Zoeken

De roedel van Siberië_Deel1_hoofdstuk 1

Het was vroeg in de ochtend in het uitgestrekte Siberië, het begon net te schemeren en iedereen sliep nog. Zelfs de wolven van ‘Greywolves’ lagen nog in hun hol. De roedel bestond uit het alfapaar Lea en Derek en hun kinderen David en Sky. Allemaal bruingrijze wolven met blauwgrijze ogen. Maar bij de ingang van het hol lag nog iemand: Calla, hun geadopteerde dochter, een slank meisje met blond haar en grasgroene ogen. Ze was geen gewoon meisje, ze was een weerwolf. Ze kon zich wanneer ze wil veranderen in een wolf en terug. De Greywolves hadden haar met enige moeite geaccepteerd in hun roedel. Ze was op een winteravond in hun territorium aangekomen, verkleumd en hongerig. Ze kon zich maar amper staande houden, maar toch slaagde ze erin de meeste aanvallen van Derek af te weren. Lea had voorkomen dat Derek haar doodde en had Calla haar verhaal laten doen. Calla vertelde hun alles, zelfs dat ze een weerwolf was. Sky en David vonden het reuzeleuk dat Calla dat was. Lea vond het minder leuk, maar wel handig en Derek vond het maar niets. Op dit moment lag Calla diep in slaap. Ze droomde van haar roedel weerwolven. Plots schrok ze wakker doordat er ergens in de verte een fazant een kreet slaakte. Calla veranderde in een wolf, spitste haar oren en keek, luisterde en snoof in het rond. Ze kon niets verdachts ontdekken, of toch. Daar beneden in het dal kwam een eenzame wolf hun territorium binnen. Calla wist direct dat hij niet van de streek was en dat hij gewond was. Ze sloop het hol uit en ging op zoek naar de eenzame wolf, al snel had ze zijn spoor te pakken en rende in zijn richting, want ze wist dat als ze hem niet ging helpen dat de wolf dood ging. Binnen een paar minuten was ze bij het verse spoor gekomen en liep ze behoedzaam verder. Plots bleef ze stokstijf staan. Voor haar tussen de bomen liep de eenzame wolf, het was een wolf die ze hier nog nooit had gezien. Hij was zo zwart als de nacht van kleur en was zeker een kop groter dan zij. Pas toen merkte ze de grote wonde op zijn zij en ze zuchtte diep, omdat de wonde vuil was en veel tijd zou nodig hebben om te helen. Op dat moment keek de zwarte wolf om en zijn hemelsblauwe ogen haakten zich vast in haar grasgroene ogen. Calla meende er een glimp van herkenning in te zien. Calla sloeg als eerste, al blozend, haar ogen neer en kwam voorzichtig dichterbij. Na een aantal meter gromde hij zachtjes, maar Calla schonk er geen aandacht aan en kwam steeds dichter bij. “Laat me met rust!” grauwde de zwarte wolf toen Calla een meter van hem verwijderd was. Calla bleef een seconde staan, plukte wat kruiden en wierp daarna de zwarte wolf tegen de grond, drukte de kruiden op zijn wonde en grauwde dat hij moest blijven liggen. Hij gehoorzaamde omdat hij de pijn héél lichtjes voelde afnemen. Calla stond recht om nog wat kruiden te plukken die ze bij op de wonde van de zwarte wolf legde. Daarna verbond ze de wonde met wat grashalmen en berkenbast en zei dat hij moest rechtstaan en wat rondstappen, zodat de kruiden hun werk konden doen. Ze hield hem goed in de gaten en spitste haar oren toen ze en kort woest geblaf in de verte hoorde. “Shit!”, zei ze, “We moet hier weg en zo snel mogelijk ook!” “Waarom?”  “Mijn stiefvader, Derek, is wakker!”  “Ik zie het probleem nog altijd niet.” “Derek en ik kunnen het niet goed met elkaar vinden, we zijn beiden alfa’s en beiden koppig”, legde Calla uit. “Denk je dat je een eindje kunt lopen?” “Ik zal wel moeten zeker”, zuchtte hij. “Super! Deze kant op”, zei ze en ze liep snel verder. Plots hoorden ze gehuil dat zeer dichtbij klonk. Calla begon te rennen. De zwarte wolf rende haar achterna, maar kon na een paar meter al niet meer volgen. “Stop”, hijgde hij, “Ik… ik kan niet meer.”  Calla stopte en dacht even na, toen ging ze naast de zwarte wolf staan, pakte hem vast en probeerde daarbij zoveel mogelijk zijn wonde te ontzien, wat niet gemakkelijk was. Zo liepen ze verder tot ze bij een omgevallen boom kwamen die overwoekerd was door klimop en mos. Helemaal onderaan was een gat waar net een wolf doorkon. Calla zei dat de zwarte wolf naar binnen moest gaan, moest gaan liggen en geen geluid mocht maken. De zwarte wolf was nog maar net het hol binnen of daar kwam de stiefvader van Calla al aan, hij was woedend. “Waar is die indringer!”, grauwde hij. “ Dit is hier MIJN deel van het territorium en jij hebt zelf gezegd dat ik hier mocht doen wat ik wilde”, zei Calla rustig. “Dit is nog altijd mijn territorium en jij doe wat ik je zeg! Dus je geeft me nu die indringer! ”, grauwde Derek. “Ik dacht het niet!”, antwoordde Calla. “Je hebt het zelf gewild!” Derek sprong op haar af. Calla ontweek de aanval behendig. Haar vader zette terug een aanval in en die ontweek ze ook heel behendig, of toch niet, ze bleef met haar linkervoorpoot haken achter een boomwortel en viel op de grond, haar vader sprong direct op haar, zetten zijn tanden in haar keel en gromde. “Wie zei er ook weer ik doe hier wat ik wil?”, vroeg hij spottend. “Ik! ” Calla duwde haar vader met haar achterpoten van zich af, de grond op en zette op haar beurt haar tanden in zijn keel en gromde. “De indringer krijg je nooit! Ga nu weg of je zult niet lang meer te leven hebben!” “Dat durf je toch niet, mij doden”, spotte haar vader. “Oh nee?”, antwoordde Calla en ze zette haar tanden nog wat harder in zijn keel. Op dat moment kwam Lea, Calla’s stiefmoeder, aangerend. “Cal, laat onmiddellijk je vader los!”, beval ze.  Calla liet los en deed een paar stappen achteruit. “En jij”, zei Lea terwijl ze haar blik op Derek richtte, “Jij gaat je verontschuldigen tegenover je dochter! Je hebt haar beloofd dat dit haar gebied was. Daarbij is ze oud genoeg om zelf beslissingen te nemen en als het haar beslissing is om een eenzame gewonde wolf te helpen, dan doet ze dat en heb jij je er niet mee te moeien!” Derek zuchtte en gromde. ”Het spijt me. Je moeder heeft gelijk, ik zal het niet meer doen”. “Dat is te hopen”, gromde Calla terwijl ze haar wonden likte. Haar vader wou iets zeggen, maar hield wijselijk zijn mond toen hij de blik van Lea voelde. Hij draaide zich om en liep terug naar hun hol, Lea volgde nadat ze afscheid had genomen van Calla. Calla draaide zich om naar het hol waar de zwarte wolf zat en zag alleen zijn blauwe ogen die vol ongerustheid stonden. “Laat me raden. Ik zie er afschuwelijk uit”, lachte Calla. De ongerustheid in de ogen van de zwarte wolf verdween een klein beetje.  “Gaat het?”, vroeg hij terwijl hij uit het hol kwam. “Ja hoor”, antwoordde Calla, terwijl ze naar hem toe kwam en moest op haar tong bijten om het niet uit te schreeuwen van de pijn. “Nee Cal, het gaat helemaal niet”, zei hij met een bezorgde blik in zijn ogen, “Geef me je poot eens.” Calla gaf hem haar poot en jankte luid wanneer hij er lichtjes op drukte. “ Verstuikt”, zei hij, “ Dat dacht ik al.” Calla hinkte naar het hol en haalde er wat kruiden en twee brede, dunne, maar stevige takjes uit en vroeg hem om haar te helpen met haar poot te verbinden. Hij pakte heel voorzichtig haar poot op, legde de kruiden erop, drukte de latjes ertegen en verbond het geheel. Hij deed alles zo voorzichtig mogelijk, maar toch lag Calla na afloop jankend van de pijn in zijn poten. Hij plukte wat mos, legde dat op de grond, legde Calla erop zodat ze zacht lag, legde zich naast haar om haar te beschermen en dan probeerde hij haar te troosten. “Wie ben je eigenlijk?” vroeg Calla toen ze een beetje bedaard was. “Herinner je me niet meer? Ik ben het Tam, jouw halfbroer,” zei de zwarte wolf. “Tam? Tamani, ben jij het echt?” riep Calla uit terwijl ze veranderde in een mens en Tamani, die ook veranderd was, om de hals vloog. Ze was iets te onstuimig en gebruikte haar gewonde arm waardoor ze het uitschreeuwde van pijn. Tamani bood haar zijn arm aan zodat ze zijn bloed kon drinken en haar wonde kon genezen. Weerwolven gebruikten roedelbloed om hun wonden te genezen. Het werkt alleen wanneer het bloed aangeboden wordt. Nadat ze voldoende gedronken had, liet ze hem haar bloed drinken. Toen ze allebei voldoende hersteld waren veranderden ze terug in wolven en stoeiden wat. Plots hief Calla haar kop op, spitste haar oren, snoof en gromde. Tamani sprong recht en ging voor Calla staan, al zijn haren stonden overeind en hij grolde naar wat uit het struikgewas kwam. “Rustig, rustig, ik ben het maar,” zei Lea terwijl ze uit het struikgewas tevoorschijn kwam en voorzichtig dichterbij kwam. “Ik kwam alleen even kijken wat er aan de hand was, want ik hoorde een gegil dat door merg en been ging. Wat is er gebeurd?” “Tam en ik waren gewoon wat aan het stoeien”, zei Calla tegen Lea. “En je weet dat ik niet tegen kietelen kan.” Ze glimlachte naar Tamani die dicht bij haar ging zitten omdat hij Lea nog niet vertrouwde. “Het is in orde, haar kun je vertrouwen,” zei Calla terwijl ze hem een dankbaar likje gaf. “Dus jij bent de zogenaamde indringer?”, glimlacht Lea terwijl ze hem bestudeerde “Jullie kunnen het precies goed met elkaar vinden.” “Mama, dit is Tamani, mijn halfbroer”, zei Calla terwijl ze ging rechtzitten en haar kop op zijn schouder legde. “Jullie kunnen bij ons blijven, David en Sky gaan het reuzeleuk vinden dat ze er een vriendje bij hebben.” “Maar mama, wat doen we met Derek, hij zal het nooit goedvinden dat Tam bij ons intrekt!” “Dat zullen we straks wel zien”, zei Lea terwijl ze opstond en richting het Grote Hol wandelde. “Nu moeten we hier weg, Tiikiri kan elke moment op jacht vertrekken en ik wil dat jullie veilig zijn als hij ons territorium zou binnenkomen”. “Wie is Tiikeri?”, vroeg Tamani. “Dat is een sabeltandtijger die hier in de buurt rondzwerft en het niet zo voor wolven heeft.”, zei Calla terwijl ze rechtstond en achter Lea aan liep. Tamani kwam achter haar aan. Plots hoorde ze een luide brul en een klagelijk gehuil. “Sky!”, riep Calla en rende naar het geluid toe. Tamani en Lea volgden haar, al ging ze zo snel dat ze bijna niet te volgen was. “Help!”, huilde Sky. “Hou vol, ik kom eraan!”, antwoordde Calla en ze begon nog harder te rennen. Ze spurtte tussen de bomen door, sprong over de struiken die de ingang van het hol onzichtbaar maakten, landde vlak voor Sky en weerde Tiikeri’s aanval behendig af. “Zozo, wie we hier hebben, ons witte dappere wolvinnetje”, lachte Tiikeri. “Let op je woorden, Tiikeri! Ik ben sterker dan jij, weet je nog?”, grauwde Calla “Ja, en maak dat je wegkomt!”, grauwde Sky. “Ach, nu het zusje erbij is durf je plots wel alles, hoe schattig”, lachte Tiikeri waardoor Sky woedend werd en hem aanviel. “Sky, nee!”, schreeuwde Calla, toen ze Sky recht in de klauwen van Tiikeri zag springen. Ze probeerde Sky tevergeefs tegen te houden, maar het was te laat. Sky sprong, maar net voor hij in de klauwen van Tiikeri zou springen werd Tiikeri ruw opzei gesmeten door een zwarte schim. “Tam!”, schreeuwde Calla verwonderd. Daarna draaide ze zich om naar Sky die versuft op de grond lag en rende naar hem toe. Tamani was ondertussen druk bezig met Tiikeri: ze rolden over de grond en geen van beiden wou toegeven dat de ander de sterkste was tot Tiikeri Tamani op de grond duwde en hem vastklemde met zijn klauwen. “Nu piep je wel anders hé”, lachte Tiikeri naar Calla die geschokt naar de twee keek. “Waag het niet, Tiikeri!”, grauwde Calla. “Wat ga je doen?”, vroeg Tiikeri en lachte. “Tegen dat je hier bent, is hij dood”. Die lach was maar van korte duur want voor hij het wist, duwde Tamani hem met zijn voorpoten van zich af, de grond op. Hij zette hem klem en zette zijn tanden in Tiikeri’s keel. “Wie laatst lacht, lacht het best”, zei hij en zette zijn tanden nog wat harder in Tiikeri’s keel. Tamani keek naar Calla en vroeg met zijn ogen of hij Tiikeri mocht doden, Calla keek naar Lea en Derek. Deze knikten. “Doe maar”, zeiden ze.  Tamani keek nog eens naar Calla, maar die keek weg. Tamani keek Tiikeri aan en zette zijn tanden nog dieper in zijn keel. “Stop!” riep Calla en sprong op Tamani en Tiikeri af. “Hij verdient dit niet!”  “Het spijt me Calla,” zei Lea, “maar ik denk dat we niets meer voor hem kunnen doen, hij was al half heengegaan. Tam heeft hem alleen maar uit zijn leiden verlost”  “Ik moest hem nog een laatste ding vragen! Nu kom ik nooit te weten waar de rest van mijn roedel is!” gromde Calla.  Ze draaide zich om en rende weg, Tamani en Sky rende achter haar aan. “Calla wacht!” Sky probeerde om naast haar te gaan lopen, maar Calla week uit zodat hij niet bij haar kon komen. “Laat me met rust, Sky!” Calla begon harder te rennen, maar Sky kon haar moeiteloos volgen terwijl Tamani alle moeite van de wereld had om hen bij te houden. Hij had al lange tijd niet meer gerend. Hij verbaasde er zich ook over hoe Calla zo sterkt geworden was. De laatste keer dat hij haar gezien had, waren ze even sterk geweest. “Calla alsjeblieft laat me even met je praten”, zei Sky. “Nee, Sky ik wil niet, laat me met rust!” Calla rende geïrriteerd verder. Ondertussen was Tamani gestopt met rennen en volgde hij hun spoor al stappend. Toen Sky naast haar bleef rennen, draaide Calla zich om. “Ik zei dat je me met rust moest laten, Sky!” Ze rende terug in de richting van waar ze kwamen. Daar botste ze tegen Tamani aan, struikelde, viel met haar volle gewicht op haar poot, schreeuwde het uit van de pijn en bleef uitgeput liggen waar ze lag. Sky kwam geschrokken aanlopen: “Wat is er gebeurd?!”  “Calla botste tegen mij op, struikelde en viel met haar volle gewicht op haar poot. Volgens mij is ze doodop, we moeten haar terug naar het hol brengen,” antwoordde Tamani. “Ik kan zelf lopen hoor!” Calla stond op, maar ze zakte direct terug door haar poot en bleef hijgend van inspanning liggen. “We zullen je wel dragen”, zei Sky en pakte haar vast en trok haar recht. “Laat mij maar”, zei Tamani toen hij Sky zag klungelen. Hij pakte Calla in zijn voorpoten en wandelde, met Sky naast zich, terug naar het hol. Onderweg liet hij Calla zijn bloed drinken zodat haar poot zich kon genezen. “Sky?”, vroeg Calla toen ze gedronken had. “Wat is er Calla?”  “Wat wou je daarnet tegen mij zeggen?”  “Ik wou zeggen dat Tiikeri nog leefde. Toen jij wegliep heb ik nog een blik op hem geworpen en zag ik zijn borst op en neer gaan,” antwoordde Sky. “Dan is het goed.”  Calla deed haar ogen toe, liet haar kop tegen Tamani’s schouder rusten en viel half in slaap. Plots dook Lea op uit het struikgewas. “Sky, Tamani, Calla! David is verdwenen!”  “Wat!”, schrok Calla wakker, “Dat meen je niet!”  “Wanneer ?”, vroeg Sky. “Toen jullie weg waren. Wij waren nog even met Tiikeri bezig die toch niet dood bleek te zijn en toen we terug bij het hol kwamen, was David weg!” “Ik wring Tiikeri de volgende keer zijn nek om”, gromde Tamani. “Nee, hij kan het niet geweest zijn, hij werd immers door Lea en Derek achtervolgd.”  Calla sprong uit Tams armen. “Waar was David voor het laatst, mama?” “In het hol. Waarom?”  Calla was al op weg, met Sky in haar kielzog. Bij het hol gekomen minderde Calla vaart en snuffelde in het rond, haar haren gingen overeind staan. Calla ging het hol binnen. “Oh nee, laat dit alsjeblieft niet waar zijn!” Ze rende terug naar buiten en wierp zich al jankend in Tamani’s poten. “Sssst rustig maar zusje, rustig”, suste Tamani, “Zeg eens wat er binnen is gebeurd.” “Er hing dezelfde geur als toen papa en mama vermoord werden”, snikte Calla. “Oh nee”, zuchtte Tamani.  Hij drukte haar wat dichter tegen hem aan. Plots klonk er een luid gegrom, gevolgd door een gehuil door de bomen. “Oh nee, Derek!”, gilde Lea. Ze rende op het gehuil af. Calla, Tamani en Sky volgen haar. Toen ze aankwamen, zagen ze nog net hoe Tiikeri op een grote zwarte wolf afsprong waarna die wolf hen in de gaten kreeg en wegrende. “Tiikeri, was dat wie ik denk dat het was?”, vroeg Calla. Ze klampte zich aan Tamani vast. “Jammer genoeg wel Calla, dit is de wolf die je ouders doodde”, zei Tiikeri. Hij legde een poot op haar schouder. “Laat me met rust!”, gromde Calla.  Ze rende in de richting waar de wolf naartoe gerend was. “Cal, wat ga je doen?”, vroeg Sky terwijl hij haar tegenhield.  “Ik ga die moordenaar zijn verdiende loon geven!”, gromde ze en rukt zich los. “Wacht”, zei Tiikeri, “Je kunt Musta niet meer inhalen, maar ik weet wel waar zijn territorium is. Jouw vader was een goede vriend van mij en ik wil jou graag helpen. Dat is wel het minste wat ik kan doen na al wat ik jou heb aangedaan.”  “Ik ga mee, zusje, er moet toch iemand zorgen dat je niets overkomt”, zei Tamani. Hij ging naast Calla staan en zijn blik op Tiikeri gericht hield. “Oh, hoe lief, zwartje beschermd witje”, plaagt Tiikeri. “Och, hou je kop Tiikeri”, gromde Calla terwijl ze zich naar Tamani draaide die haar een likje op haar neus gaf. Ze leunde genietend tegen zijn schouder totdat er iemand op haar schouder tikte. Het was Sky. “Mag ik alsjeblieft met jullie mee?” smeekte hij.  Calla barstte in lachen uit. “Dat was wel een serieuze vraag, hoor”, zei hij een beetje geïrriteerd. “Sorry Sky, maar jij bent gewoon weg zo schattig als je staat te smeken”, glimlachte Calla, “Heb je het trouwens al aan je ouders gevraagd?”  “Ik durf niet.” Sky boog zijn kop naar de grond. Calla draaide zich om een keek Lea aan, die knikte instemmend. Vervolgens keek Calla Derek aan, deze keek emotieloos terug, maar uiteindelijk knikte hij. Calla draaide zich glimlachend terug naar Sky. “Je mag mee.”  “Oh nee, straks is dat hier een hele kindertuin”, kreunde Tiikeri. “Tiikeri, Cal en ik zijn jongvolwassen en Sky bijna. Trouwens volwassenen kunnen ook heel kinderachtig zijn hoor, dus je moet niet zagen”, zei Tamani. “Tiikeri stop me te stoken en toon ons de weg, we vertrekken!” Calla stapte naar Lea en drukte haar kop tegen haar moeders schouder. “Je bent de perfecte moeder voor me geweest, Lea. Ik beloof je dat we David terugvinden en hem terug zullen brengen”. “Dank je, Calla, jij bent de perfecte dochter voor me geweest, houd je goed en kom levend terug”, glimlachte Lea. Vervolgens stapte Calla naar Derek en deed hetzelfde bij hem. “Ik weet dat ik niet de perfecte dochter was voor jou en dat we het niet zo goed met elkaar konden vinden, maar je was een geweldige vader voor me”. “Je was inderdaad niet de dochter die ik wenste en ik was ook niet de perfecte vader, maar ik hoop van harte dat je David vindt en dat je heelhuids terugkomt”, glimlachte Derek. Vervolgens nam Tamani afscheid van Lea en Derek. “Het spijt me dat ik me zo koppig tegenover je opstelde, maar je hebt daarstraks bewezen dat je een wolf bent met een groot hart. Je hebt er alles aan gedaan om je zusje en haar vriendjes te beschermen. Het ga je goed”, glimlachte Derek. Als laatste nam Sky afscheid van zijn ouders.  “Kom heelhuids terug Sky. Dat is het enige wat ik wil”, zei Lea met tranen in haar ogen. “Je bent bijna net zo koppig als Calla, dat is wat ik het meest bewonder aan jou. Je bent koppig en slim tegelijk, als ik niet beter zou weten zou ik denken dat je Calla’s broer was. Het ga je goed, mijn jongen,”zei Derek. Het leek wel alsof hij ook tranen in zijn ogen had. Als allerlaatste gaf Tiikeri Sky’s ouders een klopje op de schouder. “Ik zal goed op ze passen, dat beloof ik uit de grond van mijn hart.” Daarna draaiden ze zich om en gingen op weg, Musta achterna. Ze vertrokken richting het noorden om zoveel mogelijk andere territoria te omzeilen en zo weinig mogelijk een gevecht te moeten aangaan, niet dat ze zo zwak waren, Tamani en Calla konden uitstekend vechten, maar Tiikeri en Sky hadden het iets moeilijker. Tiikeri was een tijger en had andere vechtmethodes dan wolven. In een man tegen man gevecht kon hij winnen, maar als er meerdere wolven op hem afkwam, dan was hij hopeloos verloren. Sky had nog nooit een echt gevecht meegemaakt en Calla wou hem er liever niet aan blootstellen, ook al wist ze dat dit onmogelijk zou zijn.

Maya
0 0

De echte Waarheid

Ze zat in haar auto en vervloekte het trage verkeer en het feit dat ze niets wist over de man. Ze had de opdracht nog maar een paar minuten geleden gekregen. Ze moest de man een rondleiding geven door de stad. Hij verwachtte haar om één voor tien bij de snoepautomaat in het station. Tijd had ze nog meer dan genoeg, maar ze kwam liever te vroeg dan te laat. Om de tijd te doden, speelde ze wat met het mes in haar mouw. Ze ging nooit weg zonder een wapen. Meestal had ze haar revolver en een mes bij zich. Als de man echt ongevaarlijk was, zoals Jules beweerde, zou ze haar wapens waarschijnlijk niet eens nodig hebben. Ze vertrouwde Jules, hij had haar immers nog nooit in de steek gelaten en zou haar nooit de dood in jagen. Hij zorgde er altijd voor dat er een betrouwbare back-up ploeg achter haar stond. Ook stond hij altijd klaar om extra informatie op te zoeken en die aan haar door te geven. Jules vertrouwde ze, haar nieuwe baas vertrouwde ze niet. Ze kende zijn naam niet eens. Hij was nu ongeveer een jaar haar baas en deed niet anders dan iedereen opdrachten geven. Zelf nam hij nooit een opdracht aan terwijl haar vorige baas dat wel deed. Om twee voor tien parkeerde ze haar auto vlak voor de ingang van het station. Ze schrok toen ze het stationsgebouw binnenliep. De man die op haar stond te wachten, kende ze goed, zeer goed zelfs. Ze had niet verwacht hem ooit nog terug te zien, zeker niet na wat er tien jaar geleden gebeurd was. In minder dan een seconde herstelde ze zich en liep schijnbaar zelfverzekerd naar de man toe. Hij leek haar nog niet gezien te hebben. "Ik ben Media. U had gevraagd om u te begeleiden door de stad?" De man drukte haar de hand. "Light…euhm…John Light, aangenaam kennis met u te maken. Ik hoop dat het u niet stoort." "Helemaal niet. Ik kan u direct een aantal mooie plaatsen laten zien als u wilt, mijn auto staat hier vlak bij." "Graag." Hij schonk haar een glimlach. Toen ze waren ingestapt, reed Media zo snel ze kon de stad uit. Ze wist heel wat verlaten plekjes waar niemand hen zou kunnen storen. Onbewust taste ze een paar keer naar haar mes. Toen ze aankwamen bij een bos op een verlaten grindweggetje, stopte ze bruusk haar auto. Ze stapte uit en sloeg de deur dicht. Het grind knerpte onder haar voeten. Ze deed een paar passen alvorens zich om te draaien. Haar ogen waren net kogels en haar mes lag in haar hand, klaar om gebruikt te worden. "Hoe waag je het om hier te komen, Brandon!” Hij glimlachte: "Je weet mijn naam nog." "Hoe zou ik die kunnen vergeten na wat je me hebt aangedaan?" "Media, het..." "Nee! Van je spijt moet ik niets weten. Ik wil weten wat je hier doet, waarom niemand iets van je verleden weet en waarom je naar mij gevraagd hebt." Ze deed een stap in zijn richting. "Ik ben hier omdat ik je wil beschermen.” "Ik heb geen bescherming nodig!" "Herinner je je die nacht nog dat je ouders vermoord werden?" "Natuurlijk. Je hebt ze zelf vermoord!" "Nee, dat heb ik niet." "De bewijzen spreken het tegendeel." "Mijn DNA zat op je ouders omdat ik hen, voor ik wegging, heb bedankt omdat ze zo gastvrij waren. Daarna heb ik hen niet meer aangeraakt. Ik ben er zelf ingeluisd, Media. Het was een bende, ze wisten dat ik goed met je ouders overweg kon en dat ik er alles aan zou doen om jou te beschermen. Ze hebben me naar een hotelkamer gelokt met een smoes. Ik was toen zo naïef dat ik erin trapte. Toen ik daar aankwam, hebben ze mijn mes en revolver afgenomen en me aan een stoel vastgebonden. Ik weet dat de bewijzen voor zich spreken, maar de politie heeft mij in de hotelkamer gevonden en bevrijd de dag erna. Ik heb je ouders niet vermoord, Media. Ik houd te veel van je om je zoiets aan te doen.” Ze keek hem onderzoekend aan. In zijn ogen las ze pijn. Ze wist dat hij de nacht opnieuw beleefde. Zelf haalde ze ook de beelden terug voor de geest. * Ze was naar haar kamer gegaan nadat Brandon vertrokken was. Het was al rond elf uur ’s avonds en ze moest de volgende dag vroeg op voor haar lessen. Ze sliep nog niet lang toen ze wakker werd van en knal en glas dat op de grond viel. Ze ging tegen de muur tussen haar raam en haar kamerdeur staan met een schaar in haar handen, meer bescherming had ze niet. Beneden hoorde ze geschreeuw. Het was haar moeder die iets riep dat op ‘geen kinderen’ leek. Ze hoorde een tweede knal en nog meer geschreeuw van haar moeder. Ze zakte op de grond ineen. Die schreeuw kon maar één ding betekenen, haar vader was dood. Het werd stil toen de schreeuw abrupt werd afgebroken, te stil. Ze bleef ineengedoken zitten met de schaar in haar handen, tranen rolden over haar wangen. Van de rest van die nacht en de dagen erna herinnerde ze zich alleen nog maar flarden. CIA-agenten die haar meenamen, ellenlange gesprekken over wat er gebeurd was, honderden zakdoeken, slapeloze nachten, de melding dat Brandon de dader was… * Ze stopte de beelden weer weg. “Waarom nu? Waarom niet tien jaar geleden?” Ze voelde de woede van toen terug opkomen. “Je had me niet geloofd en toen ik eindelijk onschuldig werd verklaard, was je al overgeplaatst en had men al je informatie al vernietigd. Het heeft jaren geduurd voor ik je vond.” Voordat ze kon antwoorden, ging haar mobieltje af. Geïrriteerd nam ze op. "Jules, wat is er?" "Is Brandon nog bij je?" “Ja.” “Oké, zet me op speaker." "Al gebeurd." "Oké, goed luisteren allebei. Jullie zijn in gevaar. Brandon vroeg me om het dossier van je ouders eens in te kijken en het is waar wat hij zegt. Hij heeft ze niet vermoord. Het was je baas, beter gekend als de Black Cat. Hij was lid van een bende, maar alle leden ervan zijn dood. Men vermoedt dat hij er voor iets tussen zit. Ook heeft hij jouw ouders gedood, maar omdat er een tekort aan bewijsmateriaal was, door onder andere het feit dat Brandons wapens en DNA aanwezig waren, konden ze hem niet aanhouden.” “Ik weet genoeg, Jules. Dankje.” Ze klemde haar kaken op elkaar zodat ze niet zou beginnen te schreeuwen. Ze stak haar mobieltje in haar zak en draaide zich om. Met een luide pok boorde haar mes zich in de stam van een boom. "Ik had het moeten weten! Ik had godverdomme moeten weten dat hij het was! Alle opdrachten die hij mij gaf, allemaal met het doel mij te doden. De enige reden dat ik nog in leven ben is omdat ik Jules’ back-up ploeg achter me heb staan." Ze ijsbeerde op het grindweggetje. Brandon nam haar arm vast. "Media, het is niet jouw schuld. Jij hebt niets verkeerd gedaan." "Ik heb je ten onrechte beschuldigd." Ze keek weg. "Het heeft je sterk gemaakt. Ik heb veel meer dingen fout gedaan." Hij nam haar kin vast en tilde haar gezicht op zodat ze hem aankeek. "Zoals?" "Ik heb je verlaten die nacht, ik had het kunnen voorkomen als ik was gebleven." Zijn stem was niet meer dan een gefluister. "Dat weet je niet, je had evengoed dood kunnen zijn, Brandon." Ze schudde zich los uit zijn greep en haar mes uit de boom haalde. “Waarom heb je me niet gewoon gebeld of ben je niet gewoon naar me toegekomen?” “Ik ken je, Media. Je zou nooit naar me geluisterd hebben als je wist dat ik het was.” “Daarom heb je Jules laten doen alsof het een opdracht was en hem gevraagd het dossier van mijn ouders in te kijken. Hoeveel overtuigingskracht heb je daar voor nodig gehad?” “Minder dan bij jou.” Ze gaf hem een stomp en stapte naar haar auto. "Kom we gaan naar huis. Ik heb nog heel wat te bespreken met je." Brandon stapte na haar de auto in en legde even zijn hand op haar been. Media had de auto nog niet gestart, dat was niet een van haar gewoontes. "Wat is er?" Hij streelde zachtjes haar kaak. "Er klopt iets niet, ik voel het." Ze nam zijn hand vast en haalde hem van haar kaak. Plots drong het tot haar door. Het getik waarvan ze dacht dat het van de motor kwam, was een heel ander soort getik. Ze duwde hem van haar weg. "Ga uit de auto! Nu!" "Maar..." "Ga!" Haar dwingende, angstige ogen zorgden ervoor dat hij uitstapte. Media nam haar mobieltje, drukte Jules’ sneltoets in en stapte uit. Op dat moment explodeerde de auto. Media werd met een immense kracht naar voren geslingerd. Ze rolde zich op toen ze grond onder zich voelde en kwam een eind verder tot stilstand. Ze zat op haar hurken, met een hand op de grond geleund en keek naar haar auto. Haar mes hield ze stevig in haar andere hand. Ze voelde dat haar rug helemaal verbrand was. De pijn deed haar goed, maar putte haar lichaam uit. Toch moest ze kost wat kost Brandon zien te vinden. Ze kwam overeind en stapte moeizaam naar de andere kant van de auto. Bij elke stap ging er een pijnscheut door haar lichaam. Ze vond hem een aantal meter van de auto vandaan. Hij lag op zijn rug en bewoog niet. Zijn T-shirt was weggebrand en zijn handen zaten onder de blaren. Media ging naast hem liggen, met haar hoofd in zijn oksel. Zo lagen ze vroeger ook altijd en het voelde nog steeds perfect. Heel zacht hoorde ze zijn hartslag. Ze smeekte hem in leven te blijven terwijl bij haar de duisternis intrad. Ze vroeg zich af waarom ze in godsnaam deze baan genomen had en hoe het zou geweest zijn wanneer ze dat niet gedaan had. De duisternis nam haar mee. Ergens ver weg dacht ze nog sirenes te horen, maar ze was te ver heen om het met zekerheid te kunnen zeggen. Het laatste wat ze dacht was dat Black Cat zou boeten voor wat hij hen had aangedaan, al koste het haar het leven.

Maya
0 0

de boshoer

Ik heb lang gedacht, tot gisteren eigenlijk, dat een boshoer niets meer was dan een onschuldige giechelgroet van een tienjarig kind dat nog eens voet op Franse bodem zet. Maar toen ik gisteren ging wandelen, kwam ik te weten dat er achter die infantiele woordspeling een echt mens schuilt. Een vrouw van vlees en bloed. En ik kan het weten, want ik kwam haar gisteren tegen.   Als het buiten wintert, doet het dat ook in mijn hoofd. Daar vriest het, kraakt het, ligt het leven even stil. Het bos is mijn chauffage. Erin wandelen mijn wollen plaid. Ik was gisteren nog geen vijf minuten ver, de boslucht begon net aan haar grote ontdooitruc, toen ik in de berm een vrouw zag zitten, omhuld in enkel een roze badpak. Soms verraadt een vrouwelijke rug en en de manier waarop die overloopt in haar hals al dat ze verdomd mooi moet zijn. Soms. Want toen ik deze vrouw op de schouder tikte en ze zich omdraaide, kon ik niet anders dan veronderstellen dat zij achterstevoren in de rij stond toen God het vrouwelijk schoon uitdeelde.   Het zou onbeleefd geweest zijn om het na een enkele blik op haar verrimpeld paardengezicht op een lopen te zetten, dus vroeg ik haar vriendelijk wat ze hier zat te doen. En of ze het misschien niet wat te koud vond voor een badpak. Ze huilde. Met de paar flarden die ik tussen haar gesnik kon verstaan, reconstrueerde mijn intussen volledig opgewarmde hoofd automatisch haar verhaal. Geen klanten meer. Te oud. Te lelijk. Ik begreep dat het roze badpak het enige was dat haar nog restte. En het bos. Haar en mijn chauffage. Onze zachte plaid.   Kom boshoer, zei ik, we gaan wandelen. Met uw schoon badpak.    

joke
199 0

Dagboekfragment van een dakloze

321 december 2001   Het is koud, ik ben nat en alles is vuil. Ik wil geen medelijden bij u opwekken want medelijden stilt de honger niet en de vijf cent die ge net in m'n bekertje gooide al evenmin. Kunt gij met vijf cent een ochtend-, middag-, en avondmaal klaarmaken? Kunt gij er zelfs ééne maaltijd mee op tafel zetten? 321 december, al 321 dagen wacht ik op mijne nieuwe start. Mensen zeggen dat ik zot ben omdat ik de datum niet eens weet. Niet dat ik veel met mensen kan praten want een dakloze daar loopt ge met nen boog omheen, zelfs al bent ge zelf nen dakloze. Ieder voor zich hier, tot het beter gaat. Dan zitten we samen rond de kersttafel elkaar al het goeds van de wereld toe te wensen. Maar tot dan bent ge alleen. De echte tijd interesseert me nimeer. Als de samenleving het recht heeft om me eruit te gooien heb ik het recht om hun tijdsindeling uit mijn hoofd te bannen. De 321ste dag van de maand december. Hoeveel dagen december nog zal tellen weet ik niet maar ik hoop dat het er maar 322 zijn al weet ik dat ik morgen wakker zal worden met de wetenschap dat ook de 322ste dag niet de laatste is. Het is de hoop die zoveel pijn doet. Hoop doet leven en hoop maakt kapot tegelijkertijd. Wat een verraderlijk iets dat de mens heeft uitgevonden. De mens heeft zoveel verraderlijke dingen uitgevonden. Gsm's, laptops, auto's en wat nog allemaal. Ge moet het een dakloze vergeven dat hij niet meer mee is met zijn tijd aangezien de markt zich niet echt op hem focust als consument. Het zijn allemaal dingen waar de wereld geld aan uitgeeft om te tonen hoeveel ze hebben. Ik zeg niet dat die spullen nutteloos zijn, ik weet bijgod niet eens wat ze allemaal doen, maar zeg nu zelf? Wat hebt ge het liefst voor u, een smartphone of een bord gevuld met warm eten? Ik zou het wel weten. Maar ik beslis niet hoe de wereld werkt, dat doen de rijke mensen. Dus ik wacht tot ook mijn 1 januari komt en ik mee aan de kersttafel kan schuiven om iedereen een gelukkig nieuw jaar te wensen.     852 december 2001   Het is koud en meer kan ik daar niet over zeggen. Het is al jaren koud dus dat is niks nieuw en wennen doet ge inderdaad, maar leuk wordt het nooit. Het potteke voor m'n neus blijft leeg en ik kan de mensen nimeer in de ogen kijken. Ze zijn allemaal bezig met hun gsm. Sowieso dat ze aan het plannen zijn hoe ze me kunnen vermoorden. Heel de wereld is corrupt en de corruptste van allemaal is Jan. En maar doen alsof hij me wou helpen! 'Nee Freddy, neem geen ontslag, uw baas wilt u helemaal niet neersteken.' Of 'Nee Freddy, als ge nu u huis verkoopt omdat ge denkt dat uw buren u bespieden gaat ge nooit meer zo'n goede plek tegenkomen.' Allemaal opgezet spel, dat was het! De wereld is een harde plaats en als ge niet op tijd vlucht uit het verstikkende zogezegde vangnet van de sociale zekerheid bent ge er vroeg of laat slachtoffer van en vermoorden ze u. Gisterenavond had ik er nog een discussie over met een kabouter die me net hetzelfde vertelde. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het koud is en dat ik veel vuile blikken op me gericht krijg wanneer ik op straat lig. De straat is toch van iedereen. Ik snap niet wat het probleem is. De hele wereld is grijs.   Winst van vandaag: 3 euro Een glimlach vol medelijden Hoop op een beter leven   Verlies van vandaag: Geen huis Amper kleren Vuil Koud Uitgelachen en vernederd

Hilke Van Nuffelen
0 0
Tip

Treintrip

‘Zet dat mislukte plooifietsje toch eens godverdomme niet in het gangpad! ’, snauwt de Antwerpse blondine de studente toe. De studente zet een geschokt gezicht op en kijkt radeloos de coupé rond op zoek naar hulp van haar medereizigers. Ik sluit me aan bij de anderen in de coupé en besluit rustig verder in mijn notitieboekje te kribbelen. Vanbinnen hebben we allemaal wat schrik gekregen voor het rare type vrouw, dat plots een sigaret en een blik cola (godzijdank, geen drank…) uit haar handtas tevoorschijn tovert. Ze lijkt me iemand om Shanaia te noemen, dan krijgt ze van mij ook meteen een sociale klasse opgestempeld. Het lijkt alsof ze de douchecabine al een paar weken niet meer is tegengekomen en ook haar kleren geven een vuile indruk. Niets positiefs over de vrouw te zeggen? Tuurlijk wel! Ze draagt een zeer mooi horloge! (maar zou het ook echt zijn… en misschien is het wel gestolen…) Een symbolische zucht van opluchting volgt wanneer de studente haar onhandig plooifietsje aan de kant zet en een plaatsje zoekt in de coupé. De rust keert volledig terug wanneer ook het Shanaia-type aanstalten maakt om een plaats in te nemen. Het luidkeelse dispuutje is voorbij. Plots gaat het pijlsnel: de vrouw besluit het lege plekje naast me te gebruiken, ook al had ik met het plaatsen van mijn boekentas op de stoel toch proberen duidelijk te maken niet echt nood te hebben aan een zetelgenoot. Ik heb handen tekort om haar plaats zitklaar te maken; de gsm smijt ik snel in mijn rugzak, het notitieboekje valt ongelukkig op de grond en mijn trui leg ik snel over mijn benen. Net op tijd is de zetel klaar en ploft de vrouw naast me neer. Ondanks dat ik al tegen het raam geplakt zit, maakt de vrouw toch nog duidelijk door met haar benen tegen mij aan te wrijven dat ze nog meer plaats nodig heeft. Na wat schuifelen hebben we beiden ons territorium afgebakend en is er terug sprake van wat rust. Ik kan er even niets beters op vinden dan gewoon wat uit het raam te kijken en mijn zonnebril op te zetten. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan mijn notitieboekje op te rapen. Ik wil mijn licht-ontvlambare buurvrouw niet nog eens in colère laten schieten. Ik schrijf dit later wel op. Na talloze voorbijflitsende bomen en weilanden besluit ik terug wat in de coupé rond te kijken. Handig is dat bord op de nieuwste treinen waarop je exact kunt zien wanneerje in het volgende station aankomt. Ik heb meteen een nieuwe vorm van tijdverdrijf gevonden en begin heel precies uit te rekenen hoelang ik nog in deze benarde situatie moet blijven. Na alles uitgerekend te hebben, is het enige waar ik geen vat op krijg de tijd zelf. ik confronteer mezelf met het feit dat ik nog minstens drie kwartier met het Shanaia-type zal moeten doorbrengen. Ik wentel mezelf – mentaal – even in wat zelfmedelijden en ga terug naar mijn eerste tijdverdrijf; het raam. Mijn buurvrouw gedraagt zich netjes en houdt het bij het drinken van haar cola. Ik kan gerust even indompelen… Plots schiet ik wakker. Uren lijken verstreken. Ik kijk op het bord en haal opgelucht adem: slechts twee haltes ‘gemist’. Ik zet mijn zonnebril af en kijk in mijn ooghoek naar wat mijn buurvrouw aan het doen is. ‘Ik denk dat je gsm daarnet afging.’, zegt ze me plots. Ze lacht en kijkt me vriendelijk aan. Ze deed zelfs de moeite om haar overdreven Antwerpse accent voor mij op zij te zetten. Even denk ik goed na wat ik nu moet doen, maar uiteindelijk neemt mijn instinct het over: ‘Oh, oké. Ik kijk wel even.’, antwoord ik haar volgens de regels van dekunst. Ik haal mijn gsm uit mijn rugzak en zie dat ik effectief ‘één nieuw bericht’ heb. Ik laathet haar door middel van een glimlach weten, waarna het weer haar beurt is om terug te lachen. Ze gaat daarna weer snel verder met haar veel te grote en onhandige smartphone. Ik lees het sms’je en geef er een gepast antwoord op, waarna ik het vriendelijke Shanaia-type nog eens bedank. De drang om deze vreemde wending neer te pennen wordt nu wel zeer groot, maar ik neem wijs het besluit me in te houden en weer verder te gaan met uit het raam te staren.   De tijd lijkt me plots toe te lachen en ik kom sneller dan verwacht aan op mijn eindbestemming. Als ik achter en voor me kijk, merk ik op dat de helft van mijnmedereizigers al in vorige stations is afgestapt. De resterende groep mensen – waaronder ik en mijn buurvrouw – maakt zich klaar om af te stappen. Mijn buurvrouw is sneller klaar en loopt plots terug op de studente met het plooifietsje af. Deze totaal onverwachte actie zorgt opnieuw voor een enorme stressboost en alle mensen binnen de coupé lijken even te verstijven. ‘Zo’n fiets is toch echt niet handig. Koop je een echte fiets! En als je met de trein komt, moet je sowieso niet ook je fiets meenemen’, begint mijn Shanaia-achtige buurvrouw weer. De studente kiest er deze keer niet voor om geschrokken over te komen en draait enkele keren met haar ogen, terwijl ze vermoeiend zucht. De twee vrouwen stappen op een beschaafde manier allebei de trein af en gaan elk hun richting uit. Ik neem mijn rugzak op mijn rug en kijk nog eens braaf achter me of ik niets vergeten ben.   Op weg naar mijn fiets blijft het hele gebeuren door mijn hoofd spoken. Ik haal vlug mijn oortjes uit mijn rugzak en laat loeihard Florence door mijn oren suizen tijdens het fietsen.‘Doeme toch’, bedenk ik me, ‘Die vrouw was zo goed op weg om haar eigen typetje en stereotypen te doorprikken en komaf te maken met mijn vele vooroordelen. Maar in plaats daarvan heeft ze door haar dwaze actie(s) mijn beeld enkel en alleen nog maar versterkt.’ Maar wat maakt het die vrouw uit? Ze is mij toch al vergeten. Er zijn mensen die het zich enorm aantrekken hoe de rest van de wereld over hen denkt en er zijn mensen voor wie dat allemaal niets uitmaakt. Iets tussen deze twee uitersten lijkt me het gezondst en oprechtst vertoeven, maar ik vrees dat deze vrouw bij de ‘wat maakt het mij uit’-groep behoort. Het maakt haar niet uit hoe ik over haar denk… Ik gok dat ze nu alweer door het station slentert met een blik bier in haar ene hand en in haar andere, trillende hand een sigaretje. Of zou ze ook spuiten?15/04/2015

Simen
0 0

FREEK

Als je in een vliegtuigje zit (deed je dat al eens?) en je zou laag over ons land zweven, lijkt ons dorp op een zakdoek. Een zakdoek groot, geen dorp om in te verdwalen dus. Die zakdoek bestaat uit grondwater, grond, gras, enkele rijdieren, veel huizen, gebouwen waar mensen werken en twee scholen. Eén van die twee scholen is gelegen in de Rode Loop. Het heeft het huisnummer 16. Een schoolpoort met een koperen hangslot gaat ’s morgens om 6 u open. Het is Marthe die daar voor zorgt. Marthe is goed bevriend met Juf Katrien, en het is die juf die door de kinderen graag wordt gezien.   In de klas van de juf is plaats voor 24 kinderen, die allen een stoel en schrijftafel hebben. De tafels staan zo opgesteld dat iedereen iedereen kan zien. Zo zijn goede gesprekjes mogelijk, en wordt er ook samengewerkt omdat in een kring het gevoel geborgen te zijn het grootst is. Freek is er dit jaar nieuw bijgekomen. Hij is een bijzondere jongen, om twee redenen. Op een dag werd dat een beetje duidelijk voor Jelle. Jelle schrok zich wel een aap, en wist niet meteen wat te doen. Het gebeurde op de speelplaats, op het stukje gras waar het groepje vrienden een koek aten en grapten over hun huisdieren. Freek werd plots stil, zijn aangezicht werd bleker. Er verschenen uit het niets schokjes rondom zijn ogen en trekjes rond zijn mond. Hij keek daarbij wazig, en friemelde zonder op te houden aan zijn mouw. Jelle staarde er naar, en wilde een toezichter roepen. Opnieuw werd Freek weer Freek, zonder meer. Het had niet lang geduurd, maar lang genoeg om een volwassene op de hoogte te brengen.   Juf Katrien luisterde naar het verhaal van Jelle. Ze besloot niet onmiddellijk met Freek te gaan praten over het voorval. Na de lesuren, nam ze contact met de oma van Freek. De oma greep haar gsm en zei: ‘Met Steentje, ik luister’. Juf Katrien stelde zichzelf voor, en praatte, praatte aan een stuk door. De oma van Freek had goed geluisterd en meteen een voorstel geformuleerd. Juf Katrien had haar akkoord gegeven.   Op een woensdag kondigde de juf aan dat de oma van Freek kwam spreken. ‘Zoals een spreekbeurt geven?, had Hanne gevraagd. De oma stond stipt om 9u in de klas. Haar zilveren haar had ze in een dot opgestoken, haar nagels groen gelakt, de rode laarsjes die ze droeg waren gloednieuw. Ze schonk de juf en alle kinderen een brede glimlach. ‘Fijn dat ik hier mag zijn’, zei ze. Uit een grote draagtas haalde ze enorme rollen papier. Iedereen werd erg nieuwsgierig. Wat had dat te betekenen? ‘Ik ben Steentje’, zei ze, ‘en ik wil dit graag met de hele klas delen. Ze ontvouwde de rollen tot enorme prenten. Op de eerste prent herkenden we Freek (een deel was foto, de andere helft tekening) en delen van het menselijk lichaam. De tweede prent leek wel een afbeelding van het heelal: de zon, de maan, de sterren… De oma begon haar uitleg. Ze verklaarde eerst wat Jelle had gezien bij Freek en zo bevreemdend was geweest. ‘Als Freeks lichaam plots en zonder aanleiding schokjes en trekjes vertoont, zoeken de spieren op dat moment een andere plaats in het gezicht’. ‘Is hij dan ziek?’, wil Jelle weten. ‘De ziekte heet epilepsie, maar zal het na jaren opgeven. Er zijn helaas andere kinderen met een ziekte van dezelfde soort, die veel ernstiger is. Zij krijgen ook pijnlijke krampen aan romp en hoofd. Ze strekken of buigen hun hoofd omdat hun hersenen beschadigd zijn’. Alle kinderen luisterden aandachtig, ogen en oren wijd open. Juf Katrien vroeg of ze kon helpen door de prenten tegen een muur te bevestigen. Dat vond Steentje een goed idee.   De rok met vele plooien bewoog plezierig toen de oudere vrouw plaats nam bij de prent met fonkelende sterren. Ze keek alle kinderen één voor één aan, daar nam ze ruim de tijd voor. ‘Bij ons in de familie zijn we gewend geraakt aan de idee dat ieder op zich een sterretje aan de hemel is. De hemel is geen omgeving, ergens hoog en onbereikbaar voor de mens. Nee, ze is opgetrokken uit bakstenen, opgebouwd uit een hart en bloedvaten, uit de wens er voor mekaar te zijn. Dat is onze hemel. Als een jongen of meisje zich eenzaam voelt omwille van een ziekte of erger, en hij of zij kan niet rekenen op begrip en zorg van de anderen, wordt die ster dof en kijkt ze boos. Alle kwaadheid in de aders van die ster in de hemel, daalt naar de aarde en brengt de mensen in hun huizen veel verdriet.   ‘Is het daarom dat ik soms verdrietig ben en niet weet waarom?, vraagt Jelle.      

Ingrid Strobbe
0 1

Zwijgende lippen

Het is alsof niets echt is wat het lijkt. Als je rondom je kijkt, lijkt alles prachtig, wonderbaarlijk en vol vreugde. De wereld is een kunstwerk, waarop iedere druppel verf zijn eigen functie heeft en zorgt voor een harmonieus geheel. Dat gevoel had ik altijd als kind. Toen dacht ik echter ook dat er een oude man bestond die 's nachts door je schoorsteen kroop en pakjes voor je achterliet of dat kinderen door ooievaars werden gebracht. Nu weet ik wel beter. De wereld is hard en dat wordt iedere dag opnieuw duidelijk… Wie had ooit gedacht dat ik hier zou eindigen? In een appartement waar zelf een kabouter een gevoel van claustrofobie zou krijgen. Als je mijn appartement binnenstapt, krijg je het gevoel alsof iemand, die te veel gedronken had, zijn braaksel niet in zijn mond kon houden tot aan de toilette en daarom zich naar hartenlust had uitgeleefd tegen de muren. De muren  die daarbovenop dezelfde kleur hadden als de schimmel op het bord lasagne van vorige maand  dat op de keukentafel stond. Verder stonden de kamers vol met meubels die ik geërfd had van mijn overleden grootvader, hij die heel zijn leven lang gerookt had. Ik heb me altijd afgevraagd hoe mijn grootvader gestorven was, maar het zou mij niet verbazen mocht zijn lijk nog weken lang op de zetel hebben gelegen. Daaraan deed de stank in de woonkamer mij in ieder geval denken. Het was het enige appartement dat ik kon huren zonder te moeten bedelen bij mijn ouders voor geld. Erg zouden ze het niet vinden, maar ik wou hen niet teleurstellen. Mijn zus heeft het nooit ver gebracht in het leven en ze hadden hun laatste hoop op mij gezet. Ik zou de blik in mijn moeders ogen niet kunnen verdragen als ze zou zien in welke erbarmelijke omstandigheden ik leefde. Iedere maand was ik blij en tegelijkertijd teleurgesteld als ik mijn loonbrief van mij baas ontving. Ik had natuurlijk wel iets van geld verdiend, maar lang niet genoeg om het leven te leiden waar ik stiekem op bleef hopen. Het gewone leven van een alleenstaande, slecht betaalde vrouw zou je zo denken, niet? Daar heb je het echter fout. Al twee jaar, twaalf dagen en dertien uur word ik bespioneerd. Je vermoedt waarschijnlijk dat ik een geheim leven heb of nog beter dat ik beroemd ben, maar dat niemand het mag weten. Dan moet ik je echter teleurstellen. Ik word bespioneerd door een man om de hoek die al ruim tien jaar verliefd op mij is. Ik zeg altijd bespioneren omdat dat leuker is om te zeggen, stalken zou echter een betere beschrijving zijn. Nog steeds kan ik niet wennen aan het feit dat iemand echt voor mij gevallen is. Ik zie er uit als een vrouw die nog nooit van een kapper, fitness of slaap heeft gehoord. Ik heb natuurlijk niet gezegd dat het een eer is dat die man voor mij gevallen is, maar dat laat ik even ter zijde. Ik heb nogal een uitgesproken smaak wat mannen betreft. Johannes is zijn naam. Dat vond hij echter te lang om uit te spreken dus iedereen noemt hem Jo. De eerste keer dat ik mijn appartement bezocht zag ik hem. Een lange man met donker bruin haar. Perfect witte, rechte tanden en stralende ogen. Een baard die twee dagen niet geschoren was, maar die wel behoorlijk sexy stond bij zijn perfect gevormde kaaklijn. Je zag dat hij de fitness vaak bezocht door zijn gespierde lijf dat je kon waarnemen door zijn spannende T-shirt. Toen die knappe loodgieter de deur uit stapte, stond ik voor de eerste keer oog in oog met Jo. Een 60-jarige man, hoogstens groot genoeg om met een stoel aan de bovenste plank in keuken te komen. Een witte kleur hadden de paar haren die achter zijn rechter oor stonden en zijn snor had een gelige kleur gekregen door zijn veelvoudig gebruik van sigaretten.  Hij was zonnebankbruin en had het figuur van een zak aardappelen. Het zou een belediging zijn om hem te vergelijken met eender wie op deze planeet. Die jongen vroeger op school die net wat dikker was en die een iets meer uitgesproken lichaamsgeur had,  dat was Jo. Bij het bespioneren had ik me inmiddels neergelegd, maar vorige week vertelde hij iets dat al dagen in mijn hoofd rondspookt. Iets wat ik niet kan vatten. Iets wat ik koste wat kost geheim moest houden omdat het anders voor ons beiden slecht zal aflopen. Ik moest zwijgen. 

S.
0 0

De Kaars

   De Kaars     Men zei dat ie blind was. Eén van de ergste dingen die een geleedpotige kan overkomen. Een poot of voelspriet kan een insect best missen maar wanneer het zicht verdwijnt moet je je als geleed dier zorgen beginnen maken. Naar het schijnt kon hij enkel nog horen, voelen en ruiken. Het was een avond in Juni. Een mei- en junikever zaten naast elkaar tegenover een kaars. Het waren de laatste dagen van de meikever. De junikever had zich over zijn versleten neef ontfermd.   ‘Waarde confrater’, begon de junikever, ‘klopt het dat u niet meer kan zien?’ ‘Ik zie niets meer neef, ik ben stekeblind’, antwoordde de oude meikever. ‘Zal ik het licht van de kaars voor u beschrijven?’, vroeg de junikever. ‘Ja, maar breng me eerst wat beukenbladeren en schilfers want ik rammel. Ik heb vandaag nog niets gegeten. Toen ik op het punt stond om op wat bladeren te kluiven moest er zo nodig een onozel kind met het boompje schudden. Ik viel pardoes op de grond. Het was een jong beukenboompje confrater, niet sterk genoeg om een spelend kind tegen te houden.’ ‘Hoe wist u dat? U bent toch stekeblind?’ ‘Ik heb het gevoeld en gehoord neef.’ ‘Juist, ik was vergeten dat u wel kan horen en voelen.’ ‘En ruiken. Ga nu maar die bladeren en schilfers halen.’ ‘Juist’. En de junikever vertrok.   Daar zat de meikever. Hij voelde de warmte van de kaars op zijn dekschilden. Hij had Juni mogen meemaken en dat kan niet elke meikever zeggen. Toen de junikever met spijs was teruggekeerd vroeg hij: ‘Neef, wat is dat geluid dat ik hoor?’ ‘Een mot die rond de kaars vliegt, confrater.’ ‘Vraag hem op te houden. Dat gefladder van hem stoort me mateloos.’ ‘Mot, zou u alstubllieft rond een andere kaars willen vliegen?’ ‘Ha!’, riep de mot, ‘geen denken aan! Ik zal zelfs nog wat harder gaan fladderen!’ De meikever lachtte hartelijk. De junikever voelde zich beledigd. ‘Zo zijn motten neef’, legde de meikever uit, ‘het zijn domme, ijdele, hyperactieve maar bovenal hilarische smeerlappen.’ ‘Ik ben een nachtvlinder!’, riep de mot, ‘Geen mot! Het is sinds heden strafbaar me “mot” te noemen. “Nacht-vlinder”!’ ‘Je maakt wat mee op je oude dag’, grinnikte de meikever en de junikever gaf hem wat te eten.   ‘Ik hoop dat een julikever zich later over mij ontfermd’, zei de junikever. ‘Daar moet je nu nog niet over nadenken’, antwoordde de meikever, ‘je hebt nog een hele maand.’ -‘Ja hij wel’, zei een stem van achter de kaars, ‘ik, daarentegen, ben binnen een paar dagen dood.’ ‘Wie is daar?’, vroeg de meikever. ‘Kom tevoorschijn!’, beval de junikever. Een langpootmug vloog stuntelig van achter de kaars naar de twee kevers. Hij landde hard. ‘Je kijkt zo triest’, zei de junikever, ‘Wat is er?’ ‘Ik had hier afgesproken met Francine’, zei de mug, ‘We kennen elkaar al van toen we nog larven waren. We hadden afgesproken dat we samen…nou ja…je weet wel…’ ‘Een bijdrage aan de soort zouden leveren?’, vroeg de meikever en hij gierde. ‘Jullie hebben haar toevallig niet gezien?’ ‘Ik niet want ik ben blind zie je, stekeblind‘, antwoordde de meikever en er kwam abrupt een einde aan zijn gelach. ‘Ik heb haar niet gezien’, zei de junikever. ‘Nou dan ga ik maar verder.’ De mug vloog weg. ‘Denk je dat hij haar op tijd zal vinden?’, vroeg de junikever. De meikever haalde zijn schouders op en de junikever gaf hem nog wat spijs.   In de verte klonk er een lawaai. ‘Wat is dat geluid?’, vroeg de meikever. ‘Ik kan het niet goed zien’, antwoordde de junikever, ‘maar ik geloof een school kniptorren. En aan hun kabaal te horen zijn ze juist het huis uit.’ ‘Komen ze richting de kaars?’ ‘Ik geloof van wel.’ ‘Dan krijgen we een schouwspel te zien, confrater. Jij toch alleszinds. Ik niet want ik ben blind.’ De kniptorren begonnen rond de kaars te cirkelen. Ze negeerden de twee kevers. ‘Krijgers, we zijn er!’, riep de leider plechtig, ‘Dit moet haar zijn! We hebben haar bereikt! Schrijf dat maar eens naar huis!’ Een lachsalvo. ‘Wat een drukte’, zei de junikever. De meikever antwoordde niet. Zonder waarschuwing sprongen de kniptorren één voor één in de kaarsvlam. De junikever keek vol ongeloof. ‘Geef me nog wat te gaffelen’, zei de meikever.   ‘Wat scheelt er met die ouwe?’, vroeg een krekel. ‘Hij is blind, stekeblind’, antwoordde de junikever. ‘Zwijg me van handicaps’, begon de krekel, ‘ik ben geboren zonder vleugels.’ De krekel pauzeerde maar de twee kevers reageerden niet. ‘Ik kan bijgevolg niet tsirpen. Een serieuze afknapper bij de vrouwen. Gedoemd om alleen te blijven. Maar ik vind het niet erg hoor. De status “Einzelganger” bevalt me wel.’ ‘Tsjirpen doe je toch met je poten?’, vroeg de meikever. ‘Neen, dat is juist de mythe’, antwoordde de krekel. ‘Wel, val nu dood! Wat ik nog leren mag!’, grinnikte de meikever. De drie lachten samen. De meikever en krekel iets uitbundiger dan de junikever. Ze staarden naar de kaarsvlam. ‘Confrater’, vroeg de ouwe, ‘heb je nog wat van die lekkere beukenbladeren?’ ‘Je at ze allemaal op’, antwoordde de junikever. ‘Ga er dan nog wat bijhalen. Als je zo vriendelijk zou willen zijn.’ De junikever vertrok.   Toen de junikever terugkwam, zat de krekel er nog steeds. ‘Hier zijn uw bladeren’, zei de junikever tegen de meikever. ‘Je zal ze zelf moeten opeten’, begon de krekel, ‘die ouwe is de pijp uit.’ Het was waar: De meikever was dood. ‘Heeft ie eigenlijk ooit licht gezien? Of was ie vanaf het begin al blind?’, vroeg de krekel. ‘Geen idee’, antwoordde de junikever. De kaarsvlam was gezakt en danste. De twee geleedpotigen zaten naast de meikever en hun kleine lijfjes wierpen grote schaduwen. ‘Ik zou uren in dit kaarslicht kunnen turen’, zei de krekel. ‘Ik wou hem het kaarslicht zonet beschrijven’, zei de junikever, ‘maar toen kwam er vanalles tussen.     Caspar Vanderschoot  

Kapitein Wolventand
15 0

Koningsblauw

Ik kijk hem strak aan. Ik omhels hem. Mijn ogen spijkeren zijn blik vast. Zodat hij gefixeerd is op mijn gezicht dat een reflectie biedt van zijn macht. Niet achter mij, waar de vogels zingen. Waar de anderen zijn.   Mijn kamer is koningsblauw. Slechts enkele meters lang en breed. Ontdaan van enig franje buiten de oranje gordijntjes van batist. Mijn lichaam vult de ruimte. Versiert de muren en zijn kieren. Mijn dijen zijn meubels.   Hij raakt me aan als de regen. Met zachte tikjes op mijn huid. Prikkeltjes die mijn voeten doen vergroeien met het warme hout. Zijn aanwezigheid neemt alle zuurstof weg. Zoals altijd in zijn blauw fluwelen pak. Alsof hij en de kamer een Siamese tweeling zijn. Mijn lichaam zuigt zich naar hem toe. De planken kraken onder mijn voeten als ik me op mijn tippen richt. Zijn geur zet de haren in mijn neus recht. Ik koester deze momenten net zo hevig als ik ernaar verlang. Het wachten op hem is eindeloos. Elke nieuwe dag duurt langer.   In eenzame dagen streel ik met mijn vingertoppen langs het koningsblauwe behang. Voel het verstrijken van de tijd door het papier. De putjes en bultjes van mijn bestaan. Er zijn geluiden in alle hoeken. Het oude huis kreunt in zijn voegen. Stofdeeltjes dansen viriel in de lucht. De symbiose van mijn bestaan is blauw. Soms glip ik door het raam, waar een briesje aangeeft dat ik buiten ben. Ik slik het in. Mijn handen aaien langs het hoge gras. Ik zie de anderen. Schimmen net zoals ik. We vloeien langs elkaar heen en kennen geen woorden. Mijn korte wandeling eindigt steeds bij de sloot. Blauw dat ik niet vertrouw. Slierten gifgroen trekken een tralies door het water.   Ik vlucht niet. Nu niet, nooit.   Hij glipt niet door het raam. Er is in de linkerhoek een deur in de kamer waaruit hij opduikt, het is wit met een sierlijk gouden handvat. Het heeft dezelfde zwierige krul als mijn roze strik. Het enige object dat ik bezit. Het ruikt naar mij en hem en bevat een knoop. Zijn verschijnen is steeds onaangekondigd. Hij opent en sluit de deur snel. Alsof achter de deur een gevaar schuilt. Ik zie alleen een vage schemering. Nu en dan komt hij ’s nachts, als ik uitgestrekt in het midden van de kamer lig op het donkerbruin generfde hout. Met mijn ogen toe en een wereld vol dromen. Hij verwijdert als een streling op de huid mijn strik en eigent de kamer naar zich toe. Als ik wakker word is het vergeelde en gescheurde plafond mijn gebroken eierschaal. Eenzaam in de wereld. Tot de deur op een moment weer opengaat.

Tim Berghman
0 0

Hij dacht dat hij dood was

Hij voelde een lichaam dat het zijne niet was. Vreemde materie die hij wilde afstoten. De houding waarin het lag baarde hem zorgen. Het gloeide ook. Het was gewoeld in lakens van beige. Een straaltje kwijl bengelde uit de mondhoek. Door zijn wimpers zag hij een lichtomgeven kamer met een groen bloemetjesbehang. Hij strekte langzaam zijn stramme vingers. Hoorde ze kraken. Voelde langzaam met de tippen van die vingers aan zijn andere hand die er slap bijlag. Voelde de rauwe structuur van de huid. De geharde nerven in de handpalm. Liet zijn tippen naar de pols glijden. Hij voelde een stevig kloppende hartslag. Hij dacht dat hij dood was geweest. Zo maar eventjes. Zo voelde het toch. Was er leven gisteren? Hij draaide zich langzaam om in de klamme lakens, zodat hij op zijn rug lag. Draaide zijn hoofd in één beweging mee. Een scherpe snelle pijn langs zijn slapen overviel hem. Hij sloot krampachtig de ogen en kreunde. Hij leefde, duidelijk. Dat was één. Maar hoe? Hij opende zachtjes opnieuw zijn ogen en zag een witte plafond met een oranje luster die die hem bekend leek. Iets zij hem dat hij die altijd al lelijk had gevonden. Zijn hoofd bonkte verder en drukte alsof er een baksteen op zijn wenkbrauwen lag. Breed denken ging niet. Hij kon het hier en nu niet thuisbrengen. Zijn lichaam snakte naar een vegetatieve toestand. Een slangetje dat hem kracht gaf. Een rolstoel voor dit lichaam dat niet meer bewegen wou. Een nat koud doekje voor dit hoofd dat wou openbarsten als een te hard gekookt ei. Water. Hij smakte met zijn lippen. Door de vale smaak in zijn mond kwam hem een beeld voor zijn ogen. Hoe hij met zijn neefje om het langst over de keukenvloer likte. Hij won. Het was goed dat hij zich zo’n dingen herinnerde. Ook al waren ze dertig jaar geleden gebeurd. Dan zou hij toch ook moeten weten wat hij gisteren had gedaan. Hoe hij had geleefd. Had hij wel had geleefd?   Uit het niets klotste een plas water over hem. Hij klakte met zijn kaken als een vis op het droge. Snakte naar adem. Een schel tumult bereikte zijn oren. Hij kon het niet plaatsen. Snapte niet wat de aangeregen woorden inhielden. Hij keek opzij, nam de pijnscheut in zijn hoofd voor lief, en nam de contouren waar van een vrouw. Een hysterische vrouw. Bliksem en donder zonder één seconde van tussenpauze. Als bij heldere hemel kwam het tot hem. Zijn vrouw stond aan het bed. Ze maakte groteske dramatische bewegingen met haar armen. Het continue geraas dat uit haar mond kwam kon hij niet volgen. Een correlatie tussen zijn toestand en de toestand van zijn vrouw was overduidelijk. Maar hij zag de brug niet.   Langzaamaan friemelt een duizendpoot gedachten door zijn hoofd. De bazin van café Sportvrienden die hem zoals altijd begroette met een klapzoen. De schuimende bierglazen die als een stoet mieren voorbij kwamen. Waarbij elkeen de laatste was. Het gebral met de stamgasten. De tocht naar huis langs de vele gevels van het dorp. De voordeur die met een ruk openging en hem met licht overspoelde terwijl hij op handen en knieën de sleutel onder de stenen egel zocht. Zijn vrouw die hem met enkele gerichte petsen op zijn hoofd begeleidde naar hier. Het bed, in de logeerkamer. En de belofte die hij twee dagen geleden had uitgesproken op haar verjaardag. Om eindelijk het drinken voorgoed vaarwel te zeggen.

Tim Berghman
12 0

Appartje

De klok slaat tien uur. Mijn hamer slaat een spijker. Het peertje van 40 watt geeft een warme gele gloed aan de kale kamer. Een oase van rust. De andere kamers staan reeds vol met gehamsterde meubels, verfspullen en andere werkmaterialen. In de gang hoopt het afval zich op. Als je het appartje binnenkomt, lijkt het wel een mini-containerpark. Maar de tijd dringt. Over een week ben ik jarig. Dan heb ik de gezegende leeftijd van zesentwintig jaar. Volgens mijn moeder opgestelde huisregels een reden tot een onmiddellijk uitzettingsbevel. Dus werk ik noest door van zonsopgang tot maanondergang.   Met de hamer in de hand en een glimlach bekijk ik de nieuwe plinten in de kamer, die zorgvuldig zijn gestut met allerlei houten latten. De vloer is een raderwerk van plankjes. Toch zie ik nog een plint in de hoek lichtjes buigen. Met een paar spijkers sla ik de boel recht zodat ze alle stevig tegen de muur worden gedrukt als bakstenen op zand. Klaar. Nu nog een laatste laagje verf in de keuken aanbrengen. Terwijl ik er naar toe slenter wordt er luid gebonsd op de voordeur. Ik schrik, sta stil en luister. Terwijl Eels uit het krakkemikkige oranje radiootje zijn smeekbede aanheft om eenzelfde blik te krijgen van dat meisje, hoor ik voor de tweede maal geklop. Vreemd. Normaal bellen mensen beneden aan de inkom en kloppen ze niet meteen driehoog op de deur. Ik zal maar gaan kijken, en stap de gang in met de hamer in mijn hand. Het oog van de deur ligt nog achteloos ingepakt op de grond. Dus trek ik blindelings met een ruk de deur open. Pudding.   Het flitst door mijn hoofd. Voor mij staat Johan. Man van twee meter. Beveiligingsagent bij Securitas, vertelde hij vorige week trots. Gehaaide taaie vent. Ruw en bonkig. Tot ik zijn ouders ook in diezelfde week ontmoette. En meer kwam te weten over Johannetje. Watje. Wedden dat zijn moeder nog lacteert. Nu staat hij hier. In enkel een nietige boxershort en honderdtwintig kilo onverpakt vlees. Een tapijt van korte gekrulde haren over borst en schouders. Waarschijnlijk ook over de rug doorlopend naar de bilspleet. Dat zie ik straks waarschijnlijk wel. Walgelijk. Een gouden kettinkje hangt ostentatief tussen zijn borsten. Het prijskaartje van een stuk ham. Het meest markante zijn de vetlagen die elkaar schragen en de indruk geven dat hij er in kleren gegoten gespierd uitziet. De gigantische vleesmassa bezaaid met rode schemerzones en struiken haar negeert mijn verbouwereerde blik en dramt door over het aanhoudende geklop, dat het al na tien uur is, het recht op rust, respect voor de buren en vooral dat hij morgenvroeg op moet om zijn met status doordrongen beveiligingsjob uit te oefenen. Om vier uur, snoeft hij er nog eens bij. Lul. Ik knik bevestigend en mompel een paar excuses. Ik wens hem ten slotte nog een goede nachtrust toe en sluit de deur zachtjes. Als ik me omdraai zie ik het oog op de grond liggen. Het eerste werkje voor morgenvroeg, denk ik. Het oog wil ook wat.

Tim Berghman
0 0

Oceaanbries

De frisse oceaanbries waart rond mijn hoofd. Het nevelige zwart omhult me als een schoorsteen. Ik heb geen flauw idee hoe laat het is. Vermoeid staar ik voor me uit. Gezien de verveling me prikkelt als een distel, zal het aanbreken van de dag niet lang meer duren.   En ja hoor. In de verte hoor ik gestommel. Onregelmatige voetstappen die dichterbij komen. Al snel spoelt het licht over mijn wereld. Het is Jan. Dat weet ik onmiddellijk, gezien de kracht van de waterval die neerstort. De ochtend is aangebroken. Jan kreunt van genot. Ik hul me in stilzwijgen. Die kracht valt ’s avonds ook wel eens voor, maar dan staat hij gestrekt met zijn arm tegen de muur. En soms ook met zijn hoofd.   Hij knijpt de tube af zoals elke rechtstaande mens. Enkel de staanders die niet boven de lichtschakelaar komen doen het anders. Zij beginnen driftig te rammelen alsof de tube een kapotte aansteker is. Nadat de draaikolk is gepasseerd en ik mijn geur als golven voortduw, blijft het licht. Dat gebeurt wel vaker bij Jan of de andere staanders.   Zoals de routine het betaamt is niet veel later Marieke aan de beurt. Zij sakkert altijd als het niet donker is. Zij hoort bij de steeds zittende mensen. Een roze maan trekt over mijn wereld. Voor de modderstroom die volgt en zijn witte lelies dient de draaikolk twee keer te komen. En ik bries mijn geur zo hard uit als ik kan in het walmende donkerte.   Dankzij de modderstromen ben ik de hele wereld rond geweest. Ik laat me meedrijven naar waar de dag me brengt. China, Griekenland, Turkije, Laos, Mexico (dat nooit meer), Italië en zoveel ander verre bestemmingen. Smaken van zuur, zout, zoet, bitter en umami. Ja, mijn leven is eenzaam. Buiten die momenten met eend. Samen stralen we. Ik hou ervan als ik me kan spiegelen. Ik denk dat Jan en Marieke dat ook weten, aangezien we regelmatig samen mogen zijn.   De glanzende muur is mijn weerspiegeling. Mijn voeding, mijn variatie, mijn spel. De manen zijn het gloren. Eens glad als een biljartlaken, eens pokdalig als een Vlaamse steenweg. De watervallen mijn glorie. De eenzaamheid sterkt me in wie ik ben. Een karakter geslepen uit wit porselein is hard.   Ik geur me met lavendel, citroen, dennenappel en mijn favoriet oceaanbries. Als verschillende kleuren in een regenboog. Geen zwart, grijs of wit.   Verzonken in mijn mijmering, flitst het licht opeens aan. Kleine Rik moet ook. Dringend. Marieke zet hem snel op de juiste positie. Een kleine witte maan verschijnt en geeft vloeiende wolken van modder. Eend zal snel weer langskomen.

Tim Berghman
0 0