Zoeken

de donkere kamer

Seconden voor het licht uitging, stonden ze met zijn allen zwijgend voor zich uit te staren. Ze waren op dat moment met acht; eerst waren ze met twaalf geweest, weinig voor een weekdag, hoewel, het was misschien nog wat vroeg. Omdat er genoeg ruimte was, waren ze stuk voor stuk op een veilige afstand van elkaar gaan staan, met de rug naar de enorme spiegel, blik steevast op de deuren gericht. Ieder drukte zijn respectievelijke nummertje en ging vervolgens terug naar zijn plaats om er als een standbeeld te blijven staan. De deuren gingen al dicht wanneer ze vanuit de gang nog een jonge vrouw zagen die hun richting kwam uitgerend. Te laat, de massieve deuren gleden onherroepelijk dicht. Ze konden nog net de uitdrukking van bijna-wanhoop onderscheiden op het gelaat van de vrouw. Ze was duidelijk gehaast geweest, ondanks het vroege uur. De vloer onder hun voeten zoemde lichtjes en het led-schermpje boven de deur schoot vliegensvlug van 0 naar 1, van 1 naar 2, van 2 naar 3. Een nogal zware man achteraan schuifelde wat heen en weer. Hij had een lange rit voor de boeg. Het schermpje gaf 9 aan en er weerklonk een korte ‘ping’. Een vrouw van middelbare leeftijd die vooraan stond, wachtte tot de deuren opengingen en stapte naar buiten. Zo gingen er nog drie: op 24, op 27 en op 50. Driemaal ‘ping’ en dan weer stilte. Tot plots een oorverdovend geluid doordrong tot de metalen wanden van de cabine. Het was een bloedstollend geluid geweest en ze keken allen met ogen vol verschrikking voorzichtig naar hun medepassagiers. Een fractie van een seconde was het weer muisstil, tot er een ander geluid de lucht rondom hen vulde. Gedempte kreten, krakend en scheurend materiaal. Eén van de passagiers wilde net zijn vertwijfeling uitspreken als de lift met een schok tot stilstand kwam en het licht uitviel. De woorden bleven achter in zijn keel vastzitten. De zware man achteraan had net tijd genoeg om vast te stellen dat hij enorm begon te zweten en om van schaamte nog wat verder naar achter te schuifelen. Op hetzelfde ogenblik voelden de andere zeven passagiers ook de enorme hitte en kwam er door de spleten langs de deur een vage oranje gloed naar binnen. In het vreemde licht keken ze elkaar voor de tweede keer allemaal aan. Acht paar ogen zochten angstig om zich heen naar een verklaring voor dit alles en terwijl het lawaai nog steeds hun gedachten overstemde, begonnen ze te vallen. Ze vielen, vielen, het waren slechts luttele seconden maar in een impuls grepen ze elkaar in het duister vast. Met elkaar verstrengeld stootten ze als één wezen hun laatste wanhoopskreet de leegte in. Tussen de brokstukken werden acht polshorloges teruggevonden.

LL Rigby
0 0

zonsondergang

De zon gaat onder in zijn hoofd. Net zoals bij een echte zonsondergang ziet hij een doek vol kleuren, de tinten rood maken echter snel baan voor paars en bruin-oranje, alvorens onherroepelijk af te stevenen op diepblauw-zwart. Hij gaat kopje onder in de duisternis, voelt de grond onder zijn voeten wegzinken. De fauteuil waarin hij zit wordt verzwolgen door de linoleum vloer en sleurt Patrick mee de diepte in. Met zijn ogen open ziet hij nog steeds de verduisterde kamer, het afgebladderde behang, de overvolle asbak en de lege wijnflessen. Achter zijn gesloten oogleden openbaart zich een wereld vol chaos, met gezichten die om hem heen tollen, stemmen die weerklinken uit de diepste duisternis. Waarom deed je dat nu? Je had toch kunnen weten dat ze naar buiten zou glippen? Je had toch niet verwacht dat ze zelf zou terugkomen? Waarom ben je niet verantwoordelijker? Ik had het kunnen weten, eens een loser, altijd een loser! Patrick maait om zich heen, wil de gezichten en de stemmen afweren. Terugroepen durft hij niet, hij is te beschaamd en voelt dat de verwijten zijn verdiende loon zijn, hoewel hij ze niet langer wil aanhoren. De kat. De kat van zijn buurvrouw. Zijn buurvrouw die… Ach waar te beginnen? Het is alles zo’n tumult in zijn hoofd, hoe weet hij nog waar het begon? Zijn flat op 6 hoog is zijn heiligdom, zijn rustplaats. De wereld daarbuiten een wilde jungle. Hij had vroeger altijd het gevoel dat de heer Asperger hem stuurde, bepaalde hoe hij vooral niet leefde. Na veel oefening en op maat ontworpen strategieën had hij met de jaren een manier ontwikkeld om zich door de jungle te bewegen voor de noodzakelijke dingen en zonder kleerscheuren de deur van zijn flatje weer achter hem dicht te trekken. Dat ging prima. Tot de buurvrouw er zich mee kwam bemoeien. De nieuwe buurvrouw die zich vriendelijk aan hem komt voorstellen. De buurvrouw die hem per sé wil binnenvragen voor een bakje thee. De buurvrouw die hem trots haar kat voorstelt. De buurvrouw die hij zo adembenemend vindt dat hij opeens in de weelderige stilte van zijn flatje onrustig wordt. Ondanks zichzelf (hij vermijdt mensen zoveel mogelijk; hij begrijpt hen niet en zij hem nog minder), laat hij haar binnen in zijn heiligdom, wanneer zij voor de zoveelste keer aan zijn deur staat, om te vragen of hij iets nodig heeft van de winkel, om te informeren naar zijn gezondheid, om hem kippensoep te brengen, om ‘gewoon’ even een praatje met hem te maken. Ondanks zichzelf zegt hij toe om op haar kat te passen, wanneer zij twee dagen naar haar moeder gaat. Geheel in lijn met zichzelf daarentegen, vergeet hij daarna de aanwezigheid, het bestaan van de kat – de kat die, zo vertrouwde de buurvrouw hem toe, haar hele leven is. In zijn gewone verstrooidheid, in zijn heimliche chaos doet hij gewoon zijn ding: hij eet, slaapt, rookt, verdiept zich urenlang in stripverhalen en games, bedenkt dat hij de jungle in moet om brood en sigaretten, bereidt zich zoals altijd grondig voor, staat zoals gewoonlijk ruim een half uur met zijn jas aan voor de gesloten deur op zichzelf in te praten, zodat hij niet merkt dat de kat aan zijn voeten zit en mee met hem naar buiten gaat wanneer hij dan eindelijk toch de deur opent. Teruggekeerd uit de jungle betreedt hij zijn flatje en ziet in een moment van helderheid de zak kattenbrokken in de hoek staan. Vaag gaat er ergens een belletje rinkelen, het belletje wordt langzaam een sirène, die hem in een aanval van plotse paniek als een bezetene door de flat doet rennen, op zoek naar de kat. Tevergeefs. Hij zakt in zijn fauteuil bij het besef, het volle besef van zijn daad, of veeleer zijn mis-daad. In die fauteuil probeert hij grip te krijgen op zijn gedachten. Hij redeneert niet zoals andere mensen zouden doen, de jungle in voor een zoekactie naar de kat komt niet eens in hem op. Hij redeneert enkel dat hij niet deugt voor interactie met de buitenwereld, of dat nu een kat of een aanbiddelijke buurvrouw is. Hij redeneert dat hij dat al die tijd al wist dus waarom toch de deur open, waarom de thee en de praatjes en de kippensoep… waarom de kat. In ieder geval komt hij nu weer tot inzicht. De jungle en de wilde dieren die als mensen poseren vormen een permanent gevaar, en hij duidelijk ook voor hen. Beter zich niet meer buiten wagen. Beter niet meer proberen, zelfs niet met de juiste voorbereiding en uitrusting. Hij heeft brood en blikken soep, wijn, sigaretten en… kattenvoer. Hij verroert zich niet. Slechts voor het noodzakelijke staat hij op van de fauteuil, om bij terugkomst weer een beetje dieper weg te zakken. Het geklop en geroep van de buurvrouw hoort hij al niet meer. Hij sluit de ogen en laat zich de diepte in zuigen.

LL Rigby
0 0

4. Huisnummer 4 - Oude Man

Mieke Moes zaliger in gedachten kanaliseert mijn opkomende depressie zich naar een niveau waar verleden, heden en toekomst op de één of andere manier lijken samen te komen. Meesmuilend slenter ik verder door de straat en staar links en rechts de huizen binnen. Ze zijn hetzelfde als jaren geleden, hetzelfde als jaren vooruit. Een historische constante. De regendruppels vallen nog steeds met zijn miljoenen uit de lucht. Op nummer vier staat een oude man me recht in de ogen te turen. Lijkbleek, graatmager, sigaretje in de mond. Bij elke trek van de sigaret lijkt hij enkele jaren te verouderen. En ik denk wat hij denkt.   Een mozaïek, meer ben ik niet. Maar geen samenhangende. Elke afzonderlijke kleur staat los van zijn aanliggende componenten. Ik ben niet gebroken maar ook niet meer samen te stellen. En elk component beslaat een deel van mijn zijn.  Dit onsamenhangend geheel maakt dat ik geen mens ben. Noch man, noch muis. Een gedefragmenteerd muilwezen.   Hoe graag ik hem ook uit zijn lijden zou verlossen, het is onmogelijk. Ik ben hem, hij is mij, wij zijn elkaar. Waarop mijn hoofd me dwingt de blik af te wenden van zijn met een onmenselijke pijn vervulde ogen.   Op straat katapulteert een jongen een autoruit aan diggelen. Goed schot! Nu de andere kant. Hij grijpt nog een steen en legt hem in de elastiek, spant het wapentuig hard aan en focust zich. Zo moet het. Goed concentreren, niet te overhaast te werk gaan. Neem je tijd, man. Hij telt op naar vijf, ik tel af van vijf. Hij is mij, ik ben hem, wij zijn elkaar. Vuur!   Net op het moment dat de jongen de katapult loslaat, grijpt de oude man naar zijn linkerschouder. Hij wordt dubbel zo bleek als hij al was. Voor het neervallen verschijnt een doodsblik in zijn ogen, een blik met een sinistere vorm van gelukzaligheid. Morbide met hoop. En vanaf dat moment is er door het raam enkel een muur te zien. Het lijkt nu al alsof er nooit iemand heeft gewoond, hoewel de resident slechts seconden op de grond ligt.   De ambulance wordt gebeld en een tiental minuten later loeien de sirenes de straat in, flikkerlichten aan. Lawaai, licht. Lawaai af, licht blijft aan. De medische dienstverleners hollen naar binnen met een lege brancard en slenteren naar buiten met een volle. Daarop een zwarte hoes met een, naar ik vermoed, lijk in. De brancard wordt zorgvuldig in het achterste compartiment geschoven, de ziekenbroeders nemen voorin plaats. All on board! Licht dan ook maar uit, het dramatische moment is nu wel gepasseerd. Met het wegrijden van de ambulance druipen de verzamelde toeschouwers net zo snel af als het water naar de riolering.   Ik heb altijd gedacht dat een overledene moest gecollecteerd worden door een erkend begrafenisondernemer. Iemand die perfect weet wat de verstijvingsgraad per minuut bedraagt. Iemand die kennis heeft van de hellingsgraad waarop het lijk in lijkzak of kist dient geschoven te worden. Niet dus, of het is niet volgens het juiste protocol verlopen. Het zal met een zorg wezen. Liever geen doden in mijn straat dan wél doden in mijn straat.   Verleden heeft toekomst vermoord, maar nu is heden. De jongen springt op een skateboard en zet koers richting einde straat. Ik ga terug naar binnen wegens buiten te somber. Het raam is hersteld, de werkmannen vertrokken. Factuur op tafel. Stilte.

Bluyke
0 0

#2

Er rollen bloeddruppels langs mijn blote schenen naar beneden. Sommige vallen op de grond, waar ze als inktspatten donkere vlekken maken. Ik ben al twee keer gevallen, maar je blijft gewoon doorlopen. Dat doe ik ook.We razen de bomen voorbij. Door hun besneeuwde toppen lijken ze slechts het zoveelste wit om ons heen. De koude lucht die ik inadem wentelt zich als een mist om mijn gedachten. Je lijkt ver weg, ook al loop je slechts een paar meter voor me uit. Ik kan nog net de topjes van je haar onderscheiden en hoe ze als een zijden sjaal achter je aan wapperen.In gedachten ben ik mijlenver. Teruggedwaald. Het bos uit. Ik ben terug bij het koele flesje van je parfum en hoe ik het in het achterste hoekje van mijn kast legde. Ik liet bewust het dopje ernaast liggen, hopend dat de geur stiekem mijn kleren zou doordringen. Je liet de naam van het parfum met opzet vallen, dat weet ik zeker. Het kwam eruit tussen twee verhalen door, wanneer je weet dat ik het aandachtigst ben.Gabriel waarschuwt me altijd voor je geniepige lachje. Hij beweert dat je grijnst wanneer ik weg kijk. Áls ik weg kijk. Nu lijkt dat moeilijk te geloven.Ik ben een hartenbreker. Mijn kort gesneden, donkere haar omhelst mijn gezicht met warrige krullen en ik heb ogen als de rivier Styx, die de onderwereld in stukken scheurt. Ten minste, zo stond te lezen in de recentste liefdesbrief.Onder mijn huid rust een woede. Ze trekt langzaam door mijn lichaam, slaat haar klauwen in de wand van mijn aders en baant zich zo langzaam een weg van boven naar beneden en ieder hoekje van mijn bestaan. Frustratie doet mijn handen gillen en mijn armen en mijn benen en soms mijn hele lichaam.Je voetstappen maken doffe geluiden in de sneeuw. Onregelmatig, zoals je eigen is. Ik probeer je ritme over te nemen, wil te graag met je verbonden zijn. Ik struikel en val.De bevroren aarde rukt de adem uit mijn lijf en een steen schraapt de huid van mijn handen. Mijn schreeuw racet tussen de bomen. Hij zoekt koortsig naar een pad naar de rand van het bos en weg weg weg. Hij wil mijn verloren gedachten terughalen.Om jouw pols zit een regenboogbandje. Je lacht met je tanden bloot en je hoofd naar achteren gesmeten. Wanneer jij lacht, lach ik ook. Dan tracht ik het rinkelen van je stem op te vangen, zodat ik het vanachter in mijn kast kan verstoppen. Naast de parfumfles.Nu lach je niet. Je rent alleen, hoewel mijn schreeuw je zonder twijfel bereikt heeft. Het doet pijn wanneer ik recht klauter. Het bloed rolt langs mijn arm naar mijn elleboog. In mijn ogen prikken tranen en ik heb het koud.Gabriel zegt dat je mijn ondergang wordt. Je sleurt me mee, beweert hij dan, steelt de adem van mijn lippen, zuigt het leven uit mijn longen.Van een kus kan ik enkel dromen. Met mijn hoofd onder mijn kussen denk ik aan jouw mond. Aan mijn mond. Aan jouw mond op mijn mond. Je lippen zijn gezwollen en gebarsten. De winterkou is gemeen tegen ze. Ze verft ze rood.Eindelijk hebben we het meer bereikt. De oppervlakte is volledig bevroren, net zoals de rest van het bos. Alles is nog steeds wit, behalve mijn bloed en mijn ogen en mijn woede. Je stopt nog steeds niet.Soms vraag je me op je te wachten na school. Dan duw je me met één hand tegen de harde bakstenen en leg je de andere net naast mijn hoofd. Je ademt zachtjes op mijn huid. In en uit en in en uit. Jouw briesje doet me duizelen, steeds opnieuw. Het doet me tuimelen en vallen en rennen. Rennen. Rennen. Steeds achter je aan.Je loopt op het ijs, giechelt wanneer je spontaan begint te glijden. Ik ben nog te ver weg om mee te genieten. Het bos zwijgt terwijl jij danst. Je doet pirouettes en pas de deuxs. Je gouden haar zweeft als een aureool om je hoofd terwijl je giert van het lachen. Het ijs kraakt. Het meer lacht ook.Ik ben nog steeds te ver weg, wanneer je gilt. Het donkere water trekt aan je ledematen, neemt je van me weg. Ook jij hebt het koud.Je verdwijnt onder het wateroppervlak met één laatste schreeuw. Ik zie hoe je regenboogbandje aan mijn zicht ontsnapt. Het ijs doet me wankelen, maar ik ben al veel gewoon. Ik spring in het water. Mijn gedachten zijn nog mijlenver weg. Het ijskoude water bijt en vecht. Het voelt alsof een hamer mijn vingers verbrijzelt en vuur mijn huid verschroeit. In mijn ogen vloeit de rivier Styx en ik vind je haren meteen. Ze zweven nog steeds rond je, verstoppen je blauwe gezicht.Ik stamp en stamp en voel hoe het meer mijn spieren verdoofd. Er is geen plaats meer voor frustratie en mijn woede is te moe. Ik grijp je pols en dan je arm en ik druk je lichaam tegen het mijne. Je hoofd leg ik op mijn borsten. Je haar strijkt langs mijn gezicht, maar ik voel het niet.Gabriel zegt altijd dat jij mijn ondergang wordt.Ik vecht een weg naar boven, naar het licht. Mijn longen schreeuwen om lucht. Het branden is gestopt. Ik zwem en ik zwem.In gedachten ben ik mijlenver. Teruggedwaald. Het bos uit.Gabriel waarschuwt me altijd voor je geniepige lachje. Hij beweert dat je grijnst wanneer ik weg kijk. Ik hoest en proest onder water. Ik duw je nog steeds tegen me aan. Eindelijk bereik ik het wateroppervlak. Mijn hoofd botst tegen iets hards. Het meer is terug dichtgevroren. 

Astrid
4 0

3. Huisnummer 2 - Familie Moes

Het raam wordt vervangen waardoor ik even geen functie heb in mijn eigen woning. Dat is op zich niet ongewoon, maar op die momenten zijn er doorgaans geen toeschouwers. Binnen zitten is niet langer een optie. De vaklui die zich over de taak ontfermen lijken me professioneel genoeg om er geen zootje van te maken.   Mijn straat doorwandelend spuit de regendrek met bakken uit de lucht. Recht op mijn nieuwe schoenen. Echt leder, duur, niet ingespoten en ik voel me vreselijk. Burgerlijke status: intriest. Was ik maar zoals de grote meesters: Strauss, Claus, de paus, Mickey Mouse. Hoewel ik over die laatste nog in dubio verkeer. Het internet meldt dat Disneyland de verantwoordelijkheid draagt voor één van de hoogste zelfmoordcijfers binnen het personeelsbestand. De triestigste blije plek om de hand aan jezelf te slaan.   Ik houd halt voor nummer 2 en inspecteer de inslag in het raam, van het konijn is geen spoor. Dit raam zal een poos niet gemaakt worden zo weet ik, er woont niemand. Ooit was het anders. Er woonde een meisje dat in Disneyland werkte alvorens zich van het leven te beroven. Ze was het enige kind in het gezin Moes, de familie die nummer twee bewoonde voor ze een half jaar geleden andere oorden opzocht. Zolang plaats van rouwproces aan symboliek en historiek is gerelateerd, blijven mensen verhuizen. De immobiliënsector laat weten niet tegen te zijn.   De dochter van het gezin heette Mieke. Mieke Moes. Niettegenstaande die naam werd ze binnen haar functie toch in een Goofy-pak gehesen. Dik tegen haar onderbetaalde goesting. Door de haar toebedeelde naam vereenzelvigde ze zichzelf een leven lang met Mickey Mouse en die gewoonte manifesteerde zich in haar hele doen en laten. De enige beweegreden om Disneyland als werkgever te kiezen lag in het werkelijk worden van het alom bekende muisfiguurtje.   Maar dat zag de personeelschef van het pretpark dus niet zo. Ook de talloze motivatiebrieven die ze aan de bedrijfsdirectie richtte, brachten geen zoden aan de dijk. De bonzen schaarden zich achter het hoofd van de dienst personeel. En dat was dat. Een echte reden is haar nooit meegedeeld. De enige boodschap die ze ontving was dat ze blij mocht zijn met haar rolbedeling. Anderen zouden staan springen om te doen wat zij deed! En als ze goed en hard bleef werken zou ze kans maken op promotie en de ladder opstijgen als een raket. Meer verantwoordelijkheid, autonomie, gezag.   Alsof dat het enige is wat van tel was in het leven van Mieke. Maar vanuit hun managementcursussen hadden ze natuurlijk allemaal geleerd dat het volk op de vloer enorm blij was als ze al eens een taakje bijkregen. Veelbelovend of niet, noodzakelijk of niet, interessant of niet. Dat maakt niet uit. Paaien die handel.   Wel, niet zo bij Mieke. Een droom aan diggelen zien vallen is nooit makkelijk, maar dit was geen droom meer. Ze was werkelijk niet meer wie ze haar inziens verondersteld was te zijn. Een enorme identiteitscrisis had zich meester over haar gemaakt en om dat euvel te overwinnen had Mieke niet de nodige mentale weerbaarheid. Angst voor het niet meer kunnen zijn had zich in haar ziel genesteld en met weerhaken vastgeketend. Het ging niet meer, ze kon niet verder. Geen enkel levensperspectief had ze nog. Hoezeer anderen haar van het tegendeel probeerden te overtuigen, het mocht niet baten.   Gesprongen voor een op hol geslagen mijnkarretje op de ‘Indiana Jones en the Temple of Peril’ - attractie kwam ze aan haar einde. De souvenir foto (gratis geschonken door Disneyland, bijbestellen in andere formaten kon altijd tegen een ‘milde prijs’) die nog steeds prijkt op de kast van de familie Moes toont het levenloze lichaam van Mieke. Gekneld tussen de nephouten onderkant van het karretje en de rails. Haar Goofy-pak is losgescheurd in het gelaat waardoor het lijkt of ze twee gigantische oren op haar hoofd heeft staan en in die zin kan je de verleiding haar als Mickey Mouse te erkennen niet weerstaan. Een schonere dood had men haar niet kunnen wensen.   De foto werd op doek geprint om, gedrapeerd over de doodskist, mee ter aarde te gaan. Mooie dienst. Niet de allermooiste, misschien zelfs niet in mijn top acht, maar toch. Verzorgd. Meer konden we voor haar niet meer doen.

Bluyke
26 0

2. Le Lapin

De gordijnen krakelieren open, het licht snijdt in mijn ogen. Wanneer mijn zicht volledig terug is, sla ik het opgezette konijn dat zich bevindt op de eettafel van huisnummer twee gade. Het kijkt me vervaarlijk recht in de ogen, alsof het ieder moment zijn slag gaat slaan. Me bespringen en de keel doorbijten. Wat kan ik doen in zo’n penibele situatie?Geen angst tonen, vooral geen angst tonen!Met een belachelijk ontspannen indruk begeef ik me richting keuken, daar kan hij me tenminste niet bespieden. Met kloppend hart haal ik opgelucht adem.Zover zijn we al geraakt. Wat nu? Na enig gepeins zie ik vanuit mijn linkerooghoek een fles tequila staan.Nemen man, gaan voor die fles. Niet omkijken, nu nog niet! De fles aait mijn lippen en begint zich te ledigen in de mondholte. Explosieve knallen botsen tegen slaap en oogkas. De fles knalt terug op het aanrecht, terwijl links van me een hand naar het sigarettenpakje dat de wandkast herbergt gritst. What the fuck! Mijn rechterhand neemt het keukenmes en ploft het met een smak in de hand die het sigarettenpakje vast heeft. Godverdomme! Mijn eigen hand …   Het bloed sijpelt als gek naar buiten uit de juliennegrootte wonde. Geleerd op kooklessen, lang geleden. Zo gaan we niet winnen. Herpakken en reorganiseren! De keukenhanddoek met geborduurde smiley lacht me toe. In ware paracommandostijl duik ik erop af, met koprol en al. Een stevige knoop en terug naar de realiteit!   Opeens klinkt uit het niets een oorverdovend belsignaal. De voordeur.Ze bellen aan de fucking voordeur! Met een sprong gooi ik me in de hoek van de keuken. Daar zijn ze. Als ik opendoe lullen ze zich binnen en nemen ze me te grazen. Mooi niet!  Behoedzaam zittend, met het hoofd tussen de knieën, wacht ik af. Als ze toch binnenkomen, doen alsof er niets aan de hand is. Hou je van den domme, ze merken het toch niet. Ze mollen je toch. Ten tweede en derde maal bonst de klepel tegen de bel. Steeds nog niet bewogen blijf ik alert.   Voetstappen weerklinken en verwijderen zich steeds verder. Dit is van mij. Mijn eigendom, van niemand anders. Alleen ik heb hier rechten!  De rest van de fles tequila baant zich een weg door mijn slokdarm. Half buiten zinnen begin ik te raken. Het zal godverdomme niet waar zijn dat meneer konijn denkt dat hij me in mijn eigen keuken gevangen houdt! Mijn eigendom, mijn beslissingen, mijn rechten.   Als ik het me goed herinner was ik in mijn studententijd een kei in wezenloos staren. Dit wedstrijdje kan ik heus wel de baas.  Laten we elkaar maar eens meten. Ergens ligt mijn zonnebril op sterkte, een troef in mijnen tweegen. Met zonnebril op vlieg ik van keuken naar woonkamer. De gordijn is getuige van mijn potsierlijke sprong want ik beland er middenin. Het neergehaalde gordijn drapeer ik gewaadgewijs rond mij.   Zozo, meneertje konijn! Nu is het tussen ons.Vals loenst mijn rechteroog gevaarlijk uitdagend naar mijn linker. Een geschenkje van de leeggemolken drankfles. Olé! Ziet ie toch niet. De zonnebril maskeert en blijkt nog maar eens een zeer verstandige zet te zijn in deze extreem tactische oorlogvoering. Ik sla het raam in met de lege fles die blijkbaar illegaal meegevlogen is.Mentale noot: een nieuw raam (laten) zetten. Frisse lucht staart beter. Tweede voordeel. Le Lapin gaat mogen oppassen! Hij heeft het zichzelf onnodig moeilijk gemaakt. Zie hem kijken met zijn geveinsde onschuldige blik. En ik: handen onder de kin, ellebogen steunend op de vensterbank. Een comfortabele positie waarin ik het nog uren kan uithouden. Om me wakker te houden tap ik met mijn voet tegen de chauffage onder het vensterraam. Het ding heeft geruime tijd geleden de geest gegeven, dus slechter gaat het er niet van worden.   Na drie uur staren blijkt het een taaiere klant dan verwacht. Het wordt tijd voor een offensief. Of een defensief. Maakt niet veel uit, als er maar iets gebeurd. In het wilde weg associeer ik met woorden die op mijn tegenstander rijmen. Te moeilijk. Het karabijn binnen handbereik heeft potentieel. Schouderen lukt zonder mijn ogen af te houden van het doel. Daar heb ik voldoende ervaring voor. Met het voorwaartse schot komt de achterwaartse terugslag die als een vuist tegen mijn voorhoofd slaat. Bewusteloos. De slaap kan ik wel gebruiken.

Bluyke
0 0

steamy windows

Karin was nerveus. Vanavond was het alles of niks. Ze dronk nog een keer van haar martini en probeerde niet te luisteren naar de regen die op het dak kletterde. Het zou gaan stormen. Het was haar derde vrijdagavond in De Uil, een nachtclub in het havengebied van de stad. Ze keek vluchtig haar papieren door, maar wist dat ze alles tot in de puntjes had geregeld. Ze kon alleen nog maar afwachten. Het was nu kwart over zeven, om negen uur gingen de deuren open. De band had net zijn soundcheck gedaan, alles was klaar. Ze besloot nog even bij de jongens langs te lopen om te kijken of alles in orde was. De drummer van de band was een oude bekende van haar, een vroegere minnaar. Het was omwille van hem dat ze zich nu in deze situatie bevond. Ze had hem een plezier willen doen, hij had haar verzekerd dat het goed zou zijn voor haar carrière. ‘The Windows’ – naar analogie met The Doors –, hadden in korte tijd naam gemaakt in Nederland. Ze speelden voor volle zalen. De vraag was of ze ook in België genoeg publiek zouden trekken. De vraag was of iemand in dit hondenweer buiten zou komen. Ze wandelde het kamertje binnen dat dienst deed als backstage ruimte. De zeven muzikanten zaten op elkaar gepakt, allemaal met een flesje bier in de hand. De sfeer was gemoedelijk. De drummer gaf haar een vette knipoog en trok haar zelfzeker naar zich toe. Ze viel op zijn schoot en rook zijn bieradem. “Het wordt een fantastische avond, Karin, je zal het zien.” Hm. Karin was er niet zo zeker van, maar glimlachte en knikte hem schaapachtig toe. Ze durfde hem niet toe te vertrouwen dat ze door dit optreden te boeken wel eens haar nieuwe baan zou kunnen verliezen. The Windows vroegen veel geld. Té veel. Dat had haar baas duidelijk laten verstaan. Zij had op hem ingepraat en gezegd dat het een gigantische publiekstrekker zou zijn. Het zou de investering waard zijn. Uiteindelijk gaf hij toe, maar met een blik die geen twijfel liet over haar toekomst in de club als de avond een fiasco werd. En nu hing er een storm boven de stad. Het regende al de hele dag gestaag. Karin was ’s middags nog naar het centrum gereden om boodschappen te doen. Snacks voor de band. De Uil was zo’n nachtclub met beperkte middelen en weinig personeel. Karin wist, toen ze de baan aannam, dat ze zelf veel van de nodige hand- en spandiensten zou moeten verrichten. Dat vond ze niet erg. Ze kwam uit het festivalcircuit, waar ze voor een kleine organisatie had gewerkt die circusartiesten programmeerde. Daar was het niet anders geweest. Boekingen, administratie, inkopen, vervoer, Karin had voor alles gezorgd. Na twee jaar was ze compleet uitgeput van al het rondrennen, dus toen ze hoorde van de baan als programmator bij De Uil, hoefde ze niet lang na te denken. De eerste twee vrijdagen waren vlot gelopen, ze had haar contacten gebruikt om achtereenvolgens een ska band uit Brussel en een lokale coverband te programmeren. De opkomst was goed geweest, haar baas tevreden. Maar met The Windows had ze een risico genomen. Ze verliet de backstage ruimte en liep naar de bar, op zoek naar haar baas. De barman informeerde haar dat die net vertrokken was. Hij moest nog iets regelen in de stad. Karen zuchtte en vroeg nog een martini. Met het glas in de linkerhand en bijtend op de nagels van de rechterhand, liep ze richting ingang. Ze opende de deur en zette zich op het bankje naast Walter, de uitsmijter. Ze mocht Walter wel.  “Wat en weer hè,” zei hij. “Hmm.” Ze tuitte haar lippen. “Sigaret?” Walter bood haar zijn pakje Chesterfields aan. Ze twijfelde even, maar bedacht dat het beter was dan nagelbijten. “Vooruit dan maar.” Walter wilde haar sigaret aansteken, maar dat lukte niet. Ze nam de aansteker van hem over en dook achter zijn brede rug om de vlam uit de wind te houden. Ze inhaleerde diep en keek mistroostig naar de regenvlagen, die alle kanten leken op te gaan. Ze zaten beschut onder een luifel maar voelden af en toe druppels opspatten die door de weerbarstige windvlagen voor hun voeten belandden. Ze ging terug naar binnen en nam de ruimte in zich op. Op het eerste zicht was de club een ongezellige, donkere zaal met een hoog plafond. Links een bar en een podium tegen de achterwand. Maar wanneer de lichten aangingen kreeg alles meteen een warme gloed. Karin kende deze plek al lang, ze kwam vroeger zelf regelmatig met vriendinnen naar De Uil voor een concert of gewoon voor de sfeer. Dat maakte het alleen maar leuker om nu hier te mogen werken, om deel uit te maken van de wereld achter de schermen van deze bijzondere plek. Ze keek op haar uurwerk, dat acht uur twintig aangaf. De lichten moesten al aan zijn! Ze haastte zich naar de bar, waar het bedieningspaneel voor de verlichting zich bevond en drukte de juiste knoppen in. Ze draaide zich om naar het podium en glimlachte tevreden. Maar waar bleef haar baas eigenlijk? Om half tien was er nog bijna niemand in de zaal. Karin begon zich nu werkelijk zorgen te maken. De band zou om tien uur beginnen te spelen. Wat moest ze doen? Het nog even uitstellen? Ze kon het niet met haar baas bespreken, want die was nog steeds niet terug en nam zijn telefoon niet op. Ze liep maar weer een keer naar de backstage en zette haar vrolijkste gezicht op. “Gaat het jongens? Zijn jullie er klaar voor?” “Zijn er al veel mensen?” “Euh… tja, valt wel mee.” “Niet dus,” zei de drummer, die haar duidelijk goed genoeg kende om te voelen dat ze loog. “Ach, dat komt goed, schat. We beginnen gewoon te spelen en voor je ’t weet ziet het hier zwart van de mensen!” Karin wist niet of ze boos moest zijn om die ‘schat’, of dankbaar dat hij haar goede moed wilde geven. De zanger hield haar een biertje voor, ze nam het dankbaar aan en gooide zich neer op de sofa. Na nog een biertje en nog steeds geen gehoor bij haar baas besloot Karin dat de band maar gewoon moest beginnen zoals gepland. Het was vijf voor tien, ze wenste de jongens succes en zei in gedachten een schietgebedje. In de zaal stonden inmiddels een paar groepjes mensen, verspreid over de gigantische ruimte. Ze haalde nog een martini, hoewel ze eigenlijk nuchter wilde blijven omdat ze technisch gezien aan het werk was. Maar ze wilde ook de angstgevoelens bedekken met een laagje alcohol. Ze hief haar glas naar de barman met een knipoog en draaide zich naar het podium toe, waar de bandleden zich inmiddels achter hun instrumenten aan het opstellen waren. “Welkom op deze stormachtige avond in De Uil,” klonk de zelfzekere stem van de zanger door de microfoon. “We gaan er een feest van maken. Al diegenen die thuisblijven omwille van een paar spatjes regen zijn dikke losers en missen de avond van hun leven, let op mijn woorden!” Terwijl het beperkte publiek uitbarstte in lachen en handgeklap, weergalmden de eerste noten van de basgitaar. Seconden later vulde de ruimte zich met opzwepende muziek en begon iedereen te dansen. Aan het einde van het eerste nummer zwaaide de deur open en kwamen er een tiental mensen binnen, verwaaid en druipnat. “Welkom!” riep de zanger. “Hop, niet getreurd over je natte broek, kom erbij, neem een drankje en geef je over aan de muziek!!!” Karin was blij dat de band het positief opvatte en zich niet liet neerhalen door de magere opkomst. Ze leken werkelijk te spelen alsof ze voor een zaal vol fans stonden. Tijdens de volgende nummers kwamen steeds meer mensen De Uil binnengedropen. Karin zag de ruimte gestaag maar zeker vol lopen met doorweekte mensen van alle leeftijden. Ze glimlachte bij zichzelf en bedacht dat de aanwezigen hoe dan ook niet gauw zouden vertrekken, om niet opnieuw de storm te moeten trotseren. De zaal vulde zich met een warme, vochtige geur. Iedereen danste. De band was geweldig. Karin had een pauze verwacht maar die kwam niet. The Windows leken helemaal in vervoering gebracht door de dansende massa, en vice versa. Tegen elf uur was De Uil omgetoverd in een hammam; de natte, zwetende lijven van het opeengepakte publiek dampten hun warmte uit, de ramen hoog in het plafond waren volledig beslagen. Karin had zich inmiddels losgerukt van  de bar en danste mee; de lichamen glibberden om haar heen. Ze voelde zich dronken en laafde zich aan de bastonen en de bezwerende energie die haar van onder tot boven als een slang deed kronkelen. Na een lange, lange massa-trance en talloze bisnummers hield de band op met spelen. Karin wist nauwelijks nog waar ze was. Ze hief haar hoofd naar het plafond om te kijken naar de dampkringen op de ramen en wreef een plakkerige lok uit haar gezicht. Iemand tikte haar op de schouder. Haar baas. “Karin, sorry, ik zat vast in de stad… Ik had panne met de auto en…  Ik wilde niet te voet door die regen komen… Maar hoe is het hier gegaan? Sorry dat ik er niet was…” Karin begon te lachen, ze kreeg plots een enorme lachkramp en kon niet ophouden met schudden. “Hahaha. Je zal het jezelf moeten vergeven dat je de beste avond in je eigen club hebt gemist. Jij en alle andere losers die niet nat wilden worden.” Zijn gezicht vertrok en zijn mond viel open. Het kon Karin niet schelen dat ze brutaal was geweest en misschien om dié reden nu ontslagen zou worden. Moest hij maar weten. Ze draaide hem de rug toe zonder een verder woord en stevende op de backstage af, vastbesloten om het feest in al zijn waanzinnige stormachtigheid verder te zetten.

LL Rigby
0 0

solitude standing

(naar Suzanne Vega)   Solitude staat bij het raam. Ze kijkt om wanneer ik de kamer binnenkom. Ik zie aan haar ogen dat ze op mij heeft gewacht in de schaduw van de late middagzon. Ze draait zich naar mij toe en biedt me haar hand. Ik kijk ernaar, een vlam flakkert in haar palm. Ze zegt “Ik ben gekomen om iets recht te zetten dat fout zat. Ik ben gekomen om dit donkere hart te verlichten.” Ik kijk naar haar en onze vorige ontmoeting komt me voor de geest.   Haar blik vroeg me wat er was. “Jij ziet mij, maar eigenlijk leef ik achter een muur van geblindeerd glas. Ik zie, en ik kijk, maar ik kan niet gezien worden.” “Het geblindeerde glas zit in je hoofd, het is een fantasie,” zei ze. “Nochtans is die fantasie levensecht. Wanneer ik merk dat iemand mij doorheen het donkere glas aankijkt, word ik bevangen door angst. Angst en paniek, die uiteindelijk plaats maken voor wantrouwen.” “Je gelooft dus liever in je eigen fantasie dan in de waarheid dat je kan gezien en geliefd worden?” “Hoe kan iemand nu houden van iets onzichtbaars?Ik respecteer enkel zij die mij niet zien, zij die mijn fantasie erkennen en vol geloofwaardigheid meespelen in mijn spel…De wederkerige liefde is als dusdanig niet aan mij besteed.” Ik draaide me naar haar toe om de veroordeling in haar ogen te zien. Op de plaats waar ze had gestaan flakkerde een vlam.   Solitude staat bij het raam en kijkt me aan. Zoals altijd ben ik uit mijn lood geslagen door haar donkere silhouet, haar trage koele blik en haar stilte. Ze neemt mijn pols en ik voel haar afdruk van angst. Weifelend volg ik haar tot bij het raam. Met haar andere hand houdt ze het gordijn opzij en ze toont me de massa daar beneden. Ze lijken naar ons te kijken en ik begin onwillekeurig te rillen. Solitude ziet mijn twijfel maar duwt me zachtjes tot tegen het glas. Ik zie de mensen en zie hoe ze zich warmen aan elkaar en aan het avonddonker. Plots weet ik dat ik graag bij hen was geweest, tussen hen. Ik zie hoe hun ogen zich versmelten tot één paar. Verward kijk ik om, op zoek naar de koele warmte van haar ogen. Wat ik zie is echter mijn eigen gezicht, verschrikt en bang. En alleen. Solitudes silhouet is nu een spiegel, voorzichtig kom ik wat dichterbij en neem hem in mijn handen. Ik kijk, langzaam en wantrouwig. Ik ben als een kat die zichzelf in de weerkaatsing van het raam ziet, en pas na lange tijd beseft dat het naar zichzelf aan het kijken is. Dat het zichzelf aan het aanvallen is. De warmte kruipt langzaam over mijn rug tot aan de haartjes in mijn nek. Het onverwachte gevoel doet me kronkelen en vanuit mijn ooghoek zie ik de gloed. Geschrokken laat ik de spiegel uit mijn handen vallen en draai ik me om, honderden scherven vliegen in het rond zonder een spoor na te laten van mijn spiegelbeeld van weleer. Vlammen likken aan het gordijn en werken zich naar boven toe. Doorheen de hittezindering komen de gezichten van de mensen tevoorschijn. Ze lachen me toe, ze wenken me. Terwijl het gordijn verder opbrandt, stap ik met een plots vertrouwen op het raam toe; terwijl de laatste vezels hun lot tegemoet gaan, open ik het raam. Honderden handen strekken zich naar mij uit. Ik spring en zeg in gedachten Solitude vaarwel.

LL Rigby
19 0

solitaire

De boer, de dame en de koning kijken me vragend aan. Zoals elke avond speel ik solitaire totdat ik mijn tijdrecord gebroken heb. Een bezigheid als een andere. Een uitdaging als een andere. Elke avond wanneer ik de overwinning op mezelf heb behaald voel ik echter geen voldoening. Ik wil dan eigenlijk het liefst weer opnieuw beginnen, om nog een betere tijd neer te zetten. Om nog beter de tijd voorbij te doen gaan. Maar deze avond stop ik middenin een spel, het digitale klokje rechtsonder op het scherm tikt onverbiddelijk door. Ik zit als versteend te kijken naar de kaarten, de drie paar ogen die links netjes onder elkaar gestapeld liggen. Wat? Ten langen leste draai ik me van het beeldscherm af en kijk verdoofd de kamer rond. Mooie kunstreproducties hangen aan de muur van mijn piekfijn ingericht éénkamerappartement. De beste plek op aarde, mijn huis, mijn thuis. De neplederen vintage bank staat eenzaam te lonken, de kast vol boeken en dvd’s lacht me uitnodigend toe. Toch slaag ik er niet in om mijn wezen in beweging te krijgen, het is alsof mijn geest gepauzeerd is door een onzichtbare hand. Die hand verlangt ernaar om terug te spoelen, op zoek naar de fout. Die hand is de mijne.   In mijn leven klopt alles: boeiende baan, uitgebreide vrienden- en kennissenkring, gerieflijk appartement, goede band met mijn familie. Met een ruk kijk ik terug naar het scherm waar de kaarten geduldig op me wachten. De ogen priemen zich in mijn ziel. Wat? De uren en uren en uren gedachteloze spelletjes patience van de laatste maanden komen me voor de geest. Ik ben al die tijd op zoek geweest naar het antwoord op een vraag die ik niet eens gesteld dacht te hebben. ‘Waar zit de fout?’   Zonder precies te begrijpen waarom begin ik te huilen. Het begint met droge hikkerige snikken die ongecontroleerd uit mijn middenrif naar boven worden gestuwd, maar al gauw gaat het over in een waterval met een soundtrack van hartverscheurende kreten. Ik huil de ziel uit mijn lijf, om wat ik niet begrijp, om wat ik desondanks toch begrijp. Mijn leven klopt niet, ondanks het feit dat het geweldig is. Meer dan. Maar het klopt niet. Het klopt niet. Even plots houdt het gesnik op en vormen mijn gedachten woorden die ik luidop voor mezelf herhaal en herhaal, als een mantra: ‘Het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, het klopt niet, …’        Geheel in lijn met mijn georganiseerde zelfstandige zelf besef ik dat ik iets moet doen. Ik moet iets doén! Maar wat? Het is zondagavond, 23u. Wat valt er te doen? Geheel in strijd met mijn georganiseerde, zelfstandige zelf graai ik naar mijn mobiele telefoon, zoek impulsief tussen de contacten en bel dan Gert op. De telefoon gaat over.        ‘Hallo?’ Als de telefoon nog een keer was overgegaan had ik hem hoogstwaarschijnlijk weer ingegooid, de toon als een echo in mijn ziel schreeuwend: ‘Wat doe je? Stel je niet aan! Je bent Maud, get a grip!’        ‘Hallo, Maud? Ben je daar?’        Ik schraap mijn keel, wil me er van af maken met een excuus, misschien kan ik doen of ik dronken ben, … Maar ik hoor mezelf met een piepstemmetje in de telefoon snikken: ‘Gert… het gaat niet. Ik heb hulp nodig.’   Hoe dat gesprek precies gelopen is herinner ik me achteraf nauwelijks. Ik weet alleen dat ik niet in mijn stoere pose ben teruggekrabbeld, dat ik aan de telefoon nog een keer heb zitten huilen als een kind. Dat Gert naar me luisterde zonder te weten wat er precies aan de hand was. Dat hij me resoluut aanmaande om de dag erna niet te gaan werken. Dat ik tegenpruttelde, maar rond ongeveer drie uur ’s nachts met wijdopen ogen in bed lag en besefte dat hij gelijk had. Ik kon inderdaad niet gaan werken. Het ging niet meer. De sluizen waren open en ik kreeg het water er niet meer terug ingeduwd.        Ook de weken en maanden erna zijn slechts een vage herinnering. Beelden van mijn verduisterde appartement, van pizza na pizza, film na film, van huilen en wanhoopskreten. Van telefoons en gesprekken met dokters en psychologen. Van meewarige blikken vol schijnbaar begrip. Van totale hopeloosheid. Van met de wang op de planken vloer en met de vinger cirkels tekenen in de stoflaag op de grond.        Langzaam kwamen er ook andere beelden bij, korte lichtflitsen als een onderdrukte glimlach die noodgedwongen in de linker- (of de rechter-)mondhoek omhoog krult. Een vensterbank met bloempotten, zaadjes die scheutjes werden die plantjes werden die kerstomaten, wortelen, sla en radijsjes werden, de kleine vreugde bij het zien van het groeiende leven. Een kamer in een huis vol licht, een rieten stoel die gemoedelijk kraakte terwijl ik heen en weer schuifelde, sprak en huilde. Een gevoel van opluchting wanneer ik na zes lange dagen en nachten weer die kamer in mocht, waar ondanks de strijd en de onwil vaak toch ontwapening plaatsvond, na de schok en het besef werkelijk gehoord te worden door de ander, door mezelf.   En dan, langzaam, de eerste stappen. Weg van het leven dat zo volmaakt was, maar nu eenmaal niet klopte. Onderweg naar het leven dat op me wachtte.  

LL Rigby
0 0

Elena (proloog)

Elena. Trojan Wars, elegant fonts. Everybody deserves an Elena. "For text that's meant to be read."However, I don't think Elena wants to be read. She's quick, elusive, ahead of herself. Sand slipping through fingers, time accelerating and disappearing into loopholes of lust and love. Better keep up with this one. The kind of girl that shows you the stars and breaks your heart. An astonishing beauty, a nimble mind. A girl to die for.Well, I wasn't going to die. And neither would she. Elena never dies. Elena is life – and life is what I wanted.Elena wasn't on top of her game when I met her. As if the diaphragm of her camera was on hold too long, giving way to the uncertainties wandering through her beautiful head. She's a photographer, likes to catch the instant – sacrificing the moment, to have a clearer view afterwards. That's the paradox. But she's good with words too, likes to write. One should never delete words. The more you delete, the clearer they're engraved in your heart. "You should move to the other side of the bar", I told her when we first met. She gave me a puzzled look, didn't know who I was. I took her in my arms and turned her around. Just as the fight kicked off. She understood now, walked along with me to the other end. Frightened but grateful, her brown eyes like a velvet veil, slightly touching the edges of my heart. "Thanks ..." she murmured. I looked into her eyes and smiled. Leaving her in the company of the well-dressed man she was with. Girls like Elena – they feel lonely, but they're never alone.

Guy Bourgeois
10 0

sara en de gans

Sara en haar broer Peter maken zich klaar voor een wandeling door het winterse Pajottenland. Moeder stuurt hen naar boer Haze om een gans op te halen voor het familiediner die avond. Alle nichtjes en neefjes zullen er zijn, kleine Sara kijkt al uit naar een avond vol verstoppertje, verkleedpartijtjes en leuke plagerijen van de grote neven. Moeder helpt haar bij het aantrekken van haar winterjasje en wollen muts. De wantjes die oma vorige kerst voor haar breidde, bengelen uit de mouwen van haar jasje. Sara kijkt verlangend naar het sneeuwlandschap buiten en wacht tot haar broer haar bij de hand neemt; dan gaan ze samen onder het afdak in de tuin de houten slee halen, daarop zullen ze de gans binden. Met een trotse blik op hun kindersmoeltjes slepen ze de slee achter zich aan richting boer Haze. In dit kleine dorp in het heuvelige Brabantse landschap staan de huizen allemaal ver uit elkaar, zodat het naar de dichtstbijzijnde buur wel een kwartier stappen is. Het vriest stukken van de bomen, Sara trekt gauw haar wantjes aan en vraagt aan broer of ze de slee ook eens mag trekken. “Ik heb een beter idee,” zegt Peter. “Ga jij maar achterop zitten, dan trek ik je verder.” Sara klampt zich goed vast aan de houten spalken van de slee en voelt kriebels in haar buik wanneer deze vaart begint te maken; Peter slooft zich uit, Sara geniet zoals alleen kleine kinderen dat kunnen. Rode wangetjes omlijnen haar stralende lach en de springerige krullen dansen onder haar muts in de wind. Peter wordt moe en vertraagt zijn pas. Sara klautert van de slee, gaat terug naast hem lopen en pakt zijn vrije hand. Zo lopen ze nog een tijdje hand in hand, tot ze in de verte het huis van boer Haze kunnen onderscheiden. Terwijl ze dichterbij komen, zien ze vrouw Haze op het pad verschijnen en hen toewuiven. Wanneer ze het huis bereiken, opent ze uitnodigend haar grote boerenarmen en neemt hen mee naar binnen, waar de kolenkachel kucht en rommelt. De warmte doet hun vingers tintelen, snel schuifelen ze dichterbij om zich helemaal warm te wrijven. Vrouw Haze schenkt hen allebei een hete kop chocolademelk. Ze slurpen hem langzaam leeg, tot hun magen een warmwaterblaas lijken. Ondertussen is boer Haze de gans gaan halen, hij roept de kinderen bij zich op het achterkoertje. De gans is een groot wit beest dat hopeloos gevangen zit in de greep van boer Haze. Het slaat als een wilde met zijn vleugels, maar de boer is sterk, hij houdt de gans moeiteloos met één hand in bedwang. “Geef me dat mes daar ‘ns, jongen,” zegt de boer tegen Peter. “En voorzichtig zijn hoor, neem het bij de houten greep en pas op voor je vingers. Ga jij maar wat achteruit staan, kleintje.” Sara deinst achteruit, onder de indruk van het grote mes. Ze kijkt als gehypnotiseerd naar het immense lemmet, zodat ze niet in de gaten heeft wat er gaat gebeuren. De boer neemt het mes over van broer, gebaart deze ook wat achteruit te stappen, en maakt plots een heftige beweging, het gaat zo snel dat Sara het niet goed gezien heeft. Maar het mes ziet nu rood, en de gans, die nog steeds met haar vleugels flappert, maakt een hels geluid. Het is alsof ze schreeuwt, en haar flapperbewegingen worden stuipen. Ze schudt en schokt, Sara vind het zo’n raar gezicht dat ze haar ogen niet kan afwenden. Dan ziet ze dat de boer zijn handen vrij heeft, de gans ligt op de grond. Ze schreeuwt niet meer, maar ze beweegt nog wel. “Zo, die is klaar voor de pot,” zegt de boer. Peter, die ziet dat Sara onbeweeglijk blijft staren naar het dier, fluistert zijn zusje in het oor: “De gans is dood, Saar. Laten we gaan.” Boer Haze neemt de gans bij de poten en bind ze op de slee. Hij geeft broer een schouderklop, Sara een kneep in de wang. “Groeten aan je moeder, hoor!” roept vrouw Haze nog na wanneer Sara en Peter op het pad verdwijnen. Op de weg naar huis zeggen Sara en haar broer geen van beiden een woord. Ze kijken wel af en toe om naar de slee, en naar de dode witte gans die een donkerrood spoor nalaat op de sneeuw.

LL Rigby
0 0

liefdesbrief

Mijn lief! Laten we vergeten, vergeten wat ons vertroebelde, wat de maatschappij deed bepalen wie we waren. Laat ons de buitenwereld laten voor wat ze is, een context in de marge, een bureau-accessoire. Laat het ons een mooi plaatsje geven, laat het ons gebruiken in zoverre het ons van belang is, verder niks. Laat ons een eigen wereld creëren, een parallel universum, waar alles van belang is en niets praktisch. Laat ons leven van de zinloosheid, de illusie. Laat ons samen poëzie maken, onthul de poëet in mij. Mijn lief, laten we ons beider zoektochten samensmelten, laat ons niet langer tegen windmolens vechten, noch tegen elkaar… laat ons samen ontdekken wat de liefde is, laat ons twee helften zijn van één schelp. Laat ons niet malen om overdreven sentimentaliteit, laat ons teren op ons gevoel, laten we samen beseffen dat niets anders van belang is. Laat ons op ontdekkingstocht gaan, laten we weggaan van hier, laten we de zuurstof inademen en elkaar bevruchten met onze adem. Laat ons elkaar ontleden, millimeter bij millimeter lezen, voelen, smaken. Laten we niet praten, laten we woorden ons niet langer belemmeren, laten we elkaar begrijpen zonder meer. Mijn lief, laten we stoppen met afwegen, met prioriteiten stellen, laten we loslaten en alles op ons af laten komen. Laten we naakt op het gras gaan liggen en ons verwonderen, verblijden, om de nabijheid van de aarde en van mekaar. Laten we lak hebben aan normen, aan eten, aan drinken, aan het draaien van de planeet. Laten we genoeg hebben aan mekaar. Laten we elkaar liefhebben, zoals nooit iemand liefgehad heeft.  

LL Rigby
0 0

Steeds roestrood jouw geschrift

Ik had gezien hoe Elise haar schoenen aantrok, zich in de ogen wreef, een rugzak pakte, haar mond bedekte, hoe zij door het park wandelde.   Ik hoorde ook geluiden, het geluid van de donsdenken bijvoorbeeld, wanneer Elise tegen mij aan lag, haar adem, haar lach, en haar stem, natuurlijk.   Ik wou iemand vertellen over het bestaan van Elise, over haar handen, haar bewegingen, wou de bewondering van een getuige, de bewondering van een luisteraar.   Ook al wist ik dat vanaf dat moment het kijken anders zou zijn.   Ik kende de buurt, waar ze heenging, ik kende het bankje, waar ze ging zitten, en ik wist, Elise zou kort halt houden, ze zou naar hem glimlachen, zou iets zeggen, stil. Ik weet aan welke zijde het gras groener is, ik weet, met wie jij op dat bankje vertoeft, ik weet het.   Ik schreef het met vulpen, in roestrood geschrift, ik verfrommelde het papier.   Elise sprak er regelmatig af, doch nooit bleef zij bij hem de nacht doorbrengen, steeds trok ze haar rugzak weer aan, ging meestal een stuk te voet, nam dan een taxi, om naar huis te rijden. Ik wachtte dikwijls, op het licht in de badkamer, hoe zij zich het gezicht wast, meende ik dan, hoe zij zich de handdoek tegen het gezicht drukt, eenmaal lang uitademt, vervolgens in de spiegel kijkt, even maar, voor zij het licht uitdoet.   Ik zag hoe het kijken veranderde.   We spraken regelmatiger af, ik vertelde, wist op welke momenten ik moest lachen, moest zwijgen, moest glimlachen. Staat je beeldig, die rugzak, zei hij op een keer, dat wrijven in je ogen doe je dat altijd, vroeg hij op een andere keer, zoals jij naar me kijkt, zei hij steeds opnieuw, soms lachte hij om mij. Hij keek, hoe ik mijn schoenen aantrok, door het park wandelde, wat een mooie vulpen, zei hij op nog een andere keer, steeds roestrood, jouw geschrift.   Het kijken was veranderd, het was een soort obsessie geworden, Elise stelde nu vragen, waar was je gisteren, bij wie was je gisteren, vroeg ze, en ze vroeg het lachend. Bij wie was je, vroeg ze nogmaals, en ik vernoemde zijn naam, keek haar aan, terwijl zij zijn naam herhaalde, keek haar aan, terwijl ik over hem sprak. Ik beeld mij in, dat jij nu hier zou zijn, verfrommelde het papier.   We zaten op het bankje, Elise aan zijn zijde, eerst spraken we niet, dan keken we elkaar aan, de rugzak wil ik terughebben, had ze gezegd, de wijze waarop ze het zegt, meende ik, hoe het klinkt, haar lachen, haar stem.   Ik wenste, dat ik wist, hoe groen het gras aan de overzijde is, wanneer je over mij spreekt, schreef ik, verfrommelde het papier.

Sascha Beernaert
0 0

koffie, fruit en bloemen

‘Bédankt voor die bloeeemen.’ Dat waren de enige woorden die paus Johannus Paulus II ooit tot ons, arme nederlandstaligen, richtte, en enkel tijdens de jaarlijkse urbi et orbipaasmededeling van het Vaticaan. Ik vraag me af of Billy zich nog herinnert hoe we daar elk jaar met de familie Karsten een groot feest rond bouwden. Mijn vrouw Ingrid en ik nodigden dan mijn broer Jos en zus Connie uit, en dan zaten we samen uren voor de tv, te wachten tot het nieuwsbericht zou verschijnen waarin de heuglijke woorden weergalmden, om die dan in koor mee te brullen. Ingrid glimlachte stilletjes op de achtergrond, zij was niet van het uitbundige soort, maar beleefde er op haar manier ook plezier aan. Vervolgens gingen we de andere zenders af, op zoek naar hetzelfde nieuwsitem, en zo kon het een hele avond doorgaan, tot we alle nieuwsuitzendingen en herhalingen van nieuwsuitzendingen hadden gezien en tientallen maal het lof van de bloeeeemen hadden gezongen. Op die avonden vloeiden er ook ettelijke liters alcohol uiteraard, allemaal in naam van de godsdienst. Nee, Billietje zou het zich vast niet meer herinneren, hij was amper twee of drie toen de paus kwam te overlijden en de strakkere Benedictus in de plaats kwam, snel gevolgd door Franciscus. Hoewel beiden plichtbewust bedankten voor de bloemen, was het niet meer hetzelfde. Billy begrijpt waarschijnlijk niet waarom de Karstens zo nodig elk jaar rond Pasen moeten samenkomen rond de tv met een lading drank en, bij wijze van voortzetting van de olijke familietraditie, een hele avond de volledige reeks van Fawlty Towers (the next best thing) zitten kijken en luidkeels ‘Ai noow naaathing’ meebrullen met Manuel from Barcelona. Anderzijds vraag ik me af of Billy eigenlijk wel iets merkt van het rumoer en het gelach, hij leeft sowieso het grootste deel van de tijd in zijn eigen wereldje. Hij is inmiddels negen en zijn leeftijd ver vooruit. Althans dat zeggen de psychologen die hem hebben onderzocht, nadat de lerares van het eerste leerjaar na enkele maanden vermoedde dat er iets bijzonders met hem aan de hand was. Of dat ‘bijzonders’ positief of negatief was durfde ze niet te zeggen. Daarom achtte de schooldirectie het raadzaam om Billy even te laten testen. Je denkt natuurlijk meteen het ergste op zo’n moment, maar als ouder wil je het beste voor je kind dus je laat hem testen. Bleek dat hij een IQ van 165 had maar dat hij ook in de categorie ‘autistisch’ werd onderverdeeld. Niet zozeer omdat hij aan de criteria voldeed, wel omdat zijn IQ zo hoog was en omdat er verder geen land met hem te bezeilen viel. Tijdens de vragenrondes kregen de hooggeschoolde dokters en psychologen geen zinnig woord uit hem. Het enige waar hij over sprak waren sinaasappels en alles wat er ook maar in de verste verte mee te maken heeft. De kleur oranje, andere citrusvruchten, sinterklaas, Spanje, ronde voorwerpen van allerlei aard, en zo verder. Of ik zijn obsessie voor sinaasappels al eerder had opgemerkt? Ik dacht dat ze me voor het lapje hielden. Ik had Billy nooit een woord horen spreken over sinaasappels of ronde voorwerpen. En in sinterklaas was hij allerminst geïnteresseerd. Op basis van mijn reactie konden ze natuurlijk geen stap verder met hun hypotheses en theorieën, dus hebben ze in het uiteindelijke dossier maar de diagnose ‘waarschijnlijk lijdend aan een bijzondere vorm van autisme’ gezet. Maar vanwege zijn hoge IQ vond de school het wel goed dat hijvoorlopig de gewone lessen bleef volgen, om te zien hoe het liep. Mooi was dat. Toen ik Billy enkele dagen later terloops zei dat ik niet wist dat hij sinaasappels zo leuk vond, keek hij me aan met een lege blik. Hij hoorde het in Keulen donderen. Wil je dat ik sinaasappels voor je koop? Ik had eigenlijk nooit sinaasappels in huis omdat ik er zelf een hekel aan heb. Billy keek me strak aan en schudde langzaam van nee. Billy is inderdaad een beetje vreemd. Als ouder hoor je van je eigen kind te vinden dat hij god is of zo, of alleszins het meest fantastische kind op de planeet. Nu, ik kan je wel vertellen dat er gezelliger kinderen zijn dan Billy, samen spelletjes spelen heeft hij nooit leuk gevonden en hij zegt niet bijster veel. Maar soms, soms kan hij me zulke blikken toewerpen of plots mijn hand vastnemen en die secondenlang vasthouden, dat ik er koude rillingen van krijg. Maar dan in een warme zin, zeg maar. Eigenlijk krijg ik dan het gevoel alsof híj míj liefde geeft. Alsof hij een oude wijze man is. Hoe het ook zij, Billy is mijn zoon en ik hou van hem in al zijn uniekheid. Daarom jeukte het me wel erg toen die toestanden in de school hem plots veranderden in een soort freak, een mankement, alweer een misfit die niet in de samenleving zou kunnen meedraaien. Ik weiger hem zo te zien, al moet ik wel bekennen dat ik hem sindsdien nauwlettender in de gaten ben gaan houden. Inmiddels weet ik dat hij ’s ochtends bij het ontbijt het meest spraakzaam is. Dan praat hij soms ook over mama. De mama die hij eigenlijk nauwelijks heeft gekend. Hij was drieënhalf toen Ingrid stierf. Ze was plots ziek geworden en is nog plotser gestorven. Ik kan mij amper voorstellen dat Billy’s herinnering aan haar erg sterk is, toch lijkt het of ze gisteren nog bij ons aan de ontbijttafel  koffie zat te drinken, zoals Billy over haar praat. ‘Het is grappig hoe mama altijd uit die ene kop met Mickey Mouse koffie drinkt, en uit die met Donald Duck alleen maar thee. Jij haalt ze altijd door elkaar, hè papa?’ ‘Wil je niet bij ons komen zitten, jongen?’ vraag ik na twee afleveringen Fawlty Towers, wanneer we een gezamenlijke plas- en benenstrekpauze houden. Billy kijkt me een beetje schaapachtig aan en haalt zijn schouders op. Ik zie Connie naar de keuken lopen, vermoedelijk om nog meer witte wijn te halen en zeg tegen Billy: ‘Dan mag je vast wel een slokje wijn proeven van tante Connie.’ En ik geef hem een vette knipoog, maar Billy zit alweer met zijn hoofd over zijn boek gebogen. ‘Wat schrijf je? Huiswerk?’ Zonder opkijken schudt Billy van nee. Ik werp een blik over zijn schouders en zie Billy in sierlijke krullen met een groene viltstift zijn schrift volpennen met de drie woorden waar hij het meest van houdt: Billy, mama, papa. Van rechts naar links. Billy is linkshandig en vindt het – tot groot ongenoegen en frustratie van zijn lerares op school – handiger om van rechts naar links te schrijven, in spiegelbeeld dus. Zo veegt zijn hand niet over de inkt. Tja. Ijzersterke logica, als je het mij vraagt. Voor zijn schooltaken schrijft hij netjes van links naar rechts, maar zodra hij de kans ziet doet hij het omgekeerd. Van mij mag het best. Jos heeft Fawlty Towers weer aangezet en roept me om mee verder te kijken. ‘De aflevering waar Fawlty zijn nazi-loopje doet komt eraan, die mag je niet missen!’ roept hij me enthousiast toe. ‘Kom je echt niet meekijken, Billyboy?’ Hij houdt van die naam, zo noemde zijn mama hem altijd. Hij draait zich naar me toe met een grote grijns.’ Hij staat op en zet zich stilletjes op het tapijt naast tante Connie, werpt een blik op haar glas wijn en zegt in alle ernst: ‘Papa, ik zou liever een glas sinaasappelsap willen.’ Een zekere ochtend tijdens het ontbijt staat Billy plots op, alsof hij zich net iets bedenkt, iets belangrijks dat hij vergeten is. Hij staat een aantal seconden bewegingsloos voor het aanrecht. Ik kijk naar hem, observeer hem. Met gecontroleerde bewegingen komt hij terug naar de tafel, tilt zijn stoel op en sjouwt hem tot bij het aanrecht. Beheerst kruipt hij op de stoel, opent de kast en kijkt erin. ‘Wat zoek je?’ vraag ik, maar ik weet al dat ik geen antwoord zal krijgen. Vanochtend is hij opvallend stil. Niet stiller dan meestal, wel stiller dan gewoonlijk bij het ontbijt. Hij schuift wat glazen en tassen opzij en neemt dan iets achteraan uit de kast. Als hij de kastdeur weer sluit zie ik hem staan, roerloos op zijn stoel in het midden van de keuken, met zijn beide kleine handjes om de grote Mickey Mouse kop van mama. Iets binnenin mij verslikt zich, maar ik blijf onbeweeglijk naar hem zitten staren. Benieuwd naar wat hij nu gaat doen. Of zeggen. Voor wat een eeuwigheid lijkt, staat hij daar in de ogen van Mickey Mouse te kijken en te glimlachen. Dan komt hij uit zijn trance, klimt van de stoel, zet de kop op het aanrecht, heult zijn stoel weer naar de tafel en gaat de kop halen. Die hij triomfantelijk voor mijn neus zet. Ik kijk hem vragend aan en hij beantwoordt met één van zijn wijze, alwetende blikken, neemt de kop en zet hem naast zijn bord met de halfopgegeten boterham neer. En dan eet hij verder zijn boterham op met alle sereniteit van de wereld. Nadat we allebei nog twee boterhammen op hebben – Billy is een stevige eter, net als ik – vraag ik hem wat hij wil drinken vandaag: melk of chocolademelk? Hij kijkt me aan alsof ik het achterlijkste wezen van de hele wereld ben en zegt doodleuk, met de woorden van zijn mama: ‘Dommerd, je onthoudt het nooit hè, in de Míckey kop hoort koffie!’

LL Rigby
0 0

het diner

“Vroeger was hier een bar”, zegt de oude man, terwijl hij met zijn armen een gebaar maakt dat de ruimte in zijn geheel moet aanduiden. “Alles was eigenlijk precies hetzelfde, behalve het plafond. Er hing hier toen, dwars over de ruimte, een grote metalen steunbalk, die zo laag hing dat we er regelmatig ons hoofd aan stootten.” Hij grinnikt en verstilt dan plots. Misschien denkt hij aan het feit dat hij toen nog zijn hoofd kon stoten omdat hij toen nog niet aan zijn rolstoel gekluisterd was. De anderen merken zijn stilte niet op, glimlachen hem vriendelijk toe, zoals jonge mensen dat meestal doen wanneer ze verhalen aanhoren van oude mensen. “Hoe lang was dat geleden dan?”, vraagt het meisje beleefd, een oprechte interesse doeltreffend veinzend. Ze is van het lieve, zachtmoedige type, dat nooit de aandacht op zichzelf zal vestigen als dat niet nodig is. De andere twee, de jonge vrouw en de jongen met roodgelakte nagels, luisteren schijnbaar naar het antwoord, maar zitten al lang met hun gedachten bij iets anders. Bij zichzelf. Het eten wordt opgediend, iedereen behalve de oude man is dankbaar voor de afleiding. Ze bekijken hun borden goedkeurend, zeggen elkaar vrolijk “Eet smakelijk” en beginnen te eten. De oude man neemt zijn bestek in de handen, maar gaat verder met zijn verhaal. Het eten schijnt hem niet te interesseren, behalve dan als motief voor deze avond, dit samenzijn. “Mag ik nog een beetje?”, vraagt de jonge vrouw terwijl ze haar lege glas heft naar de oude man, die zichzelf als bewaker van de kruik witte wijn heeft opgeworpen. “Jazeker! Wie wil nog?” En hij bedient  iedereen vervolgens een scheut wijn van ongeveer twee vingers en vult zijn eigen glas tot de rand vol. Wanneer de oude man eindelijk op zijn eten aanvalt, kijkt de jonge vrouw een beetje beteuterd naar haar glas en neemt een slok wijn. Het meisje glimlacht haar van over de tafel onschuldig toe. De jonge vrouw beantwoordt haar blik met een frons en een schuine blik op het amper gevulde glas. Samenzweerderig knikt ze in de richting van de oude man en draait daarbij met haar ogen. Het meisje reageert echter niet beamend maar met opgetrokken wenkbrauwen en een blik van verrassing. De jonge vrouw leest een vorm van veroordeling in die ogen, die het meisje nooit bedoeld heeft, maar die zij zich wegens haar grote onzekerheid inbeeldt. Een tijdlang eten ze gevieren in verder in stilte. “En, smaakt de zalm?”, vraagt de jonge vrouw dan aan de jonge man links van haar. Ze lijkt vastberaden de avond luchtig te laten verlopen, en ontwijkt voor even de blikken van de oude man, die elk contact aangrijpt om een nieuw verhaal te beginnen, en die van het jonge meisje, die haar onzeker maken. De jonge man gaat met haar een gesprek aan over het eten van vlees en vis. Hij bekent dat hij misschien na dit bord nog een portie wil bestellen. De jonge vrouw bedenkt dat hij ondanks zijn vrouwelijke aanleg en ambities een grote eetlust heeft, maar ze zegt het niet. Ondertussen is aan de overkant van de tafel, tussen de oude man en het meisje, een gesprek ontstaan over de vrouwen en de kinderen aan de enige andere bezette tafel in het restaurant. Ze vragen zich af wie nou familie is van wie.  Ze vergelijken gezichtskenmerken en kledij. “Die vrouw met het rode haar moét wel de moeder zijn van die donkere meid, ze dragen hetzelfde jack!”, zegt de oude man vol overtuiging tegen het meisje. “Hm-mm,” beaamt het meisje inschikkelijk. “Waar slaat dat nou weer op?” komt de jonge vrouw tussenbeide, meteen haar impulsiviteit verwensend. Het gesprek interesseert haar voor geen meter, en met dit soort uitspraken jaagt ze de ouwe maar op stang. Ze beseft dat ze maar beter kan afmaken wat ze begonnen is en argumenteert “dat ze hetzelfde jack dragen is toch geen bewijs van hun familieband, integendeel! Ik zou nooit hetzelfde kledingsstuk als mijn moeder dragen, hoor. Jij wel?” vraagt ze aan het meisje, hopend haar te betrekken in haar argument zodat het gesprek weer zonder haar verder kan.  Echter, vóór het meisje kan antwoorden, komt de oude man met zijn repliek. “Dat zegt dan veel over jouw verhouding met je moeder…” “Ach, hier in het zuiden gaat dat vast allemaal anders,” komt de jonge man tussenbeide. Het meisje en de jonge vrouw kijken hem dankbaar aan. “Toch ben ik er zeker van dat dat moeder en dochter zijn, hoor,” gaat de oude ongestoord verder. Hij stoot het meisje aan en begint weinig subtiel in de richting van de tafel met de vrouwen te wijzen. “Je ziet het ook aan de neus, he!” “Ja, ze hebben wel een zelfde soort neus, dat is waar,” antwoordt het meisje met een gedweeë glimlach. De serveuse komt de borden afruimen en vraagt of iemand zin heeft in dessert. Er is vanilleijs en chocoladepudding. Iedereen bestelt chocoladepudding, behalve de jonge vrouw, die haar neus ophaalt. Voor het dessert of voor het compleet ongemakkelijke samenzijn, ze weet het zelf niet. Ze vraagt zich af of de anderen ook hopen dat het snel afgelopen mag zijn. Terwijl ze toekijkt wanneer ze hun toetjes met schijnbaar overdreven enthousiasme ontvangen en beginnen op te lepelen, vraagt ze zich ook af waarom ze zich zo ongemakkelijk voelt. Met al deze mensen heeft ze stuk voor stuk een fijne band, het zijn fijne mensen. Toch mist ze een zekere diepgang, ze mist wezenlijke aansluiting. En ze praat gewoonlijk met elk van hun over zo totaal uiteenlopende dingen, dat ze met deze groepsformatie niet veel aan kan. De jonge man stelt voor om samen een sigaretje te gaan roken. Dankbaar gaat ze op het voorstel in. “Wat een heerlijke avond, vind je niet?” vraagt hij aan de jonge vrouw, die bezig is haar sigaretje te draaien. “Mjaa,” antwoordt ze zonder overtuiging. “Ik bedoel, het is best bijzonder dat we allemaal op deze plek zijn, dat we dit samen beleven.” De jonge vrouw zegt niets en denkt hier even over na. Uiteindelijk zegt ze voorzichtig “maar denk je niet, dat als we op een andere plek zouden zijn, we elkaar nooit zouden ontmoeten, of als we elkaar zouden ontmoeten, we elkaar niks te vertellen hadden?” “Mja, mogelijk. We hebben elkaar nu ook niet zo veel te vertellen, valt me op. Maar toch delen we iets.” “Wat dan?” “Nou, wat ik zei, deze plek. Het feit dat we, toevallig of niet, allemaal hier op deze ene kleine plek op de wereld zijn beland. En dat we er allemaal heel erg van houden.” De jonge vrouw neemt nog een haal van haar sigaret en begint te glimlachen, wanneer ze beseft dat hij gelijk heeft. Verdomde wijsneus! Ze gaan weer naar binnen, de jonge vrouw ziet de scène plots met andere ogen. Ze aanschouwt het kneuterige decor, de aanwezige mensen, haar tafelgezelschap,nog steeds met de glimlach op het gezicht. Ze graait over de tafel naar de nog halfvolle karaf wijn en schenkt ieders glas flink vol. “Een toast!” zegt ze triomfantelijk. “Op het samenzijn!”

LL Rigby
11 0