our food is in abundance, they eat it all and then when the cold swarms over the land, they leave for better weather!” The rat thought about it. His tongue sweeping over his two teeth, and his tailing waving gently behind him.   “So there is the solution”, he said. “Solution to what?”. The Owl was getting irritated, how could this rat possible think to have solved such a problem? “To all our suffering of course. It’s true, when the snow comes the sparrows leave, and we are left with cold feet and hard nuts. But what if we act like them? What if we simply migrate south as well? Maybe the sparrows aren’t the problem, but the solution.” The rat smiled, he had found a way out of the killing!   The Owl, however, watched his opponent with hatred as if the last sparrow in the world was standing in front of him. He clinched his wing, and pointed his right feather to the insurgent. “Kill him. Kill all the rats! They are spies of the enemy!”, he commanded.

Simon Sileghem
7 0

Is er nog plaats voor liefde in mijn hart?

Begrijpt u mij niet verkeerd. Ik sta hier nu, voor u, ietwat nederig om niet te zeggen onderdanig, doch met licht arrogante ondertoon om in zekere zin respect af te dwingen en tegelijkertijd jullie volstrekte aandacht op te eisen zonder jullie ook maar het kleinste vermoeden te geven dat ik wel eens absoluut niet te zeggen zou kunnen hebben. Maar genoeg over mij. Mensen hebben het weerzinwekkend graag over zichzelf. Wie bent u, mens met het zwakke hart, wezen met het onvoorstelbare talent om door wie dan ook neergehaald te kunnen worden? "Wij", besluit ik. En de samenhorigheid is geboren.   Om de uit het niets opdoemende poëtische meligheid even drastisch aan de kant te schuiven en de eeuwige drang naar concreetheid te bevestigen, zal ik het begrip lanceren dat deze al dan niet onverklaarbare woede heeft opgeroepen. Vergeeft-u mij mijn onprofessionaliteit. Het gaat hier nl. over de liefde. Een tongstrelend woord - ik nodig ieder van jullie hartstochtelijk uit om het op een afschuwelijke manier uit te spreken, de wonderen zijn de wereld nog niet uit - dat harten doet fluisteren en mensen doet slaan. De warme, zoete liefde die uw leven sporadisch binnensijpelt en vervolgens net zo plots durft te verlaten maar ter compensatie een prachtig(e) kille leegte achterlaat. Een mens zou er bijna massochistisch van worden. Doet u dat ook? Genieten van die wrange smaak, die u er gratis en voor niets bijkrijgt, even gorgelen en toch niet wegspoelen?   Liefde bijt, snijdt, ijlt en toch blijft men er van houden. Of hoe de ironie des levens blijft verbazen. Laat ik er van uitgaan dat ieder van jullie zich wel eens heeft afgevraagd of hij/zij oprecht van iemand houdt of eerder van het gevoel dat laatsvernoemde u bezorgt. Objectiviteit is uit d'n boze maar de vraag houdt stand. En wat met naastenliefde? Solidariteit, geven, nemen, schenken voor het goede doel.. Om over eeuwige altruïstische kwesties nog maar te zwijgen. Waarom geven, zonder er baat bij te hebben? Indien dit laatste wel correct is, voor de hindoes en boedhisten onder ons die karma als waarheid zien.   Bestaat oprechte liefde überhaupt? De onvermijdelijke ego- vs altruïsmekwestie schreeuwt het uit: "Vangt een moeder de verloren alias verlossende kogel voor het kind op, puur uit liefde, wetend dat haar spruit nog een leven lang tegemoet gaat doch niet rekening houdend (of juist wel?) met het feit dat het moederziel alleen-e grut niet veel overlevingskans bezit of eerder uit voorbedachte rade, denkend aan de beschuldigende blikken van de dorpbewoners en beseffend dat een leven vol met spijt ook geen leven is? U gaat me nl. niet vertellen dat de dode meer last heeft van pijn dan de overlevende. Of struikelde de arme dame over een ongelukkig geplaatst houtblok en verdwijnt deze redenering in het ijle? Vrije interpretatie sluimert en schijnt, schokt en venijnt.   Alomvertegenwoordige teleurstelling is waar het om gaat. Te nemen of te laten. Een mens wordt alleen geboren en blaast z'n laatste adem wederom even verdomd alleen weer uit. De grootste waarheid die ik tot nog toe heb durven slikken.   Die o-zo symphatieke - u toegewenste gore, guitige, loze liefde zal knarsetandend uw oor afsabbelen, knagen alsof z'n leven ervan afhangt om u vervolgens tegen de muur te plakken en daar te laten hangen. Dagen, maanden, jaren. En pijn. Pijn zult u voelen.   Pijn. Scheurend. Wroetend in uw eigen onmacht, knagend, sluipend, huivering-, duivelop-, duizelingwekkend slopend. Huilend, druipend en snikkend doch droog. Kurk. Droog. Krakend en brekend en slijpend tot in de eeuwige schrapende groteske stilte der dwazen.   Luister. Hoort -die lachende, fluisterende pijn- opdoemend uit de nevelige, zwarte, schreeuwende leegte. Schater, bejubel, aanbid dit onderhuids, vretend, morbide metafoor voor de liefde en lach. Lach tot u niet meer bijkomt.   Maar, vreest-u niet. Sluit allen jullie ogen.   Sluit. En voel - voel je wimpers voel je ze voelen zo onherroepelijk s-zacht tegen je huid. Je adem fluistert, spreekt, sist. S-s-s-s-zwijg. Sluit je mond. Integendeel jouw hart. Open lijk nooit tevoren. Open en voel. Voel verder. Verder voelen en vlijen in de verste veilige plek van je zielige hart. Harteloze ziel. Jij. Laat je door de klanken bezweren en betoveren en meedrijven naar iets. Iets puur, iets prachtig, iets ongelooflijk, onwaarschijnlijk mooi. Kleuren in het ijle. Zij zingen, zweven, schijnen.   Geniet. Geniet. Geniet.   Is er nog plaats voor liefde in uw hart?

Pseudoniem
7 0

Verdiend geluk

Ik opende mijn ogen voor het eerst in een koude, vochtige stal. Het was er schemerig; het enige, grijze licht was afkomstig van de slordig met hout dichtgespijkerde ramen. Ik lag op een versleten, muffe handdoek met een onbestemde kleur in een hoek van de grote, tochtige ruimte. Ik rilde; een ijzige wind waaide door de kieren in de deur en de ramen en af en toe streek een kille tocht langs mijn magere lijf. Onder de deur lag een plas water, die alsmaar groter werd door de grote sneeuwvlokken die door de stevige novemberwind naar binnen geblazen werden. Ik hoorde muizen rondscharrelen in het hooi dat in een andere hoek bijeengeveegd was. Ik raakte niet gewend aan het duister en merkte ­- eerder door te voelen dan te zien -­ dat ik niet alleen op de handdoek lag. Overal om me heen voelde ik beweging en hoorde ik de piepende ademhaling van lotgenoten, die zich in dezelfde onaangename situatie bevonden als ik.   Een streep winterlicht gleed over de handdoek en piepende scharnieren van een slecht geoliede deur deden me angstig in elkaar krimpen. Ik huilde zachtjes. Ik hoorde opgewonden kinderstemmen en een sussende vrouwenstem. Een jonge vrouw kwam de stal binnen met een emmer in haar hand. Toen ze de emmer neerzette, bewoog een van mijn lotgenoten naar haar toe en begon gulzig te drinken van het frisse water, waarmee de emmer tot de rand toe gevuld was.   Na een tijdje doezelen, tilde iemand me op en duwde me in een container. De ruimte was veel te klein en al snel hoorde ik gehuil en jachtige ademhalingen. Ik dook weg in een hoekje en kroop tegen één van mijn lotgenoten aan. Mijn instinct zei dat het mijn zusje was. Toen de container plots in beweging kwam, zochten we trillend steun bij elkaar. Ik hoorde geschuifel en het leek of er een gevecht losbarstte in het midden van de trein. Tot mijn ontsteltenis eindigde het voor een van de vechtersbazen niet goed. Ik hoorde een reutelende ademhaling, die alsmaar onregelmatiger werd en uiteindelijk niet meer te horen was. Na wat een eeuwigheid van indommelen en wakker schrikken leek, ging de deur van de container een klein beetje open. Drie grote, stevige mannen schoven een gigantische bak met water naar binnen en gooiden droge broodkorsten de wagon in. Onmiddellijk draaide het uit op een nieuw gevecht, waarbij ook hier weer een aantal van mijn reisgezellen het niet overleefden. Mijn maag rammelde en ik kroop zo stil mogelijk over de vloer van de trein, terwijl ik probeerde zo laag mogelijk bij de grond te blijven en tegen niemand op te botsen. Een aantal keren moest ik noodgedwongen flink van me afbijten. Ik grabbelde wat broodkorsten bij elkaar en kroop, op dezelfde manier als ik gekomen was, terug naar mijn zusje in de hoek van de vieze, donkere container.   Dagen, weken of misschien zelfs maanden later, waarbij één keer per dag water en broodkorsten de trein ingeduwd werden, werd de deur van de container volledig opengegooid. Ik kneep mijn ogen dicht tegen het felle zonlicht dat de trein binnenstroomde. Toen ik om me heen keek, zag ik een ware veldslag. Er waren niet veel overlevenden.   Alles was nieuw: de geuren, de kleuren, de geluiden. Ik werd bij mijn zusje geplaatst. Ze zat te trillen van angst. Ik ging naast haar zitten en leunde tegen haar aan, hopend dat ik haar zo kon zeggen dat alles in orde kwam. Ik was een optimistisch iemand. Ik zag overal het goede in. Zo zag ik dat de zon stralend door de ramen scheen en de ruimte in een zomerse gloed liet baden. Ik zag een straat met vrolijk babbelende mensen en kinderen, die dubbel zoveel afstand aflegden als hun ouders door een eind voor hen uit te rennen en dan zo snel mogelijk terug te sprinten. Van plezier kraaiende baby's werden voortgeduwd in wandelwagentje, terwijl ze met hun tot knuistjes gebalde handen in de lucht zwaaiden, grijpend naar loom voorbijvliegende hommels en sierlijk voorbijfladderende vlinders. Honden snuffelden aan alles wat hun pad kruiste en bekeken iedere voorbijganger van top tot teen. Zo donker de koude winter in Slovenië was geweest, zo vrolijk en warm was de zomer in mijn nieuwe wereld.   De lichte, glazen deur, die uitgaf op de drukke winkelstraat, werd opengeduwd en een vrouw en drie kinderen kwamen de ruimte binnen. Aan de balie werden ze begroet door een dikke man, met vettig haar. Hij sprak ons altijd heel vriendelijk toe en liefkoosde ons, maar stuurde ook regelmatig een vrouw in een witte jas op ons af. Ze had dingen die ons prikten en een koude dop waar -­ zo leek het tenminste -­ een koptelefoon aan verbonden was. Na een bezoek van de lieve mevrouw voelde ik me altijd ziek en uitgeput. Het duurde dan een aantal dagen voor ik mijn aangeboren optimisme terugvond en terug aan het raam kon gaan zitten om naar de eeuwig interessante voorbijgangers te kijken. Telkens wanneer een kind opgewonden naar me wees en zwaaide, aan de mouw van zijn moeder of vader trekkend, sprong ik juichend in het rond en zwaaide even enthousiast terug, hen in gedachten overtuigend -­ soms zelfs smekend -­ mijn zusje en mij in hun gezinnetje op te nemen. De vrouw, die net binnengekomen was, vroeg of ze even mochten rondkijken. Na een bevestigende knik van de baas liepen ze de ruimte door. Ze begroetten ons allemaal even hartelijk en bleven een tijdje vertederd naar de kleinsten onder ons staan kijken. Langzaam maar zeker kwamen ze dichterbij. Na veel "Oh"'s en "Ah'"s bij andere lotgenoten zag ik de kleine jongen zijn moeder aanstoten en naar ons wijzen. Hij praatte opgewonden, maar zijn moeder kwam maar aarzelend dichterbij. Toen ze ons zag, verzachtten haar ogen echter en ze gaf me een lieve aai. Ik voelde het: dit was ons moment. Ze zouden Zusje en mij meenemen; het was voorbestemd! Veel te snel draaiden ze zich om en verlieten mijn tijdelijke huis.
Toen ik een teleurgestelde blik naar buiten wierp, zag ik de kleine jongen met een zielig gezicht naar me kijken.
 Ik zuchtte, draaide me om en viel in slaap.   Ik schrok op toen de deur openging. "Kom, jongen," zei de vriendelijke, maar kordate stem van de baas, "Ik heb voor jou een thuis gevonden." Ik kon mijn oren niet geloven! We hadden een thuis; een echte thuis! De baas tilde me op en legde me in de armen van de vrouw die eerder op de dag naar ons was komen kijken. Er was nu een man bij, die met een glimlach om zijn lippen zijn hoofd schudde en ons naar buiten leidde.
 Maar toen ik over de schouder van mijn nieuwe mama keek, brak mijn hart. Zusje bleef eenzaam en alleen achter en keek me bedroefd na. Ik worstelde om los te komen, maar de vrouw was te sterk. Ze fluisterde me kalmerende woordjes toe en aaide me over mijn rug. Toen de deur achter ons dichtviel, begon ik zachtjes te huilen. "Vaarwel, Zusje, morgen zal ook jij een nieuwe thuis vinden," zond ik haar in gedachten toe.   Mijn nieuwe gezin bracht me naar een gezellig huis met een grote tuin. Ik genoot van het groene gras, de trampoline en de schommel. Ik maakte kennis met mijn nieuwe zusjes en broers en met mijn nieuwe leven. Ik kreeg een eigen plek om te slapen, met schone en zachte lakens. Kortom, ik kreeg de liefde, waar ik zo hopeloos naar verlangd had en die ik zo hard verdiend had. Met heel mijn hart wenste ik voor Zusje hetzelfde. Terwijl ik tevreden zuchtend rondkeek op de plek waar ik terechtgekomen was, wist ik eindelijk wie ik was: ik was Thor, hond en trouwe viervoeter van een eigen gezin!  

L.C.
0 0

Heaven and Hell for Gerard

While mister and misses Clementine were waiting in the faintly yellow waiting room, the man started to scratch heavily behind his ear. He turned his head to the left so he would get the right spot. “Stop it Gerard, you’re making me nervous”, his wife said. Miss Clementine was a small woman, with a hair fool of dense curls. Along with her sharp nose, her hair made her look like a grey poodle.   When the doctor called out their name, the couple walked into his office. “You sit down here Gerard”, the wife said pointing to the second chair. The doctor knew the couple all too well. They had come to him ever since they got married, some 40 years ago. The man, of quite a size but with a remarkable small head, smiled at Gerard. “So, what can I do for you?” Mister Clementine opened up his mouth, but it was his wife who spoke first. “Hush now Gerard, don’t tire yourself. I’ll explain it to the good doctor.” She bent over a bit, keeping her hand seated on her lap. “You see doctor, our daughter just bought a house. Right in the middle of James Street. Yes, such a lovely place!” “Well, that’s nice to hear, kids grow up so fast”, the doctor smiled. “Yes, very fast. But there was still some work to be done in the house, so Gerard offered to help. He’s such a handy man, you know that.” Gerard smiled gently, tilting his head a bit sideways. “During his work, he had to get up the roof, but while he was getting up a ladder, he fell down! Right on his head!” The woman touched her soft curls. “Ouch”, said the doctor and looked at Gerard’s head with an investigative frown. “No, you won’t see a thing doctor, it’s his mind that got hurt.” Miss Clementine started to whisper, “I fear he’s broken.”   “What do you mean with broken? He seems fine to me.” “Yes, he seems fine, but there’s just one thing doctor…” The woman paused, staring at her wriggling hands. “What is it?”, the doctor asked. “Well, … Sometimes… Oh my, It’s quite embarrassing.” “Now, don’t you worry miss Clementine. Everything said here is in complete confidence and without judgement.”, the doctor reassured her. The wife looked at her husband and back at her hands. “Sometimes he… starts to shake his buttocks…” “You mean like in a dance?”, the doctor asked surprised. “No, that’s just it, Gerard never dances. I mean, take yesterday for example. I was cooking when he came home from work. Normally he would give me a kiss and watch the telly. But now, he gave me a kiss and stood behind me shaking him behind!”. “Mmmh I see”, the doctor looked at Gerard who was still smiling gently with his head slightly tilted sideways. “Maybe he’s just looking for attention?”, the man suggested. “Unless he hit and damaged a nerve during his fall of course.” Miss Clementine shifted on her chair. “That’s not all doctor… He also makes this noise. When someone’s at the door, the postman for example. Instead of just opening up, he simply stands there making this growling noise.” The doctor sat back, and started to list up all the mental illnesses in his mind.   “But that’s still not all doctor.” “Oh no?”, the doctor lifted his left eyebrow. “This morning, when I got out of the shower, Gerard was shaving himself at the sink. When he saw me in the shower, he fell on hand and knees and came crawling to me…” “Now miss Clementine,” the doctor held up his hand. “Uhm, I’m just a regular doctor, not one of those fancy new sex therapists.” “Oh no doctor! No, it was nothing sexual, I assure you. He simply licked my wet legs and started waving his buttocks again!” The woman shifted in her chair again. “However, there is one thing though…”   Hearing her tone drop, Gerard dropped his head and stared at his shoes. The doctor became weary. “You see, sometimes when I’m walking through the house, Gerard does this thing.” “This thing?” Gerard’s head was sinking deeper and deeper. “Yes, when I’m walking through the house, he comes standing beside me, and falls on his knees.” “Uhu”, the doctor nodded slowly. “And then he grabs my leg and clinches onto it, but he also makes this upwards and downwards movement. “How do you mean?” Miss Clementine looked at the doctor and whispered, “He humps on my leg doctor.” “he humps?”, the doctor asked. “Like a…” “Like a dog yes, like a dog in heat who needs a bitch. And it’s disgusting doctor. You should see the look on his face when he does it.” The woman took out her handkerchief, and dipped her forehead softly. “It’s unbearable. The noise, the licking, the humping. I can’t stand it anymore! I want my nice little Gerard back.” The doctor thought about it for a while. Gerard looked at his wife like he had just taken a beating.   “I might have a solution.” “You do doctor?”, miss Clementine leaned forward with big eyes. “Yes, we simply have to neuter him.” “Neuter him? What does that mean?” “Well, simply pluck the seeds, cut off the bollocks, remove the bricks if you will.” “I see”, the wife wondered about it. “And how will he be afterwards?” “Oh, he’ll be a lot quieter. Maybe he’ll sleep a bit more, gain a few pounds. But the humping will stop for sure. “Oh, that’s good news, isn’t it Gerard?”   The man, who had kept quiet all that time, finally jumped up. “Now wait a minute”, he yelled. “Sit down Gerard, be a good boy now”, Missed Clementine waved her finger sternly at her husband. He sat back down, staring at the ground. His wife looked back at the doctor. “How will we proceed?” “Well, we can operate tomorrow morning if you will. “The doctor started to write down the appointment in his agenda. “But might I suggest you give him some nice treats tonight? It will keep him calm.” He stood up and opened the door for the couple. “That’s a very good idea doctor. Come now Gerard, follow me.” They stood up, and Miss Clementine shook the doctor’s hand. When Gerard passed him, the doctor stroke the poor man’s hair. “Tomorrow it will all be over, don’t you worry”, he said with the most sadistic smile.

Simon Sileghem
0 0

The Clouds

Hank pressed the bell, and not even two seconds passed before the door opened up with a cracking sound. A man appeared with a bald spot on top of his head, but long hair on the sides. He must have been close to fifty years old, was wearing a white shirt with stains on it, brown pants and black leather shoes. Taking a step back, Hank watched the man look at him with a wondering stare. He looked like he had been painting, and had been disturbed during one of his most intimate artistic endeavours.   “Yes?”, the man asked. Hank spread out his arm, and handed the man a piece of paper. “It’s for the room sir, I saw the newspaper ad.” “What…”, the man looked over the paper, and wondered through his mind. “Oh yes, the room, of course!”. He gestured Hank to come in, and stepped forward into the house. “I’m so sorry, I completely forgot about the ad”, the man said, “but yes, I do have a room for rent”.   They left the dark blue hallway and came into a living room. The walls where covered by books in oak tree bookcases. Some of the cases were divided by painting of clouds. “Oh, you’re a painter?”, Hank asked while pointing to a picture of a thundering storm. “Yes, you could say that I’m a painter”, the man smiled.   “So, this is the living room, but your room is on the second highest floor”. “And how many floors are there?”, Hank asked. “Not sure”, the man proclaimed while holding his hands in the air. “I only stay at the lowest and highest floors, not sure what happens in between.” “wait, what? You don’t know what happens in your own house?” Hank just couldn’t believe it. “Well, I know the floors are there, I just don’t know what they are used for”, the man said. “But how can you not know?” “You tell me, do you know what every mouse, every insect, every bird or every sparkle of dust does in every building you know?” “No, but..” “Then don’t assume that I know what happens on every floor of this house”, the man interrupted him. “Come on, I’ll show you your room”.   They left the living room, went back into the hallway and started ascending the stairs. Hank looked up the staircase, that looked like the deepest cave hanging upside down. How high was this house? But the man didn’t seem to notice Hank’s shock, so they continued their way upstairs in silence. After what seemed like an age, but what was only five minutes, they stood in front of a light blue door. “So, this is your room, well, if you like it of course!”.   When the man pushed down the handle and stepped into the doorway, Hank was struck by the glares of light. A big round window was placed in the northern wall of the room. It offered a splendid view of the sky. Hank could see the summer blue in between white fluffy clouds. How marvellous they seemed. They looked like a picture you might see in a museum, he thought.   The man stood in the middle of the room and spread out his arms. “So, what do you think?” Hank, still mesmerized by the big window, looked around. Just like in the living room, the walls were covered by bookcases and paintings. There were no paintings of thunderous storms, but only of bleu summer skies. The room was a gentle one. In the left corner stood a small wooden bed.   “It looks fine, splendid even! Hank couldn’t believe it. Sure, the man was weird, but the house and room looked amazing. “I’ll take it”, he said with a smile like he had just made the deal of his life. He turned to the man. “I’ll unpack right away, so my stuff won’t be in your way.” “Oh, that’s quite alright. You can take your time. I’ll just be upstairs for a while, but why don’t we have dinner together? I’ll cook something up for you.” Hank was surprised, the man didn’t really look like much of a cook, but then again, so didn’t he. “That’s nice, I’d love to. When will we eat?” “I don’t know, I don’t like to eat before it gets dark. How does 8 pm sound?” Hank was used to eating sooner, but he didn’t want to be impolite, so he said “that’s fine by me. “Okay, I’ll see you then.” The man turned around, walked out of the room and closed the light blue door behind him.   While the clouds passed by, the sun lowered itself towards earth. Time passed, and soon it was 8pm. Hank went back down, into the book-filled living room. Darkness was being chased out of the house by two lights. They gave a warm glow to the books.   The man had just set the table, when he turned to Hank. “Ah, just in time, please sit down.” Hank sat down, and watched his plate, that was filled with sausages and cream puree. It looked delicious, how can a puree be so soft and creamy? “So, if you don’t mind me asking sir, you said you are a painter. Is that all you do?” “Yes, but I’m not just an amateur, mind you. My work has been seen by the entire world.” “So, I might have seen your work is some museum?” “That depends, you could say you can see my work while being in a museum.” “How do you mean?” “Well, if you see something while staring out of a window of a museum, is that something then in that museum?” “No.. So you’re a street artist?” “I wouldn’t call myself that, it just sounds so … cliché. I mean, yes, most people see my work while walking down the street, but I’m not a guerrilla hippie with nothing else to do then painting the pavement.”   Hank couldn’t figure it out. Until now, the man had been nothing but a mystery to him. While eating another piece of cream puree, he became determined to look for answers. The semi-bald man would become a light in a dark forest.   But for now, Hank was happy to enjoy his meal. Once again he wondered about just how fluffy cream puree could be. it was like a soft southern spring sky in his mouth. When they finished their meal, the man said “so tell me, what do you think of the house?”. “It’s very nice,” Hank said “but I still have to figure out how many floors there are though.” “Oh, I wouldn’t mind that. I’ve lived here for an eternity, and I still don’t have an answer to that.” Hank sat back, and took a sip of his wine. “Just explain me if you will, how can you not know how many floors your house has?” The man chuckled. “Well, everyone has a favourite room in his house, right? I like floors. I like this floor and the highest. This is where I relax, and up there is where I work.” “And why do you work on the top floor? You must have really strong legs to walk up and down the stairs all the time.” “Yes, my legs are wonderful, believe me. But I need the height for my work, you see. The second floor wouldn’t do.” Hank thought about that one for a while. “But, why exactly do you need the height?” The man frowned, “Now young man, don’t be stupid. Every painter needs a canvas, right? That’s where mine is!”.   Hank lost it completely. “But that hasn’t got anything to do with the height? If you put your canvas on the second floor, you’d be fine!” The man sighed. “You simply don’t have the imagination to understand, and that’s a pity. How old are you?” “I’m 24 sir, but what does that have to do with it?” The man suddenly stood up, with his fists planted on the table. “See, it’s the disease of our times! 24 and already you have lost all your imagination.” The man walked round the table, stood beside Hank, raised his finger and said “Tomorrow you’ll see me work, and you’ll understand. But until then, no more questions. Good night”.   The man left the room. For a while Hank sat there and watched the cloudy darkness out of the window. He felt sleepy, so he got up and made his way up the long stairs. In his room, he closed the curtains from the big round window and got into bed. He fell asleep instantly.   The next morning, Hank woke up at a huffing and puffing sound. What on earth is that? “When you get your rigid mind out of your bed, come join me on the top floor. There’s no time to waste in the morning”, he heard the old man shout through the light blue door. Hank heard the man pause for a while and then the huffing and puffing sound started again. He got up and spread out his arms. A pity, the bed is so soft. I wonder where he got it from, Hank thought.   He made his way up the stairs and stopped before a white door. This is it, now I’ll finally know what the hell is going on here. Hank knocked on the door, and heard the man stammering “Come on in, mmpff!” He opened the door and saw the bald spot of the man going up and down. The guy was doing push ups! After two more times going up and down, he jumped up on his legs. “No need to be surprised young man. When you paint, you need strength. You need to be a force against the powerful paintbrush”. Hank smiled. Obviously, the man was a looney, a simpleton. But when he looked away, he watched the room in full amazement. There were no books or paintings covering the walls here. they were simple splattered with paint. But what struck him most, was that the northern wall was made of glass. The window had massive wooden frames, made out of oak tree, Hank noticed. it looked out over the morning sky. it was still dark, but a lonesome cloud was hovering next to the house. A tiny companion to the mighty sea of stars.   Hank saw the man crossing the room towards the window. He spread out his arms and started pushing the wooden frames. With a gentleness that surprised Hank, the window opened up. “It’s spectacular huh”, the man said. “I have never gotten used to the sight. It’s just too beautiful.” A soft breeze filled the room, but the man didn’t seem to notice. He took some cardboards and divided them over the floor. Then he started to pour out tubes of paint on them. Each colour had his own place. First white, then yellow, afterwards blue and finally black. “But where is your canvas? You said you needed this floor just for your canvas?”, Hank asked “Still you don’t see it, just wait”, and the man took up his paintbrush. First he pushed it heavily in white, spread it over a vacant cardboard and then dipped the brush gently in black. With a patience only old people and artists have, he began mixing the colours. It became light grey. Then he pointed the brush to the sky and started moving it. “What…”, Hank shook his head. “Now just wait! have some patience dammit!”, the man cursed.   As the brush moved over nothing but the air, a soft grey form appeared. It looked to Hank like a pillow someone just slept on. “You see, I paint the sky”, the man said with a smile. He started colouring in the pillow. He added some dark touches, which gave it some depth. “But… I mean… How does it stay up there?”, Hank asked with a bewildered gaze. “It stays up there, because I painted it there. But wait, the best is yet to come”. When the cloud was done, the man put aside his brush, watched his creation and simply blew on it. The pillow slowly moved out of the window, like when you walk to the toilet in the middle of the night.   That can’t be, he must have drugged me. The dirty bastard is probably playing some tricks on me while I’m fast asleep. Wake up Hank, goddammit! “I see you still don’t believe it”, the old man started cleaning his brush with an old cloth. “But this cloud will be taken by the western winds, all over the world you know.” He put down the cloth on a nearby table. “So you see, I didn’t really lie when I told you my work has been seen by the entire world.”   Hank stood amazed by what he had seen. The freshly painted cloud floated next to the house. It would begin its journey over the entire world. Pass through storms and keep the moon company is pure silence that only true friends can appreciate. Outside the house, the sun rose like a sleepy child, slow and warm. Life had just started over for Hank, even though he didn’t know it yet.   The man stood by the window. He closed his eyes halfway, as the sunlight came into the room. Suddenly they could see all the dust particles hovering in the light. Hank came closer to the man. “I don’t understand. Does this mean that every cloud I’ve seen in my life was painted by you?” “Most people don’t get it, but clouds are silent witnesses to their lives. The first time you kissed a girl, and looked up to the sky with the feeling you don’t need anything else, a cloud was there. When thunderstorms came into your head as a loved one died, and you sit hurled away in your room, the clouds see your sadness as they pass your house. They are the most intimate pieces of art you’ll ever see.”   “You know what the most beautiful thing is about clouds?”, the man walked away from the window and picked up his paintbrush. “Their beauty lies in their form. No one will ever see the same cloud. You might see a duck in it, as you lack the imagination, but others might see a white cherry tree in full blossom. Something that helps them through the day. A storming wave over the land that inspires them to unknown symphonies and poetic activities.”   The man dipped his brush in the white and yellow paint. “It feels like a good day, doesn’t it? Time for some colour to brighten the mood.”

Simon Sileghem
0 0

Nutcase

De schaamte. Ik voel ze vooral hier, in de supermarkt. Mensen mijden oogcontact sinds ik de ronde doe als een virale infectie. Ze kijken me aan wanneer ik mijn boodschappenlijstje doorstreep of het etiket van een fles wijn lees. Hun geniepige blikken branden door mijn winterjas. Het is zelfs zo erg geworden dat ik mijn vlees niet meer laat afsnijden bij de slager. Voortaan koop ik alles voorverpakt. Wat maakt het ook uit. Alles heeft een wrange bijsmaak tegenwoordig.   Ze zeggen dat mijn masker is afgevallen. Ze menen te weten wie ik nu écht ben. Maar wie was ik daarvoor dan? Iemand die de schijn ophield? Dat zeggen ze ook. En oké, ik was de controle verloren en de gevolgen zijn drastisch. Het is een jammerlijk feit uit een leven dat al 41 jaar braaf bestaat. Maar ben ik door het voorval veranderd? Ik geef de planten evenveel water als vroeger. Ik slaap nog altijd op mijn buik en ik kijk met evenveel spijt terug op bepaalde keuzes in mijn leven.   Maar goed. Het is dus gebeurd en veel mensen hebben het gezien. Ik ben nu officieel de nutcase van het dorp. De overdaad aan wijn en goedkope pralines in mijn winkelkar zullen die perceptie alleen maar voeden. Aan de kassa komen daar nog roddelboekjes bij. Mocht ik niet beter weten, ik zou denken dat het bewijs van mijn teloorgang naar de kassière schuift. Ik betaal de rekening en krijg er gratis een afkeurende blik van de winkelbediende bij. Wat een conservatief hol is dit toch.   En als ik eerlijk mag zijn: vóór de schaamte was ik trotst op mezelf. Fier op mijn daadkracht en uitstekend gevoel voor timing. Als een slechtvalk die in vrije val zijn prooi vangt. 12 jaar geleden, toen ik hem voor het eerst zag, had ik het lef nog niet. Hij kwam toen spreken over zijn investeringsplannen in de regio. Ik walgde van zijn dominante houding en vrouwonvriendelijk gezwets, maar als kersvers communicatiemedewerker van de gemeente deed ik wat van mij werd verwacht. Ik bedankte hem na zijn speech voor zijn kostbare tijd met een uitstekende fles Bordeaux. Hij nam de fles aan, gaf me een zoen en fluisterde onder luid applaus in mijn oor: “Heb je plannen vanavond, Barbie?” Ik was te geschokt om te reageren. Hij genoot van zijn macht.   Dat was ons laatste contact tot vorige maand, toen hij terug naar ons dorp kwam. Hij was hier niet om te spreken over de investeringen die uiteindelijk nooit zijn doorgegaan, maar om verkozen te worden. Ik overhandigde hem opnieuw een fles Bordeaux. Deze keer met een extraatje erbij. Om het in de woorden van de wereldpers te zeggen: “Lady grabs Trump by the nuts after speech.”    

Antony Samson
1 0

De nacht

Die gedachten waarop nachten kunnen breken, verblind door een gebrek aan licht en high van hun eigen duister. Een sombere overpeinzing komt altijd onverwacht. Ze rijt elke jonge nacht, onervaren in haar veelvoud aan mogelijkheden, moeiteloos aan flarden. Amper opgewassen tegen wie geen aandacht heeft voor nachtelijke pracht. Zelfs in het meest volmaakte duister heb je zwartkijkers. En de nacht zet poorten open, laat niets of niemand buiten, dronken door een macht van tolerantie, een drang naar experiment als een dodelijke cocktail. Als stomende seks kan, dan kan ook verkrachting. Als liefde en behagen, dan ook woede en verwarring. Hier krijgt iemand een ingeving, ze wil haar man verrassen. Daar drijft de rommel in zijn hoofd een man naar drank en zelfmoord. Hier woedt oorlog, daar groeien tweede kansen. Hier feesten als de beesten, daar een spuit in de aders. Gekker moet het niet worden, dacht de nacht bij zichzelf, en toen werd het nog gekker. Gierende banden. Een Nissan die zich rond een lantaarnpaal drapeert. Vrouwen nagefloten, ze negeren, krijgen slaag. Wat had je aan? Honden verscheuren elkaar voor hun baasjes vermaak. Een eenzame man die zijn allerlaatste adem uitbraakt. Een dronken val van zes hoog. Een gooi naar macht. Een betoog. Kristalnacht. Lange messen. Een popster vermoord. Een baby doodgeboren. De schemering was zwanger van beloften en van kansen, maar de nacht brengt alle duivels aan het springen, aan het dansen. De nacht snuift lijntjes sterrenstof, voelt zich groter, kan meer aan. Als een zaadje in de hersens groeit een inval tot een daad. En met spijt in hun ogen zeggen zij het was de coke, het was de drank. Maar het was de nacht, onverantwoord, die de rede had verpacht. Het was de nacht, opstandige puber, onstuimig, ondoordacht. De omvang van de schade die ze toelaat had ze nauwelijks verwacht. Het was de nacht, wanneer alles nep en schijn en verdacht. Arresteer de nacht. Veroordeel de nacht. Die junkie. Die hoer. Die gangster. Moordenaar. Bedrieger. Leugenaar. Messentrekker. Manipulator. Pak haar alles af. Trek haar bij de haren. Sleep haar over de grond. Het is de dag die onze zelfoverschatting weer verstomt.

Gert Vanlerberghe
3 0

Hoe moeder stierf en dat dat eigenlijk mijn schuld was

  ‘Moeder, je zou me toch komen ophalen aan het station? Ik had gezegd om kwart voor twee. Half drie is het nu.’   ‘Moeder, het is drie uur. Waar blijf je? Bel je me?’   Maar moeder belde niet. En ook op de boerderij nam niemand op.     Om half vier kreeg ik de jongste broer aan de lijn. Ik zat op de rand van één van de grote bloembakken voor de stationsingang en keek verveeld rond. Na een weekend in Gent het dorp troostelozer dan ooit. Ik keek naar de bussen die af en aan kwam rijden. Naar de mensen die op en af stapten. De meesten beladen met zakken van de Aldi, er is een filiaal in de naburige gemeente. De Aldi is voor arme mensen, zei moeder altijd toen ik als kind vroeg waarom wij er nooit heen gingen. Arme mensen zonder auto.   De jongste broer ademde onregelmatig en probeerde zich goed te houden. ‘Ons moeder. Louiza, toch.’   Ik zocht tevergeefs houvast op de rand van de betonnen bloembak die, toen de jongste broer verderging, stroperig werd, als drijfzand. Ik dreigde weg te zinken. ‘Maarten. Met zijn tractor. En moeder, met de auto. Verblind door de zon, zeggen ze.’                                                                      *   In de keuken zaten de vier broers samen met vader aan tafel. Ze keken naar het tafelblad. Ze keken niet op toen ik ook ging zitten, maar bogen hun hoofd nog dieper. Hun neuzen raakten het tafelblad net niet. Wie niet beter wist, zou de aanblik komisch gevonden hebben.   De jongste broer richtte zich op. Hij keek me aan en ik dacht een veeg bloed op zijn T-shirt te zien. Dat hij er als eerste bij geweest was. Dat hij net het erf afgereden was, hij was de maaier komen halen, het gras op het stuk land aan de Wissel stond zo hoog. Daar, aan de Wissel, in de bocht… Moeders auto stak half in de gracht. De tractor van Maarten was er half over gegaan. Dat hij erbij was toen ze… Dat hij de deur eerst niet open kreeg. Hij had haar gordel losgemaakt, haar uit de auto gehaald. Ze had iets gezegd, maar hij begreep niet wat. Dat alles zo snel ging. Dat Maarten haar niet gezien had. Dat Maarten daar stond. Gewoon stond. Godverdomme, de klootzak.   Ik haastte me naar mijn kamer.                                                                   *   ‘Zusje, het is net zo druk nu. Kun je niet pas tegen de avond terugkeren? Ze komen materiaal leveren voor de nieuwe stal en vader is niet thuis. Ik ga me te erg moeten haasten. Kun je echt geen trein later nemen?’   ‘Nee, ma, dat kan ik niet. Ik vertrek nu naar het station. Ok?’                                                                        *     Maarten vraagt om langs te komen op de boerderij. Maar men wil Maarten niet zien. Men wijst hem met de vinger. Het is zijn schuld. De politie komt enkele keren langs en er passeert ook een verslaggever van de krant, maar niemand wil met hem praten behalve een loslippige buurvrouw.   In de krant heeft men het over een tragisch ongeval en over Maarten D. (39), een bekende van de familie, goed bevriend met de vier zonen van het slachtoffer. Dat hij mij om de twee weken de hersenen uit mijn kop neukt, heeft de verslaggever er niet bij vermeld.   Dat het niet de eerste keer is dat de jonge boer een ongeval veroorzaakt. Alleen niet eerder met zo’n tragische afloop. Het slachtoffer was een liefhebbende echtgenote en moeder van vier zonen en een dochter. Lid van de KVLV. Een hardwerkende boerin, die haar boerderij met trots bestierde.   Maar ik moet Maarten wel zien.   Ik klop op de achterdeur en vind zijn ouders in de keuken. Ze zitten aan tafel en veren op wanneer ik binnenkom. Een klamme hand, enkele woorden van medeleven en verder niets. Boeren zijn harde werkers, geen praatjesmakers. ‘Hij is bij de kalveren,’ zegt zijn vader ten slotte. Toonloos. Mijn tong plakt tegen mijn verhemelte. Ik trek de achterdeur geruisloos achter me dicht.   Hij staat werkloos naar de eerste kalverhut te staren, een emmer met melk in zijn rechterhand. Ik schuifel met mijn voeten in het stro, zodat hij wel moet omkijken. Hij ziet me, maar hij mijdt mijn blik. Hij zet de emmer neer en veegt zijn handen af aan zijn overall. ‘Louiza.’ Dan pakt hij de emmer weer op, gaat voor de tweede kalverhut staan en giet wat melk in het drinkbakje. Het kalfje begint meteen gulzig te drinken. ‘Ik heb haar niet zien komen,’ zegt hij. Hij gaat in de richting van de derde kalverhut. Het kalfje komt nieuwsgierig dichterbij, likt in afwachting aan de tralies. Ik sla mijn armen om zijn grote, logge bovenlijf. Hij houdt de emmer nog steeds in zijn hand. Zelfs wanneer zijn tranen in mijn hals beginnen te druppen.   Mannen huilen niet, wil ik zeggen.   De broers huilen niet. Vader ook niet.   Dus waar haal jij het recht?  

Valerie Tack
78 2

Wie heeft meneer konijn vermoord?

Rudy was allergisch. Niet in die mate dat hij rode ogen of een loopneus kreeg. Het was erger. Papa had gezegd dat het kalfsragout was in chocoladesaus. Het was zo lekker dat Rudy hem had geloofd en twee keer van het malse vlees had opgeschept. Pas tijdens het dessert niesde hij voor het eerst.   Zoals iedere ochtend liep Rudy naar het konijnenhok achterin de tuin. Gewoonlijk zat meneer konijn braaf te wachten op het lekkers dat hij voor hem had fijngesneden. Wortel, appel, venkel en wat broccoli. Maar vandaag was het hok leeg. Rudy schrok, liep als een gek over het gras, zocht achter de schutting, keek in elke struik, maar vond niets. De pluizige vlek die hij vanuit zijn ooghoek zag bewegen deed hem even twijfelen, maar het was de kat van de buren. Ze liep langs zijn benen tot aan het tuinhuis. Daar stond een vuilniszak. De kat kromde haar rug en krabde er een gat in. Er vielen restjes op de grond. Rudy niesde een tweede keer. Toen hij dichter kwam zag hij tussen het afval een witte vacht.   Eerst was het nog onschuldig. In het grootwarenhuis, nam hij af en toe een reep chocolade uit het rek. Maar na een tijd waren het ook pralines en truffels uit krantenkiosken of plaatselijke superettes. Wanneer hij zich echt slecht voelde, was alles goed. De meeste chocolade verstopte hij op een plaats waar hij zijn allergie onder controle had.   Het liep pas fout tegen het einde van het schooljaar. Rudy had een muffin uit de handen van een meisje gerukt. Ze stond rustig op de bus te wachten. Hij had gezien hoe ze ervan had gegeten, hoe er stukjes chocolade aan haar tanden kleefden en toen was er iets in zijn hoofd geknapt. Hij had het op een lopen gezet, maar een man die ook aan de bushalte stond was achter hem aan gegaan.   Toen de politiewagen voor de deur stopte, zat Rudy op zijn kamer. Mama stond in de keuken. Zijn papa liet nietsvermoedend de twee agenten binnen. Hij vroeg zelfs of ze iets wilden drinken. Ze bedankten vriendelijk, zeiden dat er aangifte was gedaan, dat er een getuige was. Rudy’s ogen waren rood. Hij hield een zakdoek voor zijn neus. ‘Het ligt daar,’ zei hij en wees naar boven. De agenten gingen hem voor, gevolgd door zijn ouders. Aan het einde, links van de trap, was de zolder. De vloer lag bezaaid met chocolade. In het midden, als een soort orakel, lagen op elkaar gestapelde botten, de vacht van een dier en een muffin. Mama sloeg haar handen voor haar ogen: ‘WIE HEEFT MENEER KONIJN VERMOORD?’   Rudy was allergisch maar erg was het niet. Mama had voor hem kalfsragout klaargemaakt. Het was zo lekker dat hij nog een bord opschepte. Als dessert at hij een reep chocolade. Daarna nam hij een blad papier en schreef een brief die begon met: ‘Sinds vorige week ben ik niet meer allergisch’. Zijn papa schreef niet terug.

Sascha Beernaert
33 0

Vliegpartij

De geur van onze vorige vliegpartij hangt in haar krullen. Ik beeld het mij in als een film die ik in mijn hoofd laat afspelen. Ik ken haar ondertussen al een jaar of vijf, maar iedere keer opnieuw vervaagt de herinnering wanneer ze de deur achter zich sluit. Omdat ik makkelijk overspoeld word door indrukken, komt Ilse iedere laatste donderdag van de maand naar de instelling. Zo hoef ik niet weg te gaan uit mijn vertrouwde omgeving. Geen bus te nemen, niet door drukke straten te wandelen of mensen aan te spreken waarvan ik niet weet wat ze van mij willen. Vandaag is donderdag. Ilse is zoals steeds gekleed in haar stewardess pakje. Ik ben weg van alles wat met vlieghavens te maken heeft. Omdat ik niet zo goed met geld overweg kan, zijn haar bezoekjes op voorhand geregeld door mijn ouders. Om het toch echt te laten lijken betaal ik met een zelfgemaakt vliegticket. New York en Monaco zijn voor een volgende keer. Ilse staat naakt voor mij. 'Gaan we vliegen?' vraagt ze. Ze weet dat ik het woord 'vrijen' vies vind. 'Als ik de commandant mag zijn' zeg ik. Ik lig op mijn rug. Ilse zit op mij, beeldt uit hoe de reddingsvesten zichzelf opblazen. 'Come on my commandant you can do it'. Ze neemt mijn handen vast. Brengt ze in wiegende bewegingen tot bij haar borsten. Laat dan los. We stijgen op. 'This is your captain speaking' zeg ik. Mijn vingers glijden in haar nek, naar de achterkant van haar hoofd. Ik land op rood krulhaar. 'Mayday mayday' roept ze. De geur van een nieuwe vliegpartij hangt in de kamer.

Sascha Beernaert
0 0