Zoeken

Li Yin

Li Yin miste haar thuisland, het altijd groene land van haar voorouders. Wilde rivieren stroomden door de uitgestrekte wouden, vielen metersdiep van hoge rotspartijen en zochten hun weg doorheen de flarden van mist die altijd door het groene land dreven. ‘De mist is onze verbinding met de zielenwereld,’ had grootmoeder haar als klein meisje verteld. Li Yin hield er toen van om het woud in te trekken, tot aan de Watervallei of de Eeuwenboom. Elke keer dat ze mist zag, ging ze erin staan en sloot haar ogen. Dan kon ze de stemmen van de bomen horen, van de dieren die zich tussen het bladerdek en in hun holen verscholen, van het bruisende water. En soms, als ze heel goed luisterde, kon ze de aarde onder haar voeten horen ademen. Dan ging ze op de grond liggen tot de dieren kwamen kijken, die verschrikt wegschoten als ze bewoog. Ze liet de stemmen doordringen tot in haar hart en ademde mee met het ritme van de aarde, als deel van het groen en de mist. ‘Li Yin, luister je wel?’ Li Yin schrok op. ‘Vergeef me, vader, ik was…’ ‘Aan het dromen?’ Li Yin boog haar hoofd en reikte naar haar stok. ‘Waar gaan we heen, vader?’ ‘Ik heb een groep gevonden die je misschien interesseert.’ Li Yin zuchtte inwendig. Niet wéér een hobbygroep. Waarom begreep vader niet dat ze nergens bij paste? Ze had al kleien, dictie en zang uitgeprobeerd. De activiteiten vond ze heel fijn en in het begin waren de mensen erg behulpzaam. Maar na een tijdje merkte Li Yin dat ze haar vergaten, geen uitleg meer gaven of gewoon niet meer naar haar toe kwamen. Dan voelde ze zich zo alleen als toen ze naar dit lawaaierige land aan de andere kant van de oceaan waren verhuisd en Li Yin merkte dat ze de stemmen van de zielenwereld niet meer kon horen. Ze had gesmeekt om terug te gaan, maar haar ouders vonden haar gezondheid belangrijker. Li Yin tikte met haar stok links en rechts op de grond tot ze de band van de auto voelde. Ze reikte naar het achterportier en stapte in. Haar vader reed een hele tijd zonder een woord te spreken. Haar ouders waren voor haar verhuisd. De dokters in China hadden haar een jaar gegeven. In Amerika stond de geneeskunde verder en via een aantal pijnlijke operaties hadden de dokters haar tijd met vijf jaar kunnen verlengen. Haar tijd om het licht te zien, en de bomen en het water, om de vogels te zien vliegen en de mieren te zien kruipen. Op haar vijftiende was haar zicht toch achteruit gegaan en Li Yin had moeten leren hoe ze met haar stok moest wandelen en braille moest lezen. De prijs voor dat alles was de stilte in Li Yins hoofd. Zelfs in de rustigste wijk was het Amerikaanse lawaai te luid om de zielenwereld te horen. Het piepen van de vele elektronica maakte haar soms gek. Dan kon ze enkel met haar handen tegen haar oren heen en weer zitten wiegen tot het lawaai stopte. Ze had gehuild en gehuild om wat ze was verloren en soms voelde ze zich zo onnoemelijk eenzaam. Toen haar vader uiteindelijk de auto parkeerde en haar portier opende, hield Li Yin haar adem in. Geen elektronica, geen motoren. Enkel een briesje frisse wind. Een zacht geruis van water vulde Li Yins oren en ze ademde diep in en uit. ‘Kom.’ Vader legde haar arm op de zijne en leidde haar naar wat een stuk wilde natuur bleek te zijn. Li Yins hart ging sneller slaan. Het ruisen van het water werd luider, de wind feller. Vader legde haar hand tegen de ruwe stam van een boom en Li Yin legde haar tweede hand ertegen. Vader liet haar los. Li Yin deed haar sandalen uit en groef haar tenen in de dampende aarde. Ze luisterde, zette enkele stappen en ging op de grond liggen. Li Yin wachtte tot de geluiden van de natuur verstilden en haar hart het ritme van de aarde aannam. Toen hoorde ze hen. Ruisende stemmen, zacht als een briesje. Verwelkomend, vol vreugde. Li Yin huilde tranen en lachte. Thuis!

Lyne Uytterhoeven
14 0

Fetish uit een doos

Ik heb een dildo gekocht om de kunst van het masturberen te leren. Op de doos staat LOVEHONEY in dikke roze letters. Ik test hem vanavond voor het eerst. Aan wie ik zal denken weet ik nog niet, waarschijnlijk niet aan mijn man. Batterijen heb ik niet gekocht, dat hoeft naar het schijnt niet bij een dildo. Ik heb even getwijfeld, maar een vibrator leek me toch te fake. Een penis trilt ook niet minuten aan een stuk. Hoogstens enkele seconden misschien. Neen, een penis pulseert in op- en neerwaartse stoten. Daarom is het een penis. Bovendien was de dildo afgeprijsd. Voor 28,95 euro heb ik vanavond voor het eerst in zes weken weer eens goede seks. Als ik de verpakking mag geloven toch. Die valt trouwens wat tegen nu ik thuis ben. Ik had meer tijd moeten nemen daarnet in de winkel. Ik koop niet elke dag een seksspeeltje. Vijf minuten om te kiezen en af te rekenen is niet veel. Het kan ook liggen aan de plaatsvervangende schaamte die mij tijdens mijn aankoop overviel. De man voor mij aan de kassa had een fetish. Dat hij daar stond omdat de toonbank hem opwond, had ik pas door toen de verkoopster mij wenkte en hem vriendelijk verzocht plaats te maken. Hij schuurde nog snel zijn onderbuik tegen de glazen zijkant en verdween vervolgens achter een rek dvd’s vol parafilieën. De twee meiden achter mij die met enkele attributen, zogezegd voor een vrijgezellenparty, stonden te zwaaien maakten het nog gênanter. 'Strapon' en 'Futaner' hoorde ik hen giechelen. Ik was opgelucht toen ik weer buiten stond.   Uit de doos lijkt hij langer. Hij heeft blijkbaar ook een zuignap. Dat betekent dat, als ik hem optimaal wil gebruiken, op zoek moet naar iets om hem tegenaan te kleven. Onze slaapkamer heeft geen gladde ondergrond. De badkamer is geen optie, die is vandaag nog gepoetst. De woonkamer dan maar. Vanavond ben ik toch alleen. Ik spuug zo hard ik kan op de onderkant en plof hem in het midden van de tafel. Hij wiebelt van links naar rechts, maar blijft overeind. Gehurkt schuif ik een 6 inch siliconen dildo zo diep als ik kan in mij. Stel je voor dat mijn man nu binnenkwam. Ik probeer de gedachte te verdringen, alsook die van mijn ongeschoren bikinilijn. Ik plaats mijn handen voor mij uit, krom mijn rug zo ver ik kan. Vervolgens kantel ik mijn bekken en begin op en neer te bewegen. Op de een of andere manier slaag ik erin om pulserende penisbewegingen na te bootsen. Ik voel het aan een opkomend orgasme. Alsof er iets in mijn hoofd knapt duw ik plots mijn knieën tegen elkaar en wacht… In een flits zie ik een man en een toonbank. Ik veer recht en trek de dildo weg. Voor ik het weet sta ik voor het tafelblad. Het harde hout tegen mijn schaambeen windt mij op. De kwast op de rand die ik met mijn gedrup groter lijk te maken,  geiler. Ik doe het zonder nadenken. Duw mijn vagina tegen de hoek, wrijf steeds wilder in op- en neerwaartse bewegingen. Harder, harder, nog, harder, nog, nog, nog… Bij iedere kreun neuk ik de tafel tegen de muur. ‘Ik kom.’ gil ik. … Er liggen scherven op de grond. Ik ruim ze op. Als Filip mij morgen vraagt wat er met onze trouwfoto is gebeurd zeg ik dat hij van de muur viel tijdens het afstoffen. Vrouw-zijn is een kunst die je niet kunt leren. Masturberen daarentegen…

Sascha Beernaert
40 0

Zeezicht op Zurenborg

  Het is een zwoele zondagavond. Ik zit op een kruk en leun nonchalant tegen de voorgevel van café ZeeZicht op de Antwerpse Dageraadplaats. Ik zie overal lachende gezichten, pretoogjes en frisse pintjes. Uitlaten als: "Gij meent da!" en "Ge hebt hem toch de waarheid verteld?" worden de verzadigde lucht in geschoten, maar ze lossen even snel op als de geblazen zeepbellen van de kinderen op het plein. Het is een luidruchtige mensenmassa op twee veertigers na. Alsof een glazen stolp hen, zittend aan een klein rond tafeltje, scheidt van de rest van het plein.   Hij draagt een gecentreerd wit hemd met hoge kraag, een marineblauwe vest en een klassieke zwarte Ray-Ban. Zijn grijzende haren zijn strak over zijn kalende kruin gekamd. De dikke gouden ring met diamant aan zijn rechterpink schittert door de laagstaande zon. Zij heeft zichzelf in een zwart maatpak gewrongen. Aan de stand van haar intimiderende borsten te zien, loert een nipplegate gevaarlijk om de hoek. Haar geblondeerde haren vallen op zoals een fluovestje dat doet en steken af tegen haar gebronzeerd, verrimpeld velletje.   Ik bestel mijn tweede bolleke Koninck.   Het valt mij op dat de ijdele man – ik noem hem in gedachten Ray - schichtig om zich heen kijkt en voortdurend zijn benen beweegt alsof hij een dubbele basdrum aan de praat houdt. Hij jongleert non-stop met zijn witte iPhone 6 en werpt zijn vlam regelmatig kusjes toe. Zij kijkt geamuseerd, giechelt en tracht ondertussen haar borsten in het gareel te houden. Ze stift haar lippen babyroze op het moment dat de ober met twee glaasjes bubbels komt aangewaaid. Ze klinken en nippen van hun glas.   Links van mij komt een mollige dame met knalrode kop aangestormd. Ze sleurt daarbij aan elk hand een jongen van een jaar of twaalf mee. Ik vermoed dat de twee fils à papa haar kinderen zijn. Ray heeft haar ook in de mot en hij veert recht. Nog voor hij een woord kan uitbrengen, zet de vrouw het op een brullen. “Kijk eens jongens, hier zit hij! Dat ziet er een belangrijke vergadering uit!” Ray sist: “Rustig Brigitte, moet heel het plein u horen of wat! En wat doen de jongens hier? Die moesten al lang in hun bed liggen!” Brigitte keelt verder: “Wat krijgen we nu? Gaat gij mij hier opvoedingsadvies geven of wat? Ge zijt nooit thuis, vuile leugenaar!”   De blonde bimbo zwijgt, kruist de armen en rolt met haar ogen. De twee jongens lopen ondertussen ook rood aan. Niet van woede, maar van schaamte. De ene broer huilt en schuilt achter de schouder van de andere.   Ray kijkt naar Brigitte en wijst naar zijn gebroken zonen. Hij snauwt: “Zijt ge nu content, Brigitte? Ge kon toch evengoed wachten tot ik thuis was in plaats van heel het plein op stelten te zetten. Mijn meeting met de bank was afgesprongen, oké? Er kwam een gaatje vrij en ik heb mijn collega Veronica uitgenodigd om nog een aantal dingen te bespreken voor de belangrijke meeting van morgen.” Veronica richt zich tot Brigitte en zegt triomfantelijk: “Aangenaam.” Brigitte brult verder: “Gij omhooggevallen stukske zeveraar! Ik ben uw excuses spuugzat, Ywein. Een gat in uw agenda … Haar gat zeker? Bedrieger!” Veronica giechelt.   Ik vind het jammer dat Ray eigenlijk Ywein heet. Ray past hem veel beter als midlife-macho.   Brigitte raast ondertussen verder: “Ik, wat zeg ik, wij, houden u al 10 minuten in de gaten en we weten genoeg! Ge zit verdorie met uw neus tussen haar borsten terwijl ge haar handje vastpakt. Ik zal u eens iets zeggen, meneertje de directeur. IK WIL DAT GE VANAVOND UW BOELTJE PAKT!”   Door de laagstaande zon zie ik hoe Brigittes woorden worden versterkt door een spervuur van speekseldeeltjes die het gezicht van Ywein bombarderen. Ondertussen is het plein stiller dan ooit. Alsof elke caféganger getuige is van een indrukwekkend stukje straattoneel. Een hipster aan het tafeltje naast mij denkt trouwens écht dat dit doorstoken kaart is. Hij zegt tegen zijn vriend dat dit ‘stuk’ waarschijnlijk een leuke verrassing is van één of ander theatergezelschap dat meedoet aan de Zomer van Antwerpen.   Luttele seconden na de zware woorden tracht Ywein zijn vrouw te bedaren. Dat ze het rustig thuis zullen bespreken en dat het een groot misverstand is. Dat hij het zal goedmaken en dat hij belooft vaker thuis te zijn. Dat hij de verloren tijd zal inhalen. Maar daar heeft Brigitte geen oren naar. Ze zwaait haar handtas tegen haar man zijn linkerwang. Als blijkt dat Yweins oor bloedt, lijkt de hipster al wat minder zeker van zijn ‘stuk’. Zijn wenkbrauwgefrons zegt genoeg. En Veronica, die is ondertussen met de noorderzon verdwenen.   Brigitte sleurt haar getraumatiseerde zonen letterlijk mee in haar verdriet. Weg van de flirtende boeman die verslagen zijn wonden likt op een plein dat terug ademhaalt.   Ik bestel mijn derde bolleke Koninck.  

Antony Samson
60 0
Tip

Twee sterren

“Niemand wil ons helpen,” zei de man in de rolstoel. “U bent onze laatste hoop.”   Wat leek hij jong om in een rolstoel te zitten. Hooguit vijfendertig. En ook de vrouw die bij hem was, had iets wat me van mijn stuk bracht, iets wat niet klopte. Misschien waren het haar glanzende, blonde haren, die niet bij haar grauwe huid en doffe ogen pasten, of was het iets wat ik in haar blik ontwaarde, iets wat ik niet kon thuisbrengen. Tussen hen in zat het meisje. Ze was erg jong, een kleutertje nog. Haar voetjes zweefden hoog boven de grond, maar ze wiebelde niet met haar benen. Wat je van een klein meisje op een hoge stoel toch zou verwachten. Ze zaten met zijn drieën in de voor het overige lege wachtkamer.   “We weten dat het een ongewoon verzoek is, maar we hebben er heel lang en goed over nagedacht,” zei de vrouw. Ze hield de hand van het meisje stevig in de hare geklemd.  “Ziet u, wij komen voor onze dochter. Het is haar eigen idee.” Ik keek geschrokken naar het muizenmeisje op die grote-mensenstoel. “Ze is niet bang,” voegde de man er snel aan toe. “Hoe oud is jullie dochter?” vroeg ik. “Vier en een half.”   Ik herinner me nog haarscherp de dag waarop ik mijn eerste tattoo zette, in het schuurtje achterin de tuin van mijn grootouders. Een naald, ontsmettingsalcohol, een pak watten, een doosje lucifers en een flesje Oost-Indische inkt, meer had ik niet nodig. Ik tatoeëerde een spinnetje op mijn linkerelleboog, dat later geïncorporeerd werd in de jungle-tekening die van mijn schouder tot mijn pols vloeit. Een tijger, paradijsvogels, een krijsende aap, lianen. Maar dat spinnetje zit nog steeds op zijn plaats.   “Het spijt me,” zei ik, “maar ik tatoeëer geen kinderen,” en liep naar de deur om die open te houden voor de man in de rolstoel. Buiten passeerden de auto´s over de grijze kinderkopjes. Er hing regen in de lucht.   De vrouw liet voorzichtig de hand van het meisje los en ging rechtstaan. “Wacht even voor u een beslissing neemt,” zei ze. “Laat ons het eerst uitleggen. Het enige wat ze wil, zijn twee sterren op haar arm. Twee kleine sterretjes, meer niet.” “Waarom wil jij twee sterren op je arm?” vroeg ik aan het meisje, maar het kind bleef kaarsrecht op haar stoel zitten en fixeerde haar blik op de poster van een zeemeermin die boven de balie hing.   De man verliet nu ook zijn plaats en draaide zijn rolstoel naar mij toe. Ik merkte nu pas dat hij daarvoor niet aan de wielen moest draaien, maar dat hij een elektrische rolstoel had, die hij via een klein staafje met twee vingers kon besturen.   “Ik ben drie jaar geleden met ALS gediagnosticeerd,” zei hij. “De laatste tijd gaat het snel bergaf. En mijn vrouw...” Hij keek haar aan als om toestemming te vragen. Ze knikte. “Bij mijn vrouw is onlangs kanker vastgesteld. Een zeer kwaadaardige.” Plots begreep ik wat er anders was aan die vrouw. Ze droeg een pruik. “We weten niet hoeveel tijd we nog hebben,” ging de man verder. “Maar wat ik wel weet is dat mijn dochter twee sterren op haar arm wil. Kunt u ons daar alstublieft bij helpen.” Die laatste woorden waren geformuleerd als een vraag, maar de diepe vermoeidheid in zijn stem liet zijn intonatie te snel zakken om ze nog als vraag te laten klinken.     Langzaam draaide ik mijn blik van de vader naar de moeder. En behalve het geheim van haar haren, begreep ik nu ook wat er in haar ogen verborgen lag. Het was verdriet. Maar ik had het niet herkend omdat het een soort verdriet was dat ik zelf nooit gekend had. Een duizend keer dieper soort verdriet.   Mijn God. Wat moet je met zo´n situatie.   Ik hurkte neer voor het meisje, en haalde diep adem terwijl ik een vraag probeerde te kiezen uit alle vragen die door mijn hoofd schoten. “Je beseft toch dat een tatoeage voor altijd is?” vroeg ik uiteindelijk.   Ze keek me strak aan met grijze wolvenogen. “Dat weet ik,” zei ze. “Daarom wil ik het juist.”      

Kathleen Verbiest
243 10

Appelflap

  Zo van die dagen. Druilerige regen. Stil verdriet in mijn hart. Mijn hoofd fluistert mijn hart bemoedigend toe: “Het is oké hoor, Hart van me. Natuurlijk doet dit pijn. Laat het maar pijn doen. Laat het me maar weten als je klaar bent om verder te gaan, dan neem ik je hand vast en wandelen we samen verder. Zal ik je helpen te schrijven? Te wenen op papier? Zal ik je een kopje thee zetten?”   Ik wil gewoon een beetje zijn. We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. Ik wil voelen. Het verdriet als steken in mijn hart. Tranen branden in mijn zielenvijvers. Voélen. Voel ik echt pijn? Voel ik echt verdriet? Voel ik niet ook dankbaarheid? Dankbaarheid voor het moois dat ik heb mogen beleven, mogen voelen in elke vezel van mijn lijf? Geluk, zo intens dat het pijn doet? Liefde voor een man die nooit de mijne zal zijn en dat ook niet hoeft te zijn? Zo lang hij is, ben ik blij. Hij is te realistisch om zich te binden. Te wijs voor beloftes. Te nuchter voor Liefde. Te complex om met woorden of verstand te kunnen vatten. En hou ik echt zoveel van hem of ben ik gewoon verknocht aan het gevoel dat hij me geeft? Het gevoel dat ik lééf. Ik voel inspiratie borrelen in het diepste van mijn buik, in het diepste van mijn zijn.   We gaan een eindje fietsen. Ondanks de regen. Om de regen. En als beloning, een stop bij de bib voor nog wat inspirerende boeken. Over schrijven, over leven, over gebroken harten. En een stop bij de Panos voor een appelflap. Thuis een troostende kop thee met de zalig zoete appelflap en de zalvende muziek van Yndi Halda. De appelflap is veel te zoet. Héérlijk. Plakkerig. Vettig. Mijn tong maakt een sprongetje bij het gevoel van de dikke korrels suiker. De appeltjes maken hem net niet té zoet. Lekker. De smaak van troost. ’t Is allemaal zo erg nog niet.

Mandy
0 0

Waterlanders

Hij leefde nog. Ik kon het zien aan zijn kieuwen.Om een of andere reden was hij gestopt met zwemmen. Moe of ziek of zomaar. Hij kon niet verder. Ze haalde hem uit het water en hield hem voor me uit.“Je mag hem niet aaien met je droge handen.”  zei ze. Doe ik niet. Hij zou me toch niet vertrouwd hebben. Vissen doen dat niet. Zij maken het zichzelf nooit zo moeilijk. Ze legde hem in onze emmer, half gevuld met water, en zo snel we konden fietsten we klotsend naar het kleine vijvertje aan het eind van de wijk. Het water zag er daar properder uit dan hier. Er dreef in ieder geval minder huisvuil rond. Ik moest de emmer dragen en ik deed dat met plezier. Toen we aankwamen aan het vijvertje was hij dood. Ik kon het zien aan zijn kieuwen. Hoe sterft een vis? Zou hij zich zijn leven herinneren? Wat zou hij voelen? Misschien wist hij dat hij doodging. Misschien net niet. Ik liet mijn fiets vallen in het gras en mezelf zakken op de grond. Was het mijn schuld dat hij is doodgegaan? Dit heb ik niet gewild. Daar kwamen de waterlanders.   Zouden wij met graagtevallenals dwarrelendzonder onszelf pijn te doenmaar met steedsdiezelfde bestemming Onderaandaar waar zwaartehaar verlangen legthaar wilhaar doelen sprekennoch zwijgenertoe doet   Ze kwam voor me staan. Ik weet niet meer hoe ze me troostte maar ze deed het. Misschien zei ze zelfs helemaal niets, maar het deed wel iets met mij, alsof ik zelf een vis was die van het vuile in het propere water terechtkwam. En of ik leefde. Dat kon je zien aan mijn kieuwen. Sowieso, dat wist ik wel zeker!

Jürgen NaKielski
29 0

Oorbellen van de vrouwen

Wat ze daar liggen te doen in de lade van de antieke mahonie bureau in Carolines woonkamer, weten de oorbellen zelf niet en Caroline nog minder. Ze zijn niet van haar, ze liggen er sinds kerst 2013. Ze hebben zich genesteld tussen andere oorbellen en bijhorende opsmuk. Daar voelen ze zich goed en Caroline laat het daar ook bij. Toch hebben de oorbellen vanalles te vertellen. En dat zouden ze doen als ze konden praten. Want er is zoveel te vermelden over hun vorm, hun ouderdom en vooral over Nicole. Nicole? Ja Nicole, de “vorige” eigenaresse van de oorbellen. Of ze nog altijd van Nicole zijn, laten de oorbellen in het midden. Ze zijn in bruikleen bij Caroline. Of ze ooit terug gaan naar Nicole, weten ze niet. Of ze dit willen, weten ze nog minder. De oorbellen zijn oorspronkelijk aangeschaft door Maurice. Een verlaat huwelijkscadeau of eerder een vervroegd kerstcadeau, dat weten de oorbellen niet meer. Nicole ook niet, ze heeft ze ook al zo lang. Al veertig jaar of langer, dat weet ze niet. Maurice is ook al zo lang dood. Hun samenzijn en hun niet samenzijn lijkt te zijn samengesmolten tot één groot vlak. Een groot vlak dat eerst grijs, dan blauw en dan zwart werd. Een zwart dat al jaren toeneemt, tint na tint donkerder en dikker. Het neemt zo hard toe dat Nicole zich eerst verwonderde over de hoeveelheid tinten dat zwart kan aannemen en nadien deze niet meer zag. Ergens rees daar het idee bij Nicole om zich de oorbellen te ontdoen. Want hoe zwarter de tinten werden, hoe zwarter werden haar herinneringen aan Maurice ook. De oorbellen leken eveneens zwarter te worden, ook al poetste Nicole ze elke week met steeds grotere fanatieke stress. Daar ergens wist Nicole dat ze de oorbellen terug moest brengen naar het huis. Het huis waar ze met Maurice getrouwd is. Want dat weet Caroline niet, haar huis was van Nicole en Maurice. Verkocht na zijn dood aan Carolines ouders, die het op hun beurt aan Caroline schonken. Maar zonder het verhaal te vertellen van Nicole Deschacht en de de verdwenen tweede huissleutel.

't Achterlicht
0 0
Tip

Lost in the Alps

Snow fell over the dark, night time Alps. The stars, that are always more beautiful the higher you go, were blocked by winter clouds. The man stood guard along the ridges of one mountaintop. It served as an outpost, from where he could see the enemy’s trenches. The snow had halted the war, or at least the great offensives. Nothing would happen tonight, the man thought, but he could not hope it would remain so for the rest of the war. The dying of men was a discomforting pleasure to some, the man thought. And it seemed they would not give up their bloody addiction any time soon. As the wind blew up snowy dust, the man closed his eyes almost completely. It was cold, but the soldier was at ease. There was a silence at the outpost, and to a soldier’s ear, silence was the most beautiful noise. No shots that silenced the golden eagle soaring over the mighty snow peaks. No cannons that overwhelmed the crushing thunder of distant avalanches. After standing in the cold for two hours, his guard duty was over. He returned to his little shelter. To ordinary people, the shelter was just a hole in the ground. But to the soldier’s eyes, it was home, and the trenches that covered the south side of the Alps had become a neighbourhood of fighting men. When the man crawled into his small home, he lit the gasoline lamp and sat down at the improvised desk. It was time to write to Anna. She lived in the brown gold Tuscan sea of farmland. He had written her countless letters, and when he read her answers, there seemed to be no distance between the cold Alps and the fertile Tuscan soil. He took his pencil. It was sharpened carefully, and was now a small witness to his words of love. His letters to Anna always started with the same words. “My little olive orchard”. They had met in an orchard with spring blossoms. It was, as he told her numerous times, the symbol of Italy. “I hope you are doing well, and that the war hasn’t touched our small village.” He knew the war wasn’t fought in Tuscany, otherwise he wouldn’t be on top of the Alps. But what do you write in times of war? “The snow has halted the fighting, but it won’t last. When the winter landscape melts away, the hearts of war loving men grow cold. And we are left with the warm barrels of our rifles, but the icy feeling of killing fellow men.” “I don’t know when I will see you again. But when I do, our hands will no longer be separated. There will be no sigh of wind between our chests, or floods of dark thoughts between our minds.” “How I need you Anna. Out here, on these forgotten mountains, it feels like I’m touched by the cold of the moon. I don’t know what people in the backcountry really know about us. It feels like we are in the middle of the ocean, with the coastline far away. Nobody to see, and nobody to help us.” “How is it Anna, that sometimes a heart can be surrounded by barbed wire? Isn’t it terrible sight to see my body so divided by trenches.? They say it’s our duty. That we fight for a greater cause. But when great men say that the faith of humankind rests upon the barrel of a gun, you know there’s something wrong.” He sat back for a while. How can a man just sit there and do it all again the next day? He felt like he was touched by the cold of the moon. Standing up, he grabbed a blanket from his bed and hung it over him. The gasoline lamp flickered through the small room. He missed her. He sat back down, and started writing again. “I don’t know how we are led to sail away on this darkened moonlight. Tell me what it is Anna, that keeps me from you? I can no longer see or hear without you, I need you. Away from these frozen mountains that steel the love of so many doubtful men.” “Let me be, back in your Tuscan hands. Can’t they see I want the warm soil back under my cold soles? For you I would fly off this mountain… But forget it Anna. This war has no place for hope. I only know that when I sleep, I feel your touch and smell your hair. And even though it’s not much, it’s a slice of life that feeds my hunger. I will see you again, either during these lonely nights, or in warm Tuscan days.” He stopped writing, stood up, and dressed himself up. Then he left his little house, moved up to the outpost and stood on top of the trenches. He only saw the white landscape and Austrian lines. He spread his arms and yelled “if I die, the silent whispering words of love have lost all their power”.

Simon Sileghem
30 0

Buiten het huis

Ik stap uit de douche en huiver als mijn blote voeten de koude stenen vloer raken. Met een handdoek om mijn lichaam geslagen loop ik naar de kledingkamer, als ik de deur open doe wordt ik omringd door een sterke lavendelgeur van de pas gewassen goederen. De wasmiddel die ik toen der tijd gekocht had verzekerde me dat de lavendel kalmerend werkt en de geest weer in balans brengt. Niets is minder waar, maar wat verwacht je voor één euro vijftig.   Uit de kast pak ik een pyjama broek en een warme trui met daarop een afbeelding van een uiltje. Als ik volledig aangekleed ben loop ik naar mijn slaapkamer om de gordijnen dicht te trekken. Wat ik toen zag deed het bloed in mijn aderen bevriezen. Hij staat er weer, die klootzak staat daar weer stoïcijns voor zich uit te kijken. voor mijn huis met zijn capuchon op, die lafaard. Als een pijl uit een boog ren ik naar de telefoon die in de, met lavendel bevuilde kledingkamer ligt. Met trillende handen toets ik 112 in. ‘Met wie kan ik u doorverbinden politie, brandweer of ambulancezorg?’ klinkt de stem van een beleefde vrouw. ‘Politie’ fluister ik, alsof hij me buiten kan horen. Na een korte ééntonige piep hoor ik een andere stem, een man deze keer ‘Wat is uw noodgeval?’ ‘Hij staat er weer, hij staat er elke avond. Ik heb jullie gister ook gebeld.’ Schijnbaar was de paniek in mijn stem merkbaar. De stem aan de andere kant van de telefoon probeert me gerust te stellen, tevergeefs. ‘mevrouw, we gaan u helpen. Wat is uw naam en adres, dan sturen we iemand naar u toe’. Tussen het snikken door probeer ik een verstaanbaar antwoord te verwoorden. ‘Mijn naam is Dewi Roosendaal en ik woon op Vuurdoornstraat 1071’.  ‘oké Dewi, er komt iemand aan’. Nog voordat ik de behulpzame man aan de telefoon kan bedanken klinkt er een oorverdovend geluid door het huis en begin ik te schreeuwen. Het glas van mijn slaapkamer ligt nu overal. Na anderhalf uur was de politie eindelijk ter plaatse, tenminste zo voelde het. Mijn klok zegt dat het maar 7 minuten heeft geduurd. Natuurlijk was hij toen allang verdwenen. De agenten waren snel weg, geen onderzoek, geen patrouille. Geen prioriteit.   Langzaam maar zeker wordt het ochtend, het eerste daglicht breekt door het dichte wolkendek. Koude lucht stroomt binnen via het slaapkamerraam. Het doordringende geluid van de deurbel haalt me uit gedachten. Langzaam trek ik de deur open en voor me staat mevrouw Stielstra van nummer 1086, wat tevens ook haar geboortejaar is. Mevrouw Stielstra is een klein oud vrouwtje, met meer rimpels op haar gezicht dan haar op het hoofd. In haar knokige handen heeft ze een schaal met broodjes. ‘Dag lieve schat, ik hoorde wat er gister gebeurt is’. Haar moederlijke stem kalmeert me. Ze plaatst de schaal op het sleutelkastje naast de deur en legt haar hand geruststellend op mijn schouder.  ‘lieverd, de deur staat altijd voor je open’, ‘dank u’. Ze knikt en sluit in de tussentijd haar vriendelijke ogen, om daarmee te zeggen; geen probleem, je bent altijd welkom. Daarna loopt ze met een flinke pas terug naar haar huis.   De wijzers van de klok lijken wel voortuit te kruipen, keer op keer kijk ik naar de klok hopend dat er een uur verstreken is. Vijf minuten, geen lucht. drie minuten, droge keel. zeven minuten, zweet handen. Ik moet hier weg. Zo snel als ik kan trek ik de voordeur open. De koude regen druppels vallen op mijn gezicht, mijn haar plakt aan mijn wangen. Ik ga met mijn rug tegen voorpui aan staan en laat me langzaam naar beneden glijden totdat ik me in een zittende positie begeef. ‘Dewi, is alles goed?’ vraagt een zware stem. Ik kijk naar rechts, waar Alex onder een grote paraplu in zijn voortuin staat, Alex is mijn buurman. Hij is niet bepaald een mooie man, lelijk eigenlijk. Hinkend loopt hij naar me toe. Hij heeft enkele jaren terug een auto ongeluk gehad, waarbij hij bekneld was geraakt. Zijn vrouw Vivian, zoon Benjamin en dochter Mira zaten ook in de auto, die hebben het niet overleefd. Alex kon alleen maar toekijken hoe zijn gezin één voor één overleed. Tegen de tijd dat ze hem uit het wrak konden knippen waren de zenuwen in zijn been al zwaar beschadigd, waardoor hij nu in pijn leeft. Als hij voor me staat steekt hij zijn hand naar me uit, ik pak hem niet. Met samengeknepen ogen blijft hij me aan kijken, die ogen zijn niet te vertrouwen. Blijkbaar voelt hij mijn ongemak, want hij sloeg als een blad aan een boom om en tovert een grote glimlach op zijn gezicht. Nog steeds houd hij zijn hand voor me, dit keer pak ik hem wel. Hij trekt me met zijn ruwe hand omhoog. ‘Bedankt’ zeg ik kortaf. Dan loopt hij weg en wuift me gedag. Op het moment dat hij zijn huis binnen stapt kijkt hij kort naar mij, in zijn ogen zit veel verdriet en pijn verschuild, maar het gene wat zijn gedrag juist onvoorspelbaar maakt is de woede.   Die avond lig ik in mijn bed, mijn raam is inmiddels gemaakt. Het enige geluid aanwezig is het tikken van de klok, soms denk ik dat die klok me in de maling neemt, ik weet zeker dat die secondes steeds langer gaan duren. Af en toe voel ik onder mijn kussen om zeker te weten dat het keukenmes, die ik daar een paar weken terug neer heb gelegd, er ook daadwerkelijk nog is.  Ik strijk met mijn vingers over het gladde lemmet en op zeker hoogte geeft het me een geruststellend gevoel. Om een uur of twee val ik in slaap, maar zelfs in mijn dromen wordt ik achterna gezeten door de onbekende man. Midden in de nacht wordt ik wakker, badend in het zweet. Ik draai me op mijn rechter zij en kijk naar de klok, kwart voor vier. Mijn oog valt op mijn nachtkastje, waar mijn mes op ligt. Mijn hart begin sneller te kloppen en mijn longen beginnen te branden, Hij lag onder mijn kussen. Ik ga rechtop zitten, mijn telefoon is nergens te bekennen. Snel pak ik het mes van nachtkastje af en ren naar beneden. Hij is binnen. Eenmaal beneden doorzoek ik het sleutelkastje, maar mijn sleutels liggen er niet. Met een trillende hand duw ik de deurklink naar beneden, hij heeft mijn sleutels. In de keuken hoor ik gerommel, kastjes worden open getrokken en weer dicht gesmeten. Ik ren naar buiten, Ik haal mijn blote voeten verschillende keren open aan de scherpe stenen. Door de tranen zie ik niet echt waar ik heen ren, het maakt me ook niet echt uit, het enige wat ik belangrijk vind is dat er zoveel mogelijk afstand zit tussen mij en de man die nu mijn huis overhoop haalt.   Als ik licht zie ga ik daarop af, er is iemand wakker. De deur staat op een kier, op dit moment vindt ik dit helemaal niet verdacht, het enige waar ik aan denk is dat ik daar veilig ben. Naast de deur hangt een boordje met daarop het huisnummer, 1086. Opgelucht haal ik adem, dit is het huis van mevrouw Stielstra. ‘Hallo, mevrouw Stielstra’, mijn stem trilt en klinkt bang. Het huis is warm en overal staan oude spulletjes, ik loop naar de oude draaitelefoon en til de hoorn op en druk hem tegen mijn oor aan, geen kiestoon. De deur slaat dicht en de kamer wordt ineens donker, op dit moment is de enige lichtbron een lantaarnpaal die voor het huis staat. Verstijft van angst blijf ik naar de deur kijken, er staat daar iemand. Langzaam komt hij op mij aflopen, hij hinkt niet. Voordat ik het weet kijk ik in de duistere ogen van mevrouw Stielstra, die ogen die eens zo vriendelijk waren. In haar hand heeft ze een kleine revolver, met een sadistische grijns op haar gezicht drukt ze de loop tegen mijn slaap. ‘laat dat mes vallen’, de stem komt uit haar mond, maar hij komt me niet bekend voor. Ik gooi het mes opzij, de tranen blijven komen. Met haar oude hand veegt ze over mijn wang, ‘loop maar naar de schuur’. Zegt ze terwijl ze met haar wapen naar de tuin gebaarde. Toen ik niet bewoog kreeg ik een duw, de reis van de achterdeur naar de scheur duurde eeuwig, maar toch niet lang genoeg. Ze doet de krakende, van ijzer gemaakte deur open en duwt mij naar binnen, ze loopt achter me aan en sluit de deur. Aan het plafon hangt een enkel peertje die zijn best doet om de hele kamer te verlichten, de muren zijn bedekt met verschillende geluidswerende panelen en tegen de linker muur staat een grote opslag box. Er hangt een vreselijke geur, rottend vlees. Enkele jaren terug was ik in Frankrijk waar ik aan de kant van de weg een dood beest zag liggen, het was een vreselijke geur. Toch was dit erger, want ik weet zeker dat er geen dood beest in die box ligt. Ik hoor een harde knal en de grond komt snel dichterbij, het doet geen pijn en voor het eerst in een hele lange tijd ben ik niet meer bang.  

Ashlyn Cardwell
10 0

allemaal sam

Sam bloedt. De rode vlek op de witte stof is afkomstig van de wijsvinger. Sam bijt op de nagels, vaak zonder het te beseffen. Het is een tic, een verslaving. Een vlucht. De frustraties van alledag wegen op Sam, niet de frustraties zoals de afbetaling van het huis, de auto, het ophalen van de kinderen, wel de meer verfijnde frustraties; Sam bijt op de nagels bij het denken aan het overaanbod in de consumptiemaatschappij, bij het tobben over het wat wel en niet gezegd, over het goed of fout van de impulsieve neigingen van de mens, over assertiviteit of gelatenheid. Sam tobt over de puinhoop aan cassettes en lege doosjes op de passagierszetel die toch eens moet georganiseerd worden. Vervolgens vraagt Sam zich af waarom eigenlijk. Doet het ertoe? Vindt Sam dat het ertoe doet? En zoja, is dat dan de Sam die Sam verlangt te zijn of de Sam die de universele conventionaliteit weerspiegelt die zegt dat cassettes in hun respectievelijke doosjes moeten zitten, en liefst mooi weggeborgen in een doos? Heeft de echte Sam hier allemaal geen lak aan? Sam zuigt op de bloedende wijsvinger. Sam denkt terug aan wat Bie gisteren zei – jij neemt jezelf veel te serieus, Sam. Sam fronst en zet de auto in eerste, het licht springt net op groen. De stem in het hoofd zegt dat Sam zich net niet genoeg au serieux neemt en daarom alles in twijfel trekt. Leven is de zwaarste taak ooit. De stem in het hoofd laat niet leven maar laat Sam geleefd worden. Geleefd, beleefd. Beleefd zijn, nog zo’n moeilijke taak. Hoewel dat eigenlijk gemakkelijker is dan grof zijn, rebel zijn, spugen op alles. Dát zou Sam wel willen, maar daarvoor moet eerst de stem in het hoofd worden uitgeschakeld. Een rebel hoeft die stem niet eens uit te schakelen, want een rebel heeft nooit een stem in het hoofd gehoord. Het is hopeloos. Sommigen dansen, maken muziek, schilderen, sporten en vinden daar de toegang tot het bedieningspaneel voor de stem in het hoofd. Sam denkt vaak dat schrijven een goede oplossing zou zijn. De stem woorden laten spreken tegen het papier, in plaats van wartaal te verkondigen in het hoofd (en liefst in spiraalvorm). Maar het bemiddelen tussen stem en papier blijkt een dubbel zware taak voor Sam. Soms, soms lukt het even, dan is de trance er, waardoor Sam een rechtstreeks kanaal is tussen het papier en de stem, zonder te moeten bemiddelen, wikken of wegen. Sam remt bruusk wanneer een jongeman onverwacht de straat over rent op vijf meter van het zebrapad, bij rood licht. Sam voelt woede opkomen, maar is al snel verward over de oorsprong van de woede. Woede vanwege de overtreding? Vanwege het gevaar? Vanwege het feit dat het weer een onverantwoorde jonge vreemdeling was? Of vanwege de schuldgevoelens over deze laatste gedachte? Misschien was Sam zelf wel onoplettend? Misschien was het niet eens een vreemdeling? Misschien had Sam gisteren een gelijkaardige situatie veroorzaakt als fietser? Sam beseft dat er teveel woede en kritiek broedt in het lichaam. Weer rood licht. Weer nagelbijten, aan de andere kant nu. Het bloeden is gestopt. Jezelf graag zien is een makkie. Maar breekt onherroepelijk zuur op. Sam kijkt vaak in de spiegel en denkt – ik zie je graag, Sam. Soms kan die zelfliefde zo intens zijn dat Sam op alles en iedereen zelfverzekerd toe stapt. Dat is het uiteindelijke doel van de zelfliefde. Dan gebeurt onvermijdelijk het volgende: Sam merkt dat niet iedereen Sam zo fantastisch vindt als Sam zelf, en dan wordt Sam boos. Om te kunnen liefhebben moet je eerst jezelf liefhebben, de stem in het hoofd schreeuwt Sam de woorden toe in een oneindige loop. Wanneer Sam het punt bereikt van de absolute zekerheid over de eigen grootsheid en schoonheid, kan in de eerste plaats slechts woede een gevolg geven aan de wanhoop jegens zij die deze kwaliteiten niet erkennen. Vervolgens breekt de twijfel los – hebben zij gelijk? Heeft Sam gelijk? Dan laat Sam de spiegel weken links liggen en wentelt zichzelf in onzekerheid en vervolgens de zekerheid dat Sam allerminst fantastisch is. De straatlantaarns knipperen wakker, de avond valt. Sam draait de steeg in en parkeert de auto. Ziet bij het uitstappen een verplaatsbaar parkeerbord staan. Zucht. Niet parkeren morgen tussen 6.00u en 18.00u. Sam stapt de auto weer in en begint gedachteloos de rit rond de blok. De eenrichtingsstraten wijzen de weg, de route loopt in acht-vorm. Na vier rondjes zonder enig succes grinnikt Sam bij zichzelf: als er ergens één of andere satellietsysteem de auto zou registreren, wil Sam het gezicht wel eens zien van de operator die op het scherm de auto oneindig achten ziet rijden…

LL Rigby
0 1

Het brandend paradijs

De wereld is gecompliceerd of misschien ook niet. Het hangt af welke invalshoek je hanteert en hoe je het beziet. Een verdorven maatschappij die niet leefbaar is op een denkbeeldig eiland. Rechtvaardigheid en geluk zijn begraven onder het hoopje zand. Zie je de meesters al lachen van welvaart en fortuin? Ze zien de mensen graven onder de door hun gemaakte puin. Ze zeggen santé al kijkend en starend naar elkaar. Onbespreekbare thema’s als democratie zijn er niet gangbaar. Twee mannen komen aangelopen om de vrijheid en tolerantie te introduceren. De zonen van het humanisme, er ontstaat een vriendschap voor het leven. De ene broeder struikelt, door het lachen ligt iedereen op de grond. Hijzelf vond het niet erg, ging rechtop staan alsof hij nooit was ingestort. De tweeën nemen de omgeving waar als scherpzinnige geesten. Voelen de dominantie en de onmogelijkheid tot verbeelding heersen. Ze zien het privébezit van het land misbruikt worden, met een toenemende criminaliteit. Eén godheid wordt er aanschouwt, ook al is er godsdienstverscheidenheid. Wie ook welke god aanziet, ze stemmen allen overeen. Dat is wat de broeders duidelijk wouden maken en geen muur bouwen van steen. De ene broer zei dat hij verlangt naar een heerlijke wereld van harmonie en gelijke kansen voor iedereen. Hij schreeuwde van het lachen en riep: ik bedoel het niet gemeen. Rijhuizen, gratis onderwijs, godsdienstvrijheid, wat een droom! Een vrijheid tot in de eeuwigheid, zonder spanning of schroom. Voel je de ademende zuurstof je longen bereiken? Wat is het zalig om de zeldzame schoonheid van de samenleving aan te moeten kijken. Toen werden ze wakker in een overrompeld samenspel van schijnheiligheid en doodsangst. Ze namen de confrontatie met de schaduwzijden van hun ideaalwereld in ontvangst. Een rijk waar de koning zowel de schoenen van de paus beloopt. Een doel als hervorming en uitbuiting en waar ieder zijn dagelijks voedsel verkoopt. De toeschouwers blijken al snel iets door te hebben en roepen: dat is toch geen spel! Waarna ze beseffen dat er geen ontsnappen is aan de brandende hel. Hij wou verandering en verbetering, de mogelijkheid om de maatschappij bruikbaar te maken. Maar de Kerk die de samenleving domineert moest wel onmiddellijk braken. Stappend naar de scène sprak de ene broeder de menigte toe. “Ik weet niet wat jullie denken, maar ik ben moe. Moe van de onenigheden en individuen die uitgesloten worden. Geen godsdienst-gedachtevrijheid op de uithangborden. Rituelen, heilige plaatsen, inspirerende personen worden misdadig opgenomen. Onpartijdigheid, welzijn, herverdeling van rijkdom, dat is waar we van dromen. Ik wil de passie, de gedrevenheid in het ongekende land. Ik wil vrijheid en brandende liefde voor elkaar, alsook op afstand. We verlangen het allemaal, al beweren sommigen van niet, uit schrik. Ja meneer, ook jij wil dat, standvastige lomperik. Ik vraag geen afschaffingen of de verplichting om te knielen. Iedereen voor zichzelf, niet bemoeien met andermans zielen. Voorbijgangers en getuigen, wij allen willen genoegen en heerlijkheid ervaren in het nergensland. In plaats van als mieren naar de heersers te kruipen en daarna doodgetrapt worden door de plaatselijke dominant." Net toen hij nog een woord wou uitspreken, glipte hij naar achter en botste met zijn hoofd tegen een steen. Een plotselinge dood was voor de koningen en keizers een duidelijk fenomeen. De laatste zin stond geschreven op het briefje, die lag naast het bedorven steen: We zijn allemaal aangekomen met verschillende schepen, maar vertrekken zullen we met één.  

Betti J.
0 0