Zoeken

I. De Reünie

Vanuit mijn wereld stappen in die van het verleden. Onmogelijk? Nochtans staat het me vandaag te gebeuren. Helemaal gepakt en gezakt gaat mijn hedendaagse leventje met het vliegtuig een 20-tal jaren terug. “Taxi!” Ik kijk nog één maal achterom: mijn huisje, mijn voortuin, mijn moto… Ik laat alles tijdelijk aan zijn levenloze lot over. Ik stap in, groet de chauffeur en bedenk me hoe belachelijk tradities eigenlijk wel zijn, maar tevens peins ik hoe suf het zou zijn moest ik als enige niet komen opdagen. De gehele rit zit ik uit de autoruit te staren, kijkend naar wat had kunnen zijn.   Om eerlijk te zijn had ik hier niet erg veel, maar het was genoeg. Zeker voldoende om het verre verleden uit mijn gedachten te bannen. Echter, toen kwam de brief of beter de uitnodiging van Sarah. Nooit gedacht dat ook maar iemand, behalve de harde kern van vrienden uit mijn geboortedorp, mijn nieuwste adres zou kennen. Zou Hij het gezegd hebben? Misschien. Volledig naast de kwestie piekerend stapte ik uit het witgele vervoermiddel. En na het onnoemelijk veel-te-veel-betalen, snel ik met mijn bagage bij de hand naar de ingang van het vliegveld. Ik nader de automatische schuifdeuren en begin hevig te zweten. Het gevoel dat een afstand van tien meter meer dan een volledig uur in beslag neemt – IJskoud is het hier in Barcelona. – De deuren openen niet, ze openen niet, “Yes!” Ze openen niet! Maar met mijn neus tegen de beglazing aangedrukt openen ze uiteindelijk dan toch.   Ik vind mijn kalmte terug en zorg ervoor dat ik mentaal klaar ben voor de periode van aanschuiven en wachten. Ik schakel mijn bewustzijn uit en reboot mezelf pas weer wanneer ik in het vliegtuig zit. Een nieuw model? Men kan bijna volledig door de zijkant en het uiterste deel van de onderkant kijken. Eindelijk lijkt het vliegen écht. Niet langer zit ik in een machinaal monster dat vervuiling als uitwerpselen creëert, maar wel in iets moois. Vliegen is nu het letterlijke beeld waarvan iedereen ooit eens heeft gedroomd. Dat is, als ik richting de zijkanten tuur, want kijk ik recht voor me uit dan zie ik nog steeds één of andere irritante kleuter in zijn toch voortdurend bewegend zitje dat periodiek tegen mijn knieën botst. Weg magie, daarom droom ik maar weg.   Ik ben nog niet wakker, neen, dat duurt nog een kwartiertje. Toch ben ik genoeg ontwaakt om het einde van mijn droom te beleven. Ik sta op een verlaagd platform, alleen en in het midden. Ik kijk om me heen en zie honderden roltrappen waarvan de bewegende band slechts naar me toe komt. Ontsnappen kan dus niet, de band beweegt immers razendsnel naar beneden toe. Desondanks staan er mensen aan de bovenkant en minstens tientallen begonnen te midden van de trap en geraakten zonder problemen boven. Verward word ik wakker en merk ik dat we aan het landingsmanoeuvre begonnen zijn.   Ik ben een vaste slaper.

LAC
0 0
Tip

Opportunist

Een terugblik.   Het is Aswoensdag en op de autoradio speelt Tourist LeMC. Hij zingt over de liefde en hoe daar niet mee hoort gesjacherd te worden. Vandaag begint Dagen Zonder Vlees en voor de vierde keer neem ik deel. Het lijkt routine geworden – kaas en veggiesmeersels op de boterham, quorn in de hutsepot – maar dit jaar is er iets verschoven, als een beeld dat door de cameralens eindelijk scherp wordt gesteld.   De voorbije jaren had ik een dubbele missie: niet alleen minderen in vlees en vis, maar ook nog eens in alcohol. Een bijna katholieke invulling: spijs en drank derven. Ik had een welomlijnd doel: als ik op het einde van de Dagen Zonder Vlees, met Pasen dus, aan vijftig dagen ‘zonder iets’ zou komen, dan was ik geslaagd. Een dag zonder vlees of vis was evenveel waard als een dag zonder alcohol. Een dag zonder beide telde dubbel. Op het prikbord hing een papier met twee kolommen: ‘vlees/vis’ en ‘alcohol’. Op elke dag zonder mocht ik een kruisje zetten. Soms dus twee.   Om dat doel te bereiken had ik een eigen telling. Twee dagen met alleen maar vis en geen vlees was toch goed voor één kruisje in de vlees/vis-kolom. Schaaldieren rekende ik niet mee, want die zijn vis noch vlees, toch? Dat maakte het handig om ‘s middags in de bedrijfskantine de dagschotel te omzeilen met een tomate-crevette. En een glaasje wijn na middernacht: ach kom, dat mocht wel op het conto van de volgende dag. Alles om de vijftig kruisjes te halen – wat op die manier ook gemakkelijk lukte.   U merkt het: arithmétique hollandaise. Ik maakte mijn eigen versie van Tourist LeMC zijn lied. Maar dit jaar reed ik op de eerste Dag Zonder Vlees naar de redactie en neuriede ik in mijn hoofd mee:   ik heb zitten marchanderen opportunist moar met ons eten onderhandelde ni   Gedaan dus. Geen rekensommetjes meer. Geen vlees-vis-garnaalgesjacher meer. Oké, ook geen grote alcoholdervingsplannen meer, maar je moet niet meer hooi – no pun intended – op de vork nemen dan je kunt dragen. Ik zou cold turkey gaan met vlees en vis. Die middag was er in de bedrijfskantine een vegetarisch alternatief voorzien. Het universum knipoogde naar mij.   Vijf weken later.   Cold turkey gaan bleek gemakkelijker dan verwacht. En het is nog gemakkelijker als je het met anderen deelt. Ik heb gemerkt: men is (doorgaans aangenaam) verrast, je krijgt tips, je wordt aangemoedigd… Ik heb ondertussen mijn weg naar de biowinkel gevonden, daar zijn meer alternatieven voorhanden en de veggiesmeersels zijn er smakelijker dan in de supermarkt – om van die mieters lekkere spinazieburgers nog te zwijgen.   Heb ik niet gezondigd in die vijf weken? Jawel. Ik heb op bezoek bij mijn moeder één keer vis gegeten. En op een quizavond zaten er plots enkele balletjes in de verse soep. En na het voetballen taste ik onnadenkend toe wanneer er een portie bitterballen op tafel verscheen. Waarmee nog maar eens bewezen is: bij een maaltijd denk je na, snacks werk je achteloos naar binnen. Soit. Vijf weken dus. En nog steeds geen afkickverschijnselen. Daar gaan we een glas op drinken.  

Peter Mangel Schots
24 0

Mijn tuin

Morgenrood stijgt op in het Oosten en kleurt de velden guldenroede. Dauwdruppels glijden van groene grassprieten, opgeslokt door de aarde nooit meer teruggezien. Vieze blote voeten steken de straat over op zoek naar weelde.   Goudgeel met zwart gestreepte bijen strijken neer op de bloeiende Hibiscus syriacus Coelestis, die met haar stampers en stempels menig insectenbeest naderbij lokt. Ook mijn ziel laat ze niet onbemind wanneer haar zoete aroma het diepste van mijn binnenste bereikt en mijn hart doet openbloeien.   M’n voeten zakken weg in de natte aarde wanneer ik dichterbij tracht te komen, maar de bijen zijn er snel bij om me weer weg te jagen. Iemand als ik is immers niet welkom in de wereld van de schoonheid.   Ik buig door mijn met aarde bevlekte knieën, mijn handen gravend in de laag haksel die het tuinperk omgrenst. Flinterdunne houtsplinters planten zich in mijn doorzichtige huid. Een enkele mier baant zich een weg door het pluis op m’n rechterarm. Een feestmaal: twee lange regenwormen komen aan hun eind.   De Helideca decapetalus woekert verder met een vastberadenheid zelden voorkomend in de wereld van de Hominidae, van morgenrood tot schemering over nacht en dageraad. Ik bewonder haar om haar onuitputtelijke wilskracht.   Naast de klokvormige Euchera staat de blauwviolette Houstonia Caerulea, net als ik verlangend naar idyllische vergezichten van bergen en stranden uit dromerige schilderijen. Maar mijn wereld is hier.   Als de heldere maan de plaats van de ondergaande zon inneemt ontsteken de Kniphofia’s. Hun helder licht hult het tuinperk in een bitterzoete oranjerode gloed. Voor ik naar huis terugkeer kijk ik een laatste maal om naar mijn tuin.   Vieze blote voeten steken de straat over en vinden hun weg terug naar het door de regen doorweekte kartonnen huis.

Orin
0 0

Tot ziens, Marianne (deel 2)

Hoewel het middag is en zonnig, is de woonkamer gehuld in een mistroostige schemer. Het rolluik is neergelaten tot op een hoogte van een paar centimeter, waardoor slechts wat diffuus daglicht de kamer binnenvalt. Moeder staat rechtop voor de bank, met haar vingers in elkaar gestrengeld als een ingewikkeld vlechtwerk, als tijdens de voorlezing van het evangelie in de kerk. Ze biedt een treurige aanblik. Zodra ze ons ziet verschijnen, zijgt ze neer op de bank en vist een zakdoek uit haar mouw, alsof ze net het overlijden van een dierbare heeft vernomen. Ik hou verward mijn passen in en voel mijn adem stokken. In een flash word ik teruggeworpen naar de dag toen opa doodging. Opa was een beroepsmilitair op rust, die een stuiver bijverdiende als tuinman bij de notaris. Die ochtend hadden ze hem gevonden in de grote tuin achter het notariaat. Enkel zijn voeten staken nog uit het struikgewas. Bezweken aan een hartaanval. Ik weet nog dat vader me op dezelfde manier de kamer binnenleidde. Moeder zat toen ook te wenen op de bank. Ik was vier en begreep niet wat er gebeurde. Er werd me verteld dat ik opa nooit meer zou zien. Maar de woorden “nooit meer zien” vormden een begrip dat mijn kleine hersens niet konden vatten. Van het woord “nooit” begreep ik de draagkracht niet. Later die dag kwam een vreemde man op bezoek die gekleed ging in een zwart pak en zijn haar in een keurige scheiding had. Deze man, die met een opvallend zachte stem sprak, toonde prentjes waarop kruizen stonden afgebeeld. En engelen. Of grafstenen. En hij liet vader en moeder tekstjes lezen of las ze zelf voor. Kleine gedichtjes. Vaak niet meer dan wat rijmelarij. Vijf dagen bleef het rolluik dicht. Vijf volle dagen! Het was alsof met opa ook de zon was heengegaan. De hele dag zaten we in het halfduister rond de tafel. De radio mocht niet aan, en als we praatten, werden we met een strenge blik tot stilte gemaand. Af en toe vergat ik dat ik me koest hoorde te houden en slaakte ik een kreetje of een lach, wat me telkens op een klap tegen mijn achterhoofd kwam te staan. Ik wilde niet ongehoorzaam zijn, maar van een kind van vier, dat niet begrijpt wat er aan de hand is, kun je niet verlangen dat het dagenlang stil op een stoel blijft zitten.   Vader geeft me een gemene por in mijn rug om me verder de woonkamer in te loodsen. Als een verdachte die wordt voorgeleid, moet ik verschijnen aan moeder. Ze heeft voor de gelegenheid haar haren in een ouwerwetse dot gedraaid. Op deze wijze herinnert ze me aan oma toen die al tegen de tachtig liep en geen raad meer wist met haar uitgedunde haardos. Ook zij droeg zo’n dot. Het valt me op dat moeder net zo’n kleine oorschelpen heeft als oma. Ze lijken wel tegen haar hoofd te plakken. Bij vooraanzicht merk je nauwelijks dat ze oren heeft. Ook het demonstratief aanwenden van haar zakdoek, heeft ze van haar moeder. Oma zag je na de dood van opa nooit meer zonder zakdoek. Haar neus droop voortdurend van het zelfmedelijden. Eigenlijk was oma een uitmuntende actrice. Ze beheerste ook perfect de rol van kreupele, herinner ik me. Ze bewoog zich voort als een kakkerlak die een paar poten miste. Tot ze ergens van schrok en de honderd meter liep binnen de tien seconden. Hoe ouder moeder wordt, hoe meer ze op oma begint te lijken.   Vader port me opnieuw in mijn rug. Met een nijdige vinger recht in mijn nier! Ik kijk geërgerd om. “Nou? Waar wacht je op?” vraagt hij. “Vertel je moeder maar wat je mij hebt verteld.” Ik kijk van hem naar moeder en voel mijn keel dichtslaan. “Nou?” Ik krijg geen woord over mijn lippen. “Hij blijft bij zijn plan om na zijn reis naar Australië op zichzelf te gaan wonen,” hoor ik vader dan maar zelf opwerpen. Hij heeft nu pal achter mij postgevat om de dreiging zo groot mogelijk te maken. Zijn zure adem in combinatie met zijn okselgeur doet me kokhalzen. Misschien moet moeder hem voor zijn verjaardag maar eens een deo cadeau doen. En een mondspray. “En hoe denkt hij dat te kunnen betalen?” vraagt moeder hem. “Als hij maar niet denkt dat wij hem geld gaan toestoppen!” snuift vader. “Ik zal wel een baantje vinden,” antwoord ik bedaard. “Een baantje?!? Maar dan komt er van studeren helemaal niets meer in huis!” roept moeder uit. Vader komt mijn gezichtsveld ingewandeld. Hij gaat naast moeder op de bank zitten en strijkt zijn haarlok glad. Met z’n tweeën kijken ze naar me op. Ik lijk wel terecht te staan voor een volkstribunaal! “Zullen we hem dan maar ineens zeggen waar het op staat?” vraagt vader met schuin geheven hoofd vanuit zijn mondhoek, zonder zijn blik van mij af te wenden. Zijn wimpers gaan tegen een haast supersonische snelheid op en neer. Moeder neemt het woord. “Kijk, jongen,” begint ze. “Je vader en ik hebben begrip getoond voor het feit dat je even op een dood spoor zat. We vonden het verschrikkelijk dat je stopte met je studies, maar we wilden je niet onder druk zetten. We hebben ingezien dat die rechtenstudie misschien wat te hoog gegrepen was voor jou. Wellicht hebben we je mogelijkheden wat te hoog ingeschat. Daarvoor slaan we mea culpa. Maar het is nooit onze bedoeling geweest om je te laten stoppen met studeren. Toen je kwam aanzetten met dat idee om een “sabbatjaar” in te lassen, zoals je het zelf noemt, hebben we ons enkel maar akkoord verklaard omdat je dit academiejaar toch nergens meer terecht kon. Er zat, met andere woorden, weinig anders op. Dat je daarna met de idee kwam aandraven om voor een half jaar naar Australië te gaan… dat was al een ander paar mouwen. En de reden die je opgaf! Om te ‘herbronnen’! In Australië, godbetert! Da’s aan de andere kant van de wereld! Alsof je in België of Nederland niet kunt ‘herbronnen’. In een Norbertijnenabdij kun je zo op retraite.” Vader steekt zijn vinger op om het woord te vragen, als een schooljongen in de klas. “Als ik daarover terloops mijn mening mag geven,” voert hij aan. “Ik vind het getuigen van een onvoorstelbare arrogantie dat steeds meer jongeren op kosten van hun ouders ergens grote sier gaan maken onder het mom van het houden van een ‘sabbatjaar’. In onze tijd was zoiets ondenkbaar! Wij waren al blij als we met onze ouders op bedevaart naar Lourdes mochten! Mèt onze ouders! Niet alleen!” Moeder legt haar hand op zijn arm om hem te sussen. Tenminste, daar heeft het alle schijn van. In werkelijkheid gaat ze liever door op haar elan. “In ieder geval,” zegt ze, “ook met dat plan hebben we ons akkoord verklaard, zij het niet met overtuiging. Maar we waren na veel wikken en wegen van oordeel dat het misschien van nut zou kunnen zijn. Al was het maar omdat je daardoor misschien eindelijk eens zou inzien hoe goed er hier voor je wordt gezorgd.” “En hoe moeilijk het is om voor jezelf te zorgen,” vult vader aan. Moeder neemt van de interventie van vader gebruik om haar neus te snuiten. Ze werpt een aandachtige blik op wat in haar zakdoek is achtergebleven. Alsof ze denkt dat er vreemde dingen in rondkruipen. “Maar dan…” gaat ze verder. “Gisteren! Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was, kom je gisteren met het idiootste idee ooit aanzetten. Jongen, waar zit je met je gedachten? Om een flat te kunnen bekostigen, moeten je gaan werken. Maar hoe kun je ooit werk vinden als je geen diploma hebt? Je weet net zo goed als ik dat je zonder diploma geen kant uit kunt. Het is dus noodzakelijk dat je blijft studeren, jongen. We vinden wel een richting voor je waar je ’t makkelijker hebt…” “Ik wil niet meer studeren,” zeg ik beslist. Ze kijkt me met grote ogen aan. Verbijsterd. “Het is geen kwestie van willen, maar van moeten!” zegt ze ongemeen hard. Ze gooit een zijdelingse blik op vader, wiens hoofd heftig op en neer gaat als dat van een vilten hondje op de hoedenplank van een auto. “Je gaat je plooien naar onze wensen,” zegt hij. “Ik dacht het niet!” doe ik dapper. Ik tracht beheerst te klinken, maar er schemert onzekerheid door in mijn stem. Er valt een geladen stilte. Ze bekijken elkaar op een manier die mijn argwaan wekt. Het heeft er alle schijn van dat ze zich niet zomaar gewonnen zullen geven. Ik ben bang dat ze nog een joker achter de hand hebben. “Goed. Dan rest ons nog maar één mogelijkheid om jou tot rede te brengen,” werpt moeder op. Ik weet niet of het mijn verbeelding is, maar even meen ik een gemene grijns in haar mondhoeken waar te nemen. Ik voel me onrustig worden. Ik weet nu wel zeker dat ze het hier niet zullen bij laten. De aap staat op het punt uit de mouw te komen. Alsof ze me meedeelt dat ze voortaan de boodschappen op vrijdag zal doen in plaats van zaterdag, zegt ze me doodgemoedereerd dat het ticket naar Australië het laatste is wat ze voor me hebben betaald. Ze voegt er voor de duidelijkheid aan toe dat ik geen cent meer van hen zal zien. Ook niet om mijn verblijf in Australië te bekostigen! Ik voel me bleek wegtrekken. Als ik het goed begrijp, word ik drooggelegd! Dit is een uppercut waarmee ze me op de rand van de knock-out brengen. Ik bezit zelf geen rode duit, behoudens een klein bedrag dat ik om een bepaalde reden opzij heb gehouden. En wat spaargeld dat op een rekening staat waartoe ik pas op mijn 21 toegang krijg. Dat is maanden van vandaag. Ik sta voor een levensgroot dilemma. Als ik mijn plan doorzet, stort ik mezelf in armoede. Maar ga ik overstag voor een handvol klinkende munt, dan verlies ik al mijn geloofwaardigheid! Dus rest me maar één mogelijkheid: het been stijf houden! “Ik vind ginder wel een job,” antwoord ik moedig. Aan hun verbaasde blikken te oordelen, hadden zij deze repliek niet verwacht. Gelukkig merken ze niet dat ik op mijn benen sta te trillen. “Goed. Dan weet je waar je voor staat,” zegt moeder, terwijl ze zich overeind hijst. “Ga dan maar terug naar je kamer. Wij hebben jou niks meer te zeggen.” Dit zijn mijn ouders ten voeten uit. Ze behandelen me nog steeds als een kind. Ik mag niet doen waar ik zin in heb; moet naar mijn kamer gaan als zij het willen; moet mijn mond houden of ik krijg een klap... Ik hou dit leven geen halfjaar meer vol. Ik moét hier weg, of ik snijd mezelf de polsen over in een warm bad!   Ik word uitgeleide gedaan door vader, alsof ik de deur van de woonkamer zelf niet weet te vinden. Hij neemt me bij mijn bovenarm en drukt met opzet zijn vingers diep in mijn vlees. Voor hij me kamer uit duwt, geeft hij me nog gauw een gemene klap op mijn achterhoofd. Ik voel mijn knokkels jeuken, maar onderga eens te meer de vernedering.   Op mijn kamer sla ik meteen mijn laptop open en herlees het bericht dat ik amper een halfuur geleden op facebook heb gepost:   “Hallo iedereen! Goed nieuws! Ik heb jullie eerder via deze weg al verteld over mijn plannen om een halfjaar onderaan de wereld te gaan hangen. Volgende week is het zover! Down under, here I come! Het vliegtuig dat me via Singapore ter plaatse zal brengen, ondergaat momenteel de laatste controle. Kwestie dat jullie geen goede vriend ten onder zouden zien gaan in een air disaster. :-) Maar omdat ik niet zomaar met de noorderzon wil verdwijnen, geef ik een afscheidsdrink!!! Ja, jullie lezen het goed! Nu vrijdag 12 oktober zijn jullie allemaal van harte welkom in café De Aflaat, en dat vanaf 20 uur! Be there!”   Gezien de plotse wijziging in mijn financiële toestand, is dit een waanzinnig idee. Zo’n afscheidsdrink gaat me een bom duiten kosten. Geld dat ik de komende weken goed zal kunnen gebruiken. Ik tik meteen een tweede bericht in. “Hier ben ik weer. Amper een halfuur nadat ik jullie heb uitgenodigd voor een afscheidsdrink, zijn de plannen gewijzigd. Ik word namelijk door mijn ouders op droog zaad gezet. Ik heb dus geen geld om jullie van drank te voorzien. Daarom ben ik genoodzaakt…” Ik stop met typen en herlees wat ik heb geschreven. Ik twijfel. Als ik dit doorstuur, sta ik op het punt het malste figuur aller tijden te slaan! Ik, die dacht mijn vrienden eindelijk eens te kunnen tonen dat ik niet de slapjanus ben waarvoor ze me houden, ik ga weer eens buigen voor mijn ouders. Wat ben ik toch een lafbek! Ben ik een vent? Of ben ik werkelijk dat zachte eitje waar ik voor versleten wordt? Nog even denk ik na, maar neem dan een doortastende beslissing: al moet ik zand eten in Australië, of dien ik mijn tanden te zetten in een levende kangoeroe, ik moét hiermee doorgaan. Dit is mijn laatste kans om mezelf te bewijzen. Ik selecteer het stukje tekst dat ik net heb geschreven en druk op delete. Het weinige geld waarover ik nog beschik, zal opgaan aan een borrel voor mijn vrienden. Geen weg terug!   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0

Neer

Wat is zo’n huwelijksfeest meer dan de walmende lijfgeur van de liefde, bedacht Lennert zich. Hij wendde zijn blik vol minachting af van de feestzaal waar alle genodigden aan hun tafels hadden plaatsgenomen. Hij wachtte buiten op Lina, stak snel nog een sigaret op. Zo meteen zouden ze de zaal binnen paraderen, onder luid gejuich en applaus, want zo ging dat. Hij werd misselijk van al dat uiterlijk vertoon. Zweetvlekken op wat hij en Lina in alle rust en intimiteit jarenlang hadden opgebouwd. Maar Lina wou een groot feest, dus kreeg ze een groot feest. Een dag als een boodschappenlijstje, waarop elk uur iets geschrapt kon worden (stadhuis, kerkelijke plechtigheid, fotomoment, receptie). Zo voelde hij het aan, zo had hij het Lina ook gezegd. Maar kennelijk vond zij de echo van haar ‘ja’ belangrijker dan haar ‘ja’ zelf – zijn woorden, in een van de heftige disputen in aanloop naar deze dag. Vandaag onderging hij de bijverschijnselen van de liefde, zoals aan het einde van zijn vorige relatie.   Maar toen waren het bloedvlekken geweest. En Lina had hem genezen. Ze was een jarenlange therapie geweest. Hij moest de liefde weer leren, als iemand die opnieuw moest leren lopen na een zwaar ongeluk. Tot hij zich realiseerde dat Lina dan wel de vrouw van zijn leven moest zijn, als ze daarin geslaagd was. Op de dag van dat besef was hij genezen verklaard. Hij had, ergens in het niemandsland tussen pathetiek en romantiek, altijd in ‘die ene’ geloofd. Als een linker- bij een rechterarm. Een linker- bij een rechterlong. Benen, ogen, oren, nieren. De linker- en rechterkamer in het hart. Neem een van beide weg, en wat rest, is verminking.  En hij was verminkt sinds Kataline uit zijn leven was gestapt. Ze was op een avond thuisgekomen en had zes kogels op hem afgevuurd: “Ik wil dit nog niet, Lennert.” Beiden 24, hij toe aan zekerheid, zij aan ongedwongenheid. Het lag aan haar, niet aan hem. Dat soort algemeenheden, die hij nooit van haar had verwacht. Alsof hij haar nooit echt had gekend. “Je moet niet op me wachten”, had ze halverwege dat gesprek gezegd. “Ik wacht op je”, had hij aan het einde van het gesprek gezegd. Dat was vandaag exact acht jaar geleden. De huwelijksdatum was het enige wat hij zelf had gekozen. Het had een overwinning moeten zijn, een laatste dans op zijn ziekbed. Maar zo voelde het niet. En hij had aanvankelijk gewacht op Kataline. Tot hij met zijn beste vriend Joris in een kroeg beland was, en hij Lina’s naam had horen roepen. Hij was verliefd geworden op die naam, die als een echo van ‘Kataline’ klonk. Het was een klant die haar naam had geroepen om nog twee glazen bier. Ze antwoordde door stilzwijgend twee glazen in de spoelbak te duwen. Hij was naar haar blijven kijken. Haar glimlach naar hem was zijn eerste stap naar herstel geweest. Haar eerste woorden – “Jij drinkt hier het laatste glas vanavond” –  de eerste katheter in zijn lijf. Daar kwam Lina aangelopen. Haar opgestoken blonde haar gaf geen krimp. Ze hief haar brede witte jurk op zodat ze niet struikelde. Een mooie jurk, vond hij trouwens. Sober, zonder teveel bloemen of linten. Gewoon enkele pareltjes op de uitdijende lagen. Ze had een etalagepop gekocht waarop de jurk voortaan zou hangen thuis. “Ben je klaar voor ons moment, lieverd?” Ze haakte haar arm in de zijne en drukte een kus op zijn wang. Hij wilde zeggen dat geen enkel moment die dag “hun” moment zou zijn. Dat zelfs de vrijpartij tijdens de huwelijksnacht straks zou aanvoelen alsof alle gasten meekeken. Hij glimlachte maar. “Druk die sigaret uit. Wacht, je das hangt wat slordig. Lopen we arm in arm of hand in hand binnen?” Ze veegde wat roos weg van zijn schouders, trok zijn pak recht. Lina was vandaag niet langer zijn vriendin, maar zijn vrouw. Lennert hoopte dat dat verschil alleen vandaag zo groot zou zijn. De lucht kleurde valavondblauw. De lantaarns in de tuin lichtten zachtjes op. Lennert keek uit over het weliswaar prachtige domein van de feestzaal, met heggen die vanochtend nog zorgvuldig bijgeknipt leken. Het water van de fontein klaterde behoedzaam in de koi-vijver, de flamingo’s in het aanpalende park monsterden alles apathisch. “Deze wordt het!” had Lina gekird wanneer ze de flamingo’s had opgemerkt tijdens hun eerste verkenningsbezoek aan de zaal. De maître had naar Lennert geknipoogd met een air van: die doen het ’m altijd. Diezelfde man wenkte hen nu. “Als jullie klaar zijn…”, zei hij terwijl hij met een overdreven plechtig armgebaar het koppel aanmaande de zaal binnen te stappen. Hij deed teken naar de dj, die de muziek startte. Anonieme dancebeats opgeleukt met sambaritmes, ook door Lina gekozen. Niet bepaald Lennerts meug. Hij had de regie van die dag compleet uit handen gegeven, dacht hij. Misschien wel van zijn leven.   Ze stapten binnen in de zaal, verlicht door groene lampen aan de bakstenen muren en kandelaars op de tafels. Zijn mondhoeken kraakten bij het glimlachen. Hij waande zich op een praalwagen in een carnavalsstoet. Hij wuifde, speelde het rolletje dat Lina zelf geen rolletje vond. Hij zag nonkels en tantes met servetten zwaaien, zag anderen foto’s nemen, hoorde vrienden onverstaanbare dingen roepen, zag Joris vertwijfeld meeklappen op de maat. En dan zag hij haar. Achter de bar. Ze keek naar hem en Lina, maar wendde meteen haar blik af en ging verder met het ontkurken van flessen wijn. Alsof ze betrapt was. Lennert verstijfde, gejuich verstomde. Ze was hier. Werkte hier.   “Speech! Speech! Speech!” werd hem toegeroepen. Hij bleef naar de bar staren. Ze keek niet meer op. Lina trok zachtjes aan zijn arm. “Gaat het, lieverd?” Hij keek vluchtig opzij, mompelde “jaja”. Probeerde zich te herpakken. Faalde. De maître reikte Lennert een microfoon aan, wat hij negeerde. Het gejoel doofde zachtjes uit. Lina nam de microfoon aan. Hij hoorde niet wat ze zei. “De stress van zo’n dag”, suste Lennerts moeder. “Wat je zegt”, antwoordde Lina’s moeder.   Hij hoorde ook niks van wat er gezegd werd aan de bruidstafel. Hij waande zich in een sneeuwbol die zonet hevig door elkaar geschud was. Want dit was geen toeval. En indien wel: dan was het zijn lot. Hij volgde elke beweging die Kataline maakte. Hoe ze in colonne met de andere obers uit de keuken geraasd kwam, de borden op tafel zette en simultaan de deksels van de borden optilde. Hoe ze elk halfleeg glas wijn al snel bijschonk. En vooral: hoe ze hem negeerde. Ook wanneer ze de bruidstafel bediende, knikte of glimlachte ze met een professionalisme dat voor hem niet meer dan een eufemistische kilte was. Dat begreep hij niet. Wachtte ze op een ongedwongen moment waarop ze alleen waren? Had ze dit gepland of was ze even verrast als hij? Strafte ze hem omdat hij niet op haar gewacht had? Lennert voelde hoe hij neerging en zijn val niet kon stoppen. Dat niemand haar herkende, dacht hij. Zijn ouders, zijn vrienden, Joris vooral. Ze was niet hard veranderd, ook niet tegenover de foto’s waarop Lina haar had gezien, voor hij ze allemaal had versnipperd en in de rivier geworpen, op de plek waar ze elkaar voor het eerst gekust hadden tijdens een fietstocht. Dat was een idee van Lina geweest. Kataline droeg haar zwarte haar niet meer tot op haar schouders. Het stond haar wel. Maar haar houding en de blik in haar ogen die de vlakte tussen rationeel en onpeilbaar bescheen, waren nog steeds dezelfde. Hij kroop weer in zijn ziekbed en trok het laken over zich heen. Hij lag in foetushouding en bewoog niet. Lina kon hem niet helpen.   Lennert zag het dessert voor hem staan. Framboos, aardbei, witte chocolade, amandel. Hij zag Kataline Joris koffie uitschenken. Daar had je het. Hij zei iets tegen haar. Ze lachte, en zei iets terug. Dan keken ze naar hem en lachten weer. Hij liet zijn dessert onaangeroerd en beende naar het toilet. Hij gooide de deur open. Ging voor de spiegel staan, leunde met zijn armen op de wasbak. Hij wou de tijd de opgeflakkerde strijd met zijn verleden laten blussen. Maar die strijd zou hij altijd verliezen. Het maakte van zijn huwelijk tot zijn afgrijzen nu al een mislukking. Lina was niet alleen vandaag de persoon niet die hij acht jaar had gekend. Dat was ze simpelweg nooit geweest. Ze bleek een placebo die hem beter maakte zolang hij geloofde dat ze hem Kataline deed vergeten. Maar vergeten is een zinsbegoocheling. Herinneringen zijn als bloed dat gestelpt kan worden maar nooit kan stollen.   Hij wou hier weg. Hij duwde zich van de wasbak af en liep naar de deur. Die zwaaide net open. Hij botste op Joris. “Wat is er man?” “Dat ze hier is, Joris. Hoe kan dat? Zij! Net vandaag. Jij kunt erom lachen, blijkbaar. De lul, dat ben ik.” “Wat wauwel je?” Lennert stormde de deur uit. “Lennert!” Hij zag twee ooms uit Lina’s familie met een glas bier in de hand aan de rand van de dansvloer staan. Oom Dirk lalde iets tegen hem en begon te schaterlachen. Daarbij viel zijn glas uit zijn hand. Het spatte uit elkaar op de dansvloer. Lennert zag Kataline aankomen met een stofblik en een borstel. “Nee, laat mij, laat mij”, stamelde Lennert. Ze hurkten beiden neer. “Niet nodig, meneer,” zei ze. Lennert keek haar strak aan. “Meneer? Stop ermee, Kataline. Stop ermee. Ik heb me vergist, ik weet het. Maar ik heb op je gewacht. Ik zweer het je, ik heb gewacht.” Lennert graaide naar zijn portefeuille in zijn achterzak. Hij haalde achter zijn rijbewijs een foto van haar tevoorschijn. “Ik heb gewacht, Kataline.” Hij stond op en trok haar mee recht. “Dag op dag acht jaar geleden vandaag”, zei hij bijna stotterend. “Zie je het? Begrijp je? Dit moest gebeuren.” De dienster keek om zich heen met een blik die om hulp vroeg. “Kom, laten we dansen. Dit wordt onze dans, Kataline. Onze openingsdans.” Hij had geen oog voor Lina die op hem toestapte. Hij trok het meisje mee op de dansvloer. “Wacht hier. Ik vraag ons nummer aan.” Hij glimlachte naar haar. “Zie je wel, ik heb op je gewacht, Kataline”, zei hij zacht. “Echt.”

Philippe Nuyts
15 0

Puntloos

Wie er ooit mee begon weten wij niet en willen wij het wel weten of kan zo’n vragende zin in feite niet in deze stijlvorm vermits er hier dan een leesteken moet opduiken met name het vraagteken dat het uiteindelijk in vergelijking met andere leestekens nog goed doet beter dan bijvoorbeeld de komma die al jaren geleden een stille dood schijnt gestorven te zijn als men bijvoorbeeld vergelijkt met de Deense taal die haast onleesbaar en onuitspreekbaar zou zijn zonder het gebruik van komma’s wat ons brengt bij een vergelijking met het Nederlands dat alsmaar meer schrijvers telt dat de stijl van de eeuwige onophoudelijke zin huldigt waarbij het gebruik van de goede oude leestekens compleet geweerd wordt zodanig zelfs dat  anderstaligen die de taal nog niet meester zijn en ze dolgraag willen leren zich volledig verloren voelen want is het geen regel bij het leren van deze moeilijke taal om korte zinnetjes op te stellen die je toelaten snel een kort gesprek te leren voeren met de autochtone bevolking die daar gezien haar eigen taalgebruik blijkbaar niet op zit te wachten en al snel zelf naar haar kennis van de allochtone taal overschakelt die ze in de gebrekkige taalkennis van de ander meent te bespeuren waardoor er een vicieuze cirkel ontstaat en de al of niet gewenste immigranten nooit ingeburgerd geraken in het vreemde land van hun keuze zodat zij soms zodanig in moeilijkheden geraken dat zij geen andere keuze hebben dan zich meer nog dan voorheen in hun eigen wereld op te sluiten zowel op het vlak van de taal als van de religie of de gewoontes die ze niet eens van huis hebben meegekregen maar afkomstig zijn van hun voorouders die reeds enkele generaties geleden naar dit land kwamen om het werk te verrichten dat de autochtone bevolking zelf niet meer wilde uitvoeren en hoe moeilijk dit voor hen  was  gezien de uit te voeren taken toch door iemand moesten uitgelegd worden in een taal die ze niet begrepen wat  een beetje leek op de situatie van de Vlaamse jongens die aan het front in WO I en voor hen die het overleefden nog lange tijd nadien hun plan moesten trekken met de bevelen van de francofone legerleiding die het vertikte de taal van arbeiders en de boeren aan te leren tot er grote schrijvers opstonden die in die taal zowaar romans en poëzie begonnen te produceren  en bleven produceren tot hun dood of tot op heden terwijl sommigen onder hen recentelijk deze stijl zonder leestekens bedachten waaraan veel lezers geen boodschap hebben maar waar  zij ook geen punt van maken.

Vic de Bourg
39 3

Tot ziens, Marianne (deel 1)

   “Boris!” De stem van vader galmt luid door de gang. Ik klap mijn laptop dicht en richt mijn blik verschrikt op de wand voor me. Als vader me op deze manier roept, hangt er onheil in de lucht. Mijn ademhaling wordt meteen een stuk dieper en mijn ogen hechten zich vast aan de kinderlijke Disney-figuurtjes op het behang. Ik vind het opeens hallucinant dat ik als prille twintiger nog iedere nacht tussen de drie goede feeën Flora, Fauna en Mooiweertje slaap. Geen mens is ooit op het idee gekomen om het oude behang dat mijn kinderkamer sierde te overplakken. Dit is toch al te gek!   “Boris!!!” Ik rijd mijn bureaustoel achteruit. Door de ongelijke vloerplanken lijkt het of er een volgeladen vrachtwagen over een overweg davert. Dat heb je met zo’n aftands huis. Alles heeft zijn beste tijd gehad. Ik sta op en loop langs het raam. Mijn aandacht wordt getrokken door ons tuintje dat is omgeven door hoge muren, waardoor het op de luchtplaats van een gevangenis lijkt. Als achterophinkend nestkuiken bracht ik er de dagen alleen door. De door grootvader getimmerde schommel was het enige wat me vertier bood. Hoe vaak heb ik niet urenlang over en weer zitten wiegen tot ik misselijk van het plankje kroop en groen als een ui in het gras ging liggen? Ik heb de grootste moeite me in te beelden hoe het moet zijn geweest toen mijn broers en zussen er nog samen speelden. Zij hadden tenminste elkaar om…   “Boooriiies!!” Ik onttrek mijn blik aan het tuintje en begeef me schoorvoetend naar de deur. Ik zal maar gevolg geven aan vaders geroep, voor de grens van zijn geduld is bereikt. Je kunt de ouwe tarten, maar je mag het niet te ver drijven, want dan wordt hij giftig.   Ik loop de gang op en zie vanuit de studeerkamer vaders hoofd opduiken. Diagonaal! De uitdrukking die er op te lezen staat, liegt er niet om. Zijn geduld raakt uitgeput. Toch bewaar ik mijn slenterpas. Laat het een indicatie voor hem zijn dat ik geen zin heb in het nakende gesprek.   “Eindelijk!” bijt hij me toe. “Weet je wel hoeveel keer ik je geroepen heb?” Dat weet ik precies, maar ik ben niet van plan het hem te zeggen. Een klap tegen het achterhoofd is gauw gegeven.   “Kom binnen!” Hij plakt zich met zijn rug tegen de deurstijl om me door te laten. We raken elkaar even aan. Een secondelang vermengen onze aura’s zich. Voor een stukje. Als twee venndiagrammen die elkaar overlappen. Een onbehaaglijk gevoel.    “Ga zitten!” Ik neem plaats aan het bureau dat in het midden van de kamer staat opgesteld, met mijn rug naar de deur. Zo hoort het. Dat is ons zo aangeleerd. Als vader met zijn kinderen een gesprek onder vier ogen wil hebben, dan ontvangt hij ze als een ambtenaar. Lange tijd hebben mijn broers en zussen zich aan deze komedie moeten onderwerpen. Nu ben ik de enige op wie hij zijn pijlen nog kan richten. De andere vogels hebben het nest al lang verlaten. En dat is wat ik ook zinnens ben te doen. Dat doet me trouwens vermoeden dat het gesprek hierover zal gaan. Eén en ander wordt me wellicht niet gegund. Maar mijn vleugels zijn volgroeid. Het is de hoogste tijd om uit te vliegen.   Vader klapt de deur dicht en wandelt achter me door. Hij laat een penetrante geur na. Als hij geëmotioneerd is, zijn z’n zweetklieren de eerste organen die in werking treden. Dat doen ze overvloedig. En zodra hij zich opwindt, begint ook zijn adem te stinken. Zijn adrenaline heeft een hoogst onaangename geur. En het maakt zijn mond droog als kurk. Hij smakt dan als een bejaarde die zijn prothese niet in bedwang kan houden en drinkt overvloedig.   Terwijl ik zo ongeïnteresseerd mogelijk voor me uit zit te staren, neemt hij plaats tegenover me en bekijkt me doordringend, wel een minuut lang. Dat voel ik. Met die starre blik tracht hij me te intimideren. Nooit heeft de klok trager getikt dan nu, tenzij die keer dat ik mijn adem inhield in een vergeefse poging een chocoladereep af te dwingen. Het is alsof de secondewijzer de grootste moeite heeft om rond te raken. Af en toe slaakt vader een zucht, als een locomotief die een overschot aan pressie kwijt moet. Met dat hinderlijke geluid wil hij de spanning nog wat opvoeren.   Uiteindelijk wint hij het pleit. Ik kijk hem aan van onder mijn wenkbrauwen en voel een walging in me opkomen. Met zijn hoofd lichtjes schuin gehouden en zijn gezicht in een ernstige plooi lijkt hij wel de Godfather die zich opmaakt om de verdediging te aanhoren van een man die zichzelf in diskrediet heeft gebracht. Hij lijkt klaar te zitten om met een simpele handbeweging over mijn leven te beschikken. Maar het vertoon is lachwekkend. Van een tweedehands Marlon Brando gaat geen dreiging uit. Hij kan niet verbergen dat moeder hem weer eens een kelk heeft toegeschoven die hij liever aan zich voorbij had laten gaan. Dat komt zijn geloofwaardigheid niet ten goede. Overigens beginnen de tics, die hem kenmerken als hij nerveus is, de kop op te steken. Zijn neuspunt beweegt af en toe bliksemsnel van links naar rechts. En bij tussenpozen knippert hij met zijn wimpers met de snelheid van libellenvleugels. Als de tensie nog wat groter wordt, zal hij met zijn hand langs zijn haren beginnen te strijken. Of wat daar nog van overblijft. De bovenkant van zijn schedel is kaal als een varkensblaas en daar schaamt hij zich kennelijk over. Hij heeft de schaarse haren boven zijn rechteroor laten doorgroeien met als doel dat desolate schedellandschap te bedekken. ’s Morgens, na de douche, spreidt hij dat busseltje armetierige pijlen zorgvuldig uit over zijn kale kruin, om het vervolgens de hele dag met een kundige handbeweging op zijn plaats te houden. Met pink en ringvinger schuift hij onder de lok door, terwijl de andere vingers er zachtjes overheen strijken, zodat alles weer netjes komt te liggen en opnieuw de illusie kan worden gewekt dat hij haar op zijn kruin heeft. Hoe nerveuzer hij wordt, hoe frequenter hij deze dwanghandeling toepast. Ik denk plots terug aan die keer aan zee toen hij zijn haarlok met een bus lak te lijf was gegaan, in een poging de nijdige stormwind het hoofd te bieden. Bij de eerste forse rukwind klapte het luik open alsof er een springveer in zat, en leek het alsof er aan de zijkant van zijn hoofd een dakgoot hing te bengelen. Wat heb ik me toen kapot gegierd.   “Zit jij daar te monkellachen?” hoor ik hem vragen. Ik tracht mijn mondhoeken in bedwang te houden en blijf emotieloos voor me uit zitten staren. Uiteindelijk steekt hij van wal. Best, anders zaten we hier overmorgen nog.   “Jongen... je weet wellicht waarom ik je heb geroepen?” vraagt hij. Ik hef mijn schouders hoog. Natuurlijk meen ik te weten waarover hij gaat zitten zeiken, maar dat hoef ik hem niet kenbaar te maken. Het initiatief hoort volledig bij hem te liggen.   “Die plannen van je…” Hij bouwt een weloverwogen stilte in. “Je weet wat ik bedoel?” Ik haal opnieuw mijn schouders op. Mijn apathie versterkt zijn nervositeit. Onder zijn oksels begint zijn hemd al wat donkerder te kleuren en het eerste gesmak klinkt op. Hij schraapt zijn keel. Een teken dat het echte sermoen gaat losbarsten.   “Jongen…” De geladenheid waarmee hij dat woord uitspreekt… “er is iets dat je dient te weten. Je beseft dat je de laatste bent van vijf om het nest te verlaten?” Ja, natuurlijk besef ik dat! Wat denkt hij dan?   “Maar besef je ook dat de laatste de moeilijkste is om te laten gaan? Zeker voor een moeder die zo met haar kinderen is begaan als die van jullie. Moeder leeft voor haar kinderen, jongen. Dat weet je toch.” Ik richt mijn ogen verveeld op het plafond. Die overlangse barst lijkt met de dag breder te worden. Vroeg of laat valt ons huis in twee gelijke delen uit elkaar! Dat lijkt me een zekerheid. Vader gaat intussen onverstoorbaar verder. “Moeder heeft het altijd al moeilijk gehad als er eentje wegging,” hoor ik hem doorzeuren. “Ze zijn ook allemaal zo vroeg vertrokken, je broers en zussen. Bea was natuurlijk een apart geval. In haar toestand konden we haar niet langer thuishouden. Maar de andere drie… ze konden niet gauw genoeg de deur uit zijn...” Ik meen een vreemde klank in zijn stem waar te nemen. Alsof zijn keel dicht zit. Onwillekeurig kijk ik hem aan. Ik wil zien wat in zijn ogen speelt. Verbaast het hem werkelijk dat mijn broers en zussen zo snel mogelijk wegwilden uit dit onaandoenlijke nest?! Of is hij geëmotioneerd bij de gedachte aan Bea die ze in een instelling hebben geplaatst omdat ze door een autismespectrumstoornis al sinds haar geboorte in een ‘andere wereld’ leeft? Ik zie hem dromerig voor zich uit kijken, alsof hij de mislukkingen van zijn leven aan zijn geestesoog voorbij ziet trekken. In colonne. Maar dan schudt hij zijn demonen van zich af met een bruuske hoofdbeweging, die zijn haarlok voor zijn ogen doet schuiven.   “Boris, geef toe: jullie hebben het hier toch goed gehad…” zegt hij, terwijl hij met zijn vingers de lok weer goed legt. Zijn toon duidt op diepgewortelde twijfel. Hij buigt zijn bovenlichaam naar me toe en kijkt me indringend aan. “Wees eerlijk, jongen, jullie hebben toch nooit iets tekort gehad.” Hij sméékt haast om een bevestiging. “Mama heeft jullie een onbezorgde kindertijd gegeven. Ze was er altijd. Ze voedde jullie, kleedde jullie, zorgde ervoor dat jullie altijd piekfijn in orde waren, dat jullie op tijd op school kwamen. Ze deed de was, de plas, de strijk… En ik wil mezelf niet op een voetstuk plaatsen, maar ook ik heb me uit de naad gewerkt, jongen. Dag en nacht. Ik heb me uitgesloofd voor jullie. Als een slaaf. Besef je dat?” Ik zwijg in alle talen. “Boris?” Ik knik vaag. “Ik wil het je horen zeggen.”   “Ja, vader.”   “Wel dan!” In die twee woorden zit alles vervat. Alle frustraties die moeder en hij delen. Wat zijn ze toch een zielig stel.   “Is dat alles wat je kwijt wilt? Besef je wel wat je ons aandoet?” Hij kijkt me aan met de blik van een rechercheur die vastbesloten is een bekentenis los te peuteren bij een man die is voorgeleid bij gebrek aan een echte verdachte. Om de communis opinio te sussen, die belichaamd wordt door moeder.   “Wat doe ik jullie dan aan?” vraag ik. Hij gooit zijn handen in de lucht. “Je gaat me toch niet vertellen dat het je niet kan schelen dat je moeder kapot gaat van verdriet door jouw schuld! Door jouw schuld!!!” Omdat ik stoïcijns blijf onder zijn emotionele chantage, begint hij zijn geduld kwijt te raken, met als gevolg dat zijn redevoering wanordelijker begint te worden. Hij springt van de hak op de tak, alsof hij de draad kwijt is. Als een acteur die een black-out heeft en dan maar alle zinnen begint op te dreunen die hij zich herinnert, in de hoop zo weer to the point te komen. Plots heeft hij het over mijn studies die ik heb stopgezet omdat ik er niks van bakte. Dat de door hen gekozen studie te hoog gegrepen was voor een middelmatig begaafde jongen als ik, schijnt bij hen nog steeds niet door te dringen. Tegelijk splitst hij me het verwijt in de maag dat ik beter af en toe een boek zou vastpakken in plaats van de hele dag op die “stomme” computer te zitten tokkelen. Een typische uitlating van een informatica-Neanderthaler die er nog net in slaagt om een telefoonnummer in te toetsen, maar zelfs geen sms kan sturen. Daarna gaat hij even door over de gezondheid van moeder. Hij wilt me écht doen geloven dat ze ziek is van mijn beslissing. Maar als ze érgens ziek van is, dan is het van haar zin niet te krijgen. Ik ken haar! Vervolgens heeft hij het nog even over het vage begrip ondankbaarheid, om via die weg te belanden bij de essentie van zijn betoog. Het heeft er alle schijn van dat mijn geplande sabbatjaar in Australië, waarmee ze kwaadschiks hebben ingestemd, niet het grootste struikelblok is. Wel dat ik me in een onbewaakt ogenblik heb laten ontvallen dat ik na mijn terugkeer op mezelf wil gaan wonen. Dat had ik beter niet gedaan. Maar hoe gaat dat als je hart ergens van vol is? De mond loopt er dan gauw van over. Hij wilt dat ik hem één goede reden geef waarom ik dat zou doen, op mezelf gaan wonen. Ik kijk hem aan. Als ik op mijn deductie mag vertrouwen, verraadt zijn blik een zekere angst. Volgens mij is hij bang om alleen met moeder achter te blijven. Dát is het! En eerlijk: ik kan me daar iets bij voorstellen. Het wordt geen pretje voor hem, alleen met moeder. Ze kan het bloed vanonder zijn nagels halen. Maar mijn bestaan wordt niet gerechtvaardigd door het fungeren als bliksemafleider. Ik deel hem mee dat ik over enkele maanden 21 word. Ik meld het maar even, je weet nooit dat het hen ontgaan is. Ze behandelen me tenslotte nog steeds als een jochie dat pas uit de baarmoeder is gefloept. Met hun achterlijke behang!   Zijn neuspunt gaat nu haast onophoudelijk over en weer. En zijn zweetgeur is niet meer te harden. Kan er misschien een raam worden opengezet? Hij smakt enkele keren en giet water uit een kruik over in een glas dat hij op voorhand op zijn bureau heeft klaargezet. Hij drinkt gulzig, als een diabeticus. Er loopt zelfs een fijn straaltje water over zijn kin. Na zijn mond bevochtigd te hebben, begint hij opnieuw over moeder. Het klinkt alsof hij een ingestudeerde tekst opzegt. Hij drukt me nogmaals op het hart dat ze het er verschrikkelijk moeilijk mee heeft me te moeten afgeven. Hij voegt er aan toe dat het voor haar veel meer is dan het omslaan van een bladzijde; dat ze het gevoel heeft na mijn uittocht aan het laatste hoofdstuk van haar leven te beginnen. Ik antwoord dat ik daar begrip voor heb, maar dat ik niet tot aan mijn pensioen onder hun vleugels wil blijven leven. En dan begaat hij de kapitale fout om me te zeggen dat ik later, als ik zelf kinderen zal hebben, wel anders zal piepen. Ik voel mijn bloed stollen. Begrijpt hij dan niet dat adolescenten, met inbegrip van jong volwassenen, een hekel hebben aan zulke uitlatingen? Ik werp hem in het gezicht dat ik nooit kinderen zal hebben; dat ik niet inzie waarom ik mijn bedenkelijke genen zou moeten doorgeven en dat de wereld toch al overbevolkt is. Meteen eindigt het gesprek. Zodra vader aanvoelt dat zijn argumentatie tekortschiet tegen die van zijn opponent, haalt hij bakzeil.   “Goed,” zegt hij, nadat hij nog een slok heeft genomen. “Je denkt dus vastbesloten te zijn?”   “Ik bén vastbesloten,” verbeter ik.   “Oké, dan zijn wij uitgepraat.”  Hij hijst zich overeind en gebiedt me eveneens op te staan. Ik laat me de gang opjagen en wil naar mijn kamer gaan, maar hij roept me terug.   “Jij gaat naar beneden,” zegt hij.   “Beneden? Wat moet ik daar gaan doen?”   “Denk je er zo vanaf te komen? Jij gaat het zelf uitleggen aan je moeder, jongen!” Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Een preek van vader doorsta ik moeiteloos. Maar een scène van moeder…   Gelaten daal ik achter hem de trap af. Mijn hart klopt in mijn keel als we halt houden voor de deur van de woonkamer.   (foto: ©photosuus)

Lou Van Lier
0 0

Isabelle [Hoofdstuk 4]

4                                                          Klokslag zeven uur stond hij voor de glazen pui van het gebouw. Even later stapte John uit de lift en kwam naar de uitgang. “Goed je weer te zien, Lars. Hoe gaat het?” “Zoals ik je schreef, het kan beter.” “Laten we direct gaan eten, ik weet een goed Japans restaurant in de buurt. Over anderhalf uur moet ik terug zijn op kantoor.” “Ga je hierna weer aan het werk?” vroeg Lars verbaasd. “Ik moet wel, het is vreselijk druk. Tegenwoordig ben ik elke avond aan het werk, zelfs op zaterdag.” Het restaurant was gevestigd aan 51st street, ruim opgezet met louter Japanse gasten. De toegewezen tafel naast de deur was niet wat John voor ogen had. In vloeiend Japans sprak hij de gastvrouw aan, met als gevolg dat er snel een betere plek werd aangeboden. Lars glimlachte, dat gedoe had hij vaker meegemaakt. Altijd was er wel een issue en altijd wist John de aandacht op zich te vestigen. Wellicht omdat hij iets luider sprak dan de gemiddelde Amerikaan, licht raspend met dat typisch New Yorkse accent. Hij wenkte de serveerster en schakelde over op het Japans. Even later werden er een schaaltje edemame, sake en twee glazen water geserveerd. Lars keek naar zijn kameraad die zich direct op de sojaboontjes stortte en ondertussen de Nederlandse politiek ter sprake bracht. Zelfs in Amerika hield John zich op de hoogte door regelmatig de website van NRC Handelsblad te lezen. Het laatste restje haar dat hij nog had, was gemillimeterd. Ze waren even oud, achter in de veertig. Buiten zijn nagenoeg kale hoofd en grijs haar vertoonde John nog geen trekken van ouderdom. Slank van postuur en een glad bijna jongensachtig gezicht. Anders dan ik, dacht Lars, met wallen onder mijn ogen en een beginnend buikje. Alsof John zijn gedachten kon lezen, vroeg hij plots: “Hoe kan het dat jij al je haar nog hebt?” “De genen van mijn opa. Die was op zijn zeventigste nog niet kaal.” “Lucky man,” zei John terwijl hij een slok water nam. “Valt wel mee, ik heb geen cent te makken. Dit jaar...”  “Gelul,” riep John, “je hebt al jaren een eigen bedrijf, je kan je een trip naar New York veroorloven.” “Dat is het ’m nou juist. De zaak loopt voor geen meter. Het is al september en ik heb nog geen zesduizend euro omzet. Twee keer per week moet ik bijklussen als koerier voor DHL.” “Maar wel even naar New York.” “Betaald met mijn credit card, de klap komt later,” zuchtte Lars. John zweeg en gooide een boontje terug in het schaaltje. “Weet je, ik ben blij dat ik drie jaar geleden ben teruggegaan naar de States.” “Alsof het hier zo goed gaat.” Hij fronste zijn wenkbrauwen: “You know Lars...” Als hij zo van wal stak  dan volgde er een betoog. Minutenlang zou John aan het woord zijn en uitleggen dat, in dit geval, Amerika zich veel beter door de crisis sloeg dan Europa. De kans werd hem ontnomen door de serveerster die de bestelling kwam opnemen. Zonder de menukaart te bekijken, somde John een aantal gerechten op. De jonge dame noteerde het vluchtig en verdween geruisloos. “Nice face but a little too skinny.” Geen enkele vrouw ontsnapte aan zijn oordeel. “Hoe gaat het met Majimi?” “We zien elkaar nauwelijks, maar ze is goed voor me. Beter dan mijn ex in elk geval. Hoe gaat het met jouw gezin eigenlijk?” Lars pakte zijn telefoon en toonde foto's van zijn dochtertje. John glimlachte: “Hoe oud is ze is nu?” “Zeven. De tijd vliegt.” “Waar blijft nummer twee?” “We zouden wel willen, maar je hebt geen idee wat een kind kost.” “Elena studeert nog steeds?” “Yep, ze is zelfs aan een nieuwe studie begonnen. Rechten, dat brengt dus ook niks in het laatje.” John tikte met zijn vinger op de tafel. “She will, in time.” “Weet ik, alleen heb ik daar nu geen zak aan. Het water staat me tot aan de lippen.” “...tot aan mijn lippen,” herhaalde John. “Waarom zit het Nederlands vol met vreemde uitdrukkingen en gezegden.” “The ship is going down, John, om het in het Engels te houden.” “Cut the crap, Lars. You are here on a mission.” “Ik weet het, maar als het met die app niet lukt dan ben ik echt de lul.” Lars pakte een kannetje sake en schonk voor beiden in. De serveerster kwam na enkele minuten met de eerste gerechten. Met stokjes eten was geen probleem voor hem, een gegrilde vis fileren met dat gereedschap was van een andere orde. Zijn vriend had het vel teruggeslagen en gebruikte zijn gerei om stukjes vis van het kraakbeen te scheiden. “Dus morgen ga je naar MobileWeek?” vroeg John. “Daar moet het gebeuren.” Hij pakte zijn iPhone en liet een paar afbeeldingen zien van de app. “WordSnake heet het, toch?” “Ja, een wordgame. Het idee is om een nieuw woord te maken beginnend met de laatste letter van je tegenspeler. Je hebt de keuze uit tien willekeurig gekozen letters. Het heeft iets weg van Scrabble. De puntentelling is hetzelfde. Dus hoe langer het woord, hoe meer punten. Vorm je een woord van zes letters dan verdubbelt de woordwaarde, bij zeven letters drie maal, acht vier maal, en zo verder.” “Looks nice, dude.” Lars glimlachte. Voordat hij naar New York was vertrokken had hij een flow chart gemaakt van het spel en ter illustratie een aantal photoshop bestanden. Het enige wat nog ontbrak was een non-disclosure agreement. “Ik heb een nda voor je opgesteld,” zei John. Uit zijn binnenzak pakte hij een envelop en haalde er een gevouwen vel papier uit. “Alles staat op één blad, makkelijk als je het moet printen of kopiëren.” Hij wees op verschillende open regels. “Jij tekent onder Discloser, degene met je wie onderhandelt onder Participant. Laat die persoon zo veel mogelijk gegevens van zichzelf invullen. En vergeet de datum niet.” “Dus dit moet genoeg zijn?” John nam een slok water. “Een nda waarborgt geheimhouding, maar in de praktijk valt dat tegen.” “Dan heb ik er weinig aan.” “Juridisch ben je gedekt natuurlijk. Het is meer om aan te geven dat men niet met een sukkel te maken heeft.” Lars schoot in de lach. “Tuurlijk.” “Het staat ook als pdf-bestand in je mailbox.” “Cool.” De serveerster zette twee houten plateau’s rauwe vis op tafel. Met een lichte buiging zei ze iets wat John wederom leek te negeren. Hij deed zijn handen uiteen: “Sashimi Maguro. Zowel Chu-toro als O-toro en Akami natuurlijk.” “Mijn Japans is niet meer wat het geweest is, John.” “Come on, man. You know this. Tuna, the best parts of it.” “Wat zei die serveerster nou eigenlijk?” “Het spijt me dat u zo lang heeft moeten wachten.” “Wachten? We hebben net de yellow tail achter de kiezen.” “Dat zeggen ze altijd bij het hoofdgerecht.” De serveerster bracht even later twee kommetjes rijst ter completering van de maaltijd. “Heb je plannen voor vanavond?” vroeg John. “Geen idee, misschien kunnen we nog ergens een biertje drinken.” “Helaas, ik was al blij er even tussenuit te kunnen.” Hij tilde het deksel van zijn kommetje op. Bovenop de dampende rijst lag een rauwe eierdooier. “Nice. Tegenwoordig hoef ik er niet meer om te vragen.” Lars wilde nog wat sake inschenken. “Dat spul verdampt veel te snel,” zei hij en keek om zich heen of een serveerster hem in de gaten had. John knikte kort met zijn hoofd in de richting van de keuken. Direct kwam een dame aangesneld en posteerde zich voor de tafel. Na een kort ‘Hai’ verdween ze weer. Met jaloersmakend gemak schakelde John van het Engels naar het Japans en terug naar het Nederlands. “Japanse serveersters staan ietsje verder van de tafel af dan hun westerse collega’s. Ze zijn beleefder en lopen niet te eh.. how did you call that, pezen voor hun fooi.” “Haagse straattaal, John. Dat je dat nog weet.” “De jongens op kantoor vonden het leuk om zo nu en dan plat Haags te praten.” Hij volgde het voorbeeld van zijn vriend en roerde de eierdooier door de rijst. De sake werd geserveerd, waarop John het kannetje pakte en alleen Lars’ cupje inschonk. Deze sloeg het direct achterover. “Bijna drie jaar heb je toch in Japan gewoond?” “Klopt. ”  “En dan ontmoet je het meisje van je dromen. Waarom ben je daar niet gebleven?” “Na mijn studie kon ik geen werk vinden, dus zijn we uiteindelijk naar the States gegaan.” Toen hij voor beiden sake wilde inschenken, hield John zijn hand boven het cupje. “Wil je echt niet meer?” “Ik moet zo meteen weer aan het werk.” Hij leunde achterover en legde zijn handen in zijn nek. “Waarom ga je vanavond niet naar Provoc in het meatpacking district? Kan interessant zijn voor je. Er lopen genoeg dudes rond die in de mobile industry zitten.” “Wat is dat voor tent? “Cool en hip.” “Waar zit het precies?” “Ik schrijf het op.” Hij pakte een visitekaartje uit zijn zak en schreef het adres op de achterkant. “Een van de security guys ken ik goed. Koreaan van origine, klein van stuk, but very tough. Geef hem dit kaartje en hij laat je binnen. Ik ga ervan uit dat hij werkt vanavond, maar de zaak gaat pas om elf uur open.” Lars bekeek het kaartje. Onder het adres stond: ‘Thx, John’

Ted H.P. de Wolf
0 0

op de hoorns

  Voel me zo licht, als het licht om me heen zwaar is voor iedereen die ik niet ben, vandaag. Heb het gevoel dat er geen staartje aanzit, dat de vliegen wil vinden, vandaag, lijk ik een van hen, vandaag, voor de eerste keer misschien, of een beetje zomaar, lijk ik zelf te vliegen.  Vandaag voel ik me zonder reden, vanuit mezelf, goed.    Het is iedereen die ik gisteren was niet gegeven. Moet al ver teruggaan, naar voor ontbijt op bed, thermometers en eeuwen, lijkt het wel, van loeiende wekkers, om me zo een vrij gevoel te herinneren. Het is alsof de wei heel klein werd, en ik eindelijk alles kan overzien, van begin tot einde, de tamtam-signalen over de vlakte klinken dichtbij, regelmatig, elektriciteitspalen staan zorgvuldig zij aan zij, zuchten nu en dan een beetje, de krant ritselt aan m’n voeten, ik kan er niet bij, hoe zalig ik me voel.   Mensen had ik niet nodig, voor de nieuwsgierigheid, meestal om me heen, dat herinner ik me nog wel en toch eentje in’t bijzonder, die wist hoe me te verplegen. werd ik zo tam, zo vet, zo moe, niets kon me nog interesseren, dat het gras groen was, dat ze me niet lieten staan of gaan, niet vroegen wat ik wilde, had ik wat willen zeggen, boe of iets waar ze wat aan hadden, dan was ik zeker van zure gezichten. had ik iets willen doen, de krant voorlezen, een elektriciteitspaal aan het lachen brengen, mijn eigen tamtam maken, mensen heb ik nodig, na de nieuwsgierigheid.    Voel me zo licht vandaag, als de eeuwen die samenkomen zwaar zijn voor iedereen die in het nu leeft. zwevend boven de kleine wei, iedereen die ik was, ben en zal zijn. en niet. iedereen anders en eentje in’t bijzonder, die weet hoe me te vergeten, wijst de nieuwsgierigheid aan, de tamtam zwijgt, de elektriciteitspalen houden hun adem in, de krant kopt: coma-koe in crisis.     

Bas Tuurder
32 1

Hét restje

De deur sloeg iets te hard achter haar dicht. Louise voelde haar sleutelbos zwaar worden in haar hand. Ze keek er naar terwijl ze door de gang liep, de woonkamer binnen. Onverwacht stil was het huis. Alsof de stilte hoorbaar was. Ze was net afgezet door haar schoonouders, dat was best raar. Niemand wist echt goed wat te zeggen, hun zwarte kleren zeiden genoeg. Louise had geen hap kunnen eten. Ze had het immers te druk om de blikken te vermijden die haar zouden aanzetten tot meer dan ze wou toegeven. Daarom had ze maar gekeken naar haar zakdoek, haar bord, haar nagels. Er was niets anders te doen dan aan de tafel te gaan zitten en te wachten. Morgen zou alles opnieuw beginnen. Dan wist Louise misschien terug hoe ze zich kon gedragen. Nooit had ze kunnen denken dat het eerste waar ze werk van zou maken bij thuiskomst, een bord Spaghetti was. Ze trok de koelkast open. Daar stond het. Het potje waar ze haar gedachten maar niet van kon houden. Ze wist nog goed dat het er was, en dat het nog goed was. Vier dagen geleden was dit gerechtje klaargestoomd in hun zwarte Le Creuset pot en net na de maaltijd was dit restje koel gezet. Het was zondag geweest en de dag had zich gevuld met regen. Op zo’n dagen verzon hij wel vaker projectjes die gewoon tijd vergde. Dan kon hij er van genieten om minuten te geven aan simpele handelingen: wortelen flinterdun snijden in blokjes van vier vierkante millimeter, knoflook kneuzen, de meest nieuwe takjes oregano gaan afsnijden in de tuin, verse tomaten inkoken. Het was hun lievelingsgerecht. Spaghetti Bolognese à la flamande werd vaak op hoongelach onthaald. Maar zijn versie was magistraal. Elke student kon dit potje koken, en kwam niet verder dan een fractie van deze smaken. Ze kookte een verse portie pasta en warmde een pannetje saus traag op. Bij de eerste hap kauwde ze een vijftal keer en vulde al haar zintuigen. Ze haaste zich om door te slikken want daar kwam het snot met het schokken van iemand die zijn verdriet toelaat. Daar zat hij, naast haar, levend en wel. Niet dood te wezen. Niet geplet onder een vrachtwagen in een banale maandagochtendspits. Hij lachte haar toe en ze klonken hun glas wijn tegen elkaar. Tot de laatste hap at ze haar bord leeg. Nooit zal ze hem nog proeven. Smaakvol, dat was hij.

Kwinten Fort
7 0