Zoeken

een dag uit het leven van een dichter zonder muze

De klokken van de kerktoren verder op de heuvel slaan vier keer. Ik draai me nog een keer om en zucht. Gelaten knip ik het lampje boven mijn hoofd aan, waarom weet ik niet precies. Misschien dat, als ik naar het plafond, de gordijntjes, de spullen in mijn kamer kan kijken, ik dan wat afleiding krijg van het lawaai in mijn hoofd. Het is alsof er een feestje gaande is in mijn kop waarop ik niet ben uitgenodigd maar dat me desondanks wakker houdt. Muziek die vraagt om vertaald te worden op papier. De opzwepende tonen lonken me om de slapeloosheid om te zetten in creativiteit. Woorden. Halfzinnen. Een gedicht. Ik overweeg een kijkje te nemen op het feest en mijn notitieblok erbij te pakken. Maar ik merk dat ik geen zin heb om het toe te laten, wetend dat ik ervan zal genieten en dan van geen ophouden weet. Kreunend hijs ik me recht en uit bed, richting wc. Terwijl ik langs de glazen achterdeur loop zie ik het schijnsel van de maan op de terrasstoelen in de tuin. Ik twijfel een seconde, maar grijp dan vastberaden de deurknop en stap op blote voeten de tuin in. De geur van oranjebloesem is overweldigend, de tuin ligt bezaaid met afgevallen witte blaadjes, wat de aanschijn ervan een sprookjesachtig waas verleent. Bleke blaadjes bedekken de bodem met bedeesde betovering… In de verte beukt de branding. Ik zuig de nachtlucht in die al een vleugje ochtend lijkt te bevatten. Minutenlang sta ik in het midden van de tuin, zonder mijn blik specifiek op iets te richten, zonder een wezenlijk scherpe gedachte. Ik zou ook gewoon op kunnen blijven en aan de dag beginnen, bedenk ik me. Hier wachten op het verkleuren van de lucht. Waarnemen hoe de geluiden schijnbaar ongemerkt veranderen. De nieuwe dag groeten. Ik moet er om lachen, want eigenlijk heb ik nog niet eens afscheid genomen van de vorige dag. Ik heb gisteren en morgen nog niet van elkaar gescheiden met ook maar een druppel slaap. Dat dan toch maar eerst even doen. Ik schuifel terug naar binnen, veeg nonchalant mijn voeten aan het tapijt en kruip weer onder de dekens.   Met een schok schiet ik wakker, een luid gebrom doet het plafond en de wanden trillen. Vroem vroem vrooeeemmmm. De zware motor van de buurman. Waarom hij dat ding steeds vijf minuten lang stationair laat draaien en daarbij regelmatig vol gas geeft is me een raadsel. Ik draai me om naar de wekker, zie dat het nauwelijks twintig over negen is en vloek luid. ‘Het is godverdomme zondag!’ In een impuls spring ik uit bed en ren de deur uit richting buren. Maar ik heb geen schoenen aangetrokken en het pad is modderig. Ik twijfel of ik er toch door zou lopen, maar dan moet ik zo meteen mijn voeten wassen voor ik weer in bed kan. Zucht. Nog terwijl ik met mezelf sta te overleggen zie ik de buurman zijn oprit afrijden op de motor. Hij ziet me niet staan en is al de hoek om voor ik kan zwaaien. Ik foeter in mezelf en heb plots zin om ergens tegen te schoppen. Tegen beter weten in ga ik naar binnen en kruip weer onder de dekens. Gauw genoeg moet ik echter plassen en voel ik mijn maag knorrend om aandacht roepen. Ik ga plassen, trek een trui aan over mijn slaapkledij, wrijf mezelf in de ogen en ga de keuken in. Koffiezet aan, radio aan. Dit wordt weer een geweldige dag.   Ik voel me niet in staat om iets productiefs te doen, laat staan om rechtop te zitten. Gewapend met een volle koffiekan en een dvd leg ik me languit op de bank. Ergens ver weg op de achtergrond hoor ik de overblijfselen van het feestje in mijn hoofd en overweeg nogmaals om er een kijkje te gaan nemen, maar ik voel me totaal leeg, een vod. Geen heldere gedachten of zin in creatieve bezigheden. Zelfs de witte blaadjes in de tuin komen me nu idioot over. Grrr. TV aan, dvd in de lader, play. Mentale slaap in de vorm van hollywood trash. Laat me allemaal met rust. Halverwege de film gaat de telefoon. Schoorvoetend sta ik op van de bank en zoek het kleinood tussen de rommel op de keukentafel. Frank. Ik laat de telefoon overgaan en wacht tot het geluid ophoudt. Ik neem de telefoon mee tot aan de bank zodat ik de volgende keer niet hoef op te staan. Alleen hoop ik van harte dat er niemand meer belt. En zeker Frank niet. Ik weet niet wat ik van hem moet denken en nog minder van wat er tussen ons is gebeurd. Nu is zeker niet het moment om daar over na te denken. Een korte biep geeft aan dat er een bericht is ingesproken op de voicemail. Ik negeer het en druk weer op play. Na de film zit ik nog een half uur naar het zwarte scherm te staren zonder me te bewegen. Ik weet dat ik in actie zou moeten schieten, Lonneke komt straks en ik kan me zo niet aan haar vertonen. Lonneke mag dan mijn beste vriendin zijn, ze is ook zo’n meid die er altijd irritant goed uitziet, zodat ik er zelf als een lelijke slons tegen afsteek. Ik zou er haar bijna om gaan haten. Ze komt straks mijn camera ophalen, ik hoop dat ze niet te lang blijft, haar vrolijkheid zou kunnen verslensen onder de hoge druk van mijn depressie. Of erger nog, ze zou mij er mee kunnen aansteken.   Lonneke waait als gewoonlijk met vrolijke zwier mijn huis binnen, geeft me een zoen en een warme knuffel. ‘Gaat het wel met je?’, vraagt ze met een diepe frons. ‘Hm-hm. Hoezo?’, antwoord ik ontwijkend. Ik wil niet alweer het negatieve element zijn en zeggen dat ik me kut voel. Maar ik zou beter moeten weten, Lonneke kijkt dwars door me heen. ‘Het gaat niet, ik zie het aan je. Is er iets gebeurd?’ ‘Ach Lon, ik heb gewoon slecht geslapen, dat is alles.’ ‘Tja, romantische avontuurtjes brengen slapeloze nachten met zich mee, hè’, voegt ze er met een ondeugende knipoog aan toe. éHeel grappig. Nee, ik heb alléén in bed geslapen vannacht. Nuja, in bed gelégen. Frank zie ik vanmiddag weer, er is een feestje bij Rob.’ ‘Rob, dat is die van daar op de hoek, toch? Is het zijn verjaardag ofzo?’ ‘Nee hij gaat een paar weken weg. Typisch hem, elke reden is goed genoeg voor nog een feestje.’ ‘Om hoe laat moet je daar zijn?’ ‘Euh, om vier uur geloof ik. Hoezo?’ ‘O, tja, ik had gehoopt dat je me nog even zou willen helpen met die fotoshoot. En ik zou je computer ook nog even willen gebruiken daarna. De mijne doet weer raar.’ ‘Natuurlijk, schat, geen probleem. Zeg maar wat ik moet doen’, zeg ik vrolijk, dankbaar om de aangeboden afleiding. Ik had me al afgevraagd hoe ik de dag weer zou doorkomen en waar ik de energie zou halen voor dat feestje. Na een paar flinke teugen Lonneke voel ik meteen weer de mogelijkheden van de dag door mijn aderen stromen.   Ze wil dat ik poseer voor haar foto’s maar ik hou de camera stevig in mijn handen geklemd. Ik ben dan misschien uit mijn slaapkleren geraakt – Lonneke is hoog bezoek voor de slonzen van deze wereld – maar voel me toch nog te verkreukeld om model te staan voor wat dan ook. Maar ook als fotograaf valt het me niet makkelijk, Lonneke is heel precies in wat ze wil en hangt het moeilijke model uit. Ik bijt op mijn tong, beseffend dat het niet haar buitensporige eisen zijn die me doen tandenknarsen, wel het slaapgebrek en het komende weerzien met Frank. Ik zet door en probeer me middels een portie gemaakte vrolijkheid ook werkelijk een beetje op te monteren. Wanneer ik de volgeschoten memory card in de computer schuif merk ik dat het zijn effect heeft. Ik voel een acute aandrang tot dronkenschap en lichtzinnigheid. Het is inmiddels drie uur en ik stel Lonneke voor een aperitief met me te drinken. Ze weigert en zegt dat ze nog veel werk heeft met het organiseren van de beelden. Ik haal mijn schouders op, neem een fles witte wijn uit de koelkast en zoek de opener in de la. Net op dat moment biept de telefoon. Een bericht van Frank. Of ik zijn voicemail heb gehoord. Of hij alvast zal langs komen voor een aperitiefje? Ik lieg dat ik nog werk heb met Lonneke, ik zie hem wel bij Rob om vier uur. Ik voel me nog niet klaar om mijn gevoelens onder ogen te zien. Onder invloed van een laagje alcohol gaat het vast beter. Lonneke zit te werken, ik drink en rook aan een fiks tempo. Voor een keer kan ik me niet laten afleiden door digitale impulsen, gezien Lonneke nu de computer, mijn bron van verslaving, bezigt. Ik observeer haar en laat mijn gedachten de vrije loop. Ze is zo geconcentreerd dat ze mijn gestaar niet opmerkt en ook mijn hersenen niet hoort kraken. Ik daarentegen wel, de muziek wordt weer luider, flarden feestgedruis wakkeren een onderdrukte tinteling in mijn wezen aan. Ik denk terug aan de Bleke Blaadjes en laat mijn geest vrij rond dwarrelen langs beelden en rijmwoorden. Ik schrijf niks op omdat ik voel dat het maar losse flarden zijn, ik zeil om de essentie heen. Wanneer een beeld van Frank voor me opdoemt weet ik dat ik de kern daarin moet zoeken. Maar ik wil het niet en duw het visioen van me af. Mijn gedachten laten dat echter niet zomaar gebeuren en gaan de strijd aan. Maar waarom dan niet? Waarom deze mooie romance niet als inspiratie laten dienen? Omdat het geen romance is. Het is alleen seks tussen twee eenzame volwassenen. Ach kom op, het is echt wel meer dan dat. Nee. En zelfs als het dat was, er is geen plaats voor in mijn leven. En al zeker niet in het zijne. Volgende maand gaat hij terug naar zijn vrouw en kinderen in Duitsland. Waarvan hij al tijden vervreemd is, dat weet je best. Maar hij blijft niet hier, het is maar tijdelijk. So what? Wil dat zeggen dat je niet oprecht mag genieten? Dat het in zichzelf niet waardevol kan zijn? Hm. Ik besef dat ik iets van mezelf vrij moet laten, ergens een deur op een kier moet zetten om dat genieten toe te laten. Ik weet dat het kan, maar ik weet ook wat er gebeurt als die deur steeds verder en verder gaat openstaan en alles zomaar binnen en buiten laat en de stroom van mijn wezen en het zijne daardoor op volle kracht laat vloeien. Niet denken aan morgen, je leeft toch alleen vandaag? Tja. Dat cliché is een waarheid als een koe, maar ook een zware last die ons altijd weer verplicht tot lichtheid. Hoe kan je verbinding aangaan en ze daarna weer zonder problemen doorsnijden? Ik begrijp dat het mogelijk is, maar het lijkt zo’n verspilde energie. Eerst vastmaken, dan weer doorknippen. Beter gewoon alles zo laten. Toch?   ‘Waar zit jij in ’s hemelsnaam met je gedachten?’, zegt Lonneke met een schalkse lach om haar mond. Ik ontwaak uit mijn gemijmer en zie dat ik het glas wijn in mid-lucht vasthoud en met mijn andere hand een sigaret boven de asbak laat zweven. Versteend in de tijd. Ik glimlach schaapachtig naar Lonneke maar antwoord niet. ‘Hoe laat is het eigenlijk?’ ‘Vijf over vier.’ ‘Shit, ik had er al moeten zijn.’ Een golf stress spoelt door mijn lichaam. Ik wil me nog even voor de spiegel opkalefateren, ik moet nog een fles wijn uitzoeken, ik moet mijn gedachten nog op een rijtje krijgen. Weten wat ik tegen Frank zal zeggen, hoe ik op hem zal reageren. Zucht. Ik besluit dat het kalf al verdronken is, helderheid van actie of gedachten zal er vandaag niet meer zijn. Dan de chaos maar omarmen en rustig nog een glaasje wijn drinken. Lonneke nipt mee van mijn glas, ze is even naast me op de bank komen zitten. ‘Niet teveel denken hè jij.’ Ze raadt alweer mijn inwendige kronkel. ‘Die Frank lijkt me een leuke kerel, sexy ook. Geniet er nu gewoon van. Je hebt het verdiend hoor.’ Ik kijk haar aan, geef haar een zoen als antwoord en lach haar breed toe. Ze heeft gelijk, natuurlijk heeft ze gelijk. Oké. Hop. Ik pak de eerste fles wijn die ik vind in de kast, trek mijn jas en mijn schoenen aan en vertrek richting Rob, met nog een knipoog naar Lonneke. ‘Niet te hard werken hoor! En als je weg gaat laat je de deur maar los.’   Het feest bij Rob blijkt een redelijk ingetogen vroegdiner te zijn. En ik die inmiddels zin heb in een portie uitbundigheid. Dan maar drinken en stiekem naar Frank kijken. We hebben elkaar begroet met een nette zoen op de wang, omdat niemand in het gezelschap van onze scharrel weet en we dat zo willen houden. Het zorgt voor een zekere spanning, die me aangenamer smaakt dan ik had verwacht. We gaan regelmatig samen een sigaret roken buiten en geven elkaar dan stiekem een zoen. Alsof we pubers zijn. Tussen het zoenen en de nicotinehalen door, probeert Frank met me te praten. Op zijn eigen, afstandelijke manier weliswaar. In halfzinnen. Zelf doe ik er, geheel tegen mijn natuur in, het zwijgen toe. ‘Ik heb je heel graag, weet je… als ik twintig jaar jonger zou zijn… Ik bedoel maar, ik vind je echt… Ik heb het echt fijn met jou…’ Ik ben dankbaar dat hij blijkbaar geen reactie verwacht, ik observeer hem in stilte. Hoe hij rondjes loopt terwijl hij praat. Hoe hij nooit naar me kijkt, alsof mijn aanwezigheid niet relevant is voor zijn boodschap. En dan zoent hij me weer en gaat naar binnen.   Ik had tijdens het aperitief een jointje gedraaid dat ik in mijn pakje sigaretten had gestopt. In plaats van uitbundigheid verlang ik ondertussen naar de gevreesde lichtheid. Het totale loslaten en deinen op de golven van de dag. De wijn helpt, maar ik ben ongeduldig en steek het jointje op. Verlangend neem ik diepe halen die ik wegspoel met grote slokken van de heerlijk frisse wijn. Rob komt het terras op en zegt dat het tijd is voor dessert. Hij snuift de geur van marihuana op en trekt een wenkbrauw omhoog, alsof hij wil zeggen ‘Jij? Dat had ik niet van je gedacht.’ Ik laat het dessert van kersentaart voor wat het is en bedien mezelf rijkelijk met meer wijn. De avond lijkt zich in slow motion voor mijn ogen verder te ontrollen. Alsof ik er geen deel aan heb, maar toch beter dan de andere aanwezigen begrijp wat er zich allemaal afspeelt onder het gelach en het geklets. Wat de werkelijke beweegredenen en onzekerheden zijn van eenieder. Rob die, smakelijk lachend om een idiote grap van Frank, vork na vork van de kersentaart naar binnen schuift. Een volle mond bij wijze van antwoord op nietszeggend gezwets. Eeuwig de gezellige gastheer, die Rob. Wat zou hij zonder de achtergrondmuziek van zijn lallende vrienden moeten? Eenzame cholesterolkaters beleven, keer op keer. Mijn scherpheid van geest registreert de plots overdreven dronkenschap van Frank. Hij heeft een monoloog aangevat die maar weinig samenhang lijkt te hebben, maar waar hij zelf schijnbaar veel voldoening uit haalt. Ik zie de meewarige blikken van de toehoorders, het brave geknik terwijl ze hun gedachten stiekem andere oorden laten opdwalen. Die van hun eigen sores. Ik zit als versteend het tafereel gade te slaan, niemand lijkt zich te storen aan mijn observaties. Ik geniet van het onzichtbaar zijn en speur gezicht na gezicht af. Wanneer mijn blik op Frank valt kan ik een scheut medelijden niet onderdrukken.  Zelfs ik luister niet naar zijn verhalen. Ik heb ze dan ook al duizend maal gehoord. Dat is nu eenmaal wat Frank doet. Verhalen vertellen over zichzelf, over vroeger, over wat dan ook. Altijd met de blik op een plek ver achter je. Alsof hij het hier en nu wil bezweren en nog even op een afstand houden. Ik besluit hem even met de neus op het huidige moment te drukken en sta abrupt op met de mededeling dat ik huiswaarts ga. Zondagavond, morgen weer vroeg op. Een platitude die nergens op slaat, ik hoef namelijk nergens voor op te staan en dat weten de aanwezigen ook. Maar ze gaan zo op hun eigen denkwerelden dat ze het graag voor waar aannemen. Frank lijkt uit zijn trance op te schrikken en vergeet meteen de draad van zijn verhaal. Een beetje stuntelig komt hij recht uit zijn stoel en zegt: ‘Dan ga ik ook maar. Het was gezellig Rob, dank voor het eten!’ Ondanks de algehele dronkenschap vrees ik toch een beetje dat het iedereen meteen duidelijk is dat hij met mij mee naar huis gaat. Maar mijn geest schommelt net zo snel weer de andere kant op – leuk neveneffect van de drugs – en ik denk ‘Ach wat doet het ertoe’. Ik voel een plotse aandrang om Frank weer in het hier en nu te krijgen middels een flinke portie mijzelf, naakt. De fantasie speelt zich echter enkel in mijn hoofd af en we lopen in stilte naar mijn huis. Frank komt binnen alsof hij thuis is en zijgt neer op de bank. Ik ga onmiddellijk de slaapkamer in en kleed me volledig uit. Ik roep naar hem: ‘Ik ben naakt, ik kruip onder de dekens!’ Hij komt de slaapkamer in en stapt op het bed toe. Hij streelt mijn gezicht, drukt een zoen op mijn lippen en zegt: ‘Ik ga naar huis, dat is vast beter.’ Ik wil hem vastgrijpen en hem toeschreeuwen dat hij moet blijven, dat ik ontzettend naar hem verlang. Maar ik zeg niks en laat hem gaan. Ik voel dat ik hem eindelijk wil toelaten, de deur gaat op een kier. Of hij blijft of niet doet op zich niet ter zake. Er komt tocht door de kier en binnenkort zal ik willen weten wat er aan de andere kant van die deur zit. Dat hij nu gaat voelt haast als een overwinning. Ik kan hem laten gaan omdat ik nu weet wat hij al langer weet: hij komt weer terug en klopt zich desnoods suf op mijn deur. Wat zal hij verrast zijn te merken dat die al open staan, de volgende keer als hij komt. De volgende keer… De gedachten tollen en galmen in mijn kop. Maar die is stoned en dus hoogst onbetrouwbaar. Waar dacht ik net aan? Hm. Ik geeuw en herinner me dat ik een flinke portie slaap in te halen heb. Ik draai me om naar de wekker en zie dat het nauwelijks tien uur is. Heerlijk, een extra lange nacht.   De komende uren zweef ik in een roes maar slaap niet echt. Om half twee is de roes uitgewerkt en ben ik klaarwakker. Het duurt even voor ik de geluiden op de achtergrond herken als het nog steeds lopende feestje in mijn kop. Ik klauter uit bed, rook een sigaret op de bank en pak mijn computer bij de hand. Niks notitieblok, niks aanmodderen. Het echte werk. Dansen tot ik erbij neerval.  

LL Rigby
0 0

er was eens een man

Er was eens een man. En er was een vrouw. De rest is geschiedenis, zou men denken. Maar uiteraard niet, lieve lezer. In deze tijden van egoïsme en angst is niets van dat alles nog vanzelfsprekend. Misschien moet ik opnieuw beginnen. Er was eens een man. Die had een vader. Die vader leed aan een ernstige ziekte genaamd melancholie. Alles was hem zwaar – of licht, al naargelang men het wil bekijken – en het was hem enkel mogelijk te leven met deze ziekte als hij bij tijd en stond zijn glaasje sterk kon achterovergooien. Het maakte alles zoals dat heet ‘draaglijk’. Voor hem weliswaar, niet voor zijn vrouw of zoons. Die konden zijn dronken vrolijkheid maar matig verdragen en hadden liever dat hij bij de dokter een remedie ging halen voor zijn ziekte.  Ze begrepen niet wat de ziekte inhield maar vertrouwden zoals elk rechtschapen mens op de wetenschap, die op alles een antwoord heeft. Wat ze niet wisten was dat wanneer vader enkele dagen trachtte het glaasje te laten staan, dat hij zich dan bij wijlen langer dan een half uur op de badkamer moest terugtrekken – toch langer dan een gemiddeld toiletbezoek dat vereiste – en wel om zijn ziel uit te huilen. Van blijdschap of hartverlammend verdriet. Verdriet om wat kon hij nooit zeggen, al zou iemand het hem gevraagd hebben. Verdriet om het leven, om alles wat hij om zich heen zag, om de mensen die elkaar toelachten hoewel ze daar eigenlijk geen zin in hadden. Deze man had meerdere zoons ter wereld gebracht, gebeurtenissen waarbij hij zichzelf toeliet openlijk te huilen, van blijdschap weliswaar. De zonen groeiden op tot verantwoordelijke, volwassen mannen. De jongste was echter, hoewel ook volwassen en verantwoordelijk, erg in zichzelf gekeerd. Hij sloot zich af voor mensen en hun gesprekken, beantwoordde vragen met een moeizaam gegrom. Hij bracht zijn vrije tijd door met lezen, muziek spelen en schaken. Vrienden had hij niet, dus schaakte hij online. De lezer vraagt zich inmiddels af in welke zin deze jongeman van bijna 28 een verantwoordelijk en volwassen mens kon zijn. Nu, hij had gestudeerd. Hij had een respectabele baan. Zijn collega’s mochten hem zelfs, maar vooral omdat hij een harde werker was, niet omwille van zijn sociale kwaliteiten. Hij huurde een appartement, betaalde zijn rekeningen, hield zijn zaken op orde en zijn huis schoon. Hij was verantwoordelijk. Dat hij volwassen was zullen we misschien in het midden laten, omdat dat nu eenmaal een dubieuze kwaliteit is. Wie van ons is volwassen? Wanneer is een man volwassener dan een ander? Daar valt uitvoerig over te debatteren, en vermoedelijk weet niemand het feitelijke antwoord. Misschien moet het woord ook maar worden geschrapt uit het woordenboek, ik heb het al te lichtzinnig gebruikt in de eerste regels en neem me voor om dat niet meer te doen. Op een dag zit onze man te schaken met een online ‘kennis’, die hem via de chat interface vraagt om een keer samen te gaan schaken, in ‘real life’, om zo te zeggen. Onze man schrikt en antwoordt vooreerst niet. Tot hij na twee glaasjes sterk – van vader geleerd – bedenkt dat er niets te verliezen is, en dat hij eigenlijk ook wel eens zijn antieke schaakbord uit de kast wil halen. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en gaat twee dagen later naar de plaats van afspraak. Te zelfbewust om meteen een glas sterk te bestellen vraagt hij een bier en drinkt het in één teug leeg. Hij bestelt er nog één en ziet een jonge kerel de bar binnenstappen. Het blijkt zijn schaakafspraak te zijn. Ze gaan zitten en onze man haalt zijn schaakbord tevoorschijn. Zonder al te veel onzinnige sociale interactie zetten ze zich aan het spel. En zo loopt het dat onze man wekelijks op café zit, menig biertjes tot zich neemt en af en toe wint, maar meestal verliest van zijn schaakpartner. Op een avond, na een uitzonderlijke overwinning, voelt hij zich krachtig en groot, en bestelt een fles sterk voor hun beiden. De ander nipt een beetje, niet gewend aan het zware spul. Ze praten over muziek, beiden zijn liefhebbers en spelen soms een riedeltje op respectievelijk de saxofoon en de gitaar. Ze besluiten een volgende keer op het appartement van de ander af te spreken om samen muziek te spelen. Wanneer de fles halverwege is begint onze man helemaal los te komen, hij ziet het leven zowaar rooskleurig en kijkt nieuwsgierig om zich heen naar de drukte in de bar. Hij kijkt naar de mannen en de vrouwen die om elkaar heen dansen, speurt hun gezichten af, bekijkt hun subtiele lichaamsgebaren. Hij grinnikt bij zichzelf. Hij is blij dat hij er allemaal geen deel aan heeft, maar voelt zich toch warm te midden van hun gespartel. Een week later stapt hij, gewapend met zijn gitaar en een fles sterk, op het huis van de ander af. Wanneer hij de woonkamer betreedt versteent hij ter plekke wanneer hij twee jongedames op de bank ziet zitten. Zijn vriend pakt hem vrolijk bij de schouder en trekt hem mee de woonkamer door, naar een kamertje achterin waar hij een hele muziekinstallatie heeft staan. Op zijn gemak gesteld plugt onze man zijn gitaar in en ze spelen samen twee uur lang alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Tussendoor leegt hij zijn fles sterk. Wanneer ze hun muzieksessie beëindigen en weer de woonkamer binnengaan laat hij zijn vrolijkheid niet dempen door de aanwezigheid van de vrouwen. Ze spreken hem aan en vuren vragen op hem af, de meeste beantwoordt hij met een verzinsel. De vrouwen merken zijn leugens blijkbaar niet op, waardoor hij telkens vrijpostiger wordt. Zijn vriend lacht hartelijk en klopt hem op de schouder. Jij bent er me eentje, kerel! Hahaha. Hij komt op dreef en zegt de grofste dingen, niemand neemt er aanstoot aan, ze lijken hem er alleen aardiger om te vinden. Er vloeien nog vele biertjes en de avond verloopt in uiterste hilariteit, hij is de ster van het gezelschap. De dag nadien bezint hij zich thuis over de avond en geeft zichzelf in gedachten schouderklopjes. Hij kon nooit goed met mensen omgaan, vond dat ze een heleboel onzin verkochten. Maar blijkbaar kan hijzelf nog grotere onzin verkopen en vindt iedereen het bovendien geweldig! Het doet hem moed vatten om de wereld in te gaan. Hij drinkt zich een paar glaasjes ter inspiratie en gaat op pad. Het eerste café dat hij tegenkomt stapt hij binnen. Het gejoel van de massa overweldigt hem – het is zaterdagavond – maar hij baant zich een weg naar de bar, vastbesloten om ook vanavond zijn nieuwe techniek op mensen toe te passen. Hij bestelt een biertje en spreekt de man naast hem aan, een dronken grijsaard die zich duidelijk al een tijd niet meer gewassen heeft. Vind jij douchen ook zo’n gedoe? Ik anders wel! Allemaal vrouwenonzin! zegt onze man terwijl hij de ouwe op de schouder klopt en luid begint te lachen. De ouwe deinst terug maar laat zich binnen een paar tellen meevoeren op de lach van de ander. Onze man heeft zichzelf heruitgevonden. Weken, maanden vol drank en gelach volgen. Hij maakt ‘vrienden’ op de gekste plekken. En waar niet gelachen kan worden, kan altijd worden geschaakt of muziek gemaakt. En in ieder geval gedronken. De drank en de wereld van onzinnige leugens voeren hem mee op een roes van avontuur en uitbundigheid. En dan was er een vrouw. Zoals altijd, in ieder verhaal, moet er, wanneer er een man is, ook een vrouw zijn. Dat is de wet van de literatuur, maar ook van het leven. Deze vrouw is niet de mooiste, niet de meest charmante, maar ze is anders dan de andere vrouwen. Ze lacht niet met zijn grappen. Ze wil de waarheid weten. Hij vertelt haar dat hij een baan heeft, vrienden, een mooi leven. Ze is tijdelijk tevreden gesteld. Ze vertelt hem in alle ernst over zichzelf, hij hoort het geboeid aan. Ze is zo open, en daardoor zo kwetsbaar dat het hem fascineert. De meeste mensen zijn zelden werkelijk eerlijk. Ze stelt voor om een keer samen iets te gaan eten. Onze man stemt in, ondanks zichzelf. Hij hunkert niet naar nabijheid, verlangt niet open en kwetsbaar te zijn. En hij voelt aan dat dit soort vrouw met minder geen genoegen zal nemen.  Maar ze maakt iets in hem wakker. Iets wat hem herinnert aan…  aan vroeger, aan onbezorgde jeugdige lentedagen. Toen hij nog een onhandige puistige slungel was en niemand hem dat kwalijk nam. Toen hij zich nog thuis voelde in de wereld. Hij heeft ooit één vriendinnetje gehad, tijdens zijn studententijd. Die was overigens verlopen zonder een donderslag. Het was een saaie maar bevredigende tijd geweest. Hij mocht boeken lezen en werd er voor beloond met mooie cijfers. Zijn vriendinnetje ontmoette hij tijdens een college. Beter gezegd, hij keek een keer geheel toevallig haar richting uit, terwijl zij net haar hoofd naar hem toedraaide. Om één of andere reden had zij dat heel bijzonder gevonden, ze kwam hem na het college achterna gelopen en vroeg hem om samen koffie te drinken. Ze stelde hem geen enkele vraag en daar was hij dankbaar om. Ze praatte aan één stuk door over het boek dat ze aan het lezen was. Het kon hem wel vermaken, in tussentijd keek hij onbeschaamd naar haar gezichtsuitdrukkingen als keek hij televisie. Toen het beeld uit de tv plots op hem toe dook om hem een zoen op de lippen te drukken was hij nog teveel in trance om geschokt te zijn. Bovendien was het een bijzondere sensatie, een stel lippen op de zijne. En zo was de rest van hun verhouding verlopen. Zij praatte, zoende hem, verwende hem. En hij keek toe en liet het gebeuren. Seks hadden ze veel en uitvoerig. Hij deed wat zijn gevoel hem ingaf en blijkbaar viel dat in de smaak. Hij vond vrijen heerlijk, net als muziek spelen. De vingers over snaren laten glijden of over borsten. Het eigen genot zoeken zonder schroom. Zonder woorden. Na een half jaar moet ze plots in de gaten hebben gekregen dat hij al die tijd nauwelijks een woord met haar had gesproken, en als een hysterische begon ze hem uit te vragen. Hij klapte dicht en de zoenen hielden op. Maya heet ze. Deze nieuwe vrouw die hem verwart.  Die hem verplicht tot spreken over zichzelf, iets waar hij een bloedhekel aan heeft. Toch kan hij zich niet van haar afkeren. Hij gooit nog regelmatig onwaarheden en grapjes in zijn verhalen, die ze met een opgetrokken wenkbrauw aanhoort. Ze weet dat het leugens zijn, en in zekere zin voelt het op die manier alsof hij haar de waarheid vertelt. De waarheid ligt in het ongezegde, en in de reden waarom ze elkaar blijven opzoeken. Ze schijnt geen gevoelens voor hem te koesteren, maar zoekt desondanks zijn gezelschap zo vaak ze kan. Ze is nieuw in de stad en is blij iemand te kennen, ook al is dat een onberekenbare leugenachtige dronkaard. Op een avond ontmoeten ze elkaar toevallig op de stoep voor het café waar onze man reeds vele uren heeft gesleten. Hij nodigt haar uit voor een drankje en het worden er veel. Om onduidelijke reden heeft ook zij die avond behoefte aan lichtzinnigheid. Ze laat zich meedrijven op het gelach en de obsceniteiten van het gezelschap. Want ze zijn niet alleen, onze man verzamelt in een handomdraai een boel bekenden om zich heen, een doordeweekse avond verandert in een uitgelaten feest. Maya bevindt zich in een wereld waar ze vanuit haar nuchtere zelf op neerkijkt, maar eigenlijk vooral niet begrijpt. Nu ze zich erin onderdompelt, ziet ze plots wat een mooie kleuren de tropische vissen om haar heen hebben. Ze baadt zich gewillig en vol overgave. Een week lang ziet of hoort onze man haar niet. Tot zijn verjaardagsfeest. Ze komt laat, moest zogezegd nog bij andere vrienden langs. Tegen de tijd dat ze arriveert is onze man reeds op een muzikale, met alcohol doordrenkte high en geeft enkele wilde gitaarsolo’s ten beste aan het verzamelde gezelschap van bekenden. Enkelen doen met hem mee en zetten een ronde improvisaties in, met ter plekke bedachte teksten die  bijdragen tot de algehele hilariteit. Maya aanschouwt de scène en weet zich er rationeel van te distantiëren, maar iets in haar onderbuik protesteert en doet haar anders kijken naar de halvegare die zijn gitaar staat te verkrachten. Ze herkent het gevoel vaag en laat het gedwee toe, maar blijft zitten in de hoek van de kamer. Ze neemt nog een slok wijn. En nog één. Ze neemt ondanks zichzelf een trek van een joint die haar wordt aangereikt door iemand die ze nooit eerder zag. Ze lacht en drinkt nog meer wijn. Van onder haar wimpers kijkt ze steeds weer naar onze man, die haar aanwezigheid alweer lijkt te zijn vergeten. Het feest gaat onverwijld verder, mensen komen en gaan. Tot ergens halverwege de ochtend , wanneer nog slechts drie over zijn, onze man, zijn schaakmaat en Maya. De schaakmaat trekt zich terug in de logeerkamer, Maya ligt in een roes met de ogen dicht op de bank. Onze man tokkelt een eenvoudige melodie op de gitaar. Hij denkt dat Maya slaapt en schrikt wanneer ze overeind komt en hem bij de kraag van zijn hemd naar zich toetrekt. Ze zoenen zich een ongeluk op de bank en maken het af in de slaapkamer. Maya is onder de indruk, ook al kan ze niet meer helder denken. Onze man is meer dan ze had durven denken. Ze valt in slaap en denkt vaag Ach, morgen… In de ochtend is alles licht, de zon wurmt zich binnen door alle spleten en kieren, vrolijkheid moet en zal er zijn. Maya glimlacht breed maar vreest het einde van de roes en vertrekt na een vluchtige zoen. Door omstandigheden zien ze elkaar een paar lange weken niet. Bij beiden is het verlangen gewekt naar meer – ondanks zichzelf. Beiden bevragen zichzelf en begrijpen niet. Willen liever anders, en ook weer niet. Iets in het fysieke contact tussen de twee was waarheid. Was dat wat woorden nooit zullen kunnen zeggen. Ze sturen elkaar berichten waaruit hun beider terughoudendheid, maar ook hun verlangen duidelijk blijkt. Gesterkt door de onzekerheid van de ander durven ze hun gevoelens de vrije loop laten. Bij het weerzien is er geen twijfel en stappen ze resoluut op elkaar toe om die ene kus, dat ene gevoel te mogen ontvangen, voelen, drinken. Toch houden ze zich de rest van de avond betrekkelijk gedeisd. Ze zitten bij haar thuis op de bank en praten, lachen, drinken. Waar de gesprekken over gaan zullen ze zich later allebei niet herinneren, omdat ze aan elkaar geregen worden door zoenen en hartstochtelijke omhelzingen, die ze telkens weer beëindigen, als was het iets wat ze nog even willen opsparen. De pot vol zoete honing niet in één teug leegdrinken. Toch belanden ze samen in bed, maar door al het uitstel is er iets verschoven, het hoogtepunt hebben ze al achter zich gelaten. Ze proberen met overgave te vrijen maar voelen zich allebei uitgeput en niet bij machte om lang door te gaan. Het is een lichaamsdans van een tweeëenheid, terwijl dat niet is wat ze bij elkaar zoeken. Er is eenheid, ergens tussen hun, ergens in de regionen tussen de zoenen en het gelach. De tijd die komt zoeken ze elkaar vaak op, en zoeken ze middels afstoten en aantrekken naar dat ene middelpunt, dat hier en daar om de hoek komt kijken maar zich toch telkens weer verschuilt. Het is uitputtend en beiden graven in hun ziel op zoek naar begrijpen. Zij in de vorm van woorden, hij van muziek. Zij denkt het antwoord gevonden te hebben en besluit met hem te praten. Het is te vlug, ze kennen elkaar niet voldoende, als het zo moet zijn dan gebeurt het vast nog. Hij zegt niks en kruipt, zonder tegenspraak, weer in zijn schulp. Hij gaat verder waar hij was gebleven vóór Maya. Hij leest, drinkt, speelt muziek en schaak. Op een dag komt hij thuis van een drinkavond en vindt een brief op zijn voordeur geplakt.  Van Maya, om te zeggen dat haar verlangen zo groot is dat ze toch bij hem wil zijn, ook al wil ze het eigenlijk met haar verstand niet en is het vast geen goed idee. Onze man zucht diep en kruipt onder de wol. Teveel woorden. De volgende ochtend wandelt hij naar haar huis, onderweg zichzelf afvragend waarom eigenlijk. Die woorden verstoren zijn evenwicht, hij wil ze niet in zijn kop horen nagalmen en raakt met elke stap meer geïrriteerd. Tegen de tijd dat hij bij haar deur is aangekomen weet hij werkelijk niet meer wat hij daar doet. Ze opent de deur zonder dat hij heeft aangebeld, alsof ze voelde dat hij daar stond. Hey! zegt ze vrolijk, maar haar gezicht vertrekt al gauw in een vraagteken. Ze durft geen stap te zetten. Hij wil haar omhelzen en doet dat ook. Hij omhelst haar uit onmacht, uit verwarring, uit angst om een woord te moeten uiten. En hup, daar is het weer. Dat moment, dat gevoel. De omhelzing mondt uit in een passionele kus die urenlang lijkt te duren. Ze weten beiden niets te zeggen, weten niet waar te kijken. Ze staan een tijd in stilte maar beginnen algauw weer te zoenen, want dat is alles wat nog zin heeft. De dagen die volgen hebben ze het beiden druk met vanalles, maar ze slagen erin elkaar tussendoor op te zoeken voor korte of lange zoenen. Aan het eind van de vierde dag hebben ze eindelijk allebei een avond vrij, en hoewel onze man tegen dan vreselijk bedronken is, slagen ze er toch in om een passionele nacht te delen. De hartstocht, het verlangen is zo groot dat het hun overstijgt. Hun lichamen gaan tekeer en laten geen ruimte voor zoenen. Zo blijven ze dus nog steeds op een afstand van het grote gevoel. Ze besluiten het te negeren en zich over te geven aan de fysieke bevrediging. De ochtend na deze nacht is onze man verwarder dan ooit. Er waren geen woorden en toch is hij geïrriteerd, ongemakkelijk. Deze vrouw doet hem verlangen naar dingen die hem mateloos beangstigen. Hij voelt zich teleurgesteld over de nacht hoewel die wild was en zonder woorden. Het was op een perverse manier bevredigend, maar. Maar wat weet hij niet. Hij kronkelt in zichzelf en bedenkt manieren om haar die dag uit de weg te kunnen gaan. De nacht schijnt op haar het omgekeerde effect gehad te hebben, ze straalt en lacht haar breedste lach naar hem. Hij draait zich om en gaat wandelen. Ze komt hem nagelopen en drukt hem een zoen op de lippen, die hij louter fysiek beantwoordt. Ze voelt het en fronst, maar voor ze iets kan zeggen is hij weg. Hij drinkt en drinkt en drinkt. Hij lacht en lult met een nieuwe ‘vriend’, waarmee hij over muziek praat tot ze er beiden bij neervallen. Ze vallen ook letterlijk neer, ergens tussen de ochtendschemer en het kraaien van de haan. Wanneer onze man ontwaakt aan de kant van de weg is hij alleen. Hij haalt zijn schouders op en wandelt naar huis. Waar Maya op hem wacht. Hij wordt boos op haar om iets onbenulligs, haar ogen worden groot en ze opent  haar mond om iets te zeggen maar doet het niet. Ze blijft zitten op zijn bank terwijl hij in bed kruipt. Ver ver weg hoort hij haar snikken, hij valt in slaap en slaapt de heerlijkste slaap die hij in tijden sliep. De volgende ochtend staat hij op, zet koffie, tokkelt op zijn gitaar en speelt online schaak. De dag verloopt zonder een rimpeling. Tegen de avond proost hij met zichzelf om een geslaagde dag en drinkt een halve fles sterk om de waarheid op een afstand te houden. De waarheid laat zich niet meer zien. Maya ook niet.

LL Rigby
0 0

de bus

De 26 was laat vandaag. Twintig minuten van het ene been op het andere. En wanneer de bus uiteindelijk arriveerde zat ze propvol, typisch. Na enig gewurm vond ik een plekje dat me voldoende stabiliteit bood, in de hoek tegenover de middendeur. Daar hield ik me rustig terwijl de andere mensen duwden en vochten om elke centimeter. Ik was gelukkig op mijn microruimte, tussen twee oudjes die uit hun mond stonken en die bij elk heen en weer geschuifel steen en been klaagden. Ik dankte de goden dat ik niet meteen een stoel had gevonden, de elementaire beleefdheid zou me immers algauw gedwongen hebben mijn zitje af te staan, waardoor ik alleen maar zou achterblijven met het verscheurende verlangen naar het reeds ervaren genot van het zitten. Enkele haltes van geharrewar later vormden we uiteindelijk een clubje van vier daar in de hoek tegenover de middendeur. We hielden stand als de rechtmatige eigenaars van het verworven terrein: twee jongemannen, een tienermeisje en ik. We keken naar elkaar met ogen van erkenning en respect en steeds naar de anderen met een meewarige maar zelfvoldane blik. We genoten in stilte van onze superieure positie en waren niet zinnens onze privileges af te staan aan het eerste het beste oudje. (overigens was dat niet nodig want de anderen schenen niet in de gaten te hebben hoe comfortabel we daar wel stonden) Mijn stilzwijgende observaties leidden me plots naar de rugzak van het meisje en ik zag dat de rits van het voorste zakje half open stond (je weet wel dat zakje waar je gemakkelijk je sleutels en portefeuille in kwijt kan maar dat doe je niet want iedereen weet dat je op die manier bestolen wordt). Ik twijfelde enkele ogenblikken of ik haar zou aanspreken – want ik spreek niet gemakkelijk een vreemde aan op de bus –, toch gaf ik haar uiteindelijk een zachte tik op de linkerschouder en zei “Zal ik je rits sluiten? Ze staat open” (Je moet weten dat het haar volstrekt onmogelijk was zelf haar rugzak te sluiten.) Eerst bekeek ze me met een wantrouwige en uit haar lood geslagen blik – typerend voor mensen die plots door een volslagen vreemde worden aangesproken – maar dan zei ze “Ja, ja, dank u… doe maar…” Ik sloot dus de rits en alles werd weer zoals het was: geduw en getrek, gezucht en wanhopige blikken rondom, wij de rust zelve, ieder aan zijn paal geschraagd. Na een aantal minuten draaide het meisje zich met alle macht om, de paniek was op haar gezicht af te lezen. “Mijn portefeuille… mijn portefeuille zit daar in!” Ze wrong zich in een bocht en liet met veel moeite haar rugzak van haar schouder zakken en opende de rits. Van waar ik stond viel er geen portefeuille zien. Van waar zij stond blijkbaar ook niet. “Neeeeeeeeee…. !!!” klonk haar gesmoorde kreet, uitzinnig. Naïef als ik ben, zei ik haar “Rustig, het is vast niets, hij is er waarschijnlijk gewoon uitgevallen.” Maar in plaats van naar de grond te kijken, bleef ze mij stomweg aangapen en ging vervolgens verder “Nee, nee... ze hebben me bestolen… hier, nu net… het is op de bus gebeurd!” Ze was zeker van haar stuk en ze had ongetwijfeld gelijk, maar ik bleef aandringen dat ze de grond zou afzoeken voor het geval dat. Er gingen seconden voorbij, ogenblikken van totale verbijstering in ons clubje van vier. In realiteit waren we slechts met drie beginnen te praten (het typische gesprek van “ach wat jammer”, “hoe erg voor je”, “ik vond het al vreemd dat je ritssluiting openstond, vandaar…” enzoverder.) De vierde stond daar maar, zonder een woord te zeggen. In het begin stond ik er helemaal niet bij stil, hij was waarschijnlijk verlegen en niet in de gewoonte in het openbaar gesprekken aan te knopen – net als ikzelf, uiteindelijk. Maar ergens halverwege de woorden en de blikken die we met z’n drieën uitwisselden, overviel me een vreemd gevoel dat me eens te meer bewust maakte van de aanwezigheid van de vierde. Zonder echt naar hem te kijken zag ik hem toch vanuit mijn ooghoek, hij bewoog niet. Misschien was het meisje wel diegene die zich nog het minst van hem bewust was; op een bepaald moment stond haar blik op oneindig, alsof ze al bezig was het probleem verder op te lossen, daarbij elke gedachte over het hoe en waarom achter zich latend. Dan nam ze opeens haar telefoon uit haar zak, ze twijfelde duidelijk of ze nu niet of wel zou bellen, misschien naar haar moeder, mogelijk naar degene waarmee ze had afgesproken aan het einde van het bustraject. Ze besloot niet te bellen, nam haar rugzak stevig onder de arm en begon zich een weg naar voren te worstelen, richting buschauffeur. Ik kon moeilijk raden wat ze die precies te vertellen had, omdat ik ten zeerste twijfelde aan de invloed die de buschauffeur op het gebeurde zou kunnen hebben. Toch zag ik haar een lang gesprek met hem voeren, en van zodra hij het voertuig stilhield aan de volgende halte sprong het meisje van de bus. En zo bleven we met drie achter in onze comfortabele hoek tegenover de middendeur, die ons plots lang niet meer zo comfortabel toescheen, en we dachten aan het gebeurde en voelden mee met het meisje. We waren ook dankbaar dat het deze keer ons niet was overkomen. Ik zeg ‘we’ omdat ik eigenlijk niet wilde twijfelen aan de vierde, die nu zo plots de derde was geworden. Ik wilde mijn blik niet langs zijn broekszakken laten glijden, niet langs zijn te uitdrukkingsloos gezicht. Ik wilde niet denken aan wat ongetwijfeld de tweede aan het denken was. Maar ik deed het wel. Ik bedacht dat het op zijn minst vreemd was dat hij de enige was die geen woord had gesproken. Ik bedacht dat zijn hand precies ter hoogte van die ritssluiting was geweest gedurende de hele tijd dat we daar met ons vier quasi onbeweeglijk hadden gestaan (quasi). Ik dacht ook aan de tijd vóór we daar met vier waren beland, toen het meisje nog in de gang tussen het volk stond gedrukt, maar ik bedacht dat de mensen rondom haar toen allemaal oudjes waren geweest, afgezien van een Boliviaanse vrouw die druk bezig was met haar dochtertje. Ik dacht aan waarom ik niet kon zeggen tegen de derde “laat eens zien wat er in je zakken zit, voor het geval dat…” Ik kon me niet van de twijfel bevrijden, uit pure elementaire beleefdheid, uit respect voor de vrijheid van het individu. Ik bedacht hoe vreemd het was dat iedereen onschuldig is zolang zijn schuld niet bewezen wordt. Er was immers een gemakkelijke manier om na te gaan of hij schuldig was of niet, hij zou de portefeuille nog bij zich hebben, zonder twijfel. Maar als zijn zakken leeg bleken te zijn, wat dan? En toen bewoog hij zich. Hij verliet ons clubje, drukte op de bel, en enkele seconden later zagen we hem uitstappen. Ongetwíjfeld had hij dezelfde zure smaak in de mond als wij, ongetwíjfeld dacht hij na over hoe zoiets kon gebeuren in nauwelijks een ogenblik en zonder dat we het hadden gemerkt. Maar misschien, heel misschien, was hij uitgestapt met een immens gevoel van overwinning, een glimlach van oor tot oor. Een inwendige glimlach in dat geval, want toen ik hem nakeek zag ik zijn immer uitdrukkingsloze gezicht in de verte verdwijnen. Achter ons stopte nog een 26 – leeg.  

LL Rigby
0 0

eleonoor

De schaduw van de boom drapeert zich parallel aan haar dijen.  De boomkevers tjirpen luidruchtig, maar Eleonoor hoort het niet.  Ze zit met haar ogen dicht de geuren, intens als de walm van versgebakken wafels in een kleine keuken, in te drinken. Een beeld van een man dringt zich aan haar op. Een man, robuust en imposant als een mythologisch figuur. Ze ziet zijn gezicht niet maar voelt zijn warme adem in haar nek. Een hond blaft in de verte. Vage verlangens vullen haar gemoed. Verlangens die ze nooit zal kunnen bevredigen. Eleonoor is ‘anders’. Werelds genot is niet voor haar weggelegd. Eleonoor voelt zich inderdaad anders dan de anderen, maar weet niet precies waarom. Voorbij de struiken, aan de rand van het water, ziet ze beweging. Ze richt zich een beetje op en ziet de gestalte van een jongen die een meisje met lange paardenstaart naar zich toetrekt. Hun gezichten plakken aan elkaar. Ze lijken niet los te komen, ze draaien een beetje naar rechts en dan weer naar links, maar het schijnt niet te lukken. Eleonoor kijkt weer naar de lijnen van de boomschaduw en haar benen. Ze let erop om haar knieën niet te buigen zodat het samenspel niet verstoord wordt. Van achter de struiken hoort ze kleine gilletjes van het meisje. Ze gaat weer rechtop zitten om te kunnen zien wat er gebeurt. Maar de hoofden zijn inmiddels achter de struiken verdwenen. Ze zullen zijn gaan liggen, zoals ik, denkt Eleonoor. Op school willen ze allemaal haar vriendinnetje zijn. Ze komen altijd naar haar toe, tijdens de pauzes en tijdens het middageten in de kantine. En dan gaan ze allemaal rond haar staan en zingen liedjes en lachen luid. Eleonoor lacht dan mee, maar om één of andere reden vinden de andere meisjes dat niet leuk en gaan weer weg. Eleonoor hoort nu heel vreemde geluiden van achter de struiken. Het meisje lijkt pijn te hebben, ze kreunt en schreeuwt. Eleonoor zou willen gaan kijken wat er aan de hand is, maar ze wil het patroon van haar benen en de schaduw niet verbreken. Ze meent een gesmoorde hulpkreet te horen, daarna een klap en dan niets meer. Eleonoor spitst haar oren, maar het is volledig stil achter de struiken. Ze haalt haar schouders op en kijkt weer naar het schaduwspel van de bewegende takken vóór haar voeten. Ze glimlacht en probeert haar armen te laten bewegen op het zelfde ritme. Wanneer broer plots naast haar komt zitten, lijkt Eleonoor het eerst niet te merken, zozeer gaat ze op in haar dans met de boom. ‘Noortje, ik had je toch gezegd op het bankje te wachten? Ik heb als een gek naar je lopen zoeken!’ Eleonoor kijkt hem aan maar lijkt hem niet te zien. ‘Noortje!!’ Broer staat  op, grijpt haar bruusk bij de arm en trekt haar met zich mee naar huis. ‘Kan je nou nooit eens normaal doen?’,  verzucht hij gefrustreerd. Normaal… Eleonoor vraagt zich altijd af wat ze met dat woord bedoelen. Ze sjokt een beetje scheef achter broer aan, erop lettend dat elke stap die ze zet precies landt waar broers schaduw zich beweegt.

LL Rigby
0 0

geknipt

Een klein dorp ergens in Europa, 1974. Een man loopt over een zandpad door de velden, het hoofd gebogen, de schouders gekromd. Onder zijn oksel een kappersset. Niets aan het voorkomen van deze man doet vermoeden dat hij ooit rijk en succesvol was. Dat hij ooit de mooiste dame uit de streek tot zijn vrouw had gemaakt en een gemakkelijk leven genoot dankzij de vier goeddraaiende kapperszaken die hij eigenhandig uit de grond had gestampt. Dat hij ooit gelukkig was. De wandelende man loopt langs een kleine boerderij en groet bedrukt maar vriendelijk een oude vrouw die aan de voordeur onder de luifel zit. Hij haalt zijn set onder zijn arm vandaan en toont het haar, bij wijze van vraag. De oude vrouw schudt verontschuldigend het hoofd. Zo loopt deze man, dag in, dag uit, over alle paden en wegen van de dorpen, langs de huizen en boerderijen, langs tavernes en bordelen.  De mensen groeten hem steeds meewarig. Ze kennen zijn verhaal, hoewel slechts in grote lijnen. Ze durven hem er niet naar vragen, waarschijnlijk uit angst zijn dappere maar breekbare voorkomen te kraken. Het verhaal gaat, dat hij op een dag alles kwijtraakte, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn kapperszaken. Er zou een andere man mee gemoeid zijn, een vertrouwenspersoon in de zaak, maar dat zijn slechts speculaties van kwade tongen. In ieder geval  verloor hij alles, onder dubieuze omstandigheden. En sindsdien wandelt hij door de dorpen, met zijn oude kappersset onder de arm. Waar hij kan haalt hij zijn set onder de arm vandaan en knipt haren of scheert een baard. Op de drempel van een huis, op straat, in de tavernes. Na elke knip- of scheerbeurt krijgt hij wat geld toegestopt, doorgaans genoeg om zich ergens één of twee glazen rode wijn te bestellen. Zo komt hij de dagen door. Met elke haal van de schaar snerpt de pijn van het verlies door zijn botten. Met elke teug wijn vergeet hij weer.

LL Rigby
0 0

voortzetting van een verhaal

Rik kijkt uit het raam en ziet de wereld beneden hem bewegen. Hij ziet een oude man, gebogen over zijn wandelstok, langzaam naar de tramhalte schuifelen. Vaag ziet Rik er de poëzie van in, zoals hij dat vroeger altijd deed. Elk nieuw beeld was toen een mogelijke aanzet tot een nieuw verhaal. Hij zag overal schoonheid in, de rauwe schoonheid van het werkelijke leven. Hij had het geluk er zijn geld mee te hebben verdiend. Tien goed verkopende romans in amper vijftien jaar. Hij wordt nu al bij de Vlaamse klassiekers gerekend. Niet dat Rik om de roem geeft. Schrijven is voor hem een noodzaak, zoals ademen en eten. Hij kan eenvoudigweg niet door de wereld wandelen zonder overal verhalen te zien. Het gesprek op de hoek van de straat tussen een traditioneel geklede moslima en haar modern uitziende puberdochter. De tristesse in de ogen van de Pakistaanse verkoper in de nachtwinkel waar hij steevast iedere avond een nieuw pakje Chesterfields koopt. De stad en al zijn kleine fotografische momenten hadden hem succes en een zekere weelde geschonken. En nu was het op. Zijn bron was opgedroogd, hoewel de beelden nog steeds door zijn blikveld liepen. Maar de pellicule leek wel vol, niets bleef hangen, geen enkel fragment ontspon zich in zijn hoofd nog tot een verhaal. Het leek alsof hij een ander opnameapparaat nodig had, een andere omgeving, beelden in andere vormen en kleuren.   Niet dat hij nog hoéfde te schrijven. Maar hij wist nu eenmaal niet wat anders met het leven aan te vangen. Hij bezat vrouw noch kind, en vriendschappen beperkten zich tot een gedeeld glas aan de bar van een willekeurig café. De meest diepgaande contacten van de laatste jaren waren die met de journalisten. Die wilden weten wie hij werkelijk was. Hun nieuwsgierigheid prikkelde ook de zijne. Er was één journaliste in het bijzonder geweest die hem zover had gekregen dat hij echt over zijn leven ging nadenken. Nadine De Smet, heette ze. Een truttige dame van rond de vijftig, die onverwacht scherp uit de hoek kwam en hem met de neus op zijn treurenswaardige levensloop wees. Afgezien van zijn romans had hij niks van belang bereikt in het leven. Ze vroeg zich af waar hij de inspiratie haalde om zo levensecht te schrijven, om zo te schrijven dat de verhalen herkenbaar werden voor mensen van alle afkomsten en leeftijden. Hij moest wel veel levenservaring hebben. Veel mensen kennen. Veel gereisd hebben. Rik kon zich geen van al deze dingen toeëigenen. Hij kwam nauwelijks achter zijn raam vandaan, had nooit veel vrienden gehad en was nooit verder van huis geraakt dan Cap Gris Nez aan de Franse kust, om zijn broer een keer te bezoeken die daar al twintig jaar woonde met zijn vrouw. Na jarenlang aandringen hadden ze het voor elkaar gekregen dat hij hen zou bezoeken voor de kerst. Een keer en nooit meer. Hij had bronchitis opgelopen van de strandwandelingen in de ijskoude decemberwind en ze hadden elkaar niks te vertellen gehad.   Rik probeert nog een keer een verhaal te beginnen, zijn vingers zweven boven de toetsen van zijn oude schrijfmachine. Hoe langer hij twijfelt over het eerste woord, de eerste zin, hoe minder hij weet wat hij eigenlijk wil schrijven. Hij heeft helemaal niks te zeggen. Hij zucht en loopt de keuken in om thee te zetten. Kamille. Vaste prik rond negen uur elke avond. Om goed te kunnen slapen. Het is nauwelijks kwart over zeven, maar Rik bedenkt zich dat hij de dag net zo goed kan afronden. Morgen gaat het vast beter.   Ward ijsbeert door zijn cel. Hij zou willen rennen of boksen, hij heeft een teveel aan energie. De enige mogelijkheid in deze kleine ruimte is echter ijsberen. Als hij een celmaat zou hebben zouden ze samen een beetje kunnen sparren. Hoewel dat vast niet zou mogen van de cipier, maar als ze het stil zouden doen… Tina is niet op het bezoekuur verschenen. Hij is teleurgesteld maar zet een masker van boosheid op. Teleurstelling en verdriet zijn geen gedoogde emoties in de bak. Je bent stoer en boos, of stil en teruggetrokken. Ward koos maar voor het eerste. De andere optie ligt dichter bij zijn persoonlijkheid, maar hij vreest daardoor in het vizier te komen van de bullebakken die altijd een slachtoffer zoeken. Dat hij niet met Tina heeft kunnen spreken of haar heeft kunnen zien maakt hem razend – maar eigenlijk dus verdrietig. Hij heeft een enorme nood aan de gesprekken met haar. Hoewel hij in alle eerlijkheid zou durven bekennen dat het net zo goed met iemand anders zou kunnen zijn. De bak maakt hem harteloos, vreest hij. De waarheid is dat hij van Tina houdt. Maar zijn verlangen naar een luisterend oor heeft niks met liefde te maken. Het is een kwestie van leven of dood. De gedachten in zijn hoofd gaan als een razende tekeer. Elke keer na het bezoekuur lijkt hij minstens voor een deel ontladen. Nu Tina niet is geweest neemt de drukte in zijn hoofd toe. Hij ijsbeert nog een goed halfuur door, in stevig tempo. En gaat dan maar opdrukken.     Het duurt weken vooraleer Rik nog een fatsoenlijke zin op papier krijgt. Op een ochtend gaat de bel, met tegenzin loopt hij naar de deur. Hij krijgt nooit bezoek, wie zou hem ook bezoeken? Dus hij weet dat het een verkoper of een getuige van Jehova moet zijn. Misschien levert het de broodnodige inspiratie op. Rik grijpt zich vast aan elke strohalm, dezer dagen. Het is geen verkoper, ook geen getuige van Jehova. Het is een jongeman die verderop in de straat woont, tenminste dat beweert hij. Rik heeft hem nog nooit gezien. Of Rik elektriciteit heeft? Die van hen doet het niet, hij probeert na te gaan of het een algemeen probleem is of enkel bij hun. Op dit uur van de dag is er bijna niemand thuis in de straat. Rik meldt de jongeman met uitgestreken gezicht dat zijn elektriciteit het prima doet, anders had hij overigens de bel niet gehoord. De jongeman knikt fronsend en verontschuldigt zich. Dan ligt het probleem dus bij hen thuis. Rik vraagt of hij de hoofdschakelaar al heeft gecheckt. De jongeman kijkt hem aan alsof hij net een schunnig woord heeft uitgesproken. De wat? De hoofdschakelaar. In de elektriciteitskast. Rik schat de jongeman achteraan in de twintig, in ieder geval oud genoeg om een basiskennis van elektriciteit te hebben – of van wat dan ook. Hij staat er zo hulpeloos bij dat Rik ondanks zichzelf aanbiedt om even mee te gaan kijken.   Wanneer hij terug thuis komt voelt hij zich ontzettend moe. Nochtans was het klusje op tien minuten geklaard. Negen daarvan hadden ze doorgebracht op zoek naar de elektriciteitskast, de jongeman en Rik. Iemand anders leek er niet in huis te zijn. Toch kreeg Rik de indruk dat het een druk bewoond huis was. Overal rommel en kleren, de keuken duidelijk goed gebruikt. De geuren kwamen hem Indiaas voor, hoewel de jongen er niet bepaald Oosters uit zag. Eerder… Italiaans? Zijn Nederlands was vlekkeloos, vast een derde of vierde generatie migrant. Iets aan de jongen had Rik doen denken aan… Tja, aan wat of wie? Hij kon er de vinger niet op leggen, maar hij wist dat er ergens een oude herinnering langzaam uit de winterslaap van zijn geest kroop. Want hoewel hij aan juffrouw De Smet had laten uitschijnen dat zijn leven van begin tot eind zonder veel deining was verlopen, was dat niet de volle waarheid. Er was een jaar geweest dat… hij moest toen ongeveer de leeftijd van de jongeman hebben gehad… toen was het even anders geweest. Maar toen schreef hij ook nog niet. Rik schudt de vage herinnering koppig van zich af. Alles vóór het schrijven, voor de boeken en de roem, was niet van belang. Het enige leven dat hij bezat, dat hij waardeerde, was dat waarin hij achter de schrijfmachine zat. Het leven waarin hij niet langer leefde in de echte wereld, maar des te meer op papier.   Ward heeft tijdens de middagluchting een kerel zien zitten op de binnenplaats met een boek in de hand. Luchting noemen ze het in de bak. Een half uur frisse lucht op een binnenplein met vier hoge muren eromheen. Je kon er op zijn minst wat rondjes rennen, maar verder was het eerder een marteling dan een cadeau. Na elke luchting moesten ze weer de duffe lucht van hun hol in. Het wees hen elke keer weer op wat ze vooral niet hadden. Zuivere CO2. Ruimte. Tijdens het avondeten was Ward naast de kerel met het boek gaan zitten. Een behoorlijk risico, hij wilde niet door de bullebakken opgemerkt worden terwijl hij met een sufketel zat te praten. (Ward vond de woordenschat van de bak soms erg lachwekkend. Luchten, sufketels en bullebakken, het leek wel een soort kindertaaltje. Maar het was allemaal stoer bedoeld natuurlijk. En hij had zelf ook voor stoer gekozen.) Hij probeert zijn beste bullebak-stem boven te halen wanneer hij de jongen uitvraagt over het boek. Waar hij dat gehaald heeft en wie denkt hij wel dat hij is, meneer de intellectueel. De sufketel staart hem in stilte aan, Ward meent zelfs een minuscule glimlach om zijn mondhoek te zien verschijnen, die de knul wijselijk verhult door zich gauw over zijn eten te buigen. Nauwelijks hoorbaar mompelt hij Ward toe dat hij aan de cipier een boek kan vragen. Dat er een heuse bibliotheek bestaat, ergens in de ondergrondse gangen van de bak. Ward twijfelt of hij zou doorvragen, zijn stoere pose staat op het spel als hij te lang bij de knul blijft zitten. Toch is zijn nieuwsgierigheid te groot. Hij vraagt wat voor boek hij dan moet lezen, hij heeft geen idee. Heeft nooit wat gelezen. De knul raadt hem het boek aan waar hijzelf nu in bezig is, hij heeft het bijna uit.   Rik ontwaakt midden in de nacht, iets wat hem nooit overkomt. Misschien is het omdat hij nu al dagen vroeg naar bed gaat. Te vroeg eigenlijk. Hij besluit op te staan en nog maar een kamillethee te zetten. Nog vijf uur te gaan voor het daglicht door de gordijnen op zijn inmiddels stoffige schrijfmachine zal schijnen. Terwijl hij slaperig aan het aanrecht in de keuken staat schiet een beeld door zijn hoofd. Een kleine ruimte, kaal, zonder kleur of versiering. Een beeld uit een droom. Rik herinnert zich zelden iets van zijn dromen. Hij maakt zichzelf wijs dat hij droomloze slapen slaapt, hoewel hij wel weet dat dat niet klopt. Hij herinnert het zich gewoon nooit. Het beeld blijft in zijn geest hangen. Meer dan een beeld is het een gevoel, van benauwdheid, eenzaamheid. Rik heeft geen idee van wat hij precies gedroomd heeft, maar hij voelt aan dat het iets te maken heeft met de buurjongen. Iets aan die knul heeft een gevoel in hem wakker gemaakt. De waterkoker springt uit, ten teken dat het water gekookt heeft. In plaats van zijn mok te vullen loopt Rik echter op een impuls naar de woonkamer, die in een vreemd licht baadt. Hij lijkt te slaapwandelen, hij weet zelf niet wat hij hier doet. Zonder verder nadenken loopt hij op het raam toe en kijkt voor een keer niet naar de straat beneden hem, maar naar de lucht. Een heldere, bijna volle maan verlicht de hele hemel en geeft de plukjes wolken eromheen een bijzonder schijnsel. Rik beseft met een schok dat hij dit soort tafereel een keer eerder zag. Lang geleden…   Ward slaapt de volgende dagen slecht. Hij probeert te bedenken hoe en wanneer hij de cipier zal vragen naar het boek. Hij heeft de knul niet meer durven aanspreken, maar hij gaat ervan uit dat die inmiddels het boek wel uit heeft. Ward begrijpt niet waarom dit thema hem zo rusteloos maakt, het is maar een boek, jezus man. Hij spreekt zichzelf toe vanuit zijn persoonlijkheid als stoere bullebak maar doorprikt zelf de onechtheid ervan. Als hij maar kon sporten, of met Tina praten. Ze is nu al ruim een week niet meer geweest. Hij mist haar, en ook weer niet. Hij zit hier nog wel een tijdje, dus het heeft geen zin om haar te missen. Tijdens de bezoekjes mag hij haar niet aanraken. Toen het besef begon door te dringen dat hij haar maanden, misschien wel jaren niet zou kunnen, mogen aanraken of zoenen, begon hij zich langzaam van haar los te maken. Maar hij wilde wel dat ze bleef komen. Hij moet kunnen praten. Met haar, met wie dan ook. Met iemand waartegen hij niet de stoere hoefde uit te hangen.   Weken later, Ward loopt weer te ijsberen. Het is midden in de nacht. Hij denkt aan het boek. En het verlangen dat hij voelt. Waarom weet hij niet, maar het boek is een obsessie voor hem geworden. Hoewel hij weet dat hij het maar hoeft te vragen, lijkt het een onbereikbaar iets. Een heilige graal. Een vermoeden van… een nieuwe wereld. Hij durft de gedachten eraan soms niet toe te laten. Hij vermoedt in de gedrukte woorden een soort geheime boodschap, een uitweg. Maar hij is bang voor wat dat zou kunnen betekenen. Al zou hij in alle geheim in zijn cel lezen, het zou zijn stoere pantser onherroepelijk verpulveren. Dat voelt hij, weet hij. En hij vreest het verliezen van zijn pose. Niet eens omwille van de bullebakken. Omwille van zichzelf. Hij vreest een waarheid te ontdekken die zijn verblijf hier ondraaglijk zal maken. De uitzichtloosheid onhoudbaar. En toch verlangt hij. Meer dan hij ooit naar iets verlangd heeft. Hij kijkt uit het kleine raampje van zijn cel en ontwaart een glimp van de volle maan, die de nachtelijke hemel verlicht op een manier die hem een besluit doet nemen. Morgenochtend.   Rik bevindt zich voor zijn schrijfmachine. De ochtend is nog steeds veraf, het water in de waterkoker inmiddels weer koud. Hij weet werkelijk niet wat hij hier doet, waarom hij niet terug naar bed gaat. Hij is nooit het soort schrijver geweest dat diep in de nacht creatieve hoogtepunten bereikte, geen reden dat het nu wel zo zou zijn. En toch… Iets zeurt en knaagt aan zijn onderbewustzijn. Wat was de naam van die knul ook weer? Rik beseft dat hij het niet weet omdat hij het niet heeft gevraagd. Wat was het dat hem herinnerde aan… Aan wat ook weer? Rik schudt zijn hoofd en moet lachen om zichzelf. Een schrijver van middelbare leeftijd met een writer’s block die nu al maanden duurt, die ’s nachts achter zijn schrijftafel kruipt omdat een buurjongen… omdat de maan… Belachelijk. Toch zweven zijn vingers richting toetsen. De kleine ruimte doemt weer op voor zijn geestesoog. Wordt scherper. Hij ruikt de muffe lucht, alsof… Helder als het maanlicht ziet hij plots dat hij in die ruimte is geweest, ooit, lang geleden. Toen hij nog leefde in de wereld buiten het papier. Alsof hij zich wil vergewissen van het bestaan van het papier raakt hij werktuigelijk het lege blad in zijn schrijfmachine aan. Een golf emotie stroomt even onverwacht als vanzelfsprekend door hem heen. Het papier, de letters, de woorden en de zinnen. Hij herinnert het zich weer, hoe het alles veranderde. Hoe niets ooit meer hetzelfde was. En dan, eerst twijfelachtig, maar algauw met zijn gewone elan, maken zijn vingers contact met de toetsen en schrijven het eerste woord, de eerste zin. “Ward ijsbeert door zijn cel.”   Het boek in zijn handen voelt vreemd en toch vertrouwd. Ward weet dat hij voorbestemd is dit boek te lezen. Dat het alles zal veranderen, dat er geen weg terug meer zal zijn. Hij savoureert het moment en neemt zijn tijd. Het lastige deel is achter de rug en bleek inderdaad, zoals de sufketel had gezegd, verbazingwekkend eenvoudig. Hij vroeg de cipier ’s ochtends vroeg bij het openmaken van de cel of hij een boek mocht uit de bibliotheek. Of hij een voorkeur had, thrillers of detectives. Bij het horen van titel en auteur was de cipier zichtbaar verrast, maar verdoezelde het snel met een stuurs Oké, en nu, voortmaken! Diezelfde avond bij de avondklok lag het boek al op zijn brits. Voorzichtig draait hij het bundeltje papier met beduimelde kaft om en om in zijn handen. Hij leest de titel en de naam van de auteur, met aandacht. En eerbied. Als een gelovige die op het punt staat een heiligdom te betreden. Hij ademt nog een keer diep in en uit en slaat dan het boek open op de eerste bladzijde. Hij begint te lezen. “Rik kijkt uit het raam ziet de wereld beneden hem bewegen.”  

LL Rigby
0 0

Fragment

Zelfs hier in Cadiz kan ik mijn ogen niet van de vrouwen afhouden. Nochtans is dat precies waarvoor ik mezelf enkele weken naar Zuid-Europa heb verbannen. Ik heb tijd voor mezelf nodig. Of toch op z’n minst een periode weg van het vrouwelijk schoon. Parels voor het zwijn dat ik ben geweest. Maar dat gaat veranderen. Dat beloof ik plechtig. Ja, ik voel me schuldig. En schuldgevoel is exact datgene wat me ertoe heeft aangezet dit verhaal te schrijven. In een bar in La Linea zag ik hoe de ondergaande zon de rots van Gibraltar langzaamaan verduisterde. Tot er niets van overbleef. Ik nipte van mijn Sagres, slikte de eenzaamheid weg en bladerde in Pessoa. Die had ik van haar gekregen. De dag dat ik haar vertelde dat we er beter mee konden ophouden. Mijn wandeling in de straatjes van Gibraltar was geen lange conversatie, maar een diep stilzwijgen. Eenzaam in de luide massa wierp ik mijn schaamte, die op me brandde als de huid van Herakles, van me af. Non plus ultra. Er is meer dan zelfreflectie in het leven. Misschien moest ik maar eens volwassen worden. Ze was lang niet de enige wiens hart ik tot gruzelementen had vermalen. Meer dan eens ervoer ik hoe gemakkelijk het was om iemand door middel van puur goede bedoelingen en oprechte emoties toch heel hard te kwetsen. Het enige onontbeerlijke ingrediënt daarvoor was interesseverlegging. Een hartstocht die even gauw gaat liggen als hij was gekomen en die mezelf slechts minimale schade berokkent, maar bij het slachtoffer van mijn amoureuze uitspattingen voor niets minder gaat dan perte totale. Een emotionele lawine die haar hart nog maanden in een coma zal houden. Verschillende vrouwen zijn in die val getrapt. Zo ook ikzelf. Keer op keer. Want als ik niet telkens opnieuw rotsvast geloofde in de liefde die ik voelde, zou het meisje in kwestie nooit zo snel haar verdedigingsmechanisme hebben laten vallen, en zou de schade dus zeer beperkt zijn gebleven. Ik ben een player, een casanova, een don juan, die net als Don Quichote in zijn eigen wereld leeft, gelooft in de beloftes waarmee hij menig vrouwenhart sneller doet slaan. Mijn Heilige Graal is een Ware Liefde die niet bestaat, maar waar ik me aan vastklamp alsof mijn geluk ervan afhangt. Overmorgen neem ik de trein naar Sevilla, dan naar Barcelona, en zo hoop ik via ook nog Nice, Genua, Triëst en de Balkan uiteindelijk Griekenland te bereiken. Ik ga afkickverschijnselen krijgen. Ik zal honderden mooie vrouwen tegenkomen en ik ga hen met rust moeten laten. Er zijn genoeg harten vertrappeld, genoeg doden gevallen.

Gert Vanlerberghe
0 0

UITGELOKT

Eigenlijk was het zijn eigen schuld. Dieter had het dier geprovoceerd door een krassend geluid na te bootsen. Hij had direct spijt. Zoals hij daar zat, met zijn vleugelpunten rustend op de stoep, had de kraai wel iets weg van de controller van zijn spelcomputer. Alleen, die had voor Dieter geen geheimen; hij kende elk knopje, elke trick en magic skill. De kraai daarentegen was onberekenbaar. Bij dieren, zeker bij vogels, wist je nooit wat ze dachten, wat ze gingen doen. De kraai keek hem na, terwijl Dieter huis-aan-huisbladen in de brievenbussen propte. Toen hij terugkeerde bij het begin van de straat zat de vogel er nog. ‘Opzouten!’ De kraai bleef zitten waar hij zat. Dieter deed nog twee stappen naar voren en liep er toen in een boogje omheen. Hij bloosde. Zijn laffe gedrag bleef vast en zeker niet onopgemerkt. In deze kleinburgerlijke straat zat altijd wel iemand naar buiten te kijken. Het leek goed te gaan, maar zodra hij weer een stap op het trottoir zette, kwam de vogel met trage sprongetjes achter hem aan. Dieter schoot een voortuin in. De Nee-Nee-sticker op de klep van de brievenbus bevestigde zijn kansloze actie: toen hij zich omdraaide had de kraai het paadje van gewassen grindtegels geblokkeerd. Dieter zat in de val. Haastig rolden zijn klamme handen een krant tot koker, maar nauwelijks op tijd. De kraai klapte met zijn vlerken en plotseling was zijn kop vlakbij, de snavel maximaal opengesperd. Kraa! Kraa!’ Dieter maaide in blinde paniek om zich heen en met een doffe klap belandde de kraai in de voortuin. Hij bleef roerloos liggen. ‘Klote beest!’ Dieter rilde, zijn T-shirt plakte aan zijn rug, en de hand waarmee hij de krant had omklemd vertoonde een perfecte afdruk van het voorpagina-artikel.   De week erna lag de kraai er nog steeds. Hij zag er wonderbaarlijk ongeschonden uit. Dieter keek verbaasd naar de verveloze voordeur, daarna naar het grote raam van de woonkamer waar vrouwentongen als zwaarden door de gesloten luxaflex staken. Waarom hadden die mensen dat beest niet even opgeruimd? Over een paar dagen zou de buik met een plof openbarsten in een misselijkmakende orgie van honderden krioelende maden.   Een week later verwachtte Dieter dat de zomeravondlucht zwanger zou zijn van een penetrante kadaverlucht, maar het rook net als anders: naar bloemkool. Tóch opgeruimd, dacht hij, maar tot zijn ontsteltenis lag de kraai nog steeds in de tuin, zijn klauwen in de lucht. Wat een gore lui had je toch. Dieter keek een tijdje naar de kraai en grijnsde. Hij zou die mensen een handje helpen. Hij vouwde een krant open en legde die als een dekentje over de vogel. Hij walgde van het gewicht, maar bovenal van de warmte. Behoedzaam droeg hij het pakketje naar de voordeur. En toen pulseerde er iets onder de krant. Hij deinsde achteruit, verwachtte een explosie van rottingsgassen, maar de uithaal van de puntige snavel die hem vol in zijn rechteroog trof, was het laatste wat hij zag aankomen.

Grand Foulard
0 0

Coke-cooning

Aan het geluid te horen, zat de stemming er al aardig in toen ik met mijn vrouw de woonkamer binnentrad. Een zeer ruime kamer waarvan het salongedeelte goed bevolkt was. ‘Aha, daar zijn jullie’, riep mijn collega van de universiteit terwijl hij naar ons toekwam. Hij draaide zich om en riep de anderen: ‘Mag ik jullie voorstellen, mijn collega, een fysicus met zijn echtgenote.’ Handen werden geschud en iedereen stelde zichzelf voor, de meesten ook met zijn of haar beroep. We kregen een plaats aangewezen op een grote hoekzitbank. ‘Wat mag het zijn?’, vroeg mijn collega met een drinkbeweging. ‘Voor mij een gin-tonic, graag’, antwoordde mijn vrouw, waarna ik een whisky zonder ijs vroeg. Hij bediende ons snel met de drankjes. Ik proefde van mijn glas. Een milde whisky met een fruitige smaak. Ik vermoedde een twaalf jaar oude Glenfiddish of iets in dat genre. Pas later zag ik de bevestiging van mijn vermoeden aan een typische Glenlivetfles die op de bar stond. Ik zat er wat onwennig bij, terwijl mijn vrouw al gauw een gesprek had aangeknoopt met haar buurvrouw. Het was voor mij een onverwachte uitnodiging van een collega, die mij uit mijn ivoren toren wilde losweken en meer onder de mensen van diverse pluimage laten komen. Ik bestudeerde het gezelschap. Het zag er op het eerste gezicht een gezellige bende uit, tamelijk sportief gekleed en lichamelijk van uiteenlopende grootte en breedte. Er waren zeven mannen, veertigers en vijftigers, schatte ik, en zeven vrouwen van wie de leeftijd wel iets meer was gespreid. Met de diverse beroepen leek het gezelschap op een mini serviceclub. De gesprekken liepen door elkaar. Ik hoorde naast mij vragen: ‘Hoe heb je dit huis gevonden?’ ‘Ik ken dit huis en zijn eigenaar al lang. De verkoop van dit pand is ooit in mijn studie gepasseerd. Je kan dit hier huren voor een dag, een week, een maand, zo kort of zo lang je maar wil’, antwoordde de notaris met een zekere air. Ik kon de bankfiliaalhouder, drie plaatsen verder, horen vertellen dat het nettoresultaat van Inbev voor het tweede jaar na elkaar gedaald was zodat het niet opportuun was om nu aandelen te kopen. Het ging verder nog over Mittal-Arcelor, maar ik werd onderbroken door mijn buurman die plots zei: ‘Zo, en jij bent een vieze kus’, en luid lachte. ‘Jawel, maar die is al een ouwe’, zei ik en glimlachte fijntjes. ‘Ik ben rechter en dit hier is een procureur’, zei hij terwijl hij de man naast hem uit zijn gesprek haalde en hem omarmde. ‘Aangenaam’, zei ik kort. ‘In de rechtbank ben ik de regisseur en hij verdeelt de rollen, twee in elk toilet’, zei hij en schaterde het uit. De procureur liet een cynische ‘hahaha’ horen en draaide zijn hoofd terug naar de dames met wie hij bezig was. Wat een verwaande, boertige kwast en dat voor een rechter. Ik wou opstaan en een andere plaats nemen, maar twee dingen hielden mij tegen. Ten eerste, ik had die plaats toegewezen gekregen en het zou onbeleefd zijn om te ruilen, zeker nu de zitbank en alle stoelen bezet waren. Ten tweede, mijn echtgenote, die toch graag in mijn buurt bleef, was lekker aan het keuvelen met de dame naast haar. Aan de andere kant van de zitbank riep er iemand plots luidkeels: ‘Zwijg, dat gebouw heeft mij bijna een faillissement gekost.’ De gesprekken stokten en alle hoofden draaiden simultaan in de richting van de aannemer. ‘Komt ervan als je net voor belangrijke beslissingen aan de coke zit’, brak iemand de stilte. ‘Nu je over coke spreekt, dokter. Wordt het niet stilaan tijd?’, vroeg de advocaat. ‘Wie trakteert hier eerst?’, vroeg de rechter. ‘Ik zal het ijs breken’, zei de aannemer. ‘Hier heb je twee zakjes’, zei hij en smeet twee plastic minizakjes op de salontafel. ‘Hoe is het mogelijk. Je moet toch maar eens leren de juiste term te gebruiken. Snowsealtjes, heet dat’, zei de advocaat belerend. ‘Potvolkoffie, snowzeeltjes of wat dan ook, als het spul maar van goede kwaliteit is. Dat is wat telt.’ De notaris riep zijn vrouw toe: ‘Lieve, breng de schaaltjes.’ Een dame met een nogal opvallend, klassiek kapsel stond op en liep naar de keuken. Ze kwam terug met twee blinkende roestvrije schaaltjes en gaf ze aan de procureur. Die ging op zijn knieën voor de lange lage salontafel zitten, als ’t ware in een ceremoniële houding voor wat komen zou. Iedereen keek stil toe. Hij pakte een sealtje, trok het voorzichtig open en deponeerde de inhoud op een schaaltje. Nadat hij met iets dat leek op een scheermesje in een houder het witte poeder nog wat fijn had gehakt, verdeelde hij het minutieus over tien gelijke lijntjes, twee aan twee, die hij met het mesje nog eens netjes uitlijnde. Hij was als een kok die een bord prepareerde en deed dat met een cachet alsof het zijn beroep was. Hij herhaalde het protocol met het tweede sealtje op het andere schaaltje. Vervolgens opende hij een sigarettenkistje en nam er een aantal dunne rolletjes van wit glanzend hardboard uit. Onbewust viel mij dat tegen, omdat ik verwachte dat de portefeuilles zouden opengaan en biljetten van ten minste honderd euro zouden verschijnen om er een rolletje van te maken. Zo had ik het mij altijd voorgesteld uit de films waar ze met een honderd dollarbiljet de klus klaarden. De rechter had de eer de zitting te openen. Hij snoof gulzig twee lijntjes op, kneep opeenvolgend elk neusgat dicht terwijl hij telkens nog eens hard snoof. Hij gaf het schaaltje door aan de procureur. Ik bestudeerde nauwgezet het gezelschap. Ik zag telkens de lijntjes verdwijnen, nog even snuivend aan de neus vingeren en dan de gezichten veranderen. Gelukzalige blikken, de mondhoeken lichtjes naar beneden als teken van stijgend zelfvertrouwen. Het viel mij op dat slechts twee vrouwen aan de ceremonie deelnamen en allebei ook minder uiterlijk reageerden op hun gesnuif. Plots kwam er een schaaltje voor mijn neus. Er lagen nog slechts twee lijntjes op. Ik was blijkbaar de laatste en iedereen keek afwachtend naar mij, behalve mijn vrouw die mij eerder een argwanende blik toewierp. ‘Zou jij dat wel doen? Je zit al regelmatig aan de Avamys met je neusproblemen.’ Die blikken. Ik behoorde die avond nu eenmaal tot dit exquise gezelschap. Ik zou geen zwakheid demonstreren en moest mijn mannetje staan. Dus doen. Nu of nooit. Ik haalde diep adem alsof ik mij voorbereidde op het record hoogspringen. Ik blies de adem uit en snoof een lijntje op. Ik herhaalde de ademcyclus om het tweede lijntje in mijn andere neusgat te laten verdwijnen. Met de rug van mijn hand wreef ik mijn neus af, een handeling die blijkbaar afkeer opwekte volgens de samengetrokken gezichten van sommige mannen. De kamer werd ineens helderder. Ik voelde mij super in mijn vel. Mijn vrouw keek nog altijd afwijzend. Ik pakte haar stevig vast en gaf haar een kus. Hoe kan je zo kijken, het leven is toch mooi, niet? Had ik dat nu gezegd of gedacht? Het geroezemoes van het gezelschap vervaagde. Ik stond daar boven. Onbewust ging ik rechtstaan en legde het gezelschap het zwijgen op. Ik bekeek eerst een voor een de toehoorders aandachtig met een energieke blik en vertelde daarna hoe je een olifant kon vangen met een Grieks-Latijns woordenboek, een verrekijker, een pincet en een luciferdoosje…

Bert Bergs
0 0

De infiltrant

Ik ben niet bang. Nooit gedacht dat ik dat op een moment als dit nog helder in m’n hoofd zou kunnen prenten. Ik ben niet bang, hoewel ik meer reden heb om bang te zijn dan ooit tevoren. Terwijl mijn hoofd een zelden geziene, filosofische kant van zichzelf lijkt te hebben gevonden, duwt de zwaar behaarde vent me wat verder de container in. De geur van kleverig gedroogd fruit in combinatie met de muffe containerlucht doet m’n lege maag krimpen. Na 3 dagen lijk ik voedsel niet eens meer te missen. Een soort permanente waas van high, of hoe vasten je heel wat geld aan drugs zou kunnen besparen. De filosoof in mijn hoofd is vast een neveneffect van het acuut gebrek aan eten. Jammer, mijn vriendin had die diepzinnige ik vast interessanter gevonden de het kille lief dat ik de afgelopen maanden was geweest. Zonder veel finesse strompel ik voorover wanneer de man me met de achterkant van z’n geweer in de rug port. Hoe hard, koud en stoffig de containervloer ook mag zijn, liggen voelt als een wollige deken na een winterwandeling, dicht mijn hoofdfilosoof. Veel te gelukkig om me in deze allerminst aangename situatie te bevinden, nestel ik m’n hoofd op mijn samengevouwen handen en heel even waan ik me thuis. Thuis in ons Ikea-bed op een van onze doelloze zondagochtenden, die we vulden met croissants en seks. Amber toch, wat heb ik je aangedaan? Waarom was ik niet de man die ik eigenlijk voor je wilde zijn? Waarom moest net ik me aanbieden om deze zaak op te lossen, net nu we eindelijk weer samen gelukkig konden worden? “De aard van ’t beestje. Eens thrillseeker, altijd een thrillseeker”, had mijn moeder wel eens –trots op haar nieuwe, Engelse vocabulaire-verkondigd. Voor Amber was dit allesbehalve een troost geweest, meer een soort reden om me in al haar liefde nog meer te haten dan ze voordien al deed. God, wat zie ik haar graag. Drie dagen geleden zou ik me doodgeschaamd hebben voor de zielig onderdanige positie waarin ik me nu bevond- gelukzalig glimlachend, in foetushouding voor een gewapend strijder die me liefst zo snel mogelijk wilde afmaken. De trots is samen met mijn levenslust vertrokken. Doodgaan, hoe egoïstisch ik het van mezelf ook vind, is het mooiste wat me nu nog te wachten kan staan. De strijder roefelt wat in z’n achterzak en ik ben ervan overtuigd dat hij iets zal bovenhalen wat m’n dood alleen maar pijnlijker zal maken. Met verraad van Het Verbond, wordt bij die mannen niet gelachen. Even denk ik dat de vastenwaas me nu ook al hallucinaties bezorgt, als ik zie dat het voorwerp dat uit de zak van z’n lelijke groen-katoenen broek komt een eenvoudige iPhone is. Ik hoor mijn broer nog steeds monologen afsteken over de miserabele prijs-kwaliteitverhouding van die dingen en bedenk me dat geen broers zo verschillend konden zijn dan wij twee. Hij de econoom, ik de nuchtere infiltrant, de miseriezoeker die zo nu en dan al eens wat bendes wist op te rollen.  Met zijn vette vingers, die typen op zo’n touchscreen er waarschijnlijk niet makkelijker op maken, vormt hij aarzelend het nummer dat op de achterkant van een rekeningetje gekrabbeld staat. Een rekeningetje van Mc Donalds, merk ik verdacht helder op. Niet dat ik iets anders van deze obese, woesteling verwacht had, maar het blijft me storen dat niemand zich ook maar iets van de nutritionele waarde van voeding lijkt aan te trekken. Mijn afgedwaalde gedachten landen prompt terug op de containerbodem wanneer de vent me zijn iPhone aanreikt. Ik verwachtte de Leider te horen, die me een laatst mogelijke keer zou inwrijven dat mijn missie naar de knoppen is. Hij zou dan beschrijven hoe ze mijn dood zouden filmen, op Youtube posten en iedereen er zo van overtuigd zou zijn dat met Het Verbond niet te sollen valt. De stem die uit de speaker van de smartphone komt, lijkt in geen jaren op de hese gekir van de Leider. Ze weten wat psychologische oorlogsvoering is, die gasten, want deze stem is inderdaad dé manier om mijn laatste levensminuten pijnlijker dan mogelijk te maken. Het is haar stem, haar zachte volle stem. Lager dan de meeste mannen gepast zouden vinden voor een vrouw, maar zo vertrouwd, zo zoet. Haar stem is gezwollen van woede. Zonder ook maar iets aan mij te vragen begint ze me uit te schelden. Dingen over foto’s van een brunette op stiletto’s, scheidingspapieren en teleurstelling. Zonder dat ik ook maar een woord kan uitbrengen- in de veronderstelling dat ik daar op dit moment toe in staat zou zijn- schreeuwt ze dat ze dat ze nooit van me had mogen houden en begint schortend naar adem te happen terwijl haar uithalen afvlakt naar vermoeidheid en verdriet. Ik hoor iets te zeggen, niet? De filosoof in m’n hoofd weet het even ook niet meer. Het enige wat ik weet is dat ik verdomme zo graag zou willen dat dit een film was en er me nu op miraculeuze wijze iemand de kracht gaf die dikke vent knock-out te slaan, te ontsnappen en terug te gaan. Terug naar Amber. Ik zou haar ten huwelijk vragen, er zouden een paar wilde jaren verstrijken en dan zouden we kinderen hebben en nog lang en gelukkig leven. Einde verhaal. Aftiteling en opgewekte muziek. Amber snikt nog steeds en tegen alle regels der mannelijkheid in merk ik dat machteloosheid ook tranen uit mijn ogen heeft weten te wringen. De mollige strijder lijkt het sentimenteel schouwspel niet langer te kunnen verwerken, rukt de iPhone uit m’n magere, beverige handen en duwt Amber met 1 welgemikte por op het scherm weg uit mijn leven. Mijn leven, waarvan over enkele luttele seconden niet veel meer dan wat herinneringen zullen overschieten. Met zijn hoofd al bij de Big Macs  van straks maakt hij zijn pistool klaar om de routineklus af te handelen. Ik ben niet bang. De filosoof in mijn hoofd heeft het bij het rechte eind, ik bén niet bang. Ik ben klaar. Klaar om de zoveelste, gefaalde infiltrant te zijn. Ze zullen mijn naam na deze oorlog in een muur krassen en elk jaar zullen oude vrouwen wat bloemen bij de steen leggen. Iedereen zal ons prijzen voor onze moed en onze heldendaden. Ze moesten eens weten, hoe graag wij dappere helden op het einde net als iedereen ook gewoon naar de dood snakken. De dood, het einde van die tijdsverdoenerij hier op aarde. Tijdsverdoenerij die de één vult met hoofdbrekende economische theorieën over Apple, de ander met het idealistisch bestrijden van het kwaad. Keuzes, zijn het de ware schatten van het leven, denkt de filosoof nog in m’n hoofd. Een klik, een welgemikt schot. Zalige leegte die men de dood noemt.    

Anne-Sophie
0 0
Tip

Duivenpaleizen ten val

Als ge geluk hebt, wordt ge geboren in een tijd die bij u past. Een tijd als een soepel extra velletje, eentje zonder plaats te veel. Een tijd die u in uw waarde laat, u u laat zijn.   //   Gij, gij paste perfect in uwen tijd. Gewoon doen wat opgedragen, volgen, geen existentiële vragen of roekeloos gedrag, geen verre reizen of ontdekken van nieuwigheden.  Gij, uw constante huppelen achter de bazen, zoals uw kefferke thuis.  Geen ambitie, 45 jaar en hoogstens 5 dagen ziek, achter de band versleten. Moeder de vrouw had het eten ’s avonds gereed. Uw kinderen, noodzakelijk kwaad door God bepaald. Eén passie: uw duiven. Voor hen week alles. Uw grote geluk, uw goeroeloze meditatie, yoga, saunabeurt, enzomeer.   Gij, vervuld van liefde voor uw gevleugelde vrienden.   Uw vrouw, de kinderen, zij moesten het met elkaar beredderen. Zij hebben u nooit gekend, ge kende uzelf niet. Uw duiven, de enigen. De enigen die u steeds weer met groots enthousiasme verwelkomden.   Ge werd te oud, uw duiven moest ge laten gaan. Wat later waard gij zelf eraan.     //   In onze tuin kijken we recht op de ruïne, de stenen versie van uw stijlloos luxueus tuinhuis, de duivenrange, uw stille paleis, uw enige thuis. Het ligt er triestig bij. En toch, telkens we uw kleine paleis kruisen, komt er een warme gloed ons tegemoet.  Uw ziel bleef daar, uw liefde bleef steken. Onze kinderen bewonderen dat megalomane kasteel, plek van dierenverafgoding, zouden graag deelgenomen hebben aan de sport.  Te jong om te beseffen. Het vallen van de duiven.    De tijden zijn veranderd. Duiven in verval. Uw beste duif vloog zich te pletter tegen onze ruit. Het moet een voorteken geweest zijn. De blik in uw ogen toen ik ze verward terugbracht, was hartverscheurend. Ge wist het toen al, ik wist het, wij wisten dit toen al.   Duiven in verval. Niet alleen in onze achtertuin.   Kent gij nog jonge viriele mannen aan huis gekluisterd?   Mannen die het mountainbiken, skiën, snowboarden, hitchhiken, raften enzomeer laten staan voor hun tweevoetige vrienden thuis? Mannen die genieten van het stille oppervlakkige duivenleven, van het stront schrapen, de blauwe stofjas?  Mannen die de stilte claimen als hun duiven vallen, omdat zij zelf verlangen naar dat prikkelloze bestaan? Mannen die het gezinsleven zonder schaamte aan hun vrouw of man overlaten, wiens thuis een klein hok groot is, wiens grootste liefde minstens 10-koppig en 20-potig is?   Ik ken er geen een.   //   Wat doen dan al die mannen, voor het duivenmelken bestemd, vandaag?  

M A R T H E
86 8

DROOMTIJD

  Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Gedragen door de thermiek boven de gloeiend rode kiezel, Uluru genaamd, ontketen ik het eerste volk van dit continent. Ik vlieg. Ik droom. Hete wind raast in mijn oren. Schitterend licht lokt me hoger en hoger in het blauwe. Het rood is nu ver weg. Het blauw verdonkert, wordt indigo, wordt zwart. De Melkweg leidt me naar de diepste spelonken van de ruimte, waar de dromen ontstaan die de aarde hebben gevormd. In de ruimte ben ik niets, ik weeg niets, materie verdwijnt in het zwarte gat en ik zweef in het spoor van mijn droom. Lachvogels lokken me terug naar de aarde, naar de rode kiezel. Het zwart vervaagt, wordt weer indigo, de sterren vervagen, het licht keert terug en ik duik als een arend naar zijn prooi, naar Uluru. Rond de rots staan de stammen van Australië. Uit duizend didgeridoos klinkt de oertoon van Gaia, de diepe toon die je doet zinderen in harmonie met de aarde. Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Ik ben elk element van de droomtijd. Elke breuk, elke groef, elke holte in de heilige rots is een spoor van mijn verhaal. Ik wijs de weg terwijl ik droom. Ik word wakker in een houten hut op de camping nabij Ayers Rock. Ik ben een blanke westerling, een reiziger, een gast. Voor ik hierheen kwam voedden lectuur en films mijn nieuwsgierigheid naar het oervolk dat hier tot tweehonderd jaar geleden ongestoord heeft geleefd. De droom brengt me wel heel dicht bij de aboriginal, die me zal begeleiden tijdens een wandeling rond de rots. We ontmoeten mekaar aan de voet van Uluru, waar hordes toeristen zich verdringen aan 'The Climb', het spoor dat ze tekenen terwijl ze de top proberen te bereiken. Hun prestatie wordt beloond met een glas champagne en een T-shirt met 'I climbed Ayers Rock' erop. Renita is een Anangu, lid van de clan die enkele tientallen jaren geleden de rots heeft teruggekregen van de Australische overheid. Ze zal me meenemen in het traditionele leven van haar stam. Ze draagt het uniform van een park ranger, een toegeving aan de eisen van haar functie. Haar traditionele uiterlijk met de enorme donkere ogen in haar zacht, ronde gelaat, omkranst met een warrige bos blonde haren, haar brede glimlach, stellen me meteen op mijn gemak. We verwijderen ons van het hysterische circus bij 'The Climb' en stilaan nemen de geluiden van de woestijn bezit van Renita en mij. Ze zegt niets en ook ik zwijg. Als hoogpotige reigers proberen we de staalharde naalden van het spinifex gras te vermijden. De rode muur altijd dichtbij, overheersend maar niet bedreigend. Wat maakt dat schuifelend geluid? Een slang? Een hagedis? Een vogel lacht in een eenzame boom. Een koel briesje verzacht de hitte en kietelt mijn oren. Ik imiteer Renita als ik de opdringerige, alomtegenwoordige zoemende vliegen met een lome handbeweging voor mijn mond en ogen probeer te verjagen. We gaan zitten in het rulle, rode zand, in de schaduw, vlak bij de rots. De tjukurpa, de droomtijd, draagt me naar een oeroude herinnering. Ik ben Kuniya, de slang. De afdruk van mijn slingerend lijf staat in de rots gegrift en vertelt mijn verhaal. Ik leefde heel lang geleden in tjukurpa,. Op een dag werd ik aangevallen met speren door een groep Liru, mythische vijanden van de slang. Lang duurde mijn strijd terwijl ik kronkelend de scherpe punten probeerde te ontwijken. Mijn verhaal en de ontelbare pijnscheuten staan als diepe gaten in steen gebeiteld naast de slingerende lijn van mijn doodstrijd. Renita neuriet voor mij de gezangen van het landschap, het lied van de droomtijd, die haar de weg wijzen in de woestijn. Ik leg mijn vingertoppen op de heilige rots en voel de diepe trilling van dit oeroude continent. De vogel lacht en de wind zingt een lied in de groeven en spleten van dit magisch symbool.   Ik ben Japara, de kangoeroe. Ooit leefde ik in de zee tot een krachtige wervelwind me optilde en me over het land blies. Over wouden en bergketens werd ik gedragen naar de plaats die nu Uluru wordt genoemd. Daar kon ik met mijn staart en achterpoten houvast vinden aan een boom. De wind rukte en trok aan mijn lichaam en ik voelde mijn staart en poten uitrekken tot ze leken te scheuren. Plots loste de boom zijn greep op de aarde, zijn wortels openden de bodem en vormden een bron bij de rots. Ik lag uitgeput onder de boom: poten en staart verlengd en vervormd. Zo werd ik de kangoeroe die iedereen nu kent.   Zachtjes zingend, plukt Renita een besje hier, enkele blaadjes daar. Ik luister naar haar aangename, diepe stem en ik dompel mezelf onder in de restanten van de oeroude wereld die zij vertegenwoordigt. Wat ze plukt mag ik proeven: het zuur-zoete bushtomaatje, het eucalyptusblad met de citroensmaak, de pepersmaak van een wortel. In de schaduw van een boom houden we halt.   Ik ben Linga, de hagedis. Ooit maakte ik een boemerang, een perfecte boemerang, de beste die ik ooit had gemaakt. In die tijd was Uluru nog een zandige heuvel en toen ik mijn boemerang wierp, kwam hij niet terug, maar verdween hij in het zand. Ik moest en zou die boemerang terugvinden. Ik groef diepe holen in het zand, schraapte met mijn tenen aan de rand in mijn zoektocht naar het verloren kleinood. Ik kon het niet vinden. Mettertijd versteende het zand en bleven de gaten, holen en verticale kloven het zichtbare resultaat van mijn queeste.   Het water in de bron staat enkelhoog, maar we toch laten we ons met de kleren aan in het water vallen. In de hete middagzon gooien we lachend handenvol water naar mekaar toe, als kleine kinderen, tot we afgekoeld en uitgerust verder kunnen. Een nat spoor van de druipende kleren en voeten achtervolgt ons.   Ik ben Lungkata, de dingo. Bij aboriginals bestaat een wet die verbiedt dat ze vrouwtjes en pups van de dingo doden. Lang geleden doodde de jager, Kapiri, twee dingopups en at ze op. Die daad werd wreed gewroken door de dingo's zodra ze het gehuil van de moeder hoorden. De boosdoener zag de dingo's van alle kanten komen aanlopen en klom in de dichtstbijzijnde boom. Lungkata, uitzinnig van verdriet om haar pups, moedigde de dingo's aan om wraak te nemen. De hele meute begon aan de boom te schudden tot hij werd ontworteld. Met een smak viel hij op de grond en het lichaam van Kapiri viel in duizend stukken. De dingo-pups kwamen levend tevoorschijn en huppelden keffend naar hun moeder terug. In de grond gaapt nu een groot gat. De grond er rond ligt bezaaid met rode rotsblokken: het gestolde bloed van de jager die de wet had geschonden.     Mijn gids leidt me weg van Uluru, verder de woestijn in. Het is middag en de zon staat hoog aan een zinderende hemel. De hete lucht trilt en siddert voor mijn ogen, schildert de vormen en kleuren in een waas van oranjerood en grijsgroen. Zonder dat ik het heb gemerkt, hebben we een schuilhut, een wiltja, bereikt. Die zal ons enige bescherming bieden tegen de vurige zon. Handig draait Renita een puntig stokje in een houten plank. Al vlug ontsnapt door de wrijving een rookwolkje. Enkele pluisjes op de rokende plank, een zuchtje adem erbij en er brandt een vuur. Uit het niets, lijkt het wel, komen een man en een vrouw naar ons toe. De vrouw draagt een houten schaal met eten, de man heeft enkele gietijzeren potten bij zich. Renita legt haar oogst van bessen en bladeren op de schaal. Ze geven kruiding met het aroma van peper of citroen aan het gerecht. Terwijl de man en de vrouw boven het vuur het eten klaarmaken, laat mijn gids me proeven van geroosterde stukjes boomlarve. Die zijn een heerlijk nootachtig aperitiefhapje in afwachting van de stoofpot van slang. Door de ongewone maar samen passende smaken waan ik me in een westers gastronomisch restaurant. Een brede glimlach tovert zich op het gelaat van de koks als Renita mijn opmerking vertaalt. Net zo mysterieus als ze gekomen zijn, verdwijnen ze terug in de woestijn.   Door een koele bries en een schaduw voor de zon komen we uit de wiltja. Een donkere wolk bolt op boven Uluru. Achter onze schuilplaats wordt het zonlicht verduisterd door een tweede wolk. Een derde wolk verschijnt achter de eenzame boom. De lachvogel zwijgt. De hagedis kruipt weg onder de versteende resten van de dingo. De ogen van de kangoeroe lichten op in één van de holen in de rots. Stilte voor de storm.   Een strakke wind steekt op en drijft de dreigende luchtmassa's samen boven Uluru. Van wit en lichtgrijs, verdonkeren ze naar een groenig donkergrijs. De rots verkleurt van gelig oranje naar een vuil-paarse tint. De lucht knettert van een ingehouden energie die toch nog onverwacht uitbarst in een veelarmige flits, meteen gevolgd door de knal van de eerste donder. Wij schuilen onder de takkenbossen van de wiltja, die amper boven de vlakte opbolt. De eenzame boom splijt onder de kracht van het natuurgeweld. De hevige windvlagen borstelen over de woestijnbodem en spuiten het rode zand in mini tornado's hoog in de lucht, terwijl alle losse takken en bladeren over de grond worden meegesleurd in de woeste dans der elementen. Ook in mijn lijf knettert een tomeloze energie, de kick, de opwinding bij het ondergaan van dit natuurfenomeen. Na het vuur komt het water: onstuitbaar, met de kracht van een waterval. Bliksem en donder laten mekaar los en verdwijnen in de verte. Het water blijft de dorstige woestijn laven.   Als een Siamese tweeling komen Renita en ik uit de schuilplaats, we kijken elkaar aan, staan onder dezelfde spanning, en beginnen te dansen in de nog altijd gutsende regen. De armen hoog in de lucht, de benen wijd, het bekken schommelend in een aloude ode aan de vruchtbaarheid. Onze kleren doorweekt, het hoofd in de nek, geven we ons over aan de elementen. Wij zijn Anangu, de mens. De levenbrengende stortvloed dondert door de groeven en spleten van de rots, schuurt zich dieper in de steen en schrijft opnieuw geschiedenis. De sporen van champagne slurpende blanke kolonisators worden weggewassen. Uluru wordt herboren en morgen is de woestijn een bloemenzee.  

Lin Jansen
20 0

Tot ziens, Marianne (deel 5)

  “Goodmorning. Welcome on board, sir,” begroet een stewardess van Singapore Airlines me. Ik neem aan dat het een stewardess is, want haar uniform is érg atypisch. Ze draagt geen stijf mantelpakje, wel een soort van veredelde pyjama. Of juister: een kruising tussen een pyjama en een nachtjapon. Het bovenstuk is een nauw aansluitend vest en het onderstuk een lange rok die tot op de voeten reikt. De blauwe satijnachtige stof, waaruit beide zijn vervaardigd, is overvloedig bedrukt met rode, turquoise en lila bloemen. Heel apart. Ik knik haar gedag en duik de cabine in, waar ik al na enkele passen door een tweede kleurige dame word staande gehouden. Deze Aziatische versie van de harlekijn murmelt me iets toe in een taal die met wat goede wil enige gelijkenissen vertoont met het Engels. Als ze doorkrijgt dat ik haar niet begrijp, draait ze haar hoofd haast ondersteboven om het stoelnummer van mijn ticket af te kunnen lezen. Wanneer haar hoofd weer rechtop staat, wijst ze me de juiste richting aan.   Terwijl ik op mijn plaats toeloop, kijk ik om me heen. Het vliegtuig lijkt wel een kerk, met een brede beuk in het midden en twee smallere opzij. Enkel de pilaren ontbreken. En een altaar natuurlijk. Waar Jan zich bevindt, kan ik niet zo dadelijk uitmaken omdat het een hectische bedoening is aan boord. Mensen verdringen elkaar in de gangpaden om eerst bij hun plaats te raken. Ik zal wel op zoek gaan naar mijn kersverse vriend als we hoog in de lucht hangen. Dan is er tijd en gelegenheid genoeg.   Mijn zitje bevindt zich in de rechterzijbeuk en blijkt het middelste van drie te zijn. Verdomd jammer vind ik dat. Ik had graag aan het raampje gezeten, maar daar zit al een vent. Op de stoel naast het gangpad zit overigens een andere vent. Geflankeerd worden door twee bloedmooie jongedames had me lekkerder gezeten. Maar een mens heeft niet altijd te kiezen.   Ik moffel mijn handbagage weg en neem plaats tussen mijn bodyguards. In de wetenschap verkerend dat ik ettelijke uren in deze kerels hun gezelschap zal vertoeven, onderwerp ik hen vanuit mijn ooghoeken aan een grondige keuring. De man aan het raampje lijkt me een zakenman. Uitgedost in een keurig maatpak is hij voortdurend in de weer met een iPhone en een tablet. Hij heeft het te druk om ook maar enige aandacht aan me te besteden. De kerel langs het gangpad is van een heel andere soort. Met zijn afgesleten jeans en ruim houthakkershemd lijkt hij op een cowboy die uit een oude Hollywoodfilm is ontsnapt. Hij zweet als een rund, ademt een misselijkmakende alcohollucht uit en slaakt om de twee minuten een ergerlijke zucht die vanuit zijn tenen lijkt te komen. Net een neushoorn die op sterven ligt. Maar wat me vooral niet lekker zit, is de beenruimte die hij nodig heeft. Ik zit amper neer of hij duwt zijn knokige knie al tegen de mijne aan. Ik háát het aangeraakt te worden. En het helpt niet dat ik wegtrek, want hoe meer ik plaats maak, hoe breder zijn spreidzit wordt.   Na het verplichte circusnummertje dat door de stewardessen mooi synchroon wordt uitgevoerd, taxiet het toestel naar de startbaan, waarna we het luchtruim kiezen. Mijn twee buurmannen zijn allesbehalve vermakelijk gezelschap: de ene is kort na het opstijgen alweer druk doende met zijn batterij aan informaticatoestellen - alsof hij op kantoor zit - terwijl de andere zijn roes ligt uit te slapen. Snurken doet hij gelukkig niet. Zijn ademhaling lijkt eerder op het repetitieve gehijg van een automatische luchtpomp.   Zodra we onze maximumhoogte hebben bereikt en het seatbelt sign uitfloept, gesp ik mijn gordel los. Ik zit op hete kolen om op zoek te gaan naar Jan Byttebier. Maar zolang die uitgerafelde cowboy naast mij onderuitgezakt ligt, zie ik mijn weg versperd door twee horden. Wil ik ontsnappen, dan zie ik me verplicht om over zijn benen te klauteren, want wakker worden wil hij kenbaar niet. Ik sta op uit mijn zitje en hijs mijn been voorzichtig over het zijne. Ik waak ervoor hem niet te raken, want een dronkenlap die wakker schrikt, kan lelijk uithalen. Ik heb zijn knokkels eens bekeken. Het vel lijkt niet de tijd te krijgen er overheen te groeien. Ik tracht zo voorzichtig te zijn dat ik zelfs de lucht onbewogen laat. Desondanks lijkt hij toch iets gewaar te worden, want net wanneer ik me met mijn beide benen tussen zijn grand écart bevind, krijgt hij een soort van stuiptrekking waarbij hij zijn wolfsklem sluit. Ik verlies mijn evenwicht en kan me nog net aan de rugleuning voor hem vastklampen om niet op zijn schoot te belanden. Als een luiaard om een tak, hang ik te bengelen, zachtjes meedeinend op de golving van het luchtschip. Nadat hij een diepe zucht heeft geslaakt en zijn bezwete kop van links naar rechts heeft laten overrollen, spert hij zijn benen terug wijd open, waarna ik de tweede horde neem. Eindelijk bevrijd, begin ik aan mijn zoektocht. Ik heb geen idee met hoeveel we de overtocht maken, maar het zijn er te veel om in één oogopslag te overschouwen. Langzaam loop ik het gangpad door, voortdurend links en rechts kijkend. Al gauw zie ik mijn weg versperd door een paar dames in pyjama die met een cateringkarretje rondhossen. Zij nemen aardig hun tijd om iedere passagier van een maaltijd te voorzien. Ik denk dat je een rotje in hun kont moet duwen om ze vooruit te krijgen.   Ik blijf een hemels geduld oefenen, tot ik plots een eind naar het staartstuk toe een man uit zijn zitje zie oprijzen met een stevige bos krullen. Ik heb zijn gezicht niet kunnen zien, maar zijn haardracht en kleding laten er geen twijfel over bestaan dat het Jan betreft. Eindelijk heb ik hem gelokaliseerd! Ik denk overigens dat hij een plas moet maken, want hij stevent af op het toilet dat zich in de staart van het vliegtuig bevindt.   “Excuse me,” hijg ik de stewardess, die met haar rug naar me toegekeerd staat, in haar nek. Ze kijkt om. “Yes?”   “I have to go to the toilet,” zeg ik, wijzend op het wc in het achtereind van het toestel.   “There’s another toilet in the front, sir!” antwoordt ze hulpvaardig, waarna ze verder gaat met het uitdelen van maaltijden. Ik vloek in mezelf, maar geef me niet gewonnen. Ik tik haar op de schouder en zeg haar dat het toilet vooraan bezet is. Ze kijkt verbaasd om.   “No, it isn’t, sir,” antwoordt ze. “Look!” Ze richt haar vinger op het groene oplichtende mannetje boven de deur. “If the sign is green, it means it’s free!” Fuck! Dat mens laat zich niet in de luren leggen.   Ik blijf nog even staan wachten. Maar wanneer we enkele minuten later nog geen millimeter zijn opgeschoven, onderneem ik een poging om me voorbij het karretje te wringen. Helaas heb ik mijn rankheid overschat en kom knel te zitten. Dat op zich zorgt al voor commotie, maar dat ik daarbij ook nog eens een teen van een medepassagier plet onder mijn hiel, maakt het circus compleet. Er worden me wat onaardigheden in de maag gesplitst. Woorden die ik niet begrijp, maar de intonatie is duidelijk genoeg. Uiteindelijk weet de pyjamadame met een behendig manoeuvre het cateringkarretje even uit de weg te rijden, waardoor ik mezelf kan bevrijden. Onder een regen van afkeurende blikken vervolg ik mijn weg.   Vijf minuten later sta ik nog steeds te wachten bij de deur van het toilet. Ik begin me af te vragen of Jan misschien problemen heeft met zijn voorstanderklier. Ik besluit aan te kloppen. Maar net dan hoor ik het toilet doorspoelen. Wanneer de deur opengaat, is het echter niet Jan die verschijnt, wel een hoogblonde dame die een weinig verkwikkelijk aroma achter zich aan sleept. Alsof in heel Egypte alle grafkelders tegelijk zijn opengelegd. Ik slaak een vloek, die gelukkig verloren gaat in het geruis van de motoren, en keer op mijn stappen terug. Opnieuw zwiept mijn blik de hele tijd over en weer, als de lichtstraal van een vuurtoren. Ergens moet die krullenbol toch te zien zijn! En ja, hoor! Halverwege het vliegtuig ontwaar ik hem. Zijn hoofd komt net genoeg boven de rugleuning uit om zijn locatie prijs te geven. Eindelijk! Deze keer kan Jan me niet meer ontsnappen!   Ik sluip naderbij en klem mijn hand rond zijn schouder. “Dag Jan!” zeg ik.   Het volgende ogenblik deins ik geschrokken achteruit. De man die me vanonder de weelderige bos krullen aankijkt, lijkt in geen mijlen op Jan Byttebier!   “Can I help you, mate?” klinkt het in onvervalst Australisch Engels. Ik krijg geen letter uit mijn strot en maak me gauw uit de voeten.   Amper zit ik weer tussen mijn twee kompanen of er wordt me een maaltijd aangeboden. Of toch iets wat daarvoor moet doorgaan. Het ziet er niet uit, maar veel keuze is er niet. Ik moet het stellen met een bord noedels waar een smaakje aanzit en een stuk vlees waarvan ik vermoed dat het aan een straathond heeft toebehoord. De Aziatische keuken draagt niet meteen mijn voorkeur weg. Reken daarbij dat ook grootkeukens zelden hun weg naar mijn persoonlijke sterrengids vinden en je weet wat voor een marteling ik onderga. Ik slaag er nauwelijks in een kwart van de smurrie door mijn keel te krijgen. Om mijn honger te stillen, verzoek ik één der pyjamadames om een sandwich, maar die blijken op. Ik moet het stellen met een appel van Sneeuwwitje, rood als een kers, maar gelukkig niet giftig.   Op de luchthaven van Singapore, waar ik enkele uren op mijn aansluiting moet wachten, is het eerste wat ik doe een eettent zoeken. Bedoeling is een doodsimpel broodje kaas te scoren. Maar Gouda lijkt niet in de Aziatische atlassen te staan. Niks broodje kaas! Dan maar wat ongedierte uit de zee tot mij genomen. Niks dat me euforisch maakt, maar alles is beter dan hond. Zelfs zeehond. Na het verorberen van mijn zeevruchten even de darmen geledigd. Vertering is pure chemie, kan ik olfactorisch waarnemen. Ik ontvlucht het bouquet van mijn darminhoud vooraleer mijn neusbeentje aan het rotten slaat. Ik hoop dat de straathond, waarvan ik een klein deel tot mij heb genomen, niet aan een overdraagbare aandoening leed.   Bij de gate, waar ik ellendig lang op mijn aansluiting moet wachten, laat ik me moedeloos op een zitje ploffen. Ik heb amper twee derde van de afstand tussen Brussel en Sydney afgelegd, maar word nu reeds verteerd door heimwee. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Wat heb ik in mijn hoofd gehaald? Ik ben er de jongen niet naar om alleen op stap te gaan. Dat is iets voor kerels die vrienden maken alsof het niets is. Even hun hengel uitgooien en er hangen vijf vissen aan hun lijn! Ik sla met een hijskraan nog geen sprotje aan de haak! En de droom dat Jan mee is op het vliegtuig kan ik nu wel opbergen. Tenzij hij zich schuilhoudt in het ruim, maar dan vrees ik dat hij intussen wel diepgevroren is. Nee, het was niet meer dan een illusie. Jammer.   Terwijl ik half ingedommeld onderuit geleund op mijn zitje hang, zie ik plots een meterslange blondine komen aanwandelen met de gratie van een middeleeuwse koningin. Op slag ben ik klaarwakker en zet me overeind. WTF is dit?!? Nooit eerder in mijn twintigjarig bestaan heb ik zo’n gracieuze verschijning gezien. De omgeving rond haar lijkt op te lichten, alsof haar aura baadt in een neongloed. Haar lange blonde haren heeft ze in een paardenstaart geknoopt, die tot halverwege haar rug reikt, en haar gelaatstrekken zijn zo verfijnd dat je zou geloven dat ze van de hand van een meester-beeldhouwer zijn. De nauwe spijkerbroek die ze omheeft en waarvan de pijpen in halfhoge lederen laarsjes verdwijnen, zit als een tweede huid rond haar kont. Verder draagt ze een rode sous-pull met opstaande col, en hangt over haar heupen losjes een brede ceintuur met koperen gesp te bengelen. Een korte jas met lederen mouwen en een modieuze hoed vormen de kers op de taart. Dit goddelijke wezen voldoet werkelijk aan elk denkbaar schoonheidsideaal. Eender welke beweging ze maakt, de gratie straalt er vanaf. Met een mond als een tochtgat zit ik toe te kijken hoe ze precies tegenover mij komt zitten, omdat zich daar toevallig het enige nog onbezette zitje bevindt. Ik smelt van verlangen haast door mijn plastic stoel.   Het volgende halfuur lijk ik als in een droom te beleven. Ik zie hoe miss Universe, als een koningin die van op haar troon haar volk aanschouwt, haar blik over de wachtende passagiers laat dwalen. Uit haar oogopslag spreekt een zekere zelfingenomenheid, maar dat is haar verwaardigd. Goden hóren zich boven de mensheid verheven te voelen. Daarom zijn het ook goden! Daar hoeven we niet kleingeestig over te doen.   Hoe langer ik naar haar kijk, hoe meer ik door haar gebiologeerd raak, tot ik me zelfs mijn eigen naam niet meer kan herinneren. Het valt me op dat ook zij met de minuut vaker - zogezegd toevallig - naar me kijkt. Telkens onze blikken elkaar kruisen, voel ik mijn ziel verwarmen. Haar blik heeft de kracht van een röntgenstraal! En iedere keer is er die aarzeling, alsof het haar moeilijk valt haar blik weer af te wenden.   Na een tijdje graait ze plots in haar handtas en diept haar telefoon op. Ik kijk als in trance toe hoe ze, met duimen als spechtensnavels, op het kleine klaviertje een bericht intikt… tot mijn trillend mobieltje in mijn broekzak me met een ruk uit mijn extase haalt. Ik diep het toestel op en kijk naar het oplichtende display. Net als vorige keer is het bericht afkomstig van een onbekend nummer. Ik duw op ontgrendelen en lees: 'Are you experienced?'. Ik voel mijn adem stokken en kijk van mijn toestel naar de blondine en weer terug. Hoe…? Ik voel me rood kleuren tot in mijn nek en durf haar niet meer aan te kijken. Maar dan staat ze plots op, gooit met een geroutineerde handbeweging haar paardenstaart los en hangt de riem van haar handtas over haar schouder. Nog even kijkt ze me indringend aan en zet dan koers richting toiletten. Alsof ik ontheven word aan de zwaartekracht, word ik uit mijn stoeltje gelicht en ga achter haar aan. Ik ben er me nauwelijks van bewust wat ik doe. Mijn lichaam lijkt een eigen leven te leiden. Nadat ze me nog een laatste zwoele blik van over haar schouder heeft toegeworpen, duikt ze de toiletten in. Vervreemd van iedere realiteitszin, ga ik haar achterna.     “Excuse me, young man, this is the ladies room,” klinkt het scherp. Ik kijk op en zie een lelijke vrouw van middelbare leeftijd via de spiegel naar me staan kijken. Ze heeft haar onderste ooglid met een wijsvinger naar beneden getrokken en houdt een zwart potlood in de aanslag. De betekenis van haar woorden dringt niet tot me door en ik loop verder. Van de blondine geen spoor. Zij zit wellicht reeds een klaterende gouden straal in een toiletpot te mikken.   “Son, now you get the hell out of here, or I call the security!” krijst het lelijke mens. Ik draai me om en sta oog in oog met haar. Ze heeft zich naar mij toegekeerd en houdt haar potlood als een puntige dolk naar mij toe gericht. Uit lijfsbehoud keer ik me vliegensvlug om en hol de toiletten uit. Buiten wachten lijkt me veiliger.   Enkele minuten later verschijnt de blondine opnieuw. Terwijl ze me voorbij loopt, werpt ze me een indringende blik toe. Opnieuw huppel ik in een soort van trance achter haar aan.   Onze zitplaatsen blijken intussen ingenomen te zijn. Noodgedwongen blijven we rechtstaan, zij ter hoogte van het raam, ik een meter of tien van haar vandaan. Ze steunt om beurten op haar linker- en rechterbeen en houdt dan telkens de knie van het andere been nonchalant gebogen, alsof ze poseert voor een foto. Ik kom haast klaar in mijn broek van verlangen en besluit nog wat dichter bij haar te gaan staan. Ik nader haar tot op een kleine meter en laaf me aan haar zoete parfum. Eerst doet ze nog even of ze me niet opmerkt, maar dan draait ze plots het hoofd naar me toe en kijkt me doordringend aan.   “Are you stalking me?” vraagt ze.   “W… wat?” stamel ik.   “Are you stalking me?” herhaalt ze. “Leave me alone, will you. Pervert!” Ze heft haar goddelijke lichaam van haar steunbeen en loopt van me weg.   De grond lijkt onder mijn voeten weg te zakken. Nu de zeepbel om mijn hoofd is ontploft, daagt het me dat ik me als een gek heb aangesteld. Hoe idioot moet ik zijn geweest om te denken dat deze godin het met mij zou aanleggen? Ik weet niet waar te kruipen van schaamte.   Een dik uur later, bij het inschepen, merk ik dat ze twee rijen voor mij zit. Dat laat me toe te zien dat ze zich erg hooghartig gedraagt tegenover het cabinepersoneel en ieder contact met medepassagiers vermijdt. Geen koningin zo mooi of haar troon is aangevreten door houtworm.   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0