Zoeken

heiland

Samir kijkt een beetje mistroostig naar de dorre bladeren op het grasveld voor hem. In de uren die hij op dit bankje zit kwamen verschillende mensen voorbijgewandeld op het pad terwijl ze hun best deden hem niet te zien. Hij is totaal verkleumd maar ziet geen andere mogelijkheid dan het gewoon uit te zitten. Het wordt gauw donker, dan kan hij het kleine huisje in. Eten moet morgen dan maar weer. Vanmiddag heeft hij wat broodkruimels van een voederplank voor vogels gestolen. Hij begrijpt niet precies waarvoor het huisje dient, er staat een ezel in en poppen van een man, een vrouw en een baby. Hij heeft een vaag vermoeden dat die baby Jezus moet voorstellen maar weet verder niks van de christelijke godsdienst af.   ‘Van godsdienst krijg je hoofdpijn, jongen’, zei zijn vader altijd. Zijn vader was een uitermate rationeel wezen die tot aan het einde van zijn leven probeerde het discours van religieuze leiders op logica te betrappen, in de hoop zijn eigen cynisme te kunnen ontkrachten, tevergeefs. Hij had Samir de indruk meegegeven dat imams, priesters, goeroes en hun aanhang bovenal lachwekkende wezens waren en niet bijster intelligent. Lang had Samir zich hier geen vragen bij gesteld en zich ver van eender welke religieuze praktijk af gehouden. Op school beet hij zich vast in wetenschappen en Frans, zaken met een zekere logica en een duidelijk nut. Maar in zijn zesentwintigste levensjaar hadden zich twee ingrijpende gebeurtenissen voorgedaan, die hem evenwel niet tot de religie hadden doen keren, maar die hem voor het eerst met vragen hadden geconfronteerd waarop de antwoorden veelal in spirituele sferen worden gezocht. Zijn vader was ziek geworden vanuit het niets en was nauwelijks twee maanden later overleden. Als om te zeggen dat het leven toch maar door moest gaan ontmoette hij uitgerekend in het ziekenhuis zijn eerste liefde, Reda. Een zeer religieuze moslima.   Hij schudt de gedachten aan de hopeloze strijd met zichzelf en Reda van zich af, wanneer een stem hem doet opschrikken. Een vrouw van middelbare leeftijd staat voor hem en kijkt hem met een brede glimlach meewarig aan. In gebrekkig Frans vraagt ze of hij honger heeft, of hij al gegeten heeft vandaag. Hij aanvaardt met een glimlach het aanbod om bij haar mee aan tafel te schuiven. Hij vindt het niet vanzelfsprekend maar is inmiddels gewend aan dit soort uitingen van medeleven. De meeste mensen lopen hem voorbij zonder groeten, omdat ze niet weten hoe ze zich een houding moeten geven ten overstaan van zijn complete uitzichtloosheid. Anderen weten dat ze zijn leven niet wezenlijk kunnen veranderen maar kunnen hun eigen onbestemde schuldgevoel niet ontlopen en bieden hem eten aan. Of thee. Of een paar handschoenen. Een winterjas. Een hengel. Voor dat laatste had hij vriendelijk bedankt, de man in kwestie reddeloos achterlatend, beroofd van zijn goede intentie.   Gek is het dat je een geur nauwelijks in woorden kan beschrijven en dat je je hem toch voor de geest kan halen. Samir snuift in gedachten de warme geuren van zijn thuisland op en weet dat niets ooit beter zal ruiken dan die mengeling van droge aarde, vee, pruttelende stoofpotjes en een licht zure lucht. Hij zit weer op het bankje, met in de diepe zak van zijn jas een in aluminiumfolie gewikkeld pakket met etensresten. De komende 24 uur kan hij weer moeiteloos doorstaan. De duisternis is inmiddels ingevallen. Hij staat op en loopt op het sfeervol verlichte huisje toe. Hij nestelt zich op de strobalen naast de ezel.   In het kamp had hij een minder comfortabele slaapplek gehad. Stukken karton op de modderige grond, onder een gespannen zeil. Desondanks was hij er maanden gebleven. Hij wist anders ook niet waarheen. Naar Engeland oversteken, zoals de meeste van de anderen van plan waren, zag hij niet zitten. Niet in het minst omdat de overtocht niet zonder risico was. Hij was niet zo ver gekomen om in het ijskoude Kanaal te verdrinken of te stikken in de laadcabine van een vrachtwagen. Bovendien sprak hij nauwelijks Engels. Hij hoopte een kans te krijgen op onderdak en een baan in Frankrijk of België, hoewel hij geen idee had van wat voor werk hij wilde of kon doen. Hij sprak regelmatig met de hulpverleners die het kamp aandeden maar die gingen daar niet over, zeiden ze. Ze brachten enkel spullen en voedsel. Eén knul had wel aangeboden hem een lift te geven naar Parijs, als hij daar zijn kans wilde wagen. Maar dan moest hij het daar verder wel zelf uitzoeken. Samir twijfelde. Een grote stad als Parijs boezemde hem angst in. Hij kwam uit het rurale Hari Rud en was zelfs nooit in Kabul geweest. Zijn twijfel loste zichzelf op toen op een dag een lading Syriërs in het kamp toestroomden. Drie kerels namen beslag op Samirs slaapplek. Hij wilde geen problemen veroorzaken en kroop die avond in een hoekje van de geïmproviseerde tent en sliep op de vochtige grond zonder een woord van protest. Het protest kwam echter van de mannen toen ze bij het ochtendgebed merkten dat hij niet meedeed. Er ontstond een heftige discussie, ze scholden Samir uit voor ongelovige en verrader. Voordat de boel kon escaleren griste Samir naar zijn bundeltje (een trui, een jas, een boek) en liep naar de rand van het kamp, in de hoop daar de knul tegen het lijf te lopen die hem een lift naar Parijs had geboden. Het liep anders en hij kwam terecht in de Westhoek. Onderweg had hij niet de moeite genomen erachter te komen waar ze heen reden. De chauffeur, een andere hulpverlener, had aangeboden hem mee naar huis te nemen voor een maaltijd en een warme douche. Daarna moest hij het zelf uitzoeken. Terug naar het kamp of de wijde wereld in, op hoop van zege. Hij was die middag beginnen wandelen, over kleine paadjes, door de velden, langs de uitgestrekte landschappen die totaal verschilden van die van thuis maar die hem op een vreemde manier toch vertrouwd voorkwamen. Het huisje met de ezel en de aangeboden hulp van toevallige voorbijgangers hadden hem doen besluiten om te blijven waar hij was en te zien wat er zou gebeuren. Eigenlijk wist hij niet eens concreet wat hij verlangde. Een nieuw leven. Een eerste leven.   Hij was tijdens zijn studies gevlucht, op aanraden van een vriend, die hem bezwoer dat in Europa geld te verdienen was, dat de toekomst er nog bestond. Hij begreep Samirs twijfel niet, zijn hardnekkige wens om zijn studies af te maken. Waartoe? Je diploma wordt straks aan flarden geschoten. Als ze je niet eerst inlijven voor de jihad of de volgende strijd in naam van de godsdienst. Zijn vriend was wel religieus, maar niet naïef. Hij wist ook dat die hele godsdienstoorlog waarvan het Midden-Oosten in de ban was niets met Allah te maken had. Heb je naasten lief, wees goed voor elkaar. Dat predikt de imam toch? Nu, ik zeg: laten we dat in Europa doen. Komop. Samir had uiteindelijk toegezegd omdat de twijfel hem tot inertie deed verstarren. En omdat Reda en haar ‘hoezo jij bidt niet tot Allah? dan moet je ook niet verwachten mijn huis en hart te kunnen toebehoren’ hem tot wanhoop dreven.   Ironisch genoeg zit hij elke avond intens naar het kind in de kribbe te kijken. De vrouw die vandaag voor hem heeft gekookt vertelde hem het verhaal van de geboorte van Jezus. Van een man en een vrouw op zoek naar een onderkomen, op zoek naar een helpende hand van wie dan ook. Ze eindigen in een stal en brengen daar één van de belangrijkste figuren uit de geschiedenis ter wereld. Samir grinnikt. Als Jezus vanuit een armoedige stal kon opklimmen tot een bezield persoon, een leider, een redder, dan hij ook. Hij zal zichzelf bezielen, leiden, redden en met verve zijn nieuwe leven uitbouwen. Bij voorkeur eentje zonder religie! Hij schaart zich dichter tegen de ezel aan die zijn lichaamswarmte met hem deelt en valt met een glimlach in slaap.  

LL Rigby
0 0

groen

Ans zoekt de plek met de naam van een vogel. Zwaluw? Flamingo? Kolibrie? Ja, dat was het, kolibrie, of iets wat er op leek. Ze scant de gevels van de huizen, op zoek naar het uithangbord dat verlichting brengt. Ze loopt de straat twee keer op en neer, geen kolibrie te vinden. Aarzelend stapt ze op een oude man toe en vraagt hem of hij weet waar kolibrie is. Tevergeefs. Hij antwoordt met een schouderophalen. Tja, dat was misschien ook niet de beste persoon om het aan te vragen. Aan de overkant van de straat ziet ze een vrouw van haar leeftijd. Ans steekt de straat over en stelt vol goede moed dezelfde vraag. Kolibrie? De vrouw fronst de wenkbrauwen, maar dan gaat haar een licht op. Oh je bedoelt Calibri, die met die pruiken en zo! Ja hoor, die is daar net om de hoek. Ans bedankt haar en stapt op de aangewezen hoek af. Ach, daar is het! Ze ziet inderdaad een etalage vol kunstobjecten die worden opgeleukt door mannequinhoofden met de meest exuberante pruiken. Origineel, denkt Ans. Ze belt aan en onderdrukt de vlinders die komen opzetten in haar buik. Ze ademt werktuiglijk in en uit. Bij de derde uitademing staat ze oog in oog met een man van rond de vijftig, met lang haar, een verschoten hawaïhemd en een gescheurde jeans. Hij heeft een snorretje van het type flower power. Als ze durfde zou ze met haar ogen draaien, de man is een wandelend cliché. Ze schudt hem beleefd de hand en bedenkt gelijktijdig dat ze eigenlijk niet in de positie is om iemand op zijn uiterlijk te beoordelen. Stel dat ze dat straks met haar zullen doen. Ze loopt de gang in, de man achterna, en hangt haar jas aan het aangewezen haakje. Het zweet breekt haar plots uit. Moet ik dit wel doen? Het was een weddenschap met haar beste vriendin. Nu ja, eerder een soort van uitdaging, die ze durfden aangaan omwille van elkaar. Ze hadden allebei lang de heimelijke wens gekoesterd om dit een keer te doen. Toen ze ontdekten dat ze beiden hetzelfde verlangen deelden, sloten ze een pact en besloten tot actie over te gaan. Ans vond het allemaal best spannend en liet zich meedrijven op de golf van gedeelde anticipatie. Maar nu is het eerst haar beurt, Nina zou volgende week gaan. Van de leuke spanning blijft weinig over, ze is enkel nog bloednerveus. Waarom deed ze dit ook weer? Juist ja, om iets nieuws te ervaren. Omdat ze eigenlijk stiekem van zichzelf vond dat ze maar op halve toeren leefde en dat het hoog tijd was daar verandering in te brengen. De man heet Charles – op zijn Frans – en doet zijn uiterste best om haar op haar gemak te stellen. De eerste keer he? Geen zorgen, je bent in goede handen hoor. De studenten hebben twee uur om hun werk af te maken, ze zullen te geconcentreerd zijn om ook maar ergens anders aan te denken. Bovendien zijn het allemaal derdejaars, dus voor hun ben jij niet de eerste noch de laatste. Probeer te ontspannen, denk aan je plannen voor de komende week, of loop in gedachten  het recept voor spaghetti bolognèse door. Dat schijnt te helpen, hahaha! Na vijftig minuten houden we pauze. Dan kan je even  stretchen, koffie drinken en met de studenten kletsen, als je dat wil. Goed, het is bijna één uur. In de kleedkamer vind je een kamerjas. Kom maar binnen als je klaar bent. Het omkleden in het piepkleine kleedhokje valt haar niet makkelijk. Ans lijkt haar motorische vaardigheden verloren te zijn. Ze worstelt met haar te smalle broek en het haakje van haar bh. Het hart bonst haar in de keel. Geen spiegel, typisch. Hm, misschien maar beter ook. Ans ademt nog eens drie keer diep in en uit, kamt haar haren met de vingers en bindt ze samen in een paardenstaart. Ze vermant zich door haar schouders te rechten, trekt de kamerjas aan en loopt met stoere passen het lokaal binnen. Ze kijkt bewust de kamer niet rond maar focust haar aandacht op Charles, die haar met een vriendelijk gebaar een stoel in het midden van de ruimte aanwijst. Als jij klaar bent kunnen we beginnen. Ze kucht en frunnikt langer dan nodig met het lint van de badjas. Ze staat half voorovergebogen en wenst dat ze haar haar niet in een staart had gedaan, dan kon ze haar rood aanlopende gezicht misschien verbergen. Ze kucht nog een keer, trekt de kamerjas uit en legt hem behoedzaam over de stoel heen zodat ze erop kan zitten, dat lijkt haar wel zo hygiënisch. Hoewel, wie heeft die kamerjas nog allemaal gebruikt? Is hij wel gewassen? Paniek. Ze staat als versteend, naakt, voor een groep mensen die ze nooit eerder zag. Haar slapen bonzen. Van ergens ver achter zich hoort ze de stem van Charles. Je mag gaan zitten, Ans. We beginnen met een zittende pose. Kruis je benen en steun je elleboog op de stoelleuning, terwijl je over je schouder heen kijkt. Goed? Zit je gemakkelijk? Het kan zijn dat je benen gaan slapen, het komt erop aan om dat gevoel te negeren. Straks veranderen we de pose, dan kan je even kort strekken. Goed? Ans knikt nauwelijks merkbaar. Ze voelt zich verdoofd, gehoorzaamt gedwee aan Charles’ instructies en staart in de verte. Ze weet niet of ze moet glimlachen of niet, maar besluit van niet. Ze is naakt. Ze zit in een kamer vol geklede mensen, die op dit eigenste moment allemaal naar haar kijken. Het is moeilijk om rustig te blijven ademen, laat staan te blijven zitten. Maar bovenop de schaamte die ze voelt wil ze niet ook nog de vernedering aangaan van het totale falen. Ze verstrakt elke spier in haar lichaam en doet al het mogelijke om maar niet te bewegen. Ze heeft geen enkele heldere gedachte meer. Gespannen spieren, schaamte en absolute angst stromen spiraalsgewijs door haar heen. Op en neer. Ze probeert zich Charles’ tips voor de geest te halen. Iets van een recept. Het recept voor pasta carbonara? Nee, ze weet het niet meer, en kan zich met de beste wil van de wereld nu niet concentreren op eten. In plaats daarvan focust ze haar blik op een vlek op de muur en beeldt zich in dat het een gat is waar ze langzaam maar zeker naartoe gezogen wordt. Het helpt. De stem van Charles rukt Ans uit haar trance. Ans? Ans? Kan je rechtop gaan staan? Je mag even strekken! Ans? Hoi, ja, goed zo, gewoon rechtop. Armen langs je lichaam, zo recht als je kan, voeten een beetje gespreid, hoofd rechtop. Ans weet nauwelijks nog waar ze is. Ze volgt de instructies gelaten op, denkt niet meer aan haar naaktheid. Ze vindt gauw weer een nagel aan de muur om op te focussen en voor ze het weet is het tijd voor pauze. Charles komt op haar toe en gooit de badjas om haar schouders. Ze lijkt wel verlamd. Koffie? vraagt Charles vrolijk. Ze knikt, niet in staat een woord uit te brengen. Mechanisch trekt ze de badjas aan en maakt een stevige knoop in het lint. En hoe ging het? Niet te veel last van je benen? Daar hebben de meesten het het moeilijkst mee. Ans neemt de koffie van hem aan en schraapt de keel. Hm. Hm. Nee, valt wel mee. Ze kijkt naar haar benen als om na te gaan waar die ook weer zitten. Acuut voelt ze een pijnscheut door haar linkerkuit vlammen. Au! Bijna laat ze het kopje koffie vallen, ze ploft neer op de stoel en kijkt voor het eerst om zich heen. De studenten zijn allemaal in de weer met koffie en elkaar. Ze schenken geen aandacht aan haar. Wat zijn ze jong! denkt Ans.  Was het wat je ervan verwacht had? Nee, helemaal niet! antwoordt Ans iets te fel, te snel. Ahum, sorry. Ik bedoel… Ik weet het niet. Ans denkt bij zichzelf dat niks aan deze ervaring is zoals ze het zich had voorgesteld. Ze had gedacht dat het een soort meditatie zou kunnen zijn. Ze had over het algemeen geen probleem met naakte mensen of zelf naakt zijn, dus ze vond het de ultieme uitdaging voor zichzelf, om trots te zijn op haar lichaam en dat ter beschikking te stellen aan de kunst. Want ze hield ook van kunst! Maar dit alles… ze voelt geen trots over haar lichaam, ze voelt geen verbondenheid met de kunst. Ze voelt zich een instrument. Een ding. En ze moet nog een uur doorgaan! Ze voelt aan dat het niet kies zou zijn om Charles en zijn studenten nu in de steek te laten. Nog los van het geld dat ze dan vast niet zou ontvangen, vind ze dat zelf ook niet kunnen. Ans gaat er prat op een correct mens te zijn. Charles kijkt op de klok. Zo, Ans, tijd voor de tweede helft. We gaan door met de staande pose, maar telkens met een kwartdraai naar links. Zo krijgt iedereen de kans om voor -, zij- en achteraanzicht te tekenen. Ans, probeer te ontspannen. Oké. Ontspannen. Ans ademt diep in, trekt de kamerjas uit en probeert met al haar macht haar zelfvertrouwen weer uit haar tenen naar boven te trekken. Ze kan dit. Het is meditatief. Het is voor de kunst. In haar hoofd begint ze een mantra te zingen die ze kent van de yogales. Het helpt een beetje. Haar spieren lossen hun strakke spanning, ze buigt even door te knieën, beseft dan weer dat ze volledig stil moet blijven staan en onderdrukt een lach. Ze glimlacht een beetje dwaas voor zich uit, met hernieuwd vertrouwen herhaalt ze de mantra in haar hoofd. Enige tijd later hoort ze Charles zeggen Kwartdraai!, en ze draait verder door naar links. Plots staat ze oog in oog met één van de studenten. Het is onmogelijk langs hem heen te kijken, hij staat precies in de lijn van haar ogen. Ze probeert haar blik onscherp te krijgen, maar het lukt haar niet. Trekt hij zijn wenkbrauw op? Wat is dat voor grijns? De schaamte over haar naaktheid komt weer opzetten. Ze voelt zich bekeken, begluurd, bespot. Maar de jongeman is druk met zijn schets, zijn ogen springen heen en weer tussen haar lichaam en zijn ezel. Ans probeert haar gedachten te bevriezen. Een student tekent haar als object, meer niet. Maar bij elke blik op haar lichaam lijken zijn ogen doordringender te worden. Ans probeert hem in te schatten, alsof ze enkel toeschouwer was. Zoals ze met vriendinnen een kerel aan de bar zou taxeren. Ze laat haar blik subtiel over zijn gezicht glijden. Hij is gladgeschoren (of misschien niet eens geschoren? Hij ziet er erg jong uit). Zelfs van op deze afstand kan ze zien dat hij sproeten heeft. Ans houdt van sproeten. Nochtans is hij niet roodharig. Hij heeft een weelderige bos blonde lokken, die soms voor zijn groene ogen vallen en die hij dan met zijn linkerhand naar achter strijkt. Met zijn rechterhand is hij druk in de weer om haar te tekenen. Wat zou hij nu aan het schetsen zijn? Welk lichaamsdeel? Haar borsten? Ans siddert en voelt zachtjes iets in haar onderbuik kloppen. Het is werkelijk alsof hij haar met zijn potlood aanraakt. Ze heeft plots de grootste moeite om zich stil te houden, om niet haar eigen handen over de welving van haar buik te laten gaan. Werktuiglijk spreidt ze haar vingers uit. Charles kucht naast haar, Ans weet niet of dat zijn subtiele manier is om te zeggen dat ze zich stil moet houden, of dat hij gewoon een kriebel wegkucht. Er rest haar niks anders dan zich over te geven aan de blik van deze jongen. Ze kijkt hem bijna uitdagend in de grote, groene ogen, alsof ze wil zeggen Je kan me wel tekenen maar dit lichaam is van mij en niemand anders. Terwijl ze dit probeert uit te stralen met haar ogen beseft ze dat het een leugen is. Ze raakt opgewonden bij het idee dat hij haar ziet en niet mag aanraken. Ze zou willen dat hij dichterbij komt, dat ze het gekras van het potlood op het papier kan horen , zijn adem op haar lichaam voelen. Het zweet breekt haar uit. Plots houdt hij op met tekenen en kijkt haar een minuutlang onafgebroken aan. Eerst glijden zijn ogen langs haar lichaam, als om zich ervan te vergewissen dat hij alle onderdelen heeft gezien en getekend. Maar dan ontmoeten hun ogen elkaar en beiden verroeren zich niet. Ans omdat ze niet mag. Hij omdat… Tja, Ans heeft er het raden naar. Er is iets onzeglijks sensueel in de manier waarop hij daar zo staat, onbeweeglijk net als zij, zich te verdrinken in haar ogen. Alsof hij wil zeggen dat hij meer ziet dan haar lichaam alleen. Meer dan het kunstobject voor zijn opdracht. Charles kucht opnieuw, dit keer aan haar linkerkant. Ans weet nu wel zeker dat dit zijn manier van communiceren is, zonder de geconcentreerde stilte te verstoren. De boodschap is gericht aan de student, niet aan Ans. Deze houdt zijn blik nog even vast, glimlacht dan breed naar Ans en knipoogt. Dan kucht hij zelf ook en concentreert zich opnieuw op zijn schets. Ergens gaat een alarm af, de les is ten einde. Ans wendt zich ogenblikkelijk af van de jongeman, gooit de kamerjas om en loopt de ruimte uit. In het kleedhokje zit ze vijf minuten onbeweeglijk op het bankje. Ze is compleet uitgeput. Ze wil een warm bad en alleen zijn. Met moeite kleedt ze zich weer aan en als ze uit het hokje komt staat hij daar. Hoe lang staat hij daar al? Ze weet zichzelf geen houding te geven, maar hij stapt zelfverzekerd op haar toe en zegt Ik woon om de hoek, je ziet eruit alsof je wel een koffie of iets sterkers kan gebruiken. Ans is compleet overdonderd, en vol afgrijzen over het lef van deze jongen die waarschijnlijk haar zoon zou kunnen zijn. Toch hoort ze zichzelf met een klein stemmetje zeggen Oké. Zonder verder nog een woord te wisselen trekken ze beiden hun jas aan en lopen de gang door naar de deur. Charles komt hun achterna gelopen, wil Ans aanspreken maar voelt zich gecensureerd door de aanwezigheid van de student. Hij zegt alleen maar Ans, euh, dat ging goed. Je mag nog komen als je wil. Geef me maar een seintje. Het geld wordt op je rekening gestort. Oké. Dat is blijkbaar het enige woord wat ze nog kan uitbrengen. De jongen woont inderdaad om de hoek van Calibri, hij gaat haar voor naar een gerieflijke woonkamer annex slaapvertrek. Hij schenkt haar een witte wijn uit, zonder te vragen wat ze wil. Hij geeft haar het glas en zegt Drink. Zelf neemt hij niks. Ans drinkt het glas in twee keer leeg, ze merkt plots dat haar mond droog is en dat ze een ontzettende dorst heeft. Nog? vraagt hij met een schalkse glimlach. Ze knikt van nee en kijkt hem in de ogen. Ze zijn van een soort groen dat ze nog nooit eerder zag. Ze passen perfect bij de sproeten, alleen het blonde haar lijkt er niet bij te horen. Geverfd, zegt hij met een schouderophalen, wanneer hij haar ziet kijken naar zijn haar. Flauw he? Ans antwoordt niet maar tilt haar handen op en laat haar vingers door zijn haarbos glijden. Ze sluit de ogen. Hij houdt haar niet tegen maar pakt haar bij haar middel en knijpt er zachtjes in. Wanneer Ans de ogen opent ziet ze dat hij naar haar kijkt met een blik vol verlangen, zijn ogen staan bijna triest van wanhoop. Zijn lippen openen zich, maar hij verroert zich niet. Ans begrijpt dat hij door haar geïntimideerd is. Ze zal hem moeten leiden. Ze laat haar handen zakken tot ze in zijn hals rusten. Ze trekt hem naar zich toe en drukt langzaam, heel langzaam, een diepe zoen op zijn lippen. Ans heeft weinig relaties maar veel minnaars gehad. Toch denkt ze soms nog steeds niets van het liefdesspel af te weten. Elke nieuwe partner is een soort Eldorado, een paradijs vol goud dat moet ontdekt worden met veel moeite, doorzettingsvermogen en opofferingen. Elke keer denkt ze te weten hoe ze zelf in elkaar zit, elke keer weer moet ze toegeven dat ze het mis had. Net zoals de ander een oneindig labyrint van schatten en mogelijkheden bevat, is ze zelf ook ondoorgrondelijk, een te ontwarren kluwen voor de ander en voor zichzelf. Het is meestal een uitputtend maar lonend avontuur dat nooit echt een einde kent. Partners komen en gaan, er is nooit werkelijk iemand geweest waarmee ze het avontuur eindeloos kon verlengen. Deze jongeman leert haar iets heel nieuws. Ze probeert hem zo goed en zo kwaad als het kan te leiden, tenminste daar lijkt het op. Eigenlijk leidt hij haar. Hij gidst haar langs haar eigen lichaam, als waren het haar eigen handen en lippen die op onderzoek uitgingen. Ze heeft geen idee waar ze heen gaat. Hij leert haar dat ze geen dagen of weken nodig heeft om het kluwen te ontwarren, enkel overgave. Ze lijkt hem blindelings te vertrouwen, deze jonge jongen. Hun ademhalingen vertellen een verhaal, elke zin wordt aangevuld door een zin van de ander, die er naadloos bij aansluit. Geen enkel lichaamsdeel wordt gespaard, er is geen schaamte, geen angst, geen twijfel. Er is enkel… vrijheid. Ans denkt in een flits – dit is eigenlijk de werkelijke kunst. De enige echte. De kunst om lichamelijke reacties en bewegingen te genereren, te creëren, als waren het golven in de zee. Even prachtig als ongrijpbaar. Zonder wetmatigheden en toch elke keer weer de perfecte, unieke creatie. Als ze de volgende ochtend wakker wordt duurt het even voor ze weet waar ze is, wié ze is. De jongeman naast haar ligt in een diepe slaap. Ze wil hem niet wakker maken, hij ligt daar zo hemels en onbevangen. Puur. Ze ligt een tijdje naar hem te kijken, drukt dan zacht een zoen op zijn haardos en staat op. Ze zoekt haar kleren bij elkaar, kleedt zich aan en kijkt even in de spiegel aan de muur. Ze kijkt niet naar haar lichaam, maar kijkt zichzelf diep in de ogen. Haar linkermondhoek krult omhoog in een triomfantelijke grimas. Ze zoekt de woonkamer af naar pen en papier maar kan niks vinden. Bedenkt zich dan dat ze eigenlijk niets te zeggen heeft. Woorden zouden de kunst enkel verkrachten. Ze laat het erbij en loopt de straat op, voorzichtig de deur achter zich dichttrekkend. Ze weet zeker dat ze hem nooit meer zal zien, niet als tekenaar van haar vormen of anderszins. Maar ze weet ook dat ze minstens deze nacht op volle toeren heeft geleefd.

LL Rigby
0 0

1. Huisnummer 3 - Thuis

Ik zit zat op mijn gat. Mijn zicht staat nog op krek dezelfde plek als waar ik het gisteren heb achtergelaten. Op de muur boven de nepmarmeren schouw, boven de al even fake oplichtende ‘houtblokken’ die een haardvuur moeten veronderstellen. Zij vormen – buiten een niet ontstoken kroonluchter - de enige lichtbron in deze hoog opgetrokken ruimte. Door de weerspiegeling ervan in de matte, gebrandschilderde ramen van een tussendeur, lijkt het alsof dat de toegangspoort richting hel is. Door de gesloten gordijnen schijnt het het holst van de nacht. Hoewel al overdag. De waas die over mijn ogen sluiert, maakt het moeilijk de woorden te ontwarren die ik er gisteren aanbracht met het bloed van een valpartij. Elleboogbloed. Gück mal, Ich bin wieder abwesend. Het had erger gekund.   Dit pand buiten beschouwen gelaten is het best mooi wonen in dit niet onooglijk dorpje. Een pittoresk vissersdorpje dat grenst aan zee. Eens zo handig voor vissers. Het dorp heeft één kerk, één vishandel, één taverne, één café, één slagerij en twee warme bakkers. Voor het overige zijn de inwoners aangewezen op omliggende gemeentes. Er wordt tussen de handelaars van aangrenzende dorpen gratis vervoer geregeld in de hoop op die wijze meer klandizie te kunnen slijten. Niet concurrerende middenstand vrijt elkander op.   Zo’n jaar en een half geleden heb ik deze woning betrokken, uit noodzaak. Voor mezelf, voor mijn gezondheid, voor mijn omgeving. Waar ik zou belanden was van weinig belang. Zolang het maar ergens anders was. Van tijd tot stond is het nodig om andere oorden op te zoeken. Nieuwe omgevingen. Dus hier zitten we dan. In het hol van Satan.   Als je de voorzijde van dit gebouw aanschouwt, merk je meteen dat het geen hoogvlieger is in vergelijking met de andere huizen in de straat. Er is zelfs niet getracht de vaalgrijze, betonnen muur te verbergen. De betonkorrel die erop hangt steekt je bijna de ogen uit als je er te lang op durft staren. Om de structuur van dichtbij te bewonderen draag je best een veiligheidsbril.   Om de hoek vreet de zwarte aarde het huis langs achteren op. Met een oerwoud van onkruid op zijn kruin. De natuur heeft zich hier de vrijheid toegeëigend, heeft zijn lot in eigen handen genomen. En consumeert zonder weerga. Brokken land, kluiten aarde, vierkante meters grond. Tot juist daar waar het eerste cement gegoten is. Want daar durft het niet aan boord te gaan. Daar trekt het zijn schouders voor op. Het weet wat het kan, het kent zijn zwaktes.   De straat zelf is niet zo heel lang en biedt ruimte aan zes huizen en het enige dorpscafé. Ieder huis is behoorlijk verschillend van zijn buur. Statig wordt afgewisseld met rustiek. Modern met klassiek. Kleurschakeringen volop. Mijn straat is een kleurpotlodendoos van een chaotisch kind. Want daar heeft dit fictieve kind absoluut geen boodschap aan: sorteren van kleurpotloden. Het zal wel weten welke kleur het nodig heeft. Daar hoeft geen structuur in. Ook het slijpen van de potloden gebeurt in dienst van gebruik, waardoor ze onderling verschillen in lengte. Hier en daar zonder punt erop. En ook dat zijn de huizen in deze straat.   Wandel vanuit mijn voordeur naar het midden van de straat, draai een kwartslag naar links, en je ziet in de verte de zee. Wat je vanaf daar niet ziet, is dat ze afgebakend is door een rotsstrand. Ook niet zichtbaar in het midden van mijn straat is de moederklif waartegen het rotsstrand is geboren. Je ziet de straat overgaan in de blauwe zee. Als één rechte lijn. Een streep naar niets.   Enige tijd terug heb ik het huis gekocht. Stellen dat er zich toen een minimiem aantal kopers opdrong, is een understatement. Ik zat - samen met mijn ouders - als enige kandidaat koper in het dorpscafé. De rest van de aanwezigen kwam om zich te verkneukelen aan de loser die een som geld voor dit pand overhad. Maar ooit in het leven moét een mens iets. Et voila. We zitten ermee.   Het wordt nu toch stilaan tijd om de gordijnen open te trekken. De lichtstraal die zich daarbij een weg doorheen de muur lijkt te branden, bewijst dat het al ergens overdag is. Mijn besef van tijd is volledig verdwenen. Nu eerst de opgedane hoeveelheid alcohol uit dit tengere lijf verwijderen. Beneveld hijs ik mezelf op aan het boekenrek boven me en zwalp richting pispot. Hellepoort open.   De lichtschakelaar staat aan de zijkant van de lavabo in de badkamer. Ze klikt aan. De lamp heeft enkele schijnbewegingen in petto. Geflikker, een keer of vijf. LICHT. De spiegel boven de lavabo hangt vol met uitgespuwde tandpastavlekken en tandvleesbloed. Ik staar mezelf aan: uitgemergeld en lijkbleek. Ik merk dat ik geen kleren aanheb. Ach ja, het is ook geen zondag. Denk ik. De pompbak ligt bezaaid met baardhaar. De afgeschoren angels die mijn gezicht bedekten, verspreid over het witte porselein.   Het deksel van de toiletpot slaat open. De achterrand van de pot hangt vol. Door het absorberen van de lauwe zeikstraal weekt de vastgekoekte stront en kots gedeeltelijk los. Het schuift zachtjes naar benee om één te kunnen worden met het wc-water en de goudgele, onwelriekende urine. Het geeft me al bij al geen onaardig gevoel. Een gevoel dat ik toch nog in staat ben iéts op te lossen.   En geloof het of niet, maar daarmee slaat de euforie ook toe. Als ik ergens aanleg voor heb, is het in het vieren van nutteloze verwezenlijkingen. Veel heb ik al mogen vieren in mijn leven. En het wordt tijd voor de volgende uitspatting: er is iets opgelost. Niet het levensraadsel, maar toch … Ik verheug me er zo hard op dat ik te snel beslis dat ik uitgeplast ben. Een vlek verkleurt de tegels van de badkamervloer en sijpelt tergend langzaam tussen mijn tenen.   Een vochtspoor nalatend wandel ik terug naar de woonkamer. De drankkast naast de schouw is vervaardigd uit een oude, disfunctionele platenspeler met daaronder een kastje. Het is - naast de stoel - het enige meubelstuk in deze kamer. Teveel meubels scheppen verwarring. Verwarring en valse verwachtingen. De televisie plakt tegen de grond, stereo eveneens. De drankkast gaat open en ik kies de eerste de beste fles die zich aanbiedt. Absint, niet mis. Lieve Heer, laat deze vredevolle dag aanvangen!  

Bluyke
3 0

een dag uit het leven van een dichter zonder muze

De klokken van de kerktoren verder op de heuvel slaan vier keer. Ik draai me nog een keer om en zucht. Gelaten knip ik het lampje boven mijn hoofd aan, waarom weet ik niet precies. Misschien dat, als ik naar het plafond, de gordijntjes, de spullen in mijn kamer kan kijken, ik dan wat afleiding krijg van het lawaai in mijn hoofd. Het is alsof er een feestje gaande is in mijn kop waarop ik niet ben uitgenodigd maar dat me desondanks wakker houdt. Muziek die vraagt om vertaald te worden op papier. De opzwepende tonen lonken me om de slapeloosheid om te zetten in creativiteit. Woorden. Halfzinnen. Een gedicht. Ik overweeg een kijkje te nemen op het feest en mijn notitieblok erbij te pakken. Maar ik merk dat ik geen zin heb om het toe te laten, wetend dat ik ervan zal genieten en dan van geen ophouden weet. Kreunend hijs ik me recht en uit bed, richting wc. Terwijl ik langs de glazen achterdeur loop zie ik het schijnsel van de maan op de terrasstoelen in de tuin. Ik twijfel een seconde, maar grijp dan vastberaden de deurknop en stap op blote voeten de tuin in. De geur van oranjebloesem is overweldigend, de tuin ligt bezaaid met afgevallen witte blaadjes, wat de aanschijn ervan een sprookjesachtig waas verleent. Bleke blaadjes bedekken de bodem met bedeesde betovering… In de verte beukt de branding. Ik zuig de nachtlucht in die al een vleugje ochtend lijkt te bevatten. Minutenlang sta ik in het midden van de tuin, zonder mijn blik specifiek op iets te richten, zonder een wezenlijk scherpe gedachte. Ik zou ook gewoon op kunnen blijven en aan de dag beginnen, bedenk ik me. Hier wachten op het verkleuren van de lucht. Waarnemen hoe de geluiden schijnbaar ongemerkt veranderen. De nieuwe dag groeten. Ik moet er om lachen, want eigenlijk heb ik nog niet eens afscheid genomen van de vorige dag. Ik heb gisteren en morgen nog niet van elkaar gescheiden met ook maar een druppel slaap. Dat dan toch maar eerst even doen. Ik schuifel terug naar binnen, veeg nonchalant mijn voeten aan het tapijt en kruip weer onder de dekens.   Met een schok schiet ik wakker, een luid gebrom doet het plafond en de wanden trillen. Vroem vroem vrooeeemmmm. De zware motor van de buurman. Waarom hij dat ding steeds vijf minuten lang stationair laat draaien en daarbij regelmatig vol gas geeft is me een raadsel. Ik draai me om naar de wekker, zie dat het nauwelijks twintig over negen is en vloek luid. ‘Het is godverdomme zondag!’ In een impuls spring ik uit bed en ren de deur uit richting buren. Maar ik heb geen schoenen aangetrokken en het pad is modderig. Ik twijfel of ik er toch door zou lopen, maar dan moet ik zo meteen mijn voeten wassen voor ik weer in bed kan. Zucht. Nog terwijl ik met mezelf sta te overleggen zie ik de buurman zijn oprit afrijden op de motor. Hij ziet me niet staan en is al de hoek om voor ik kan zwaaien. Ik foeter in mezelf en heb plots zin om ergens tegen te schoppen. Tegen beter weten in ga ik naar binnen en kruip weer onder de dekens. Gauw genoeg moet ik echter plassen en voel ik mijn maag knorrend om aandacht roepen. Ik ga plassen, trek een trui aan over mijn slaapkledij, wrijf mezelf in de ogen en ga de keuken in. Koffiezet aan, radio aan. Dit wordt weer een geweldige dag.   Ik voel me niet in staat om iets productiefs te doen, laat staan om rechtop te zitten. Gewapend met een volle koffiekan en een dvd leg ik me languit op de bank. Ergens ver weg op de achtergrond hoor ik de overblijfselen van het feestje in mijn hoofd en overweeg nogmaals om er een kijkje te gaan nemen, maar ik voel me totaal leeg, een vod. Geen heldere gedachten of zin in creatieve bezigheden. Zelfs de witte blaadjes in de tuin komen me nu idioot over. Grrr. TV aan, dvd in de lader, play. Mentale slaap in de vorm van hollywood trash. Laat me allemaal met rust. Halverwege de film gaat de telefoon. Schoorvoetend sta ik op van de bank en zoek het kleinood tussen de rommel op de keukentafel. Frank. Ik laat de telefoon overgaan en wacht tot het geluid ophoudt. Ik neem de telefoon mee tot aan de bank zodat ik de volgende keer niet hoef op te staan. Alleen hoop ik van harte dat er niemand meer belt. En zeker Frank niet. Ik weet niet wat ik van hem moet denken en nog minder van wat er tussen ons is gebeurd. Nu is zeker niet het moment om daar over na te denken. Een korte biep geeft aan dat er een bericht is ingesproken op de voicemail. Ik negeer het en druk weer op play. Na de film zit ik nog een half uur naar het zwarte scherm te staren zonder me te bewegen. Ik weet dat ik in actie zou moeten schieten, Lonneke komt straks en ik kan me zo niet aan haar vertonen. Lonneke mag dan mijn beste vriendin zijn, ze is ook zo’n meid die er altijd irritant goed uitziet, zodat ik er zelf als een lelijke slons tegen afsteek. Ik zou er haar bijna om gaan haten. Ze komt straks mijn camera ophalen, ik hoop dat ze niet te lang blijft, haar vrolijkheid zou kunnen verslensen onder de hoge druk van mijn depressie. Of erger nog, ze zou mij er mee kunnen aansteken.   Lonneke waait als gewoonlijk met vrolijke zwier mijn huis binnen, geeft me een zoen en een warme knuffel. ‘Gaat het wel met je?’, vraagt ze met een diepe frons. ‘Hm-hm. Hoezo?’, antwoord ik ontwijkend. Ik wil niet alweer het negatieve element zijn en zeggen dat ik me kut voel. Maar ik zou beter moeten weten, Lonneke kijkt dwars door me heen. ‘Het gaat niet, ik zie het aan je. Is er iets gebeurd?’ ‘Ach Lon, ik heb gewoon slecht geslapen, dat is alles.’ ‘Tja, romantische avontuurtjes brengen slapeloze nachten met zich mee, hè’, voegt ze er met een ondeugende knipoog aan toe. éHeel grappig. Nee, ik heb alléén in bed geslapen vannacht. Nuja, in bed gelégen. Frank zie ik vanmiddag weer, er is een feestje bij Rob.’ ‘Rob, dat is die van daar op de hoek, toch? Is het zijn verjaardag ofzo?’ ‘Nee hij gaat een paar weken weg. Typisch hem, elke reden is goed genoeg voor nog een feestje.’ ‘Om hoe laat moet je daar zijn?’ ‘Euh, om vier uur geloof ik. Hoezo?’ ‘O, tja, ik had gehoopt dat je me nog even zou willen helpen met die fotoshoot. En ik zou je computer ook nog even willen gebruiken daarna. De mijne doet weer raar.’ ‘Natuurlijk, schat, geen probleem. Zeg maar wat ik moet doen’, zeg ik vrolijk, dankbaar om de aangeboden afleiding. Ik had me al afgevraagd hoe ik de dag weer zou doorkomen en waar ik de energie zou halen voor dat feestje. Na een paar flinke teugen Lonneke voel ik meteen weer de mogelijkheden van de dag door mijn aderen stromen.   Ze wil dat ik poseer voor haar foto’s maar ik hou de camera stevig in mijn handen geklemd. Ik ben dan misschien uit mijn slaapkleren geraakt – Lonneke is hoog bezoek voor de slonzen van deze wereld – maar voel me toch nog te verkreukeld om model te staan voor wat dan ook. Maar ook als fotograaf valt het me niet makkelijk, Lonneke is heel precies in wat ze wil en hangt het moeilijke model uit. Ik bijt op mijn tong, beseffend dat het niet haar buitensporige eisen zijn die me doen tandenknarsen, wel het slaapgebrek en het komende weerzien met Frank. Ik zet door en probeer me middels een portie gemaakte vrolijkheid ook werkelijk een beetje op te monteren. Wanneer ik de volgeschoten memory card in de computer schuif merk ik dat het zijn effect heeft. Ik voel een acute aandrang tot dronkenschap en lichtzinnigheid. Het is inmiddels drie uur en ik stel Lonneke voor een aperitief met me te drinken. Ze weigert en zegt dat ze nog veel werk heeft met het organiseren van de beelden. Ik haal mijn schouders op, neem een fles witte wijn uit de koelkast en zoek de opener in de la. Net op dat moment biept de telefoon. Een bericht van Frank. Of ik zijn voicemail heb gehoord. Of hij alvast zal langs komen voor een aperitiefje? Ik lieg dat ik nog werk heb met Lonneke, ik zie hem wel bij Rob om vier uur. Ik voel me nog niet klaar om mijn gevoelens onder ogen te zien. Onder invloed van een laagje alcohol gaat het vast beter. Lonneke zit te werken, ik drink en rook aan een fiks tempo. Voor een keer kan ik me niet laten afleiden door digitale impulsen, gezien Lonneke nu de computer, mijn bron van verslaving, bezigt. Ik observeer haar en laat mijn gedachten de vrije loop. Ze is zo geconcentreerd dat ze mijn gestaar niet opmerkt en ook mijn hersenen niet hoort kraken. Ik daarentegen wel, de muziek wordt weer luider, flarden feestgedruis wakkeren een onderdrukte tinteling in mijn wezen aan. Ik denk terug aan de Bleke Blaadjes en laat mijn geest vrij rond dwarrelen langs beelden en rijmwoorden. Ik schrijf niks op omdat ik voel dat het maar losse flarden zijn, ik zeil om de essentie heen. Wanneer een beeld van Frank voor me opdoemt weet ik dat ik de kern daarin moet zoeken. Maar ik wil het niet en duw het visioen van me af. Mijn gedachten laten dat echter niet zomaar gebeuren en gaan de strijd aan. Maar waarom dan niet? Waarom deze mooie romance niet als inspiratie laten dienen? Omdat het geen romance is. Het is alleen seks tussen twee eenzame volwassenen. Ach kom op, het is echt wel meer dan dat. Nee. En zelfs als het dat was, er is geen plaats voor in mijn leven. En al zeker niet in het zijne. Volgende maand gaat hij terug naar zijn vrouw en kinderen in Duitsland. Waarvan hij al tijden vervreemd is, dat weet je best. Maar hij blijft niet hier, het is maar tijdelijk. So what? Wil dat zeggen dat je niet oprecht mag genieten? Dat het in zichzelf niet waardevol kan zijn? Hm. Ik besef dat ik iets van mezelf vrij moet laten, ergens een deur op een kier moet zetten om dat genieten toe te laten. Ik weet dat het kan, maar ik weet ook wat er gebeurt als die deur steeds verder en verder gaat openstaan en alles zomaar binnen en buiten laat en de stroom van mijn wezen en het zijne daardoor op volle kracht laat vloeien. Niet denken aan morgen, je leeft toch alleen vandaag? Tja. Dat cliché is een waarheid als een koe, maar ook een zware last die ons altijd weer verplicht tot lichtheid. Hoe kan je verbinding aangaan en ze daarna weer zonder problemen doorsnijden? Ik begrijp dat het mogelijk is, maar het lijkt zo’n verspilde energie. Eerst vastmaken, dan weer doorknippen. Beter gewoon alles zo laten. Toch?   ‘Waar zit jij in ’s hemelsnaam met je gedachten?’, zegt Lonneke met een schalkse lach om haar mond. Ik ontwaak uit mijn gemijmer en zie dat ik het glas wijn in mid-lucht vasthoud en met mijn andere hand een sigaret boven de asbak laat zweven. Versteend in de tijd. Ik glimlach schaapachtig naar Lonneke maar antwoord niet. ‘Hoe laat is het eigenlijk?’ ‘Vijf over vier.’ ‘Shit, ik had er al moeten zijn.’ Een golf stress spoelt door mijn lichaam. Ik wil me nog even voor de spiegel opkalefateren, ik moet nog een fles wijn uitzoeken, ik moet mijn gedachten nog op een rijtje krijgen. Weten wat ik tegen Frank zal zeggen, hoe ik op hem zal reageren. Zucht. Ik besluit dat het kalf al verdronken is, helderheid van actie of gedachten zal er vandaag niet meer zijn. Dan de chaos maar omarmen en rustig nog een glaasje wijn drinken. Lonneke nipt mee van mijn glas, ze is even naast me op de bank komen zitten. ‘Niet teveel denken hè jij.’ Ze raadt alweer mijn inwendige kronkel. ‘Die Frank lijkt me een leuke kerel, sexy ook. Geniet er nu gewoon van. Je hebt het verdiend hoor.’ Ik kijk haar aan, geef haar een zoen als antwoord en lach haar breed toe. Ze heeft gelijk, natuurlijk heeft ze gelijk. Oké. Hop. Ik pak de eerste fles wijn die ik vind in de kast, trek mijn jas en mijn schoenen aan en vertrek richting Rob, met nog een knipoog naar Lonneke. ‘Niet te hard werken hoor! En als je weg gaat laat je de deur maar los.’   Het feest bij Rob blijkt een redelijk ingetogen vroegdiner te zijn. En ik die inmiddels zin heb in een portie uitbundigheid. Dan maar drinken en stiekem naar Frank kijken. We hebben elkaar begroet met een nette zoen op de wang, omdat niemand in het gezelschap van onze scharrel weet en we dat zo willen houden. Het zorgt voor een zekere spanning, die me aangenamer smaakt dan ik had verwacht. We gaan regelmatig samen een sigaret roken buiten en geven elkaar dan stiekem een zoen. Alsof we pubers zijn. Tussen het zoenen en de nicotinehalen door, probeert Frank met me te praten. Op zijn eigen, afstandelijke manier weliswaar. In halfzinnen. Zelf doe ik er, geheel tegen mijn natuur in, het zwijgen toe. ‘Ik heb je heel graag, weet je… als ik twintig jaar jonger zou zijn… Ik bedoel maar, ik vind je echt… Ik heb het echt fijn met jou…’ Ik ben dankbaar dat hij blijkbaar geen reactie verwacht, ik observeer hem in stilte. Hoe hij rondjes loopt terwijl hij praat. Hoe hij nooit naar me kijkt, alsof mijn aanwezigheid niet relevant is voor zijn boodschap. En dan zoent hij me weer en gaat naar binnen.   Ik had tijdens het aperitief een jointje gedraaid dat ik in mijn pakje sigaretten had gestopt. In plaats van uitbundigheid verlang ik ondertussen naar de gevreesde lichtheid. Het totale loslaten en deinen op de golven van de dag. De wijn helpt, maar ik ben ongeduldig en steek het jointje op. Verlangend neem ik diepe halen die ik wegspoel met grote slokken van de heerlijk frisse wijn. Rob komt het terras op en zegt dat het tijd is voor dessert. Hij snuift de geur van marihuana op en trekt een wenkbrauw omhoog, alsof hij wil zeggen ‘Jij? Dat had ik niet van je gedacht.’ Ik laat het dessert van kersentaart voor wat het is en bedien mezelf rijkelijk met meer wijn. De avond lijkt zich in slow motion voor mijn ogen verder te ontrollen. Alsof ik er geen deel aan heb, maar toch beter dan de andere aanwezigen begrijp wat er zich allemaal afspeelt onder het gelach en het geklets. Wat de werkelijke beweegredenen en onzekerheden zijn van eenieder. Rob die, smakelijk lachend om een idiote grap van Frank, vork na vork van de kersentaart naar binnen schuift. Een volle mond bij wijze van antwoord op nietszeggend gezwets. Eeuwig de gezellige gastheer, die Rob. Wat zou hij zonder de achtergrondmuziek van zijn lallende vrienden moeten? Eenzame cholesterolkaters beleven, keer op keer. Mijn scherpheid van geest registreert de plots overdreven dronkenschap van Frank. Hij heeft een monoloog aangevat die maar weinig samenhang lijkt te hebben, maar waar hij zelf schijnbaar veel voldoening uit haalt. Ik zie de meewarige blikken van de toehoorders, het brave geknik terwijl ze hun gedachten stiekem andere oorden laten opdwalen. Die van hun eigen sores. Ik zit als versteend het tafereel gade te slaan, niemand lijkt zich te storen aan mijn observaties. Ik geniet van het onzichtbaar zijn en speur gezicht na gezicht af. Wanneer mijn blik op Frank valt kan ik een scheut medelijden niet onderdrukken.  Zelfs ik luister niet naar zijn verhalen. Ik heb ze dan ook al duizend maal gehoord. Dat is nu eenmaal wat Frank doet. Verhalen vertellen over zichzelf, over vroeger, over wat dan ook. Altijd met de blik op een plek ver achter je. Alsof hij het hier en nu wil bezweren en nog even op een afstand houden. Ik besluit hem even met de neus op het huidige moment te drukken en sta abrupt op met de mededeling dat ik huiswaarts ga. Zondagavond, morgen weer vroeg op. Een platitude die nergens op slaat, ik hoef namelijk nergens voor op te staan en dat weten de aanwezigen ook. Maar ze gaan zo op hun eigen denkwerelden dat ze het graag voor waar aannemen. Frank lijkt uit zijn trance op te schrikken en vergeet meteen de draad van zijn verhaal. Een beetje stuntelig komt hij recht uit zijn stoel en zegt: ‘Dan ga ik ook maar. Het was gezellig Rob, dank voor het eten!’ Ondanks de algehele dronkenschap vrees ik toch een beetje dat het iedereen meteen duidelijk is dat hij met mij mee naar huis gaat. Maar mijn geest schommelt net zo snel weer de andere kant op – leuk neveneffect van de drugs – en ik denk ‘Ach wat doet het ertoe’. Ik voel een plotse aandrang om Frank weer in het hier en nu te krijgen middels een flinke portie mijzelf, naakt. De fantasie speelt zich echter enkel in mijn hoofd af en we lopen in stilte naar mijn huis. Frank komt binnen alsof hij thuis is en zijgt neer op de bank. Ik ga onmiddellijk de slaapkamer in en kleed me volledig uit. Ik roep naar hem: ‘Ik ben naakt, ik kruip onder de dekens!’ Hij komt de slaapkamer in en stapt op het bed toe. Hij streelt mijn gezicht, drukt een zoen op mijn lippen en zegt: ‘Ik ga naar huis, dat is vast beter.’ Ik wil hem vastgrijpen en hem toeschreeuwen dat hij moet blijven, dat ik ontzettend naar hem verlang. Maar ik zeg niks en laat hem gaan. Ik voel dat ik hem eindelijk wil toelaten, de deur gaat op een kier. Of hij blijft of niet doet op zich niet ter zake. Er komt tocht door de kier en binnenkort zal ik willen weten wat er aan de andere kant van die deur zit. Dat hij nu gaat voelt haast als een overwinning. Ik kan hem laten gaan omdat ik nu weet wat hij al langer weet: hij komt weer terug en klopt zich desnoods suf op mijn deur. Wat zal hij verrast zijn te merken dat die al open staan, de volgende keer als hij komt. De volgende keer… De gedachten tollen en galmen in mijn kop. Maar die is stoned en dus hoogst onbetrouwbaar. Waar dacht ik net aan? Hm. Ik geeuw en herinner me dat ik een flinke portie slaap in te halen heb. Ik draai me om naar de wekker en zie dat het nauwelijks tien uur is. Heerlijk, een extra lange nacht.   De komende uren zweef ik in een roes maar slaap niet echt. Om half twee is de roes uitgewerkt en ben ik klaarwakker. Het duurt even voor ik de geluiden op de achtergrond herken als het nog steeds lopende feestje in mijn kop. Ik klauter uit bed, rook een sigaret op de bank en pak mijn computer bij de hand. Niks notitieblok, niks aanmodderen. Het echte werk. Dansen tot ik erbij neerval.  

LL Rigby
0 0

er was eens een man

Er was eens een man. En er was een vrouw. De rest is geschiedenis, zou men denken. Maar uiteraard niet, lieve lezer. In deze tijden van egoïsme en angst is niets van dat alles nog vanzelfsprekend. Misschien moet ik opnieuw beginnen. Er was eens een man. Die had een vader. Die vader leed aan een ernstige ziekte genaamd melancholie. Alles was hem zwaar – of licht, al naargelang men het wil bekijken – en het was hem enkel mogelijk te leven met deze ziekte als hij bij tijd en stond zijn glaasje sterk kon achterovergooien. Het maakte alles zoals dat heet ‘draaglijk’. Voor hem weliswaar, niet voor zijn vrouw of zoons. Die konden zijn dronken vrolijkheid maar matig verdragen en hadden liever dat hij bij de dokter een remedie ging halen voor zijn ziekte.  Ze begrepen niet wat de ziekte inhield maar vertrouwden zoals elk rechtschapen mens op de wetenschap, die op alles een antwoord heeft. Wat ze niet wisten was dat wanneer vader enkele dagen trachtte het glaasje te laten staan, dat hij zich dan bij wijlen langer dan een half uur op de badkamer moest terugtrekken – toch langer dan een gemiddeld toiletbezoek dat vereiste – en wel om zijn ziel uit te huilen. Van blijdschap of hartverlammend verdriet. Verdriet om wat kon hij nooit zeggen, al zou iemand het hem gevraagd hebben. Verdriet om het leven, om alles wat hij om zich heen zag, om de mensen die elkaar toelachten hoewel ze daar eigenlijk geen zin in hadden. Deze man had meerdere zoons ter wereld gebracht, gebeurtenissen waarbij hij zichzelf toeliet openlijk te huilen, van blijdschap weliswaar. De zonen groeiden op tot verantwoordelijke, volwassen mannen. De jongste was echter, hoewel ook volwassen en verantwoordelijk, erg in zichzelf gekeerd. Hij sloot zich af voor mensen en hun gesprekken, beantwoordde vragen met een moeizaam gegrom. Hij bracht zijn vrije tijd door met lezen, muziek spelen en schaken. Vrienden had hij niet, dus schaakte hij online. De lezer vraagt zich inmiddels af in welke zin deze jongeman van bijna 28 een verantwoordelijk en volwassen mens kon zijn. Nu, hij had gestudeerd. Hij had een respectabele baan. Zijn collega’s mochten hem zelfs, maar vooral omdat hij een harde werker was, niet omwille van zijn sociale kwaliteiten. Hij huurde een appartement, betaalde zijn rekeningen, hield zijn zaken op orde en zijn huis schoon. Hij was verantwoordelijk. Dat hij volwassen was zullen we misschien in het midden laten, omdat dat nu eenmaal een dubieuze kwaliteit is. Wie van ons is volwassen? Wanneer is een man volwassener dan een ander? Daar valt uitvoerig over te debatteren, en vermoedelijk weet niemand het feitelijke antwoord. Misschien moet het woord ook maar worden geschrapt uit het woordenboek, ik heb het al te lichtzinnig gebruikt in de eerste regels en neem me voor om dat niet meer te doen. Op een dag zit onze man te schaken met een online ‘kennis’, die hem via de chat interface vraagt om een keer samen te gaan schaken, in ‘real life’, om zo te zeggen. Onze man schrikt en antwoordt vooreerst niet. Tot hij na twee glaasjes sterk – van vader geleerd – bedenkt dat er niets te verliezen is, en dat hij eigenlijk ook wel eens zijn antieke schaakbord uit de kast wil halen. Hij trekt zijn stoute schoenen aan en gaat twee dagen later naar de plaats van afspraak. Te zelfbewust om meteen een glas sterk te bestellen vraagt hij een bier en drinkt het in één teug leeg. Hij bestelt er nog één en ziet een jonge kerel de bar binnenstappen. Het blijkt zijn schaakafspraak te zijn. Ze gaan zitten en onze man haalt zijn schaakbord tevoorschijn. Zonder al te veel onzinnige sociale interactie zetten ze zich aan het spel. En zo loopt het dat onze man wekelijks op café zit, menig biertjes tot zich neemt en af en toe wint, maar meestal verliest van zijn schaakpartner. Op een avond, na een uitzonderlijke overwinning, voelt hij zich krachtig en groot, en bestelt een fles sterk voor hun beiden. De ander nipt een beetje, niet gewend aan het zware spul. Ze praten over muziek, beiden zijn liefhebbers en spelen soms een riedeltje op respectievelijk de saxofoon en de gitaar. Ze besluiten een volgende keer op het appartement van de ander af te spreken om samen muziek te spelen. Wanneer de fles halverwege is begint onze man helemaal los te komen, hij ziet het leven zowaar rooskleurig en kijkt nieuwsgierig om zich heen naar de drukte in de bar. Hij kijkt naar de mannen en de vrouwen die om elkaar heen dansen, speurt hun gezichten af, bekijkt hun subtiele lichaamsgebaren. Hij grinnikt bij zichzelf. Hij is blij dat hij er allemaal geen deel aan heeft, maar voelt zich toch warm te midden van hun gespartel. Een week later stapt hij, gewapend met zijn gitaar en een fles sterk, op het huis van de ander af. Wanneer hij de woonkamer betreedt versteent hij ter plekke wanneer hij twee jongedames op de bank ziet zitten. Zijn vriend pakt hem vrolijk bij de schouder en trekt hem mee de woonkamer door, naar een kamertje achterin waar hij een hele muziekinstallatie heeft staan. Op zijn gemak gesteld plugt onze man zijn gitaar in en ze spelen samen twee uur lang alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Tussendoor leegt hij zijn fles sterk. Wanneer ze hun muzieksessie beëindigen en weer de woonkamer binnengaan laat hij zijn vrolijkheid niet dempen door de aanwezigheid van de vrouwen. Ze spreken hem aan en vuren vragen op hem af, de meeste beantwoordt hij met een verzinsel. De vrouwen merken zijn leugens blijkbaar niet op, waardoor hij telkens vrijpostiger wordt. Zijn vriend lacht hartelijk en klopt hem op de schouder. Jij bent er me eentje, kerel! Hahaha. Hij komt op dreef en zegt de grofste dingen, niemand neemt er aanstoot aan, ze lijken hem er alleen aardiger om te vinden. Er vloeien nog vele biertjes en de avond verloopt in uiterste hilariteit, hij is de ster van het gezelschap. De dag nadien bezint hij zich thuis over de avond en geeft zichzelf in gedachten schouderklopjes. Hij kon nooit goed met mensen omgaan, vond dat ze een heleboel onzin verkochten. Maar blijkbaar kan hijzelf nog grotere onzin verkopen en vindt iedereen het bovendien geweldig! Het doet hem moed vatten om de wereld in te gaan. Hij drinkt zich een paar glaasjes ter inspiratie en gaat op pad. Het eerste café dat hij tegenkomt stapt hij binnen. Het gejoel van de massa overweldigt hem – het is zaterdagavond – maar hij baant zich een weg naar de bar, vastbesloten om ook vanavond zijn nieuwe techniek op mensen toe te passen. Hij bestelt een biertje en spreekt de man naast hem aan, een dronken grijsaard die zich duidelijk al een tijd niet meer gewassen heeft. Vind jij douchen ook zo’n gedoe? Ik anders wel! Allemaal vrouwenonzin! zegt onze man terwijl hij de ouwe op de schouder klopt en luid begint te lachen. De ouwe deinst terug maar laat zich binnen een paar tellen meevoeren op de lach van de ander. Onze man heeft zichzelf heruitgevonden. Weken, maanden vol drank en gelach volgen. Hij maakt ‘vrienden’ op de gekste plekken. En waar niet gelachen kan worden, kan altijd worden geschaakt of muziek gemaakt. En in ieder geval gedronken. De drank en de wereld van onzinnige leugens voeren hem mee op een roes van avontuur en uitbundigheid. En dan was er een vrouw. Zoals altijd, in ieder verhaal, moet er, wanneer er een man is, ook een vrouw zijn. Dat is de wet van de literatuur, maar ook van het leven. Deze vrouw is niet de mooiste, niet de meest charmante, maar ze is anders dan de andere vrouwen. Ze lacht niet met zijn grappen. Ze wil de waarheid weten. Hij vertelt haar dat hij een baan heeft, vrienden, een mooi leven. Ze is tijdelijk tevreden gesteld. Ze vertelt hem in alle ernst over zichzelf, hij hoort het geboeid aan. Ze is zo open, en daardoor zo kwetsbaar dat het hem fascineert. De meeste mensen zijn zelden werkelijk eerlijk. Ze stelt voor om een keer samen iets te gaan eten. Onze man stemt in, ondanks zichzelf. Hij hunkert niet naar nabijheid, verlangt niet open en kwetsbaar te zijn. En hij voelt aan dat dit soort vrouw met minder geen genoegen zal nemen.  Maar ze maakt iets in hem wakker. Iets wat hem herinnert aan…  aan vroeger, aan onbezorgde jeugdige lentedagen. Toen hij nog een onhandige puistige slungel was en niemand hem dat kwalijk nam. Toen hij zich nog thuis voelde in de wereld. Hij heeft ooit één vriendinnetje gehad, tijdens zijn studententijd. Die was overigens verlopen zonder een donderslag. Het was een saaie maar bevredigende tijd geweest. Hij mocht boeken lezen en werd er voor beloond met mooie cijfers. Zijn vriendinnetje ontmoette hij tijdens een college. Beter gezegd, hij keek een keer geheel toevallig haar richting uit, terwijl zij net haar hoofd naar hem toedraaide. Om één of andere reden had zij dat heel bijzonder gevonden, ze kwam hem na het college achterna gelopen en vroeg hem om samen koffie te drinken. Ze stelde hem geen enkele vraag en daar was hij dankbaar om. Ze praatte aan één stuk door over het boek dat ze aan het lezen was. Het kon hem wel vermaken, in tussentijd keek hij onbeschaamd naar haar gezichtsuitdrukkingen als keek hij televisie. Toen het beeld uit de tv plots op hem toe dook om hem een zoen op de lippen te drukken was hij nog teveel in trance om geschokt te zijn. Bovendien was het een bijzondere sensatie, een stel lippen op de zijne. En zo was de rest van hun verhouding verlopen. Zij praatte, zoende hem, verwende hem. En hij keek toe en liet het gebeuren. Seks hadden ze veel en uitvoerig. Hij deed wat zijn gevoel hem ingaf en blijkbaar viel dat in de smaak. Hij vond vrijen heerlijk, net als muziek spelen. De vingers over snaren laten glijden of over borsten. Het eigen genot zoeken zonder schroom. Zonder woorden. Na een half jaar moet ze plots in de gaten hebben gekregen dat hij al die tijd nauwelijks een woord met haar had gesproken, en als een hysterische begon ze hem uit te vragen. Hij klapte dicht en de zoenen hielden op. Maya heet ze. Deze nieuwe vrouw die hem verwart.  Die hem verplicht tot spreken over zichzelf, iets waar hij een bloedhekel aan heeft. Toch kan hij zich niet van haar afkeren. Hij gooit nog regelmatig onwaarheden en grapjes in zijn verhalen, die ze met een opgetrokken wenkbrauw aanhoort. Ze weet dat het leugens zijn, en in zekere zin voelt het op die manier alsof hij haar de waarheid vertelt. De waarheid ligt in het ongezegde, en in de reden waarom ze elkaar blijven opzoeken. Ze schijnt geen gevoelens voor hem te koesteren, maar zoekt desondanks zijn gezelschap zo vaak ze kan. Ze is nieuw in de stad en is blij iemand te kennen, ook al is dat een onberekenbare leugenachtige dronkaard. Op een avond ontmoeten ze elkaar toevallig op de stoep voor het café waar onze man reeds vele uren heeft gesleten. Hij nodigt haar uit voor een drankje en het worden er veel. Om onduidelijke reden heeft ook zij die avond behoefte aan lichtzinnigheid. Ze laat zich meedrijven op het gelach en de obsceniteiten van het gezelschap. Want ze zijn niet alleen, onze man verzamelt in een handomdraai een boel bekenden om zich heen, een doordeweekse avond verandert in een uitgelaten feest. Maya bevindt zich in een wereld waar ze vanuit haar nuchtere zelf op neerkijkt, maar eigenlijk vooral niet begrijpt. Nu ze zich erin onderdompelt, ziet ze plots wat een mooie kleuren de tropische vissen om haar heen hebben. Ze baadt zich gewillig en vol overgave. Een week lang ziet of hoort onze man haar niet. Tot zijn verjaardagsfeest. Ze komt laat, moest zogezegd nog bij andere vrienden langs. Tegen de tijd dat ze arriveert is onze man reeds op een muzikale, met alcohol doordrenkte high en geeft enkele wilde gitaarsolo’s ten beste aan het verzamelde gezelschap van bekenden. Enkelen doen met hem mee en zetten een ronde improvisaties in, met ter plekke bedachte teksten die  bijdragen tot de algehele hilariteit. Maya aanschouwt de scène en weet zich er rationeel van te distantiëren, maar iets in haar onderbuik protesteert en doet haar anders kijken naar de halvegare die zijn gitaar staat te verkrachten. Ze herkent het gevoel vaag en laat het gedwee toe, maar blijft zitten in de hoek van de kamer. Ze neemt nog een slok wijn. En nog één. Ze neemt ondanks zichzelf een trek van een joint die haar wordt aangereikt door iemand die ze nooit eerder zag. Ze lacht en drinkt nog meer wijn. Van onder haar wimpers kijkt ze steeds weer naar onze man, die haar aanwezigheid alweer lijkt te zijn vergeten. Het feest gaat onverwijld verder, mensen komen en gaan. Tot ergens halverwege de ochtend , wanneer nog slechts drie over zijn, onze man, zijn schaakmaat en Maya. De schaakmaat trekt zich terug in de logeerkamer, Maya ligt in een roes met de ogen dicht op de bank. Onze man tokkelt een eenvoudige melodie op de gitaar. Hij denkt dat Maya slaapt en schrikt wanneer ze overeind komt en hem bij de kraag van zijn hemd naar zich toetrekt. Ze zoenen zich een ongeluk op de bank en maken het af in de slaapkamer. Maya is onder de indruk, ook al kan ze niet meer helder denken. Onze man is meer dan ze had durven denken. Ze valt in slaap en denkt vaag Ach, morgen… In de ochtend is alles licht, de zon wurmt zich binnen door alle spleten en kieren, vrolijkheid moet en zal er zijn. Maya glimlacht breed maar vreest het einde van de roes en vertrekt na een vluchtige zoen. Door omstandigheden zien ze elkaar een paar lange weken niet. Bij beiden is het verlangen gewekt naar meer – ondanks zichzelf. Beiden bevragen zichzelf en begrijpen niet. Willen liever anders, en ook weer niet. Iets in het fysieke contact tussen de twee was waarheid. Was dat wat woorden nooit zullen kunnen zeggen. Ze sturen elkaar berichten waaruit hun beider terughoudendheid, maar ook hun verlangen duidelijk blijkt. Gesterkt door de onzekerheid van de ander durven ze hun gevoelens de vrije loop laten. Bij het weerzien is er geen twijfel en stappen ze resoluut op elkaar toe om die ene kus, dat ene gevoel te mogen ontvangen, voelen, drinken. Toch houden ze zich de rest van de avond betrekkelijk gedeisd. Ze zitten bij haar thuis op de bank en praten, lachen, drinken. Waar de gesprekken over gaan zullen ze zich later allebei niet herinneren, omdat ze aan elkaar geregen worden door zoenen en hartstochtelijke omhelzingen, die ze telkens weer beëindigen, als was het iets wat ze nog even willen opsparen. De pot vol zoete honing niet in één teug leegdrinken. Toch belanden ze samen in bed, maar door al het uitstel is er iets verschoven, het hoogtepunt hebben ze al achter zich gelaten. Ze proberen met overgave te vrijen maar voelen zich allebei uitgeput en niet bij machte om lang door te gaan. Het is een lichaamsdans van een tweeëenheid, terwijl dat niet is wat ze bij elkaar zoeken. Er is eenheid, ergens tussen hun, ergens in de regionen tussen de zoenen en het gelach. De tijd die komt zoeken ze elkaar vaak op, en zoeken ze middels afstoten en aantrekken naar dat ene middelpunt, dat hier en daar om de hoek komt kijken maar zich toch telkens weer verschuilt. Het is uitputtend en beiden graven in hun ziel op zoek naar begrijpen. Zij in de vorm van woorden, hij van muziek. Zij denkt het antwoord gevonden te hebben en besluit met hem te praten. Het is te vlug, ze kennen elkaar niet voldoende, als het zo moet zijn dan gebeurt het vast nog. Hij zegt niks en kruipt, zonder tegenspraak, weer in zijn schulp. Hij gaat verder waar hij was gebleven vóór Maya. Hij leest, drinkt, speelt muziek en schaak. Op een dag komt hij thuis van een drinkavond en vindt een brief op zijn voordeur geplakt.  Van Maya, om te zeggen dat haar verlangen zo groot is dat ze toch bij hem wil zijn, ook al wil ze het eigenlijk met haar verstand niet en is het vast geen goed idee. Onze man zucht diep en kruipt onder de wol. Teveel woorden. De volgende ochtend wandelt hij naar haar huis, onderweg zichzelf afvragend waarom eigenlijk. Die woorden verstoren zijn evenwicht, hij wil ze niet in zijn kop horen nagalmen en raakt met elke stap meer geïrriteerd. Tegen de tijd dat hij bij haar deur is aangekomen weet hij werkelijk niet meer wat hij daar doet. Ze opent de deur zonder dat hij heeft aangebeld, alsof ze voelde dat hij daar stond. Hey! zegt ze vrolijk, maar haar gezicht vertrekt al gauw in een vraagteken. Ze durft geen stap te zetten. Hij wil haar omhelzen en doet dat ook. Hij omhelst haar uit onmacht, uit verwarring, uit angst om een woord te moeten uiten. En hup, daar is het weer. Dat moment, dat gevoel. De omhelzing mondt uit in een passionele kus die urenlang lijkt te duren. Ze weten beiden niets te zeggen, weten niet waar te kijken. Ze staan een tijd in stilte maar beginnen algauw weer te zoenen, want dat is alles wat nog zin heeft. De dagen die volgen hebben ze het beiden druk met vanalles, maar ze slagen erin elkaar tussendoor op te zoeken voor korte of lange zoenen. Aan het eind van de vierde dag hebben ze eindelijk allebei een avond vrij, en hoewel onze man tegen dan vreselijk bedronken is, slagen ze er toch in om een passionele nacht te delen. De hartstocht, het verlangen is zo groot dat het hun overstijgt. Hun lichamen gaan tekeer en laten geen ruimte voor zoenen. Zo blijven ze dus nog steeds op een afstand van het grote gevoel. Ze besluiten het te negeren en zich over te geven aan de fysieke bevrediging. De ochtend na deze nacht is onze man verwarder dan ooit. Er waren geen woorden en toch is hij geïrriteerd, ongemakkelijk. Deze vrouw doet hem verlangen naar dingen die hem mateloos beangstigen. Hij voelt zich teleurgesteld over de nacht hoewel die wild was en zonder woorden. Het was op een perverse manier bevredigend, maar. Maar wat weet hij niet. Hij kronkelt in zichzelf en bedenkt manieren om haar die dag uit de weg te kunnen gaan. De nacht schijnt op haar het omgekeerde effect gehad te hebben, ze straalt en lacht haar breedste lach naar hem. Hij draait zich om en gaat wandelen. Ze komt hem nagelopen en drukt hem een zoen op de lippen, die hij louter fysiek beantwoordt. Ze voelt het en fronst, maar voor ze iets kan zeggen is hij weg. Hij drinkt en drinkt en drinkt. Hij lacht en lult met een nieuwe ‘vriend’, waarmee hij over muziek praat tot ze er beiden bij neervallen. Ze vallen ook letterlijk neer, ergens tussen de ochtendschemer en het kraaien van de haan. Wanneer onze man ontwaakt aan de kant van de weg is hij alleen. Hij haalt zijn schouders op en wandelt naar huis. Waar Maya op hem wacht. Hij wordt boos op haar om iets onbenulligs, haar ogen worden groot en ze opent  haar mond om iets te zeggen maar doet het niet. Ze blijft zitten op zijn bank terwijl hij in bed kruipt. Ver ver weg hoort hij haar snikken, hij valt in slaap en slaapt de heerlijkste slaap die hij in tijden sliep. De volgende ochtend staat hij op, zet koffie, tokkelt op zijn gitaar en speelt online schaak. De dag verloopt zonder een rimpeling. Tegen de avond proost hij met zichzelf om een geslaagde dag en drinkt een halve fles sterk om de waarheid op een afstand te houden. De waarheid laat zich niet meer zien. Maya ook niet.

LL Rigby
0 0

de bus

De 26 was laat vandaag. Twintig minuten van het ene been op het andere. En wanneer de bus uiteindelijk arriveerde zat ze propvol, typisch. Na enig gewurm vond ik een plekje dat me voldoende stabiliteit bood, in de hoek tegenover de middendeur. Daar hield ik me rustig terwijl de andere mensen duwden en vochten om elke centimeter. Ik was gelukkig op mijn microruimte, tussen twee oudjes die uit hun mond stonken en die bij elk heen en weer geschuifel steen en been klaagden. Ik dankte de goden dat ik niet meteen een stoel had gevonden, de elementaire beleefdheid zou me immers algauw gedwongen hebben mijn zitje af te staan, waardoor ik alleen maar zou achterblijven met het verscheurende verlangen naar het reeds ervaren genot van het zitten. Enkele haltes van geharrewar later vormden we uiteindelijk een clubje van vier daar in de hoek tegenover de middendeur. We hielden stand als de rechtmatige eigenaars van het verworven terrein: twee jongemannen, een tienermeisje en ik. We keken naar elkaar met ogen van erkenning en respect en steeds naar de anderen met een meewarige maar zelfvoldane blik. We genoten in stilte van onze superieure positie en waren niet zinnens onze privileges af te staan aan het eerste het beste oudje. (overigens was dat niet nodig want de anderen schenen niet in de gaten te hebben hoe comfortabel we daar wel stonden) Mijn stilzwijgende observaties leidden me plots naar de rugzak van het meisje en ik zag dat de rits van het voorste zakje half open stond (je weet wel dat zakje waar je gemakkelijk je sleutels en portefeuille in kwijt kan maar dat doe je niet want iedereen weet dat je op die manier bestolen wordt). Ik twijfelde enkele ogenblikken of ik haar zou aanspreken – want ik spreek niet gemakkelijk een vreemde aan op de bus –, toch gaf ik haar uiteindelijk een zachte tik op de linkerschouder en zei “Zal ik je rits sluiten? Ze staat open” (Je moet weten dat het haar volstrekt onmogelijk was zelf haar rugzak te sluiten.) Eerst bekeek ze me met een wantrouwige en uit haar lood geslagen blik – typerend voor mensen die plots door een volslagen vreemde worden aangesproken – maar dan zei ze “Ja, ja, dank u… doe maar…” Ik sloot dus de rits en alles werd weer zoals het was: geduw en getrek, gezucht en wanhopige blikken rondom, wij de rust zelve, ieder aan zijn paal geschraagd. Na een aantal minuten draaide het meisje zich met alle macht om, de paniek was op haar gezicht af te lezen. “Mijn portefeuille… mijn portefeuille zit daar in!” Ze wrong zich in een bocht en liet met veel moeite haar rugzak van haar schouder zakken en opende de rits. Van waar ik stond viel er geen portefeuille zien. Van waar zij stond blijkbaar ook niet. “Neeeeeeeeee…. !!!” klonk haar gesmoorde kreet, uitzinnig. Naïef als ik ben, zei ik haar “Rustig, het is vast niets, hij is er waarschijnlijk gewoon uitgevallen.” Maar in plaats van naar de grond te kijken, bleef ze mij stomweg aangapen en ging vervolgens verder “Nee, nee... ze hebben me bestolen… hier, nu net… het is op de bus gebeurd!” Ze was zeker van haar stuk en ze had ongetwijfeld gelijk, maar ik bleef aandringen dat ze de grond zou afzoeken voor het geval dat. Er gingen seconden voorbij, ogenblikken van totale verbijstering in ons clubje van vier. In realiteit waren we slechts met drie beginnen te praten (het typische gesprek van “ach wat jammer”, “hoe erg voor je”, “ik vond het al vreemd dat je ritssluiting openstond, vandaar…” enzoverder.) De vierde stond daar maar, zonder een woord te zeggen. In het begin stond ik er helemaal niet bij stil, hij was waarschijnlijk verlegen en niet in de gewoonte in het openbaar gesprekken aan te knopen – net als ikzelf, uiteindelijk. Maar ergens halverwege de woorden en de blikken die we met z’n drieën uitwisselden, overviel me een vreemd gevoel dat me eens te meer bewust maakte van de aanwezigheid van de vierde. Zonder echt naar hem te kijken zag ik hem toch vanuit mijn ooghoek, hij bewoog niet. Misschien was het meisje wel diegene die zich nog het minst van hem bewust was; op een bepaald moment stond haar blik op oneindig, alsof ze al bezig was het probleem verder op te lossen, daarbij elke gedachte over het hoe en waarom achter zich latend. Dan nam ze opeens haar telefoon uit haar zak, ze twijfelde duidelijk of ze nu niet of wel zou bellen, misschien naar haar moeder, mogelijk naar degene waarmee ze had afgesproken aan het einde van het bustraject. Ze besloot niet te bellen, nam haar rugzak stevig onder de arm en begon zich een weg naar voren te worstelen, richting buschauffeur. Ik kon moeilijk raden wat ze die precies te vertellen had, omdat ik ten zeerste twijfelde aan de invloed die de buschauffeur op het gebeurde zou kunnen hebben. Toch zag ik haar een lang gesprek met hem voeren, en van zodra hij het voertuig stilhield aan de volgende halte sprong het meisje van de bus. En zo bleven we met drie achter in onze comfortabele hoek tegenover de middendeur, die ons plots lang niet meer zo comfortabel toescheen, en we dachten aan het gebeurde en voelden mee met het meisje. We waren ook dankbaar dat het deze keer ons niet was overkomen. Ik zeg ‘we’ omdat ik eigenlijk niet wilde twijfelen aan de vierde, die nu zo plots de derde was geworden. Ik wilde mijn blik niet langs zijn broekszakken laten glijden, niet langs zijn te uitdrukkingsloos gezicht. Ik wilde niet denken aan wat ongetwijfeld de tweede aan het denken was. Maar ik deed het wel. Ik bedacht dat het op zijn minst vreemd was dat hij de enige was die geen woord had gesproken. Ik bedacht dat zijn hand precies ter hoogte van die ritssluiting was geweest gedurende de hele tijd dat we daar met ons vier quasi onbeweeglijk hadden gestaan (quasi). Ik dacht ook aan de tijd vóór we daar met vier waren beland, toen het meisje nog in de gang tussen het volk stond gedrukt, maar ik bedacht dat de mensen rondom haar toen allemaal oudjes waren geweest, afgezien van een Boliviaanse vrouw die druk bezig was met haar dochtertje. Ik dacht aan waarom ik niet kon zeggen tegen de derde “laat eens zien wat er in je zakken zit, voor het geval dat…” Ik kon me niet van de twijfel bevrijden, uit pure elementaire beleefdheid, uit respect voor de vrijheid van het individu. Ik bedacht hoe vreemd het was dat iedereen onschuldig is zolang zijn schuld niet bewezen wordt. Er was immers een gemakkelijke manier om na te gaan of hij schuldig was of niet, hij zou de portefeuille nog bij zich hebben, zonder twijfel. Maar als zijn zakken leeg bleken te zijn, wat dan? En toen bewoog hij zich. Hij verliet ons clubje, drukte op de bel, en enkele seconden later zagen we hem uitstappen. Ongetwíjfeld had hij dezelfde zure smaak in de mond als wij, ongetwíjfeld dacht hij na over hoe zoiets kon gebeuren in nauwelijks een ogenblik en zonder dat we het hadden gemerkt. Maar misschien, heel misschien, was hij uitgestapt met een immens gevoel van overwinning, een glimlach van oor tot oor. Een inwendige glimlach in dat geval, want toen ik hem nakeek zag ik zijn immer uitdrukkingsloze gezicht in de verte verdwijnen. Achter ons stopte nog een 26 – leeg.  

LL Rigby
0 0

eleonoor

De schaduw van de boom drapeert zich parallel aan haar dijen.  De boomkevers tjirpen luidruchtig, maar Eleonoor hoort het niet.  Ze zit met haar ogen dicht de geuren, intens als de walm van versgebakken wafels in een kleine keuken, in te drinken. Een beeld van een man dringt zich aan haar op. Een man, robuust en imposant als een mythologisch figuur. Ze ziet zijn gezicht niet maar voelt zijn warme adem in haar nek. Een hond blaft in de verte. Vage verlangens vullen haar gemoed. Verlangens die ze nooit zal kunnen bevredigen. Eleonoor is ‘anders’. Werelds genot is niet voor haar weggelegd. Eleonoor voelt zich inderdaad anders dan de anderen, maar weet niet precies waarom. Voorbij de struiken, aan de rand van het water, ziet ze beweging. Ze richt zich een beetje op en ziet de gestalte van een jongen die een meisje met lange paardenstaart naar zich toetrekt. Hun gezichten plakken aan elkaar. Ze lijken niet los te komen, ze draaien een beetje naar rechts en dan weer naar links, maar het schijnt niet te lukken. Eleonoor kijkt weer naar de lijnen van de boomschaduw en haar benen. Ze let erop om haar knieën niet te buigen zodat het samenspel niet verstoord wordt. Van achter de struiken hoort ze kleine gilletjes van het meisje. Ze gaat weer rechtop zitten om te kunnen zien wat er gebeurt. Maar de hoofden zijn inmiddels achter de struiken verdwenen. Ze zullen zijn gaan liggen, zoals ik, denkt Eleonoor. Op school willen ze allemaal haar vriendinnetje zijn. Ze komen altijd naar haar toe, tijdens de pauzes en tijdens het middageten in de kantine. En dan gaan ze allemaal rond haar staan en zingen liedjes en lachen luid. Eleonoor lacht dan mee, maar om één of andere reden vinden de andere meisjes dat niet leuk en gaan weer weg. Eleonoor hoort nu heel vreemde geluiden van achter de struiken. Het meisje lijkt pijn te hebben, ze kreunt en schreeuwt. Eleonoor zou willen gaan kijken wat er aan de hand is, maar ze wil het patroon van haar benen en de schaduw niet verbreken. Ze meent een gesmoorde hulpkreet te horen, daarna een klap en dan niets meer. Eleonoor spitst haar oren, maar het is volledig stil achter de struiken. Ze haalt haar schouders op en kijkt weer naar het schaduwspel van de bewegende takken vóór haar voeten. Ze glimlacht en probeert haar armen te laten bewegen op het zelfde ritme. Wanneer broer plots naast haar komt zitten, lijkt Eleonoor het eerst niet te merken, zozeer gaat ze op in haar dans met de boom. ‘Noortje, ik had je toch gezegd op het bankje te wachten? Ik heb als een gek naar je lopen zoeken!’ Eleonoor kijkt hem aan maar lijkt hem niet te zien. ‘Noortje!!’ Broer staat  op, grijpt haar bruusk bij de arm en trekt haar met zich mee naar huis. ‘Kan je nou nooit eens normaal doen?’,  verzucht hij gefrustreerd. Normaal… Eleonoor vraagt zich altijd af wat ze met dat woord bedoelen. Ze sjokt een beetje scheef achter broer aan, erop lettend dat elke stap die ze zet precies landt waar broers schaduw zich beweegt.

LL Rigby
0 0

geknipt

Een klein dorp ergens in Europa, 1974. Een man loopt over een zandpad door de velden, het hoofd gebogen, de schouders gekromd. Onder zijn oksel een kappersset. Niets aan het voorkomen van deze man doet vermoeden dat hij ooit rijk en succesvol was. Dat hij ooit de mooiste dame uit de streek tot zijn vrouw had gemaakt en een gemakkelijk leven genoot dankzij de vier goeddraaiende kapperszaken die hij eigenhandig uit de grond had gestampt. Dat hij ooit gelukkig was. De wandelende man loopt langs een kleine boerderij en groet bedrukt maar vriendelijk een oude vrouw die aan de voordeur onder de luifel zit. Hij haalt zijn set onder zijn arm vandaan en toont het haar, bij wijze van vraag. De oude vrouw schudt verontschuldigend het hoofd. Zo loopt deze man, dag in, dag uit, over alle paden en wegen van de dorpen, langs de huizen en boerderijen, langs tavernes en bordelen.  De mensen groeten hem steeds meewarig. Ze kennen zijn verhaal, hoewel slechts in grote lijnen. Ze durven hem er niet naar vragen, waarschijnlijk uit angst zijn dappere maar breekbare voorkomen te kraken. Het verhaal gaat, dat hij op een dag alles kwijtraakte, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn kapperszaken. Er zou een andere man mee gemoeid zijn, een vertrouwenspersoon in de zaak, maar dat zijn slechts speculaties van kwade tongen. In ieder geval  verloor hij alles, onder dubieuze omstandigheden. En sindsdien wandelt hij door de dorpen, met zijn oude kappersset onder de arm. Waar hij kan haalt hij zijn set onder de arm vandaan en knipt haren of scheert een baard. Op de drempel van een huis, op straat, in de tavernes. Na elke knip- of scheerbeurt krijgt hij wat geld toegestopt, doorgaans genoeg om zich ergens één of twee glazen rode wijn te bestellen. Zo komt hij de dagen door. Met elke haal van de schaar snerpt de pijn van het verlies door zijn botten. Met elke teug wijn vergeet hij weer.

LL Rigby
0 0

voortzetting van een verhaal

Rik kijkt uit het raam en ziet de wereld beneden hem bewegen. Hij ziet een oude man, gebogen over zijn wandelstok, langzaam naar de tramhalte schuifelen. Vaag ziet Rik er de poëzie van in, zoals hij dat vroeger altijd deed. Elk nieuw beeld was toen een mogelijke aanzet tot een nieuw verhaal. Hij zag overal schoonheid in, de rauwe schoonheid van het werkelijke leven. Hij had het geluk er zijn geld mee te hebben verdiend. Tien goed verkopende romans in amper vijftien jaar. Hij wordt nu al bij de Vlaamse klassiekers gerekend. Niet dat Rik om de roem geeft. Schrijven is voor hem een noodzaak, zoals ademen en eten. Hij kan eenvoudigweg niet door de wereld wandelen zonder overal verhalen te zien. Het gesprek op de hoek van de straat tussen een traditioneel geklede moslima en haar modern uitziende puberdochter. De tristesse in de ogen van de Pakistaanse verkoper in de nachtwinkel waar hij steevast iedere avond een nieuw pakje Chesterfields koopt. De stad en al zijn kleine fotografische momenten hadden hem succes en een zekere weelde geschonken. En nu was het op. Zijn bron was opgedroogd, hoewel de beelden nog steeds door zijn blikveld liepen. Maar de pellicule leek wel vol, niets bleef hangen, geen enkel fragment ontspon zich in zijn hoofd nog tot een verhaal. Het leek alsof hij een ander opnameapparaat nodig had, een andere omgeving, beelden in andere vormen en kleuren.   Niet dat hij nog hoéfde te schrijven. Maar hij wist nu eenmaal niet wat anders met het leven aan te vangen. Hij bezat vrouw noch kind, en vriendschappen beperkten zich tot een gedeeld glas aan de bar van een willekeurig café. De meest diepgaande contacten van de laatste jaren waren die met de journalisten. Die wilden weten wie hij werkelijk was. Hun nieuwsgierigheid prikkelde ook de zijne. Er was één journaliste in het bijzonder geweest die hem zover had gekregen dat hij echt over zijn leven ging nadenken. Nadine De Smet, heette ze. Een truttige dame van rond de vijftig, die onverwacht scherp uit de hoek kwam en hem met de neus op zijn treurenswaardige levensloop wees. Afgezien van zijn romans had hij niks van belang bereikt in het leven. Ze vroeg zich af waar hij de inspiratie haalde om zo levensecht te schrijven, om zo te schrijven dat de verhalen herkenbaar werden voor mensen van alle afkomsten en leeftijden. Hij moest wel veel levenservaring hebben. Veel mensen kennen. Veel gereisd hebben. Rik kon zich geen van al deze dingen toeëigenen. Hij kwam nauwelijks achter zijn raam vandaan, had nooit veel vrienden gehad en was nooit verder van huis geraakt dan Cap Gris Nez aan de Franse kust, om zijn broer een keer te bezoeken die daar al twintig jaar woonde met zijn vrouw. Na jarenlang aandringen hadden ze het voor elkaar gekregen dat hij hen zou bezoeken voor de kerst. Een keer en nooit meer. Hij had bronchitis opgelopen van de strandwandelingen in de ijskoude decemberwind en ze hadden elkaar niks te vertellen gehad.   Rik probeert nog een keer een verhaal te beginnen, zijn vingers zweven boven de toetsen van zijn oude schrijfmachine. Hoe langer hij twijfelt over het eerste woord, de eerste zin, hoe minder hij weet wat hij eigenlijk wil schrijven. Hij heeft helemaal niks te zeggen. Hij zucht en loopt de keuken in om thee te zetten. Kamille. Vaste prik rond negen uur elke avond. Om goed te kunnen slapen. Het is nauwelijks kwart over zeven, maar Rik bedenkt zich dat hij de dag net zo goed kan afronden. Morgen gaat het vast beter.   Ward ijsbeert door zijn cel. Hij zou willen rennen of boksen, hij heeft een teveel aan energie. De enige mogelijkheid in deze kleine ruimte is echter ijsberen. Als hij een celmaat zou hebben zouden ze samen een beetje kunnen sparren. Hoewel dat vast niet zou mogen van de cipier, maar als ze het stil zouden doen… Tina is niet op het bezoekuur verschenen. Hij is teleurgesteld maar zet een masker van boosheid op. Teleurstelling en verdriet zijn geen gedoogde emoties in de bak. Je bent stoer en boos, of stil en teruggetrokken. Ward koos maar voor het eerste. De andere optie ligt dichter bij zijn persoonlijkheid, maar hij vreest daardoor in het vizier te komen van de bullebakken die altijd een slachtoffer zoeken. Dat hij niet met Tina heeft kunnen spreken of haar heeft kunnen zien maakt hem razend – maar eigenlijk dus verdrietig. Hij heeft een enorme nood aan de gesprekken met haar. Hoewel hij in alle eerlijkheid zou durven bekennen dat het net zo goed met iemand anders zou kunnen zijn. De bak maakt hem harteloos, vreest hij. De waarheid is dat hij van Tina houdt. Maar zijn verlangen naar een luisterend oor heeft niks met liefde te maken. Het is een kwestie van leven of dood. De gedachten in zijn hoofd gaan als een razende tekeer. Elke keer na het bezoekuur lijkt hij minstens voor een deel ontladen. Nu Tina niet is geweest neemt de drukte in zijn hoofd toe. Hij ijsbeert nog een goed halfuur door, in stevig tempo. En gaat dan maar opdrukken.     Het duurt weken vooraleer Rik nog een fatsoenlijke zin op papier krijgt. Op een ochtend gaat de bel, met tegenzin loopt hij naar de deur. Hij krijgt nooit bezoek, wie zou hem ook bezoeken? Dus hij weet dat het een verkoper of een getuige van Jehova moet zijn. Misschien levert het de broodnodige inspiratie op. Rik grijpt zich vast aan elke strohalm, dezer dagen. Het is geen verkoper, ook geen getuige van Jehova. Het is een jongeman die verderop in de straat woont, tenminste dat beweert hij. Rik heeft hem nog nooit gezien. Of Rik elektriciteit heeft? Die van hen doet het niet, hij probeert na te gaan of het een algemeen probleem is of enkel bij hun. Op dit uur van de dag is er bijna niemand thuis in de straat. Rik meldt de jongeman met uitgestreken gezicht dat zijn elektriciteit het prima doet, anders had hij overigens de bel niet gehoord. De jongeman knikt fronsend en verontschuldigt zich. Dan ligt het probleem dus bij hen thuis. Rik vraagt of hij de hoofdschakelaar al heeft gecheckt. De jongeman kijkt hem aan alsof hij net een schunnig woord heeft uitgesproken. De wat? De hoofdschakelaar. In de elektriciteitskast. Rik schat de jongeman achteraan in de twintig, in ieder geval oud genoeg om een basiskennis van elektriciteit te hebben – of van wat dan ook. Hij staat er zo hulpeloos bij dat Rik ondanks zichzelf aanbiedt om even mee te gaan kijken.   Wanneer hij terug thuis komt voelt hij zich ontzettend moe. Nochtans was het klusje op tien minuten geklaard. Negen daarvan hadden ze doorgebracht op zoek naar de elektriciteitskast, de jongeman en Rik. Iemand anders leek er niet in huis te zijn. Toch kreeg Rik de indruk dat het een druk bewoond huis was. Overal rommel en kleren, de keuken duidelijk goed gebruikt. De geuren kwamen hem Indiaas voor, hoewel de jongen er niet bepaald Oosters uit zag. Eerder… Italiaans? Zijn Nederlands was vlekkeloos, vast een derde of vierde generatie migrant. Iets aan de jongen had Rik doen denken aan… Tja, aan wat of wie? Hij kon er de vinger niet op leggen, maar hij wist dat er ergens een oude herinnering langzaam uit de winterslaap van zijn geest kroop. Want hoewel hij aan juffrouw De Smet had laten uitschijnen dat zijn leven van begin tot eind zonder veel deining was verlopen, was dat niet de volle waarheid. Er was een jaar geweest dat… hij moest toen ongeveer de leeftijd van de jongeman hebben gehad… toen was het even anders geweest. Maar toen schreef hij ook nog niet. Rik schudt de vage herinnering koppig van zich af. Alles vóór het schrijven, voor de boeken en de roem, was niet van belang. Het enige leven dat hij bezat, dat hij waardeerde, was dat waarin hij achter de schrijfmachine zat. Het leven waarin hij niet langer leefde in de echte wereld, maar des te meer op papier.   Ward heeft tijdens de middagluchting een kerel zien zitten op de binnenplaats met een boek in de hand. Luchting noemen ze het in de bak. Een half uur frisse lucht op een binnenplein met vier hoge muren eromheen. Je kon er op zijn minst wat rondjes rennen, maar verder was het eerder een marteling dan een cadeau. Na elke luchting moesten ze weer de duffe lucht van hun hol in. Het wees hen elke keer weer op wat ze vooral niet hadden. Zuivere CO2. Ruimte. Tijdens het avondeten was Ward naast de kerel met het boek gaan zitten. Een behoorlijk risico, hij wilde niet door de bullebakken opgemerkt worden terwijl hij met een sufketel zat te praten. (Ward vond de woordenschat van de bak soms erg lachwekkend. Luchten, sufketels en bullebakken, het leek wel een soort kindertaaltje. Maar het was allemaal stoer bedoeld natuurlijk. En hij had zelf ook voor stoer gekozen.) Hij probeert zijn beste bullebak-stem boven te halen wanneer hij de jongen uitvraagt over het boek. Waar hij dat gehaald heeft en wie denkt hij wel dat hij is, meneer de intellectueel. De sufketel staart hem in stilte aan, Ward meent zelfs een minuscule glimlach om zijn mondhoek te zien verschijnen, die de knul wijselijk verhult door zich gauw over zijn eten te buigen. Nauwelijks hoorbaar mompelt hij Ward toe dat hij aan de cipier een boek kan vragen. Dat er een heuse bibliotheek bestaat, ergens in de ondergrondse gangen van de bak. Ward twijfelt of hij zou doorvragen, zijn stoere pose staat op het spel als hij te lang bij de knul blijft zitten. Toch is zijn nieuwsgierigheid te groot. Hij vraagt wat voor boek hij dan moet lezen, hij heeft geen idee. Heeft nooit wat gelezen. De knul raadt hem het boek aan waar hijzelf nu in bezig is, hij heeft het bijna uit.   Rik ontwaakt midden in de nacht, iets wat hem nooit overkomt. Misschien is het omdat hij nu al dagen vroeg naar bed gaat. Te vroeg eigenlijk. Hij besluit op te staan en nog maar een kamillethee te zetten. Nog vijf uur te gaan voor het daglicht door de gordijnen op zijn inmiddels stoffige schrijfmachine zal schijnen. Terwijl hij slaperig aan het aanrecht in de keuken staat schiet een beeld door zijn hoofd. Een kleine ruimte, kaal, zonder kleur of versiering. Een beeld uit een droom. Rik herinnert zich zelden iets van zijn dromen. Hij maakt zichzelf wijs dat hij droomloze slapen slaapt, hoewel hij wel weet dat dat niet klopt. Hij herinnert het zich gewoon nooit. Het beeld blijft in zijn geest hangen. Meer dan een beeld is het een gevoel, van benauwdheid, eenzaamheid. Rik heeft geen idee van wat hij precies gedroomd heeft, maar hij voelt aan dat het iets te maken heeft met de buurjongen. Iets aan die knul heeft een gevoel in hem wakker gemaakt. De waterkoker springt uit, ten teken dat het water gekookt heeft. In plaats van zijn mok te vullen loopt Rik echter op een impuls naar de woonkamer, die in een vreemd licht baadt. Hij lijkt te slaapwandelen, hij weet zelf niet wat hij hier doet. Zonder verder nadenken loopt hij op het raam toe en kijkt voor een keer niet naar de straat beneden hem, maar naar de lucht. Een heldere, bijna volle maan verlicht de hele hemel en geeft de plukjes wolken eromheen een bijzonder schijnsel. Rik beseft met een schok dat hij dit soort tafereel een keer eerder zag. Lang geleden…   Ward slaapt de volgende dagen slecht. Hij probeert te bedenken hoe en wanneer hij de cipier zal vragen naar het boek. Hij heeft de knul niet meer durven aanspreken, maar hij gaat ervan uit dat die inmiddels het boek wel uit heeft. Ward begrijpt niet waarom dit thema hem zo rusteloos maakt, het is maar een boek, jezus man. Hij spreekt zichzelf toe vanuit zijn persoonlijkheid als stoere bullebak maar doorprikt zelf de onechtheid ervan. Als hij maar kon sporten, of met Tina praten. Ze is nu al ruim een week niet meer geweest. Hij mist haar, en ook weer niet. Hij zit hier nog wel een tijdje, dus het heeft geen zin om haar te missen. Tijdens de bezoekjes mag hij haar niet aanraken. Toen het besef begon door te dringen dat hij haar maanden, misschien wel jaren niet zou kunnen, mogen aanraken of zoenen, begon hij zich langzaam van haar los te maken. Maar hij wilde wel dat ze bleef komen. Hij moet kunnen praten. Met haar, met wie dan ook. Met iemand waartegen hij niet de stoere hoefde uit te hangen.   Weken later, Ward loopt weer te ijsberen. Het is midden in de nacht. Hij denkt aan het boek. En het verlangen dat hij voelt. Waarom weet hij niet, maar het boek is een obsessie voor hem geworden. Hoewel hij weet dat hij het maar hoeft te vragen, lijkt het een onbereikbaar iets. Een heilige graal. Een vermoeden van… een nieuwe wereld. Hij durft de gedachten eraan soms niet toe te laten. Hij vermoedt in de gedrukte woorden een soort geheime boodschap, een uitweg. Maar hij is bang voor wat dat zou kunnen betekenen. Al zou hij in alle geheim in zijn cel lezen, het zou zijn stoere pantser onherroepelijk verpulveren. Dat voelt hij, weet hij. En hij vreest het verliezen van zijn pose. Niet eens omwille van de bullebakken. Omwille van zichzelf. Hij vreest een waarheid te ontdekken die zijn verblijf hier ondraaglijk zal maken. De uitzichtloosheid onhoudbaar. En toch verlangt hij. Meer dan hij ooit naar iets verlangd heeft. Hij kijkt uit het kleine raampje van zijn cel en ontwaart een glimp van de volle maan, die de nachtelijke hemel verlicht op een manier die hem een besluit doet nemen. Morgenochtend.   Rik bevindt zich voor zijn schrijfmachine. De ochtend is nog steeds veraf, het water in de waterkoker inmiddels weer koud. Hij weet werkelijk niet wat hij hier doet, waarom hij niet terug naar bed gaat. Hij is nooit het soort schrijver geweest dat diep in de nacht creatieve hoogtepunten bereikte, geen reden dat het nu wel zo zou zijn. En toch… Iets zeurt en knaagt aan zijn onderbewustzijn. Wat was de naam van die knul ook weer? Rik beseft dat hij het niet weet omdat hij het niet heeft gevraagd. Wat was het dat hem herinnerde aan… Aan wat ook weer? Rik schudt zijn hoofd en moet lachen om zichzelf. Een schrijver van middelbare leeftijd met een writer’s block die nu al maanden duurt, die ’s nachts achter zijn schrijftafel kruipt omdat een buurjongen… omdat de maan… Belachelijk. Toch zweven zijn vingers richting toetsen. De kleine ruimte doemt weer op voor zijn geestesoog. Wordt scherper. Hij ruikt de muffe lucht, alsof… Helder als het maanlicht ziet hij plots dat hij in die ruimte is geweest, ooit, lang geleden. Toen hij nog leefde in de wereld buiten het papier. Alsof hij zich wil vergewissen van het bestaan van het papier raakt hij werktuigelijk het lege blad in zijn schrijfmachine aan. Een golf emotie stroomt even onverwacht als vanzelfsprekend door hem heen. Het papier, de letters, de woorden en de zinnen. Hij herinnert het zich weer, hoe het alles veranderde. Hoe niets ooit meer hetzelfde was. En dan, eerst twijfelachtig, maar algauw met zijn gewone elan, maken zijn vingers contact met de toetsen en schrijven het eerste woord, de eerste zin. “Ward ijsbeert door zijn cel.”   Het boek in zijn handen voelt vreemd en toch vertrouwd. Ward weet dat hij voorbestemd is dit boek te lezen. Dat het alles zal veranderen, dat er geen weg terug meer zal zijn. Hij savoureert het moment en neemt zijn tijd. Het lastige deel is achter de rug en bleek inderdaad, zoals de sufketel had gezegd, verbazingwekkend eenvoudig. Hij vroeg de cipier ’s ochtends vroeg bij het openmaken van de cel of hij een boek mocht uit de bibliotheek. Of hij een voorkeur had, thrillers of detectives. Bij het horen van titel en auteur was de cipier zichtbaar verrast, maar verdoezelde het snel met een stuurs Oké, en nu, voortmaken! Diezelfde avond bij de avondklok lag het boek al op zijn brits. Voorzichtig draait hij het bundeltje papier met beduimelde kaft om en om in zijn handen. Hij leest de titel en de naam van de auteur, met aandacht. En eerbied. Als een gelovige die op het punt staat een heiligdom te betreden. Hij ademt nog een keer diep in en uit en slaat dan het boek open op de eerste bladzijde. Hij begint te lezen. “Rik kijkt uit het raam ziet de wereld beneden hem bewegen.”  

LL Rigby
0 0

Fragment

Zelfs hier in Cadiz kan ik mijn ogen niet van de vrouwen afhouden. Nochtans is dat precies waarvoor ik mezelf enkele weken naar Zuid-Europa heb verbannen. Ik heb tijd voor mezelf nodig. Of toch op z’n minst een periode weg van het vrouwelijk schoon. Parels voor het zwijn dat ik ben geweest. Maar dat gaat veranderen. Dat beloof ik plechtig. Ja, ik voel me schuldig. En schuldgevoel is exact datgene wat me ertoe heeft aangezet dit verhaal te schrijven. In een bar in La Linea zag ik hoe de ondergaande zon de rots van Gibraltar langzaamaan verduisterde. Tot er niets van overbleef. Ik nipte van mijn Sagres, slikte de eenzaamheid weg en bladerde in Pessoa. Die had ik van haar gekregen. De dag dat ik haar vertelde dat we er beter mee konden ophouden. Mijn wandeling in de straatjes van Gibraltar was geen lange conversatie, maar een diep stilzwijgen. Eenzaam in de luide massa wierp ik mijn schaamte, die op me brandde als de huid van Herakles, van me af. Non plus ultra. Er is meer dan zelfreflectie in het leven. Misschien moest ik maar eens volwassen worden. Ze was lang niet de enige wiens hart ik tot gruzelementen had vermalen. Meer dan eens ervoer ik hoe gemakkelijk het was om iemand door middel van puur goede bedoelingen en oprechte emoties toch heel hard te kwetsen. Het enige onontbeerlijke ingrediënt daarvoor was interesseverlegging. Een hartstocht die even gauw gaat liggen als hij was gekomen en die mezelf slechts minimale schade berokkent, maar bij het slachtoffer van mijn amoureuze uitspattingen voor niets minder gaat dan perte totale. Een emotionele lawine die haar hart nog maanden in een coma zal houden. Verschillende vrouwen zijn in die val getrapt. Zo ook ikzelf. Keer op keer. Want als ik niet telkens opnieuw rotsvast geloofde in de liefde die ik voelde, zou het meisje in kwestie nooit zo snel haar verdedigingsmechanisme hebben laten vallen, en zou de schade dus zeer beperkt zijn gebleven. Ik ben een player, een casanova, een don juan, die net als Don Quichote in zijn eigen wereld leeft, gelooft in de beloftes waarmee hij menig vrouwenhart sneller doet slaan. Mijn Heilige Graal is een Ware Liefde die niet bestaat, maar waar ik me aan vastklamp alsof mijn geluk ervan afhangt. Overmorgen neem ik de trein naar Sevilla, dan naar Barcelona, en zo hoop ik via ook nog Nice, Genua, Triëst en de Balkan uiteindelijk Griekenland te bereiken. Ik ga afkickverschijnselen krijgen. Ik zal honderden mooie vrouwen tegenkomen en ik ga hen met rust moeten laten. Er zijn genoeg harten vertrappeld, genoeg doden gevallen.

Gert Vanlerberghe
0 0

UITGELOKT

Eigenlijk was het zijn eigen schuld. Dieter had het dier geprovoceerd door een krassend geluid na te bootsen. Hij had direct spijt. Zoals hij daar zat, met zijn vleugelpunten rustend op de stoep, had de kraai wel iets weg van de controller van zijn spelcomputer. Alleen, die had voor Dieter geen geheimen; hij kende elk knopje, elke trick en magic skill. De kraai daarentegen was onberekenbaar. Bij dieren, zeker bij vogels, wist je nooit wat ze dachten, wat ze gingen doen. De kraai keek hem na, terwijl Dieter huis-aan-huisbladen in de brievenbussen propte. Toen hij terugkeerde bij het begin van de straat zat de vogel er nog. ‘Opzouten!’ De kraai bleef zitten waar hij zat. Dieter deed nog twee stappen naar voren en liep er toen in een boogje omheen. Hij bloosde. Zijn laffe gedrag bleef vast en zeker niet onopgemerkt. In deze kleinburgerlijke straat zat altijd wel iemand naar buiten te kijken. Het leek goed te gaan, maar zodra hij weer een stap op het trottoir zette, kwam de vogel met trage sprongetjes achter hem aan. Dieter schoot een voortuin in. De Nee-Nee-sticker op de klep van de brievenbus bevestigde zijn kansloze actie: toen hij zich omdraaide had de kraai het paadje van gewassen grindtegels geblokkeerd. Dieter zat in de val. Haastig rolden zijn klamme handen een krant tot koker, maar nauwelijks op tijd. De kraai klapte met zijn vlerken en plotseling was zijn kop vlakbij, de snavel maximaal opengesperd. Kraa! Kraa!’ Dieter maaide in blinde paniek om zich heen en met een doffe klap belandde de kraai in de voortuin. Hij bleef roerloos liggen. ‘Klote beest!’ Dieter rilde, zijn T-shirt plakte aan zijn rug, en de hand waarmee hij de krant had omklemd vertoonde een perfecte afdruk van het voorpagina-artikel.   De week erna lag de kraai er nog steeds. Hij zag er wonderbaarlijk ongeschonden uit. Dieter keek verbaasd naar de verveloze voordeur, daarna naar het grote raam van de woonkamer waar vrouwentongen als zwaarden door de gesloten luxaflex staken. Waarom hadden die mensen dat beest niet even opgeruimd? Over een paar dagen zou de buik met een plof openbarsten in een misselijkmakende orgie van honderden krioelende maden.   Een week later verwachtte Dieter dat de zomeravondlucht zwanger zou zijn van een penetrante kadaverlucht, maar het rook net als anders: naar bloemkool. Tóch opgeruimd, dacht hij, maar tot zijn ontsteltenis lag de kraai nog steeds in de tuin, zijn klauwen in de lucht. Wat een gore lui had je toch. Dieter keek een tijdje naar de kraai en grijnsde. Hij zou die mensen een handje helpen. Hij vouwde een krant open en legde die als een dekentje over de vogel. Hij walgde van het gewicht, maar bovenal van de warmte. Behoedzaam droeg hij het pakketje naar de voordeur. En toen pulseerde er iets onder de krant. Hij deinsde achteruit, verwachtte een explosie van rottingsgassen, maar de uithaal van de puntige snavel die hem vol in zijn rechteroog trof, was het laatste wat hij zag aankomen.

Grand Foulard
0 0

Coke-cooning

Aan het geluid te horen, zat de stemming er al aardig in toen ik met mijn vrouw de woonkamer binnentrad. Een zeer ruime kamer waarvan het salongedeelte goed bevolkt was. ‘Aha, daar zijn jullie’, riep mijn collega van de universiteit terwijl hij naar ons toekwam. Hij draaide zich om en riep de anderen: ‘Mag ik jullie voorstellen, mijn collega, een fysicus met zijn echtgenote.’ Handen werden geschud en iedereen stelde zichzelf voor, de meesten ook met zijn of haar beroep. We kregen een plaats aangewezen op een grote hoekzitbank. ‘Wat mag het zijn?’, vroeg mijn collega met een drinkbeweging. ‘Voor mij een gin-tonic, graag’, antwoordde mijn vrouw, waarna ik een whisky zonder ijs vroeg. Hij bediende ons snel met de drankjes. Ik proefde van mijn glas. Een milde whisky met een fruitige smaak. Ik vermoedde een twaalf jaar oude Glenfiddish of iets in dat genre. Pas later zag ik de bevestiging van mijn vermoeden aan een typische Glenlivetfles die op de bar stond. Ik zat er wat onwennig bij, terwijl mijn vrouw al gauw een gesprek had aangeknoopt met haar buurvrouw. Het was voor mij een onverwachte uitnodiging van een collega, die mij uit mijn ivoren toren wilde losweken en meer onder de mensen van diverse pluimage laten komen. Ik bestudeerde het gezelschap. Het zag er op het eerste gezicht een gezellige bende uit, tamelijk sportief gekleed en lichamelijk van uiteenlopende grootte en breedte. Er waren zeven mannen, veertigers en vijftigers, schatte ik, en zeven vrouwen van wie de leeftijd wel iets meer was gespreid. Met de diverse beroepen leek het gezelschap op een mini serviceclub. De gesprekken liepen door elkaar. Ik hoorde naast mij vragen: ‘Hoe heb je dit huis gevonden?’ ‘Ik ken dit huis en zijn eigenaar al lang. De verkoop van dit pand is ooit in mijn studie gepasseerd. Je kan dit hier huren voor een dag, een week, een maand, zo kort of zo lang je maar wil’, antwoordde de notaris met een zekere air. Ik kon de bankfiliaalhouder, drie plaatsen verder, horen vertellen dat het nettoresultaat van Inbev voor het tweede jaar na elkaar gedaald was zodat het niet opportuun was om nu aandelen te kopen. Het ging verder nog over Mittal-Arcelor, maar ik werd onderbroken door mijn buurman die plots zei: ‘Zo, en jij bent een vieze kus’, en luid lachte. ‘Jawel, maar die is al een ouwe’, zei ik en glimlachte fijntjes. ‘Ik ben rechter en dit hier is een procureur’, zei hij terwijl hij de man naast hem uit zijn gesprek haalde en hem omarmde. ‘Aangenaam’, zei ik kort. ‘In de rechtbank ben ik de regisseur en hij verdeelt de rollen, twee in elk toilet’, zei hij en schaterde het uit. De procureur liet een cynische ‘hahaha’ horen en draaide zijn hoofd terug naar de dames met wie hij bezig was. Wat een verwaande, boertige kwast en dat voor een rechter. Ik wou opstaan en een andere plaats nemen, maar twee dingen hielden mij tegen. Ten eerste, ik had die plaats toegewezen gekregen en het zou onbeleefd zijn om te ruilen, zeker nu de zitbank en alle stoelen bezet waren. Ten tweede, mijn echtgenote, die toch graag in mijn buurt bleef, was lekker aan het keuvelen met de dame naast haar. Aan de andere kant van de zitbank riep er iemand plots luidkeels: ‘Zwijg, dat gebouw heeft mij bijna een faillissement gekost.’ De gesprekken stokten en alle hoofden draaiden simultaan in de richting van de aannemer. ‘Komt ervan als je net voor belangrijke beslissingen aan de coke zit’, brak iemand de stilte. ‘Nu je over coke spreekt, dokter. Wordt het niet stilaan tijd?’, vroeg de advocaat. ‘Wie trakteert hier eerst?’, vroeg de rechter. ‘Ik zal het ijs breken’, zei de aannemer. ‘Hier heb je twee zakjes’, zei hij en smeet twee plastic minizakjes op de salontafel. ‘Hoe is het mogelijk. Je moet toch maar eens leren de juiste term te gebruiken. Snowsealtjes, heet dat’, zei de advocaat belerend. ‘Potvolkoffie, snowzeeltjes of wat dan ook, als het spul maar van goede kwaliteit is. Dat is wat telt.’ De notaris riep zijn vrouw toe: ‘Lieve, breng de schaaltjes.’ Een dame met een nogal opvallend, klassiek kapsel stond op en liep naar de keuken. Ze kwam terug met twee blinkende roestvrije schaaltjes en gaf ze aan de procureur. Die ging op zijn knieën voor de lange lage salontafel zitten, als ’t ware in een ceremoniële houding voor wat komen zou. Iedereen keek stil toe. Hij pakte een sealtje, trok het voorzichtig open en deponeerde de inhoud op een schaaltje. Nadat hij met iets dat leek op een scheermesje in een houder het witte poeder nog wat fijn had gehakt, verdeelde hij het minutieus over tien gelijke lijntjes, twee aan twee, die hij met het mesje nog eens netjes uitlijnde. Hij was als een kok die een bord prepareerde en deed dat met een cachet alsof het zijn beroep was. Hij herhaalde het protocol met het tweede sealtje op het andere schaaltje. Vervolgens opende hij een sigarettenkistje en nam er een aantal dunne rolletjes van wit glanzend hardboard uit. Onbewust viel mij dat tegen, omdat ik verwachte dat de portefeuilles zouden opengaan en biljetten van ten minste honderd euro zouden verschijnen om er een rolletje van te maken. Zo had ik het mij altijd voorgesteld uit de films waar ze met een honderd dollarbiljet de klus klaarden. De rechter had de eer de zitting te openen. Hij snoof gulzig twee lijntjes op, kneep opeenvolgend elk neusgat dicht terwijl hij telkens nog eens hard snoof. Hij gaf het schaaltje door aan de procureur. Ik bestudeerde nauwgezet het gezelschap. Ik zag telkens de lijntjes verdwijnen, nog even snuivend aan de neus vingeren en dan de gezichten veranderen. Gelukzalige blikken, de mondhoeken lichtjes naar beneden als teken van stijgend zelfvertrouwen. Het viel mij op dat slechts twee vrouwen aan de ceremonie deelnamen en allebei ook minder uiterlijk reageerden op hun gesnuif. Plots kwam er een schaaltje voor mijn neus. Er lagen nog slechts twee lijntjes op. Ik was blijkbaar de laatste en iedereen keek afwachtend naar mij, behalve mijn vrouw die mij eerder een argwanende blik toewierp. ‘Zou jij dat wel doen? Je zit al regelmatig aan de Avamys met je neusproblemen.’ Die blikken. Ik behoorde die avond nu eenmaal tot dit exquise gezelschap. Ik zou geen zwakheid demonstreren en moest mijn mannetje staan. Dus doen. Nu of nooit. Ik haalde diep adem alsof ik mij voorbereidde op het record hoogspringen. Ik blies de adem uit en snoof een lijntje op. Ik herhaalde de ademcyclus om het tweede lijntje in mijn andere neusgat te laten verdwijnen. Met de rug van mijn hand wreef ik mijn neus af, een handeling die blijkbaar afkeer opwekte volgens de samengetrokken gezichten van sommige mannen. De kamer werd ineens helderder. Ik voelde mij super in mijn vel. Mijn vrouw keek nog altijd afwijzend. Ik pakte haar stevig vast en gaf haar een kus. Hoe kan je zo kijken, het leven is toch mooi, niet? Had ik dat nu gezegd of gedacht? Het geroezemoes van het gezelschap vervaagde. Ik stond daar boven. Onbewust ging ik rechtstaan en legde het gezelschap het zwijgen op. Ik bekeek eerst een voor een de toehoorders aandachtig met een energieke blik en vertelde daarna hoe je een olifant kon vangen met een Grieks-Latijns woordenboek, een verrekijker, een pincet en een luciferdoosje…

Bert Bergs
0 0

De infiltrant

Ik ben niet bang. Nooit gedacht dat ik dat op een moment als dit nog helder in m’n hoofd zou kunnen prenten. Ik ben niet bang, hoewel ik meer reden heb om bang te zijn dan ooit tevoren. Terwijl mijn hoofd een zelden geziene, filosofische kant van zichzelf lijkt te hebben gevonden, duwt de zwaar behaarde vent me wat verder de container in. De geur van kleverig gedroogd fruit in combinatie met de muffe containerlucht doet m’n lege maag krimpen. Na 3 dagen lijk ik voedsel niet eens meer te missen. Een soort permanente waas van high, of hoe vasten je heel wat geld aan drugs zou kunnen besparen. De filosoof in mijn hoofd is vast een neveneffect van het acuut gebrek aan eten. Jammer, mijn vriendin had die diepzinnige ik vast interessanter gevonden de het kille lief dat ik de afgelopen maanden was geweest. Zonder veel finesse strompel ik voorover wanneer de man me met de achterkant van z’n geweer in de rug port. Hoe hard, koud en stoffig de containervloer ook mag zijn, liggen voelt als een wollige deken na een winterwandeling, dicht mijn hoofdfilosoof. Veel te gelukkig om me in deze allerminst aangename situatie te bevinden, nestel ik m’n hoofd op mijn samengevouwen handen en heel even waan ik me thuis. Thuis in ons Ikea-bed op een van onze doelloze zondagochtenden, die we vulden met croissants en seks. Amber toch, wat heb ik je aangedaan? Waarom was ik niet de man die ik eigenlijk voor je wilde zijn? Waarom moest net ik me aanbieden om deze zaak op te lossen, net nu we eindelijk weer samen gelukkig konden worden? “De aard van ’t beestje. Eens thrillseeker, altijd een thrillseeker”, had mijn moeder wel eens –trots op haar nieuwe, Engelse vocabulaire-verkondigd. Voor Amber was dit allesbehalve een troost geweest, meer een soort reden om me in al haar liefde nog meer te haten dan ze voordien al deed. God, wat zie ik haar graag. Drie dagen geleden zou ik me doodgeschaamd hebben voor de zielig onderdanige positie waarin ik me nu bevond- gelukzalig glimlachend, in foetushouding voor een gewapend strijder die me liefst zo snel mogelijk wilde afmaken. De trots is samen met mijn levenslust vertrokken. Doodgaan, hoe egoïstisch ik het van mezelf ook vind, is het mooiste wat me nu nog te wachten kan staan. De strijder roefelt wat in z’n achterzak en ik ben ervan overtuigd dat hij iets zal bovenhalen wat m’n dood alleen maar pijnlijker zal maken. Met verraad van Het Verbond, wordt bij die mannen niet gelachen. Even denk ik dat de vastenwaas me nu ook al hallucinaties bezorgt, als ik zie dat het voorwerp dat uit de zak van z’n lelijke groen-katoenen broek komt een eenvoudige iPhone is. Ik hoor mijn broer nog steeds monologen afsteken over de miserabele prijs-kwaliteitverhouding van die dingen en bedenk me dat geen broers zo verschillend konden zijn dan wij twee. Hij de econoom, ik de nuchtere infiltrant, de miseriezoeker die zo nu en dan al eens wat bendes wist op te rollen.  Met zijn vette vingers, die typen op zo’n touchscreen er waarschijnlijk niet makkelijker op maken, vormt hij aarzelend het nummer dat op de achterkant van een rekeningetje gekrabbeld staat. Een rekeningetje van Mc Donalds, merk ik verdacht helder op. Niet dat ik iets anders van deze obese, woesteling verwacht had, maar het blijft me storen dat niemand zich ook maar iets van de nutritionele waarde van voeding lijkt aan te trekken. Mijn afgedwaalde gedachten landen prompt terug op de containerbodem wanneer de vent me zijn iPhone aanreikt. Ik verwachtte de Leider te horen, die me een laatst mogelijke keer zou inwrijven dat mijn missie naar de knoppen is. Hij zou dan beschrijven hoe ze mijn dood zouden filmen, op Youtube posten en iedereen er zo van overtuigd zou zijn dat met Het Verbond niet te sollen valt. De stem die uit de speaker van de smartphone komt, lijkt in geen jaren op de hese gekir van de Leider. Ze weten wat psychologische oorlogsvoering is, die gasten, want deze stem is inderdaad dé manier om mijn laatste levensminuten pijnlijker dan mogelijk te maken. Het is haar stem, haar zachte volle stem. Lager dan de meeste mannen gepast zouden vinden voor een vrouw, maar zo vertrouwd, zo zoet. Haar stem is gezwollen van woede. Zonder ook maar iets aan mij te vragen begint ze me uit te schelden. Dingen over foto’s van een brunette op stiletto’s, scheidingspapieren en teleurstelling. Zonder dat ik ook maar een woord kan uitbrengen- in de veronderstelling dat ik daar op dit moment toe in staat zou zijn- schreeuwt ze dat ze dat ze nooit van me had mogen houden en begint schortend naar adem te happen terwijl haar uithalen afvlakt naar vermoeidheid en verdriet. Ik hoor iets te zeggen, niet? De filosoof in m’n hoofd weet het even ook niet meer. Het enige wat ik weet is dat ik verdomme zo graag zou willen dat dit een film was en er me nu op miraculeuze wijze iemand de kracht gaf die dikke vent knock-out te slaan, te ontsnappen en terug te gaan. Terug naar Amber. Ik zou haar ten huwelijk vragen, er zouden een paar wilde jaren verstrijken en dan zouden we kinderen hebben en nog lang en gelukkig leven. Einde verhaal. Aftiteling en opgewekte muziek. Amber snikt nog steeds en tegen alle regels der mannelijkheid in merk ik dat machteloosheid ook tranen uit mijn ogen heeft weten te wringen. De mollige strijder lijkt het sentimenteel schouwspel niet langer te kunnen verwerken, rukt de iPhone uit m’n magere, beverige handen en duwt Amber met 1 welgemikte por op het scherm weg uit mijn leven. Mijn leven, waarvan over enkele luttele seconden niet veel meer dan wat herinneringen zullen overschieten. Met zijn hoofd al bij de Big Macs  van straks maakt hij zijn pistool klaar om de routineklus af te handelen. Ik ben niet bang. De filosoof in mijn hoofd heeft het bij het rechte eind, ik bén niet bang. Ik ben klaar. Klaar om de zoveelste, gefaalde infiltrant te zijn. Ze zullen mijn naam na deze oorlog in een muur krassen en elk jaar zullen oude vrouwen wat bloemen bij de steen leggen. Iedereen zal ons prijzen voor onze moed en onze heldendaden. Ze moesten eens weten, hoe graag wij dappere helden op het einde net als iedereen ook gewoon naar de dood snakken. De dood, het einde van die tijdsverdoenerij hier op aarde. Tijdsverdoenerij die de één vult met hoofdbrekende economische theorieën over Apple, de ander met het idealistisch bestrijden van het kwaad. Keuzes, zijn het de ware schatten van het leven, denkt de filosoof nog in m’n hoofd. Een klik, een welgemikt schot. Zalige leegte die men de dood noemt.    

Anne-Sophie
0 0
Tip

Duivenpaleizen ten val

Als ge geluk hebt, wordt ge geboren in een tijd die bij u past. Een tijd als een soepel extra velletje, eentje zonder plaats te veel. Een tijd die u in uw waarde laat, u u laat zijn.   //   Gij, gij paste perfect in uwen tijd. Gewoon doen wat opgedragen, volgen, geen existentiële vragen of roekeloos gedrag, geen verre reizen of ontdekken van nieuwigheden.  Gij, uw constante huppelen achter de bazen, zoals uw kefferke thuis.  Geen ambitie, 45 jaar en hoogstens 5 dagen ziek, achter de band versleten. Moeder de vrouw had het eten ’s avonds gereed. Uw kinderen, noodzakelijk kwaad door God bepaald. Eén passie: uw duiven. Voor hen week alles. Uw grote geluk, uw goeroeloze meditatie, yoga, saunabeurt, enzomeer.   Gij, vervuld van liefde voor uw gevleugelde vrienden.   Uw vrouw, de kinderen, zij moesten het met elkaar beredderen. Zij hebben u nooit gekend, ge kende uzelf niet. Uw duiven, de enigen. De enigen die u steeds weer met groots enthousiasme verwelkomden.   Ge werd te oud, uw duiven moest ge laten gaan. Wat later waard gij zelf eraan.     //   In onze tuin kijken we recht op de ruïne, de stenen versie van uw stijlloos luxueus tuinhuis, de duivenrange, uw stille paleis, uw enige thuis. Het ligt er triestig bij. En toch, telkens we uw kleine paleis kruisen, komt er een warme gloed ons tegemoet.  Uw ziel bleef daar, uw liefde bleef steken. Onze kinderen bewonderen dat megalomane kasteel, plek van dierenverafgoding, zouden graag deelgenomen hebben aan de sport.  Te jong om te beseffen. Het vallen van de duiven.    De tijden zijn veranderd. Duiven in verval. Uw beste duif vloog zich te pletter tegen onze ruit. Het moet een voorteken geweest zijn. De blik in uw ogen toen ik ze verward terugbracht, was hartverscheurend. Ge wist het toen al, ik wist het, wij wisten dit toen al.   Duiven in verval. Niet alleen in onze achtertuin.   Kent gij nog jonge viriele mannen aan huis gekluisterd?   Mannen die het mountainbiken, skiën, snowboarden, hitchhiken, raften enzomeer laten staan voor hun tweevoetige vrienden thuis? Mannen die genieten van het stille oppervlakkige duivenleven, van het stront schrapen, de blauwe stofjas?  Mannen die de stilte claimen als hun duiven vallen, omdat zij zelf verlangen naar dat prikkelloze bestaan? Mannen die het gezinsleven zonder schaamte aan hun vrouw of man overlaten, wiens thuis een klein hok groot is, wiens grootste liefde minstens 10-koppig en 20-potig is?   Ik ken er geen een.   //   Wat doen dan al die mannen, voor het duivenmelken bestemd, vandaag?  

M A R T H E
86 8

DROOMTIJD

  Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Gedragen door de thermiek boven de gloeiend rode kiezel, Uluru genaamd, ontketen ik het eerste volk van dit continent. Ik vlieg. Ik droom. Hete wind raast in mijn oren. Schitterend licht lokt me hoger en hoger in het blauwe. Het rood is nu ver weg. Het blauw verdonkert, wordt indigo, wordt zwart. De Melkweg leidt me naar de diepste spelonken van de ruimte, waar de dromen ontstaan die de aarde hebben gevormd. In de ruimte ben ik niets, ik weeg niets, materie verdwijnt in het zwarte gat en ik zweef in het spoor van mijn droom. Lachvogels lokken me terug naar de aarde, naar de rode kiezel. Het zwart vervaagt, wordt weer indigo, de sterren vervagen, het licht keert terug en ik duik als een arend naar zijn prooi, naar Uluru. Rond de rots staan de stammen van Australië. Uit duizend didgeridoos klinkt de oertoon van Gaia, de diepe toon die je doet zinderen in harmonie met de aarde. Ik ben de slang, de kangoeroe, de hagedis, de dingo. Ik ben elk element van de droomtijd. Elke breuk, elke groef, elke holte in de heilige rots is een spoor van mijn verhaal. Ik wijs de weg terwijl ik droom. Ik word wakker in een houten hut op de camping nabij Ayers Rock. Ik ben een blanke westerling, een reiziger, een gast. Voor ik hierheen kwam voedden lectuur en films mijn nieuwsgierigheid naar het oervolk dat hier tot tweehonderd jaar geleden ongestoord heeft geleefd. De droom brengt me wel heel dicht bij de aboriginal, die me zal begeleiden tijdens een wandeling rond de rots. We ontmoeten mekaar aan de voet van Uluru, waar hordes toeristen zich verdringen aan 'The Climb', het spoor dat ze tekenen terwijl ze de top proberen te bereiken. Hun prestatie wordt beloond met een glas champagne en een T-shirt met 'I climbed Ayers Rock' erop. Renita is een Anangu, lid van de clan die enkele tientallen jaren geleden de rots heeft teruggekregen van de Australische overheid. Ze zal me meenemen in het traditionele leven van haar stam. Ze draagt het uniform van een park ranger, een toegeving aan de eisen van haar functie. Haar traditionele uiterlijk met de enorme donkere ogen in haar zacht, ronde gelaat, omkranst met een warrige bos blonde haren, haar brede glimlach, stellen me meteen op mijn gemak. We verwijderen ons van het hysterische circus bij 'The Climb' en stilaan nemen de geluiden van de woestijn bezit van Renita en mij. Ze zegt niets en ook ik zwijg. Als hoogpotige reigers proberen we de staalharde naalden van het spinifex gras te vermijden. De rode muur altijd dichtbij, overheersend maar niet bedreigend. Wat maakt dat schuifelend geluid? Een slang? Een hagedis? Een vogel lacht in een eenzame boom. Een koel briesje verzacht de hitte en kietelt mijn oren. Ik imiteer Renita als ik de opdringerige, alomtegenwoordige zoemende vliegen met een lome handbeweging voor mijn mond en ogen probeer te verjagen. We gaan zitten in het rulle, rode zand, in de schaduw, vlak bij de rots. De tjukurpa, de droomtijd, draagt me naar een oeroude herinnering. Ik ben Kuniya, de slang. De afdruk van mijn slingerend lijf staat in de rots gegrift en vertelt mijn verhaal. Ik leefde heel lang geleden in tjukurpa,. Op een dag werd ik aangevallen met speren door een groep Liru, mythische vijanden van de slang. Lang duurde mijn strijd terwijl ik kronkelend de scherpe punten probeerde te ontwijken. Mijn verhaal en de ontelbare pijnscheuten staan als diepe gaten in steen gebeiteld naast de slingerende lijn van mijn doodstrijd. Renita neuriet voor mij de gezangen van het landschap, het lied van de droomtijd, die haar de weg wijzen in de woestijn. Ik leg mijn vingertoppen op de heilige rots en voel de diepe trilling van dit oeroude continent. De vogel lacht en de wind zingt een lied in de groeven en spleten van dit magisch symbool.   Ik ben Japara, de kangoeroe. Ooit leefde ik in de zee tot een krachtige wervelwind me optilde en me over het land blies. Over wouden en bergketens werd ik gedragen naar de plaats die nu Uluru wordt genoemd. Daar kon ik met mijn staart en achterpoten houvast vinden aan een boom. De wind rukte en trok aan mijn lichaam en ik voelde mijn staart en poten uitrekken tot ze leken te scheuren. Plots loste de boom zijn greep op de aarde, zijn wortels openden de bodem en vormden een bron bij de rots. Ik lag uitgeput onder de boom: poten en staart verlengd en vervormd. Zo werd ik de kangoeroe die iedereen nu kent.   Zachtjes zingend, plukt Renita een besje hier, enkele blaadjes daar. Ik luister naar haar aangename, diepe stem en ik dompel mezelf onder in de restanten van de oeroude wereld die zij vertegenwoordigt. Wat ze plukt mag ik proeven: het zuur-zoete bushtomaatje, het eucalyptusblad met de citroensmaak, de pepersmaak van een wortel. In de schaduw van een boom houden we halt.   Ik ben Linga, de hagedis. Ooit maakte ik een boemerang, een perfecte boemerang, de beste die ik ooit had gemaakt. In die tijd was Uluru nog een zandige heuvel en toen ik mijn boemerang wierp, kwam hij niet terug, maar verdween hij in het zand. Ik moest en zou die boemerang terugvinden. Ik groef diepe holen in het zand, schraapte met mijn tenen aan de rand in mijn zoektocht naar het verloren kleinood. Ik kon het niet vinden. Mettertijd versteende het zand en bleven de gaten, holen en verticale kloven het zichtbare resultaat van mijn queeste.   Het water in de bron staat enkelhoog, maar we toch laten we ons met de kleren aan in het water vallen. In de hete middagzon gooien we lachend handenvol water naar mekaar toe, als kleine kinderen, tot we afgekoeld en uitgerust verder kunnen. Een nat spoor van de druipende kleren en voeten achtervolgt ons.   Ik ben Lungkata, de dingo. Bij aboriginals bestaat een wet die verbiedt dat ze vrouwtjes en pups van de dingo doden. Lang geleden doodde de jager, Kapiri, twee dingopups en at ze op. Die daad werd wreed gewroken door de dingo's zodra ze het gehuil van de moeder hoorden. De boosdoener zag de dingo's van alle kanten komen aanlopen en klom in de dichtstbijzijnde boom. Lungkata, uitzinnig van verdriet om haar pups, moedigde de dingo's aan om wraak te nemen. De hele meute begon aan de boom te schudden tot hij werd ontworteld. Met een smak viel hij op de grond en het lichaam van Kapiri viel in duizend stukken. De dingo-pups kwamen levend tevoorschijn en huppelden keffend naar hun moeder terug. In de grond gaapt nu een groot gat. De grond er rond ligt bezaaid met rode rotsblokken: het gestolde bloed van de jager die de wet had geschonden.     Mijn gids leidt me weg van Uluru, verder de woestijn in. Het is middag en de zon staat hoog aan een zinderende hemel. De hete lucht trilt en siddert voor mijn ogen, schildert de vormen en kleuren in een waas van oranjerood en grijsgroen. Zonder dat ik het heb gemerkt, hebben we een schuilhut, een wiltja, bereikt. Die zal ons enige bescherming bieden tegen de vurige zon. Handig draait Renita een puntig stokje in een houten plank. Al vlug ontsnapt door de wrijving een rookwolkje. Enkele pluisjes op de rokende plank, een zuchtje adem erbij en er brandt een vuur. Uit het niets, lijkt het wel, komen een man en een vrouw naar ons toe. De vrouw draagt een houten schaal met eten, de man heeft enkele gietijzeren potten bij zich. Renita legt haar oogst van bessen en bladeren op de schaal. Ze geven kruiding met het aroma van peper of citroen aan het gerecht. Terwijl de man en de vrouw boven het vuur het eten klaarmaken, laat mijn gids me proeven van geroosterde stukjes boomlarve. Die zijn een heerlijk nootachtig aperitiefhapje in afwachting van de stoofpot van slang. Door de ongewone maar samen passende smaken waan ik me in een westers gastronomisch restaurant. Een brede glimlach tovert zich op het gelaat van de koks als Renita mijn opmerking vertaalt. Net zo mysterieus als ze gekomen zijn, verdwijnen ze terug in de woestijn.   Door een koele bries en een schaduw voor de zon komen we uit de wiltja. Een donkere wolk bolt op boven Uluru. Achter onze schuilplaats wordt het zonlicht verduisterd door een tweede wolk. Een derde wolk verschijnt achter de eenzame boom. De lachvogel zwijgt. De hagedis kruipt weg onder de versteende resten van de dingo. De ogen van de kangoeroe lichten op in één van de holen in de rots. Stilte voor de storm.   Een strakke wind steekt op en drijft de dreigende luchtmassa's samen boven Uluru. Van wit en lichtgrijs, verdonkeren ze naar een groenig donkergrijs. De rots verkleurt van gelig oranje naar een vuil-paarse tint. De lucht knettert van een ingehouden energie die toch nog onverwacht uitbarst in een veelarmige flits, meteen gevolgd door de knal van de eerste donder. Wij schuilen onder de takkenbossen van de wiltja, die amper boven de vlakte opbolt. De eenzame boom splijt onder de kracht van het natuurgeweld. De hevige windvlagen borstelen over de woestijnbodem en spuiten het rode zand in mini tornado's hoog in de lucht, terwijl alle losse takken en bladeren over de grond worden meegesleurd in de woeste dans der elementen. Ook in mijn lijf knettert een tomeloze energie, de kick, de opwinding bij het ondergaan van dit natuurfenomeen. Na het vuur komt het water: onstuitbaar, met de kracht van een waterval. Bliksem en donder laten mekaar los en verdwijnen in de verte. Het water blijft de dorstige woestijn laven.   Als een Siamese tweeling komen Renita en ik uit de schuilplaats, we kijken elkaar aan, staan onder dezelfde spanning, en beginnen te dansen in de nog altijd gutsende regen. De armen hoog in de lucht, de benen wijd, het bekken schommelend in een aloude ode aan de vruchtbaarheid. Onze kleren doorweekt, het hoofd in de nek, geven we ons over aan de elementen. Wij zijn Anangu, de mens. De levenbrengende stortvloed dondert door de groeven en spleten van de rots, schuurt zich dieper in de steen en schrijft opnieuw geschiedenis. De sporen van champagne slurpende blanke kolonisators worden weggewassen. Uluru wordt herboren en morgen is de woestijn een bloemenzee.  

Lin Jansen
20 0