Zoeken

Tip

Het Ponton

Ik probeerde mijn identiteitskaart te verscheuren maar dat viel niet mee. Het harde plastic werkte tegen. Er verschenen rode striemen op mijn vingertoppen. Ik plooide de kaart dan maar dubbel en duwde ze zo plat mogelijk tussen beide handen. Ik plooide ze terug en deed hetzelfde langs de andere kant. Vervolgens draaide ik de kaart een halve slag en deed hetzelfde. De plooien werden barsten en de barsten scheurden open. De kaart viel in vier delen uiteen. Ik deed mijn lenzen uit en vulde het potje met lenzenvloeistof. Ik kleedde me uit en trok een kleed aan, wit, met lange mouwen. Niks aan hoe ik eruitzag mocht mijn identiteit verraden. Ik had geen identiteit meer, en ook geen taal. Ik sloot me aan bij de stroom, de massa. Ik stapte met ze mee. We kwamen aan een tent, men sprak me aan in het Engels en vervolgens probeerde men nog een taal of drie. Ik knikte, maar sprak niet. Ik kreeg een linnenpakket en een sleutel. Mijn naam werd vervangen door een nummer. De stad had een ponton gehuurd. Wat voorheen een gevangenis was, was nu een drijvend opvangcentrum. Het stadspersoneel had de tralies die voor de ruiten zat weggezaagd. Ik opende de kamer en maakte het bed op. De matras stond nog in de plastic verpakking tegen de muur. Het bed was een stalen rechthoekige bak waarover een ijzeren web was gesponnen. Wat ik ook probeerde, ik kreeg de lakens niet rond de matras gespannen. Ze veerden terug omhoog als karton. Naast mijn kamer was er een grotere ruimte waar de maaltijden werden bereid. Ik kreeg een aluminium bakje eten. Ik nam plaats aan een lange tafel. Ik at en zweeg. Ik koop een kip en stel vast dat ze niet wordt aanvaard door de andere kippen. Zij waren hier eerst. Ze wordt aan haar veren uit het kippenhok gesleurd. Ze mag niet mee-eten met de groep. Ze wordt gepikt en op een kippenmanier beschimpt. Ik bouw een nieuw hok voor haar en plaats het bovenop het andere hok. Ze slaapt er alleen. Ze eet alleen. De restjes. Ze scharrelt alleen. Af en toe probeert ze het. Toenadering zoeken. Aanvaarding zoeken. Het mislukt. Ze wordt aangevlogen. Men deelde wat zakgeld uit. Een beetje scheergerief. Een handdoek en een tandenborstel. Ik schreef op alles mijn nummer. Ik hechtte er veel waarde aan. Ik dwaalde anoniem door de stad. Tenminste, dat probeerde ik. De mensen keken me aan en even snel keken ze terug weg. Hun blik naar de grond. In een fractie van een seconde hadden ze me ingedeeld. Ik was zij en zij waren wij.

Robbe Willems
28 0

Oude mannen

Ik aanvaard een compliment enkel zonder schroom wanneer het uit de mond van een man boven de zeventig komt. Ik hou van de bijna- vaderlijke manier waarop de bejaarde zijn oppervlakkige opmerking vakkundig in respectvolle woorden verpakt. Alleen het fonkelen van zijn door cataract aangetaste ogen verraden naweeën van de lust die op zijn twintigste door zijn lijf woelde. De gedachte overvalt me wanneer ik met de uitbater van mijn garage keuvel. De oude man heeft tal van en zonen verwekt die de zaak overnemen maar hij sloft toch nog eens graag door zijn imperium van autobanden en benzinegeur. Tussen zijn werkend nageslacht, voorzien van typisch garage-blauwe overallen en tribal tatoeages, kletsen we over de oorlog en hoe de tijd intussen te snel gaat voor hem. Hij is 84, zegt hij, maar de eerste honderd zijn de moeilijkste. Hij knipoogt en ik lach.   Ik denk aan die keer met de man van tachtig. We raken aan de praat op straat, hij nodigt me uit op restaurant en zo geschiedt. Hij haakt zijn arm lachend in de mijne en troont me als een duur geschoten kermisprijs mee  door het etablissement. Zijn hoffelijkheid wisselt soepel af met schunnige opmerkingen en knipoogjes. De man is een meester- verleider. Hij heeft dan ook al 80 jaar ervaring.In de zak die hij bij zich draagt zitten de pantoffels en een vuile pyjama van zijn vrouw. Haar ogen staan vaag en ze kent hem enkel uit beleefdheid. Toch bezoekt hij elke dag. Hij vertelt het me met de rauwe eerlijkheid die alleen oude mensen in zich hebben. Dat soort oud dat de mens wekelijks de balans van zijn omgeving doet opmaken: wie welke dodelijke kwaal heeft, wie het leven opgaf. Dat soort oude mens dat eindelijk groeipijn leert aanvaarden, om dat het ongemak van krimpen. De garagist buigt zich naar me toe om me iets toe te fluisteren. Zijn muffe adem kruipt in mijn neus. Zou het het nestelen van de dood in zijn binnenste zijn dat ik ruik, vraag ik me af. En als dat zo is, hoe zou het dan zijn om met hem te slapen. Om zijn vuur te voelen wanneer ik zijn doven ruik. Deze jonge man in zijn oude huls, die leven spreekt maar dood uitademt: ik zuig zijn verhalen gretig op. Ik hang aan zijn lippen. Er is weinig waar ik meer plezier uit haal dan gedetailleerde bejaardenverhalen. Tenzij misschien een compliment.

Amarylis
0 1

Het eindige nog voor dat het begon

Het begon allemaal met het jaar 2015.Sommigen weten er alles van en andere hebben niets gehoord of gezien. Het startte met Litouwen die de eurozone toetrad.Ook brandden vier historische gebouwen af, waar iedereen over vergat. Er was even rust totdat in Parijs doden werden verklaard.Het was een aanslag op Charlie Hebdo, maar was het de aandacht wel waard? Iedereen heeft een eigen mening, terwijl ook dat soms vergeten wordt.Ondertussen werden kerken in Niger in brand gestoken, de tijd ertussen was zeer kort. Mensen doen rare dingen, willen doelen bereiken door hun eigen visie te gebruiken.Denken niet na over de gevolgen ervan, en zouden zomaar de dood kunnen induiken. De zendtijd werd stilgelegd toen een gewapende man het journaal binnendrong.Media, tv, radio, iedereen wist het, terwijl ik angstig een liedje zong.   Mensen hoopten voor het einde van de onrust, maar niets was minder waar.De IS publiceerde een video van onthoofdingen en er vielen in Tunis doden hier en daar. Topsporters in Argentinië kwamen om, maar velen zagen nauwelijks iets staan.Totale zonsverduistering boven het noorden van de Atlantische Oceaan. Een klein lichtpuntje zorgde voor een seconde vrede met z’n allen samen.Terwijl een paar uur later door een aanslag in Jemen 140 mensen omkwamen. Verdriet, pijn, rouw en leed kenden de mensen in die streken.De naasten hadden hoop op overlevenden, terwijl anderen van de zijkant keken. Door een aardbeving in Japan hebben duizenden mensen het leven gelaten.Paar dagen later waren er aanslagen in Tunesië, een gevoel van geen water en aarde. Mensen leefden van uur tot uur en hoopten op een ontmoeting met een leven.Ze keken naar zichzelf en dachten hiermee de moed op te geven.Explosies in China, overstromingen in India, en Chili trof een zware aardbeving. Genoeg aandacht werd er niet geschonken, de mensen daar vroegen om vergeving. Door verdrukking overleden in Mekka honderden mensen.Totale maansverduistering in Nederland en België, terwijl anderen leven en licht wensten. Vele dingen veranderden wanneer er vluchtelingen in Europa binnenstroomden.Meningen, reacties, kritiek en afkeer vloeiden binnen, terwijl ze gewoon op kleine plaatsen woonden. Sommigen vonden dat ze hier niet hoorden, ze zeiden zelfs: ze zijn het niet waard.Maar hoe is het mogelijk iemand terug te sturen naar een land waar meer dan de helft van de bevolking dood wordt verklaard?Afschuwelijke, aangrijpende beelden van het Syrische jongen Aylan die aanspoelde aan de kust. Daar kennen de mensen geen leven, hebben angst, maar niemand is zich daarvan bewust.Het was een beeld dat Europa wakker schudde en de ogen open deed. Wat ook logisch was na zoveel gruwel, drama, pijn en leed.Kinderen in die landen kennen geen ontspanning, kennen geen vreugde, weten niet wat een leven hebben is. Ze zien maar 1 dingen voor hun ogen: vluchten, de menselijkheid is iets wat ik mis.Op een gegeven moment vallen 130 slachtoffers in Parijs door terroristische aanslagen. Een tragedie voor heel Europa, omdat het zo dichtbij gebeurde in deze gruwelijke dagen. Heel Facebook stond vol met Franse vlaggen en berichten met daarin hun medeleven.Terwijl diezelfde dag in Libanon doden vielen door bomaanslagen, maar niemand moest aandacht geven.Ook op dat moment verloren we levens in Bagdad door een aanval op het kerkhof.Japan en Mexico kenden een aardbeving, de wereld was stil, dat is pas hard en grof.Terroristen die het nodig vonden om de vrede in één keer te vernietigen en alles te manipuleren.De Islam werd vergeleken met de terroristen, maar het zijn 2 verschillende dingen, dat kan ik zelfs zweren.De wereld veranderen, angst zaaien, dat is waar IS voor kiest.Maar men moet het verschil weten tussen een christen, moslim, jood, protestant en een terrorist. Parijs kreeg 1 min stilte, waar mensen ook voor beefden.Jammer genoeg kregen de anderen niet veel, verbleven in landen waar ze alleen maar overleefden. De wereld is na zoveel gebeurtenissen, na 1 volledig jaar drastisch geëvolueerd.Van liefde voor mensen, behulpzaamheid en warmte tot haat, afkeer en is helemaal getransformeerd.Hartroerend, schokkend, aangrijpend en vooral meeslepend om naar alle gruwelijke beelden te kijken.Hoe kinderen voor hun ogen hun ouders verliezen en achteraf staren naar de lijken. Als kind je dierbaren verliezen en geen hand meer op je schouder voelen.Dat is het ergste wat je kan meemaken om daarna definitief af te koelen.Velen kunnen niet meer doen dan alleen maar op te groeien en rustig te blijven staan. Maar wel schreeuwend in het hart verder door het leven proberen te gaan.Ze gaan anderen ‘mama’ horen roepen en de liefde tussen hun zien bloeien.Terwijl zij in de spiegel gaan kijken en gaan proberen om geen traan te laten vloeien.Biddend en hopend naar een mooier jaar, naar een mooiere toekomst en alles achter ons te laten staan.Want achter deze harde tijd is er genoeg gebeurd om dit de geschiedenis in te laten gaan.

Betti J.
0 0

Andreas, de kleine duistere elf

Hij was mijn beste vriend, ik hield van hem. Hoe hij die duivel is geworden, ik zal het nooit begrijpen. Zijn ene verkeerde beslissing heeft ons allemaal gebroken. Ik, Ella zal als zijn beste vriendin die zelfs niet meer tot hem kon doordringen het mezelf nooit vergeven. Door mijn dwaasheid zijn wij allemaal gestorven en kleeft ons bloed aan zijn handen.   We leefden in het land van de elven, Elfendal. Van over heel de wereld kwamen er mensen naar onze scholen. En in dit hooggeschoolde land waren wij nog eens toegelaten in één van de exclusiefste scholen. We gingen schoolmaterialen gaan kopen. ‘Ella,’ riep de schattigaard, 'zijn deze zelf-vliegende pennen niets voor ons?’ ‘Die zijn niet toegelaten’, antwoordde ik. 'Je weet dat toch.’ Hij begreep het kennelijk toch niet aan die twee pennen in zijn mand te zien. Koppigheid was bij hem een familiekwaal. We gingen verder met winkelen, het enige dat we nodig hadden om te starten was een basis schoolpakket. Het bevatte heel wat poedertjes en dierenonderdelen (we zwijgen erover), maar het enige dat we echt nodig hadden, was een magisch oog. Als je zo’n oog voor je houdt, verandert de kleur. Afhankelijk van de kleurencombinatie wordt je lessenrooster bepaald. Daarom dat we voor de eerste dag niet veel nodig hadden.   Na ons winkelbezoek gingen we iets drinken. ‘Dit is het,’ zei Andreas, 'een nieuw begin.’ Dit was de eerste keer dat ik Andreas iets emotioneel hoorde zeggen. Ik was er eerlijk gezegd wat van geschrokken. ‘Het gaat geweldig zijn’, zei ik. ‘Ik hoop het', lachtte hij, 'We gaan elkaar er anders wel doorslepen.’ ‘Het zal wel zijn!’, zei ik terwijl ik hem een schouderklopje gaf.   Een paar dagen later was het zover. Ik was vol zenuwen naar Andreas z’n huis gegaan. Hij stond niet zoals afgesproken buiten te wachten, zoals altijd was ie te laat... Ik belde aan, z’n ma deed open, ze zei: ‘Hij doet weer lastig, je gaat nog een minuutje moeten wachten.’ Geïntimideerd besloot ik dan maar te wachten. ‘Ik ga zo niet naar school', horde ik van het bovenverdiep komen. ‘Ik heb een idee', zei de mama, 'We laten Ella keuren.’ Ze kwamen allebei naar beneden, Andreas had een mega schattig klassiek oufitje aan. ‘Het ziet er echt super lief uit.', zei ik. ‘Ze vinden me weer schattig', flipte Andreas, 'Ik ga zo dus niet gaan!’ Uiteindelijk zei z’n mama dan maar: ‘Het is goed, ga je maar omkleden.’ Hij kwam terug beneden in een casual oufit. ‘Kunnen we dan gaan', zei ik, want we waren al te laat. We vertrokken nadat Andreas de deur had dichtgeslaan. Ik wou niet tussen de ruzie komen, dus zweeg ik er maar over.   We stonden voor de poort van onze nieuwe school, een magisch moment. Letterlijk magisch, want we werden omhoog gezogen. ‘Hier vliegen we dan, een nieuw begin', zei ik. ‘Je hebt hem door, we gaan inderdaad naar een nieuwe school', spotte hij. Ik probeerde hem te slaan, maar hij wist snel genoeg buiten mijn bereik te zijn.   Onze eerste schooldag was super verlopen, we hadden al een heleboel vrienden gemaakt. De lessen zelf waren voornamelijk praktisch, helemaal anders dan de jaren ervoor. Wat ik persoonlijk wel leuk vond.   Een paar dagen erna gingen we op klasuitstap. We bezochten een begraafplaats, die van de Verschrikkelijke. Hij eerste ooit over ons rijk, volgens de oude geschriften zou hij duizenden levens hebben opgeofferd om een duistere spreuk te kunnen gebruiken. Hij was verleid door een duistere man, een afgevaardigde van de duivel. In zijn blinde liefde is hij hem in zijn kwade plannen gevolgd. Er is een rebellie ontstaan, zijn eigen leger had zich tegen hem gekeerd. Toen ze zijn kamer binnenkwamen, was hij al dood. Vermoedelijk was hij gedood door de duivel. Ze hebben hem in een stuk steen opgesloten, in de hoop dat zijn duivelse gedachten niet verspreid gingen worden.   We waren op het kerkhof, ik liep naast Andreas toen er plots een jongen naast hem kwam wandelen. ‘Aangenaam,’ zei de hij, 'jij bent toch Alexaner?’ ‘Inderdaad', antwoordde Andreas, 'En jij bent toch Basiliaan?’ ‘Je hebt m’n naam onthouden', glimlachte hij. Dat toonde al hoeveel zelfvertrouwen hij had, hij verwachtte dat niemand hem ging herinneren.   We waren toegekomen, onze leerkracht gaf ons wat bijkomende informatie, maar het was niet interessant. Totdat Andreas plots op z’n knieën viel. ‘De haat,’ kreunde hij, ‘het is gewoon te sterk.’ Toen viel hij levensloos neer, Basiliaan en ik vingen hem op. Iedereen kwam rond hem staan, maar niemand kwam dichtbij. Het was natuurlijk een enge situatie op een enge plaats. Het duurde niet snel voor onze leerkracht ook van de partij was. Hij nam hem op en liep weg. ‘Kom allemaal aan de poort staan', zei hij nog voor we hem niet meer konden zien. Ik liep hem achterna, maar kon hem niet vinden. Basiliaan was met me meegekomen, hij zei: ‘Ze kunnen toch niet nergens zijn.’ ‘Dat weet ik wel', snakte ik z’n neus af. Na een 20-tal minuten was onze docent terugkomen, hij had een verpleegster met zich meegenomen. ‘Dus jij bent Ella’, zei ze. 'Andreas z’n ouders zouden willen dat jij bij hem bent tot zij er zijn.’ ‘Natuurlijk ga ik dat doen!’, antwoordde ik. ‘Mag ik mee?’, vroeg Basiliaan. Ik twijfelde even, maar zei dan toch: ‘Ja, ga maar mee.’ De verpleegster gaf haar afkeur, ik reageerde erop: ‘Hij heeft hem geholpen, hij hoort erbij te zijn.’ Dit is mijn zonde in dit verhaal...   Andreas lag in de ziekenboeg, we gingen naast z’n bed gaan zitten. Een paar uur later wou ik naar m’n kamer gaan. Zijn ouders konden er pas de volgende dag zijn, ze waren op reis, maar ik was ongelofelijk moe, zo kon ik niet blijven. ‘Ga maar,’  zei Basiliaan. 'Ik blijf wel.’ ‘Zeker,’ vroeg ik, 'het is voor ons allebei een vermoeiende dag geweest, zou je niet ook even gaan rusten?’ ‘Maak je geen zorgen', zei hij. 'Ik wil hier zijn.’ Normaal zou ik iemand die ik pas ken nooit bij hem hebben actergelaten, maar ik had het gevoel dat ik hem kon vertrouwen. Wat een dwaas was ik toch...   De dag erna kwam ik terug. Ik zag dat Andreas ontwaakt was. Basiliaan lag met z’n hoofd op het bed te slapen. ‘Goedemorgen,’ zei de ontwaakte, 'sorry van het hele gedoe.’ ‘Verontschuldig je eens niet', reageerde ik. 'Dat mag hij gaan doen!’ Ik klopte Basiliaan wakker, hij schoot onmiddellijk recht en zei: ‘Het spijt me.’ ‘Dat mag ik hopen!’, riep ik. ‘Stop hier eens mee', flipte Andreas. 'Je slaat mensen toch zo niet.’ Andreas had z’n aandacht op Basiliaan gefocust, ik was kennelijk lucht geworden. Een paar tellen later zei hij: ‘Hij heeft hier heel de nacht gezeten, je hebt het recht niet om zo te doen.’ ‘Het recht,’ flipte ik dan zelf, 'enkel omdat ik m’n nek niet kapot heb geholpen.’ Ik ben dan furieus weggelopen, een paar uur later besefte ik dat ik fout zat. Ik ben dan uit goede wil teruggegaan wanneer hij terug naar huis mocht. Ik dacht dat ze wel nog samen gingen zijn, maar ik kon ze maar niet vinden. ‘Die kunnen toch niet verdwenen zijn', ergerde ik me. Ik ging ergens achter een hoekje kijken en daar zag ik iets wat ik nooit wou zien. De verschrikking in een nieuwe vorm, een liefde ontstaan tussen Andreas en Basiliaan. ‘Het is niet wat je denkt', riep Andreas me na toen ik wegliep. Ik wist niet wat te doen, volgens de legende is dit de eerste stap naar het duister. Ik ben dan maar naar het bureau van de directeur gelopen. ‘Er is een oplossing', zei hij. 'Een moet sterven, zodat de andere puur kan zijn.’   Op de dag van de executie, Andreas was vastgemaakt aan een stoel. Hij moest dit volgens het ritueel vanaf de eerste zetel zien. Basiliaan stond klaar onder de beul, luttele tellen voor zijn onthoofding. ‘Neem mij', riep Andreas. 'Laat hem gaan, alsjeblieft, neem mij!’ Andreas was van een hogere klasse, natuurlijk gingen ze hem niet laten sterven. Hij schreeuwde zijn hart uit, maar niemand luisterde. ‘Nog een laatste boodschap', zei de beul. ‘Slechts drie woorden,' zei hij, 'Andreas, ik hou’ Hij werd onderbroken, de beul liet zijn zwaard te vroeg vallen, hij zei: ‘Waardeloos kind, je had er al drie gezegd.' ‘Neen!!!!!’, riep Andreas met een kwaadheid in zijn stem die ik nog nooit gehoord had. ‘Hoe durven jullie’ zei hij, maar zijn moeder onderbrak hem met de woorden: ‘Maak je geen zorgen jongen, je bent terug puur.’ ‘Puur,’ explodeerde de haat, 'jullie zullen hier allemaal stuk voor stuk voor boeten, geen één van jullie zal ik laten leven, mannen, vrouwen en kinderen, ieder van jullie zal eindigen!.’ Waarop hij op een duistere, lachende toon zei: ‘Wacht, vooral de kinderen, ik denk dat ik zal beginnen met hun ledematen voor de ogen van de ouders te verwijderen en ze daarna nog in leven zal houden om de ouders de gedachte ‘Mijn kind zal het nu nog veel erger hebben dan mij mee te geven naar hun graf.’ Hij wist dat hij zo z’n eigen doodvonnis getekend had, iedereen wist dat hij toen doordrenkt was van het duistere. Toen gebeurde het, iedereen kon de stem horen, die van de verschrikkelijke, hij zei: ‘Prachtige jongeman, ik wil je de kracht geven om deze magnifieke wens te vervullen, het enige dat je moet doen is me je leven geven.’ ‘M’n leven,’ schreeuwde Andreas, 'm’n vorige levens, mijn toekomst en mijn ziel, neem het allemaal!’ ‘Natuurlijk mijn schat,’ lachtte de stem zo luid dat je het door heel het land kon horen, 'laten we beginnen.’ Er regende zwarte magie op Andreas neer, het veranderde hem, hij kreeg de vorm van de duivel. Niemand zou dit overleven, maar van al zijn slachtoffers was ik de eerste die moest vallen. Hij kwam naar me toe, greep m’n nek vast en zei: ‘Hoe durfde je me zo te verraden.’ ‘Ik wou je helpen', Probeerde ik te zeggen, maar hij had m’n nek al gebroken. Ik weet niet precies wat er daarna gebeurde, maar ik weet heel zeker dat niemand nog zou mogen leven...

Simon
0 0

De ruimte

‘Sommige dingen zie je enkel van dichtbij, andere zie je pas vanop een afstand. Wie zich hierin vergist gaat als een blinde door het leven.’ Anoniem, ergens op een muur   De makelaar haast zich door de voortuin, zakt voor het hek op een knie en opent de verfpot met een schroevendraaier. Ze kijkt vluchtig over haar schouder en tijgt aan het werk. Met enkele vlugge borstelstreken overdekt ze de plekken waar een groene waas van mos begint te verschijnen op het witte hek. Ze staat recht, zet twee stappen achteruit en keurt haar werk. Dan sluit ze de pot en haast zich weer naar het kleine huisje. Ze struikelt bijna over een rooster en vloekt binnensmonds. Ze kijkt op haar horloge, lijkt even te twijfelen en zakt dan opnieuw op een knie. Ze gebruikt de schroevendraaier nu om het metalen rooster snel weer vast te zetten, een schroef in elke hoek. Ze schrikt op van het geluid van autobanden op de steentjes van de oprit. Ze springt op, recht haar vest en trapt met de zijkant van haar voet de verfpot en borstel een bosje in, uit het zicht. Met een geoefende glimlach loopt ze het jonge koppel tegemoet. ‘Welkom, welkom. Ik ben Jeannie. Jullie zullen gewoon weg zijn van dit huisje.’       Twee weken later. John rijdt langzaam door zijn nieuwe straat. Zijn wagen is helemaal volgestouwd met kartonnen dozen, kussens en uitgebeende staande lampen. Een man posteert zich wijdbeens op straat en dwingt John in de remmen te gaan. John laat het raampje zakken. De man komt langszij en duwt een flyer onder Johns neus. John knikt kort en neemt het foldertje aan, stopt het zonder het verder te bekijken losjes tussen zijn lippen en draait de oprit van het huisje in dat Alice en hij net gehuurd hebben. Alice staat hem in het deurgat op te wachten. Nog voor de wagen stil staat, heeft ze de klep van de koffer al geopend.     ‘De laatste?’     John zwaait zijn benen uit de wagen. ‘Jep. Eindelijk. Ik begin te denken dat we beter wat spullen hadden laten opslaan. Of weggeven.’     Alice laadt de inhoud van de koffer uit. ‘Daar is die staande lamp. Die gaat geweldig goed passen in de woonkamer.’     ‘Heb ze wel moeten uit elkaar halen, anders paste ze niet in de auto.’     ‘Komt wel goed.’ Alice gaat door de knieën, recht haar rug en staat weer recht met een doos vol boeken. ‘Had je deze niet kunnen achter laten? Wanneer ga je die ooit nog een keer herlezen?’ John loopt rond de wagen en probeert de doos over te nemen van Alice. Ze keert zich wat van hem af. ‘Ik doe het wel.’ En stapt moeizaam het huisje binnen. ‘Voorlopig in de rommelkamer.’       Die avond zitten ze op de bank, omringd met open kartonnen dozen. Alice blaast een haarlok de hoogte in. De lok nestelt zich koppig opnieuw op haar voorhoofd. ‘Wacht maar tot de laatste kasten er zijn. Dan krijgen we het hier wel op orde.’     John bladert in een boek dat hij al eens gelezen heeft, kijkt naar de achterflap, herleest de laatste bladzijde en sluit het boek weer. ‘Het is allemaal toch wat krap.’ Hij kijkt de kamer rond. ‘Onze salontafel past hier nooit in. Van zijn leven niet.’     Alice legt een hand op zijn knie en aait hem zachtjes. ‘Komt wel goed.’ Ze ademt diep in en uit, steekt haar neus de lucht in, snuift diep en snuffelt dan nog wat verder.     ‘Wat is er? Ik ben het niet geweest.’     Ze schudt het hoofd en fronst. Ze snuffelt nog eens, haar hoofd in haar nek gekanteld, de neus omhoog gericht. ‘Hebben we Febreze? We moeten zeker naar de winkel om Febreze morgen.’             ‘Morgen is het zondag.’     ‘Maandag dan. Eerste werk.’     ‘Dat went wel. Een goeie poetsbeurt, en hop.’     John kijkt Alice van onder zijn wenkbrauwen aan. ‘Een goeie beurt.’     Alice laat het hoofd zakken en geeuwt hartstochtelijk. ‘Morgen misschien. Ik ben bekaf. Er wordt vanavond niks ingewijd.’     John zakt dieper in de zetel weg en neemt het boek weer ter hand. Hij slaat het open bij het begin. ‘Er was veel volk op straat vandaag. Deelden foldertjes uit.’ Alice reageert niet. Ze zit intussen met haar vingers diep in heur haarbos en masseert zachtjes haar scalp. ‘Heb het op de keukentafel gelegd. Vast één of ander straatfeest of zo. Actieve buurt. Lijkt me leuk.’ Alice beweegt niet. John kijkt weer naar zijn boek, leest de binnenkant van de flap en legt het weer opzij. ‘Ik ga al op het matras liggen. Morgen zet ik het bed wel in elkaar.’       John sloft achter de koffiepot aan naar de tafel. Alice prikt lusteloos een vork in haar spiegelei. Het eigeel begint zich over haar bord te verspreiden. Ze staart in haar bord. Een traan rolt over haar wang. John giet haar mok vol, daarna de zijne. Hij begint te bladeren door de stapel reclamefolders die uit de brievenbus puilde toen ze hier arriveerden.     ‘God. Er is een joch vermist. Daarom waren al die mensen op straat.’     Alice kijkt verstoord op. ‘Wat?’     ‘Die flyer van gisteren. De mensen op straat. Geen feestje, een zoektocht. Kijk.’ Hij schuift de flyer onder haar neus, een zwartwit kopietje met foto van een jongen met weerbarstig haar en een brede grijns waar twee tanden uit ontbreken. ‘Daniel Stonestreet. Nog maar negen. Wie verdwijnt er nu uit een buurt als deze? God, wat een hitte. En dat om half tien ’s ochtends al. Het wordt een lange zomer.’ Alice blijft naar de foto staren, uitdrukkingsloos. John staat recht en loopt de keuken uit. Onderweg botst hij tegen een verhuisdoos aan en vloekt.       ‘Neem ook wat rattenvergif mee. En muizenvallen. Zo’n oud huis zit vast tjokvol beesten. Dit hier zal niet volstaan.’ Alice gooit twee verstuivers luchtverfrisser in de winkelkar. ‘Ik zweer je dat ik de hele nacht die geur in mijn neus heb gehad. Volgens mij is er een rat gestorven onder de vloer.’     John bestudeert aandachtig de tekst op een doos rattenvergif. ‘He, dit spul is gemeen. Ik weet niet of ik een dier zoiets zou kunnen aandoen. Zelfs al gaat het om een rat.’ Alice schiet hem een giftige blik toe en John zet gedwee een grote verpakking in het karretje. ‘Weet je, ik had dit best alleen kunnen doen. Winkelen. Jij had gerust kunnen thuis blijven om je ding te doen.’     Alice kuiert verder de gang door en monstert de muizenvallen, ratteklemmen en mierenverdelgers. ‘Straks.’     John volgt haar van achter de kar. ‘Ik bedoel maar, dat was toch het punt van alles. Dat je de ruimte kreeg. Om je ding te doen.’     Alice kijkt hem geërgerd aan. ‘Straks, zeg ik toch. Het komt niet op afroep, weet je. Ik moet ervoor in de stemming zijn. Het was ook jouw beslissing. Het was onze beslissing. Samen. Ze draait zich om en loopt met stijve pas verder. ‘Ik ga wijn zoeken. Veel wijn.’       De volgende dagen lijken een doorslag van maandag. Voor de middag een uitstap naar de winkel. Onvoorstelbaar hoeveel spullen nodig blijken om een huis je thuis te maken. En hoe je nooit aan al die dingen tegelijk denkt, zodat je maar een enkele keer naar de winkel hoeft. Na de middag wat dozen uitpakken of verplaatsen. Op woensdag een boekenkast in elkaar draaien die te hoog blijkt voor het plafond. Op donderdag opnieuw naar de winkel voor citronellakaarsen tegen de muggen en insecticide tegen de vliegen. Het wordt weer zo’n zomer. Elke avond eten in stilte, afhaal omdat het fornuis het niet doet.     ‘Bel Jeannie, zeg dat ze er wat aan komt doen.’     ‘Heb ik al gedaan. Ze zegt dat Carl de klusjesman door zijn rug is gegaan vorige maand. Over twee weken of zo kan hij opnieuw aan het werk. Als alles goed gaat.’     ‘Jammer dat jij geen klusjesman bent geworden. Zou ons een hoop gedoe besparen.’     ‘Of jij klusjesvrouw.’     Alice glimlacht speels. ‘Dat zou jij wel zien zitten, met zo’n overall en een helm.’     ‘Zonder overall mag ook. Maar met de helm.’     Alice nipt van haar glas rode wijn. ‘Straks misschien, stouterd. Eerst nog wat verder werken.’ En ze staart opnieuw naar haar scherm, waar alleen een knipperende cursor de witte pagina siert. John giet zijn glas wat voller, meer dan nodig is.       Op vrijdag staat er politie in de straat wanneer Alice en John terugkeren van hun winkeluitstap. Een troep buurtbewoners staat achter een geel lint naar het huis van de eenzaat aan het eind van de straat te staren. Een vriendelijke man, met een kleine hond. Hij wandelt elke avond voorbij en groet vriendelijk wie zijn pad kruist. John en Alice wandelen bedeesd naar de groep, die in volledige stilte het gebeuren gade slaat. Achter de ramen van het huis duiken af en toe mannen en vrouwen in witte overalls op, als acteurs in een vreemd schimmenspel. De zwaailichten van de politiewagens werpen lange schaduwen tegen de muren van het huis.     ‘Nooit gedacht dat Bill er zo een zou zijn’, bromt een oudere man. Hij woont tegenover John en Alice, maar zijn naam kennen ze nog niet. ‘Arme Daniel. Speelde altijd met zijn bal op straat. Dacht dat ie hier veilig kon zijn. Maar het is altijd iemand die je kent.’ Agenten kammen de voortuin en achtertuin van het huis uit. Een Duitse herder snuffelt het terrein af. ‘Straks komen de graafmachines, let op mijn woorden.’ De oudere man spuugt op de grond, zijn vrouw slaat een kruisteken. ‘Bill heeft nog mee flyers uitgedeeld. Zo zie je maar. Verbergen in het openbaar, noemen ze dat. Smeerlap.’     John trekt Alice naar zich toe en legt een beschermende arm om haar heen. ‘Kom.’       John draagt een rinkelende doos lege wijnflessen naar de wagen. Ze zijn er flink tegenaan gegaan, deze week. Hij wappert een hand om de vliegen om zijn hoofd weg te jagen en overweegt om online te zoeken naar zo’n blauwe lamp die insecten een rit op de bliksemschicht naar de vergetelheid biedt. Hij grinnikt om die vondst en haalt een notitieboekje boven. Hier zit misschien meer in, een kortverhaal of zo. Straks zal hij het blaadje afscheuren en aan Alice geven, die een bestand bijhoudt met alle spitsvondigheden die ze samen kunnen verzinnen. Ooit past het wel een keer ergens in. Al heeft ze sinds hun aankomst bitter weinig geschreven. Misschien hoort een dergelijke pauze wel bij de verwerking. Als ze maar gauw weer op gang geraakt. Nog twee weken en John’s vrije tijd is voorbij. Tegen dan moet alles in orde zijn in dit huis. John bekijkt het huis nog eens goed langs de buitenkant. Gezellig. Pittoresk. Maar vooral: klein. Net genoeg eigenlijk voor twee personen. Zelfs niet voor een gezin. Is dat waarom Alice net dit huis wilde huren?       ‘Eindelijk die laatste doos!’ Alice ploft met een zucht op de bank, haalt het breekmes boven en snijdt fluks door de kleefband die de doos omsluit.     ‘Voorzichtig! Daar zitten ook nog wat boeken in!’ Alice plooit de doos open.     ‘Shit.’ Ze haalt een roman boven. Er is een reep van de voorflap gesneden. ‘Sorry.’     John neemt het boek aan. ‘Geeft niet. Heb het al eens gelezen. Die zal ik maar niet proberen door te verkopen.’     ‘We fiksen het wel met wat tape.’ Ze laden de laatste doos verder uit, wetende dat het nog steeds niet de echte laatste doos is. Er staan er nog drie, half leeg, opgestapeld in de rommelkamer. Allemaal boeken en spullen van John, voornamelijk speelgoed en filmmerchandising.     ‘Wat zit er nog in?’ John gaat languit op de bank liggen en legt zijn voeten bij Alice op schoot. Ze rommelt verder in de doos.     ‘Tijdschriften. Waarom hebben we tijdschriften mee verhuisd? Hebben ze hier geen tijdschriften?’        John opent een oog en sluit het weer. ‘Geen idee. Ze hebben hier zelfs pedofielen. Het zijn trouwens jouw tijdschriften. Doe ermee wat je wil.’     Alice bladert door enkele maandbladen. ‘Dit zijn zeker geen tijdschriften die ik gekocht heb.’ Met een korte polsbeweging laat ze het blad als een frisbee door de lucht roteren. ‘Op de weggooistapel dus. Hier is die koffiemok van mij! En het zoutvaatje! En de sleutels van de achterdeur van ons oude huis.’     John glimlacht met gesloten ogen. ‘Hebben we de keukentafel gewoon met één veeg in een verhuisdoos geleegd?’     Alice geeft geen antwoord. Haar vingers bevoelen de koffiemok. Er zit nog een bruin randje opgedroogde koffie op de bodem. ‘Begin je volgende week opnieuw?’ John antwoord niet. Hij lijkt te slapen. Alice zet de mok op de grond en graaft verder in de doos. Haar vingers raken iets zachts, grijpen het vast en halen een kleine pluchen pinguïn boven. Het prijskaartje hangt er nog aan. Ze kijkt naar John op de bank, zijn ademhaling langzaam en regelmatig nu. Haar hand hangt aarzelend in de lucht boven zijn knie, trekt zich dan terug. Alice zakt wat dieper weg in de bank en omhelst de knuffelpinguïn met gesloten ogen.       De volgende dag gaat de deurbel. John schiet wakker. Ze hebben de hele nacht op de bank geslapen. Hij neemt de kamer in zich op: de open doos, de stapel weg te gooien tijdschriften, de koffiemok van Alice’s studietijd. Alice slaapt nog, haar hoofd ligt in een onnatuurlijke knik naar achteren op de bank waardoor haar mond open staat en er af en toe een gekke reutel vrij komt. Ze heeft de knuffel nog steeds vastgeklemd. De bel gaat opnieuw, langer nu. Alice’s adem stokt even en begint dan opnieuw de reutelen. John komt stijfjes van de bank en loopt naar de voordeur. Een dikkig meisje van de pakjesdienst duwt hem een kartonnen doos in handen.     ‘Hier tekenen alstublieft. Prettige dag nog.’     Wanneer Alice de keuken binnen wankelt, heeft John het pakje al open gedaan. ‘Zo’n blauwe lamp. Tegen de insecten!’ Hij leest verder de installatiegids en schuift afwezig de koffiemok naar Alice. Ze zit vol met verse, dampende koffie.     ‘Je hebt mijn gedachten gelezen.’ Ze warmt haar handen aan de mok en snuift de geur op. ‘Hebben we geslapen op de bank? God, wat marginaal!’     John glimlacht en leest verder. ‘Ik heb foto’s van je gemaakt.’     ‘Nooit!’ Ze geeft hem een duw tegen zijn schouder. Hij lacht en duwt terug. Ze drinken in stilte hun koffies en John neemt de gids helemaal tot het einde door. Dan neemt hij de blauwe lamp uit de plastic verpakking, kantelt hem en bekijkt elke zijde grondig.     ‘Wat doen we met de pinguïn?’     Alice giet het laatste restje koffie in haar mok. ‘Oh shit, sorry. Wilde jij nog wat?’ John schudt het hoofd. Alice kijkt even diep in haar tas. ‘Die houden we nog even.’       John wandelt rond het huisje, op zoek naar een geschikte plek om de insectenzapper te installeren. Alice staat in de voortuin, lege koffiemok in de hand. Ze kijkt naar de straat en steekt aarzelend een hand de hoogte in. John keert terug uit de achtertuin. ‘Ik denk dat we de lamp het beste boven de oprit kunnen installeren. De enige plek waar nu al een elektriciteitsdraad naar buiten komt. Voor de tuinverlichting. Alice?’     Alice staart een wandelaar na tot die de hoek om loopt. ‘Gatver, John. Hij is het.’     ‘Wie, schat?’     ‘Hij! Die vent met zijn hondje! Van de politie, je weet wel. Die inval. Loopt hier gewoon langs alsof er niks gebeurd is! Hij wuifde naar me! Kan je je zoiets nou voorstellen?’     John loopt naar de stoep. ‘Waar dan?’     ‘Daar! Net nog. Hij liep de hoek om. Hoe kan zoiets nou?’     ‘Ben je zeker dat hij het was? Met dat hondje? Zo’n klein bruin geval.’     ‘Het was hem in ieder geval, met die teckel van hem. Bill. Heette hij niet Bill?’     John haalt de schouders op. ‘Ze zullen vast niks gevonden hebben. Iemand is onschuldig tot zijn schuld bewezen is. Wat weten wij er nou van?’     Alice trekt haar schouders op en kruist haar armen voor haar borst. ‘Ik vind het maar niks, zo’n griezel in de buurt. Waarom kwamen we ook weer naar hier?’     John blijft staan met de blauwe lamp in zijn handen. ‘Goeie vraag.’ Ze draaien zich om en bekijken het kleine huisje. ‘Voor de ruimte. Je… we hadden ruimte nodig. Om na te denken. Te herbeginnen. Je ding te doen.’     Alice glimlacht droef. ‘Veel ruimte is hier eigenlijk niet.’     John kijkt naar de grond, dan naar Alice. Hij opent zijn mond, sluit hem dan weer. ‘Mooi.’ Hij stapt langs Alice weer naar binnen.       Die avond drinken John en Alice drie flessen middelmatige rode wijn leeg. Alice zit met haar glas achter haar laptop en ratelt als bezetene over de toetsen. John heeft de verhuisdozen weer boven gehaald en begint zijn boeken opnieuw in te pakken. ‘Laten we het als een vreemde vakantie beschouwen.’     Alice kijkt John aan van over haar scherm. Ze begint te schateren. ‘Zo vreemd, zo vreemd. Wat heeft ons toch bezield. Mij bezield.’ Ze staat recht en loopt onvast op hem af, schuift de kartonnen doos voor zijn voeten opzij en gaat schrijlings boven op hem zitten. Haar losse haren hangen als een gordijn voor zijn ogen, zwaaien dan opzij. Ze begint hem vol op de mond te zoenen. ‘Sorry’, fluistert ze. ‘Sorry sorry sorry. Ik wist niet wat ik wilde. Sorry.’     John legt zijn handen om Alice’s middel en trekt haar zachtjes dichter tegen zich aan. ‘Ik weet het. Misschien hadden we allebei even nood aan verandering, een ander perspectief.’ Hij zoent haar en zijn handen kruipen langzaam over haar rug omhoog.     Alice zucht. ‘Alsnog het huisje inwijden alvorens het weer te verlaten?’     ‘Klinkt goed.’       Drie dagen later verlaten John en Alice het huisje dat ze zo kort hadden bewoond en keren terug naar hun oude woning. Wanneer ze vertrekken laat John de blauwe lamp achter op de keukentafel, met een briefje voor Jeannie, de makelaar. Tegen de vliegen. We zijn er nooit toe gekomen deze lamp te installeren. Al lijkt het probleem stilaan af te nemen. Succes ermee, Alice en John.   ***       Carl de klusjesman komt steunend van zijn ladder gekropen. De blauwe lamp hangt tegen de muur boven de oprit, de elektrische kabel is verbonden en het verdomde ding werkt niet. Hij heeft meermaals de zekeringen gecontroleerd en uitgesloten dat het probleem zich daar zou bevinden. Rest er nog de mogelijkheid dat de kabel ergens onderbroken is. Best mogelijk, gezien de vorige bewoners hadden geklaagd over ongedierte in huis. Een rat kan er gemakkelijk doorheen gebeten hebben. Carl volgt de kabel met zijn ogen naar beneden, waar hij langs een rechthoekig rooster het huis in verdwijnt. Carl vloekt en haalt een schroevendraaier boven. Hij wrijft even over zijn pijnlijke rug en mompelt binnensmonds. ‘Kruipkelders. Ik haat kruipkelders.’ Dan zakt hij op een knie en verwijdert de schroeven, laat zich verder op zijn buik zakken en knipt een zaklamp aan om de kabel te inspecteren. Zijn zicht wordt geblokkeerd door een donkere massa. Hij wringt zich naar binnen en merkt dat onder de massa een grote donkere vlek op de vloer is afgetekend, bijna opgedroogd in het beton. ‘Gadver, smeerlapperij.’ Hij probeert zijn hand schoon te vegen aan zijn overall en grijpt dan het voorwerp vast. Dan ziet hij de schoenzool, en wat dieper in de kelder: een voetbal. Zijn hand trekt harder en het geluid van scheurende stof weerklinkt. Er komt een ziekmakende geur los, gevolgd door een wolk kleine donkere vliegjes. Carl braakt meteen zijn ontbijt uit en de zure lucht vermengt zich met de stank van verrotting die de kruipkelder vult. Wanneer hij bekomen is zal hij Jeannie bellen, en de politie. Die zullen Daniel Stonestreet formeel identificeren en zijn ouders contacteren. Het onderzoek zal uitwijzen dat hij overleed ten gevolge van gebrek aan water, vermoedelijk nadat hij kwam vast te zitten in de kruipkelder. Hoe dit mogelijk is geweest, kan niemand vertellen.  

Rob G
0 0

Micky

Het hele eind van het tuinhok naar de achterdeur heeft Didier lopen denken aan wat hij zijn zoontjes zal zeggen, of eerder nog aan wat hij hen moet zeggen. Want zo voelt het aan: dit mag hij niet verzwijgen. Eenmaal binnen ziet alles er op een bevreemdende manier hetzelfde uit als vijf minuten geleden toen hij nietsvermoedend naar buiten trok om het gazon af te rijden. Luca en Florent liggen nog steeds in pyjama voor de tv gekluisterd, hun tere kinderlijfjes hebben zich voor geen millimeter bewogen. Ze hebben niet eens gemerkt dat hun papa achter hen is komen staan.   En dan zwijgt Didier alleen maar, zijn altijd schichtige blik samen met die van zijn zoontjes op het flikkerende scherm gericht. Maar de dansende figuren ontgaan hem. Wat hij ziet is hun kat, Micky, dood in de hoek van het tuinhok. Eerst zag hij het grijsgestreepte lijfje dat op zijn vertrouwde plekje lag. Maar toen hij het bij zijn naam riep reageerde het niet. Vervolgens ging hij wat dichterbij kijken en bemerkte de tong die uit de roze bek hing. En tenslotte was er de nodeloze bevestiging, het witte schuim om de opengesperde mond. Tegenover dat rauwe beeld voelt het alledaagse tafereel van zijn tv-kijkende jongens plots broos aan. Voor het eerst in de zeven jaar sinds hij vader is geworden is Didier zich bewust van het onmetelijke gewicht dat een moment kan hebben en dat nu op zijn schouders weegt: alles hangt af van wat hij nu zal doen, hij is het ankerpunt waaraan deze situatie is opgehangen.   Hij gaat zitten aan de ontbijttafel die nog niet is afgeruimd. Het is elf uur en Didier smeert zich een boterham met choco, doopt hem in de koffie en neemt een hap. Wanneer de boterham op is, veegt hij zijn mond af aan de mouw van zijn grijze werktrui en roept zachtjes de naam van zijn oudste zoon. Als hij het dan toch moet vertellen, dan enkel aan Luca, bedenkt hij, Florent is hier toch te jong voor.   “Luca?” Het klinkt twijfelend, alsof hij niet wil dat zijn jongen hem hoort. En terwijl het stil blijft trekt hij een reclameblaadje vanonder een stapel drukwerk, schikt het voor zich op tafel en diept uit de zijzak van zijn broek een timmermanspotlood op. Met drie rechte strepen bakent hij in de marge van de schreeuwerige advertenties snel een witte ruimte af. Terwijl hij het potlood steviger vastneemt neigt hij zijn hoekige hoofd ietwat schuin voorover tot het bijna het papier raakt. En dan vloeien de lijnen, nu eens lange smalle strepen, dan weer brede grijze vegen, hier en daar aangezet met krachtige zwarte kronkels.   “Wat teken je, papa?” Luca staat ineens naast hem en buigt zich over hem heen. Hij voelt hoe het jongetje naar het blaadje kijkt dat hij onder zijn brede handen tracht te verbergen. Hij kan zijn slaapgeur ruiken, zo dicht leunt hij tegen hem aan. Het is ook haar geur. “Oh niets, gewoon wat gekrabbel” lacht Didier. “Is dat Micky?” Luca weet het, toch vraagt hij het. Nog even aarzelt Didier. “Ja, vind je het mooi?” “Ja, heel mooi” Hij kijkt Luca aan, ziet zijn blauwe ogen die ook de hare zijn en hij weet dat hij het niet kan. Morgenavond komt zij de kinderen ophalen. Zij moet het maar doen. Zij heeft hem verlaten. Dit is allemaal haar schuld.

Gert André
0 0

gekaapt

I   Anton ligt al dagen op de bank. Hij leest of kijkt tv. Staat af en toe op om een pizza in de oven te duwen of een boterham met confituur te smeren. Overdag drinkt hij liters water, ’s avonds schakelt hij over op wijn, in de hoop dat het hem enigszins zal verlichten, wat het meestal niet doet. Zijn lichaam speelt hem parten. Hij vraagt zich af of het verbeelding is. De ene ochtend wordt hij wakker met stekende oorpijn, de andere met maagkrampen of een zere rug. Wat de symptomen ook zijn, ze verdwijnen elke keer na een uur of wat. Dan denkt hij dat het beter gaat, dat hij maar aan de slag moet. Maar nadat hij zijn ontbijt heeft genuttigd en zich voorneemt een aantal klusjes in huis te doen, speelt de volgende kwaal alweer op. Dus strekt hij zich uit op de bank, in pijn en uiterste verwarring. Het huis is van zijn moeder, die een half jaar geleden overleed. Hij was in Afrika en kon niet bij de begrafenis zijn. Beirens, de advocaat en tevens vertrouwenspersoon van zijn moeder, had alles geregeld. Andere familie was er niet meer. Nu weet hij niet of hij spijt voelt dat hij geen afscheid heeft kunnen nemen. Schaamte, hooguit. Dat hij zo met David bezig was dat hij het zichzelf niet toestond om aan wat dan ook daarbuiten te denken. Nu hij weer terug is, is het een vreemde gewaarwording. Alsof hij naar het beeld van zichzelf in Afrika, in de armen van David, kijkt en niet helemaal begrijpt wat hij ziet.   Uiteindelijk werd het Zuid-Afrika omdat de vastgelegde data voor de pakketreis hem het beste uitkwamen. Toeval dus eigenlijk. Of het ook toeval was dat hij net in de tourwagen van David was beland wist hij niet. En of het toeval was dat die enkel hém na verloop van een week uitnodigde voor een braai wist hij ook niet. Hij ging, ontmoette Davids familie, at gegrild vlees, dronk Kaapse wijn en bloosde onder Davids blik. Of David ook moest blozen was niet te zien, Afrikanen hebben hun huidskleur om zich achter te verbergen. Toch moet het zo geweest zijn, want na nog een paar ontmoetingen greep David hem op een avond abrupt bij de pols en vroeg – smeekte: ‘Blijf toch hier, Anton.’ ‘Wat bedoel je, hier? Hier bij jou, vanavond?’ ‘Dat ook,’ voegde David er met een ondeugende blik aan toe, ‘maar ik bedoel hier, in Zuid-Afrika. Waarom wil je terug naar Europa?’ Tja, dat was een zeer goede vraag. Waarom zou hij teruggaan? Waarom zou hij eender waar heen gaan? Hij werkte als vertaler, kon overal ter wereld werken. Hij had zich simpelweg nooit de vraag gesteld of hij ergens anders dan thuis wilde zijn. Maar nu was hij hier. Met David. Zuid-Afrika had een aangenaam klimaat, fijne mensen. Daar had hij echter thuis ook niet over te klagen. Het grootste verschil dat hij kon bedenken was dat thuis geen David was die door zijn huid heen leek te kijken, wat hem een licht onaangenaam maar toch vooral bevrijdend gevoel gaf, alsof hij voor het eerst echt bestond, bij gratie van Davids blik.   Sinds hij terug thuis is heeft hij geen vertaalwerk meer ontvangen. Hij glimlacht bitter om de ironie. In Zuid-Afrika kreeg hij vaak opdrachten toegestuurd, die hij met slechts een halve blik op zijn scherm gewillig negeerde. Alles buiten David was in nevels gehuld. Hij bewoog zich als in slow motion door de stad, dronk een biertje, liep weer verder. Tot hij weer de zonovergoten nacht van Davids liefde in mocht, waar hij, Anton, het levenslicht zag. Het huis is toe aan een opknapbeurt, hij heeft een lijst aangelegd met klusjes die hij zelf kan uitvoeren, voornamelijk schilder- en timmerwerk. De lijst die al twee weken onaangeroerd op tafel ligt geeft hem een doel, een reden om op te staan. Toch heeft hij, behalve het aanschaffen van materiaal, nog niets uitgevoerd. Voorlopig blijft hij aan de bank gekluisterd, leest boek na boek en kijkt af en toe een film of een documentaire. Als er één over Afrika wordt uitgezonden schakelt hij zonder verpinken door naar een andere zender. Wat er precies misging kan hij nauwelijks navertellen. Hij hield van David. David hield van hem. Wanneer hij bij David was, was alles goed en vol kleur. Wanneer hij niet bij David was, had de dag geen zin, behalve het tellen van de uren en minuten die hem scheidden van het weerzien. Dat vond hij prima, hij genoot haast van het wachten, het ronddolen in het ijle; de zoete pijn van het verlangen om eindelijk weer te mogen bestaan in de weerspiegeling van Davids zwarte pupillen. Niets was veranderd aan dit gevoel, toch was hij teruggekomen naar het land waar hij nu wees moest zijn. Het bericht van Beirens dat zijn moeder was overleden had hij destijds gelaten naast zich neergelegd. Ze was dood, hij kon er toch niks aan veranderen. Natuurlijk had hij van zijn moeder gehouden, heel veel zelfs. Ze waren lange tijd elkaars enige houvast geweest. Tot Anton vermoedde dat Beirens meer dan alleen zijn juridische bijstand aan moeder verleende. Zonder aankondiging had hij elk contact met haar verbroken. De telefoon ging op de duur steeds minder vaak rinkelen. Maar de stilte van haar afwezigheid riep dat hij de leegte met iets anders moest vullen. Een reis. Afrika. David.   Toen hij David vertelde dat zijn moeder hem een mooie erfenis had nagelaten, op een toon alsof hij het had over de regen die er zat aan te komen, had die niets gezegd maar hem met een vreemde blik aangekeken. Voor een klein moment, het was slechts een fractie van een seconde, zag Anton geen liefde maar iets anders opduiken in de zwarte kijkers. Het was geen oordeel, geen verwijt; het was een vraagteken. Terwijl er tot dan toe enkel uitroeptekens hadden gestaan. Deze leestekenwissel had hem niet lang uit zijn evenwicht gebracht, hooguit tot en met de zoen die er kort nadien op volgde. Maar in retrospect bedenkt hij zich dat het de spreekwoordelijke vlinder moet zijn geweest, die uiteindelijk, maanden later, voor een ingehouden, doch allesverwoestende storm had gezorgd. Hij was na een tijd zelf met vraagtekens in zijn ogen beginnen kijken naar David, naar de straten die hij op en neer liep, naar de barmannen die hem zijn bier schonken, naar het bier zelf, naar de blauwe open hemel. Hij maakte zichzelf wijs dat hij de wolken miste, zijn eigen taal, het Belgische bier. Niets van dit alles had iets te maken met wat hij werkelijk voelde, alleen wist hij niet wat hij werkelijk voelde. Hij merkte slechts dat het vraagteken zich niet liet uitgommen, hoewel hij het naarstig van zich af probeerde te schudden tijdens de nacht-dagen in de armen van David. Zijn bewegingen werden minder ongeremd, zijn blik minder onbezorgd. Voor hij zijn eigen vraagteken zou zien glanzen in de witte tanden van David kocht hij een ticket en vertrok. Geen afscheid, geen tranen.   Hij voelt zich al een uur misselijk, durft niet van de bank opstaan hoewel hij dringend moet plassen. Het suist in zijn hoofd. Hij is allerminst spiritueel ingesteld maar vraagt zich langzaamaan af of hij dit misschien over zichzelf heeft afgeroepen. Hij weet dat hij niet ziek is, de symptomen zijn daarvoor te grillig, te kortstondig; naar de dokter gaan heeft geen zin. Hij ligt dan maar op de bank, ondergaat het en probeert af en toe tot bezinning te komen, zonder enige uitkomst. Spijt vindt hij een verspilde emotie. Zijn moeder is dood, David is duizenden kilometers van hem verwijderd. Ze kunnen hem niet meer raken.     II   David komt thuis van een lange dag rondrijden met toeristen. Hij opent de deur naar zijn bescheiden optrekje aan de rand van Kaapstad, zijn blik valt zoals altijd meteen op het onopgemaakte bed, de lakens die nu niet meer bezweet en gekreukt zijn van een lange liefdesnacht, wel van vele slapeloze uren afgewisseld met koortsdromen. Hij weigert zich het beeld van Anton voor de geest te halen, hoe hij er werkelijk uitzag, zijn lichaam, zijn ogen vol overgave. In plaats daarvan loopt hij naar het aanrecht in de keuken, waar in een hoek het kleine verfrommelde ding ligt dat sinds enkele dagen zijn houvast is. Hij kreeg het van een tante, die zag en wist wat hem kwelde. Ze maakte het speciaal voor hem, overhandigde het zonder een woord. Hij wist waartoe het diende maar geloofde er eigenlijk niet in. Voor de grap wilde hij het wel een keer proberen maar kon in zijn huis niet meteen spelden of naalden vinden. Uiteindelijk ontdekte hij in de badkamer, achter in de kast naast de pleisters en het ontsmettingsmiddel, een grote veiligheidsspeld. Een moment later zat hij met de pop en de speld in zijn handen, wist niet precies wat hij wilde doen. Moest bijna om zichzelf lachen. Toch neemt hij de laatste dagen steeds vaker de pop die David moet voorstellen in de hand – zijn tante had een paar plukjes fluogele wol op het hoofd genaaid om de gelijkenis te onderstrepen. Met zijn twee handen wurmt hij de veiligheidsspeld open. Hij kiest niet doelbewust de plek uit waar hij zal steken, laat de speld bepalen waar die zich in wil boren. Het oor, de buik, de onderrug, de onderkant van de voeten; zijn favoriete plekjes op Antons lichaam. Elke keer wanneer hij aan Anton denkt en verdriet of woede komen opzetten, neemt hij de voorwerpen in de hand en gaat aan de slag. Niet omdat hij denkt daarmee Anton werkelijk pijn te doen, wel om zijn eigen leed te verlichten. Soms, wanneer hij bijzonder gefrustreerd is, gooit hij met de pop, draait hem de nek om of schudt hem als een waanzinnige door elkaar. Het helpt.

LL Rigby
0 1

Flosj overdrijft

Bij juf Helga in het vijfde hadden we een klasgoudvis. Flosj. Gewonnen door een paar meisjes die vier paarse en drie zwarte plastic eenden uit de lopende waterband op de kermis hadden gevist. Met hun zeventien punten konden ze kiezen tussen een goudvis in een zakje of een nieuwe gratis beurt en dus een kans om – zo probeerde de foorkramer de twijfelende meisjes te overtuigen – nog méér punten te vissen en zo misschien de gigantische pluchen orka Willy te winnen. “We nemen de goudvis”, antwoordde Clara wiens moeder net ontslagen werd uit de gokkliniek. “Je moet weten wanneer je moet stoppen.” De twee andere meisjes knikten.   De naam Flosj haalde het in de anonieme klasstemming nipt van Goldie en Friewielietje. Juf Helga printte een beurtrolsysteem uit zodat Flosj elke ochtend zonder geruzie kon gevoederd worden en zijn bokaalwater op vrijdagnamiddag telkens door een ander duo werd ververst. Flosj was een goudvis met gevoel voor humor. Af en toe dreef hij. Strever Stan was de eerste die het merkte. “Oh my god, Flosj est mort!”, riep hij plots paniekerig tijdens het uur Frans. Maar toen juf Helga met haar ring tegen de bokaal tikte, zwom Flosj vrolijk verder. Ik ben er zeker van dat hij glimlachte.   Flosj herhaalde zijn drijfstunt zeker twee keer per week. Niemand keek er nog van op. Tot die donderdag tijdens de wiskundeoefeningen. “Flosj drijft weer”, giechelde Suzanne in mijn oor terwijl ik berekende hoeveel een rokje van dertig euro nog kost als je er twintig procent korting op krijgt. Strever Stan riep het antwoord – 24 euro! – maar juf Helga hoorde het niet. Ze stond met haar ring op Flosj zijn bokaal te tikken. “Flosj overdrijft vandaag”, lachte ze. Maar haar ogen keken bang. “Als de kans dat hij nog wakker wordt zeventig procent is, dan is er ook dertig procent kans dat hij dood is”, verkondigde Strever Stan. “Flosj!”, riep Clara, “Je moet weten wanneer je moet stoppen!”   Ik denk dat hij het die donderdag beu was dat niemand nog lachte om het enige grapje dat hij kende. Flosj overdreef en stierf eraan.   En het was de volgende dag net aan mij geweest om zijn water te verversen.    

joke
25 0

Cavia

Natuurlijk wist ik dat het een miserabel idee was, maar het was mijn idee. Van mij alleen. Dus zette ik door, ongeacht de gevolgen. Misschien had ik iets te bewijzen.   Mijn vriendin zei, 'Michaël, een caviakapsalon is geen gat in de markt.'   De inrichting was strak, spiegelachtig en roze. Ik had ook enkele radjes gekocht waarin wachtende cavia's zich konden amuseren.   Mijn vriendin zei, 'Michaël, cavia-eigenaars staan bekend om hun gierigheid.'   Ik wou caviaharen knippen aan dumpingprijzen. Ik wou de markt veroveren. Tomeloze ambitie.   Ik huurde ook een kunstenaar in die een gigantische, cartoonesque cavia op mijn etalageraam moest schilderen. Eéntje met een modern kapsel. Het was indrukwekkend.   Mijn vriendin zei, 'Michaël, ik wacht eventjes buiten.'   In de drie dagen dat mijn caviakapsalon geopend was, heb ik welgeteld één klant gehad; een oudere dame die een hoedje droeg met een voyante veer. 'Maak mijn Bibbeltje mooi!' kirde ze. Ik nam een schaar en knipte zijn oor af.   Per ongeluk.   Het dier schrok zo dat het mijn kapsalon uitrende en onder de wielen van een fiets terechtkwam. De oudere dame liep achter hem aan, riep 'Bibbeltje! Mijn liefste Bibbeltje!' Ze nam het diertje op, aaide het en leek stuk te gaan.   Ik leunde tegen de deurpost, stak een sigaret op en bedacht dat ze waarschijnlijk een eenzame weduwe was.   Mijn vriendin, die nog steeds buiten aan het wachten was, zei, 'Ik wil geen eenzame weduwe worden.'   Ik knikte, ging voor de spiegel in mijn kapsalon staan. 'Dit is voor kunst en liefde!' riep ik en knipte mijn oor af.   Ik heb het nooit meer terug gevonden.   Mijn vriendin zei, 'Sluit je caviakapsalon voor het te laat is.'   En dat heb ik gedaan. Zonder nadenken.

Michaël Verest
30 1

Olifantjes

Gisteren was ik op bezoek bij een nicht van mij, bij wie ik nog niet eerder geweest was. We willen een familiereünie organiseren en dus nodigde zij me uit bij haar thuis om dat voor te bereiden. Ik parkeerde mijn auto voor een ruim, rood huis dat op een sobere manier verbouwd is, met grote ramen. De binnenmuren zijn gesloopt, de open keuken vormt één geheel met de leefruimte en een kind kan er makkelijk op zijn loopfietsje doorheen crossen. Een huis naar mijn smaak. Rommel lag er nergens en veel decoratieve afleiding was er ook niet, op één bijzonderheid na. Tegen de leemkleurige wand stond een glazen kast vol olifantjes. Meer dan honderd beestjes in alle mogelijke kleuren, materialen, houdingen; geen twee dezelfde. Het deed me aan mijn vader denken. Mijn vader was een milde verzamelaar. Wat mijn moeder in een vuilzak stopte, haalde hij er stiekem weer uit. Ik heb zijn liefde voor spulletjes en prulletjes niet geërfd, maar wel iets anders. Een verzameling eendjes. Meegebracht uit het buitenland, gekregen voor zijn verjaardag, gekocht op een rommelmarkt. Na zijn dood was niemand kandidaat-overnemer, ook mijn moeder niet. En dus zijn ze bij mij beland, in een doos in de kelder. Tot nu. Door een vreemd samengaan van toeval en inspiratie, heb ik de eendjes bevrijd – althans een deel ervan – en er het logo van gemaakt voor mijn eigen schrijfbedrijf. Moest ik zonder ouders op de wereld zijn gekomen, had ik nooit gekozen voor de eend als mascotte. Ik heb het nochtans voor vogels. Mijn behangpapier huisvest kolibries, ik lok kwikstaartjes en winterkoninkjes met mezenballen naar mijn tuin en mijn totemdier is de adelaar. Vogels in combinatie met lucht inspireren mij meer dan hun broeders in het water. Ik ben een denker, misschien ligt het daaraan. Mijn geest voelt zich thuis in het hemelrijk van ideeën en mogelijkheden. Ooit zei mijn werkgever mij dat ik van een andere planeet leek te komen, maar hij riep mij wel altijd bij zich om te brainstormen en gedachten op een rijtje te zetten. Ik was een ware denkmachine voor hem. Zo buitenaards was ik dan toch ook niet, als ik bruikbaar was op de werkvloer. Mijn vader was anders. Hij haalde honden en pony’s in huis. Stippelde op zondagochtend een fitnessparcours uit voor de hele buurt. Floreerde achter de straatbarbecue. Ik heb me daar weinig mee bezig gehouden, ik zat met mijn hoofd in de boeken of in de wolken. Ver van hem alleszins. Maar kijk, tijd overbrugt alle kloven. De persoon die mij verwekt heeft, heeft sporen getrokken en voor de zekerheid heeft hij dat niet alleen genetisch of virtueel gedaan. Hij heeft iets tastbaars nagelaten, een collectie watervogels. Waarmee ik een eigen creatie heb gemaakt: een symbool voor mijn talige bezigheden. En waardoor verzamelingen, olifantjes of eendjes of wat dan ook, voor mij een deur openen naar een schatkamer vol verhalen. Soms wordt de cirkel na een lange onderbreking weer rond.

Johanna-Tara
0 0

Aardbeienconfituur

“Blauw” “Wat is het kleinste land van Latijns-Amerika?” “El Salvador, deze vraag hebben we al eens gehad.” “Ik stel een andere. Welke twee landen worden verbonden door de Brenner Pas?” “Oostenrijk en Italië!” “Ja, goed! Je krijgt een puntje en je mag nog eens.” “Groen dan.” “Uit welk land komt de kiwivrucht oorspronkelijk?” “Gho… Uit Nieuw-Zeeland?” “Nee, Loesje, uit China! Het is aan mij.” Het is zondagavond, Loes en Willem spelen Trivial Pursuit, drinken wijn en eten worstjes. Meestal wint Willem en gaat hij daarna naar bed. Loes blijft graag wat langer op en geniet van die tijd met zichzelf. De laatste maanden vraagt ze zich ’s avonds vaak af hoe haar leven eruit zou zien zonder hem. Ze bedenkt dan wie er elke maandagochtend over haar aan tafel zou zitten. Of hij ook zou zeuren als er geen aardbeienconfituur meer is en of hij ’s morgens zijn tanden voor of na het ontbijt zou poetsen. Loes houdt niet van maandagochtend. Ze houdt niet van het begin van een sleur die vijf dagen zal duren en vrijdagnamiddag eindigt met de wekelijkse seksbeurt met Willem. Vanavond besluit Loes een avondwandeling te maken. Ze trekt haar jas en laarzen aan, luistert even of Willem al diep slaapt en sluipt de gang door naar de voordeur. Het regent zachte druppels en Loes vangt ze op met haar tong. Ze wandelt de voortuin uit, kijkt even binnen bij de buren en vraagt zich af hoe routineus hun weken zijn. Loes heeft nood aan natuur en trekt de bossen in. Ze passeert het bord waarop staat dat je de runderen niet mag aanraken en vlak daarna de laatste straatlantaarn.  Loes sluit haar ogen, ademt diep in en spreekt zichzelf wat moed toe. In het bos is het donker en ze schuifelt zacht naar voren. Haar laarzen soppen in de modder en ze vraagt zich af waar ze aan begon toen ze een huis kocht met Willem en hoopte op een vrolijk leven. Onlangs besefte Loes hoe ontiegelijk saai en lelijk Willem eigenlijk is. Hij wil nooit uit eten, draagt al jaren dezelfde lelijke regenjas en heeft neusgaten waarin je gemakkelijk je duim kwijt kan. Hij zet netjes de vuilniszakken buiten, houdt deuren open en belt elke week zijn moeder. Het regent dikke druppels. Loes krabt even aan haar enkel, trekt haar kousen op en sopt verder in de modder. Haar ogen wennen aan het duister en in de verte staat een bankje. Loes gaat neerzitten. Ze steekt haar handen in haar zakken, zet haar kap op en zuigt de regen uit haar haarpunten.  Elke maandagochtend ontbijt Willem met twee boterhammen met aardbeienconfituur en een grote kop koffie. Een tijdje terug besloot Loes geen aardbeienconfituur meer te kopen. Gewoon. Om te zien wat hij zou doen. Ze hadden ruzie. Willem brulde dat zij hem niet waard was en dat ze kon stikken in haar luie kont. Een week nadien kocht Loes hem een andere deodorant en zette die zondagavond op zijn lavabo. De week daarop kocht ze voor het eerst een speltbrood en stak ze kiezels in zijn schoenen. De regen valt inmiddels met bakken uit de lucht en Loes besluit naar huis te keren. Als ze opstaat en het pad zoekt, staat er plots een zwarte koe voor haar. Loes kijkt even in haar ogen, draait zich om en schrikt zich rot. Voor haar staat nu Willem, gehuld in zijn lelijke regenjas. “Wat doe je hier?” vraagt hij. “Wat doe jij hier?” vraagt Loes verschrikt. “Ik werd wakker en je lag niet in bed, ik kon niet meer slapen en besloot je te gaan zoeken. Je laarzen stonden niet op zijn plek en ik vermoedde dat je hier was.” “Morgen is het maandag, Willem.” “Ik weet het, Loes. Ik weet dat het morgen maandag is en ik weet ook dat je mijn laptop hebt verstopt. Ik weet dat je mij elke week op stang wil jagen en mij maar een saaie piet vindt. Maar het is goed, ik speel je spelletje wel mee. En nu gaan we naar huis, want het is koud. Morgen melden we ons ziek en kijken we een hele dag herhalingen van Thuis.” “Goed” stamelt Loes. “Goed zo” antwoordt Willem.

Annelies
0 0

Fortengordel

Mijn broers hart was amper de onneembare vesting die ik van het mijne had gemaakt. Bij elk nieuw drama tussen papa en mama leek ik sterker te worden, met alweer een nieuwe fortengordel opgetrokken in mijn borstkas. Mijn ribben moeten van staal zijn geweest. Daar geraakten ze niet meer zonder slag of stoot doorheen. Emotionele chantage, gesmeek en gesnotter ketsten op me af als kogels op de borst van Superman. Terwijl ik steeds trotser werd op mijn toenemende immuniteit (al moest ik het knagende schuldgevoel aan mijn Achillespees soms een flinke trap tegen de snuit verkopen), werd mijn broers hart doorzeefd door de verdwaalde kogels van de vuile oorlog die mijn ouders tegen elkaar hadden ontketend. Zelf zonk ik diep weg in mezelf, niet uit schaamte, maar uit zelfbehoud. Ik trok me terug, stopte mijn oren dicht met was, en zo gingen ook de noodkreten van mijn broer aan me voorbij. Vaak zat ik alleen in mijn kamer te studeren of te schrijven, of stortte ik me roekeloos in het nachtleven, toen al. Miserie is voor anderen. Laat hen maar dubbel plooien van de pijn. Ik werd liever dronken van het leven, dat ik met beide handen wilde bedwingen. Alle rampspoed van buitenaf wenste ik te weren. En als ik al problemen had, dan waren dat mijn eigen problemen. Zo leidde ik tijdens die jaren een leven waarvan ik in de waan was het scenario zelf te hebben geschreven. Ballast had ik overboord gegooid, althans dat dacht ik. Maar de klauwen van het verleden hadden diepere wonden geslagen dan ik toen vermoedde. En ook de angst voor een invasie van buitenaf was nooit ver weg. Want er zijn elementen waar je geen vat op kunt hebben. Waar je nooit vat op kunt hebben.

Gert Vanlerberghe
0 0