Zoeken

#2

Er rollen bloeddruppels langs mijn blote schenen naar beneden. Sommige vallen op de grond, waar ze als inktspatten donkere vlekken maken. Ik ben al twee keer gevallen, maar je blijft gewoon doorlopen. Dat doe ik ook.We razen de bomen voorbij. Door hun besneeuwde toppen lijken ze slechts het zoveelste wit om ons heen. De koude lucht die ik inadem wentelt zich als een mist om mijn gedachten. Je lijkt ver weg, ook al loop je slechts een paar meter voor me uit. Ik kan nog net de topjes van je haar onderscheiden en hoe ze als een zijden sjaal achter je aan wapperen.In gedachten ben ik mijlenver. Teruggedwaald. Het bos uit. Ik ben terug bij het koele flesje van je parfum en hoe ik het in het achterste hoekje van mijn kast legde. Ik liet bewust het dopje ernaast liggen, hopend dat de geur stiekem mijn kleren zou doordringen. Je liet de naam van het parfum met opzet vallen, dat weet ik zeker. Het kwam eruit tussen twee verhalen door, wanneer je weet dat ik het aandachtigst ben.Gabriel waarschuwt me altijd voor je geniepige lachje. Hij beweert dat je grijnst wanneer ik weg kijk. Áls ik weg kijk. Nu lijkt dat moeilijk te geloven.Ik ben een hartenbreker. Mijn kort gesneden, donkere haar omhelst mijn gezicht met warrige krullen en ik heb ogen als de rivier Styx, die de onderwereld in stukken scheurt. Ten minste, zo stond te lezen in de recentste liefdesbrief.Onder mijn huid rust een woede. Ze trekt langzaam door mijn lichaam, slaat haar klauwen in de wand van mijn aders en baant zich zo langzaam een weg van boven naar beneden en ieder hoekje van mijn bestaan. Frustratie doet mijn handen gillen en mijn armen en mijn benen en soms mijn hele lichaam.Je voetstappen maken doffe geluiden in de sneeuw. Onregelmatig, zoals je eigen is. Ik probeer je ritme over te nemen, wil te graag met je verbonden zijn. Ik struikel en val.De bevroren aarde rukt de adem uit mijn lijf en een steen schraapt de huid van mijn handen. Mijn schreeuw racet tussen de bomen. Hij zoekt koortsig naar een pad naar de rand van het bos en weg weg weg. Hij wil mijn verloren gedachten terughalen.Om jouw pols zit een regenboogbandje. Je lacht met je tanden bloot en je hoofd naar achteren gesmeten. Wanneer jij lacht, lach ik ook. Dan tracht ik het rinkelen van je stem op te vangen, zodat ik het vanachter in mijn kast kan verstoppen. Naast de parfumfles.Nu lach je niet. Je rent alleen, hoewel mijn schreeuw je zonder twijfel bereikt heeft. Het doet pijn wanneer ik recht klauter. Het bloed rolt langs mijn arm naar mijn elleboog. In mijn ogen prikken tranen en ik heb het koud.Gabriel zegt dat je mijn ondergang wordt. Je sleurt me mee, beweert hij dan, steelt de adem van mijn lippen, zuigt het leven uit mijn longen.Van een kus kan ik enkel dromen. Met mijn hoofd onder mijn kussen denk ik aan jouw mond. Aan mijn mond. Aan jouw mond op mijn mond. Je lippen zijn gezwollen en gebarsten. De winterkou is gemeen tegen ze. Ze verft ze rood.Eindelijk hebben we het meer bereikt. De oppervlakte is volledig bevroren, net zoals de rest van het bos. Alles is nog steeds wit, behalve mijn bloed en mijn ogen en mijn woede. Je stopt nog steeds niet.Soms vraag je me op je te wachten na school. Dan duw je me met één hand tegen de harde bakstenen en leg je de andere net naast mijn hoofd. Je ademt zachtjes op mijn huid. In en uit en in en uit. Jouw briesje doet me duizelen, steeds opnieuw. Het doet me tuimelen en vallen en rennen. Rennen. Rennen. Steeds achter je aan.Je loopt op het ijs, giechelt wanneer je spontaan begint te glijden. Ik ben nog te ver weg om mee te genieten. Het bos zwijgt terwijl jij danst. Je doet pirouettes en pas de deuxs. Je gouden haar zweeft als een aureool om je hoofd terwijl je giert van het lachen. Het ijs kraakt. Het meer lacht ook.Ik ben nog steeds te ver weg, wanneer je gilt. Het donkere water trekt aan je ledematen, neemt je van me weg. Ook jij hebt het koud.Je verdwijnt onder het wateroppervlak met één laatste schreeuw. Ik zie hoe je regenboogbandje aan mijn zicht ontsnapt. Het ijs doet me wankelen, maar ik ben al veel gewoon. Ik spring in het water. Mijn gedachten zijn nog mijlenver weg. Het ijskoude water bijt en vecht. Het voelt alsof een hamer mijn vingers verbrijzelt en vuur mijn huid verschroeit. In mijn ogen vloeit de rivier Styx en ik vind je haren meteen. Ze zweven nog steeds rond je, verstoppen je blauwe gezicht.Ik stamp en stamp en voel hoe het meer mijn spieren verdoofd. Er is geen plaats meer voor frustratie en mijn woede is te moe. Ik grijp je pols en dan je arm en ik druk je lichaam tegen het mijne. Je hoofd leg ik op mijn borsten. Je haar strijkt langs mijn gezicht, maar ik voel het niet.Gabriel zegt altijd dat jij mijn ondergang wordt.Ik vecht een weg naar boven, naar het licht. Mijn longen schreeuwen om lucht. Het branden is gestopt. Ik zwem en ik zwem.In gedachten ben ik mijlenver. Teruggedwaald. Het bos uit.Gabriel waarschuwt me altijd voor je geniepige lachje. Hij beweert dat je grijnst wanneer ik weg kijk. Ik hoest en proest onder water. Ik duw je nog steeds tegen me aan. Eindelijk bereik ik het wateroppervlak. Mijn hoofd botst tegen iets hards. Het meer is terug dichtgevroren. 

Astrid
4 0

3. Huisnummer 2 - Familie Moes

Het raam wordt vervangen waardoor ik even geen functie heb in mijn eigen woning. Dat is op zich niet ongewoon, maar op die momenten zijn er doorgaans geen toeschouwers. Binnen zitten is niet langer een optie. De vaklui die zich over de taak ontfermen lijken me professioneel genoeg om er geen zootje van te maken.   Mijn straat doorwandelend spuit de regendrek met bakken uit de lucht. Recht op mijn nieuwe schoenen. Echt leder, duur, niet ingespoten en ik voel me vreselijk. Burgerlijke status: intriest. Was ik maar zoals de grote meesters: Strauss, Claus, de paus, Mickey Mouse. Hoewel ik over die laatste nog in dubio verkeer. Het internet meldt dat Disneyland de verantwoordelijkheid draagt voor één van de hoogste zelfmoordcijfers binnen het personeelsbestand. De triestigste blije plek om de hand aan jezelf te slaan.   Ik houd halt voor nummer 2 en inspecteer de inslag in het raam, van het konijn is geen spoor. Dit raam zal een poos niet gemaakt worden zo weet ik, er woont niemand. Ooit was het anders. Er woonde een meisje dat in Disneyland werkte alvorens zich van het leven te beroven. Ze was het enige kind in het gezin Moes, de familie die nummer twee bewoonde voor ze een half jaar geleden andere oorden opzocht. Zolang plaats van rouwproces aan symboliek en historiek is gerelateerd, blijven mensen verhuizen. De immobiliënsector laat weten niet tegen te zijn.   De dochter van het gezin heette Mieke. Mieke Moes. Niettegenstaande die naam werd ze binnen haar functie toch in een Goofy-pak gehesen. Dik tegen haar onderbetaalde goesting. Door de haar toebedeelde naam vereenzelvigde ze zichzelf een leven lang met Mickey Mouse en die gewoonte manifesteerde zich in haar hele doen en laten. De enige beweegreden om Disneyland als werkgever te kiezen lag in het werkelijk worden van het alom bekende muisfiguurtje.   Maar dat zag de personeelschef van het pretpark dus niet zo. Ook de talloze motivatiebrieven die ze aan de bedrijfsdirectie richtte, brachten geen zoden aan de dijk. De bonzen schaarden zich achter het hoofd van de dienst personeel. En dat was dat. Een echte reden is haar nooit meegedeeld. De enige boodschap die ze ontving was dat ze blij mocht zijn met haar rolbedeling. Anderen zouden staan springen om te doen wat zij deed! En als ze goed en hard bleef werken zou ze kans maken op promotie en de ladder opstijgen als een raket. Meer verantwoordelijkheid, autonomie, gezag.   Alsof dat het enige is wat van tel was in het leven van Mieke. Maar vanuit hun managementcursussen hadden ze natuurlijk allemaal geleerd dat het volk op de vloer enorm blij was als ze al eens een taakje bijkregen. Veelbelovend of niet, noodzakelijk of niet, interessant of niet. Dat maakt niet uit. Paaien die handel.   Wel, niet zo bij Mieke. Een droom aan diggelen zien vallen is nooit makkelijk, maar dit was geen droom meer. Ze was werkelijk niet meer wie ze haar inziens verondersteld was te zijn. Een enorme identiteitscrisis had zich meester over haar gemaakt en om dat euvel te overwinnen had Mieke niet de nodige mentale weerbaarheid. Angst voor het niet meer kunnen zijn had zich in haar ziel genesteld en met weerhaken vastgeketend. Het ging niet meer, ze kon niet verder. Geen enkel levensperspectief had ze nog. Hoezeer anderen haar van het tegendeel probeerden te overtuigen, het mocht niet baten.   Gesprongen voor een op hol geslagen mijnkarretje op de ‘Indiana Jones en the Temple of Peril’ - attractie kwam ze aan haar einde. De souvenir foto (gratis geschonken door Disneyland, bijbestellen in andere formaten kon altijd tegen een ‘milde prijs’) die nog steeds prijkt op de kast van de familie Moes toont het levenloze lichaam van Mieke. Gekneld tussen de nephouten onderkant van het karretje en de rails. Haar Goofy-pak is losgescheurd in het gelaat waardoor het lijkt of ze twee gigantische oren op haar hoofd heeft staan en in die zin kan je de verleiding haar als Mickey Mouse te erkennen niet weerstaan. Een schonere dood had men haar niet kunnen wensen.   De foto werd op doek geprint om, gedrapeerd over de doodskist, mee ter aarde te gaan. Mooie dienst. Niet de allermooiste, misschien zelfs niet in mijn top acht, maar toch. Verzorgd. Meer konden we voor haar niet meer doen.

Bluyke
26 0

2. Le Lapin

De gordijnen krakelieren open, het licht snijdt in mijn ogen. Wanneer mijn zicht volledig terug is, sla ik het opgezette konijn dat zich bevindt op de eettafel van huisnummer twee gade. Het kijkt me vervaarlijk recht in de ogen, alsof het ieder moment zijn slag gaat slaan. Me bespringen en de keel doorbijten. Wat kan ik doen in zo’n penibele situatie?Geen angst tonen, vooral geen angst tonen!Met een belachelijk ontspannen indruk begeef ik me richting keuken, daar kan hij me tenminste niet bespieden. Met kloppend hart haal ik opgelucht adem.Zover zijn we al geraakt. Wat nu? Na enig gepeins zie ik vanuit mijn linkerooghoek een fles tequila staan.Nemen man, gaan voor die fles. Niet omkijken, nu nog niet! De fles aait mijn lippen en begint zich te ledigen in de mondholte. Explosieve knallen botsen tegen slaap en oogkas. De fles knalt terug op het aanrecht, terwijl links van me een hand naar het sigarettenpakje dat de wandkast herbergt gritst. What the fuck! Mijn rechterhand neemt het keukenmes en ploft het met een smak in de hand die het sigarettenpakje vast heeft. Godverdomme! Mijn eigen hand …   Het bloed sijpelt als gek naar buiten uit de juliennegrootte wonde. Geleerd op kooklessen, lang geleden. Zo gaan we niet winnen. Herpakken en reorganiseren! De keukenhanddoek met geborduurde smiley lacht me toe. In ware paracommandostijl duik ik erop af, met koprol en al. Een stevige knoop en terug naar de realiteit!   Opeens klinkt uit het niets een oorverdovend belsignaal. De voordeur.Ze bellen aan de fucking voordeur! Met een sprong gooi ik me in de hoek van de keuken. Daar zijn ze. Als ik opendoe lullen ze zich binnen en nemen ze me te grazen. Mooi niet!  Behoedzaam zittend, met het hoofd tussen de knieën, wacht ik af. Als ze toch binnenkomen, doen alsof er niets aan de hand is. Hou je van den domme, ze merken het toch niet. Ze mollen je toch. Ten tweede en derde maal bonst de klepel tegen de bel. Steeds nog niet bewogen blijf ik alert.   Voetstappen weerklinken en verwijderen zich steeds verder. Dit is van mij. Mijn eigendom, van niemand anders. Alleen ik heb hier rechten!  De rest van de fles tequila baant zich een weg door mijn slokdarm. Half buiten zinnen begin ik te raken. Het zal godverdomme niet waar zijn dat meneer konijn denkt dat hij me in mijn eigen keuken gevangen houdt! Mijn eigendom, mijn beslissingen, mijn rechten.   Als ik het me goed herinner was ik in mijn studententijd een kei in wezenloos staren. Dit wedstrijdje kan ik heus wel de baas.  Laten we elkaar maar eens meten. Ergens ligt mijn zonnebril op sterkte, een troef in mijnen tweegen. Met zonnebril op vlieg ik van keuken naar woonkamer. De gordijn is getuige van mijn potsierlijke sprong want ik beland er middenin. Het neergehaalde gordijn drapeer ik gewaadgewijs rond mij.   Zozo, meneertje konijn! Nu is het tussen ons.Vals loenst mijn rechteroog gevaarlijk uitdagend naar mijn linker. Een geschenkje van de leeggemolken drankfles. Olé! Ziet ie toch niet. De zonnebril maskeert en blijkt nog maar eens een zeer verstandige zet te zijn in deze extreem tactische oorlogvoering. Ik sla het raam in met de lege fles die blijkbaar illegaal meegevlogen is.Mentale noot: een nieuw raam (laten) zetten. Frisse lucht staart beter. Tweede voordeel. Le Lapin gaat mogen oppassen! Hij heeft het zichzelf onnodig moeilijk gemaakt. Zie hem kijken met zijn geveinsde onschuldige blik. En ik: handen onder de kin, ellebogen steunend op de vensterbank. Een comfortabele positie waarin ik het nog uren kan uithouden. Om me wakker te houden tap ik met mijn voet tegen de chauffage onder het vensterraam. Het ding heeft geruime tijd geleden de geest gegeven, dus slechter gaat het er niet van worden.   Na drie uur staren blijkt het een taaiere klant dan verwacht. Het wordt tijd voor een offensief. Of een defensief. Maakt niet veel uit, als er maar iets gebeurd. In het wilde weg associeer ik met woorden die op mijn tegenstander rijmen. Te moeilijk. Het karabijn binnen handbereik heeft potentieel. Schouderen lukt zonder mijn ogen af te houden van het doel. Daar heb ik voldoende ervaring voor. Met het voorwaartse schot komt de achterwaartse terugslag die als een vuist tegen mijn voorhoofd slaat. Bewusteloos. De slaap kan ik wel gebruiken.

Bluyke
0 0

steamy windows

Karin was nerveus. Vanavond was het alles of niks. Ze dronk nog een keer van haar martini en probeerde niet te luisteren naar de regen die op het dak kletterde. Het zou gaan stormen. Het was haar derde vrijdagavond in De Uil, een nachtclub in het havengebied van de stad. Ze keek vluchtig haar papieren door, maar wist dat ze alles tot in de puntjes had geregeld. Ze kon alleen nog maar afwachten. Het was nu kwart over zeven, om negen uur gingen de deuren open. De band had net zijn soundcheck gedaan, alles was klaar. Ze besloot nog even bij de jongens langs te lopen om te kijken of alles in orde was. De drummer van de band was een oude bekende van haar, een vroegere minnaar. Het was omwille van hem dat ze zich nu in deze situatie bevond. Ze had hem een plezier willen doen, hij had haar verzekerd dat het goed zou zijn voor haar carrière. ‘The Windows’ – naar analogie met The Doors –, hadden in korte tijd naam gemaakt in Nederland. Ze speelden voor volle zalen. De vraag was of ze ook in België genoeg publiek zouden trekken. De vraag was of iemand in dit hondenweer buiten zou komen. Ze wandelde het kamertje binnen dat dienst deed als backstage ruimte. De zeven muzikanten zaten op elkaar gepakt, allemaal met een flesje bier in de hand. De sfeer was gemoedelijk. De drummer gaf haar een vette knipoog en trok haar zelfzeker naar zich toe. Ze viel op zijn schoot en rook zijn bieradem. “Het wordt een fantastische avond, Karin, je zal het zien.” Hm. Karin was er niet zo zeker van, maar glimlachte en knikte hem schaapachtig toe. Ze durfde hem niet toe te vertrouwen dat ze door dit optreden te boeken wel eens haar nieuwe baan zou kunnen verliezen. The Windows vroegen veel geld. Té veel. Dat had haar baas duidelijk laten verstaan. Zij had op hem ingepraat en gezegd dat het een gigantische publiekstrekker zou zijn. Het zou de investering waard zijn. Uiteindelijk gaf hij toe, maar met een blik die geen twijfel liet over haar toekomst in de club als de avond een fiasco werd. En nu hing er een storm boven de stad. Het regende al de hele dag gestaag. Karin was ’s middags nog naar het centrum gereden om boodschappen te doen. Snacks voor de band. De Uil was zo’n nachtclub met beperkte middelen en weinig personeel. Karin wist, toen ze de baan aannam, dat ze zelf veel van de nodige hand- en spandiensten zou moeten verrichten. Dat vond ze niet erg. Ze kwam uit het festivalcircuit, waar ze voor een kleine organisatie had gewerkt die circusartiesten programmeerde. Daar was het niet anders geweest. Boekingen, administratie, inkopen, vervoer, Karin had voor alles gezorgd. Na twee jaar was ze compleet uitgeput van al het rondrennen, dus toen ze hoorde van de baan als programmator bij De Uil, hoefde ze niet lang na te denken. De eerste twee vrijdagen waren vlot gelopen, ze had haar contacten gebruikt om achtereenvolgens een ska band uit Brussel en een lokale coverband te programmeren. De opkomst was goed geweest, haar baas tevreden. Maar met The Windows had ze een risico genomen. Ze verliet de backstage ruimte en liep naar de bar, op zoek naar haar baas. De barman informeerde haar dat die net vertrokken was. Hij moest nog iets regelen in de stad. Karen zuchtte en vroeg nog een martini. Met het glas in de linkerhand en bijtend op de nagels van de rechterhand, liep ze richting ingang. Ze opende de deur en zette zich op het bankje naast Walter, de uitsmijter. Ze mocht Walter wel.  “Wat en weer hè,” zei hij. “Hmm.” Ze tuitte haar lippen. “Sigaret?” Walter bood haar zijn pakje Chesterfields aan. Ze twijfelde even, maar bedacht dat het beter was dan nagelbijten. “Vooruit dan maar.” Walter wilde haar sigaret aansteken, maar dat lukte niet. Ze nam de aansteker van hem over en dook achter zijn brede rug om de vlam uit de wind te houden. Ze inhaleerde diep en keek mistroostig naar de regenvlagen, die alle kanten leken op te gaan. Ze zaten beschut onder een luifel maar voelden af en toe druppels opspatten die door de weerbarstige windvlagen voor hun voeten belandden. Ze ging terug naar binnen en nam de ruimte in zich op. Op het eerste zicht was de club een ongezellige, donkere zaal met een hoog plafond. Links een bar en een podium tegen de achterwand. Maar wanneer de lichten aangingen kreeg alles meteen een warme gloed. Karin kende deze plek al lang, ze kwam vroeger zelf regelmatig met vriendinnen naar De Uil voor een concert of gewoon voor de sfeer. Dat maakte het alleen maar leuker om nu hier te mogen werken, om deel uit te maken van de wereld achter de schermen van deze bijzondere plek. Ze keek op haar uurwerk, dat acht uur twintig aangaf. De lichten moesten al aan zijn! Ze haastte zich naar de bar, waar het bedieningspaneel voor de verlichting zich bevond en drukte de juiste knoppen in. Ze draaide zich om naar het podium en glimlachte tevreden. Maar waar bleef haar baas eigenlijk? Om half tien was er nog bijna niemand in de zaal. Karin begon zich nu werkelijk zorgen te maken. De band zou om tien uur beginnen te spelen. Wat moest ze doen? Het nog even uitstellen? Ze kon het niet met haar baas bespreken, want die was nog steeds niet terug en nam zijn telefoon niet op. Ze liep maar weer een keer naar de backstage en zette haar vrolijkste gezicht op. “Gaat het jongens? Zijn jullie er klaar voor?” “Zijn er al veel mensen?” “Euh… tja, valt wel mee.” “Niet dus,” zei de drummer, die haar duidelijk goed genoeg kende om te voelen dat ze loog. “Ach, dat komt goed, schat. We beginnen gewoon te spelen en voor je ’t weet ziet het hier zwart van de mensen!” Karin wist niet of ze boos moest zijn om die ‘schat’, of dankbaar dat hij haar goede moed wilde geven. De zanger hield haar een biertje voor, ze nam het dankbaar aan en gooide zich neer op de sofa. Na nog een biertje en nog steeds geen gehoor bij haar baas besloot Karin dat de band maar gewoon moest beginnen zoals gepland. Het was vijf voor tien, ze wenste de jongens succes en zei in gedachten een schietgebedje. In de zaal stonden inmiddels een paar groepjes mensen, verspreid over de gigantische ruimte. Ze haalde nog een martini, hoewel ze eigenlijk nuchter wilde blijven omdat ze technisch gezien aan het werk was. Maar ze wilde ook de angstgevoelens bedekken met een laagje alcohol. Ze hief haar glas naar de barman met een knipoog en draaide zich naar het podium toe, waar de bandleden zich inmiddels achter hun instrumenten aan het opstellen waren. “Welkom op deze stormachtige avond in De Uil,” klonk de zelfzekere stem van de zanger door de microfoon. “We gaan er een feest van maken. Al diegenen die thuisblijven omwille van een paar spatjes regen zijn dikke losers en missen de avond van hun leven, let op mijn woorden!” Terwijl het beperkte publiek uitbarstte in lachen en handgeklap, weergalmden de eerste noten van de basgitaar. Seconden later vulde de ruimte zich met opzwepende muziek en begon iedereen te dansen. Aan het einde van het eerste nummer zwaaide de deur open en kwamen er een tiental mensen binnen, verwaaid en druipnat. “Welkom!” riep de zanger. “Hop, niet getreurd over je natte broek, kom erbij, neem een drankje en geef je over aan de muziek!!!” Karin was blij dat de band het positief opvatte en zich niet liet neerhalen door de magere opkomst. Ze leken werkelijk te spelen alsof ze voor een zaal vol fans stonden. Tijdens de volgende nummers kwamen steeds meer mensen De Uil binnengedropen. Karin zag de ruimte gestaag maar zeker vol lopen met doorweekte mensen van alle leeftijden. Ze glimlachte bij zichzelf en bedacht dat de aanwezigen hoe dan ook niet gauw zouden vertrekken, om niet opnieuw de storm te moeten trotseren. De zaal vulde zich met een warme, vochtige geur. Iedereen danste. De band was geweldig. Karin had een pauze verwacht maar die kwam niet. The Windows leken helemaal in vervoering gebracht door de dansende massa, en vice versa. Tegen elf uur was De Uil omgetoverd in een hammam; de natte, zwetende lijven van het opeengepakte publiek dampten hun warmte uit, de ramen hoog in het plafond waren volledig beslagen. Karin had zich inmiddels losgerukt van  de bar en danste mee; de lichamen glibberden om haar heen. Ze voelde zich dronken en laafde zich aan de bastonen en de bezwerende energie die haar van onder tot boven als een slang deed kronkelen. Na een lange, lange massa-trance en talloze bisnummers hield de band op met spelen. Karin wist nauwelijks nog waar ze was. Ze hief haar hoofd naar het plafond om te kijken naar de dampkringen op de ramen en wreef een plakkerige lok uit haar gezicht. Iemand tikte haar op de schouder. Haar baas. “Karin, sorry, ik zat vast in de stad… Ik had panne met de auto en…  Ik wilde niet te voet door die regen komen… Maar hoe is het hier gegaan? Sorry dat ik er niet was…” Karin begon te lachen, ze kreeg plots een enorme lachkramp en kon niet ophouden met schudden. “Hahaha. Je zal het jezelf moeten vergeven dat je de beste avond in je eigen club hebt gemist. Jij en alle andere losers die niet nat wilden worden.” Zijn gezicht vertrok en zijn mond viel open. Het kon Karin niet schelen dat ze brutaal was geweest en misschien om dié reden nu ontslagen zou worden. Moest hij maar weten. Ze draaide hem de rug toe zonder een verder woord en stevende op de backstage af, vastbesloten om het feest in al zijn waanzinnige stormachtigheid verder te zetten.

LL Rigby
0 0

solitude standing

(naar Suzanne Vega)   Solitude staat bij het raam. Ze kijkt om wanneer ik de kamer binnenkom. Ik zie aan haar ogen dat ze op mij heeft gewacht in de schaduw van de late middagzon. Ze draait zich naar mij toe en biedt me haar hand. Ik kijk ernaar, een vlam flakkert in haar palm. Ze zegt “Ik ben gekomen om iets recht te zetten dat fout zat. Ik ben gekomen om dit donkere hart te verlichten.” Ik kijk naar haar en onze vorige ontmoeting komt me voor de geest.   Haar blik vroeg me wat er was. “Jij ziet mij, maar eigenlijk leef ik achter een muur van geblindeerd glas. Ik zie, en ik kijk, maar ik kan niet gezien worden.” “Het geblindeerde glas zit in je hoofd, het is een fantasie,” zei ze. “Nochtans is die fantasie levensecht. Wanneer ik merk dat iemand mij doorheen het donkere glas aankijkt, word ik bevangen door angst. Angst en paniek, die uiteindelijk plaats maken voor wantrouwen.” “Je gelooft dus liever in je eigen fantasie dan in de waarheid dat je kan gezien en geliefd worden?” “Hoe kan iemand nu houden van iets onzichtbaars?Ik respecteer enkel zij die mij niet zien, zij die mijn fantasie erkennen en vol geloofwaardigheid meespelen in mijn spel…De wederkerige liefde is als dusdanig niet aan mij besteed.” Ik draaide me naar haar toe om de veroordeling in haar ogen te zien. Op de plaats waar ze had gestaan flakkerde een vlam.   Solitude staat bij het raam en kijkt me aan. Zoals altijd ben ik uit mijn lood geslagen door haar donkere silhouet, haar trage koele blik en haar stilte. Ze neemt mijn pols en ik voel haar afdruk van angst. Weifelend volg ik haar tot bij het raam. Met haar andere hand houdt ze het gordijn opzij en ze toont me de massa daar beneden. Ze lijken naar ons te kijken en ik begin onwillekeurig te rillen. Solitude ziet mijn twijfel maar duwt me zachtjes tot tegen het glas. Ik zie de mensen en zie hoe ze zich warmen aan elkaar en aan het avonddonker. Plots weet ik dat ik graag bij hen was geweest, tussen hen. Ik zie hoe hun ogen zich versmelten tot één paar. Verward kijk ik om, op zoek naar de koele warmte van haar ogen. Wat ik zie is echter mijn eigen gezicht, verschrikt en bang. En alleen. Solitudes silhouet is nu een spiegel, voorzichtig kom ik wat dichterbij en neem hem in mijn handen. Ik kijk, langzaam en wantrouwig. Ik ben als een kat die zichzelf in de weerkaatsing van het raam ziet, en pas na lange tijd beseft dat het naar zichzelf aan het kijken is. Dat het zichzelf aan het aanvallen is. De warmte kruipt langzaam over mijn rug tot aan de haartjes in mijn nek. Het onverwachte gevoel doet me kronkelen en vanuit mijn ooghoek zie ik de gloed. Geschrokken laat ik de spiegel uit mijn handen vallen en draai ik me om, honderden scherven vliegen in het rond zonder een spoor na te laten van mijn spiegelbeeld van weleer. Vlammen likken aan het gordijn en werken zich naar boven toe. Doorheen de hittezindering komen de gezichten van de mensen tevoorschijn. Ze lachen me toe, ze wenken me. Terwijl het gordijn verder opbrandt, stap ik met een plots vertrouwen op het raam toe; terwijl de laatste vezels hun lot tegemoet gaan, open ik het raam. Honderden handen strekken zich naar mij uit. Ik spring en zeg in gedachten Solitude vaarwel.

LL Rigby
19 0

solitaire

De boer, de dame en de koning kijken me vragend aan. Zoals elke avond speel ik solitaire totdat ik mijn tijdrecord gebroken heb. Een bezigheid als een andere. Een uitdaging als een andere. Elke avond wanneer ik de overwinning op mezelf heb behaald voel ik echter geen voldoening. Ik wil dan eigenlijk het liefst weer opnieuw beginnen, om nog een betere tijd neer te zetten. Om nog beter de tijd voorbij te doen gaan. Maar deze avond stop ik middenin een spel, het digitale klokje rechtsonder op het scherm tikt onverbiddelijk door. Ik zit als versteend te kijken naar de kaarten, de drie paar ogen die links netjes onder elkaar gestapeld liggen. Wat? Ten langen leste draai ik me van het beeldscherm af en kijk verdoofd de kamer rond. Mooie kunstreproducties hangen aan de muur van mijn piekfijn ingericht éénkamerappartement. De beste plek op aarde, mijn huis, mijn thuis. De neplederen vintage bank staat eenzaam te lonken, de kast vol boeken en dvd’s lacht me uitnodigend toe. Toch slaag ik er niet in om mijn wezen in beweging te krijgen, het is alsof mijn geest gepauzeerd is door een onzichtbare hand. Die hand verlangt ernaar om terug te spoelen, op zoek naar de fout. Die hand is de mijne.   In mijn leven klopt alles: boeiende baan, uitgebreide vrienden- en kennissenkring, gerieflijk appartement, goede band met mijn familie. Met een ruk kijk ik terug naar het scherm waar de kaarten geduldig op me wachten. De ogen priemen zich in mijn ziel. Wat? De uren en uren en uren gedachteloze spelletjes patience van de laatste maanden komen me voor de geest. Ik ben al die tijd op zoek geweest naar het antwoord op een vraag die ik niet eens gesteld dacht te hebben. ‘Waar zit de fout?’   Zonder precies te begrijpen waarom begin ik te huilen. Het begint met droge hikkerige snikken die ongecontroleerd uit mijn middenrif naar boven worden gestuwd, maar al gauw gaat het over in een waterval met een soundtrack van hartverscheurende kreten. Ik huil de ziel uit mijn lijf, om wat ik niet begrijp, om wat ik desondanks toch begrijp. Mijn leven klopt niet, ondanks het feit dat het geweldig is. Meer dan. Maar het klopt niet. Het klopt niet. Even plots houdt het gesnik op en vormen mijn gedachten woorden die ik luidop voor mezelf herhaal en herhaal, als een mantra: ‘Het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, …’        Geheel in lijn met mijn georganiseerde zelfstandige zelf besef ik dat ik iets moet doen. Ik moet iets doén! Maar wat? Het is zondagavond, 23u. Wat valt er te doen? Geheel in strijd met mijn georganiseerde, zelfstandige zelf graai ik naar mijn mobiele telefoon, zoek impulsief tussen de contacten en bel dan Gert op. De telefoon gaat over.        ‘Hallo?’ Als de telefoon nog een keer was overgegaan had ik hem hoogstwaarschijnlijk weer ingegooid, de toon als een echo in mijn ziel schreeuwend: ‘Wat doe je? Stel je niet aan! Je bent Maud, get a grip!’        ‘Hallo, Maud? Ben je daar?’        Ik schraap mijn keel, wil me er van af maken met een excuus, misschien kan ik doen of ik dronken ben, … Maar ik hoor mezelf met een piepstemmetje in de telefoon snikken: ‘Gert… het gaat niet. Ik heb hulp nodig.’   Hoe dat gesprek precies gelopen is herinner ik me achteraf nauwelijks. Ik weet alleen dat ik niet in mijn stoere pose ben teruggekrabbeld, dat ik aan de telefoon nog een keer heb zitten huilen als een kind. Dat Gert naar me luisterde zonder te weten wat er precies aan de hand was. Dat hij me resoluut aanmaande om de dag erna niet te gaan werken. Dat ik tegenpruttelde, maar rond ongeveer drie uur ’s nachts met wijdopen ogen in bed lag en besefte dat hij gelijk had. Ik kon inderdaad niet gaan werken. Het ging niet meer. De sluizen waren open en ik kreeg het water er niet meer terug ingeduwd.        Ook de weken en maanden erna zijn slechts een vage herinnering. Beelden van mijn verduisterde appartement, van pizza na pizza, film na film, van huilen en wanhoopskreten. Van telefoons en gesprekken met dokters en psychologen. Van meewarige blikken vol schijnbaar begrip. Van totale hopeloosheid. Van met de wang op de planken vloer en met de vinger cirkels tekenen in de stoflaag op de grond.        Langzaam kwamen er ook andere beelden bij, korte lichtflitsen als een onderdrukte glimlach die noodgedwongen in de linker- (of de rechter-)mondhoek omhoog krult. Een vensterbank met bloempotten, zaadjes die scheutjes werden die plantjes werden die kerstomaten, wortelen, sla en radijsjes werden, de kleine vreugde bij het zien van het groeiende leven. Een kamer in een huis vol licht, een rieten stoel die gemoedelijk kraakte terwijl ik heen en weer schuifelde, sprak en huilde. Een gevoel van opluchting wanneer ik na zes lange dagen en nachten weer die kamer in mocht, waar ondanks de strijd en de onwil vaak toch ontwapening plaatsvond, na de schok en het besef werkelijk gehoord te worden door de ander, door mezelf.   En dan, langzaam, de eerste stappen. Weg van het leven dat zo volmaakt was, maar nu eenmaal niet klopte. Onderweg naar het leven dat op me wachtte.  

LL Rigby
0 0

Elena (proloog)

Elena. Trojan Wars, elegant fonts. Everybody deserves an Elena. "For text that's meant to be read."However, I don't think Elena wants to be read. She's quick, elusive, ahead of herself. Sand slipping through fingers, time accelerating and disappearing into loopholes of lust and love. Better keep up with this one. The kind of girl that shows you the stars and breaks your heart. An astonishing beauty, a nimble mind. A girl to die for.Well, I wasn't going to die. And neither would she. Elena never dies. Elena is life – and life is what I wanted.Elena wasn't on top of her game when I met her. As if the diaphragm of her camera was on hold too long, giving way to the uncertainties wandering through her beautiful head. She's a photographer, likes to catch the instant – sacrificing the moment, to have a clearer view afterwards. That's the paradox. But she's good with words too, likes to write. One should never delete words. The more you delete, the clearer they're engraved in your heart. "You should move to the other side of the bar", I told her when we first met. She gave me a puzzled look, didn't know who I was. I took her in my arms and turned her around. Just as the fight kicked off. She understood now, walked along with me to the other end. Frightened but grateful, her brown eyes like a velvet veil, slightly touching the edges of my heart. "Thanks ..." she murmured. I looked into her eyes and smiled. Leaving her in the company of the well-dressed man she was with. Girls like Elena – they feel lonely, but they're never alone.

Guy Bourgeois
10 0

sara en de gans

Sara en haar broer Peter maken zich klaar voor een wandeling door het winterse Pajottenland. Moeder stuurt hen naar boer Haze om een gans op te halen voor het familiediner die avond. Alle nichtjes en neefjes zullen er zijn, kleine Sara kijkt al uit naar een avond vol verstoppertje, verkleedpartijtjes en leuke plagerijen van de grote neven. Moeder helpt haar bij het aantrekken van haar winterjasje en wollen muts. De wantjes die oma vorige kerst voor haar breidde, bengelen uit de mouwen van haar jasje. Sara kijkt verlangend naar het sneeuwlandschap buiten en wacht tot haar broer haar bij de hand neemt; dan gaan ze samen onder het afdak in de tuin de houten slee halen, daarop zullen ze de gans binden. Met een trotse blik op hun kindersmoeltjes slepen ze de slee achter zich aan richting boer Haze. In dit kleine dorp in het heuvelige Brabantse landschap staan de huizen allemaal ver uit elkaar, zodat het naar de dichtstbijzijnde buur wel een kwartier stappen is. Het vriest stukken van de bomen, Sara trekt gauw haar wantjes aan en vraagt aan broer of ze de slee ook eens mag trekken. “Ik heb een beter idee,” zegt Peter. “Ga jij maar achterop zitten, dan trek ik je verder.” Sara klampt zich goed vast aan de houten spalken van de slee en voelt kriebels in haar buik wanneer deze vaart begint te maken; Peter slooft zich uit, Sara geniet zoals alleen kleine kinderen dat kunnen. Rode wangetjes omlijnen haar stralende lach en de springerige krullen dansen onder haar muts in de wind. Peter wordt moe en vertraagt zijn pas. Sara klautert van de slee, gaat terug naast hem lopen en pakt zijn vrije hand. Zo lopen ze nog een tijdje hand in hand, tot ze in de verte het huis van boer Haze kunnen onderscheiden. Terwijl ze dichterbij komen, zien ze vrouw Haze op het pad verschijnen en hen toewuiven. Wanneer ze het huis bereiken, opent ze uitnodigend haar grote boerenarmen en neemt hen mee naar binnen, waar de kolenkachel kucht en rommelt. De warmte doet hun vingers tintelen, snel schuifelen ze dichterbij om zich helemaal warm te wrijven. Vrouw Haze schenkt hen allebei een hete kop chocolademelk. Ze slurpen hem langzaam leeg, tot hun magen een warmwaterblaas lijken. Ondertussen is boer Haze de gans gaan halen, hij roept de kinderen bij zich op het achterkoertje. De gans is een groot wit beest dat hopeloos gevangen zit in de greep van boer Haze. Het slaat als een wilde met zijn vleugels, maar de boer is sterk, hij houdt de gans moeiteloos met één hand in bedwang. “Geef me dat mes daar ‘ns, jongen,” zegt de boer tegen Peter. “En voorzichtig zijn hoor, neem het bij de houten greep en pas op voor je vingers. Ga jij maar wat achteruit staan, kleintje.” Sara deinst achteruit, onder de indruk van het grote mes. Ze kijkt als gehypnotiseerd naar het immense lemmet, zodat ze niet in de gaten heeft wat er gaat gebeuren. De boer neemt het mes over van broer, gebaart deze ook wat achteruit te stappen, en maakt plots een heftige beweging, het gaat zo snel dat Sara het niet goed gezien heeft. Maar het mes ziet nu rood, en de gans, die nog steeds met haar vleugels flappert, maakt een hels geluid. Het is alsof ze schreeuwt, en haar flapperbewegingen worden stuipen. Ze schudt en schokt, Sara vind het zo’n raar gezicht dat ze haar ogen niet kan afwenden. Dan ziet ze dat de boer zijn handen vrij heeft, de gans ligt op de grond. Ze schreeuwt niet meer, maar ze beweegt nog wel. “Zo, die is klaar voor de pot,” zegt de boer. Peter, die ziet dat Sara onbeweeglijk blijft staren naar het dier, fluistert zijn zusje in het oor: “De gans is dood, Saar. Laten we gaan.” Boer Haze neemt de gans bij de poten en bind ze op de slee. Hij geeft broer een schouderklop, Sara een kneep in de wang. “Groeten aan je moeder, hoor!” roept vrouw Haze nog na wanneer Sara en Peter op het pad verdwijnen. Op de weg naar huis zeggen Sara en haar broer geen van beiden een woord. Ze kijken wel af en toe om naar de slee, en naar de dode witte gans die een donkerrood spoor nalaat op de sneeuw.

LL Rigby
0 0

liefdesbrief

Mijn lief! Laten we vergeten, vergeten wat ons vertroebelde, wat de maatschappij deed bepalen wie we waren. Laat ons de buitenwereld laten voor wat ze is, een context in de marge, een bureau-accessoire. Laat het ons een mooi plaatsje geven, laat het ons gebruiken in zoverre het ons van belang is, verder niks. Laat ons een eigen wereld creëren, een parallel universum, waar alles van belang is en niets praktisch. Laat ons leven van de zinloosheid, de illusie. Laat ons samen poëzie maken, onthul de poëet in mij. Mijn lief, laten we ons beider zoektochten samensmelten, laat ons niet langer tegen windmolens vechten, noch tegen elkaar… laat ons samen ontdekken wat de liefde is, laat ons twee helften zijn van één schelp. Laat ons niet malen om overdreven sentimentaliteit, laat ons teren op ons gevoel, laten we samen beseffen dat niets anders van belang is. Laat ons op ontdekkingstocht gaan, laten we weggaan van hier, laten we de zuurstof inademen en elkaar bevruchten met onze adem. Laat ons elkaar ontleden, millimeter bij millimeter lezen, voelen, smaken. Laten we niet praten, laten we woorden ons niet langer belemmeren, laten we elkaar begrijpen zonder meer. Mijn lief, laten we stoppen met afwegen, met prioriteiten stellen, laten we loslaten en alles op ons af laten komen. Laten we naakt op het gras gaan liggen en ons verwonderen, verblijden, om de nabijheid van de aarde en van mekaar. Laten we lak hebben aan normen, aan eten, aan drinken, aan het draaien van de planeet. Laten we genoeg hebben aan mekaar. Laten we elkaar liefhebben, zoals nooit iemand liefgehad heeft.  

LL Rigby
0 0

Steeds roestrood jouw geschrift

Ik had gezien hoe Elise haar schoenen aantrok, zich in de ogen wreef, een rugzak pakte, haar mond bedekte, hoe zij door het park wandelde.   Ik hoorde ook geluiden, het geluid van de donsdenken bijvoorbeeld, wanneer Elise tegen mij aan lag, haar adem, haar lach, en haar stem, natuurlijk.   Ik wou iemand vertellen over het bestaan van Elise, over haar handen, haar bewegingen, wou de bewondering van een getuige, de bewondering van een luisteraar.   Ook al wist ik dat vanaf dat moment het kijken anders zou zijn.   Ik kende de buurt, waar ze heenging, ik kende het bankje, waar ze ging zitten, en ik wist, Elise zou kort halt houden, ze zou naar hem glimlachen, zou iets zeggen, stil. Ik weet aan welke zijde het gras groener is, ik weet, met wie jij op dat bankje vertoeft, ik weet het.   Ik schreef het met vulpen, in roestrood geschrift, ik verfrommelde het papier.   Elise sprak er regelmatig af, doch nooit bleef zij bij hem de nacht doorbrengen, steeds trok ze haar rugzak weer aan, ging meestal een stuk te voet, nam dan een taxi, om naar huis te rijden. Ik wachtte dikwijls, op het licht in de badkamer, hoe zij zich het gezicht wast, meende ik dan, hoe zij zich de handdoek tegen het gezicht drukt, eenmaal lang uitademt, vervolgens in de spiegel kijkt, even maar, voor zij het licht uitdoet.   Ik zag hoe het kijken veranderde.   We spraken regelmatiger af, ik vertelde, wist op welke momenten ik moest lachen, moest zwijgen, moest glimlachen. Staat je beeldig, die rugzak, zei hij op een keer, dat wrijven in je ogen doe je dat altijd, vroeg hij op een andere keer, zoals jij naar me kijkt, zei hij steeds opnieuw, soms lachte hij om mij. Hij keek, hoe ik mijn schoenen aantrok, door het park wandelde, wat een mooie vulpen, zei hij op nog een andere keer, steeds roestrood, jouw geschrift.   Het kijken was veranderd, het was een soort obsessie geworden, Elise stelde nu vragen, waar was je gisteren, bij wie was je gisteren, vroeg ze, en ze vroeg het lachend. Bij wie was je, vroeg ze nogmaals, en ik vernoemde zijn naam, keek haar aan, terwijl zij zijn naam herhaalde, keek haar aan, terwijl ik over hem sprak. Ik beeld mij in, dat jij nu hier zou zijn, verfrommelde het papier.   We zaten op het bankje, Elise aan zijn zijde, eerst spraken we niet, dan keken we elkaar aan, de rugzak wil ik terughebben, had ze gezegd, de wijze waarop ze het zegt, meende ik, hoe het klinkt, haar lachen, haar stem.   Ik wenste, dat ik wist, hoe groen het gras aan de overzijde is, wanneer je over mij spreekt, schreef ik, verfrommelde het papier.

Sascha Beernaert
0 0

koffie, fruit en bloemen

‘Bédankt voor die bloeeemen.’ Dat waren de enige woorden die paus Johannus Paulus II ooit tot ons, arme nederlandstaligen, richtte, en enkel tijdens de jaarlijkse urbi et orbipaasmededeling van het Vaticaan. Ik vraag me af of Billy zich nog herinnert hoe we daar elk jaar met de familie Karsten een groot feest rond bouwden. Mijn vrouw Ingrid en ik nodigden dan mijn broer Jos en zus Connie uit, en dan zaten we samen uren voor de tv, te wachten tot het nieuwsbericht zou verschijnen waarin de heuglijke woorden weergalmden, om die dan in koor mee te brullen. Ingrid glimlachte stilletjes op de achtergrond, zij was niet van het uitbundige soort, maar beleefde er op haar manier ook plezier aan. Vervolgens gingen we de andere zenders af, op zoek naar hetzelfde nieuwsitem, en zo kon het een hele avond doorgaan, tot we alle nieuwsuitzendingen en herhalingen van nieuwsuitzendingen hadden gezien en tientallen maal het lof van de bloeeeemen hadden gezongen. Op die avonden vloeiden er ook ettelijke liters alcohol uiteraard, allemaal in naam van de godsdienst. Nee, Billietje zou het zich vast niet meer herinneren, hij was amper twee of drie toen de paus kwam te overlijden en de strakkere Benedictus in de plaats kwam, snel gevolgd door Franciscus. Hoewel beiden plichtbewust bedankten voor de bloemen, was het niet meer hetzelfde. Billy begrijpt waarschijnlijk niet waarom de Karstens zo nodig elk jaar rond Pasen moeten samenkomen rond de tv met een lading drank en, bij wijze van voortzetting van de olijke familietraditie, een hele avond de volledige reeks van Fawlty Towers (the next best thing) zitten kijken en luidkeels ‘Ai noow naaathing’ meebrullen met Manuel from Barcelona. Anderzijds vraag ik me af of Billy eigenlijk wel iets merkt van het rumoer en het gelach, hij leeft sowieso het grootste deel van de tijd in zijn eigen wereldje. Hij is inmiddels negen en zijn leeftijd ver vooruit. Althans dat zeggen de psychologen die hem hebben onderzocht, nadat de lerares van het eerste leerjaar na enkele maanden vermoedde dat er iets bijzonders met hem aan de hand was. Of dat ‘bijzonders’ positief of negatief was durfde ze niet te zeggen. Daarom achtte de schooldirectie het raadzaam om Billy even te laten testen. Je denkt natuurlijk meteen het ergste op zo’n moment, maar als ouder wil je het beste voor je kind dus je laat hem testen. Bleek dat hij een IQ van 165 had maar dat hij ook in de categorie ‘autistisch’ werd onderverdeeld. Niet zozeer omdat hij aan de criteria voldeed, wel omdat zijn IQ zo hoog was en omdat er verder geen land met hem te bezeilen viel. Tijdens de vragenrondes kregen de hooggeschoolde dokters en psychologen geen zinnig woord uit hem. Het enige waar hij over sprak waren sinaasappels en alles wat er ook maar in de verste verte mee te maken heeft. De kleur oranje, andere citrusvruchten, sinterklaas, Spanje, ronde voorwerpen van allerlei aard, en zo verder. Of ik zijn obsessie voor sinaasappels al eerder had opgemerkt? Ik dacht dat ze me voor het lapje hielden. Ik had Billy nooit een woord horen spreken over sinaasappels of ronde voorwerpen. En in sinterklaas was hij allerminst geïnteresseerd. Op basis van mijn reactie konden ze natuurlijk geen stap verder met hun hypotheses en theorieën, dus hebben ze in het uiteindelijke dossier maar de diagnose ‘waarschijnlijk lijdend aan een bijzondere vorm van autisme’ gezet. Maar vanwege zijn hoge IQ vond de school het wel goed dat hijvoorlopig de gewone lessen bleef volgen, om te zien hoe het liep. Mooi was dat. Toen ik Billy enkele dagen later terloops zei dat ik niet wist dat hij sinaasappels zo leuk vond, keek hij me aan met een lege blik. Hij hoorde het in Keulen donderen. Wil je dat ik sinaasappels voor je koop? Ik had eigenlijk nooit sinaasappels in huis omdat ik er zelf een hekel aan heb. Billy keek me strak aan en schudde langzaam van nee. Billy is inderdaad een beetje vreemd. Als ouder hoor je van je eigen kind te vinden dat hij god is of zo, of alleszins het meest fantastische kind op de planeet. Nu, ik kan je wel vertellen dat er gezelliger kinderen zijn dan Billy, samen spelletjes spelen heeft hij nooit leuk gevonden en hij zegt niet bijster veel. Maar soms, soms kan hij me zulke blikken toewerpen of plots mijn hand vastnemen en die secondenlang vasthouden, dat ik er koude rillingen van krijg. Maar dan in een warme zin, zeg maar. Eigenlijk krijg ik dan het gevoel alsof híj míj liefde geeft. Alsof hij een oude wijze man is. Hoe het ook zij, Billy is mijn zoon en ik hou van hem in al zijn uniekheid. Daarom jeukte het me wel erg toen die toestanden in de school hem plots veranderden in een soort freak, een mankement, alweer een misfit die niet in de samenleving zou kunnen meedraaien. Ik weiger hem zo te zien, al moet ik wel bekennen dat ik hem sindsdien nauwlettender in de gaten ben gaan houden. Inmiddels weet ik dat hij ’s ochtends bij het ontbijt het meest spraakzaam is. Dan praat hij soms ook over mama. De mama die hij eigenlijk nauwelijks heeft gekend. Hij was drieënhalf toen Ingrid stierf. Ze was plots ziek geworden en is nog plotser gestorven. Ik kan mij amper voorstellen dat Billy’s herinnering aan haar erg sterk is, toch lijkt het of ze gisteren nog bij ons aan de ontbijttafel  koffie zat te drinken, zoals Billy over haar praat. ‘Het is grappig hoe mama altijd uit die ene kop met Mickey Mouse koffie drinkt, en uit die met Donald Duck alleen maar thee. Jij haalt ze altijd door elkaar, hè papa?’ ‘Wil je niet bij ons komen zitten, jongen?’ vraag ik na twee afleveringen Fawlty Towers, wanneer we een gezamenlijke plas- en benenstrekpauze houden. Billy kijkt me een beetje schaapachtig aan en haalt zijn schouders op. Ik zie Connie naar de keuken lopen, vermoedelijk om nog meer witte wijn te halen en zeg tegen Billy: ‘Dan mag je vast wel een slokje wijn proeven van tante Connie.’ En ik geef hem een vette knipoog, maar Billy zit alweer met zijn hoofd over zijn boek gebogen. ‘Wat schrijf je? Huiswerk?’ Zonder opkijken schudt Billy van nee. Ik werp een blik over zijn schouders en zie Billy in sierlijke krullen met een groene viltstift zijn schrift volpennen met de drie woorden waar hij het meest van houdt: Billy, mama, papa. Van rechts naar links. Billy is linkshandig en vindt het – tot groot ongenoegen en frustratie van zijn lerares op school – handiger om van rechts naar links te schrijven, in spiegelbeeld dus. Zo veegt zijn hand niet over de inkt. Tja. Ijzersterke logica, als je het mij vraagt. Voor zijn schooltaken schrijft hij netjes van links naar rechts, maar zodra hij de kans ziet doet hij het omgekeerd. Van mij mag het best. Jos heeft Fawlty Towers weer aangezet en roept me om mee verder te kijken. ‘De aflevering waar Fawlty zijn nazi-loopje doet komt eraan, die mag je niet missen!’ roept hij me enthousiast toe. ‘Kom je echt niet meekijken, Billyboy?’ Hij houdt van die naam, zo noemde zijn mama hem altijd. Hij draait zich naar me toe met een grote grijns.’ Hij staat op en zet zich stilletjes op het tapijt naast tante Connie, werpt een blik op haar glas wijn en zegt in alle ernst: ‘Papa, ik zou liever een glas sinaasappelsap willen.’ Een zekere ochtend tijdens het ontbijt staat Billy plots op, alsof hij zich net iets bedenkt, iets belangrijks dat hij vergeten is. Hij staat een aantal seconden bewegingsloos voor het aanrecht. Ik kijk naar hem, observeer hem. Met gecontroleerde bewegingen komt hij terug naar de tafel, tilt zijn stoel op en sjouwt hem tot bij het aanrecht. Beheerst kruipt hij op de stoel, opent de kast en kijkt erin. ‘Wat zoek je?’ vraag ik, maar ik weet al dat ik geen antwoord zal krijgen. Vanochtend is hij opvallend stil. Niet stiller dan meestal, wel stiller dan gewoonlijk bij het ontbijt. Hij schuift wat glazen en tassen opzij en neemt dan iets achteraan uit de kast. Als hij de kastdeur weer sluit zie ik hem staan, roerloos op zijn stoel in het midden van de keuken, met zijn beide kleine handjes om de grote Mickey Mouse kop van mama. Iets binnenin mij verslikt zich, maar ik blijf onbeweeglijk naar hem zitten staren. Benieuwd naar wat hij nu gaat doen. Of zeggen. Voor wat een eeuwigheid lijkt, staat hij daar in de ogen van Mickey Mouse te kijken en te glimlachen. Dan komt hij uit zijn trance, klimt van de stoel, zet de kop op het aanrecht, heult zijn stoel weer naar de tafel en gaat de kop halen. Die hij triomfantelijk voor mijn neus zet. Ik kijk hem vragend aan en hij beantwoordt met één van zijn wijze, alwetende blikken, neemt de kop en zet hem naast zijn bord met de halfopgegeten boterham neer. En dan eet hij verder zijn boterham op met alle sereniteit van de wereld. Nadat we allebei nog twee boterhammen op hebben – Billy is een stevige eter, net als ik – vraag ik hem wat hij wil drinken vandaag: melk of chocolademelk? Hij kijkt me aan alsof ik het achterlijkste wezen van de hele wereld ben en zegt doodleuk, met de woorden van zijn mama: ‘Dommerd, je onthoudt het nooit hè, in de Míckey kop hoort koffie!’

LL Rigby
0 0

het diner

“Vroeger was hier een bar”, zegt de oude man, terwijl hij met zijn armen een gebaar maakt dat de ruimte in zijn geheel moet aanduiden. “Alles was eigenlijk precies hetzelfde, behalve het plafond. Er hing hier toen, dwars over de ruimte, een grote metalen steunbalk, die zo laag hing dat we er regelmatig ons hoofd aan stootten.” Hij grinnikt en verstilt dan plots. Misschien denkt hij aan het feit dat hij toen nog zijn hoofd kon stoten omdat hij toen nog niet aan zijn rolstoel gekluisterd was. De anderen merken zijn stilte niet op, glimlachen hem vriendelijk toe, zoals jonge mensen dat meestal doen wanneer ze verhalen aanhoren van oude mensen. “Hoe lang was dat geleden dan?”, vraagt het meisje beleefd, een oprechte interesse doeltreffend veinzend. Ze is van het lieve, zachtmoedige type, dat nooit de aandacht op zichzelf zal vestigen als dat niet nodig is. De andere twee, de jonge vrouw en de jongen met roodgelakte nagels, luisteren schijnbaar naar het antwoord, maar zitten al lang met hun gedachten bij iets anders. Bij zichzelf. Het eten wordt opgediend, iedereen behalve de oude man is dankbaar voor de afleiding. Ze bekijken hun borden goedkeurend, zeggen elkaar vrolijk “Eet smakelijk” en beginnen te eten. De oude man neemt zijn bestek in de handen, maar gaat verder met zijn verhaal. Het eten schijnt hem niet te interesseren, behalve dan als motief voor deze avond, dit samenzijn. “Mag ik nog een beetje?”, vraagt de jonge vrouw terwijl ze haar lege glas heft naar de oude man, die zichzelf als bewaker van de kruik witte wijn heeft opgeworpen. “Jazeker! Wie wil nog?” En hij bedient  iedereen vervolgens een scheut wijn van ongeveer twee vingers en vult zijn eigen glas tot de rand vol. Wanneer de oude man eindelijk op zijn eten aanvalt, kijkt de jonge vrouw een beetje beteuterd naar haar glas en neemt een slok wijn. Het meisje glimlacht haar van over de tafel onschuldig toe. De jonge vrouw beantwoordt haar blik met een frons en een schuine blik op het amper gevulde glas. Samenzweerderig knikt ze in de richting van de oude man en draait daarbij met haar ogen. Het meisje reageert echter niet beamend maar met opgetrokken wenkbrauwen en een blik van verrassing. De jonge vrouw leest een vorm van veroordeling in die ogen, die het meisje nooit bedoeld heeft, maar die zij zich wegens haar grote onzekerheid inbeeldt. Een tijdlang eten ze gevieren in verder in stilte. “En, smaakt de zalm?”, vraagt de jonge vrouw dan aan de jonge man links van haar. Ze lijkt vastberaden de avond luchtig te laten verlopen, en ontwijkt voor even de blikken van de oude man, die elk contact aangrijpt om een nieuw verhaal te beginnen, en die van het jonge meisje, die haar onzeker maken. De jonge man gaat met haar een gesprek aan over het eten van vlees en vis. Hij bekent dat hij misschien na dit bord nog een portie wil bestellen. De jonge vrouw bedenkt dat hij ondanks zijn vrouwelijke aanleg en ambities een grote eetlust heeft, maar ze zegt het niet. Ondertussen is aan de overkant van de tafel, tussen de oude man en het meisje, een gesprek ontstaan over de vrouwen en de kinderen aan de enige andere bezette tafel in het restaurant. Ze vragen zich af wie nou familie is van wie.  Ze vergelijken gezichtskenmerken en kledij. “Die vrouw met het rode haar moét wel de moeder zijn van die donkere meid, ze dragen hetzelfde jack!”, zegt de oude man vol overtuiging tegen het meisje. “Hm-mm,” beaamt het meisje inschikkelijk. “Waar slaat dat nou weer op?” komt de jonge vrouw tussenbeide, meteen haar impulsiviteit verwensend. Het gesprek interesseert haar voor geen meter, en met dit soort uitspraken jaagt ze de ouwe maar op stang. Ze beseft dat ze maar beter kan afmaken wat ze begonnen is en argumenteert “dat ze hetzelfde jack dragen is toch geen bewijs van hun familieband, integendeel! Ik zou nooit hetzelfde kledingsstuk als mijn moeder dragen, hoor. Jij wel?” vraagt ze aan het meisje, hopend haar te betrekken in haar argument zodat het gesprek weer zonder haar verder kan.  Echter, vóór het meisje kan antwoorden, komt de oude man met zijn repliek. “Dat zegt dan veel over jouw verhouding met je moeder…” “Ach, hier in het zuiden gaat dat vast allemaal anders,” komt de jonge man tussenbeide. Het meisje en de jonge vrouw kijken hem dankbaar aan. “Toch ben ik er zeker van dat dat moeder en dochter zijn, hoor,” gaat de oude ongestoord verder. Hij stoot het meisje aan en begint weinig subtiel in de richting van de tafel met de vrouwen te wijzen. “Je ziet het ook aan de neus, he!” “Ja, ze hebben wel een zelfde soort neus, dat is waar,” antwoordt het meisje met een gedweeë glimlach. De serveuse komt de borden afruimen en vraagt of iemand zin heeft in dessert. Er is vanilleijs en chocoladepudding. Iedereen bestelt chocoladepudding, behalve de jonge vrouw, die haar neus ophaalt. Voor het dessert of voor het compleet ongemakkelijke samenzijn, ze weet het zelf niet. Ze vraagt zich af of de anderen ook hopen dat het snel afgelopen mag zijn. Terwijl ze toekijkt wanneer ze hun toetjes met schijnbaar overdreven enthousiasme ontvangen en beginnen op te lepelen, vraagt ze zich ook af waarom ze zich zo ongemakkelijk voelt. Met al deze mensen heeft ze stuk voor stuk een fijne band, het zijn fijne mensen. Toch mist ze een zekere diepgang, ze mist wezenlijke aansluiting. En ze praat gewoonlijk met elk van hun over zo totaal uiteenlopende dingen, dat ze met deze groepsformatie niet veel aan kan. De jonge man stelt voor om samen een sigaretje te gaan roken. Dankbaar gaat ze op het voorstel in. “Wat een heerlijke avond, vind je niet?” vraagt hij aan de jonge vrouw, die bezig is haar sigaretje te draaien. “Mjaa,” antwoordt ze zonder overtuiging. “Ik bedoel, het is best bijzonder dat we allemaal op deze plek zijn, dat we dit samen beleven.” De jonge vrouw zegt niets en denkt hier even over na. Uiteindelijk zegt ze voorzichtig “maar denk je niet, dat als we op een andere plek zouden zijn, we elkaar nooit zouden ontmoeten, of als we elkaar zouden ontmoeten, we elkaar niks te vertellen hadden?” “Mja, mogelijk. We hebben elkaar nu ook niet zo veel te vertellen, valt me op. Maar toch delen we iets.” “Wat dan?” “Nou, wat ik zei, deze plek. Het feit dat we, toevallig of niet, allemaal hier op deze ene kleine plek op de wereld zijn beland. En dat we er allemaal heel erg van houden.” De jonge vrouw neemt nog een haal van haar sigaret en begint te glimlachen, wanneer ze beseft dat hij gelijk heeft. Verdomde wijsneus! Ze gaan weer naar binnen, de jonge vrouw ziet de scène plots met andere ogen. Ze aanschouwt het kneuterige decor, de aanwezige mensen, haar tafelgezelschap,nog steeds met de glimlach op het gezicht. Ze graait over de tafel naar de nog halfvolle karaf wijn en schenkt ieders glas flink vol. “Een toast!” zegt ze triomfantelijk. “Op het samenzijn!”

LL Rigby
11 0

heiland

Samir kijkt een beetje mistroostig naar de dorre bladeren op het grasveld voor hem. In de uren die hij op dit bankje zit kwamen verschillende mensen voorbijgewandeld op het pad terwijl ze hun best deden hem niet te zien. Hij is totaal verkleumd maar ziet geen andere mogelijkheid dan het gewoon uit te zitten. Het wordt gauw donker, dan kan hij het kleine huisje in. Eten moet morgen dan maar weer. Vanmiddag heeft hij wat broodkruimels van een voederplank voor vogels gestolen. Hij begrijpt niet precies waarvoor het huisje dient, er staat een ezel in en poppen van een man, een vrouw en een baby. Hij heeft een vaag vermoeden dat die baby Jezus moet voorstellen maar weet verder niks van de christelijke godsdienst af.   ‘Van godsdienst krijg je hoofdpijn, jongen’, zei zijn vader altijd. Zijn vader was een uitermate rationeel wezen die tot aan het einde van zijn leven probeerde het discours van religieuze leiders op logica te betrappen, in de hoop zijn eigen cynisme te kunnen ontkrachten, tevergeefs. Hij had Samir de indruk meegegeven dat imams, priesters, goeroes en hun aanhang bovenal lachwekkende wezens waren en niet bijster intelligent. Lang had Samir zich hier geen vragen bij gesteld en zich ver van eender welke religieuze praktijk af gehouden. Op school beet hij zich vast in wetenschappen en Frans, zaken met een zekere logica en een duidelijk nut. Maar in zijn zesentwintigste levensjaar hadden zich twee ingrijpende gebeurtenissen voorgedaan, die hem evenwel niet tot de religie hadden doen keren, maar die hem voor het eerst met vragen hadden geconfronteerd waarop de antwoorden veelal in spirituele sferen worden gezocht. Zijn vader was ziek geworden vanuit het niets en was nauwelijks twee maanden later overleden. Als om te zeggen dat het leven toch maar door moest gaan ontmoette hij uitgerekend in het ziekenhuis zijn eerste liefde, Reda. Een zeer religieuze moslima.   Hij schudt de gedachten aan de hopeloze strijd met zichzelf en Reda van zich af, wanneer een stem hem doet opschrikken. Een vrouw van middelbare leeftijd staat voor hem en kijkt hem met een brede glimlach meewarig aan. In gebrekkig Frans vraagt ze of hij honger heeft, of hij al gegeten heeft vandaag. Hij aanvaardt met een glimlach het aanbod om bij haar mee aan tafel te schuiven. Hij vindt het niet vanzelfsprekend maar is inmiddels gewend aan dit soort uitingen van medeleven. De meeste mensen lopen hem voorbij zonder groeten, omdat ze niet weten hoe ze zich een houding moeten geven ten overstaan van zijn complete uitzichtloosheid. Anderen weten dat ze zijn leven niet wezenlijk kunnen veranderen maar kunnen hun eigen onbestemde schuldgevoel niet ontlopen en bieden hem eten aan. Of thee. Of een paar handschoenen. Een winterjas. Een hengel. Voor dat laatste had hij vriendelijk bedankt, de man in kwestie reddeloos achterlatend, beroofd van zijn goede intentie.   Gek is het dat je een geur nauwelijks in woorden kan beschrijven en dat je je hem toch voor de geest kan halen. Samir snuift in gedachten de warme geuren van zijn thuisland op en weet dat niets ooit beter zal ruiken dan die mengeling van droge aarde, vee, pruttelende stoofpotjes en een licht zure lucht. Hij zit weer op het bankje, met in de diepe zak van zijn jas een in aluminiumfolie gewikkeld pakket met etensresten. De komende 24 uur kan hij weer moeiteloos doorstaan. De duisternis is inmiddels ingevallen. Hij staat op en loopt op het sfeervol verlichte huisje toe. Hij nestelt zich op de strobalen naast de ezel.   In het kamp had hij een minder comfortabele slaapplek gehad. Stukken karton op de modderige grond, onder een gespannen zeil. Desondanks was hij er maanden gebleven. Hij wist anders ook niet waarheen. Naar Engeland oversteken, zoals de meeste van de anderen van plan waren, zag hij niet zitten. Niet in het minst omdat de overtocht niet zonder risico was. Hij was niet zo ver gekomen om in het ijskoude Kanaal te verdrinken of te stikken in de laadcabine van een vrachtwagen. Bovendien sprak hij nauwelijks Engels. Hij hoopte een kans te krijgen op onderdak en een baan in Frankrijk of België, hoewel hij geen idee had van wat voor werk hij wilde of kon doen. Hij sprak regelmatig met de hulpverleners die het kamp aandeden maar die gingen daar niet over, zeiden ze. Ze brachten enkel spullen en voedsel. Eén knul had wel aangeboden hem een lift te geven naar Parijs, als hij daar zijn kans wilde wagen. Maar dan moest hij het daar verder wel zelf uitzoeken. Samir twijfelde. Een grote stad als Parijs boezemde hem angst in. Hij kwam uit het rurale Hari Rud en was zelfs nooit in Kabul geweest. Zijn twijfel loste zichzelf op toen op een dag een lading Syriërs in het kamp toestroomden. Drie kerels namen beslag op Samirs slaapplek. Hij wilde geen problemen veroorzaken en kroop die avond in een hoekje van de geïmproviseerde tent en sliep op de vochtige grond zonder een woord van protest. Het protest kwam echter van de mannen toen ze bij het ochtendgebed merkten dat hij niet meedeed. Er ontstond een heftige discussie, ze scholden Samir uit voor ongelovige en verrader. Voordat de boel kon escaleren griste Samir naar zijn bundeltje (een trui, een jas, een boek) en liep naar de rand van het kamp, in de hoop daar de knul tegen het lijf te lopen die hem een lift naar Parijs had geboden. Het liep anders en hij kwam terecht in de Westhoek. Onderweg had hij niet de moeite genomen erachter te komen waar ze heen reden. De chauffeur, een andere hulpverlener, had aangeboden hem mee naar huis te nemen voor een maaltijd en een warme douche. Daarna moest hij het zelf uitzoeken. Terug naar het kamp of de wijde wereld in, op hoop van zege. Hij was die middag beginnen wandelen, over kleine paadjes, door de velden, langs de uitgestrekte landschappen die totaal verschilden van die van thuis maar die hem op een vreemde manier toch vertrouwd voorkwamen. Het huisje met de ezel en de aangeboden hulp van toevallige voorbijgangers hadden hem doen besluiten om te blijven waar hij was en te zien wat er zou gebeuren. Eigenlijk wist hij niet eens concreet wat hij verlangde. Een nieuw leven. Een eerste leven.   Hij was tijdens zijn studies gevlucht, op aanraden van een vriend, die hem bezwoer dat in Europa geld te verdienen was, dat de toekomst er nog bestond. Hij begreep Samirs twijfel niet, zijn hardnekkige wens om zijn studies af te maken. Waartoe? Je diploma wordt straks aan flarden geschoten. Als ze je niet eerst inlijven voor de jihad of de volgende strijd in naam van de godsdienst. Zijn vriend was wel religieus, maar niet naïef. Hij wist ook dat die hele godsdienstoorlog waarvan het Midden-Oosten in de ban was niets met Allah te maken had. Heb je naasten lief, wees goed voor elkaar. Dat predikt de imam toch? Nu, ik zeg: laten we dat in Europa doen. Komop. Samir had uiteindelijk toegezegd omdat de twijfel hem tot inertie deed verstarren. En omdat Reda en haar ‘hoezo jij bidt niet tot Allah? dan moet je ook niet verwachten mijn huis en hart te kunnen toebehoren’ hem tot wanhoop dreven.   Ironisch genoeg zit hij elke avond intens naar het kind in de kribbe te kijken. De vrouw die vandaag voor hem heeft gekookt vertelde hem het verhaal van de geboorte van Jezus. Van een man en een vrouw op zoek naar een onderkomen, op zoek naar een helpende hand van wie dan ook. Ze eindigen in een stal en brengen daar één van de belangrijkste figuren uit de geschiedenis ter wereld. Samir grinnikt. Als Jezus vanuit een armoedige stal kon opklimmen tot een bezield persoon, een leider, een redder, dan hij ook. Hij zal zichzelf bezielen, leiden, redden en met verve zijn nieuwe leven uitbouwen. Bij voorkeur eentje zonder religie! Hij schaart zich dichter tegen de ezel aan die zijn lichaamswarmte met hem deelt en valt met een glimlach in slaap.  

LL Rigby
0 0

groen

Ans zoekt de plek met de naam van een vogel. Zwaluw? Flamingo? Kolibrie? Ja, dat was het, kolibrie, of iets wat er op leek. Ze scant de gevels van de huizen, op zoek naar het uithangbord dat verlichting brengt. Ze loopt de straat twee keer op en neer, geen kolibrie te vinden. Aarzelend stapt ze op een oude man toe en vraagt hem of hij weet waar kolibrie is. Tevergeefs. Hij antwoordt met een schouderophalen. Tja, dat was misschien ook niet de beste persoon om het aan te vragen. Aan de overkant van de straat ziet ze een vrouw van haar leeftijd. Ans steekt de straat over en stelt vol goede moed dezelfde vraag. Kolibrie? De vrouw fronst de wenkbrauwen, maar dan gaat haar een licht op. Oh je bedoelt Calibri, die met die pruiken en zo! Ja hoor, die is daar net om de hoek. Ans bedankt haar en stapt op de aangewezen hoek af. Ach, daar is het! Ze ziet inderdaad een etalage vol kunstobjecten die worden opgeleukt door mannequinhoofden met de meest exuberante pruiken. Origineel, denkt Ans. Ze belt aan en onderdrukt de vlinders die komen opzetten in haar buik. Ze ademt werktuiglijk in en uit. Bij de derde uitademing staat ze oog in oog met een man van rond de vijftig, met lang haar, een verschoten hawaïhemd en een gescheurde jeans. Hij heeft een snorretje van het type flower power. Als ze durfde zou ze met haar ogen draaien, de man is een wandelend cliché. Ze schudt hem beleefd de hand en bedenkt gelijktijdig dat ze eigenlijk niet in de positie is om iemand op zijn uiterlijk te beoordelen. Stel dat ze dat straks met haar zullen doen. Ze loopt de gang in, de man achterna, en hangt haar jas aan het aangewezen haakje. Het zweet breekt haar plots uit. Moet ik dit wel doen? Het was een weddenschap met haar beste vriendin. Nu ja, eerder een soort van uitdaging, die ze durfden aangaan omwille van elkaar. Ze hadden allebei lang de heimelijke wens gekoesterd om dit een keer te doen. Toen ze ontdekten dat ze beiden hetzelfde verlangen deelden, sloten ze een pact en besloten tot actie over te gaan. Ans vond het allemaal best spannend en liet zich meedrijven op de golf van gedeelde anticipatie. Maar nu is het eerst haar beurt, Nina zou volgende week gaan. Van de leuke spanning blijft weinig over, ze is enkel nog bloednerveus. Waarom deed ze dit ook weer? Juist ja, om iets nieuws te ervaren. Omdat ze eigenlijk stiekem van zichzelf vond dat ze maar op halve toeren leefde en dat het hoog tijd was daar verandering in te brengen. De man heet Charles – op zijn Frans – en doet zijn uiterste best om haar op haar gemak te stellen. De eerste keer he? Geen zorgen, je bent in goede handen hoor. De studenten hebben twee uur om hun werk af te maken, ze zullen te geconcentreerd zijn om ook maar ergens anders aan te denken. Bovendien zijn het allemaal derdejaars, dus voor hun ben jij niet de eerste noch de laatste. Probeer te ontspannen, denk aan je plannen voor de komende week, of loop in gedachten  het recept voor spaghetti bolognèse door. Dat schijnt te helpen, hahaha! Na vijftig minuten houden we pauze. Dan kan je even  stretchen, koffie drinken en met de studenten kletsen, als je dat wil. Goed, het is bijna één uur. In de kleedkamer vind je een kamerjas. Kom maar binnen als je klaar bent. Het omkleden in het piepkleine kleedhokje valt haar niet makkelijk. Ans lijkt haar motorische vaardigheden verloren te zijn. Ze worstelt met haar te smalle broek en het haakje van haar bh. Het hart bonst haar in de keel. Geen spiegel, typisch. Hm, misschien maar beter ook. Ans ademt nog eens drie keer diep in en uit, kamt haar haren met de vingers en bindt ze samen in een paardenstaart. Ze vermant zich door haar schouders te rechten, trekt de kamerjas aan en loopt met stoere passen het lokaal binnen. Ze kijkt bewust de kamer niet rond maar focust haar aandacht op Charles, die haar met een vriendelijk gebaar een stoel in het midden van de ruimte aanwijst. Als jij klaar bent kunnen we beginnen. Ze kucht en frunnikt langer dan nodig met het lint van de badjas. Ze staat half voorovergebogen en wenst dat ze haar haar niet in een staart had gedaan, dan kon ze haar rood aanlopende gezicht misschien verbergen. Ze kucht nog een keer, trekt de kamerjas uit en legt hem behoedzaam over de stoel heen zodat ze erop kan zitten, dat lijkt haar wel zo hygiënisch. Hoewel, wie heeft die kamerjas nog allemaal gebruikt? Is hij wel gewassen? Paniek. Ze staat als versteend, naakt, voor een groep mensen die ze nooit eerder zag. Haar slapen bonzen. Van ergens ver achter zich hoort ze de stem van Charles. Je mag gaan zitten, Ans. We beginnen met een zittende pose. Kruis je benen en steun je elleboog op de stoelleuning, terwijl je over je schouder heen kijkt. Goed? Zit je gemakkelijk? Het kan zijn dat je benen gaan slapen, het komt erop aan om dat gevoel te negeren. Straks veranderen we de pose, dan kan je even kort strekken. Goed? Ans knikt nauwelijks merkbaar. Ze voelt zich verdoofd, gehoorzaamt gedwee aan Charles’ instructies en staart in de verte. Ze weet niet of ze moet glimlachen of niet, maar besluit van niet. Ze is naakt. Ze zit in een kamer vol geklede mensen, die op dit eigenste moment allemaal naar haar kijken. Het is moeilijk om rustig te blijven ademen, laat staan te blijven zitten. Maar bovenop de schaamte die ze voelt wil ze niet ook nog de vernedering aangaan van het totale falen. Ze verstrakt elke spier in haar lichaam en doet al het mogelijke om maar niet te bewegen. Ze heeft geen enkele heldere gedachte meer. Gespannen spieren, schaamte en absolute angst stromen spiraalsgewijs door haar heen. Op en neer. Ze probeert zich Charles’ tips voor de geest te halen. Iets van een recept. Het recept voor pasta carbonara? Nee, ze weet het niet meer, en kan zich met de beste wil van de wereld nu niet concentreren op eten. In plaats daarvan focust ze haar blik op een vlek op de muur en beeldt zich in dat het een gat is waar ze langzaam maar zeker naartoe gezogen wordt. Het helpt. De stem van Charles rukt Ans uit haar trance. Ans? Ans? Kan je rechtop gaan staan? Je mag even strekken! Ans? Hoi, ja, goed zo, gewoon rechtop. Armen langs je lichaam, zo recht als je kan, voeten een beetje gespreid, hoofd rechtop. Ans weet nauwelijks nog waar ze is. Ze volgt de instructies gelaten op, denkt niet meer aan haar naaktheid. Ze vindt gauw weer een nagel aan de muur om op te focussen en voor ze het weet is het tijd voor pauze. Charles komt op haar toe en gooit de badjas om haar schouders. Ze lijkt wel verlamd. Koffie? vraagt Charles vrolijk. Ze knikt, niet in staat een woord uit te brengen. Mechanisch trekt ze de badjas aan en maakt een stevige knoop in het lint. En hoe ging het? Niet te veel last van je benen? Daar hebben de meesten het het moeilijkst mee. Ans neemt de koffie van hem aan en schraapt de keel. Hm. Hm. Nee, valt wel mee. Ze kijkt naar haar benen als om na te gaan waar die ook weer zitten. Acuut voelt ze een pijnscheut door haar linkerkuit vlammen. Au! Bijna laat ze het kopje koffie vallen, ze ploft neer op de stoel en kijkt voor het eerst om zich heen. De studenten zijn allemaal in de weer met koffie en elkaar. Ze schenken geen aandacht aan haar. Wat zijn ze jong! denkt Ans.  Was het wat je ervan verwacht had? Nee, helemaal niet! antwoordt Ans iets te fel, te snel. Ahum, sorry. Ik bedoel… Ik weet het niet. Ans denkt bij zichzelf dat niks aan deze ervaring is zoals ze het zich had voorgesteld. Ze had gedacht dat het een soort meditatie zou kunnen zijn. Ze had over het algemeen geen probleem met naakte mensen of zelf naakt zijn, dus ze vond het de ultieme uitdaging voor zichzelf, om trots te zijn op haar lichaam en dat ter beschikking te stellen aan de kunst. Want ze hield ook van kunst! Maar dit alles… ze voelt geen trots over haar lichaam, ze voelt geen verbondenheid met de kunst. Ze voelt zich een instrument. Een ding. En ze moet nog een uur doorgaan! Ze voelt aan dat het niet kies zou zijn om Charles en zijn studenten nu in de steek te laten. Nog los van het geld dat ze dan vast niet zou ontvangen, vind ze dat zelf ook niet kunnen. Ans gaat er prat op een correct mens te zijn. Charles kijkt op de klok. Zo, Ans, tijd voor de tweede helft. We gaan door met de staande pose, maar telkens met een kwartdraai naar links. Zo krijgt iedereen de kans om voor -, zij- en achteraanzicht te tekenen. Ans, probeer te ontspannen. Oké. Ontspannen. Ans ademt diep in, trekt de kamerjas uit en probeert met al haar macht haar zelfvertrouwen weer uit haar tenen naar boven te trekken. Ze kan dit. Het is meditatief. Het is voor de kunst. In haar hoofd begint ze een mantra te zingen die ze kent van de yogales. Het helpt een beetje. Haar spieren lossen hun strakke spanning, ze buigt even door te knieën, beseft dan weer dat ze volledig stil moet blijven staan en onderdrukt een lach. Ze glimlacht een beetje dwaas voor zich uit, met hernieuwd vertrouwen herhaalt ze de mantra in haar hoofd. Enige tijd later hoort ze Charles zeggen Kwartdraai!, en ze draait verder door naar links. Plots staat ze oog in oog met één van de studenten. Het is onmogelijk langs hem heen te kijken, hij staat precies in de lijn van haar ogen. Ze probeert haar blik onscherp te krijgen, maar het lukt haar niet. Trekt hij zijn wenkbrauw op? Wat is dat voor grijns? De schaamte over haar naaktheid komt weer opzetten. Ze voelt zich bekeken, begluurd, bespot. Maar de jongeman is druk met zijn schets, zijn ogen springen heen en weer tussen haar lichaam en zijn ezel. Ans probeert haar gedachten te bevriezen. Een student tekent haar als object, meer niet. Maar bij elke blik op haar lichaam lijken zijn ogen doordringender te worden. Ans probeert hem in te schatten, alsof ze enkel toeschouwer was. Zoals ze met vriendinnen een kerel aan de bar zou taxeren. Ze laat haar blik subtiel over zijn gezicht glijden. Hij is gladgeschoren (of misschien niet eens geschoren? Hij ziet er erg jong uit). Zelfs van op deze afstand kan ze zien dat hij sproeten heeft. Ans houdt van sproeten. Nochtans is hij niet roodharig. Hij heeft een weelderige bos blonde lokken, die soms voor zijn groene ogen vallen en die hij dan met zijn linkerhand naar achter strijkt. Met zijn rechterhand is hij druk in de weer om haar te tekenen. Wat zou hij nu aan het schetsen zijn? Welk lichaamsdeel? Haar borsten? Ans siddert en voelt zachtjes iets in haar onderbuik kloppen. Het is werkelijk alsof hij haar met zijn potlood aanraakt. Ze heeft plots de grootste moeite om zich stil te houden, om niet haar eigen handen over de welving van haar buik te laten gaan. Werktuiglijk spreidt ze haar vingers uit. Charles kucht naast haar, Ans weet niet of dat zijn subtiele manier is om te zeggen dat ze zich stil moet houden, of dat hij gewoon een kriebel wegkucht. Er rest haar niks anders dan zich over te geven aan de blik van deze jongen. Ze kijkt hem bijna uitdagend in de grote, groene ogen, alsof ze wil zeggen Je kan me wel tekenen maar dit lichaam is van mij en niemand anders. Terwijl ze dit probeert uit te stralen met haar ogen beseft ze dat het een leugen is. Ze raakt opgewonden bij het idee dat hij haar ziet en niet mag aanraken. Ze zou willen dat hij dichterbij komt, dat ze het gekras van het potlood op het papier kan horen , zijn adem op haar lichaam voelen. Het zweet breekt haar uit. Plots houdt hij op met tekenen en kijkt haar een minuutlang onafgebroken aan. Eerst glijden zijn ogen langs haar lichaam, als om zich ervan te vergewissen dat hij alle onderdelen heeft gezien en getekend. Maar dan ontmoeten hun ogen elkaar en beiden verroeren zich niet. Ans omdat ze niet mag. Hij omdat… Tja, Ans heeft er het raden naar. Er is iets onzeglijks sensueel in de manier waarop hij daar zo staat, onbeweeglijk net als zij, zich te verdrinken in haar ogen. Alsof hij wil zeggen dat hij meer ziet dan haar lichaam alleen. Meer dan het kunstobject voor zijn opdracht. Charles kucht opnieuw, dit keer aan haar linkerkant. Ans weet nu wel zeker dat dit zijn manier van communiceren is, zonder de geconcentreerde stilte te verstoren. De boodschap is gericht aan de student, niet aan Ans. Deze houdt zijn blik nog even vast, glimlacht dan breed naar Ans en knipoogt. Dan kucht hij zelf ook en concentreert zich opnieuw op zijn schets. Ergens gaat een alarm af, de les is ten einde. Ans wendt zich ogenblikkelijk af van de jongeman, gooit de kamerjas om en loopt de ruimte uit. In het kleedhokje zit ze vijf minuten onbeweeglijk op het bankje. Ze is compleet uitgeput. Ze wil een warm bad en alleen zijn. Met moeite kleedt ze zich weer aan en als ze uit het hokje komt staat hij daar. Hoe lang staat hij daar al? Ze weet zichzelf geen houding te geven, maar hij stapt zelfverzekerd op haar toe en zegt Ik woon om de hoek, je ziet eruit alsof je wel een koffie of iets sterkers kan gebruiken. Ans is compleet overdonderd, en vol afgrijzen over het lef van deze jongen die waarschijnlijk haar zoon zou kunnen zijn. Toch hoort ze zichzelf met een klein stemmetje zeggen Oké. Zonder verder nog een woord te wisselen trekken ze beiden hun jas aan en lopen de gang door naar de deur. Charles komt hun achterna gelopen, wil Ans aanspreken maar voelt zich gecensureerd door de aanwezigheid van de student. Hij zegt alleen maar Ans, euh, dat ging goed. Je mag nog komen als je wil. Geef me maar een seintje. Het geld wordt op je rekening gestort. Oké. Dat is blijkbaar het enige woord wat ze nog kan uitbrengen. De jongen woont inderdaad om de hoek van Calibri, hij gaat haar voor naar een gerieflijke woonkamer annex slaapvertrek. Hij schenkt haar een witte wijn uit, zonder te vragen wat ze wil. Hij geeft haar het glas en zegt Drink. Zelf neemt hij niks. Ans drinkt het glas in twee keer leeg, ze merkt plots dat haar mond droog is en dat ze een ontzettende dorst heeft. Nog? vraagt hij met een schalkse glimlach. Ze knikt van nee en kijkt hem in de ogen. Ze zijn van een soort groen dat ze nog nooit eerder zag. Ze passen perfect bij de sproeten, alleen het blonde haar lijkt er niet bij te horen. Geverfd, zegt hij met een schouderophalen, wanneer hij haar ziet kijken naar zijn haar. Flauw he? Ans antwoordt niet maar tilt haar handen op en laat haar vingers door zijn haarbos glijden. Ze sluit de ogen. Hij houdt haar niet tegen maar pakt haar bij haar middel en knijpt er zachtjes in. Wanneer Ans de ogen opent ziet ze dat hij naar haar kijkt met een blik vol verlangen, zijn ogen staan bijna triest van wanhoop. Zijn lippen openen zich, maar hij verroert zich niet. Ans begrijpt dat hij door haar geïntimideerd is. Ze zal hem moeten leiden. Ze laat haar handen zakken tot ze in zijn hals rusten. Ze trekt hem naar zich toe en drukt langzaam, heel langzaam, een diepe zoen op zijn lippen. Ans heeft weinig relaties maar veel minnaars gehad. Toch denkt ze soms nog steeds niets van het liefdesspel af te weten. Elke nieuwe partner is een soort Eldorado, een paradijs vol goud dat moet ontdekt worden met veel moeite, doorzettingsvermogen en opofferingen. Elke keer denkt ze te weten hoe ze zelf in elkaar zit, elke keer weer moet ze toegeven dat ze het mis had. Net zoals de ander een oneindig labyrint van schatten en mogelijkheden bevat, is ze zelf ook ondoorgrondelijk, een te ontwarren kluwen voor de ander en voor zichzelf. Het is meestal een uitputtend maar lonend avontuur dat nooit echt een einde kent. Partners komen en gaan, er is nooit werkelijk iemand geweest waarmee ze het avontuur eindeloos kon verlengen. Deze jongeman leert haar iets heel nieuws. Ze probeert hem zo goed en zo kwaad als het kan te leiden, tenminste daar lijkt het op. Eigenlijk leidt hij haar. Hij gidst haar langs haar eigen lichaam, als waren het haar eigen handen en lippen die op onderzoek uitgingen. Ze heeft geen idee waar ze heen gaat. Hij leert haar dat ze geen dagen of weken nodig heeft om het kluwen te ontwarren, enkel overgave. Ze lijkt hem blindelings te vertrouwen, deze jonge jongen. Hun ademhalingen vertellen een verhaal, elke zin wordt aangevuld door een zin van de ander, die er naadloos bij aansluit. Geen enkel lichaamsdeel wordt gespaard, er is geen schaamte, geen angst, geen twijfel. Er is enkel… vrijheid. Ans denkt in een flits – dit is eigenlijk de werkelijke kunst. De enige echte. De kunst om lichamelijke reacties en bewegingen te genereren, te creëren, als waren het golven in de zee. Even prachtig als ongrijpbaar. Zonder wetmatigheden en toch elke keer weer de perfecte, unieke creatie. Als ze de volgende ochtend wakker wordt duurt het even voor ze weet waar ze is, wié ze is. De jongeman naast haar ligt in een diepe slaap. Ze wil hem niet wakker maken, hij ligt daar zo hemels en onbevangen. Puur. Ze ligt een tijdje naar hem te kijken, drukt dan zacht een zoen op zijn haardos en staat op. Ze zoekt haar kleren bij elkaar, kleedt zich aan en kijkt even in de spiegel aan de muur. Ze kijkt niet naar haar lichaam, maar kijkt zichzelf diep in de ogen. Haar linkermondhoek krult omhoog in een triomfantelijke grimas. Ze zoekt de woonkamer af naar pen en papier maar kan niks vinden. Bedenkt zich dan dat ze eigenlijk niets te zeggen heeft. Woorden zouden de kunst enkel verkrachten. Ze laat het erbij en loopt de straat op, voorzichtig de deur achter zich dichttrekkend. Ze weet zeker dat ze hem nooit meer zal zien, niet als tekenaar van haar vormen of anderszins. Maar ze weet ook dat ze minstens deze nacht op volle toeren heeft geleefd.

LL Rigby
0 0

1. Huisnummer 3 - Thuis

Ik zit zat op mijn gat. Mijn zicht staat nog op krek dezelfde plek als waar ik het gisteren heb achtergelaten. Op de muur boven de nepmarmeren schouw, boven de al even fake oplichtende ‘houtblokken’ die een haardvuur moeten veronderstellen. Zij vormen – buiten een niet ontstoken kroonluchter - de enige lichtbron in deze hoog opgetrokken ruimte. Door de weerspiegeling ervan in de matte, gebrandschilderde ramen van een tussendeur, lijkt het alsof dat de toegangspoort richting hel is. Door de gesloten gordijnen schijnt het het holst van de nacht. Hoewel al overdag. De waas die over mijn ogen sluiert, maakt het moeilijk de woorden te ontwarren die ik er gisteren aanbracht met het bloed van een valpartij. Elleboogbloed. Gück mal, Ich bin wieder abwesend. Het had erger gekund.   Dit pand buiten beschouwen gelaten is het best mooi wonen in dit niet onooglijk dorpje. Een pittoresk vissersdorpje dat grenst aan zee. Eens zo handig voor vissers. Het dorp heeft één kerk, één vishandel, één taverne, één café, één slagerij en twee warme bakkers. Voor het overige zijn de inwoners aangewezen op omliggende gemeentes. Er wordt tussen de handelaars van aangrenzende dorpen gratis vervoer geregeld in de hoop op die wijze meer klandizie te kunnen slijten. Niet concurrerende middenstand vrijt elkander op.   Zo’n jaar en een half geleden heb ik deze woning betrokken, uit noodzaak. Voor mezelf, voor mijn gezondheid, voor mijn omgeving. Waar ik zou belanden was van weinig belang. Zolang het maar ergens anders was. Van tijd tot stond is het nodig om andere oorden op te zoeken. Nieuwe omgevingen. Dus hier zitten we dan. In het hol van Satan.   Als je de voorzijde van dit gebouw aanschouwt, merk je meteen dat het geen hoogvlieger is in vergelijking met de andere huizen in de straat. Er is zelfs niet getracht de vaalgrijze, betonnen muur te verbergen. De betonkorrel die erop hangt steekt je bijna de ogen uit als je er te lang op durft staren. Om de structuur van dichtbij te bewonderen draag je best een veiligheidsbril.   Om de hoek vreet de zwarte aarde het huis langs achteren op. Met een oerwoud van onkruid op zijn kruin. De natuur heeft zich hier de vrijheid toegeëigend, heeft zijn lot in eigen handen genomen. En consumeert zonder weerga. Brokken land, kluiten aarde, vierkante meters grond. Tot juist daar waar het eerste cement gegoten is. Want daar durft het niet aan boord te gaan. Daar trekt het zijn schouders voor op. Het weet wat het kan, het kent zijn zwaktes.   De straat zelf is niet zo heel lang en biedt ruimte aan zes huizen en het enige dorpscafé. Ieder huis is behoorlijk verschillend van zijn buur. Statig wordt afgewisseld met rustiek. Modern met klassiek. Kleurschakeringen volop. Mijn straat is een kleurpotlodendoos van een chaotisch kind. Want daar heeft dit fictieve kind absoluut geen boodschap aan: sorteren van kleurpotloden. Het zal wel weten welke kleur het nodig heeft. Daar hoeft geen structuur in. Ook het slijpen van de potloden gebeurt in dienst van gebruik, waardoor ze onderling verschillen in lengte. Hier en daar zonder punt erop. En ook dat zijn de huizen in deze straat.   Wandel vanuit mijn voordeur naar het midden van de straat, draai een kwartslag naar links, en je ziet in de verte de zee. Wat je vanaf daar niet ziet, is dat ze afgebakend is door een rotsstrand. Ook niet zichtbaar in het midden van mijn straat is de moederklif waartegen het rotsstrand is geboren. Je ziet de straat overgaan in de blauwe zee. Als één rechte lijn. Een streep naar niets.   Enige tijd terug heb ik het huis gekocht. Stellen dat er zich toen een minimiem aantal kopers opdrong, is een understatement. Ik zat - samen met mijn ouders - als enige kandidaat koper in het dorpscafé. De rest van de aanwezigen kwam om zich te verkneukelen aan de loser die een som geld voor dit pand overhad. Maar ooit in het leven moét een mens iets. Et voila. We zitten ermee.   Het wordt nu toch stilaan tijd om de gordijnen open te trekken. De lichtstraal die zich daarbij een weg doorheen de muur lijkt te branden, bewijst dat het al ergens overdag is. Mijn besef van tijd is volledig verdwenen. Nu eerst de opgedane hoeveelheid alcohol uit dit tengere lijf verwijderen. Beneveld hijs ik mezelf op aan het boekenrek boven me en zwalp richting pispot. Hellepoort open.   De lichtschakelaar staat aan de zijkant van de lavabo in de badkamer. Ze klikt aan. De lamp heeft enkele schijnbewegingen in petto. Geflikker, een keer of vijf. LICHT. De spiegel boven de lavabo hangt vol met uitgespuwde tandpastavlekken en tandvleesbloed. Ik staar mezelf aan: uitgemergeld en lijkbleek. Ik merk dat ik geen kleren aanheb. Ach ja, het is ook geen zondag. Denk ik. De pompbak ligt bezaaid met baardhaar. De afgeschoren angels die mijn gezicht bedekten, verspreid over het witte porselein.   Het deksel van de toiletpot slaat open. De achterrand van de pot hangt vol. Door het absorberen van de lauwe zeikstraal weekt de vastgekoekte stront en kots gedeeltelijk los. Het schuift zachtjes naar benee om één te kunnen worden met het wc-water en de goudgele, onwelriekende urine. Het geeft me al bij al geen onaardig gevoel. Een gevoel dat ik toch nog in staat ben iéts op te lossen.   En geloof het of niet, maar daarmee slaat de euforie ook toe. Als ik ergens aanleg voor heb, is het in het vieren van nutteloze verwezenlijkingen. Veel heb ik al mogen vieren in mijn leven. En het wordt tijd voor de volgende uitspatting: er is iets opgelost. Niet het levensraadsel, maar toch … Ik verheug me er zo hard op dat ik te snel beslis dat ik uitgeplast ben. Een vlek verkleurt de tegels van de badkamervloer en sijpelt tergend langzaam tussen mijn tenen.   Een vochtspoor nalatend wandel ik terug naar de woonkamer. De drankkast naast de schouw is vervaardigd uit een oude, disfunctionele platenspeler met daaronder een kastje. Het is - naast de stoel - het enige meubelstuk in deze kamer. Teveel meubels scheppen verwarring. Verwarring en valse verwachtingen. De televisie plakt tegen de grond, stereo eveneens. De drankkast gaat open en ik kies de eerste de beste fles die zich aanbiedt. Absint, niet mis. Lieve Heer, laat deze vredevolle dag aanvangen!  

Bluyke
3 0