Zoeken

Er was eens...

‘Wel, wel, wel,… Rood-harig-kapje, zo alleen in de intense diepte van dit virtuele woud.’Die stem! Abrupt bleef ik staan. Dit kon niet waar zijn. Niet vandaag, niet hier.Ik maande mijn haperende hart aan om opnieuw het juiste ritme te vinden en keek behoedzaam over mijn schouder. Ongeveer vijf meter achter me verscheen hij. Zijn robuuste linkerpoot kwam als eerste tevoorschijn uit de schaduwen die hem omringde. Een tel later stapte de Grote Boze het bospad op en stond ik oog in oog met zijn woestheid. Zijn stugge bruine vacht zat vol doornen, alsof hij er net ingerold had. Hij was graatmager, maar ik wist dat dat niets afdeed aan de kracht die hij bezat. Hoe lang was het geleden dat we elkaar voor het laatst gezien hadden? Een maand of drie? Een lichte bries bespeelde zijn nekharen en zette ze rechtovereind. Ik slikte. Hij zette zich schrap, boog lichtjes door zijn voorste poten en bracht zijn kop omlaag, waarna hij zijn lip optrok. De grom die uit zijn keel opsteeg, deed de rillingen langs mijn rug lopen. Hij zette een stap naar voren, langzaam, zonder ons oogcontact te verbreken. Paniek borrelde omhoog. Wat moest ik doen? Maken dat ik wegkwam en het pad des hazen kiezen of als een idioot bevroren blijven staan? Alsof het mijn reddingsboei was, omklemde ik mijn mentale mandje steviger. Net toen mijn hersenen opnieuw leken te functioneren en me toe schreeuwden enkele bliksemschichten uit de lucht te plukken, stopte hij plots. Met zijn rechterpoot nog omhoog, keek hij me verbijsterd aan. Zijn ogen leken uit hun kassen te puilen. Het was zo vreemd om te zien dat ik me naar hem toekeerde.‘Wat heb jij grote ogen!’ zei ik.Zijn oren richten zich naar voren bij het horen van mijn stem. Pas nu viel me op hoe groot ze waren. Ik wilde er net iets van zeggen toen hij zijn enorme muil opende en oprecht gechoqueerd riep: ‘Wat heb jij in de-zeven-geiten-hun-naam aan je voeten?’Verbaast om zijn vraag keek ik omlaag naar mijn voeten. Dat was belachelijk aangezien ik heel goed wist dat ik op glazen naaldpuntige hakken stond. ‘Welke idioot draagt van die kuitenkillers in een woud? Hoe haal je het in je hoofd?’ Woest keek hij me aan, al had het niets meer te maken met de eerdere spanning. Nee, hij was gewoon kwaad.‘Wat maakt het uit dat ik…’‘Wat maakt het uit!? Ik zit hier in de-zeven-geiten-hun-naam al een hele dag tussen de doornen te stinken tot jij eindelijk komt opdagen! Niet moeilijk dat het zolang duurde. Ik mag nog van geluk spreken dat je in überhaupt hier geraakt bent. Hoe denk je dat ik me zou voelen als je je voet had verzwikt ofzo? Ik sta al maanden op sla en wortelen om er uitgemergeld uit te zien. Bij de drie biggen nog aan toe, heel deze scene is om zeep. Alle opgebouwde spanning, weg,…foetsie.’‘Sorry, ik wist niet eens dat dit een scene was…’ Ik keek om me heen. Zocht naar verborgen camera’s en belichting, maar ik zag niets. ‘Doe niet zo onnozel, elk Rood-harig-kapje heeft een Grote Boze als antagonist. Dat weet het kleinste kind.’ Nonchalant stapte hij naar me toe en zette zich zuchtend voor me. ‘Waar wilde je eigenlijk heen op die monsters?’ Hij draaide zijn kop naar zijn rechter flank en begon voorzichtig de doornen uit zijn vacht te halen. ‘Naar Grimm en Grimm,’ zei ik. Met een ruk keerde hij zich weer om, spuugde de drie doornen uit die hij tussen zijn tanden had en vernauwde zijn ogen. Vol argwaan snifte hij met zijn neus. ‘Wat moet je van die twee? Die gasten sporen niet.’‘Waarom niet?’‘Je hebt ze duidelijk nog nooit ontmoet, anders zou je dat niet vragen.’Ik wiebelde wat op mijn naaldpuntige hakken. Waarom zei hij dat? Wat wist hij van hen? ‘Laat ons zeggen dat ze in hun eigen wereldje leven,’ zei hij als antwoord op mijn vragende blik. ‘Maar Soit, waarom wil je er naar toe?’‘Ik wil een ander einde.’Wat hij ook gedacht had te zullen horen, dit was het duidelijk niet. De Grote Boze gaapte me met open muil aan. Man, wat stonk die gast uit zijn bek! De zoete walm was zo penetrant dat uit de dichtstbijzijnde struik een zwerf fruitende vliegjes opsteeg en rond zijn kop begon te dansen. ‘Je wilt een ander einde!?’ Hij schudde zijn kop en hapte naar de irritante beestjes die nu zo arrogant waren om op zijn kop neer te strijken. Mijn maag keerde toen hij een aantal inslikte. ‘Yep, ‘ zei ik alleen maar.‘Waarom wil je dat?’ Vroeg hij bruusk. Zijn toon verbaasde me. Als ik van iemand verwacht had blij te zijn met een ander einde, was hij het wel. ‘Ik had nooit gedacht dat je het leuk vond om telkens in je gat geschoten te worden. Ben jij zo eentje die kickt op pijn?’ Onwillekeurig bekeek ik zijn poten beter, zoekend naar striemen. ‘Doe niet zo belachelijk! Natuurlijk vind ik dat deel maar niks, domme gans. En stop met bogen te lopen en vertel waarom jij een ander eind wil!’Ik voelde mijn wangen gloeien en keek naar mijn glazen naaldpuntige hakken. Neeee…’ haspelde hij. ‘Dat meen je niet!’ Zijn schatterlach kwam van diep. Hij zakte door zijn poten en rolde op zijn rug van het lachen. Tranen gleden over zijn snuit. Hij snifte een paar keer, poogde zijn lach te onderdrukken maar slaagde er nauwelijks in. ‘Jij wilt een prins. Whaahahahahahaha. Wat een mop. Wat dacht je? Dat je op die naaldpuntige hakken er wel eentje aan de haak kon slaan?Schat, je kunt beter die kikker daar gaan kussen, heb je meer kans.’Ik kruiste mijn armen en keek hem diep beledigd aan. ‘Waarom zou ik geen prins mogen? Ik ben het beu om telkens met dit rotmandje te moeten sleuren. En dan deze jurk. Vreselijk, het wit is zo grauwgewassen dat het net is of ik ze al eeuwen draag.’Hij gniffelde nog een keer, haalde diep adem en zette zich recht. Met zijn kop schuin gehouden taxeerde hij me: ‘Kletskoek van Grietjes huis, jij wilt helemaal geen prins. Jij bent veel te vrijgevochten om een knapperd te willen. Vertel me nu gewoon wat er scheelt, dan kan ik helpen en kunnen we verder.’Dju, wat kende die gast me goed. Veel te goed!‘Komt er nog wat van? Ik heb honger.’ Wachtend op antwoord begon hij de haren van zijn linkerpoot schoon te likken. Ik zuchtte. Wat had het ook voor zin? Misschien deed het wel deugd om hem de waarheid te vertellen. Het gemaskerd bal was nu al een poos geleden en nog steeds droeg ik het mijne. Aarzelend en zacht liet ik de woorden van mijn tong rollen: ‘Mijn leven is een sprookje,vol trollen en gnomen die sporen op nachtelijke merries over brandende vlaktes van dagelijkse raadgegeven door draken van mensen die me smalend toejuichen:‘Laat je haren zakken Rood-harig-kapje, en spring!’in de diepe put van vrouw Holle laat ik verbrande schepen achtervol pek en goud draal ik in mijn zevenmijlslaarzen en vlucht, wegvan appels vol venijn, die blinkenin de rimpelende handen van gemaskerde mannen met monotoon getrokken zwaarden, die snijden in hopende harten van landloze wezen die zielloos dansen, om klatergoud en gebroken potten eenzaam dwaal ik over paden van er was eens en ooit.’   Ik slikte. Voelde me plots zo leeg, nu ik het eindelijk hardop had uitgesproken. Een enkele traan gleed over mijn wang. Teder veegde de Grote Boze hem weg met zijn natte snuit. Zijn blik was zacht, vol begrip, maar zijn woorden kwamen binnen:‘Staak je vruchteloze vlucht naar anderseen Rood-harig-kapje past niet in des konings paleizen, vol kale pracht en praal, gevangen in leegtegekooid als een Chinese nachtegaalIk ben het, dwars en dravend over brandende vlaktes waar ik nachtelijke merries verscheur, in kleurrijke dromendool ik doelgericht om je heen opdat trollen en gnomen je niet langer storen,dat gemaskerde mannen er niet meer in slagenmet monotoon getrokken zwaarden je hart te rakenprins noch wit paard laat ik naderbij, want jij en ikwij horen samen in dit virtuele woud.’Met open mond ademde ik de stilte tussen ons in. Hij snoof, rolde met zijn ogen en knielde voor me. Voorzichtig nam hij mijn linkerkuit vast en wrikte mijn schoentje los.     Word vervolgd,Ooit, eens….   ©tekst Karen Willekens, 2015, foto: free download  

Karen Willekens
0 0

De wildernis

Kilometers gleden voorbij – bijna was hij er, op één van de laatste plekjes ongerepte natuur in het land. Kilometerpaal 42, had de oude journalist geschreven. Daar vertrok het pad, niet meer dan een lijntje tussen de varens en de rotsblokken door, steeds steiler wordend. En aan het eind van dat pad moest het liggen: een stuk naaldwoud dat je nog zonder je te schamen ‘wild’ kon noemen, waar everzwijnen en vossen nog ongestoord hun gang konden gaan, waar de afgelopen eeuwen misschien vijf mensen geweest waren. Na kilometerpaal 41 werd de weg kronkelig en hobbelig, slecht onderhouden, vol afgewaaide takken. Gespannen in het stuur knijpend hield hij de rand van de baan in het oog, wachtend op dat verlossende getal 42. Op een door gure wind en zure regen aangetast, verroest plaatje prijkte nog net het getal 43. Onverstoord draaide hij de wagen. Hij moest onderweg een bordje over het hoofd gezien hebben. Kordaat reed hij terug tot de vorige kilometerpaal. Die met nummer 41. Met gefronste wenkbrauwen parkeerde hij de wagen even voor plaatje 41, waar net plaats was voor één auto, en wandelde een keer of drie van 41 naar 43 en terug. Geen paal 42. Dat was het probleem niet: ook geen pad naar het maagdelijke naaldwoud. Nergens was er een helling naar boven. Ongeveer tussen de twee bordjes ontdekte hij wel een smalle spleet tussen twee rotsblokken van zo’n twee meter hoog. Moeizaam wurmde hij zich door de opening en zigzagde tussen de bomen erachter. De helling ging omlaag en gaf uit op een grasveld waar twee koeien hem starend opwachtten. Dat er iets niet in de haak was met de schrijfsels van de oude journalist, was nu wel duidelijk. Vorige week was hij naar het veengebied in het oosten gereden om de waterval te vinden waar slechts een handvol mensen ooit in gebaad hadden. ‘Geen chocoladeverpakkingen, geen lege flesjes of blikjes energiedrank, geen gebruikte condooms,’ had de oude journalist daarover geschreven. ‘Een verademing, dit ongestoord ruisende wonder, één van de laatste overblijfselen van de natuur zoals ze was voor er zelfs maar mensen in ons land kwamen wonen.’ De stukjes van de oude journalist hadden zijn hersenen maandenlang op hol gebracht, tijdens de uren die hij sleet in de kroegen van de stad of op zijn studentenkamer met uitzicht op het keurig aangeharkte en met verpakkingen, lege flesjes, blikjes en gebruikte condooms bezaaide stadspark. Zielsveel hield hij van het gezoem en gebruis van de stad, maar de ruwe, wilde natuur is altijd nog iets anders. Nu was de zomer aangebroken, nu had hij alle tijd van de wereld – of toch tot de herexamens begonnen – om alle goed bewaarde geheimen die de oude journalist had beschreven in zijn column De laatste wildernis op te zoeken. De laatste wildernis was zelf een goed bewaard geheim. Duizenden mensen kochten de weekendkrant en lazen de stukjes over waar ze moesten eten, wat ze moesten kopen, hoe ze moesten vrijen en waarheen ze moesten vliegen. Slechts een handvol mensen las De laatste wildernis, en alleen hij deed moeite om naar die illustere plekjes, de laatste restjes en brokjes wilde, ongerepte natuur in eigen land, te speuren. Maar de waterval in het veengebied bestond niet – niet op de kaart, niet in werkelijkheid. En het zompige eiland in het meer in het heuvelland, waarop ‘dieren en planten voorkomen die in de rest van het land al lang verdrongen zijn door villawijken en dagjestoeristen’, bleken eveneens een verzinsel. ’s Avonds was hij aangekomen aan de oever van het meer, erop gebrand de warmste nacht van het jaar onder de blote hemel door te brengen op het eiland. Op een afgevallen boomstronk was hij over het inktzwarte meer gegleden, niet bang voor de afgrijselijk gillende watergeest die volgens eeuwenoude volksverhalen boven het water zou zweven. Het eiland bereikte hij echter niet. Overtuigd dat hij in het donker iets gemist moest hebben, overnachtte hij in het lange gras op de oever en waagde een nieuwe poging in de koelte van de ochtend. Maar ook onder het licht van de zon lag er geen eiland in het meer. En nu bleek ook het maagdelijke woud, dat onze verste voorouders niet durfden te betreden omdat het tot het jachtterrein van de nachtgodin behoorde, enkel te bestaan in de verbeelding van de oude journalist. Sneller dan hij ooit gelopen had, snelde hij naar de auto en scheurde weg, terug naar de autosnelweg, richting de hoofdstad. Daar, ergens in dat herenhuis met de ronde ramen en de engelenbeelden tegen de gevel, moest hij wonen. Op de tweede verdieping, volgens de namen op de deurbel. Verwonderd opende de oude journalist de deur. ‘Wat kan ik voor u betekenen?’ vroeg hij terwijl hij in zijn ogen wreef. ‘Waar is die wildernis van u?’ vroeg hij zonder zich voor te stellen. ‘De waterval. Het eiland. Het maagdelijke bos. Allemaal bedacht door u.’ De journalist zuchtte en keek naar de vloer. Hij opende de deur wat verder, zodat hij kon binnenkomen. ‘Weet u… Er zijn echt nog wel wilde stukjes natuur in ons land. Alleen… Als ik daarover zou schrijven… Er moet maar één gezinnetje op het idee komen om die plekjes op te zoeken en dat rond te bazuinen. Dan ligt het daar volgende week vol blikjes en condooms. En rijden er mensen met bakfietsen rond.’ ‘Bakfietsen,’ herhaalde hij. ‘Laat me daar niet aan denken.’ ‘Precies daarom heb ik een rookgordijn gecreëerd. Hoe weinig mensen mijn stukje ook lezen, zolang de krantenlezer denkt dat de wildernis in ons land op de plaatsen ligt die ik beschrijf, blijven ze tenminste weg van de echte ongerepte natuur.’ ‘En waar ligt die dan wel?’ De journalist stapte naar zijn bureau, toverde een kaart van het land tevoorschijn uit de tweede lade en bracht er zorgvuldig twee kruisjes op aan. ‘Hier.’ Hij nam de kaart aan en verliet het gebouw zonder afscheid te nemen. Terug in de wagen staarde hij enkele minuten naar de kruisjes, zette zijn aansteker tegen de kaart en gooide vervolgens de nog knisperende resten uit het raampje, voor hij de motor startte.

Felix Sandon
29 0

Jolien & Jenna

De tweeling Jolien & Jenna liep iedere dag school in een witte broek ondanks hun schooluniform dat uit een blauwe rok bestond. Wij zijn een eeneiige tweeling zei Jenna en Jolien is lesbisch dus ik ook. Hun leraar Nederlands-Frans had Jenna's twijfelachtige geaardheid al verschillende keren aangekaart bij de directie maar die opperde een identiteitscrisis van voorbijgaande aard. De voorliefde voor witte broeken achtervolgde de tweeling tot in de turnles op woensdagmorgenden. Daar waar in het schoolreglement toch duidelijk rode broek te lezen staat. Wij zijn verslaafd aan strips had Jolien gelachen en Jenna is kleurenblind dus ik ook. De directeur was door verschillende leerkrachten gebriefd over Jenna's zucht naar Lucky Luke maar die was daar doof voor geweest temeer omdat hij op sommige dagen meende dat Jenna & Jolien twee leergierige meisjes waren en op andere opperde dat strips van Jommeke voornamelijk leerrijker waren omdat daar een professor inzat. Jenna vroeg zich op andere dagen dan die van de directeur af wat er in diens groene broek zat op woensdagmorgenden want ze had gemerkt dat hij geregeld door de leraarskamer liep met een Kuifje-album onder de arm. Jolien had hier ook zo haar bedenkingen bij aangezien haar zus kleurenblind was en bovendien rezen er twijfels omtrent haar eigen geaardheid. In Kuifje zit toch geen professor wierp ze lucide op ofschoon Zonnebloem er wel degelijk een was. Zie jij dan niet dat ik val voor onze directeur op woensdagmorgenden tijdens het turnen? Haar zus schrok hier zo hard van dat ze de bok met beide ogen raakte bij het missen van de plint. Ze zag op slag én voor het eerst in haar leven een gekleurde twinkel in de blik van Jolien toen de directeur uit de leraarskamer voorbij kwam gewandeld met in zijn broek Kuifje in Tibet. Mede door het voorval in de turnzaal maar ook om verschillende andere redenen veranderde de tweeling de woensdag erna van school. Jolien werd er smoorverliefd op de directrice die door de lerares Frans-Nederlands gebriefd werd omtrent haar lesbische twijfels. Haar zus Jenna zit er iedere dag behalve tijdens de turnles op maandagmiddagen in de leraarskamer strips te lezen op zoek naar een professor. Witte broeken dragen ze niet langer. Omwille van een identiteitscrisis van voorbijgaande aard.  

Sascha Beernaert
0 0

Barts idee

IK HIELD NIET van Barts geweldige ideeën en ik had er ook nooit van gehouden, maar ik kon geen ‘nee’ zeggen, dus hier stond ik weer. Deze keer was er echter geen sprake van dat ik zou meedoen aan zijn compleet geschifte plan en ik had het hem ook gezegd, “Ik denk er nog niet aan dat ik in de wieken van een molen kruip, ik ben mijn leven nog niet beu.” Natuurlijk vond hij mij een sissie, een piske, een lafbek, en weet ik wat nog allemaal, maar ik was niet te vermurwen, ik vond het al erg genoeg dat ik getuige moest zijn van zijn onnozele streken. Maar wat wou je, hij was mijn vriend en een vriend laat men niet zomaar in de steek, dat doet niemand. Hij liet me trouwens weinig keuze, want er moest toch iemand zijn om de hulpdiensten te verwittigen als het misging.   “Doe voort, jong,” riep ik, “ik heb niet de hele nacht tijd, ik wil terug in mijn bed gaan liggen.”   Even verderop stond Bart tegen een boom te plassen. Hij lachte luid, maar op zo’n manier dat ik merkte dat hij zelf ook bang was om zijn plan uit te voeren.   “Ik zeik misschien nu, maar gij zijt een zeikerd”, riep hij terug. “Moet je mijn lul eens zien?” vroeg hij, en hij draaide zich om zonder op een antwoord te wachten, “dan kan je eens de lul van een echte vent zien.”   Hij schudde zijn plasser af en stak hem met overdreven veel zwier terug in zijn broek. Zijn T-shirt frommelde hij er slordig bij, zodat het helemaal scheef zat, een deel er nog uit hing en zelfs een stuk van zijn trui ook bij in zijn broek zat. Dat was Bart. Als hij niet mijn vriend was geweest, dan had ik hem gewoon niet willen kennen.   “Komaan”, zeg ik, “straks zien mijn ouders dat ik niet in mijn bed lig.”   “Gaat gij maar gauw ook tegen die boom staan”, antwoordde hij, “anders doet ge sebiet nog in uw broek.”   “Ba-art, doe eens normaal, ik kan ook gewoon terug gaan en dan kan je zelf een foto trekken als je daarboven zit.”   “’t Is al goed. Ge hebt hem toch bij.”   “Dat fototoestel?! Natuurlijk, ik had toch gezegd dat ik daarvoor zou zorgen. En een gsm heb ik ook bij, het moest maar eens zijn dat je valt.”   Dat laatste negeerde hij gewoon alsof de mogelijkheid niet bestond. Strijdvaardig kraakte hij zijn nek en zwaaide hij met zijn armen en benen naar een denkbeeldige vijand.   “Vooruit dan!” riep hij, alsof het ‘aanvallen’ betekende.   Ik vroeg hem of hij zeker was dat hij dit wilde doen, want het leek me echt wel een gevaarlijke onderneming, maar hij was niet van zijn stuk te brengen en hij moest en zou, net als de Rode Ridder, in de wieken van een molen klimmen. Dan zou ik een foto van hem trekken, die hij op zijn Netlogpagina zou plaatsen en zo kon iedereen van de school en iedereen die hij kende, zien dat hij zoiets durfde. Hij zou een ongekend succes hebben bij de meisjes en iedereen zou ontzag voor hem krijgen. Dat zou bij mij niet gebeuren, want zo zei hij, “Jij durft niks en ik alles, dat is het verschil tussen ons twee.”   “Ik heb al wel een meisje gekust”, beet ik terug, “en jij niet. Dat is ook een verschil tussen ons twee.”   Daar had hij niet van terug, want hij wist dat het waar was. Ik had Mieke al gekust, achter het muurtje bij hem thuis nog wel, en hij was daar bij Sofie niet in geslaagd. Dat Mieke in feite mij had gekust en dat ik er niet veel in te zeggen had gehad, had ik netjes verzwegen, maar dat waren dingen die je natuurlijk niet zomaar onthulde.     “Het enige dat jij zult bereiken,” zei ik, “is dat iedereen jou nog zotter vindt, dan dat ze nu al doen. En de meisjes…? Er is geen enkel meisje dat een zot tof vindt.”   Dat gedoe met de Rode Ridder de hele tijd, dacht ik, maakte míj nog zot op de koop toe. Suske en Wiske, of Kiekeboe, dat las ik graag, maar de Rode Ridder? Dat was niks voor mij en daar stond niks om te lachen in, allemaal serieus. Maar dat zei ik natuurlijk niet, want de Rode Ridder, dat was een gevoelig onderwerp. Dat was zijn held en hij was er trots op dat hij er alle strips van had. De oudste exemplaren had hij van een nonkel gekregen en telkens als er een nieuwe uitkwam, kreeg hij van zijn vader geld om die te kopen.   Als ik bij hem thuis kwam spelen, dan wou hij ook altijd dat ik die strips las en dat deed ik dus maar, want de schaarse Jommekes en Suskes en Wiskes die hij had, had ik allemaal al gelezen en de Kuifjes van zijn vader vond ik ook maar niks. Ik koos meestal één van de laatste nieuwe die hij gekocht had, want die waren tenminste een béétje realistisch. Als er daarin iemand neergestoken werd, dan kwam er bloed te voorschijn, in die andere, oudere strips was dat nooit het geval. Soms moest ik van hem zelfs afleveringen meenemen en dan kreeg ik uiteraard steevast die oude zwart-witgevallen mee, die daarna een week op mijn nachtkastje lagen en die ik uiteindelijk las om te kunnen zeggen dat ik ze gelezen had. Ik moest er nogal wat voor over hebben om zijn vriend te zijn.   En in een paar van die strips, dat had ik ook wel gezien, kruipt de Rode Ridder op de wieken van een windmolen om zijn vijanden te verschalken. En nu wou hij dat dus ook proberen, maar volgens mij vergat hij daarbij dat in stripboeken zoiets altijd beter gaat dan in het echt. De enige die ik ooit op wieken had zien zitten, dat waren geen mensen, dat waren vogels, zelfs nog geen katten had ik het ooit zien doen en ik woonde hier vlakbij de molen en vlak bij het bos. En ’t was niet dat hier geen katten zaten. Bart was van lotje getikt en als ik hem dat zei, vond hij dat nog een compliment ook.     “Eerst opwarmen”, zei hij en weer zwaaide hij met zijn armen en benen. Hij liep een keertje rond de molen en boog zich een paar keer voorover om te stretchen.   “Vooruit!” riep hij. Weer klonk het alsof het ‘aanvallen’ betekende. In een wip en een zip stond hij op het paaltje waaraan één van de wieken vastgemaakt was. Hij trok zich op aan het dunne vlezige touw, maar moest het bijna onmiddellijk lossen omdat het te veel op en neer sjoeperde en hij met zijn gewicht de wieken in beweging zette. Dat ging nooit goed.   “Godverdomme,” vloekte hij, “dat touw snijdt.”   Zonder aarzelen sprong hij echter weer op het paaltje en trok hij zich weer op. Hetzelfde gebeurde, maar nu liet hij het touw niet los. Bij zijn eerste klauterpassen op de wiek kraakte het hout en ik siste hem toe dat hij eraf moest springen, dat hout zou hem nooit kunnen dragen, maar opnieuw lachte hij mij uit.   “Allé piske, het begint nu pas. Trek al maar een foto!”   Dat lukte bijna niet omdat ik mijn hand zo moeilijk kon stilhouden van de zenuwen.   Behendig als een trapezeacrobaat werkte hij zich een weg naar boven. De wiek kraakte minder dan in het begin, maar nog steeds was ik er niet gerust in. Nochtans ging er deze keer niets mis, zelfs niet toen hij in het midden aankwam en via de as de volgende wiek beklom. Hij kleefde tegen de houten latten.   Het touwtje dat de wieken vasthield, leek strak gespannen, maar toen ik ging voelen, bleek de spanning mee te vallen. Waarschijnlijk waren de wieken in de molen zelf verankerd, dacht ik, en dat stelde me wat gerust.   Halfweg zijn tweede wiek, riep Bart dat ik nog een foto moest trekken. Dat was al de zesde. Terwijl ik door het kleine venstertje van de camera keek, liet hij zich aan één van de spalken hangen. Net op het moment dat ik de foto trok, draaide hij zich om en liet hij één hand los om te wuiven. Geschrokken kneep ik mijn ogen dicht en luisterde ik naar een plof.   De enige plof was die van het fototoestel dat in het natte gras viel.   “Gij zijt gek, Bart, gij zijt gek. Kom naar beneden nu,” riep ik onderaan de molen in paniek. Ik vond het al erg genoeg dat hij daarboven zat, ging hij ook nog eens hangen en kunstjes uithalen.   Gelukkig kwam hij inderdaad naar beneden. Het hout kraakte weer.   Bijna op het einde, nog zo’n twee meter boven de grond, sprong hij van de wieken, struikelde hij en viel hij met zijn rug tegen een steen die daar lag.   “Doeme,” zei hij, “dat doet zeer.”   Opgelucht nam ik hem vast om te kijken of hij nog helemaal uit één stuk was, maar hij versteef van de pijn en hij riep dat ik een flikker was, dus liet ik hem los. Hij verbeet de tranen in zijn ogen.   “Juist goed,” zei ik, “ik hoop dat je rug gebroken is.”   “Ik mag zot zijn,” kreunde hij, “maar met u scheelt er ook iets, kerel. Als mijn rug gebroken was, dan stond ik hier niet.”   “Ben je niet blij dat je terug beneden bent?” vroeg ik.   Als antwoord slaakte hij een oerkreet waardoor de kraaien lawaaierig opvlogen uit de toppen van de dennenbomen. Mijn huidharen gingen er rechtop van staan en het leek alsof er elektriciteit door mijn wervelkolom werd gestuurd.    Gelukkig waren er geen wandelaars of fietsers in de buurt, want hij riep echt wel luid.     De hele weg terug naar huis klopte hij voortdurend op mijn schouders en wou hij de foto’s zien die ik getrokken had.   “De laatste foto is donker,” zei hij en dat net het toppunt van zijn prestatie zo slecht belicht was, stelde hem zichtbaar teleur. Maar dan klopte hij weer op mijn schouder en lachte hij.   Bij mij thuis aangekomen, vroeg ik hem of hij zoiets gevaarlijks alsjeblief nooit meer wou doen. Hij zei alleen dat ik niet zo moest blèten, want hij was er toch veilig vanaf geraakt. Morgen zou hij mijn fototoestel wel teruggeven.   “Zonder fout, Bart,” zei ik, “want als mijn moeder het merkt dat ik haar spullen uitleen, dan zwaait er wat.”   “Ja ja, geen probleem!”     In mijn bed bonkte mijn hart nog van opwinding. Even leek het alsof ik in de verte weer die oerkreet hoorde en vogels die opvlogen, maar dat was waarschijnlijk inbeelding. Het duurde minstens een uur voor ik in slaap sukkelde. Mijn teddybeer had ik al lang niet meer zo omkneld als toen.     ’s Anderendaags ’s morgens nog voor ik naar school vertrok, zette ik de computer op en zag ik dat de laatste foto die ik de nacht ervoor getrokken had, al op Barts Netlog stond, met daarnaast een scan uit een Rode Ridderboekje waarin de Rode Ridder ook in een molenwiek was gekropen. In zijn status stond geschreven ‘Bart doet stunt van Johan de Rode Ridder achterna’. Ondanks het feit dat de foto inderdaad veel te donker was, had hij hem toch zo kunnen bewerken dat duidelijk genoeg bleek dat hij het was die aan die wiek hing en naar de camera wuifde.   ’s Avonds voegde ik als commentaar bij zijn status toe: ‘Maar Johan de Rode Ridder liep de volgende dag niet krom van de rugpijn’. Het was gemeen, vond ik zelf, vooral omdat hij niet gevallen was, maar naar beneden gesprongen, en ook omdat ik toch jaloers was dat híj het had gedurfd en ik niet.   Pas een week later kreeg ik eindelijk het fototoestel terug en kon ik het weer in mijn moeders lade leggen. Tijdens het wissen van de foto’s zag ik dat hij nog een extra foto had getrokken waarop hij met Mieke zoende, en hoewel ik wist hoe het moest gegaan zijn, vond ik het toch jammer dat het net Mieke was.  

Hans Van Ham
27 0

Het feestje aka cafépraat III

“Dames en heren, mag ik effen uw ongebreidelde aandacht?”Als Mark formeel begon te praten, dan moesten we hem goed in het oog houden. Met wankele knieën probeerde hij op de toog te klimmen. We hielden hem gelukkig tegen en zette hem stevig neer op een barkruk. Welk betoog hij ook wou voeren, zijn onverstaanbaar gemompel ging verloren in het Algemene Roezemoes. Ik haalde mijn schouders op en richtte mijn aandacht aan de charmante dame naast me. Haar blik stond op oneindige verveling en ik wou die vloek verbreken. Ik kende haar een beetje, maar net onvoldoende om haar te kunnen doorgronden. Weet je, er zat een verborgen kantje verscholen achter die blik van haar, een kantje dat mij enorm intrigeerde. Het enigste wat ik echt van haar wist, was dat ze een moeilijke periode achter de rug had. Ze hield zich sterk, maar door eigen ervaringen wist ik wat er zich achter een façade kon afspelen. Ik hoopte dat ik haar kon helpen.“Alles goed?” Vroeg ik zo nonchalant mogelijk.“Ben ziek geweest. Ik kon niets meer doen. De hele tijd plat gelegen en niks kunnen doen, maakte me gewoon zot. Ik heb me de hele tijd zitten vervelen.”“Dat is jammer om te horen. Weet je, mocht ik eerder geweten hebben dat je ziek was, ik zou langs gekomen zijn. We zouden wel plezier gemaakt hebben.”De blik die ik van haar kreeg was onmogelijk te beschrijven zonder gebruik te maken van foeilelijke woorden. Ik snapte de hint en liet haar verder met rust. Terwijl ik zocht naar de diepere betekenis achter haar ongezouten blik, begon Mark zijn betoog kracht bij te zetten door hevig met zijn armen te zwieren. Mijn gesprekspartner maakte van de Algemene Hilariteit gebruik om nieuw gezelschap op te zoeken en koos een man uit die bekend stond als “den gigolo van 't stad”. Die gladde aal wond er geen doekjes om en stond met zijn mooie praatjes indruk op haar te maken.Ik snapte dit niet... Iemand als ik, die haar vriendschappelijk wou “redden van de ondergang” werd zonder meer de rug toegekeerd en vervangen door een geil exemplaar met een neuken-en-weg mentaliteit. De diepe zucht die ik slaakte, ging verloren in het Algemene Roezemoes, een zucht die ik alleen maar kon slaken om mijn diep, ongelukkige eenzaamheid.Soms kun je je eenzaam voelen, van alles en iedereen gescheiden door een imaginaire muur. En ik voelde me eenzaam! Ook al was ik omringd door al deze mensen. Terwijl mijn beste vrienden tonnen plezier maakten, bouwde ik verder aan mijn imaginaire muur. Met mijn blik op het oneindige gericht, begonnen mijn gedachten te zweven. Mark, half doorgezakt op zijn barkruk, stak vragend zijn duim omhoog.“Alles goed.” Mompelde ik en ter extra bevestiging stak ook ik mijn duim omhoog.Lachend zette Mark zich ietsjes rechter, wat nou niet echt een verbetering was omdat hij snel terug naar beneden zakte. De bedroevende glimlach die ik tevoorschijn toverde, was met veel moeite geloofwaardig te noemen. Ik liet de gezelligheid over me heen golven zonder het op te merken of op te nemen. Ik trok me steeds dieper in mijn gedachten terug en probeerde de schijn op te houden door af en toe mee te lachen of te knikken. Echt luisteren deed ik niet meer."Waarom kan ik niet vrolijk zijn zoals iedereen?Waarom zien de vrouwen rondom mij niet wat ik hen kan bieden?Waarom ben ik omringd door idioten?Waarom lachen al die sukkels als ze weten wat voor miserie er elders plaatsvindt?Waarom verrekken we niet allemaal?"Het pad, die mijn gedachten me leken op te sturen, werd met iedere stap donkerder. Er gebeurde iets grappigs aan de toog. Mijn eerdere gespreksdame en haar gigolo lachten Mark uit terwijl hij iets probeerde uit te leggen.Dat was de druppel.Ik had geen zin meer in lachende vrolijkheid. Het kon me gewoon geen barst meer schelen. Ik wou weg van alles. Niet meer hoeven mee te draaien in deze dwaze mallemolen die de wereld moest voorstellen. Ik vervloekte de wereld met alles en iedereen erop. Ik besefte dat ik een domper werd op de feestvreugde. Snel dronk ik mijn glas leeg en vluchtte de donkere nacht in.De nacht omhelsde mijn duistere gedachten en suste me in een gevoel van geborgen veiligheid. Hier voelde ik me thuis. Neen, dit is mijn thuis. Ik liet me gewillig opslokken door de nacht terwijl ik vastberaden de eerst stap zette. Wat er achter mij gebeurde hoorde ik niet meer. De eerste stap werd resoluut gevolgd door een tweede en een derde. Ik zette een stevige mars in. Voor de eerste keer deze avond verscheen er een échte glimlach op mijn gezicht terwijl ik gulzig de nachtlucht in en uit ademde.

Wibboo Jozefs
0 0

Cupido en kamillethee

Ik word in mijn zij gepord. ‘Laat me slapen!’, schreeuw ik, en duw mijn belager met de kracht van mijn schreeuw weg. Net alsof ik tennis. Alexander trekt me recht. ‘Je zweet en huilt in slaap’, zegt hij. Ik kijk in zijn bezorgde ogen, in de schaduw van het nachtlampje. ‘Wat droomde je?’ Het zweet droogt op en ik begin te rillen. Ik ben blij dat ik alleen in mijn dromen word opgejaagd, want mijn adrenalinepeil heeft samen met mijn lichaamstemperatuur een dieptepunt bereikt. Rock bottom, nul graden Kelvin. ‘Ik … ik vluchtte weg van … Cupido.’ Alexander schudt zijn hoofd: ‘Lieverd, ik ga thee voor je zetten.’ Mijn lief vult geen ruimtes, maar nu ik hem de trap hoor aflopen, lijkt mijn zolderkamertje plots leeg. Hij laat me alleen, vrees ik. Ik sta op en open het raam. Er zijn sterren, dat besef ik, maar zien doe ik niet. Zonder bril is je blik net zo vaag als je dromen. Liep ik weg van Cupido? Wat niet veel mensen weten, is dat Cupido twee soorten pijlen heeft: gouden pijlen waarmee hij ons verliefd laat worden, en stompe pijlen waarmee hij ons elkaar laat verafschuwen. Dat vertel ik Alexander ook. ‘Ik vluchtte dus voor die laatste pijlen’, vertel ik. Ik kijk nog steeds naar buiten, want ik lieg niet wanneer ik zijn ogen kan zien. Ik hoop dat ik voor die laatste pijlen vluchtte. Cupido mag veel uitleggen … Thee werkt goed tegen verdriet: je gaat je er meteen een tasje beter door voelen. Kamillethee is mijn therapeut, mijn anestheticum. Ik val in slaap. Kamillevlinders zijn lelijke motten. Vlinders van het geslacht Cupido daarentegen, zijn prachtig. En toch is het Cupido waar ik voor vlucht, recht in de armen van mijn kamillethee. Je weet dat je bijna in slaap valt wanneer je jezelf betrapt op vage redeneringen. Net zo vaag als wanneer je zonder bril naar de sterren kijkt. Ik slaap.  Zachtjes open ik één oog. Ik slaap slecht wanneer Alexander in mijn bed ligt. Omdat hij zo veel plaats nodig heeft. Of ik? Ik ben een klein meisje, maar een tweepersoonsbed is nodig om comfortabel te slapen. Misschien heb ik een te egoïstische nachtrust. Ja, misschien – en ik sta op. Alexander de Grote slaapt nog diep. Dat mag ook, als je het hele Perzische rijk veroveren moet. Ik kus mijn veroveraar en sluip naar de keuken. Even thee zetten.

MDB
0 0

Sneeuw

‘De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn’, zegt mijn overgrootvader, wanneer hij op januaridagen door de raampjes van zijn kleine, bruine huisje gluurt. ‘Maria’, fluistert hij, omdat hij duidelijk wil maken dat hij het tegen mij heeft, terwijl ik de enige in de kamer ben. Of omdat hij mijn overgrootmoeder nog even gedag kust? Moeizaam legt hij zijn bleke hand tegen het raam. Een wereldoorlog winnen is gemakkelijk, maar het leven is een oorlog die we allemaal verliezen. Grootva vindt het niet eens het vechten meer waard, hij laat het over zich heen waaien. En als hij morgen mee zou waaien, zou hij niet eens meer omkijken om afscheid te nemen. Hij verlangt naar de liefde van zijn leven, de vrouw die hem meer dan zestig jaar lang heeft doen geloven dat eenzaamheid niet bestaat. Maar toen grootmoe op een dag niet meer wilde opstaan, ontdekte hij dat hij een gehandicapte, moederloze baby was zonder zijn lief. Hij zou voor het eerst in zijn leven zelf moeten koken en wassen. De afspraken en pillen die hij steeds vergat, zouden zonder grootmoe’s ingebouwde klok in de eeuwigheid verdwijnen. ‘De pastoor zegt dat ik een liedje moet kiezen, maar daar heb ik toch geen gedacht van …’, murmelde hij. Zelfs dat kon hij niet. Zonder zijn Maria was hij een door zijn ouders in een berg hooi achtergelaten kinneke Jezus – niets meer. Het zijn de stormige januaridagen zoals vandaag, die me onwillekeurig doen denken aan de eenzaamheid van grootva. Wanneer ik naar de bruine bladeren kijk, die samen met dikke regendruppels op het schuine raam plenzen, dan bekruipt me het destructieve gevoel dat ik niet anders ben. Het besef van eenzaamheid komt als een bliksemschicht. Het is weg voor je het kan vatten, maar het blijft op je netvlies gebrand. En dat brandende gevoel is eens zo pijnlijk als het januari is, en de zachte sneeuw waar je zo op hoopte een herfststorm blijkt te zijn. De winters zijn niet meer wat ze geweest zijn.

MDB
1 0